Gemeenteblad van Delft
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Delft | Gemeenteblad 2026, 367619 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Delft | Gemeenteblad 2026, 367619 | beleidsregel |
Beleidsregel Toetsingssysteem Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen
De hoeveelheid natuur en biodiversiteit in Nederland zijn in de afgelopen jaren sterk afgenomen. Dit heeft grote negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving voor mens en dier. Daarom heeft Delft in april 2021 een beleidsnota voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen opgesteld (RIS 4533675). Dit sluit ook aan bij een belangrijk doel van de omgevingsvisie 2040 van Delft: het bevorderen van de biodiversiteit, door buitenruimten en nieuwe bebouwing natuurvriendelijk in te richten en te realiseren. Ter inspiratie, en om de resultaten van afgelopen jaren te laten zien, zijn in deze beleidsregel foto’s opgenomen van in Delft gerealiseerde projecten waar de beleidsnota natuurinclusief bouwen toegepast is.
De beleidsnota wordt nu vervangen door de voorliggende beleidsregel. Deze beleidsregel is een inhoudelijke actualisatie op basis van de ervaringen in de eerste jaren. Zo hebben we onder andere gemerkt dat de huidige systematiek zich niet goed leent voor gebouwen met een bouwhoogte van hoger dan 15 meter of voor plannen waar de bijbehorende buitenruimte beperkt is. Dat passen we aan. Ook is opgenomen onder welke voorwaarden, en bij hoge uitzondering, afgeweken kan worden van de regels.
Met natuurinclusief bouwen, ecologie en biodiversiteit in de gebouwde omgeving hebben we te maken met een aantal nieuwe begrippen. Aan het eind van dit toetsingssysteem vind je daarom een lijst met definities.
Het toetsingssysteem werkt schalend. Dat betekent dat hoe groter het plangebied van een project is, hoe meer oppervlak met natuurinclusieve inrichting er komt. Dit is altijd in dezelfde verhouding. Dus de opgave om samen te zorgen voor natuur in onze gemeente wordt zo eerlijk verdeeld.
Figuur 1. Visuele samenvatting van verplichtingen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen
Voor een project kan gekozen worden uit verschillende maatregelen die punten opleveren. De hoeveelheid punten die behaald moet worden, hangt af van de hoeveelheid vierkante meters van het plangebied. Voorwaarde is wel dat de maatregelen die gekozen worden samen voldoende punten opleveren én bij elkaar passen om zo een goed leefgebied te vormen voor ambassadeursoorten. Zo zorgen we dat een plek echt geschikt wordt. En dat er voedsel, veiligheid, verblijfplaatsen, verbinding met de omgeving en voldoende variatie is voor verschillende diersoorten.
Naast de natuurinclusieve maatregelen moeten er ook genoeg nest- en verblijfplaatsen voor de dieren worden gerealiseerd. Hoeveel dit er zijn, hangt af van het aantal vierkante meters bebouwd oppervlak en van de bouwhoogte.
Samengevat bestaat de verplichting uit de volgende onderdelen:
Zorg voor voldoende ecologische waardevolle natuur in het plangebied (de groennorm)
De groennorm is 30% van de oppervlakte van het plangebied 1 .
Zorg voor nest- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende diersoorten
Dit betekent een nest- of verblijfplaats per 100 m2 bebouwd oppervlak (footprint) voor gebouwbewonende soorten. Bij hoogbouw zijn dit twee verblijfplaatsen per 100 m2 bebouwd oppervlak.
Bij kleine projecten (50-499 m2 plangebied) neem je maatregelen voor minimaal één soort. Bij middelgrote projecten (500-2.000 m2) geldt dat voor minimaal twee diersoorten maatregelen moeten worden genomen en bij grote projecten (>2.000 m2) voor minimaal drie verschillende soorten.
Voor projecten kleiner dan 50 m2 zijn maatregelen niet verplicht, maar wordt wel sterk aanbevolen groene inrichtingsmaatregelen te nemen met inachtneming van het betreffende gebied en bijbehorende ambassadeurssoorten.
Haal voldoende punten voor natuurinclusieve maatregelen
Zorg voor een selectie van natuurinclusieve maatregelen: per maatregel worden punten toegekend. Bij nieuwbouwprojecten moeten minimaal 2 punten per 100 m2 plangebied behaald worden, bij ingrijpende renovatie is dat 1 punt per 100 m2 plangebied. De natuurinclusieve maatregelen moeten daarnaast passen bij de gekozen ambassadeursoorten.
Elke maatregel heeft een eigen aantal punten. Het puntenaantal past bij de ecologische waarde en wenselijkheid van de maatregel. Punten worden toegekend per 100 m2, of een deel of veelvoud hiervan. Het inrichten met een maatregel van 6 punten levert dus bij 150 m2 van die maatregel 9 punten op en bij 25 m2 is dat 1,5 punt.
1 Inleiding en doel van dit toetsingssysteem
In april 2021 heeft de gemeente Delft het puntensysteem Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen vastgesteld. Doelstelling van dit beleid, vastgelegd in beleidsregels, was het volwaardig meenemen van flora en fauna in gebiedsontwikkel- en bouwprojecten. Maatregelen die bijdragen aan het versterken van de biodiversiteit ‘liften mee’ bij bouwprojecten: zodanig bouwen en ontwikkelen dat (ook) de natuur er baat bij heeft.
Inmiddels wordt bijna vijf jaar gewerkt met dit puntensysteem. Het leidt geen twijfel dat dit systeem heeft geleid tot het verbeteren van de biodiversiteit bij projecten.
Ter inspiratie, en om de resultaten van afgelopen jaren te laten zien, zijn in deze beleidsregel foto’s opgenomen van in Delft gerealiseerde projecten waar het beleidsnota natuurinclusief bouwen toegepast is.
Toch kan het beter. Hier bestaat een aantal aanleidingen voor:
In de praktijk lopen we tegen knelpunten en dilemma’s aan, die willen we oplossen. Voorbeeld van een praktijkprobleem is dat in de huidige systematiek een relatief hoog gebouw met een kleine footprint en weinig buitenruimte (zoals in Nieuw Delft) gezien wordt als “middelgroot project”. Het blijkt erg lastig om de punten die dan voor natuurinclusief gehaald moeten worden ook daadwerkelijk te realiseren. Dat willen we verbeteren;
Verschillende gemeenten in Nederland werken met verschillende systematieken voor natuurinclusief bouwen. Voor onderhavige systematiek hebben we samengewerkt met een viertal gemeenten (Leiden, Amsterdam, Tilburg en Amsterdam) zodat marktpartijen niet in elke gemeente met een ander beleid te maken hebben. Ook de provincie Utrecht heeft de systematiek overgenomen en als handreiking voor de Utrechtse gemeenten meegegeven;
|
Natuurinclusief bouwen is het op zo’n manier ontwikkelen van gebouwen en omgeving dat de natuur er baat bij heeft. Hierdoor dragen ontwikkelingen bij aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden. |
De gemeente heeft dit toetsingssysteem met puntensysteem opgesteld om natuurinclusief bouwen concreet te maken voor bouwprojecten. Dit geldt voor nieuwbouw, ingrijpende renovatie en gebiedsontwikkeling.
De hoeveelheid natuur en biodiversiteit in Nederland zijn in de afgelopen jaren sterk afgenomen. Dit heeft grote negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving voor mens en dier. Biodiversiteit en natuur hebben namelijk veel positieve effecten. Ze zorgen voor o.a. een gezonde leefomgeving met ruimte om te bewegen, elkaar te ontmoeten en te spelen.
Ook zorgt de natuur dat we de gevolgen van een veranderend klimaat beter kunnen opvangen. Denk bijvoorbeeld aan hevigere regenbuien en langere periodes van droogte. Diversiteit in soorten (biodiversiteit) zorgt voor robuustheid, zodat de natuur tegen een stootje kan of tegen een plaag is opgewassen. De natuur levert ook ons voedsel en veel van onze medicijnen. Kortom: zij is onmisbaar en we moeten er zuinig mee omgaan.
Tegelijkertijd is de druk op de ruimte in de gebouwde omgeving hoog. We zijn op zoek naar ruimte voor meer woningen, plekken om te recreëren en plaatsen voor bedrijvigheid. Het is belangrijk dat de natuur daarbij niet steeds het onderspit delft. Daarom weegt de gemeente de natuur volwaardig mee in ruimtelijke opgaven. De natuur is één van de belanghebbenden en is één van de doelen voor onze leefomgeving.
