|
Aanhef
|
Verordening van de raad van de gemeente Meppel houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving (Verordening fysiek leefomgeving gemeente Meppel)
De raad van de gemeente Meppel,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 21 september 2021 met nummer 1544127;
gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 8 van de Woningwet, artikel 3.16 van de Erfgoedwet, artikelen 10.23, 10.24 lid 2, 10.25, 10.26 van de Wet milieubeheer, artikel 5.2 lid 4 van de Telecommunicatiewet;
b e s l u i t :
vast te stellen de:
Verordening van de raad van de gemeente Meppel houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving gemeente Meppel)
|
Verordening van de raad van de gemeente Meppel houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving gemeente Meppel 2022)
De raad van de gemeente Meppel,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van […] met nummer […];
gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 3.16 van de Erfgoedwet, artikelen 10.23, 10.24 lid 2, 10.25, 10.26 van de Wet milieubeheer, artikel 5.2 lid 4 van de Telecommunicatiewet;
b e s l u i t :
vast te stellen de:
Verordening van de raad van de gemeente Meppel houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving gemeente Meppel 2022)
|
|
Art. 1.1 — Begripsomschrijvingen
|
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
Deze verordening verstaat onder:
- a.
Aanbieder: aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een omroepnetwerk.
- b.
Anciënniteitslijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste marktplaats.
- c.
Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.
- d.
Bijzondere markt: de door het college ingestelde jaarmarkt of soortgelijke markten.
- e.
Binnenstad: gebied dat wordt omgrensd door: Kifhoek, Koekoekstraat, Noteboomstraat (oneven), Vledderstraat (even), Marktstraat (oneven tot 11) en (even tot 6), Prinsengracht, Keizersgracht, Zuideindigerpad, Stoombootkade (bebouwde kant oneven), Kleine Oever (oneven) Grote Oever (oneven) en gedeelte Zuideinde vanaf Zuiderbrug tot Weerdstraat. Dit gedeelte omvat de huisnummers 1 t/m 33 (oneven zijde) en huisnummers 2 t/m 40 (even zijde).
- f.
Bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht.
- g.
Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. In deze verordening wordt mede verstaan onder:
- h.
bouwwerk een gedeelte van een bouwwerk;
- i.
gebouw een gedeelte van een gebouw.
- j.
Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.
- k.
College: college van burgemeester en wethouders.
- l.
Dagplaats: de marktplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste marktplaats is toegewezen dan wel ingenomen.
- m.
Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet.
- n.
Gebruiksoppervlakte: De gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit.
- o.
Gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Telecommunicatiewet.
- p.
Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister.
- q.
Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.
- r.
Havengeldverordening: Havengeldverordening gemeente Meppel
- s.
Havenverordening: Havenverordening gemeente Meppel
- t.
Historisch schip: een schip dat voldoet aan de criteria zoals opgenomen in artikel 6.2.4.1. derde lid
- u.
Hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens het college is vastgesteld.
- v.
Houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft.
- w.
Houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een beplanting van bosplantsoen.
- x.
Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen.
- y.
Inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit Milieubeheer.
- z.
Instemmingsbesluit: besluit van het college als bedoeld in artikel 5.2. derde lid, aanhef en onder b. van de Telecommunicatiewet.
- aa.
Kabels: kabels, genoemd in artikel 1.1, onder r, van de Telecommunicatiewet.
- bb.
Kamerverhuur: verblijfsruimten, voor individuele bewoning verhuurd of in gebruik gegeven aan derden.
- cc.
Kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
- dd.
Markt: de door het college ingestelde warenmarkt.
- ee.
Marktplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel.
- ff.
Marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het college.
- gg.
Monumentale boom: bijzondere beschermwaardige houtopstand met een relatief hoge leeftijd en met een bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde, of een bijzondere functie voor de omgeving.
- hh.
Motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
- ii.
NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm.
- jj.
NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm.
- kk.
Omroepnetwerk: omroepnetwerk als genoemd in artikel 1.1, onder o van de Telecommunicatiewet.
- ll.
Openbaar telecommunicatienetwerk: telecommunicatienetwerk als genoemd in artikel 1.l, onder g, van de Telecommunicatiewet.
- mm.
Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn.
- nn.
Openbare gronden: openbare wegen en wateren, als genoemd in artikel 1.1. onder s, van de Telecommunicatiewet.
- oo.
Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.
- pp,
Parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
- qq.
Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht.
- rr.
Restafval: dat gedeelte van de afvalstroom dat overblijft nadat alle bruikbare en recyclebare afvalstromen van de hoofdstroom zijn gescheiden, niet zijnde grof huisvuil, gevaarlijk afval en bouw- en sloopafval.
- ss.
Stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden.
- tt.
Standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
- uu.
Onder standplaats wordt niet verstaan:
- a.
een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;
- b.
een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:8 APV.
- vv.
Standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel.
- ww.
Straatpeil:
- a.
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
- b.
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
- xx.
Vaste ligplaats voor historisch schip: ligplaats voor een historisch schip, bedoeld om meer dan 6 maanden per jaar door hetzelfde schip te worden ingenomen
- yy.
Vaste marktplaats: de marktplaats die voor onbepaalde tijd ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder.
- zz.
Vellen: rooien; kappen; verplanten; niet periodiek knotten of kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
- aaa.
Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen.
- bbb.
Wachtlijst: de lijst van gegadigden voor een vaste marktplaats.
- ccc.
Weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994
- ddd.
Werkzaamheden: werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels ten dienste van een openbaar telecommunicatienetwerk of van een omroepnetwerk in en op open bare gronden.
|
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
Deze verordening verstaat onder:
- a.
Aanbieder: aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in de Telecommunicatiewet.
- b.
Anciënniteitslijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste marktplaats.
- c.
Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.
- d.
Bijzondere markt: de door het college ingestelde jaarmarkt of soortgelijke markten.
- e.
Bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet.
- f.
Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.
- g.
College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel.
- h.
Dagplaats: de marktplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste marktplaats is toegewezen dan wel ingenomen.
- i.
Gebouw: een gebouw als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet.
- j.
Gebruiksoppervlakte: De gebruiksoppervlakte als bedoeld in bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
- k.
Gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Telecommunicatiewet.
- l.
Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister.
- m.
Gereedmelding: een melding van de netbeheerder aan het college dat de werkzaamheden zijn voltooid.
- n.
Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.
- o.
Havengeldverordening: Havengeldverordening gemeente Meppel
- p.
Havenverordening: Havenverordening gemeente Meppel
- q.
Hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens het college is vastgesteld.
- r.
Houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft.
- s.
Houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een beplanting van bosplantsoen.
- t.
Huisaansluiting: één of meer aansluitingen tussen een net en een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken.
- u.
Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen.
- v.
Inrichting: meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:
- a.
rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan of
- b.
elkaar functioneel ondersteunen
zoals bedoeld in artikel 5.58 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
- w.
Instemmingsbesluit: besluit van het college als bedoeld in artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet
- x.
Kabels en leidingen: één of meer kabels of leidingen, daaronder in ieder geval begrepen telecomkabels alsmede lege buizen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie.
- y.
Kamerverhuur: verblijfsruimten, voor individuele bewoning verhuurd of in gebruik gegeven aan derden.
- z.
Kampeermiddel:
- a.
een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan;
- b.
enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten delen blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
- aa.
Markt: de door het college ingestelde warenmarkt.
- bb.
Marktplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel.
- cc.
Marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het college.
- dd.
Monumentale boom: bijzondere beschermwaardige houtopstand met een relatief hoge leeftijd en met een bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde, of een bijzondere functie voor de omgeving.
- ee.
Motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
- ff.
NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm.
- gg.
Netbeheerder: degene die als natuurlijk persoon handelende in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon een net beheert.
- hh.
NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm.
- ii.
Omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
- jj.
Omroepnetwerk: omroepnetwerk als genoemd in artikel 1.1, onder o van de Telecommunicatiewet.
- kk.
Openbaar telecommunicatienetwerk: telecommunicatienetwerk als genoemd in artikel 1.l, onder g, van de Telecommunicatiewet.
- ll.
Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn.
- mm.
Openbare gronden: openbare wegen en wateren, als genoemd in artikel 1.1. onder s, van de Telecommunicatiewet.
- nn.
Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.
- oo.
Overige kabels en leidingen: kabels en leidingen niet zijnde een telecomkabel.
- pp.
Parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
- qq.
Private netten: netwerken van natuurlijke- of rechtspersonen niet aangewezen bij wet of gemeentelijke verordening en niet vallend onder een werk of activiteit zoals bedoeld in hoofdstuk 10 van de Omgevingswet of de Telecommunicatiewet.
- rr.
Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht.
- ss.
Restafval: dat gedeelte van de afvalstroom dat overblijft nadat alle bruikbare en recyclebare afvalstromen van de hoofdstroom zijn gescheiden, niet zijnde grof huisvuil, gevaarlijk afval en bouw- en sloopafval.
- tt.
Standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan:
- a.
een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;
- b.
een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 APV.
- uu.
Straatpeil:
- 1.
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
- 2.
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
- vv.
Telecomkabel: een kabel als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet.
- ww.
Vaste marktplaats: de marktplaats die voor een bepaalde langere tijd ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder.
- xx.
Vellen: rooien; kappen; verplanten; niet periodiek knotten of kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
- yy.
Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen.
- zz.
Weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
|
|
Paragraaf 2.1.1 - Terrassen
|
Paragraaf 2.1.1 Terrassen
Reserveren
|
Paragraaf 2.1.1 Terrassen
Gereserveerd
|
|
Paragraaf 2.2.1 -Ligplaatsen
|
Paragraaf 2.2.1 Ligplaatsen
Reserveren
|
Paragraaf 2.2.1 Ligplaatsen
Gereserveerd
|
|
Paragraaf 2.2.2 – Historische schepen
|
Paragraaf 2.2.2 historische vaartuigen
|
Paragraaf 2.2.2 Historische schepen
|
|
Art. 2.2.2.1 — Toepassingsgebied
|
Artikel 2.2.2.1. Toepassingsgebied
Artikel 2.2.2.1. Toepassingsgebied
- a)
Dit hoofdstuk is van toepassing op de bij deze regeling aangewezen vaste ligplaatsen voor historische vaartuigen. De vaste ligplaatsen zijn ingetekend in de Basiskaart Grootschalige Topografie (BGT)
- b)
Er zijn zes vaste ligplaatsen voor historische schepen, die met een huisnummer zijn opgenomen in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) te weten:
- c)
Vaste ligplaats voor historisch schip 1: Heerengracht 18A
- d)
Vaste ligplaats voor historisch schip 2: Heerengracht 20A
- e)
Vaste ligplaats voor historisch schip 3: Heerengracht 23A
- f)
Vaste ligplaats voor historisch schip 4: Oosteinde 3A
- g)
Vaste ligplaats voor historisch schip 5: Keizersgracht 42
- h)
Vaste ligplaats voor historisch schip 6: Stoombootkade 11
- i)
Er zijn twee reserve vaste ligplaatsen voor historische schepen, te weten:
- j)
Reserve vaste ligplaats voor historisch schip 1: Oosteinde ter hoogte van huisnummer 1
- k)
Reserve vaste ligplaats voor historisch schip 2: Galmanspad ter hoogte van huisnummer 3A
- l)
De reserve vaste ligplaatsen kunnen door het college worden omgezet in een vaste ligplaats voor historisch schip zodra het aantal belangstellenden dat aan de toetsingscriteria voldoet groter is dan het aantal beschikbare vaste ligplaatsen voor een historisch schip.
- m)
Per vaste ligplaats is een maximum scheepslengte van toepassing:
- n)
Vaste ligplaats 1: 25 meter
- o)
Vaste ligplaats 2: 25 meter
- p)
Vaste ligplaats 3: 25 meter
- q)
Vaste ligplaats 4: 30 meter
- r)
Vaste ligplaats 5: 23 meter
- s)
Vaste ligplaats 6: 23 meter
- t)
Reserve vaste ligplaats 1: 25 meter
- u)
Reserve vaste ligplaats 2: 23 meter
|
Artikel 2.2.2.1 Toepassingsgebied
- 1.
Deze paragraaf is van toepassing op de bij deze regeling aangewezen vaste ligplaatsen voor historische schepen. De vaste ligplaatsen zijn ingetekend in de Basiskaart Grootschalige Topografie (BGT), als weergegeven in bijlage 4.
