De burgemeester van Tubbergen,
Gelet op artikel 151c van de Gemeentewet, artikel 2:77 van de Algemene plaatselijke verordening Tubbergen (hierna: de APV),
Gehoord de lokale driehoek van Tubbergen op 27 juli 2026, als bedoeld in artikel 13 van de Politiewet 2012,
Overwegende:
In de nacht van 14 op 15 maart 2026 heeft bij de woning aan de Zurinkstraat 37 te Geesteren een vernieling plaatsgevonden. Er is een steen gegooid door de voorruit van de woning. Hierna zijn herstelwerkzaamheden verricht aan de voorruit. In de nacht van 21 op 22 maart 2026 heeft wederom een vernieling aan dezelfde woning plaatsgevonden. Daarbij zijn twee bakstenen, door de voorruit en door de voordeur, van de woning gegooid. De woning is een rijtjeswoning, die ten tijde van beide vernielingen, onbewoond was.
Naar aanleiding van deze gebeurtenissen is op 30 maart 2026 besloten het gebied, in de omgeving van de woning, voor de periode vanaf 31 maart 2026 tot en met 30 juni 2026, aan te wijzen als gebied waarbinnen het mogelijk is om camera’s in te zetten ten behoeve van het houden van toezicht op openbare plaatsen. De camera’s zijn gedurende de genoemde periode in het betreffende gebied geplaatst. In de nacht van 17 op 18 april 2026 is wederom een baksteen door de ruit van de voordeur van de woning gegooid. Eind april 2026 is een gezin in de woning getrokken.
Inmiddels zijn de camera’s een aantal weken verwijderd. In de nacht van 25 op 26 juli 2026 heeft zich echter wederom een incident voorgedaan rondom de woning. De auto van de bewoners van de woning stond in de straat geparkeerd en is in vlammen opgegaan. De politie is een onderzoek gestart naar de oorzaak van de brand. Op dit moment is het politieonderzoek nog niet afgerond.
De burgemeester is, ter handhaving van de openbare orde en op grond van artikel 151c van de Gemeentewet juncto artikel 2:77 van de APV, bevoegd om voor bepaalde duur camera’s in te zetten om toezicht te houden op openbare plaatsen. De politie is bevoegd om deze camera’s te gebruiken en te bekijken met als doel strafbare gedragingen die de openbare orde en de rust verder kunnen bedreigen, te voorkomen, de openbare orde te handhaven, en de inzet van de politie te verbeteren.
Nu er wederom een incident heeft plaatsgevonden bij dezelfde woning, is sprake van een ernstige verstoring van de openbare orde. Het inzetten van cameratoezicht is gericht op het voorkomen van verdere vernielingen, en draagt bij aan het verbeteren van het veiligheidsgevoel bij de omwonenden en passanten die zich bevinden in de omgeving van de woning. Deze maatregel maakt onderdeel uit van een breder pakket aan maatregelen, waaronder begrepen opsporingsonderzoek en extra toezicht en surveillance. De politie verricht onderzoek naar de laatste gebeurtenis en heeft geadviseerd om wederom camera’s te plaatsen aan de openbare weg.
De aanwezigheid van camera’s wordt ter plekke op duidelijke wijze kenbaar gemaakt voor een ieder die het gebied betreedt. Indien vóór afloop van de gestelde periode blijkt dat de inzet van camera’s niet langer noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde, zal het cameratoezicht worden beëindigd.
De duur van het cameratoezicht en de omvang van het gebied zijn proportioneel in relatie tot het beoogde legitieme doel. Gezien de ernstige verstoring van de openbare orde, en het feit dat dit in korte tijd viermaal is voorgekomen, weegt het belang van de handhaving van de openbare orde zwaarder dan de mogelijke inbreuk op de privacy van passanten.
BESLUIT