1.2 Het doel van het toetsingssysteem voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen
Dit toetsingssysteem geeft duidelijkheid over de verplichtingen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen bij bouwopgaven. Zo informeert de gemeente projectteams en initiatiefnemers hoe zij biodiversiteit en natuurinclusiviteit kunnen meenemen in een bouwproject of inrichtingsopgave.
Bij het natuurinclusief puntensysteem en de begeleidende informatie over ambassadeursoorten en natuurinclusieve maatregelen wordt weergegeven welke maatregelen gewenst zijn en hoeveel maatregelen genomen moeten worden om te voldoen aan de verplichting van natuurinclusief bouwen en ontwikkelen.
1.3 De wetgeving en beleid voor natuurinclusief bouwen
Natuurinclusief Bouwen is op diverse plekken al in het Delftse beleid benoemd en vastgelegd. Zo is in de Omgevingsvisie Delft 2040 “Samen maken we de stad” (vastgesteld in 2021) gesteld dat natuurinclusief bouwen in Delft de standaard wordt. Ook in de eind 2024 vastgestelde Visie Groen en Biodiversiteit wordt het belang van natuurinclusief bouwen nogmaals benadrukt.
In de Delftse beleidsregel Klimaatadaptief Bouwen wordt verwezen naar natuurinclusief bouwen. Ook de beleidsregel Klimaatadaptief bouwen is de afgelopen tijd geëvalueerd en wordt naar aanleiding daarvan geactualiseerd. Hierbij is ook gekeken naar eventuele overlap en onduidelijkheid tussen beide onderwerpen en zijn deze in de huidige versie weggenomen.
Maar natuurinclusief bouwen is óók verplicht vanuit beleid van hogere overheden en verschillende wet- en regelgeving:
In dit kader is het in ieder geval van belang de Europese Natuurherstelverordening te benoemen. Deze EU-herstelwet verplicht de lidstaten ervoor zorg te dragen dat er op nationaal niveau geen nettoverlies is van stedelijke groene ruimte en stedelijke boomkroonbedekking ten opzichte van 2021. Ook wordt de lidstaten voorgeschreven te zorgen voor een toename van de totale nationale oppervlakte stedelijke groene ruimte.
Een overzicht en korte beschrijving van de wet- en regelgeving is opgenomen in bijlage I.
1.4 De relatie met wettelijke natuurbescherming en SoortenManagementPlan
Naast natuurinclusief bouwen gelden ook de wettelijke verplichtingen voor natuurbescherming. De ecologische onderzoeken en mitigerende maatregelen blijven verplicht, zoals de ecologische quickscan en het aanbieden van alternatieve, tijdelijke verblijfplaatsen wanneer er beschermde soorten in het plangebied zitten.
Wanneer er permanent maatregelen, zoals nestverblijven, moeten worden gerealiseerd voor de wettelijke verplichting van soortbescherming (vanuit locatie-onderzoeken of een SMP), moeten deze maatregelen meegeteld worden voor natuurinclusief bouwen. De opgave met de hoogste doelstelling in de hoeveelheid maatregelen geldt. Moeten er dus 20 verblijfsplaatsen gerealiseerd worden als compensatie voor wettelijke natuurbescherming en 16 vanuit dit kader voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen, dan moeten er dus 20 worden gerealiseerd.
Daarnaast is in Delft voor een aantal wijken een soortmanagementplan (SMP) opgesteld waarmee een gebiedsgerichte ontheffing is verkregen.
https://www.delft.nl/soortenmanagementplan
Wanneer er leefgebied gerealiseerd moet worden voor een aanwezige soort als onderdeel van een werkprotocol uit het SMP, dan kan het kader voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen gebruikt worden om te onderbouwen dat er voldoende wordt gedaan voor de betreffende soort.
In hoofdstuk 2 is opgenomen wanneer voldaan moet worden aan dit toetsingssysteem en wat de gemeente bijvoorbeeld ziet als ‘nieuwbouw’. Ook staat hier welke verplichtingen gelden voor projecten inclusief de randvoorwaarden waaraan moet worden voldaan.
In hoofdstuk 3 is het stappenplan voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen opgenomen. Stap voor stap is weergegeven wat nodig is bij projectontwikkeling. Ook staat hier de werkwijze opgenomen voor gebiedsontwikkeling.
Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen draait om ruimte maken voor de ambassadeursoorten. De ambassadeursoorten die Delft heeft gekozen zijn opgenomen in hoofdstuk 4 en welke natuur en biotopen daarvoor nodig zijn.
Tenslotte staat in hoofdstuk 5 hoe het toetsingsformulier werkt dat de gemeente gebruikt. Stap voor stap is aangegeven hoe dit formulier ingevuld kan worden en hoe daaraan kan worden voldaan.
In bijlage VI zijn de natuurinclusieve maatregelen die concreet gekozen kunnen worden opgenomen. Ook staat er welke punten verkregen worden voor welke maatregelen. Daarnaast staat hoe te voldoen aan de verplichte nest- en verblijfplaatsen.
2 Doelstellingen, verplichtingen en reikwijdte
2.1 Doelstellingen voor biodiversiteit bij ruimtelijke ontwikkelingen
Het hoofddoel van natuurinclusief bouwen en ontwikkelen is om de biodiversiteit in de gebouwde omgeving te beschermen, te herstellen en te versterken. Hiervoor zijn er vier doelstellingen, gebaseerd op de visie “Groen en biodiversiteit, de stad als ecosysteem”. Deze vormen de basis van het toetsingssysteem voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen. De aandachtspunten bij deze doelstellingen worden in bijlage II verder uitgelegd. Daarnaast is een aantal specifieke aandachtpunten beschreven die voortkomen uit de visie.
Ieder project dat valt binnen de reikwijdte van dit systeem, als opgenomen in 2.4, moet natuurinclusief bouwen. Deze verplichting is samengevat in de volgende twee richtlijnen:
De eerste verplichting is een groennormering. In ieder project moet minimaal 30% van het oppervlak in het plangebied ingericht worden met natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen die passen bij de gekozen ambassadeursoorten. Deze maatregelen kunnen op het dak, tegen de gevel en op het maaiveld uitgevoerd worden. Ook natuur die in het plangebied behouden wordt, mag meegerekend worden.
Het percentage wordt berekend door het aantal vierkante meters (m2) beplanting op maaiveld of dak (inclusief het boomkoonoppervlak (zie figuur 7) te delen door het totale plangebied.
In dit toetsingssysteem en het toetsingsformulier (bijlage VII) is een lijst met natuurinclusieve maatregelen die hierin als ‘groen’ gerekend worden (zie bijlage VI).
2. Leefgebied voor ambassadeursoorten
De tweede verplichting is dat er voldoende en hoogwaardig leefgebied voor ambassadeursoorten (zie hoofdstuk 4) gemaakt wordt in het plangebied. Ambassadeursoorten staan als ambassadeur voor bepaalde natuurinclusieve maatregelen en inrichtingsprincipes. Dit betekent dat de relevante maatregelen genomen worden én dat deze gezamenlijk zorgen voor de verschillende voorwaarden voor het leefgebied van de gekozen ambassadeursoorten en de soorten die meeliften en gebruik maken van hetzelfde leefgebied.
Dit noemen we ook wel de leefgebied V’s: Voedsel, Vocht, Veiligheid, Verblijfplaats, Voorplanting, Variatie, Verbinding met de omgeving. Om te bepalen wat ‘voldoende’ is, wordt het puntensysteem uit dit toetsingssysteem en het toetsingsformulier gebruikt.
Het aantal ambassadeursoorten waarvoor een leefgebied moet worden ingericht, hangt af van de grootte van het plangebied en in welke projectcategorie het project daarmee valt. De projectcategorie bepaalt namelijk het aantal ambassadeursoorten. In de onderstaande tabel staat de indeling per categorie.
Tabel 1 De grootte van het plangebied bepaalt projectcategorie en minimum aantal ambassadeursoorten. Voor projecten kleiner dan 50 m2 zijn maatregelen niet verplicht, maar wordt sterk aanbevolen om groene inrichtingsmaatregelen te nemen.
Nest- en verblijfplaatsen zijn een belangrijk onderdeel van een compleet leefgebied. Per 100 m2 bebouwd oppervlak (footprint) moet daarom voor minimaal één nest- of verblijfplaats ingebouwd worden. Voor gebouwen hoger dan 15 meter zijn dit er minimaal twee per 100 m2 bebouwd oppervlak (footprint).