- 2.
Er zijn negen vaste ligplaatsen voor historische schepen, die met een huisnummer zijn opgenomen in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), te weten:
- a.
Vaste ligplaats voor historisch schip 1: Heerengracht 18A
- b.
Vaste ligplaats voor historisch schip 2: Heerengracht 20A
- c.
Vaste ligplaats voor historisch schip 3: Heerengracht 23A
- d.
Vaste ligplaats voor historisch schip 4: Oosteinde 3A
- e.
Vaste ligplaats voor historisch schip 5: Keizersgracht 42
- f.
Vaste ligplaats voor historisch schip 6: Stoombootkade 11
- g.
Vaste ligplaats voor historisch schip 7: Sluisgracht 21A
- h.
Vaste ligplaats voor historisch schip 8: Heerengracht 25A
- i.
Vaste ligplaats voor historisch schip 9: Gasgracht 27A
- 3.
Per vaste ligplaats is een maximum scheepslengte van toepassing:
- a.
Vaste ligplaats 1: 25 meter
- b.
Vaste ligplaats 2: 25 meter
- c.
Vaste ligplaats 3: 25 meter
- d.
Vaste ligplaats 4: 30 meter
- e.
Vaste ligplaats 5: 23 meter
- f.
Vaste ligplaats 6: 23 meter
- g.
Vaste ligplaats 7: 23 meter
- h.
Vaste ligplaats 8: 30 meter
- i.
Vaste ligplaats 9: 30 meter
|
|
Art. 2.3.1 — Van toepassing verklaring
|
(niet aanwezig)
|
Artikel 2.3.1 Van toepassing verklaring
De regels van deze afdeling zijn niet van toepassing op de locaties die zijn voorzien van de functieaanduiding ‘gemeentelijk monument’ zoals opgenomen in het Omgevingsplan gemeente Meppel.
|
|
Paragraaf 2.3.2 – Gemeentelijk erfgoedregister
|
Paragraaf 2.3.1 Gemeentelijk erfgoedregister
|
Paragraaf 2.3.
2
Gemeentelijk erfgoedregister
|
|
Art. 2.3.2.1 — Gemeentelijk erfgoedregister
|
Artikel 2.3.1.1 Gemeentelijk erfgoedregister
- 1.
Het college houdt een gemeentelijk erfgoedregister bij waarin het op grond van deze verordening aangewezen cultureel erfgoed is opgenomen. Dit register kan door iedereen worden ingezien.
- 2.
In het gemeentelijk erfgoedregister staat:
- a.
Gegevens over de inschrijving van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed, waaronder de beschermde gemeentelijke monumenten;
- b.
Gegevens waaruit blijkt om welk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed het gaat.
|
Artikel 2.3.2.1 Gemeentelijk erfgoedregister
- 1.
Het college houdt een gemeentelijk erfgoedregister bij waarin het op grond van deze verordening aangewezen cultureel erfgoed is opgenomen. Dit register kan door iedereen worden ingezien.
- 2.
In het gemeentelijk erfgoedregister staat:
- a.
Gegevens over de inschrijving van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed, waaronder de beschermde gemeentelijke monumenten;
- b.
Gegevens waaruit blijkt om welk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed het gaat.
|
|
Paragraaf 2.3.3 - De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument
|
Paragraaf 2.3.2 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument
|
Paragraaf 2.3.3 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument
|
|
Art. 2.3.3.1 — Gemeentelijk erfgoedregister
|
Artikel 2.3.2.1 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument
- 1.
Het college kan, eventueel op aanvraag van een belanghebbende, een onroerende zaak of terrein aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument. Dit kan ze doen als de onroerende zaak of het terrein, vanwege zijn schoonheid, een waarde heeft voor de wetenschap of de cultuurhistorie.
- 2.
Het college stelt nadere regels op voor uitvoering van deze bevoegdheid.
- 3.
Dit artikel is niet van toepassing op:
- a.
- b.
Monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van de provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.
|
Artikel 2.3.3.1 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument
- 1.
Het college kan, eventueel op aanvraag van een belanghebbende, een onroerende zaak of terrein aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument. Dit kan ze doen als de onroerende zaak of het terrein, vanwege zijn schoonheid, een waarde heeft voor de wetenschap of de cultuurhistorie.
- 2.
Het college past in de uitvoering van de bevoegdheid, als bedoeld in het eerste lid, de selectiecriteria van de beleidsnota ‘Meppeler Erfgoed NU’ als bedoeld in bijlage 3 toe.
- 3.
Dit artikel is niet van toepassing op:
- a.
- b.
Monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van de provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.
|
|
Art. 2.3.3.2 — Aanvraag tot aanwijzing
|
Artikel 2.3.2.2 Aanvraag tot aanwijzing
Een aanvraag tot aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument kan worden gedaan door;
- a.
inwoners van de gemeente Meppel;
- b.
belangenorganisaties die zich bezig houden met het behoud van cultuurhistorie;
- c.
eigenaren van de onroerend zaak of het terrein dat is gelegen in de gemeente Meppel.
|
Artikel 2.3.3.2 Aanvraag tot aanwijzing
Een aanvraag tot aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument kan worden gedaan door:
- a.
inwoners van de gemeente Meppel;
- b.
belangenorganisaties die zich bezighouden met het behoud van cultureel erfgoed;
- c.
eigenaren van de onroerende zaak of het terrein dat is gelegen in de gemeente Meppel.
|
|
Art. 2.3.3.4 — Voornemen tot aanwijzing
|
Artikel 2.3.2.3 Voornemen tot aanwijzing
- 1.
Als het college het voornemen heeft om een onroerende zaak of terrein aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument, maakt zij dit schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op die onroerende zaak die genoemd staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
- 2.
Voordat een monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar.
- 3.
De bescherming van artikelen 3.5.1.1 t/m 3.5.2.3 zijn van toepassing op een voornemen tot aanwijzen van een onroerende zaak of terrein tot een beschermd gemeentelijk monument.
- 4.
De bescherming van lid 3 vervalt als de onroerende zaak of het terrein als beschermd gemeentelijke monument is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. De bescherming vervalt ook wanneer de onroerende zaak of het terrein wordt opgeheven als zijnde een beschermd gemeentelijk monument of als de bestuursrechter het aanwijzingsbesluit vernietigd.
|
Artikel 2.3.3.3 Voornemen tot aanwijzing
- 1.
Als het college het voornemen heeft om een onroerende zaak of terrein aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument, maakt zij dit schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op die onroerende zaak die genoemd staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
- 2.
Voordat een monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar.
- 3.
De bescherming van artikelen 3.5.1.1 t/m 3.5.1.3 zijn van toepassing op een voornemen tot aanwijzen van een onroerende zaak of terrein tot een beschermd gemeentelijk monument.
- 4.
De bescherming van lid 3 vervalt als de onroerende zaak of het terrein als beschermd gemeentelijke monument is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. De bescherming vervalt ook wanneer de onroerende zaak of het terrein wordt opgeheven als zijnde een beschermd gemeentelijk monument of als de bestuursrechter het aanwijzingsbesluit vernietigd.
|
|
Art. 2.3.3.4 — Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit
|
Artikel 2.3.2.4 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit
|
Artikel 2.3.3.4 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit
(vernummerd)
|
|
Art. 2.3.3.5 — Voorlopige aanwijzing bij spoed
|
Artikel 2.3.2.5 Voorlopige aanwijzing bij spoed
- 1.
In spoedeisende gevallen kan het college een onroerende zaak of terrein aanwijzen als voorlopig beschermd gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 6.2.1.1 wordt aan de gemeentelijke adviescommissie om advies gevraagd voor aan aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.
- 2.
De voorlopige aanwijzing vervalt na 52 weken of op het moment dat het college een definitief besluit neemt over de aanwijzing.
- 3.
Zodra een belanghebbende schriftelijk in kennis is gesteld van het besluit van het college tot voorlopige aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument, zijn artikelen 3.5.1.1 t/m 3.5.2.3 van deze verordening van toepassing.
|
Artikel 2.3.3.5 Voorlopige aanwijzing bij spoed
- 1.
In spoedeisende gevallen kan het college een onroerende zaak of terrein aanwijzen als voorlopig beschermd gemeentelijk monument. Er wordt aan de gemeentelijke adviescommissie geen advies gevraagd voor een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.
- 2.
De voorlopige aanwijzing vervalt na 52 weken of op het moment dat het college een definitief besluit neemt over de aanwijzing.
- 3.
Zodra een belanghebbende schriftelijk in kennis is gesteld van het besluit van het college tot voorlopige aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument, zijn artikelen 3.5.1.1 t/m 3.5.1.3 van deze verordening van toepassing.
|
|
Art. 2.3.3.6 - Bekendmaking en registratie
|
Artikel 2.3.2.6 Bekendmaking en registratie
|
Artikel 2.3.3.6 Bekendmaking en registratie
(vernummerd)
|
|
Art. 2.3.3.7 — Wijzigen gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument
|
Artikel 2.3.2.7 Wijzigen gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument
- 1.
Het college kan de aanwijzing als gemeentelijk monument en de aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument wijzigen.
- 2.
Indien de wijziging ziet op het schrappen uit het registeren dan zijn artikelen 2.3.2.1 t/m 2.3.2.3, 6.2.1.1 en 2.3.2.4 t/m 2.3.2.7 van overeenkomstige toepassing, tenzij de onroerende zaak of het terrein niet meer bestaat.
- 3.
De aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument vervalt met ingang van de dag waarop de onroerende zaak of het terrein wordt ingeschreven in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet.
- 4.
De intrekking of het vervallen van de aanwijzing van het beschermd gemeentelijk monument wordt in het gemeentelijk erfgoedregister aangetekend.
|
Artikel 2.3.3.7 Wijzigen gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument
- 1.
Het college kan de aanwijzing als gemeentelijk monument en de aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument wijzigen.
- 2.
Indien de wijziging ziet op het schrappen uit het register dan zijn artikelen 2.3.2.1 t/m 2.3.2.3 en 2.3.2.4 t/m 2.3.2.7 van overeenkomstige toepassing, tenzij de onroerende zaak of het terrein niet meer bestaat.
- 3.
De aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument vervalt met ingang van de dag waarop de onroerende zaak of het terrein wordt ingeschreven in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.
- 4.
De intrekking of het vervallen van de aanwijzing van het beschermd gemeentelijk monument wordt in het gemeentelijk erfgoedregister aangetekend.
|
|
Paragraaf 2.3.3 - De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht
Art. 2.3.3.1 - De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument
|
Paragraaf 2.3.3 De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht
Artikel 2.3.3.1 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht
- 1.
De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, onroerende zaken aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.
- 2.
De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na de adviesaanvraag, bedoeld in artikel 6.2.2.1.
- 3.
Een aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
- 4.
De gemeenteraad stelt een bestemmingsplan als bedoeld in de Wro vast ter bescherming van een aangewezen gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht wordt hier een termijn voor gesteld.
- 5.
Het college bepaalt bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht of de geldende bestemmingsplannen als beschermende plannen kunnen worden aangemerkt, dan wel een beheersverordening als bedoeld in de Wro kan worden vastgesteld.
- 6.
Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vierde of vijfde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge de Wro, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening vaststellen.
- 7.
Als een beschermd stads- en dorpsgezicht is aanwezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of op grond van een provinciale verordening, kunnen deze niet worden aangewezen als gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht.
|
(vervalt)
|
|
Artikel 2.3.3.2 -Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht
|
Artikel 2.3.3.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht
- 1.
De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.3.1 eerste lid, wijzigen of intrekken. Hierop zijn artikel 2.3.3.1, tweede lid, en artikel 6.2.2.1, van overeenkomstige toepassing, tenzij het gaat om een aanpassing van ondergeschikte betekenis, of het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig niet meer bestaat.
- 2.
Een aanwijzing vervalt zodra het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als:
- a.
beschermd stadsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of
- b.
beschermd stadsgezicht op grond van een provinciale verordening.
3. Wanneer de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt dat direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
|
(vervalt)
|
|
Artikel 2.4.1.1 – Aanwijzing beschermde houtopstand
|
Artikel 2.4.1.1 Aanwijzing beschermde houtopstand
Reserveren
|
Artikel 2.4.1.1 Aanwijzing beschermde houtopstand
In bijlage 1 (Groene Kaart) zijn beschermde houtopstanden aangewezen.
|
|
Art. 2.4.2.1 — Aanwijzing monumentale bomen
|
Artikel 2.4.2.1 Aanwijzing beschermde houtopstand
Reserveren
|
Artikel 2.4.2.1 Aanwijzing monumentale bomen
In bijlage 2 (Bomenlijst) zijn monumentale bomen aangewezen.
|
|
Paragraaf 2.5.3 Bedrijfsafvalstoffen Binnenstad
Art. 2.5.3.1 - Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst
|
Paragraaf 2.5.3 Bedrijfsafvalstoffen Binnenstad
Artikel 2.5.3.1 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst
Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 2.5.1.1, in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens Verordening reinigingsheffingen verschuldigde heffing is voldaan.
|
(vervalt)
|
|
Afdeling 3.1 inleidende bepalingen
|
Afdeling 3.1 inleidende bepalingen
|
Afdeling 3.1 Inleidende bepalingen
|
|
Art. 3.1.2.1 - Beslistermijn
|
Artikel 3.1.2.1 Beslistermijn
- 1.
Het college beslist binnen acht weken na ontvangst op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing, tenzij in deze verordening anders is bepaald.
- 2.
Het college kan de termijn met maximaal acht weken verlengen.
- 3.
Als beslist wordt op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.1.1 vierde lid, en een vergunning als bedoeld in artikel 3.4.1.2 tweede lid uit deze verordening, is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.
|
Artikel 3.1.2.1 Beslistermijn
- 1.
Het college beslist binnen acht weken na ontvangst op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing, tenzij in deze verordening anders is bepaald.
- 2.
Het college kan de termijn met maximaal zes weken verlengen.
|
|
Art. 3.1.2.4 - Weigering, intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
|
Artikel 3.1.2.4 Weigering, intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
- 1.
Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
- a.
- b.
- c.
- d.
de bescherming van het milieu.
- 2.
Als de aanvraag voor een vergunning of ontheffing minder dan acht weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend, kan deze ook worden geweigerd als daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
- 3.
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
- a.
voor het verkrijgen daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
- b.
na het verlenen van de vergunning of ontheffing de omstandigheden of inzichten zijn veranderd waardoor het noodzakelijk is deze te wijzigen of in te trekken vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is verleend;
- c.
de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning of ontheffing zijn verbonden niet worden nageleefd;
- d.
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn, of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn;
- e.
|
Artikel 3.1.2.4 Weigering, intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
- a.
- b.
het behoud en de bescherming van cultureel erfgoed;
- c.
de bescherming van het milieu.
- 2.
Als de aanvraag voor een vergunning of ontheffing minder dan acht weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend, kan deze ook worden geweigerd als daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
- 3.
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
- a.
voor het verkrijgen daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
- b.
na het verlenen van de vergunning of ontheffing de omstandigheden of inzichten zijn veranderd waardoor het noodzakelijk is deze te wijzigen of in te trekken vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is verleend;
- c.
de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning of ontheffing zijn verbonden niet worden nageleefd;
- d.
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn, of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn;
- e.
|
|
Artikel 3.1.2.6 Uitzonderingen Lex Silencio Positivo
|
Artikel 3.1.2.6 Uitzonderingen Lex Silencio Positivo
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (indien niet tijdig op een aanvraag wordt beslist, dan wordt de vergunning verleend conform aanvraag) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening:
- a.
Artikel 3.2.1.4 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument;
- b.
Artikel 3.3.4.1. Dumpingsverbod;
- a.
Artikel 3.4.1.1 Het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan;
- b.
Artikel 3.4.6.2 Marktplaatsvergunning ;
- c.
artikel 3.4.6.14 Ontheffing en vervanging;
- d.
artikel 3.4.6.15 Tijdstip innemen marktplaats/aan- en afvoer goederen;
- e.
artikel 3.4.6.16 Vergunning bijzondere markten;
- f.
Artikel 3.5.1.1. Verbodsbepalingen en vergunningen.
|
Artikel 3.1.2.6 Uitzonderingen Lex Silencio Positivo
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (indien niet tijdig op een aan-vraag wordt beslist, dan wordt de vergunning verleend conform aanvraag) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening:
- a.
Artikel 3.2.1.4 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument;
- b.
Artikel 3.3.4.1. Dumpingsverbod;
- c.
Artikel 3.4.1.1 Het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan;
- d.
Artikel 3.4.6.2 Marktplaatsvergunning;
- e.
artikel 3.4.6.14 Ontheffing en vervanging;
- f.
artikel 3.4.6.15 Tijdstip innemen marktplaats/aan- en afvoer goederen;
- g.
Artikel 3.5.1.1. Verbodsbepalingen en vergunningen.
|
|
Paragraaf 3.2.1 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten
Art. 3.2.1.1 - Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
|
Paragraaf 3.2.1 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten
Artikel 3.2.1.1 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
- 1.
Het college kan voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbinden, als zij van oordeel is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
- 2.
Voor het vormen van dit oordeel maakt het college van een onderzoeksrapport en/of andere bij haar bekende onderzoeksresultaten zoals bedoeld in de Regeling omgevingsrecht, dan wel een saneringsplan op grond van artikel 39, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming.
- 3.
Deze voorwaarden kunnen worden gesteld naast de voorwaarden uit artikel 3.2.1.2 en artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht.
|
(vervalt)
|
|
Art. 3.2.1.2 - Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
|
Artikel 3.2.1.2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
Er mag niet worden gebouwd op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar voor de gezondheid van de gebruikers is te verwachten, voor zover dat bouwen betrekking heeft op:
- a.
een bouwwerk waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;
- b.
een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist. Het moet dan tevens gaan om een bouwwerk dat de grond raakt, of waarvan het ter plaatse toegestane gebruik wordt gewijzigd.
|
(vervalt)
|
|
Art. 3.2.1.3 - Het onderzoek naar bodemverontreiniging
|
Artikel 3.2.1.3 Het onderzoek naar bodemverontreiniging
- 1.
Het onderzoek met betrekking tot de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.
- 2.
Als op basis van het vooronderzoek de aanleiding bestaat te veronderstellen dat er asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, wordt het onderzoek ook uitgevoerd volgens NEN 5707, uitgave 2003.
- 3.
De verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, met uitzondering van de in deze artikelen genoemde hoogtebepalingen.
- 4.
Als voor toepassing van artikel 3.2.1.2 bij het college al bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn, staat het college het toe geheel of gedeeltelijk af te wijken van de verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen.
- 5.
Als voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is, dan wel dat de gerezen verdenkingen een volledig onderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen, kan het college toestaan dat gedeeltelijk wordt afgeweken van de verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen.
- 6.
Als er niet kan worden begonnen met bouwen nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, moet het bodemonderzoek worden uitgevoerd nadat is gesloopt, maar voordat is begonnen met de bouw.
|
(vervalt)
|
|
Art. 3.2.1.4 - Verbodsbepaling en aanvraag vergunning beschermd stads- of dorpsgezicht
|
Artikel 3.2.1.4 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning beschermd stads- of dorpsgezicht
- 1.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk in een aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht, zoals bedoeld in artikel 2.2 lid 1 aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te slopen.
- 2.
De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als volgens het college niet voldoende duidelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
- 3.
De artikelen 3.5.1.2 en 3.5.1.3 zijn van overeenkomstige toepassing.
- 4.
Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.
|
(vervalt)
|
|
Art. 3.2.1.5 - Tijdstip van melding van voorgenomen werkzaamheden
|
Artikel 3.2.1.5 Tijdstip van melding van voorgenomen werkzaamheden
Een aanbieder die werkzaamheden wil verrichten, meldt in ieder geval acht weken voor de aanvang van de werkzaamheden het voornemen daartoe bij het college.
|
(vervalt)
|
|
Art. 3.2.1.6 - Melding werkzaamheden
|
Artikel 3.2.1.6 Melding werkzaamheden
- 1.
Voor de melding maakt de aanbieder gebruik van een daartoe door het college vastgesteld formulier.
- 2.
Bij de melding verstrekt de aanbieder in ieder geval de volgende gegevens:
- a.
de door de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit afgegeven registratie;
- b.
een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel;
- c.
naam, adres en telefoonnummer van degene die de kabel in eigendom heeft, degene die de kabel beheert en degene die de kabel exploiteert;
- d.
een opgave van de soort kabel en het beoogde gebruik;
- e.
welke belanghebbenden en instanties vooraf in kennis worden gesteld van de voorgenomen datum van aanvang, beëindiging en de aard van de werkzaamheden;
- f.
een uitvoeringsplan met daarin opgenomen:
- -
een opgave van het gewenste tracé;
- -
een opgave van de objecten die ten tijde van de werkzaamheden worden geplaatst, alsmede van de situering daarvan;
- -
een omschrijving van eventuele opbrekingen; de doorsnede van de kabel of kabelgoot;
- -
de lengte en breedte van de kabelsleuf;
- -
de maatregelen voor de bereikbaarheid van in de openbare gronden aanwezige kabels en leidingen;
- -
het voorgenomen tijdstip van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden;
- -
naam, adres en telefoonnummer van de aannemer(s) of onderaannemer(s) die belast is (zijn) met de werkzaamheden en van een contactpersoon ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden.
- 3.
Indien de werkzaamheden mede betrekking hebben op grond en van een andere gedoogplichtige dan de gemeente, wordt uiterlijk vier weken na ontvangst van de melding, als genoemd in het eerste lid, het college schriftelijk in kennis gesteld van de uitkomsten van het overleg tussen de aanbieder en de andere gedoogplichtige.
- 4.
Het college kan nadere regels stellen inzake de gegevens die bij de melding worden verstrekt.
|
(vervalt)
|
|
Art. 3.2.1.7 - Voorschriften en beperkingen bij instemming
|
Artikel 3.2.1.7 Voorschriften en beperkingen bij instemming
- 1.
Het college kan aan het instemmingsbesluit voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van
- a.
- b.
het voorkomen of beperken van schade of overlast;
- c.
de bruikbaarheid van de openbare gronden;
- d.
het veilig en doelmatig gebruik van de openbare gronden;
- e.
het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare gronden;
- f.
de belemmering van doelmatig beheer en onderhoud van de open bare gronden;
- g.
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
- h.
de bescherming van groenvoorzieningen.
- 2.
Ter bescherming van de belangen als genoemd in het eerste lid, kan het college in ieder geval aan het instemmingsbesluit voorschriften of beperkingen verbinden over het medegebruik van voorzieningen, zoals kabelgoten en geleidingen, en een zekerheidsstelling voor de nakoming van verplichtingen die gesteld zijn bij de voorschriften en beperkingen aan het instemmingsbesluit.
- 3.
De wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en medegebruik van voorzieningen dient te geschieden conform de Leidraad voor gemeenten en nutsbedrijven inzake (her)straatwerkzaamheden.
- 4.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op het instemmingsbesluit.
|
(vervalt)
|
|
Art. 3.2.1.8 - Zakelijk karakter instemmingsbesluit
|
Artikel 3.2.1.8 Zakelijk karakter instemmingsbesluit
Indien de kabel wordt overgedragen aan een nieuwe aanbieder gaan de rechten en plichten die betrekking hebben op de kabel van de oude aanbieder over op de nieuwe aanbieder.
|
(vervalt)
|
|
Art. 3.2.1.9 - Melding wijziging
|
Artikel 3.2.1.9 Melding wijziging
De aanbieder stelt het college onverwijld in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel verandert of het feit dat de kabel niet langer ten dienste staat van een openbaar telecommunicatienetwerk of van een omroepnetwerk in of op open bare gronden.
|
(vervalt)
|
|
Art. 3.2.2.1.1 - Toepasselijkheid
|
(niet aanwezig)
|
Paragraaf 3.2.2 Kabels en leidingen in of op openbare gronden
Paragraaf 3.2.2.1 Algemene regels kabels en leidingen
Artikel 3.2.2.1.1 Toepasselijkheid
- 1.
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op werkzaamheden in verband met de aanleg van kabels of leidingen in of op openbare gronden.