Daarnaast moet ieder project in het inrichtingsplan een minimaal aantal punten behalen met natuurinclusieve maatregelen. Het aantal punten wordt bepaald aan de hand van de grootte en het type werkzaamheden (nieuwbouw of ingrijpende renovatie).
De mogelijkheden en kansen voor de natuur zijn meestal het grootst in projecten met nieuwbouw of sloop-nieuwbouw. En bij projecten waarbij de buitenruimte van het gebouw en de omgeving worden (her)ingericht. Zowel gebouw(en) als de omgeving kunnen dan bijdragen aan herstel en versterking van de biodiversiteit. Daarom moet bij nieuwbouwprojecten 2 punten voor natuurinclusieve maatregelen behaald worden per 100 m2 plangebied. Bij renovatie moet per 100 m2 plangebied 1 punt voor natuurinclusieve maatregelen behaald worden.
Tabel 2 Minimaal aantal punten per ruimtelijke opgave
Niet iedere maatregel levert evenveel punten op. Voor meer wenselijke en ecologisch waardevolle maatregelen worden meer punten toegekend. In bijlage VI is weergegeven hoeveel punten de verschillende maatregelen opleveren.
Bij deze verplichtingen moet er altijd voor gezorgd worden dat de natuurkwaliteit en de soorten die er al zijn beschermd worden. Daarnaast moet aansluiting met de omgeving en het maken van verbindingen worden meegenomen.
2.3 Randvoorwaarden, aanbevelingen en indieningsvereisten
Voor de plannen gelden ook randvoorwaarden:
Er is een inrichtingsplan opgesteld met hulp van een ecologisch expert
Deze voorwaarde is alleen verplicht voor middelgrote en grote projecten.
Neem de volgende punten mee: 1. behoud en bescherming van bestaande natuur; 2. ontwikkeling van habitat voor (doel)soorten en zorg voor basiskwaliteit natuur; 3. Realisatie van voldoende ruimte voor natuur; en 4. versterking en behoud van groenblauwe structuren. Vul op het toetsingsformulier in welke ecologisch expert betrokken is. En vermeld de naam van de bijlage waarin het ecologisch (inrichtings)plan staat.
Daarnaast gelden de volgende aanbevelingen:
Er is een natuurvriendelijk verlichtingsplan opgesteld
Voor middelgrote en grote projecten.
Stel dit plan op en vul in het toetsingsformulier de naam van de bijlage in waarin het verlichtingsplan staat. Benoem hoe er in het verlichtingsplan rekening is gehouden met natuurkwaliteit en ambassadeursoorten.
Voor de plannen gelden de volgende indieningsvereisten:
2.4 Reikwijdte van de verplichting
Hieronder staat voor welke projecten dit toetsingssysteem geldt. Deze projecten moeten dus voldoen aan de normen en richtlijnen voor biodiversiteit en natuurinclusiviteit.
Ingrijpende renovaties: dit betreft renovatie aan 25% of meer van de gebouwschil. Ook transformaties waarbij 25% of meer van de gebouwschil wordt gerenoveerd of gewijzigd, vallen hier onder. Kleinere renovatieprojecten waar minder dan 25% van de gebouwschil wordt gerenoveerd, zijn niet verplicht om te voldoen.
Alle soorten vastgoed vallen onder dit systeem. Denk aan woningbouw (inclusief sociale huur), bedrijfspanden en maatschappelijk vastgoed. Maar ook andere gebouwen zoals transformatorhuisjes, sportcomplexen en agrarisch vastgoed.
De verplichting voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen geldt voor de gehele gemeente Delft.
2.5 Uitzonderingen en afwijkingen
Afwijking van de eisen zijn alleen toegestaan in zeer uitzonderlijke gevallen en dienen gemotiveerd aan het bevoegd gezag (College van B & W) ter goedkeuring te worden voorgelegd.
In beginsel werken de beleidsregels per gebouw en volgt uit deze beleidsregel aan welke eisen moet worden voldaan. Bij gebiedsontwikkelingen waarbij ook openbare ruimte is betrokken, die langere tijd in beslag nemen, uit meerdere deellocaties bestaan of om een andere reden complex zijn is dit echter niet altijd mogelijk.
Bij gebiedsontwikkelingen kunnen maatregelen bijvoorbeeld gefaseerd worden gerealiseerd of op een andere locatie. Bij deze plannen kunnen de eisen niet rechtstreeks worden toegepast maar is altijd een doorvertaling nodig naar concrete maatregelen die voor de betreffende gebiedsontwikkeling geschikt zijn en moet rekening worden gehouden met de fasering van het gebiedsontwikkelingsproject.
De beleidsregels bieden hiervoor ruimte. De eisen uit de beleidsregels dienen dan als richtlijn en vormen het uitgangspunt voor de uitwerking in het een plan waarin de maatregelen voor de gebiedsontwikkeling zijn uitgewerkt. Hier noemen we dat een Uitwerkingsplan Natuurinclusief Bouwen. In dit Uitwerkingsplan wordt bepaald hoe aan de uitgangspunten van deze beleidsregels wordt voldaan. Dit Uitwerkingsplan wordt beoordeeld door het bevoegd gezag en als verplichting opgenomen in het omgevingsplan of de buitenplanse omgevingsvergunning (bopa).
NB Landelijk wordt gewerkt aan een Handreiking natuurinclusieve gebiedsontwikkeling.
3 Stappenplan projectontwikkeling
3.1 Het stappenplan voor projectontwikkeling
Met dit toetsingssysteem en het bijbehorende puntensysteem kan in een aantal stappen voldaan worden aan de verplichting voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen. De hieronder beschreven stappen zijn een handreiking.
Figuur 4 Stappenplan projectontwikkeling
Stap 1. Bepaal de doelstellingen voor het project
1a. Bepaal aan de hand van de locatie de kwalitatieve doelstellingen
Bekijk of er al natuur aanwezig is die kan en/of moet behouden. Bekijk ook of er belangrijke groenstructuren in het plangebied liggen. En of er nog uitdagingen zijn waar de natuur een oplossing voor kan zijn. Bepaal zo welke kwalitatieve doelstellingen behaald kunnen worden.
Goed om te weten: in het toetsingsformulier (zie hoofdstuk 5) is een aantal vragen opgenomen die helpen om deze doelen in te vullen.
1b. Bepaal aan de hand van de grootte van het plangebied de kwantitatieve doelstellingen
Als eerste stap wordt de projectcategorie op basis van het plangebied en de bouwhoogte bepaald. Daarna wordt op basis van het type project het minimale aantal ambassadeursoorten en te behalen punten voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen vastgesteld.
Ook hierbij helpt het toetsingsformulier (zie hoofdstuk 5). Wanneer de grootte van het plangebied en bebouwd oppervlak ingevuld wordt, volgen daaruit automatisch de kwantitatieve doelstellingen voor het project.
De gemeente wil voor ieder project een evenredige verplichting voor natuurinclusief bouwen vragen. Hierbij is de oppervlakte van het plangebied bepalend voor de doelstellingen voor een natuurinclusieve inrichting.
Als tweede stap moet bij middelgrote en grote projecten (zie tabel 1) een ecologisch expert de locatie onderzoeken. Dat kan aan de hand van verschillende vragen die te maken hebben met de vier doelstellingen voor biodiversiteit bij ruimtelijke ontwikkelingen.
In bijlage III is een vragenlijst opgenomen die gebruikt kan worden bij deze locatie-analyse.
Stap 3. Bepaal de ambassadeursoorten en maak plek voor natuur
Bepaal de ambassadeursoorten op basis van de locatie van het plangebied, de situatie in het plangebied, de groenblauwe structuren in en om het gebied en de aanwezige populaties. Je kiest hiervoor uit de lijst van ambassadeursoorten die in hoofdstuk 4 staat.
Een ecologisch deskundige kan ook andere soorten aanwijzen die passen bij de projectlocatie. Dan moet deze keuze wel goed onderbouwd worden. Ook moeten de natuurinclusieve maatregelen voor het leefgebied op een soortgelijke wijze gepresenteerd worden als in het toetsingsformulier, waarbij aangegeven wordt welke maatregelen bijdragen aan het leefgebied van de gekozen soorten.
Reserveer ruimte voor natuur in het plangebied
De doelstelling voor groenoppervlak moet meegenomen worden. Dat is 30% van het plangebied. Reserveer hiervoor dus ruimte.