- 2.
Onder het aanleggen van kabels en leidingen als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan: het uitvoeren van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels en/of leidingen in of op openbare gronden.
- 3.
Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van private netten in openbare gronden is het bepaalde in deze paragraaf overeenkomstig van toepassing.
- 4.
Daar waar wordt gesproken over netbeheerder wordt ook bedoeld de ‘aanbieder’ tenzij deze uitdrukkelijk uitgesloten wordt.
|
|
Art. 3.2.2.1.2 - Het aanleggen van kabels en leidingen
|
(niet aanwezig)
|
Artikel 3.2.2.1.2 Het aanleggen van kabels en leidingen
Het aanleggen van kabels en leidingen moet plaatsvinden op de wijze zoals is beschreven in bijlage 5.
|
|
Art. 3.2.2.1.3 - Specifieke zorgplicht
|
(niet aanwezig)
|
Artikel 3.2.2.1.3 Specifieke zorgplicht
- 1.
De netbeheerder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat van onderhoud van kabels en leidingen.
- 2.
De netbeheerder is verplicht bij verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden alle maatregelen te treffen teneinde verdere verontreiniging, schade of hinder te voorkomen.
|
|
Art. 3.2.2.1.4 - Bijzondere omstandigheden
|
(niet aanwezig)
|
Artikel 3.2.2.1.4 Bijzondere omstandigheden
- 1.
Als sprake is van een gesloten sneeuwdek, langdurige vorst of extreme weersomstandigheden kan het bevoegd gezag bepalen dat het opbreken van verharding of graven in het openbaar gebied of het aanleggen of verwijderen van kabels of leidingen in het openbaar gebied tijdelijk is verboden. In het besluit staat voor welke locatie en voor welke periode het verbod geldt.
- 2.
Het besluit wordt elektronisch bekend gemaakt, of op andere geschikte wijze.
|
|
Art. 3.2.2.2.1 - Kabels en leidingen aanleggen - toegestaan
|
(niet aanwezig)
|
Paragraaf 3.2.2.2 Kabels en leidingen aanleggen - toegestaan
Artikel 3.2.2.2.1 Kabels en leidingen aanleggen - toegestaan
Het is toegestaan kabels en leidingen aan te leggen als:
- a.
het werkzaamheden betreffen die door of in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd bij de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak; of
- b.
sprake is van spoedeisende werkzaamheden als gevolg van een calamiteit die noodzakelijk zijn:
- i.
om persoonlijk letsel of grote schade te voorkomen;
- ii.
als gevolg van een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening.
|
|
Art. 3.2.2.4 - Kabels en leidingen aanleggen - informatieplicht
|
(niet aanwezig)
|
Paragraaf 3.2.2.3 Kabels en leidingen aanleggen - informatieplicht
Artikel 3.2.2.4 Kabels en leidingen aanleggen – informatieplicht
De netbeheerder die zijn fysieke werkzaamheden heeft afgerond doet hiervan binnen vijf werkdagen een gereedmelding bij het college.
|
|
Art. 3.2.2.4.1 - Toepassingsbereik
|
(niet aanwezig)
|
Paragraaf 3.2.2.4 Kabels en leidingen aanleggen – meldingsplicht
Artikel 3.2.2.4.1 Toepassingsbereik
- 1.
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen in of op openbare gronden, tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 3.2.2.2.1.
- 2.
Onder werkzaamheden van niet-ingrijpende aard wordt verstaan:
- a.
het aanbrengen of verwijderen van kabels of leidingen in reeds aanwezige voorzieningen, zonder dat er een sleuf wordt gegraven;
- b.
werkzaamheden aan kabels of leidingen over een lengte van minder dan 25 meter, gerekend met een maximale sleufbreedte van 0,60 meter;
- c.
het maken van huisaansluitingen, waaronder tijdelijke aansluitingen, met een gezamenlijke lengte van minder dan 25 meter.
- 3.
Onder werkzaamheden van niet-ingrijpende aard wordt niet verstaan:
- a.
werkzaamheden die langer duren dan één dag;
- b.
werkzaamheden waarbij (water)wegen worden gekruist;
- c.
werkzaamheden waarbij sprake is van boringen of persingen;
- d.
werkzaamheden waarbij bovengrondse voorzieningen worden aangebracht dan wel worden vervangen;
- e.
werkzaamheden waarbij handholes worden aangebracht;
- f.
werkzaamheden in verband met de aanleg van private netten
|
|
Art. 3.2.2.4.2 - Kabels en leidingen aanleggen - meldingsplicht
|
(niet aanwezig)
|
Artikel 3.2.2.4.2 Kabels en leidingen aanleggen – meldingsplicht
- 1.
Het is verboden zonder voorafgaande melding werkzaamheden van niet-ingrijpende aard uit te voeren.
- 2.
De voorgenomen werkzaamheden worden ten minste vijf werkdagen voor de start van de werkzaamheden gemeld bij het college.
|
|
Art. 3.2.2.4.3 - Kabels en leidingen aanleggen - specifieke indieningsvereisten
|
(niet aanwezig)
|
Artikel 3.2.2.4.3 Kabels en leidingen aanleggen - specifieke indieningsvereisten
De melding als bedoeld in artikel 3.2.2.4.2 bevat in ieder geval:
- a.
de naam, het adres, de contactgegevens en het factuuradres van de melder;
- b.
wanneer de melder een aanbieder betreft: het ACM-registratienummer;
- c.
het KvK-nummer en het KvK-vestigingsnummer;
- d.
het adres, de kadastrale aanduiding of de ligging van het project;
- e.
een omschrijving van de aard en omvang van het project;
- f.
indien het een kabel ten behoeve van telecommunicatie betreft: een melding of het een openbaar netwerk of een niet openbaar netwerk betreft;
- g.
indien de aanvraag of melding door een gemachtigde wordt ingediend, tevens: de naam, het adres en de contactgegevens van degene namens wie de aanvraag of melding wordt ingediend, alsmede een afschrift van de machtiging;
- h.
indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager of melder: de naam, het adres en de contactgegevens van de uitvoerder;
- i.
wanneer de werkzaamheden in de directe nabijheid van een boom plaatsvinden: een bomenwerkplan;
- j.
een motivering, zo nodig aan de hand van een tekening, waaruit blijkt onder welk van de categorieën werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.2.2.4.1, tweede lid, zijn werkzaamheden vallen;
- k.
voor werkzaamheden in bestaand gebied: één of meer tekeningen van het gewenste tracé, ingetekend op schaal, waarop de positionering van het tracé ten opzichte van de omgeving duidelijk zichtbaar is;
- l.
voor werkzaamheden in gebieden die in ontwikkeling zijn: de tekeningen als bedoeld in artikel 3.2.2.4.3, onder k en de begrenzing van het plangebied, inclusief indeling van het te ontwikkelen gebied en maatvoering ten opzichte van toekomstige vaste punten;
- m.
indien mogelijke hinder optreedt voor weggebruikers: een verkeersplan; en
- n.
de door de netbeheerder verkregen gebiedsinformatie naar aanleiding van een oriëntatieverzoek of een graafmelding (KLIC-melding) niet ouder dan twee weken op het moment van indienen, met daarin het gewenste tracé en de nieuw te leggen kabels en/ of leidingen.
|
|
Art. 3.2.2.4.4 - Kabels en leidingen aanleggen - eisen aan tekeningen
|
(niet aanwezig)
|
Artikel 3.2.2.4.4 Kabels en leidingen aanleggen – eisen aan tekeningen
De tekening als bedoeld in artikel 3.2.2.4.3 moeten in ieder geval voldoen aan de volgende eisen:
- a.
de tekeningen zijn voorzien van een tekeninghoofd met een unieke referentie en voorzien van versiebeheer met datum;
- b.
de tekeningen zijn voorzien van een noordpijl;
- c.
de maatvoering van het geplande tracé is eenduidig en volledig aangegeven ten opzichte van vaste punten in de omgeving (GBK);
- d.
het aantal kabels en leidingen is aangegeven inclusief materiaalsoorten, lengtes en diameters van de leidingen;
- e.
objecten in de openbare ruimte zoals bomen, banken, openbare verlichting etc., die van invloed kunnen zijn op het tracé en/of de uit te voeren werkzaamheden, dienen aangegeven te zijn op de tekeningen;
- f.
de ligging t.o.v. reeds aanwezige kabels en leidingen, zowel X- als Y richting.
|
|
|
Paragraaf 3.2.2.5 Kabels en leidingen aanleggen – vergunningplicht
Artikel 3.2.2.5.1 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen in of op openbare gronden, tenzij toepassing kan worden gegeven aan paragraaf 3.2.2.2 of paragraaf 3.2.2.4.
|
|
|
Artikel 3.2.2.5.2 Kabels en leidingen aanleggen – vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning of instemmingsbesluit kabels en leidingen aan te leggen.
|
|
|
Artikel 3.2.2.5.3 Kabels en leidingen aanleggen - specifieke aanvraagvereistenBij een aanvraag om een omgevingsvergunning of een instemmingsbesluit voor het aanleggen van kabels en leidingen worden in ieder geval de volgende gegevens aangeleverd:
- 1.
de gegevens als bedoeld in artikel 3.2.2.4.3, waarbij de tekening moet voldoen aan de eisen als bedoeld in artikel 3.2.2.4.4;
- 2.
voor werkzaamheden in gebieden die in ontwikkeling zijn: een tekening met het vastgestelde nutstracé;
- 3.
voor werkzaamheden waarbij gebruik wordt gemaakt van een gestuurde boring: een werkplan;
- 4.
voor werkzaamheden waarvan het college het noodzakelijk acht dat een werkplan wordt aangeleverd: een werkplan;
- 5.
het werkplan dient te bestaan uit de volgende onderdelen:
- i.
een tekening van de indeling van het werkterrein;
- ii.
een tekening van de plaats van de op te stellen apparatuur en voertuigen;
- iii.
een tekening van de plaats waar de leiding(en) wordt uitgelegd;
- iv.
een beschrijving van de wijze van aan- en afvoer van materiaal;
- v.
een verkeersplan conform CROW 96b;
- vi.
een boorplan inclusief ligging van bestaande kabels en leidingen opgenomen in het lengteprofiel;
- vii.
de resultaten (foto’s) verkregen uit de gegraven proefsleuven;
- viii.
- ix.
een bereikbaarheidsplan met daarin minimaal opgenomen de wijze waarop percelen bereikbaar worden gehouden en afstemming met nood- en hulpdiensten.
|
|
Art. 3.2.2.5.4 - Kabels en leidingen aanleggen - beoordelingsregels
|
(niet aanwezig)
|
Artikel 3.2.2.5.4 Kabels en leidingen aanleggen - beoordelingsregels
Het instemmingsbesluit of de omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
- a.
het veilige en doelmatige gebruik van de openbare ruimte niet onevenredig wordt gehinderd;
- b.
de bereikbaarheid van gronden of gebouwen niet onevenredig wordt belemmerd;
- c.
het doelmatige beheer en onderhoud van de openbare ruimte niet onevenredig wordt gehinderd;
- d.
doelmatige verdeling van de ondergrondse ruimte niet wordt belemmerd.
|
|
Art. 3.2.2.5.5 - Kabels en leidingen aanleggen - beoordelingsregels private netten
|
(niet aanwezig)
|
Artikel 3.2.2.5.5 Kabels en leidingen aanleggen - beoordelingsregels private netten
De omgevingsvergunning voor de aanleg van kabels en leidingen ten behoeve van private netten wordt alleen verleend als:
- a.
voldaan wordt aan de beoordelingsregels als bedoeld in artikel 3.2.2.5.4;
- b.
het netwerk wordt ingeschreven in de openbare registers van het kadaster als onroerende zaak en het netwerk ten goede komt aan het algemeen nut;
- c.
de eigenaar van het netwerk voldoet aan de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon);
- d.
het netwerk om de 3 meter wordt voorzien van een merklabel, waarbij in de opdruk de naam van de eigenaar staat aangeven.
|
|
Art. 3.2.2.5.6 - Kabels en leidingen aanleggen - vergunningvoorschriften
|
(niet aanwezig)
|
Artikel 3.2.2.5.6 Kabels en leidingen aanleggen - vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning of het instemmingsbesluit als bedoeld in artikel 3.2.2.5.2 kan als vergunningsvoorschrift worden opgelegd:
- a.
een termijn waarbinnen de werkzaamheden moeten zijn voltooid;
- b.
een wijze van uitvoering van werkzaamheden aan kabels en leidingen.
|
|
Art. 3.2.2.6.1 - Kosten voor herstel, beheer onderhoud en degeneratie
|
(niet aanwezig)
|
Paragraaf
3.2.2.6 Kosten voor herstel, beheer onderhoud en degeneratie en nadeelcompensatie
Artikel 3.2.2.6.1 Kosten voor herstel, beheer onderhoud en degeneratie
- 1.
Het uitgangspunt bij het herstel van gronden is dat de grond wordt teruggebracht in de oude staat.
- 2.
Bij de berekening en het proces van afhandeling van de kosten voor herstel in oude staat worden de regels uit bijlage 6 in acht genomen.
|
|
Art. 3.2.2.6.2 - Nadeelcompensatie
|
(niet aanwezig)
|
Artikel 3.2.2.6.2 Nadeelcompensatie
Het college kent een netbeheerder die schade lijdt of zal lijden als gevolg van een besluit van het college als bedoeld in artikel 3.2.2.7 tweede lid, dan wel als gevolg van de rechtmatige uitoefening door het college van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, wanneer de schade uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en hem in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft.
|
|
Afdeling 3.3 Milieubelastende activiteiten
Paragraaf 3.3.1 Festiviteiten en geluidhinder
Art. 3.3.1.1 - Melding incidentele festiviteiten
|
Afdeling 3.3 Milieubelastende activiteiten
Paragraaf 3.3.1 Festiviteiten en geluidhinder
Artikel 3.3.1.1 Melding incidentele festiviteiten
- 1.
Als de houder van een inrichting het college minstens twee weken van tevoren op de hoogte heeft gesteld van de festiviteit, mag de inrichting maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden, waarbij de geluidnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn.
- 2.
Als de houder van een inrichting het college minstens 10 werkdagen van tevoren op de hoogte heeft gesteld van de festiviteit, mag de inrichting maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden, waarbij de voorwaarden met betrekking tot verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn.
- 3.
De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan als het college op het verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die normaal gesproken niet te voorzien was, meteen toestaat.
- 4.
Het college stelt een formulier vast voor het doen van kennisgeving.
- 5.
De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan als het formulier volledig en naar waarheid is ingevuld, en tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier is vermeld.
- 6.
Muziek mag alleen binnen het gebouw van de inrichting ten gehore worden gebracht. Ramen en deuren moeten hierbij gesloten blijven, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
|
Afdeling 3.3 Milieubelastende activiteiten
Paragraaf 3.3.1 Festiviteiten en geluidhinder
Artikel 3.3.1.1 Melding incidentele festiviteiten
- 1.
Het is verboden om festiviteiten te organiseren op een locatie waar bedrijfsmatige activiteiten worden uitgevoerd, zonder dit ten minste tien dagen voorafgaand aan deze festiviteiten te melden aan het college.
- 2.
De melding bevat:
- a.
Een beschrijving van de aard en omvang van de festiviteit in kwestie
- b.
Een kaart met aanduiding van de locatie waar de festiviteit wordt gehouden.
- 3.
Per afzonderlijke bedrijfslocatie is het onder voorwaarde van een melding toegestaan ten hoogste 12 festiviteiten per kalenderjaar te organiseren.
- 4.
Artikel 22.63 van het Omgevingsplan gemeente Meppel is niet van toepassing op het houden van de gemelde festiviteiten.
- 5.
Het is alleen toegestaan om bij het houden van een gemelde festiviteit muziek ten gehore te brengen, als dit binnen een gebouw met gesloten deuren en ramen gebeurt.
- 6.
Op de dagen, bedoeld in het eerste en derde lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm uiterlijk om 01:00 uur beëindigd.
|
|
Art. 3.3.1.2 - Verboden incidentele festiviteiten
|
Artikel 3.3.1.2 Verboden incidentele festiviteiten
Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft. Dit kan hij doen wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.
|
(vervalt)
|
|
Art. 3.3.1.3 - Overige geluidhinder
|
Artikel 3.3.1.3 Overige geluidhinder
- 1.
Buiten een inrichting is het niet toegestaan handelingen te verrichten, of toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben zodat daardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
- 2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
- 3.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale milieuverordening.
- 4.
Het college kan terreinen of wateren en categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is, als wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.
|
Artikel 3.3.1.3 Overige geluidhinder
- 1.
Buiten een inrichting is het niet toegestaan milieubelastende activiteiten te verrichten, of toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben zodat daardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
- 2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
- 3.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Besluit bouwwerken leefomgeving of de Provinciale omgevingsverordening.
- 4.
Het college kan terreinen of wateren en categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is, als wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.
|
|
Art. 3.3.1.5 - Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen
|
Artikel 3.3.1.5 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen
Het is verboden hobbymatig met een motorvoertuig of een bromfiets op een manier te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder ontstaat.
|
Artikel 3.3.1.5 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen
Het is verboden hobbymatig met een motorvoertuig of een bromfiets op een manier te gedragen, op een zodanige wijze dat daardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder ontstaat.
|
|
Art. 3.3.3.1 - Aanbieding ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen
|
Artikel 3.3.3.1 Aanbieding ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen
Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 2.5.3.1 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden of over te dragen, of bij een inzamelplaats als bedoeld in artikel 2.5.2.1, achter te laten.
|
(vervalt)
|
|
Art. 3.3.3.2 - Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen
|
Artikel 3.3.3.2 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen
- 1.
Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 2.5.3.1 aangewezen bedrijfsafvalstoffen.
- 2.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden, overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden.
|
(vervalt)
|
|
Art. 3.3.4.4 - Zwerfafval rondom inrichtingen
|
Artikel 3.3.4.4 Zwerfafval rondom inrichtingen
- 1.
Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval.
- 2.
Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting.
- 3.
De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.
|
Artikel 3.3.4.4 Zwerfafval rondom inrichtingen
- 1.
Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval.
- 2.
Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting.
- 3.
De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Omgevingsplan gemeente Meppel.
|
|
Art. 3.3.4.6 - Geen opslag van afval in de open lucht
|
Artikel 3.3.4.6 Geen opslag van afval in de open lucht
Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 2 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen.
|
Artikel 3.3.4.6 Geen opslag van afval in de open lucht
Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 2 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen.
|
|
Art. 3.3.4.8
|
Artikel 3.3.4.8
Reserveren
|
(vervalt)
|
|
Art. 3.3.5.1 - Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
|
Artikel 3.3.5.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
- 1.
In het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid is het niet toegestaan op door het college aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de open lucht of buiten de weg, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:
- a.
onbruikbare, of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
- b.
bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
- c.
voertuigen als bedoeld in artikel 3.4.5.1. of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;
- d.
mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, ingekuild gras, loof of pulp, of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.
- 1.
Het is niet toegestaan op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.
- 2.
Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.
- 3.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale omgevingsverordening.
|
Artikel 3.3.5.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
- 1.
In het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid is het niet toegestaan op door het college aangewezen plaatsen, buiten, in de open lucht of buiten de weg, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:
- a.
onbruikbare, of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
- b.
bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
- c.
voertuigen als bedoeld in artikel 3.4.5.1. of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;
- d.
mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, ingekuild gras, loof of pulp, of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.
- 2.
Het is niet toegestaan op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.
- 3.
Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.
- 4.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening.
|
|
Art. 3.3.5.3 — Verbod op het gebruik van (wens)ballonnen
|
Artikel 3.3.5.3 Verbod op het gebruik van (wens)ballonnen
- 1.
In dit artikel wordt onder een (wens)ballon verstaan: een ballon die door middel van hete lucht afkomstig van vuur dan wel door middel van helium of andere gassen in de lucht wordt gebracht en mede door de wind door de lucht wordt verplaatst. Hieronder wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, geluksballon of een andere daarmee vergelijkbare ballon.
- 2.
Het is niet toegestaan een wensballon op te laten of in de lucht te brengen.
|
Artikel 3.3.5.3 Verbod op het gebruik van (wens)ballonnen
- 1.
In dit artikel wordt onder een (wens)ballon verstaan: een ballon die door middel van hete lucht afkomstig van vuur dan wel door middel van helium of andere gassen in de lucht wordt gebracht en mede door de wind door de lucht wordt verplaatst. Hieronder wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, geluksballon of een andere daarmee vergelijkbare ballon.
- 2.
Het is niet toegestaan een (wens)ballon op te laten of in de lucht te brengen.
|
|
Art. 3.4.1.1 — Voorwerpen op of aan de weg
|
Artikel 3.4.1.1 Voorwerpen op of aan de weg
- 1.
Het is niet toegestaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan de publieke functie die het heeft, indien het voorwerp of beoogde gebruik:
- a.
schade toebrengt door zijn omvang, vormgeving, constructie of plaats van bevestiging;
- b.
gevaar oplevert voor de bruikbaarheid of voor het doelmatig en veilig gebruik;
- c.
een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud;
- d.
op zichzelf of in verband met de omgeving, niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.
- 2.
In het belang van de openbare orde of ter bescherming van de woon- en leefomgeving kan het college nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclame(verwijs)objecten.
- 3.
Het college kan een ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
- 4.
Het college kan een vergunning verlenen. De vergunning wordt als omgevingsvergunning verleend als het gebruik als bedoeld in het eerste lid een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
- 5.
Het verbod is niet van toepassing op:
- a.
Evenementen als bedoeld in artikel 2:8 van de APV;
- b.
Standplaatsen als bedoeld in artikel 1.1;
- c.
Terrassen als bedoeld in artikel 2:10 van de APV.
- 5.
Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet als dit wordt geregeld in de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet of het Provinciaal wegenreglement.
|
Artikel 3.4.1.1 Voorwerpen op of aan de weg
- 1.
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:
- a.
schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
- b.
niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
- 2.
Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden.
- 3.
Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.
- 4.
Het verbod is niet van toepassing op:
- a.
Evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de APV;
- b.
Standplaatsen als bedoeld in artikel 1.1;
- c.
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
- 4.
Het verbod is voorts niet van toepassing op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
|
|
Art. 3.4.1.2 — (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
|
Artikel 3.4.1.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
- 1.
Het is niet toegestaan om zonder vergunning of in afwijking daarvan een weg aan te leggen, of de aanleg, de aard of de wegverharding op enige manier te veranderen.
- 2.
De vergunning wordt verleend:
- a.
als omgevingsvergunning als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit;
- b.
door het college in overige gevallen.
- 3.
Het verbod is niet van toepassing als de werkzaamheden in opdracht en in uitvoering van een publieke taak van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht.
- 4.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening Meppel.
|
Artikel 3.4.1.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
- 1.
Het is niet toegestaan om zonder vergunning of in afwijking daarvan een weg aan te leggen, of de aanleg, de aard of de wegverharding op enige manier te veranderen.
- 2.
De vergunning wordt verleend:
- a.
als omgevingsvergunning als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit;
- b.
door het college in overige gevallen.
- 3.
Het verbod is niet van toepassing als de werkzaamheden in opdracht en in uitvoering van een publieke taak van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht.
- 4.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapsverordening, de Telecommunicatiewetals paragraaf 3.2.2 van deze verordening van toepassing is.
|
|
Art. 3.4.1.3 — Vergunningplicht aanleggen of veranderen van een uitweg
|
Artikel 3.4.1.3 Maken, veranderen van een uitweg
- 1.
Het is niet toegestaan om een uitweg te maken naar de weg, of een verandering aan te brengen in een bestaande uitweg naar de weg:
- a.
als dit voorafgaand niet is gemeld aan het college. Bij deze melding dient een situatieschets van de gewenste uitweg en foto’s van de bestaande situatie worden ingediend, of;
- b.
als het college het verboden heeft om een uitweg te maken of te veranderen.
- 2.
Het college maakt kenbaar dat er een melding is ingediend op de gebruikelijke wijze.
- 3.
Het maken of veranderen van een uitweg wordt niet toegestaan door het college als:
- a.
daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;
- b.
een openbare parkeerplaats door de uitweg verdwijnt, zonder dat dat nodig is;
- c.
door de uitweg het openbaar groen op een onaanvaardbare manier wordt aangetast;
- d.
de uitweg is bedoeld om een perceel te ontsluiten dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en door de aanleg van de tweede uitweg een openbare parkeerplaats of openbaar groen verdwijnen.