Het is wenselijk om te zorgen voor een zo groot mogelijk aandeel van deze natuur op maaiveld. Natuur op maaiveld is namelijk bestendiger en heeft meer voordelen. Het is meestal ook goedkoper in aanleg en onderhoud dan groene daken. Openbaar toegankelijke natuur heeft dan weer meer voordelen dan private natuur, doordat meer mensen er gebruik van kunnen maken en ervan kunnen genieten.
Stap 4. Selecteer natuurinclusieve maatregelen en ontwerp het plan
Selecteer natuurinclusieve maatregelen
Op basis van de locatie-analyse van het plangebied en gekozen ambassadeursoorten, worden passende, relevante natuurinclusieve maatregelen waar punten mee worden behaald, geselecteerd. Deze maatregelen moeten samen in de verschillende voorwaarden van de gekozen ambassadeursoorten voorzien. Daarnaast geldt dus ook de doelstelling voor groenoppervlak.
Het is natuurlijk mogelijk en aan te bevelen om méér maatregelen en punten in het ontwerp mee te nemen dan minimaal verplicht is. Voor middelgrote en grote projecten is het verplicht om een ecoloog te laten adviseren over welke maatregelen het best passen bij het ontwerp van het gebouw en de specifieke locatie. Ook voor kleine projecten is dit verstandig. Het advies van een ecoloog kan ervoor zorgen dat de maatregelen doeltreffend(er) en correct(er) uitgevoerd en ingepast worden.
Houd bij het selecteren van de natuurinclusieve maatregelen en het ontwerpen van het plan ook rekening met drukfactoren. Probeer de negatieve invloed van onder andere plaagdieren, (invasieve) soorten, verlichting en recreatie te voorkomen. Zorg bij projecten met grote oppervlaktes glas ook voor vogelvriendelijke beglazing.
Tijdens het ontwerpproces worden de eerdergenoemde stappen doorlopen. In de verschillende fases van het ontwerp wordt aanbevolen de volgende onderdelen toe te voegen aan de ontwerpvoorstellen.
De geselecteerde projectcategorie en het overzicht van doelstellingen worden bij de schetsontwerpen (SO) meegestuurd naar de gemeente. Hierbij hoort ook een vlekkenplan en groenblauwe-structuurtekening. Hierop staat waar de natuurinclusieve maatregelen komen en hoe de aansluiting met de omgeving is.
Definitief ontwerp en vergunningaanvraag
Voor het definitief ontwerp (DO) moet het hele toetsingsformulier ingevuld zijn. Zorg voor de bijbehorende stukken bij de ontwerptekeningen en planinformatie. Lever dit aan als onderdeel van de vergunningsaanvraag en/of bij de stukken van het definitief ontwerp.
Stap 5. Vul het toetsingsformulier in en zorg voor de gevraagde stukken
In iedere fase van de ontwikkeling neem je het behoud en de versterking van natuur en biodiversiteit mee: in de planvorming, in de ontwerpen en bij de realisatie en het beheer.
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning en bij andere projectvoorstellen, zoals projecten in de openbare ruimte vanuit de gemeentelijke organisatie, wordt aangegeven hoe voldaan wordt aan de verplichtingen. Dit kan aan de hand van het toetsingsformulier. Zie hoofdstuk 5 voor een voorbeeld van dit formulier.
Vul het toetsingsformulier in en voeg plantekeningen toe
Met het toetsingsformulier wordt getoond hoe voldaan gaat worden aan de richtlijnen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen. Vul de projectinformatie in. Vul vervolgens de natuurinclusieve maatregelen in die genomen worden en controleer of aan alle doelstellingen en voorwaarden voor de leefomgeving van de ambassadeursoorten worden voldaan. Maak een overzichtstekening van het plangebied met de verschillende maatregelen op de tekening aangeduid en vermeld de bijbehorende oppervlaktes. Voor toetsing wordt het toetsingsformulier met de bijbehorende tekeningen en de informatie zoals benoemd bij de doelstellingen aangeleverd.
Toetsing voor een omgevingsvergunning
Bij het toetsen van de vergunningsaanvraag checkt de gemeente of het plan voldoet aan de randvoorwaarden. Ook beoordeelt de gemeente of het minimumaantal punten voor nest- en verblijfplaatsen en voor natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen wordt behaald. En of de gekozen maatregelen op de ontwerptekeningen en het inrichtingsplan staan.
4 Overzicht van ambassadeursoorten
4.1 Ambassadeursoorten als ambassadeurs
De ambassadeursoorten van de gemeente zijn soorten dieren die thuishoren in de gebouwde omgeving en het lokale landschap. Zij kunnen daar leven als de kwaliteit van dat landschap goed is. Ze zijn dus een goede graadmeter voor een gezonde staat van de biodiversiteit in de gemeente. In de visie Groen en Biodiversiteit uit 2024 is al een aantal icoon of ambassadeursoorten voor Delft benoemd.
Als het leefgebied voor de ambassadeursoorten op orde is, kunnen er ook allerlei andere soorten planten en dieren leven. De ambassadeursoorten geven daarmee richting aan de keuzes die we als gemeente maken voor de inrichting van de omgeving en gebouwen. Zij zijn ambassadeurs voor alle soorten die gebruikmaken van eenzelfde leefomgeving.
4.2 De keuze van Delftse ambassadeursoorten
Om invulling te geven aan natuurinclusief bouwen, is er een aantal ambassadeursoorten gekozen uit de totale lijst van soorten uit de visie Groen en Biodiversiteit. Deze ambassadeursoorten staan voor natuurtypen en maatregelen die de biodiversiteit in de gebouwde omgeving versterken.
De keuze voor de ambassadeursoorten heeft de gemeente gemaakt aan de hand van onderstaande richtlijnen. Samen leidt dit tot een compacte en toch complete lijst met soorten die staan voor een basiskwaliteit natuur. En met lokaal-relevante soorten die staan voor de unieke kwaliteit van de lokale natuur.
Het is dus niet zo dat elke aparte ambassadeur aan elk van deze richtlijnen moet voldoen. De ambassadeursoorten zijn samen een vertegenwoordiger van de verschillende natuurtypen die we in de gemeente willen hebben.
4.3 Biotooptypen voor de gemeente Delft
Iedere ambassadeur staat voor een bepaald type natuur. Deze natuur moet in voldoende mate aanwezig zijn in de inrichting van de omgeving. Zo kan de soort er een goed leefgebied (habitat) vinden. Door natuurinclusief te bouwen, krijgen deze natuurtypen als groene inrichtingsmaatregelen een plek in het ontwerp.
Soms is deze natuur al aanwezig en is het belangrijk dat de natuur behouden blijft. En op andere locaties moet deze natuur toegevoegd worden aan het ontwerp van de gebouwen en omgeving.
Dit zijn de biotooptypen die voor Delft relevant zijn:
Overige natuurtypen, zoals kort gemaaid gras (gazon), zijn door de relatief lage ecologische waarde en al grote aanwezigheid geen natuurdoel. Deze maatregelen tellen daarom niet of enkel beperkt mee voor natuurinclusieve punten in het puntensysteem. Dit type natuur telt overigens wél mee voor de groennorm wanneer de maatregelen in het toetsingskader opgenomen zijn.
In de Visie Groen en Biodiversiteit staat al een aantal maatregelen, doelstellingen en kwaliteiten beschreven die van toepassing zijn op het versterken van de biodiversiteit. Deze punten dragen ook bij aan de selectie van ambassadeursoorten en maatregelen.
4.4 Ambassadeursoorten van Delft voor natuurinclusief bouwen
Per biotooptype heeft de gemeente meerdere ambassadeursoorten gekozen. Zij zijn als diersoort ambassadeur voor bepaalde natuurinclusieve maatregelen en inrichtingsprincipes.
Figuur 5 Totaaloverzicht van ambassadeursoorten per biotoop
De soorten zijn gekozen op basis van verschillende richtlijnen die eerder benoemd zijn. Onderstaande tabel biedt een overzicht van de soorten en hoe zij aansluiten bij deze richtlijnen, bijvoorbeeld omdat ze ook een icoonsoort van de Provincie Zuid-Holland zijn, onderdeel van de Basiskwaliteit Natuur (BKN) soortenlijst en/of wettelijk beschermd zijn.
Naast specifieke soorten zijn ook een viertal soortgroepen gekozen als vertegenwoordiger. De libellen en muurvegetatie zijn groepen van soorten met vergelijkbare voorwaarden waaraan de leefomgeving moet voldoen. Waardoor de soortgroep als vertegenwoordiger is opgenomen als Delftse icoonsoort in de visie. Daarnaast zijn de Wijkbijen als groep geselecteerd. Per wijk in Zuid-Holland is een bij-achtige geselecteerd die het te vormen bijenlandschap vertegenwoordigt (Bijlage II). De soortgroepen zijn niet opgenomen in onderstaande tabel.