- 4.
De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen acht weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden.
- 5.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement.
|
Artikel 3.4.1.3 Vergunningplicht aanleggen of veranderen van een uitweg
- 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitweg aan te leggen naar de openbare weg of een bestaande uitweg te veranderen.
- 2.
Het verbod geldt niet bij het uitvoeren van een publieke taak in opdracht van de overheid.
|
|
Art. 3.4.1.4 - Aanvraagvereisten aanleggen of veranderen van een uitweg
|
(niet aanwezig)
|
Artikel 3.4.1.4 Aanvraagvereisten aanleggen of veranderen van een uitweg
- 1.
Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitweg naar de openbare weg of het veranderen van een bestaande weg worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
- a.
een tekening of foto met daarop de gewenste ligging van de uitweg;
- b.
een foto van de bestaande situatie;
- c.
de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf;
- d.
de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan;
- e.
de te gebruiken materialen;
- f.
de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen; en
- g.
voor zover het een aanvraag voor een extra uitweg bij een bedrijf betreft: de motivering waarom een extra uitweg nodig is voor een doelmatige en efficiënte bedrijfsvoering.
|
|
Art. 3.4.1.5 — Beoordelingsregels aanleggen of veranderen van een uitweg
|
(niet aanwezig)
|
Artikel 3.4.1.5 Beoordelingsregels aanleggen of veranderen van een uitweg
- 1.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.1.3 wordt slechts verleend als:
- a.
door de aanleg van de uitweg geen verkeersonveilige situatie ontstaat;
- b.
deze niet ten koste gaat van een openbare parkeerplaats, zonder dat dat nodig is;
- c.
het openbaar groen door de uitweg niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
- d.
de activiteit niet de ruimtelijke kwaliteit, waaronder het uiterlijk aanzien van de omgeving, op onaanvaardbare wijze aantast; en
- i.
het perceel niet al door een andere uitweg wordt ontsloten, tenzij:de extra uitweg niet ten koste gaat van openbaar groen of een openbare parkeerplaats; ofbij bedrijven is aangetoond dat één uitweg een doelmatige en efficiënte bedrijfsvoering belemmert.
|
|
Artikel 3.4.1.6 Voorwerpen op, in of boven openbaar vaarwater
|
Artikel 3.4.1.4 Voorwerpen op, in of boven openbaar vaarwater
|
Artikel 3.4.1.6 Voorwerpen op, in of boven openbaar vaarwater
(vernummerd)
|
|
Art. 3.4.1.7 — Gemotoriseerde vaartuigen
|
Artikel 3.4.1.5 Gemotoriseerde vaartuigen
|
Artikel 3.4.1.7 Gemotoriseerde vaartuigen
(vernummerd)
|
|
Artikel 3.4.1.8 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
|
Artikel 3.4.1.6 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
Artikel 3.4.1.86 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
- 1.
Het is niet toegestaan om afvalstoffen te verbranden of op een andere manier vuur aan te leggen, te stoken of te hebben in de openlucht, buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer.
- 2.
Als er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:
- a.
verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
- b.
sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;
- c.
vuur voor koken, bakken en braden.
- 3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
- 4.
Naast de weigeringsgronden genoemd in artikel 3.1.2.4 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.
- 5.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 en 3, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale milieuverordening.
|
Artikel 3.4.1.8 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
- 1.
Het is niet toegestaan om afvalstoffen te verbranden of op een andere manier vuur aan te leggen, te stoken of te hebben in de openlucht, buiten inrichtingen Wet milieubeheer.
- 2.
Als er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:
- a.
verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
- b.
sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;
- c.
vuur voor koken, bakken en braden.
- 3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
- 4.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 en 3, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale verordening.
|
|
Art. 3.4.3.1 - Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
|
Artikel 3.4.3.1 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
1. Het is niet toegestaan om op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken met een opschrift, aankondiging of afbeelding als daardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving ontstaat.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.
|
Artikel 3.4.3.1 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
1. Het is niet toegestaan om op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken met een opschrift, aankondiging of afbeelding als daardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving ontstaat.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet of het Omgevingsplan gemeente Meppel.
|
|
Art. 3.4.4.11 - Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke
|
Artikel 3.4.4.11 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke
Het is niet toegestaan zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
|
Artikel 3.4.4.11 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke
Het is niet toegestaan zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, evenement, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
|
|
Art. 3.4.5.2 - Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
|
Artikel 3.4.5.2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
- 1.
Het is niet toegestaan om kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat daarvoor in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.
- 2.
Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
- 3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
- 4.
Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.4 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:
|
Artikel 3.4.5.2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
- 1.
Het is niet toegestaan om kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat daarvoor in het Omgevingsplan gemeente Meppel is bestemd of mede bestemd.
- 2.
Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
- 3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
- 4.
Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.4 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:
|
|
Art. 3.4.6.1 - Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
|
Artikel 3.4.6.1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
1. Het is niet toegestaan om een standplaats in te nemen zonder een vergunning van het college.
2. Een standplaatsvergunning wordt verleend voor een periode van vijf jaar.
3. Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.4 kan een vergunning worden geweigerd als:
a. De standplaats op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand;
b. In strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het provinciaal wegenreglement.
5. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
|
Artikel 3.4.6.1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
1. Het is niet toegestaan om een standplaats in te nemen zonder een vergunning van het college.
2. Een standplaatsvergunning wordt verleend voor een periode van vijf jaar.
3. Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.4 kan een vergunning worden geweigerd als:
a. De standplaats op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand;
b. In strijd is met het Omgevingsplan gemeente Meppel .
4. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het provinciaal wegenreglement.
5. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
|
|
Art. 3.4.6.2 - Marktplaatsvergunning;
|
Artikel 3.4.6.2 Marktplaatsvergunning;
Het is verboden een marktplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college.
artikel 3.4.6.16 Vergunning bijzondere markten;
|
Artikel 3.4.6.2 Marktplaatsvergunning
1. Het is verboden een marktplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college.
2. Een vergunning voor een vaste marktplaats wordt verleend voor een periode van tien jaar.
|
|
Art. 3.4.6.4 - Inhoud vaste marktplaatsvergunning
|
Artikel 3.4.6.4 Inhoud vaste marktplaatsvergunning
1. Een vaste marktplaatsvergunning vermeldt in ieder geval:
a. de naam en voornamen, de geboortedatum en –plaats, het adres en de woonplaats van de vergunninghouder;
b. een duidelijke omschrijving van de toegewezen vaste marktplaats met vermelding van het nummer en de afmetingen daarvan;
c. de kraam of andere verkoopmaterialen die de vergunninghouder bij het innemen van de marktplaats mag gebruiken;
d. het soort artikelen dat de vergunninghouder mag verhandelen of de branche waartoe de vergunninghouder behoort;
e. dat de vergunninghouder zelf zorg draagt voor de inzameling en afvoer van zijn afval en dat hij zijn marktplaats schoon oplevert;
f. de wijze waarop de vergunninghouder zijn elektriciteit betrekt;
g. welke geluidsapparatuur op de marktplaats is toegestaan;
h. welke kook-, bak- en verwarmingsapparatuur zijn toegestaan.
2. Aan de vergunning wordt een middel ter identificatie gehecht.
|
Artikel 3.4.6.4 Inhoud vaste marktplaatsvergunning
1. Een vaste marktplaatsvergunning vermeldt in ieder geval:
a. de naam en voornamen, de geboortedatum en –plaats, het adres en de woonplaats van de vergunninghouder;
b. tijdstip en locatie van de standplaats;
c. afmetingen van de kraam en de oppervlakte van de ruimte voor het gebruik handelswaar;
d. het soort artikelen dat de vergunninghouder mag verhandelen;
e. dat de vergunninghouder zelf zorg draagt voor de inzameling en afvoer van zijn afval en dat hij zijn marktplaats schoon oplevert;
f. de wijze waarop de vergunninghouder zijn elektriciteit betrekt;
2. De marktplaatsvergunning kan tevens vermelden:
a. welke geluidsapparatuur op de marktplaats is toegestaan;
b. welke kook-, bak- en verwarmingsapparatuur zijn toegestaan.
3. Aan de vergunning wordt een middel ter identificatie gehecht.
|
|
Art. 3.4.6.6 - Overschrijving vaste marktplaatsvergunning
|
Artikel 3.4.6.6 Overschrijving vaste marktplaatsvergunning
1. In geval van overlijden of blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder kan de vaste marktplaatsvergunning worden overgeschreven op de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere achterblijvende persoon met wie hij duurzaam samenwoonde;
2. Indien de vergunning niet kan worden overgeschreven op grond van het eerste lid, kan een kind van de vergunninghouder de vergunning voor een vaste marktplaats krijgen indien hij ten minste drie jaar in loondienst van het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf heeft gefunctioneerd en zich heeft laten inschrijven op de wachtlijst.
3. Een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend binnen twee maanden na het overlijden van de vergunninghouder of nadat de blijvende arbeidsongeschiktheid is vastgesteld.
4. Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van het bepaalde in dit artikel.
|
Artikel 3.4.6.6 Overschrijving vaste marktplaatsvergunning
1. In geval van overlijden of blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder kan de vaste marktplaatsvergunning worden overgeschreven op de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere achterblijvende persoon met wie hij duurzaam samenwoonde;
2. Indien de vergunning niet kan worden overgeschreven op grond van het eerste lid, kan een kind van de vergunninghouder de vergunning voor een vaste marktplaats krijgen indien hij ten minste twee jaar in loondienst van het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf heeft gefunctioneerd en zich heeft laten inschrijven op de wachtlijst.
3. Een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend binnen twee maanden na het overlijden van de vergunninghouder of nadat de blijvende arbeidsongeschiktheid is vastgesteld.
4. Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van het bepaalde in dit artikel.
|
|
Art. 3.4.6.8 — Toewijzing dagplaats op de weekmarkt
|
Artikel 3.4.6.8 Toewijzing dagplaats
1. Toewijzing van een dagplaats geschiedt door afgifte van een vergunning door het college op het moment dat de marktplaats niet als vaste marktplaats wordt ingenomen.
2. Indien zich bij de opening van de markt meer gegadigden voor een dagplaats melden dan er plaatsen beschikbaar zijn, worden de dagplaatsen overeenkomstig nader door het college te stellen regels door middel van loting toegewezen.
|
Artikel 3.4.6.8 Toewijzing dagplaats op de weekmarkt
1. Toewijzing van een dagplaats geschiedt na overleg met de marktmeester.
2. Indien zich bij de opening van de markt meer gegadigden voor een dagplaats melden dan er plaatsen beschikbaar zijn, worden de dagplaatsen overeenkomstig nader door het college te stellen regels door middel van loting toegewezen.
|
|
Art. 3.4.6.9 - Toewijzing standwerkersplaats
|
Artikel 3.4.6.9 Toewijzing standwerkersplaats
1. Het college wijst een standwerkersplaats toe door middel van loting.
2. Het is een ingeschrevene op de wachtlijst niet toegestaan deel te nemen aan de loting voor een standwerkersplaats zolang deze inschrijving niet definitief is vervallen.
3. Indien een standwerker zich wil doen bijstaan, meldt hij dit vooraf aan de marktmeester onder vermelding van de naam van degene die hem zal bijstaan. Degene die hem zal bijstaan, mag niet op eigen naam deelnemen aan de loting.
|
(vervalt)
|
|
Art. 3.4.6.10 - Eigen materiaal
|
Artikel 3.4.6.10 Eigen materiaal
1. De vergunninghouder dient gebruik te maken van de kramen van de door het college aangewezen kramenzetter. Het college kan in bij nadere regels vast te stellen gevallen onder daarin te stellen voorwaarden toestemming verlenen tot het gebruik van eigen materiaal.
2. Het college kan nadere regels stellen omtrent de aan het eigen materiaal te stellen eisen.
|
(vervalt)
|
|
Art. 3.4.6.11 - Persoonlijk innemen marktplaats; bijstand
|
Artikel 3.4.6.11 Persoonlijk innemen marktplaats; bijstand
1. De vergunninghouder neemt de marktplaats die hem is toegewezen persoonlijk in. Hij mag de marktplaats niet aan een ander afstaan of in gebruik geven.