Hierna vind je een uitleg over deze ambassadeursoorten per type biotoop.
Tabel 3 De achtergrond van de keuze voor de ambassadeursoorten
Struweel, heesters, hagen, vaste planten en mantelzomen
Water en natuurvriendelijke oevers:
Kruiden, bloemrijk grasland en zoomvegetatie
Groene gebouwen: tuinen, gevels en daken
Figuur 6 Ambassadeursoorten per biotooptype
Op basis van voorkomen en de overeenkomst tussen de habitatwensen en het type landschap zijn de ambassadeursoorten verdeeld over 33 deelgebieden. Per deelgebied zijn vijf of zes passende ambassadeursoorten geselecteerd die ieder een ander biotooptype vertegenwoordigen. In de onderstaande tabel staat de verdeling van soorten over de deelgebieden. Hierna volgt de verdeling van deelgebieden over de gemeente. Dit is weergegeven in figuur 6 en tabel 3.
Het toetsingsformulier (bijlage VII) is ontwikkeld om het aanleveren van natuurinclusieve ontwikkelplannen zo gemakkelijk en gestructureerd mogelijk te maken.
Het is zo gemaakt dat het ieder ondersteunt om passende keuzes voor maatregelen en ambassadeursoorten te maken, die samen meerwaarde bieden en voor biodiversiteit zorgen.
In bijlage VI is het overzicht weergegeven van alle natuurinclusieve maatregelen, waarvoor punten behaald kunnen worden. Per maatregel staat een toelichting per nest- of verblijfplaatsen met bijhorende puntentelling voor nest- en verblijfplekken. En een toelichting over de natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen met de punten per maatregel.
Hieronder volgt stap voor stap hoe je het toetsingsformulier invult.
Na alles hieronder afbeelding.
1. Lees de pagina met de introductie en doelstellingen. Start vervolgens met het invullen van het formulier op het tabblad ‘Projectinformatie’. Begin bovenaan de pagina en vul de algemene projectinformatie in.
2. Onder het kopje ‘Kwalitatieve doelen’ vind je een aantal vragen die je kunnen helpen om deze doelen in te vullen. In de gele velden vul je de kwalitatieve doelen van het project in (waarmee de vragen worden overschreven)
3. Wanneer je de grootte van het plangebied op de pagina 'Projectoverzicht' invult, volgen daaruit automatisch de kwantitatieve doelstellingen voor het project. Deze staan in de tabel eronder. Naast het doel staat een rood kruis zolang het doel niet behaald is. Dit verandert in een groen vinkje wanneer het doel behaald wordt met de gekozen maatregelen.
4. In het overzicht van de kwantitatieve doelstellingen uit stap 3 staat het verplichte aantal ambassadeursoorten. In de tabel eronder kun je deze selecteren. Wanneer voor deze soort alle benodigde maatregelen voor het leefgebied zijn toegevoegd aan het plan, dan verschijnt er een groen vinkje naast de soortnaam.
5. Beantwoord of aan de verschillende randvoorwaarden wordt voldaan.
6. Vul op de volgende sheet (‘Natuurinclusieve maatregelen’) per maatregel in hoeveel vierkante meters zullen worden gerealiseerd of behouden in het plangebied.
7. Checklist voor de leefgebieden van ambassadeursoorten
Met het invullen van het formulier wordt direct getoetst of de verschillende natuurinclusieve maatregelen die nodig zijn voor de gekozen ambassadeursoorten compleet zijn. Vul de antwoorden op de vragen bij de gele cellen in en controleer of aan de voorwaarden van de leefomgeving van de gekozen ambassadeursoorten wordt voldaan.
Aldus besloten in de vergadering van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Delft van dinsdag 31 maart 2026
Bijlage I Samenhang met ander beleid & wet- en regelgeving
Bijlage II Aandachtspunten bij de doelstellingen
Bijlage III Vragenlijst voor locatie-analyse
Bijlage IV Stappenplan gebiedsontwikkeling
Bijlage V Toelichting natuurdoeltypen
Bijlage I Samenhang met ander beleid & wet- en regelgeving
Natuurinclusief bouwen hangt samen met ander bestaand beleid van de gemeente Delft, de provincie en het Rijk:
Omgevingsvisie Delft 2040 ‘Samen maken we de stad!” (juni 2021)
In de visie staat deze doelstelling: In 2040 is de buitenruimte in en om de stad voor mens, plant en dier op minimaal hetzelfde kwaliteitsniveau als nu. We bevorderen de biodiversiteit, door buitenruimten en nieuwe bebouwing natuurvriendelijk in te richten en te realiseren. Ook geven we ruimte aan biodiversiteit door te streven naar een fijnmazig groen netwerk in de stad, een netwerk van (pocket)parken die aansluiten op het groen om de stad. Natuurinclusief bouwen wordt de Delftse standaard.
Klimaatadaptatiestrategie (april 2019) en Beleidsregel Klimaatadaptief Bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering (oktober 2022)
Al in 2019 heeft Delft een klimaatadaptatiestrategie vastgesteld met als belangrijkste doelen om in 2020 klimaatadaptief handelen in het beleid en de werkwijze van de organisatie te verankeren en in 2050 klimaatbestendig te zijn. Sinds die tijd zien we elk jaar de weerrecords verbroken worden. De strategie geeft aan te willen werken aan een veerkrachtig watersysteem door de sponswerking te vergroten, het voorkomen van toename van hittestress en legt ook de koppeling tussen het nemen van klimaatadaptieve maatregelen die tegelijkertijd de biodiversiteit kunnen vergroten.
Visie groen en biodiversiteit 2040
We zetten groen en biodiversiteit hoog op de stedelijke agenda. De verdichtingsopgave waar Delft voor staat vraagt erom (nieuwe) bewoners en planten en dieren kwalitatief hoogwaardige natuur en groen te bieden. Ook de link met klimaatadaptatie wordt gelegd. Bomen, parken en plantsoenen zorgen voor verkoeling en beplanting houdt water vast tijdens regenbuien. Onderhavige actualisatie van de beleidsregels wordt in deze visie al aangekondigd.
Soortenmanagementplan huismus, gierzwaluw en vleermuizen Voorhof en Buitenhof Delft (juli 2024)
Het SMP richt zich op een aantal gebouw bewonende vleermuis- en vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in deze wijken.
Het is een gedetailleerd plan ontworpen om deze diersoorten in het gebied te beschermen en hun leefomgeving te verbeteren.
https://www.delft.nl/soortenmanagementplan
SMP Wippolder & Tanthof (in voorbereiding, treedt waarschijnlijk in 2026 in werking)
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Ruimtelijke Adaptatie Strategie
De Nationale Omgevingsvisie geeft een perspectief op een klimaatbestendige omgeving in 2050. Volgens de visie hebben we onze gebouwde omgeving in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Ditzelfde staat in de Ruimtelijke Adaptatie Strategie van Delft. Dat betekent dat het land over 30 jaar is beschermd tegen de gevolgen van klimaatverandering. Zoals hitte, een hogere zeespiegel, nattere winters, hevige piekbuien en droge zomers.
In de visie staat hier bijvoorbeeld het volgende over: “Er zijn in 2050 genoeg plekken met water en groen om hittestress tegen te gaan en wateroverlast te voorkomen. Ook onze vitale infrastructuur is dan bestendig tegen extreme weersomstandigheden.
Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen zorgt voor de realisatie van plekken voor water en groen, en draagt daarmee bij aan het klimaatbestendig maken van onze leefomgeving.”
Provinciale verordening en richtlijnen
De provincie is onder andere verantwoordelijk voor soortbescherming en het behouden of herstellen van de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. In maart 2023 hebben Provinciale Staten een herziening van het Omgevingsbeleid vastgesteld. Deze herziening bevat o.a. de instructieregel dat ‘biodiversiteit betrokken moet worden bij stedelijke ontwikkelingen’.
Ook de Module Wonen, Werken & Werelderfgoed bevat een aanpassing van de Beleidskeuze Toekomstbestendig Bouwen. Hierin staat dat een ruimtelijke opgave moet uitgaan van natuurinclusief bouwen om daarmee de biodiversiteit en variatie aan biotopen te behouden en te versterken. Met deze regels geeft de provincie de instructie aan gemeenten om biodiversiteit en natuurinclusief bouwen een plek te geven in alle ruimtelijke (woning)bouwopgaven.
Convenant Klimaatadaptief Bouwen
Het Convenant Klimaatadaptief Bouwen en de bijbehorende Leidraad 2.0 is ondertekend door de gemeente Delft (oktober 2018). Dit convenant geeft normen en richtlijnen voor verschillende thema’s, waaronder het thema ‘Biodiversiteit en Natuurinclusiviteit’. Dit beleidsplan geldt voor zowel nieuwbouw als renovatie.
Dit toetsingssysteem voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen is een vertaling en concretisering van de normen en richtlijnen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Daarmee is dit een toetsingssysteem voor nieuwbouw en ingrijpende renovatieprojecten.
De richtlijnen in het convenant voor het thema ‘Biodiversiteit en Natuurinclusiviteit’ zijn:
|
Deze tweede en derde richtlijn uit het convenant vormen de basis voor dit toetsingssysteem voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen. |
Landelijke en Europese wetgeving
De Omgevingswet en natuurbescherming
In de basis van de Omgevingswet (artikel 1.7. ‘Activiteit met nadelige gevolgen’) staat samengevat het volgende:
Dan ben je verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van jou gevraagd kunnen worden, om die nadelige gevolgen te voorkomen. Of om die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of om ze ongedaan te maken. Of om die activiteit achterwege te laten, als dat redelijkerwijs van jou gevraagd kan worden.
Bij bouwwerkzaamheden is er inderdaad een kans dat beschermde dieren of planten worden geschaad of gestoord. Zulke werkzaamheden worden in de Omgevingswet een ‘flora- en fauna-activiteit’ genoemd: een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten.
Dat schaden of verstoren is verboden. Wil je een flora- en fauna-activiteit verrichten? Dan moet je eerst controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Zijn er inderdaad aanwijzingen dat er beschermde soorten of habitats aanwezig zijn? Dan ben je verplicht om na te gaan of je nadelige gevolgen voor die dieren of planten kunt uitsluiten.
Bij de diersoorten gaat het dan óók om hun nesten en eieren, foerageerplaatsen (plekken waar ze voedsel vinden), voortplantingsplaatsen en rustplaatsen. Je moet aan de hand van objectieve gegevens uitsluiten of er nadelige gevolgen zijn. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten? Dan moet je alle passende preventieve maatregelen nemen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.
|
Vergeet de wettelijke verplichtingen voor natuurbescherming en de realisatie van faunaverblijven niet mee te nemen in de projectplannen. |
Instructieregel Rijk in de Omgevingswet
In de Omgevingswet staat een algemene instructieregel (artikel 2.31a) voor flora en fauna. Deze regel stelt het behoud of herstel van de staat van instandhouding van diersoorten, plantensoorten, biotopen en habitats verplicht als doelstelling voor de fysieke leefomgeving. Het doel: de bescherming, het herstel en de ontwikkeling van natuur en landschap, en voldoen aan internationaalrechtelijke verplichtingen.
Europese Natuurherstelverordening
De EU-herstelwet verplicht om de habitat te herstellen en te zorgen voor voldoende groenoppervlak en boomkroonbedekking. Dat geldt óók voor stedelijk gebied. Artikel 6 van de wet gaat namelijk over herstel van stedelijke ecosystemen.
In dat artikel staan de volgende twee hoofddoelen voor steden:
De lidstaten zorgen ervoor dat er tegen 2030 geen nettoverlies is van de totale nationale oppervlakte van stedelijke groene ruimte en van stedelijke boomkroonbedekking op nationaal niveau ten opzichte van 2024.
De lidstaten zorgen voor een toename van de totale nationale oppervlakte stedelijke groene ruimte in steden, kleinere steden en voorsteden. Hiervoor moet het Rijk een Nationaal Herstelplan vaststellen.
Bijlage II Aandachtspunten bij de doelstellingen
Doelstelling 1: Behoud en bescherming van bestaande natuur
Behoud van waardevolle natuur in het gebied
Bomen en struiken die al een tijd hebben kunnen groeien en plekken of lijnstructuren waar soorten al langer gebruik van maken, zijn bijna altijd ecologisch waardevoller dan nieuw aangelegde natuur. Ze zijn doorgaans groter, robuuster en goed geworteld. En ze bevatten gaten en kieren waar dieren in kunnen broeden en verblijven. Ook zijn ze vaak meer divers en lokaal relevanter, omdat soorten die er goed gedijen er hun plek hebben kunnen vinden en behouden.
Daarom worden in de puntentoekenning van dit toetsingssysteem (zie figuur 6 en 7) meer punten toegekend aan het behouden van ecologisch waardevolle natuur als voor nieuwe aanplant. Behoud wordt dus beloond. Het kan ook nog eens kosten besparen, omdat je niets nieuws hoeft aan te planten.
Verstoring van de bodem voorkomen
Ook de bodem verdient aandacht. Het zo goed mogelijk behouden van een gezonde bodem en deze zo min mogelijk verstoren in het bouwproces zorgt voor een goede basis. Tijdens én direct na realisatie van een project, in plaats van pas na vele jaren.
Op een planlocatie zijn er vaak diersoorten (of beschermde planten) die al voor de ontwikkeling gebruikmaakten van het gebied. En die via wettelijke verplichtingen voor natuurbescherming een beschermde status hebben. Voor deze soorten moet er tijdens en na de ontwikkeling van het gebied continu voldoende leefgebied van goede kwaliteit zijn.
Doelstelling 2: Groenstructuren binnen het plangebied en verbinding met de omgeving
De hoofdgroenstructuur van de gemeente bestaat uit de huidige ecologische hoofdstructuurlijnen en kerngebieden binnen de gebouwde omgeving.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet de huidige groenstructuur (zo veel mogelijk) beschermd worden. Wanneer dit niet mogelijk is, is voldoende compensatie verplicht.
Naast de hoofstructuur zijn ook vele fijnmazige verbindingen tussen gebieden en hoofdstructuren heel waardevol. We noemen dat ook wel de nevengroenstructuur en leefomgevingsgroen. Het zorgt ervoor dat allerlei soorten zich gemakkelijk kunnen verplaatsen. Maar het betekent ook dat veel woningen dichtbij groene routes liggen, wat goed is voor de gezondheid van mensen. Deze fijnmazige structuur kan gerealiseerd of behouden worden bij een (her)inrichting of gebiedsontwikkeling.
Doelstelling 3: Voldoende ruimte voor diverse biotopen
Volgens de richtlijn in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen moet op buurtniveau minimaal 30% groen komen. Hierbij telt het boomkroonoppervlak mee. Dit geeft daarmee richting aan de hoeveelheid groen die je moet realiseren in het plangebied. Het oppervlak wordt berekend door het invullen van vierkante meters in de tabel met natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen.
Het is belangrijk dat je hiermee al vroeg in het ontwerpproces (in het structuurontwerp en schetsontwerp) rekening houdt. Op die manier wordt er voldoende ruimte voor natuur gereserveerd. Zo voldoe je aan de richtlijn. Daarnaast voorkom je dat er op een te laat moment nog grote aanpassingen in het ontwerp nodig zijn om te voldoen aan de beleidsregels uit het omgevingsplan.
Doelstelling 4: Ecologische kwaliteit: habitatrealisatie en basiskwaliteit natuur
Habitatrealisatie voor ambassadeursoorten
Ambassadeursoorten vertegenwoordigen een leefomgeving die geschikt is voor de ambassadeur én voor een breed palet aan soorten die gebaat zijn bij een soortgelijke omgeving. Ze staan voor maatregelen die wenselijk zijn voor deze hele groep en vormen als soort het ‘icoon’ of de ‘gids’ om dit te verbeelden.
De gemeente Delft heeft een aantal ambassadeursoorten met een bijbehorend biotoop en natuurinclusieve inrichting vastgesteld. Deze biotopen en bijbehorende ambassadeursoorten vind je in hoofdstuk 4. Het is belangrijk dat al deze natuurdoelen in voldoende mate aanwezig zijn in de gemeente. Bij iedere gebiedsontwikkeling moeten daarom alle bij het lokale bodem- en watersysteem passende natuurinclusieve maatregelen worden toegevoegd. Bij kleinere ruimtelijke opgaven is dit meestal een deel van de natuurtypen en soorten.
De gemeente wil dat de kwaliteit van natuur in de gebouwde omgeving minimaal een basiskwaliteit heeft. En dat dieren en planten die hierbij passen in voldoende mate aanwezig zijn. Met dit toetsingssysteem wil de gemeente ervoor zorgen dat elke ontwikkeling bijdraagt aan het realiseren of behouden van op zijn minst deze basiskwaliteitsnorm.