2. De vergunninghouder mag zich op de marktplaats doen bijstaan.
3. De vergunninghouder en degene die hem bijstaat mogen zich niet schuldig maken aan wangedrag of bedrog.
|
Artikel 3.4.6.11 Persoonlijk innemen marktplaats; bijstand
1. De vergunninghouder neemt de marktplaats die hem is toegewezen persoonlijk in. Hij mag de marktplaats niet aan een ander afstaan of in gebruik geven.
2. De vergunninghouder mag zich op de marktplaats laten ondersteunen.
3. De vergunninghouder en degene die hem bijstaat mogen zich niet schuldig maken aan wangedrag of bedrog.
|
|
Art. 3.4.6.13 - Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden
|
Artikel 3.4.6.13 Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden
1. De vergunninghouder van een vaste marktplaats die wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste marktplaats in te nemen, deelt dit schriftelijk mee aan het college. Bij vakantie geeft de vergunninghouder aan hoe lang zijn afwezigheid duurt.
2. De schriftelijke mededeling wordt tijdig voor de desbetreffende marktdag gedaan. Plotselinge verhindering wordt mondeling en telefonisch aan de marktmeester gemeld, gevolgd door een schriftelijke bevestiging daarvan aan het college.
|
Artikel 3.4.6.13 Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden
1. De vergunninghouder van een vaste marktplaats die wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste marktplaats in te nemen, deelt dit schriftelijk mee aan het college. Bij vakantie geeft de vergunninghouder aan hoelang zijn afwezigheid duurt.
2. De schriftelijke mededeling wordt tijdig voor de desbetreffende dag, zoals opgenomen in de vergunning gedaan. Plotselinge verhindering wordt mondeling en telefonisch aan de marktmeester gemeld, gevolgd door een schriftelijke bevestiging daarvan aan het college.
|
|
Art. 3.4.6.14 - Ontheffing en vervanging
|
Artikel 3.4.6.14 Ontheffing en vervanging
1. In geval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het college op aanvraag van de vergunninghouder van een vaste marktplaats hem tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting om ten minste eenmaal per twee weken en tienmaal per dertien weken de marktplaats op de markt in te nemen.
2. Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder hem vergunning verlenen zich op zijn marktplaats te laten vervangen door een met name genoemde persoon.
|
Artikel 3.4.6.14 Ontheffing en vervanging
1. In geval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het college op aanvraag van de vergunninghouder van een vaste marktplaats hem tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting om ten minste eenmaal per twee weken en tienmaal per dertien weken de marktplaatsin te nemen.
2. Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder hem toestemming verlenen zich op zijn standplaats te laten vervangen door een met name genoemde persoon.
|
|
Art. 3.4.6.16 - Vergunning bijzondere markten
|
Artikel 3.4.6.16 Vergunning bijzondere markten
1. Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of een openbaar water – al dan niet met enige beperking – voor publiek toegankelijk en in de openlucht gelegen plaats, een bijzondere markt te houden.
2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde.
|
(vervalt)
|
|
Art. 3.4.6.17 - Verplichtingen vergunninghouder
|
Artikel 3.4.6.17 Verplichtingen vergunninghouder
1. Degene die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3.4.6.16 is verplicht erop toe te zien dat alle personen die een marktplaats innemen op de door hem georganiseerde bijzondere markt de voorschriften als bedoeld in de artikelen 7.1.1.3 en 3.4.6.15 in acht te nemen.
2. Degene die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3.4.6.16 is tevens verplicht erop toe te zien dat de marktplaatshouders op de door hem georganiseerde bijzondere markt de voorschriften die het college verbonden heeft aan de vergunning, nageleefd worden.
|
Artikel 3.4.6.17 Verplichtingen vergunninghouder
1. Degene die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3.4.6.16 is verplicht erop toe te zien dat alle personen die een marktplaats innemen op de door hem georganiseerde bijzondere markt de voorschriften als bedoeld in de artikelen 7.1.1.3 en 3.4.6.15 in acht te nemen.
2. Degene die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3.4.6.16 is tevens verplicht erop toe te zien dat de marktplaatshouders op de door hem georganiseerde bijzondere markt de voorschriften die het college verbonden heeft aan de vergunning, nageleefd worden.
|
|
Paragraaf 3.4.7 ligplaatsen historische vaartuigen
Art. 3.4.7.1 — Verbod innemen ligplaats
|
Paragraaf 3.4.7 ligplaatsen historische vaartuigen
(niet aanwezig)
|
Paragraaf 3.4.7 Ligplaatsen
Artikel 3.4.7.1 Verbod innemen ligplaats
Het is verboden met een historisch schip een ligplaats in te nemen of zich met een historisch schip te bevinden op een plaats waarvoor geen vergunning, als bedoeld in artikel 3.4.7.2, eerste lid, voor een vaste ligplaats ten behoeve van een historisch schip is verleend.
|
|
Art. 3.4.7.2 — Vaste ligplaatsvergunning historisch schip en wachtlijst
|
Artikel 3.4.7.1. Vaste ligplaatsvergunning historisch schip en wachtlijst
- a)
Het college verleent voor maximaal acht historische vaartuigen vergunning voor een vaste ligplaats. Dit betreft zes vaste ligplaatsen voor een historisch schip gedurende het gehele jaar en twee reserve vaste ligplaatsen.
- b)
Het college maakt op een daarvoor geschikte manier bekend dat er een of meer vergunningen beschikbaar zijn en op welke wijze een belangstellende daarvoor in aanmerking kan komen.
- c)
Een aanvraag kan worden ingediend middels een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
- d)
Er is een wachtlijst. Het college schrijft een aanvrager op zijn schriftelijk verzoek in op de wachtlijst, indien hij voldoet aan de toetsingscriteria als bedoeld in artikel 2, derde lid, maar aan hem nog geen vaste ligplaatsvergunning kan worden toegewezen omdat het maximum aantal is bereikt.
- e)
De inschrijving op de wachtlijst wordt doorgehaald:
- f)
a. indien de ingeschrevene zijn inschrijving niet jaarlijks voor 1 januari heeft verlengd;
- g)
b. bij overlijden van de ingeschrevene;
- h)
c. op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene;
- i)
d. wanneer aan de ingeschrevene een vaste ligplaatsvergunning is verleend, tenzij hij deze op grond van bijzondere omstandigheden niet aanvaardt;
- j)
e. indien niet meer aan de toetsingscriteria als bedoeld in artikel 2, derde lid, wordt voldaan.
- k)
De toewijzing van een beschikbaar gekomen vaste ligplaats geschiedt aan degene die zich op de wachtlijst heeft laten inschrijven, in volgorde van inschrijving op deze lijst.
- l)
Een vergunning voor een vaste ligplaats is persoons- en vaartuiggebonden.
m) Bij verkoop en levering van het historisch schip waarvoor een vaste ligplaatsvergunning is afgegeven kan deze vergunning op naam gesteld worden van de nieuwe eigenaar-bewoner. De nieuwe eigenaar kan een daartoe strekkend verzoek indienen bij het college.
n) De toewijzing van een beschikbaar gekomen vaste ligplaats geschiedt aan degene die zich op de wachtlijst heeft laten inschrijven, in volgorde van inschrijving op deze lijst.
|
Artikel 3.4.7.2 Vaste ligplaatsvergunning historisch schip en wachtlijst
1. Het college verleent voor maximaal negen historische schepen een vergunning voor een vaste ligplaats. Dit betreft negen vaste ligplaatsen voor een historisch schip gedurende het gehele jaar.
2. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vaste ligplaatsvergunning ten behoeve van een historisch schip wordt advies gevraagd. De advisering vindt plaats aan de hand van de volgende toetsingscriteria:
Leeftijd
a. Het historisch schip dient tenminste 50 jaar oud te zijn.
Scheepstype
b. Het historisch schip dient een voormalig bedrijfsvaartuig te zijn, waarmee op de Nederlandse wateren enig beroep of bedrijf is uitgevoerd c.q. typerend is geweest binnen de ontwikkeling van de Nederlandse scheepsbouw en waarvan het karakter overwegend bewaard is gebleven.
Met andere woorden, het vaartuig dient een cultuurhistorische en monumentale waarde te hebben.
Silhouet
c. Het silhouet van het historisch schip dient qua uiterlijk gaaf te zijn.
d. Ingrepen zijn aanvaardbaar, indien deze op respectvolle wijze ten aanzien van het historische karakter van het schip hebben plaatsgevonden.
Staat van het historisch schip
e. Het historisch schip dient in een varende, goede en verzorgde staat te verkeren.
Voortbewegen van het historisch schip
f. Het historisch schip dient zich, behoudens in geval van reparatiewerkzaamheden, op eigen motorkracht te kunnen voortbewegen.
Mate waarin met het historisch schip wordt gevaren
g. Er dient regelmatig te worden gevaren met het historisch schip. Onder regelmatig wordt verstaan: tenminste eenmaal per jaar.
Restauratieplan
h. Indien het historisch schip niet geheel voldoet aan de toetsingscriteria onder c, d en e, kan op basis van een door de Stichting Historische Schepen Meppel goedgekeurd restauratieplan, inclusief een tijdsplanning, een vergunning voor een vaste ligplaats voor een historisch schip worden verleend.
Omvang en welstand
i. Het historisch schip moet qua uiterlijk en omvang passen in de omgeving, bij de eventueel reeds aanwezige schepen en de beschikbaar gekomen plaats.
j. Het historisch schip mag niet feitelijk een jacht zijn dat, gezien zijn afmetingen in redelijkheid een plaats moet kunnen vinden in een jachthaven.
3. Het college maakt op een daarvoor geschikte manier bekend dat er een of meer vergunningen beschikbaar zijn en op welke wijze een belangstellende daarvoor in aanmerking kan komen.
4. Een aanvraag kan worden ingediend middels een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
5. Een vergunning voor een vaste ligplaats is persoons- en vaartuiggebonden.
6. Bij verkoop en levering van het historisch schip waarvoor een vaste ligplaatsvergunning is afgegeven kan deze vergunning op naam gesteld worden van de nieuwe eigenaar-bewoner. De nieuwe eigenaar kan een daartoe strekkend verzoek indienen bij het college.
7. De toewijzing van een beschikbaar gekomen vaste ligplaats geschiedt aan degene die zich op de wachtlijst heeft laten inschrijven, in volgorde van inschrijving op deze lijst.
|
|
Art. 3.4.7.3 — Schepencarrousel
|
Artikel 3.4.7.2 Schepencarrousel
- 1.
Een schip dat is ingeschreven bij de stichting Schepencarroussel en dat voldoet aan de afspraken van het schepencarrousel kan ligplaats innemen aan de Jan van den Boschkade of aan de Prins Hendrikkade.
- 2.
De maximale ligduur voor een schip uit de schepencarroussel is 3 maanden .
- 3.
In de periode van 1 oktober tot en met 31 maart kan op verzoek de maximale ligduur voor een schip als bedoeld in het eerste lid worden verlengd tot zes maanden tot maximaal 31 maart Hiervoor dient de procedure van artikel 2.4. lid 3 van de Havenverordening te worden gevolgd
- 4.
Voor een schip dat voor het eerst ligplaats inneemt na minimaal drie maanden geen gebruik te hebben gemaakt van op een van de volgens het eerste lid aangewezen plaatsen en dat voldoet aan de overige criteria van het eerste lid wordt een ontheffing krachtens artikel 2.4. lid 3 van de Havenverordening geacht te zijn verleend voor de duur overeenkomstig het tweede lid.
De havengeldverordening regelt de liggelden voor schepen die op grond van dit artikel ligplaats
|
Artikel 3.4.7.3 Schepencarrousel
1. Een schip dat is ingeschreven bij de stichting Schepencarroussel en dat voldoet aan de afspraken van het schepencarrousel kan ligplaats innemen aan de Jan van den Boschkade of aan de Prins Hendrikkade of binnen de sluis.
2. De maximale ligduur voor een schip uit de schepencarroussel is 3 maanden aan de Jan van Boschkade of aan de Prins Hendrikkade. Binnen de sluis is dit minimaal 2 nachten en maximaal 3 weken.
3. In de periode van 1 oktober tot en met 31 maart kan op verzoek de maximale ligduur voor een schip als bedoeld in het eerste lid worden verlengd tot zes maanden tot maximaal 31 maart. Hiervoor dient de procedure van artikel 2.4. lid 3 van de Havenverordening te worden gevolgd.