Aandachtspunten en selectie van maatregelen
De natuurinclusieve maatregelen waaruit je kunt kiezen in het toetsingssysteem voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen zijn geselecteerd vanuit deze vier doelstellingen met de bijbehorende aandachtspunten. Deze lijst vind je in bijlage VI.
Specifieke aandachtspunten uit de visie Groen en Biodiversiteit
Naast de bovenstaande doelstellingen worden ook een aantal specifieke punten beschreven in de visie die relevant zijn voor het bewerkstelligen van de visie en het selecteren van ambassadeursoorten of maatregelen. De punten zijn als volgt:
Het bomenbestand is verdeeld over de wijken relatief op orde, wat betreft het aantal bomen. Om het bomenbestand vooral kwalitatief te versterken, wordt ingezet op het behoud en vergroten van het aantal oude bomen (>50 jaar) en de soortenrijkdom van het bomenbestand. Daarnaast spelen de bomen een belangrijke rol voor het vleermuisnetwerk, waarbij het (beter) verbinden of doortrekken van boomstructuren een belangrijk aandachtspunt is.
Bijlage III Vragenlijst voor locatie-analyse
Hier volgt een (niet-uitputtend) overzicht van vragen per doelstelling die beantwoord kunnen worden tijdens de locatie-analyse:
Bepaal hoeveel natuur er aanwezig is en gerealiseerd moet worden. Er dient minimaal 30% van het plangebied groen ingericht te zijn. Het is daarbij wenselijk om een zo groot mogelijk aandeel van deze natuur te realiseren op maaiveld. Natuur op maaiveld is vaak goedkoper in aanleg en onderhoud dan groene daken. En openbaar toegankelijke natuur heeft meer voordelen dan private natuur, doordat meer mensen er gebruik van kunnen maken.
Onderzoek welke aanvullende uitdagingen er spelen waar de natuur in de ontwikkeling een positieve bijdrage aan kan leveren. Bepaal wat dit betekent voor de natuurinclusieve maatregelen die gekozen moeten worden. Als voorbeeld: er is veel hittestress in de wijk. Het toevoegen van schaduwgevende beplanting levert daarom meerwaarde op.
Bijlage IV Stappenplan gebiedsontwikkeling
In een gebiedsontwikkeling is een aantal stappen nodig om de opgave voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen concreet te maken. Hieronder lees je hoe dit kan werken bij een gebiedsvisie en een stedenbouwkundig plan.
In de beeldvorming over het te ontwikkelen gebied (als onderdeel van een gebiedsvisie of een vergelijkbaar document) doorloop je de volgende stappen:
Onderzoek welke ecologisch waardevolle groene en blauwe structuren er zijn in de wijdere omgeving van het plangebied. En omschrijf/verbeeld op hoofdlijnen de manier waarop het plangebied hierop zal aansluiten. Maak hierin specifiek om welke type verbinding het gaat. Zoals bomenrijen, waterlijnen, grondverbindingen van struiken, bloemrijke bermen etc.
Bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan (of een vergelijkbaar document) doorloop je de volgende stappen:
Bijlage V Toelichting biotopen en natuurdoelen
In het natuurinclusief puntensysteem staan verschillende biotopen en natuurdoelen. Hierna volgt een korte uitleg.
Verschillende gebouwbewonende diersoorten zijn afhankelijk van plekken in onze gebouwen. Zo hebben vogels als de huismus en gierzwaluw broedplaatsen nodig. En zijn vleermuizen op zoek naar ruimte om te kramen, paren, slapen en te overwinteren. Voor deze soorten moet je daarom zorgen voor nest- en verblijfplaatsen.
Bloemrijk grasland en zoomvegetatie
Bloemrijk en kruidenrijk grasland
Kruidenrijk grasland bestaat uit hoge, inheemse kruiden (circa 1 meter of hoger), of inheemse bramen die het grootse deel van de dag zon-beschenen zijn. De kruiden staan op zichzelf, of langs een struweel (mantelzoom). Dit kan zowel lijnvormig als vlakvormig zijn.
Zoomvegetatie is kruidenrijk en bloemrijk grasland in een lijnvorm. Dit zorgt voor verbinding tussen gebieden.
Paden van houtsnippers, schelpen, grind of andere natuurlijke materialen zorgen voor plassen en plekken om naar voedsel te zoeken.
Heesters, hagen en mantelzomen
Struiken, ook wel heesters genaamd, zijn houtige gewassen die soms ook als haag kunnen dienen, zoals de vuurdoorn.
Plaats geen schuttingen maar een haag. Of als dat niet kan: plaats een klimop voor de schutting of bijvoorbeeld leifruit. Vogels vinden daar beschutting, ze maken er nesten in en de bessen in de struiken bieden voedsel, net als de insecten die erop afkomen. Huismussen houden van hagen. Dreigt er gevaar, dan trekken ze zich onzichtbaar terug in de haag.
Een takkenril of houtril is meestal een tot anderhalve meter hoog. Zo’n wal heeft veel waarde voor natuur. Door deze aan te leggen, bied je voedsel- en schuilgelegenheid aan vogels, zoals de winterkoning, en insecten.
Roodborstjes, merels, zanglijsters, heggenmussen: ze scharrelen graag tussen de struiken op zoek naar eten. Vaste planten en onderbeplanting vergroten de mogelijkheden om ongemerkt insectjes weg te pikken. Later in het seizoen zijn de zaden ook aantrekkelijk.
Een struweel is een lijnvormige beplanting die uit struiken bestaat, waarvan een groot deel bij voorkeur besdragend is. Struiken met bessen bloeien in het voorjaar, waardoor ze insecten aantrekken. In het najaar vormen de bessen een voedselbron voor vogels en kleine zoogdieren. Struweel bestaat bij voorkeur uit inheemse soorten. De structuur van een struweel is doorgaans dicht en vrijwel ondoordringbaar. Dat maakt het aantrekkelijk voor kleine zoogdieren en broedvogels, zelfs al gaat het om een struweel met een kleine omvang.
Een mantelzoom is een geleidelijke overgang van een bosje naar de omliggende omgeving. Een goed ontwikkelde mantelzoom trekt insecten aan zoals vlinders, bijen en zweefvliegen. Zij zijn op hun beurt weer voedsel voor vogels en zoogdieren.
Een bomenrij zorgt voor verbinding tussen gebieden. Voor nachtdieren, zoals vleermuizen, is het belangrijk dat er voldoende donkerte is. Voor (kleine) vogels is het belangrijk dat de bomen in voldoende voedsel voorzien en dus inheems en voedselrijk zijn.
Een bos(je) bestaat uit minimaal een aantal bomen met struiken eronder of direct eromheen. In een bosje groeien bij voorkeur inheemse soorten. Die zijn namelijk aantrekkelijker voor insecten en andere dieren dan uitheemse soorten. Bosjes zijn belangrijk voor broedvogels en kleine zoogdieren zoals muizen, egels en kleine marterachtigen. Ze moeten voldoende dicht van structuur zijn.
Bomen die vrijstaan of in kleine groepen geven dekking voor o.a. huismussen. Wanneer ze hoog zijn, zorgen ze juist voor een uitkijkplek voor roofvogels.
Water en natuurvriendelijke oevers
Natuurlijke vijver en amfibieënpoel
Vijvers en poelen zijn geïsoleerd gelegen en bestaan uit zonbeschenen laagtes die in principe het hele jaar door waterhoudend zijn. De waterdiepte is minstens 50 cm en een grillige vorm zorgt voor de nodige variatie. Poelen hebben onderhoud nodig om te voorkomen dat ze dichtgroeien met riet of andere waterplanten, of dat ze droogvallen. Door hun geïsoleerde ligging leven er in poelen geen vissen. Zo vormen ze een veilige opgroeiplek voor kikkers, watersalamanders en libellen. Daarnaast zijn ze leefgebied voor allerlei water- en oeverplanten.
Een wadi (waterdoorlating door infiltratie) is een beplante greppel of sloot met een waterdoorlatende bodem. Ecologische wadi’s (dat zijn wadi’s die natuurlijk zijn ingericht en niet alleen uit gras bestaan) met hoog opgaande planten versterken de ecologische infrastructuur. Want ze dienen als ecologische verbindingszone of als stapsteen. Ze zorgen ook voor meer biodiversiteit. O.a. egels en spitsmuizen vinden dekking en voedsel in wadi's.
Water met natuurvriendelijke oevers
In tegenstelling tot poelen is het water hier wel verbonden met andere sloten, vaarten of waterpartijen. Het vormt dan ook nadrukkelijk een leefgebied voor vissen. In ondiepe delen met waterplanten kunnen libellenlarven opgroeien, terwijl op de oevers zich een kruidenrijke, moerassige vegetatie kan vormen.
Hierbij is in stedelijke gebieden niet zozeer de omvang van het water van belang. Vooral een gevarieerde oever- en watervegetatie en een functionele leefomgeving voor dieren die aan het water gebonden zijn, zijn belangrijk.
Groene gebouwen: groene tuinen, gevels en daken
Groen ingerichte tuinen zorgen in steden voor veel waardevol groenoppervlak waar prettig leefgebied voor allerlei soorten door ontstaat.
Tuinen opleveren met tuinaarde
Nieuwe woningen waar de tuinen gemakkelijk ingericht kunnen worden, stimuleren groene vingers bij bewoners.
Langs gevels kunnen stoeptegels weggelaten worden. Deze ruimte kun je beplanten met vaste planten.
Een gevel met geen of weinig ramen kun je voorzien van klimmend gevelgroen. De klimplanten bedekken muren en schuttingen, en creëren zo een rustgevende en stressverlagende omgeving. Ook verfraaien ze het straatbeeld. Dit kan zelfs leiden tot een verhoging van de waarde van onroerend goed. Voor dieren is gevelgroen vaak ideaal. De gevels bieden zo voedsel, beschutting en nestgelegenheid voor vogels, vlinders en wilde bijen.
Groene daken zijn daken die voorzien zijn van beplanting. Ze hebben, behalve een ecologische waarde, ook een water-bufferende, een klimaat-temperende en een isolerende waarde. Bovendien zijn ze, wanneer ze zichtbaar en/of toegankelijk zijn, een verrijking van het stadslandschap en hebben ze een recreatieve functie. Daarnaast bieden ze een prima bodem voor allerlei dieren en planten. Daardoor zijn ze ook heel waardevol voor de biodiversiteit. Groene daken zijn vooral goed voor vogels, vlinders, bijen en vleermuizen.
Bruine daken, schelpen- of grinddaken
Bruine daken hebben een ecologische en water-bufferende waarde. Bij bruine daken bestaat de dakbedekking voornamelijk uit zand en steen, bijvoorbeeld gerecycled puin. Vooral vogels die van origine op zandig terrein broeden, gebruiken bruine daken als nestplaats. Diersoorten die baat hebben bij een bruin dak zijn o.a. de scholekster, zwarte roodstaart en verschillende insecten.
Bijlage VI Natuurinclusieve maatregelen
Toelichting nest- en verblijfplaatsen
Per 100 m2 bebouwd oppervlak (footprint) dien je te zorgen voor minimaal één nest- of verblijfplaats. Voor gebouwen hoger dan 15 meter zijn dit er minimaal twee per 100 m2 bebouwd oppervlak. In de puntentelling telt één verblijf voor één punt zolang het aan onderstaande richtlijnen voldoet. Deze nest- of verblijfplaatsen dienen permanente voorzieningen te zijn. Dit betekent dat de voorziening niet te verwijderen mag zijn en een lange levensduur kent. In de Inspiratiegids Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen (T24.09548) zijn bovendien richtlijnen voor deze voorzieningen opgenomen.
Hieronder vind je een toelichting per nest- of verblijfplaats.
Figuur 6 Puntentelling voor nest- en verblijfplekken
Overzicht natuurinclusieve maatregelen
Om te zorgen voor een robuuste en gezonde leefomgeving voor mens en dier is (bio)diversiteit belangrijk. Dat vraagt om een inrichting van onze leefomgeving met verschillende typen natuur met bomen, heesters, planten, bloemrijk grasland, water, etc. Hiervoor is een lijst met natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen opgesteld.
Alle inrichtingsmaatregelen leveren een aantal punten op. Dit puntenaantal past bij de ecologische waarde en wenselijkheid van de maatregel. Punten worden toegekend per 100 m2 of een deel of veelvoud hiervan. Het toepassen van een maatregel van 6 punten levert dus bij 150 m2 van die maatregel 9 punten op en bij 25 m2 is dat 1,5 punt.
Hieronder de punten per maatregel.
Figuur 7 Overzicht van natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen en punten
Het Toetsingskader is als Excel tabel bijgevoegd (te vinden op de website van de gemeente Delft onder het kopje Milieu).
Biodiversiteit staat voor soortenrijkdom in dieren en planten. Het gaat daarbij om een mix van genen, soorten (populaties) en ecosystemen (gemeenschappen). Ecologische waarde ontstaat door veel verschillende soorten en lagen van vooral inheemse plantensoorten die samen als robuust ecosysteem werken. Alleen bomen en gras geeft weinig biodiversiteit. Juist afwisseling aan plantensoorten zorgt voor o.a. voedsel en veiligheid voor heel veel diersoorten. Biodiversiteit behoud en versterk je door een afwisseling in soorten en mogelijkheden.
Om de biodiversiteit te stimuleren zijn een aantal ambassadeursoorten geselecteerd die ieder een eigen rol vervullen. Door voor deze diersoorten gericht een habitat (leefgebied) te maken, wordt de omgeving geschikt voor nog veel meer diersoorten die gebruikmaken van dezelfde biotoop. Ook besteed je zo aandacht aan verschillende aspecten die zorgen voor een goede basiskwaliteit natuur en veel biodiversiteit in het gebied.
De ambassadeur is als het ware een graadmeter voor de kwaliteit van een bijbehorend biotoop. Na verloop van tijd kun je op basis van zijn aanwezigheid conclusies trekken over het succes van de gebiedsgerichte aanpak.
Gebiedsontwikkeling is het complexe, integrale proces waarbij overheid, marktpartijen en maatschappelijke partners langdurig samenwerken om een gebied, te transformeren tot een duurzame en toekomstbestendige leefomgeving met een mix van functies zoals wonen, werken, voorzieningen ,recreatie en infrastructuur.
Een habitat, leefgebied of leefomgeving omvat alle mogelijke plaatsen waar een bepaalde diersoort voorkomt. Een habitat bestaat uit de biotische en abiotische eisen van het dier. Daarmee bedoelen we: de onderdelen in de leefomgeving die gezamenlijk nodig zijn om een soort zich thuis te laten voelen en te vestigen.
Met de term ‘hoogwaardige’ habitat worden die eisen van een diersoort bedoeld waar je zoveel als mogelijk op het perceel of met behulp van de directe omgeving aan kunt voldoen. Het omvat alle aspecten van de ontwikkeling van een diersoort die lokaal gerealiseerd kunnen worden. Dit vatten we samen in de verschillende v’s: Voedsel & Vocht, Veiligheid, Verblijven & Voortplantingsmogelijkheden, Verbinding en Variatie.
We gebruiken biotopen om afspraken te maken over natuurbeheer, ruimtelijke ontwikkeling en milieu. Op die manier kan de gewenste natuurkwaliteit gerealiseerd worden. Voor de gebouwde omgeving zijn dit bijvoorbeeld tuinen, plantsoenen, bermen, bomen, struweel, braakliggende gronden, kademuren, vijvers, grachten en sloten.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI): https://www.denationaleomgevingsvisie.nl/default.aspx
Omgevingsvisie 1.0 Delft: https://www.Delft.nl/direct-regelen/wonen-verhuizen-verbouwen/wonen/omgevingsvisie-Delft/33153/
Visie Groen en Biodiversiteit Delft De stad als ecosysteem in 2040: Visie Groen & Biodiversiteit
SMP Voorhof en Buitenhof Soortenmanagementplan | Gemeente Delft
Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland: https://bouwadaptief.nl
Flora & Fauna-activiteit voor wettelijke natuurbescherming: https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/activiteiten-natuur/flora-en-fauna-activiteit/rijksregels/
Nationale Database Flora & Fauna (NDFF): https://ndff-ecogrid.nl/
Overzicht richtlijnen voor het ontwerpen voor ambassadeursoorten: https://natuurinclusiefontwikkelen.nl/ambassadeursoorten/
Beleidsregel Natte Ecologische Zones van Hoogheemraadschap Delfland: https://www.hhdelfland.nl/over-ons/regelgeving/beleidsregels/
Inspiratieboek Verzachten en vergroenen oevers: https://www.hhdelfland.nl/ontdek-werk/schoon-gezond-water/water-natuur/inspiratieboek-verzachten-vergroenen/
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-367619.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.