4. Voor een schip dat voor het eerst ligplaats inneemt na minimaal drie maanden geen gebruik te hebben gemaakt van op een van de volgens het eerste lid aangewezen plaatsen en dat voldoet aan de overige criteria van het eerste lid wordt een ontheffing krachtens artikel 2.4. lid 3 van de Havenverordening geacht te zijn verleend voor de duur overeenkomstig het tweede lid.
5. De Havengeldverordening regelt de liggelden voor historische schepen.
|
|
Art. 3.4.7.4 — Gebruik vaste ligplaats
|
Artikel 3.4.7.3 Gebruik vaste ligplaats
|
Artikel 3.4.7.4 Gebruik vaste ligplaats
(vernummerd)
|
|
Art. 3.4.7.5 — Tijdelijk andere ligplaats
|
Artikel 3.4.7.4 Tijdelijk andere ligplaats
De havenmeester kan de vergunninghouder tijdelijk een andere ligplaats aanwijzen in verband met activiteiten, onderhoudswerkzaamheden of iets dergelijks.
|
Artikel 3.4.7.5 Tijdelijk andere ligplaats
(vernummerd)
|
|
Art. 3.4.7.6 — Intrekking van een vaste ligplaatsvergunning
|
Artikel 3.4.7.5 Intrekking van een vaste ligplaatsvergunning
|
Artikel 3.4.7.6 Intrekking van een vaste ligplaatsvergunning
(vernummerd)
|
|
Art. 3.5.1.1 - Verbodsbepalingen en omgevingsvergunning
|
Artikel 3.5.1.1 Verbodsbepalingen en vergunning
1. Het is niet toegestaan een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of aan het monument onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding ervan noodzakelijk is.
2. Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college, of in strijd met de voorschriften bij die vergunning een beschermd gemeentelijk monument:
a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen, of
b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een manier dat het monument wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
3. Het verbod en de vergunningplicht als bedoeld in het tweede lid gelden niet als:
a. de activiteit betrekking heeft op normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort, kleur, en aanleg (in geval van een tuin, park of andere aanleg) niet wijzigt, of;
b. de activiteit alleen leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.
4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de manier waarop de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Deze regels kunnen ook gaan over de vergunningplicht, zoals bedoeld in het tweede lid, of een verplichting om werkzaamheden te melden, zoals bedoeld in derde lid.
|
Artikel 3.5.1.1 Verbodsbepalingen en omgevingsvergunning
1. Het is niet toegestaan een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of aan het monument onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding ervan noodzakelijk is.
2. Het is niet toegestaan zonder omgevingsvergunning van het college, of in strijd met de voorschriften bij die vergunning een beschermd gemeentelijk monument:
a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen, of
b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een manier dat het monument wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
3. Het verbod en de omgevingsvergunningplicht als bedoeld in het tweede lid gelden niet als:
a. de activiteit betrekking heeft op normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort, kleur, en aanleg (in geval van een tuin, park of andere aanleg) niet wijzigt, of;
b. de activiteit alleen leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.
c. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden:
1. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;
2. doen van begravingen of as bijzettingen; of
3. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument (of een onderdeel daarvan).
4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de manier waarop de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Deze regels kunnen ook gaan over de vergunningplicht, zoals bedoeld in het tweede lid.
|
|
Art. 3.5.1.3 - Weigeringsgronden
|
Artikel 3.5.1.3 Weigeringsgronden
1. De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.
2. Voor een omgevingsvergunning voor kerkelijk monument is overeenstemming met de eigenaar vereist.
|
Artikel 3.5.1.3 Weigeringsgronden
1. De omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 3.5.1.1, tweede lid, kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.
2. Voor een omgevingsvergunning voor kerkelijk monument, als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, is afstemming met de eigenaar vereist.
|
|
Art. 3.6.1.1 - Kapverbod Monumentale bomen
|
Artikel 3.6.1.1 Kapverbod Monumentale bomen
1. Het is niet toegestaan om monumentale bomen te vellen of te laten vellen die staan vermeld op Bomenlijst (de lijst met bijbehorende kaart in de bijlage).
2. Bij een omgevingsvergunning kan door het college worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid als er geen redelijke maatregelen getroffen kunnen worden om het vellen te voorkomen en als er sprake is van:
a. onveilige situaties door instabiliteit en/of onvoldoende vitaliteit;
b. schade of dreigende schade aan de omgeving;
c. een zwaarwegend geval van algemeen belang.
3. Het college kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.
4. Het college kan nadere regels stellen voor de uitvoering van het tweede en derde lid.
|
Artikel 3.6.1.1 Kapverbod monumentale bomen
1. Het is niet toegestaan om monumentale bomen te vellen of te laten vellen die staan vermeld op de Bomenlijst als bedoeld in bijlage 2.
2. Bij een omgevingsvergunning kan door het college worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid als er geen redelijke maatregelen getroffen kunnen worden om het vellen te voorkomen en als er sprake is van:
a. onveilige situaties door instabiliteit en/of onvoldoende vitaliteit;
b. schade of dreigende schade aan de omgeving;
c. een zwaarwegend geval van algemeen belang.
3. Het college kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.
4. Het college kan nadere regels stellen voor de uitvoering van het tweede en derde lid.
|
|
Hoofdstuk 6 Procedurele bepalingen
|
Hoofdstuk 6 procedurele bepalingen
|
Hoofdstuk 6 Procedurele bepalingen
|
|
Art. 6.2.1.1 - Advies gemeentelijke adviescommissie
|
Artikel 6.2.1.1 Advies gemeentelijke adviescommissie
1. Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.3.2.1 advies aan een gemeentelijke adviescommissie waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Van de adviescommissie maken geen deel uit leden van het gemeentebestuur.
2. De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.
3. De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen 8 weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.
|
(vervalt)
|
|
Art. 6.2.2.1 - Advies gemeentelijke adviescommissie
|
Artikel 6.2.2.1 Advies gemeentelijke adviescommissie
Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 6.2.1.1, eerste lid. Artikel 6.2.1.1, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
(vervalt)
|
|
Art. 6.2.3.1 -Advies omgevingsvergunning rijksmonument
|
Artikel 6.2.3.1 Advies omgevingsvergunning rijksmonument
Burgemeester en wethouders zenden onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 6.2.1.1, eerste lid. Artikel 6.2.1.1, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
(vervalt)
|
|
Art. 6.2.4.1 - Stichting Historische Schepen Meppel
|
Artikel 6.2.4.1. Stichting Historische Schepen Meppel
|
(vernummerd naar en aangepast naar 6.4.2.1)
|
|
Art. 6.3.1.4 — Procedures bij het standwerken
|
Artikel 6.3.1.4 Procedures bij het standwerken
- 1.
Het college stelt per marktdag het maximum aantal standwerkersplaatsen vast.
- 2.
Het college kan nadere regels stellen over
- a.
de voorwaarden waaronder een standwerker in aanmerking komt voor een standwerkersplaats;
- b.
de wijze waarop de loting plaatsvindt;
- c.
de wijze en beoordeling van het standwerken.
|
(vervalt)
|
|
Paragraaf 6.4.2 - Advies bij vergunning ligplaats historisch schip
Art. 6.4.2.1 — Advies ligplaats historisch schip
|
Paragraaf 6.2.4
Artikel 6.2.4.1. Stichting Historische Schepen Meppel
a) Stichting Historische Schepen Meppel adviseert het college over de algemene visie, het beleid en de kwaliteit voor zover het betreft historische vaartuigen in het grachtengebied en de daarin gesitueerde vaste ligplaatsen.
b) Stichting Historische Schepen Meppel adviseert het college over een aanvraag voor een vergunning voor een vaste ligplaats voor een historisch vaartuig, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid onder c, van de Havenverordening.
c) De advisering van Stichting Historische Schepen Meppel vindt plaats aan de hand van de volgende toetsingscriteria waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een vergunning voor een vaste ligplaats:
a) Leeftijd
b) Het vaartuig dient tenminste 50 jaar oud te zijn
c) Scheepstype
d) Het vaartuig dient een voormalig bedrijfsvaartuig te zijn, waarmee op de Nederlandse wateren enig beroep of bedrijf is uitgevoerd c.q. typerend is geweest binnen de ontwikkeling van de Nederlandse scheepsbouw en waarvan het karakter overwegend bewaard is gebleven.
e)Met andere woorden, het vaartuig dient een cultuurhistorische en monumentale waarde te hebben.
f) Silhouet
g) Het silhouet van het vaartuig dient qua uiterlijk gaaf te zijn.
h) Ingrepen zijn aanvaardbaar, indien deze op respectvolle wijze ten aanzien van het historische karakter van het schip hebben plaatsgevonden.
i) Staat van het vaartuig
j) Het vaartuig dient in een varende, goede en verzorgde staat te verkeren.
k) Voortbewegen van het vaartuig
l) Het vaartuig dient zich, behoudens in geval van reparatiewerkzaamheden, op eigen motorkracht te kunnen voortbewegen.
m) Mate waarin met het vaartuig wordt gevaren
n) Er dient regelmatig te worden gevaren met het vaartuig. Onder regelmatig wordt verstaan: tenminste één maal per jaar.
o) Restauratieplan
p) Indien het vaartuig niet geheel voldoet aan de toetsingscriteria onder c, d en e, kan op basis van een door de Stichting Historische Schepen Meppel goedgekeurd restauratieplan, inclusief een tijdsplanning, een vergunning voor een vaste ligplaats voor een historisch vaartuig worden verleend.
q) Omvang en welstand
r) Het vaartuig moet qua uiterlijk en omvang passen in de omgeving, bij de eventueel reeds aanwezige schepen en de beschikbaar gekomen plaats.
s) Het vaartuig mag niet feitelijk een jacht zijn dat, gezien zijn afmetingen in redelijkheid een plaats moet kunnen vinden in een jachthaven.
d) De toetsingscriteria als bedoeld in het derde lid kunnen door Stichting Historische Schepen Meppel worden uitgewerkt. De uitwerking c.q. nadere invulling van de toetsingscriteria dient ter goedkeuring aan het college te worden voorgelegd.
e) Stichting Historische Schepen Meppel brengt binnen zes weken na ontvangst van een adviesaanvraag voor een vergunning advies uit aan het college.
f) Wanneer Stichting Historische Schepen Meppel is opgehouden te bestaan of buiten staat is om te adviseren zal het college advies over een aanvraag zoals bedoeld in het tweede lid vragen aan een deskundig persoon met kennis en ervaring op het gebied van historische schepen.
|
Paragraaf 6.4.2 Advies bij vergunning ligplaats historisch schip
Artikel 6.4.2.1 Advies ligplaats historisch schip
1. Stichting Historische Schepen Meppel adviseert het college over de algemene visie, het beleid en de kwaliteit voor zover het betreft historische schepen in het grachtengebied en de daarin gesitueerde vaste ligplaatsen.
2. Stichting Historische Schepen Meppel adviseert het college over een aanvraag voor een vergunning voor een vaste ligplaats voor een historisch schip, als bedoeld in artikel 3.4.7.2, eerste lid.
3. Stichting Historische Schepen Meppel brengt binnen zes weken na ontvangst van een adviesaanvraag voor een vergunning advies uit aan het college.
4. Wanneer Stichting Historische Schepen Meppel is opgehouden te bestaan of buiten staat is om te adviseren zal het college advies over een aanvraag zoals bedoeld in het tweede lid vragen aan een deskundig persoon met kennis en ervaring op het gebied van historische schepen.
|
|
Art. 7.1.1.5 — Uitsluiting dagplaatshouder
|
Artikel 7.1.1.5 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker
Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze:
- a.
het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;
- b.
zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;
- c.
niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats;
- d.
niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.
|
Artikel 7.1.1.5 Uitsluiting dagplaatshouder
Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats van de toewijzing van een dagplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze:
- a.
het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;
- b.
zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;
- c.
niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.
|
|
Art. 7.1.1.6 — Onmiddellijke verwijdering
|
Artikel 7.1.1.6 Onmiddellijke verwijdering
Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien hij:
- a.
het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt;
- b.
zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;
- c.
niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats.
|
(vervalt)
|
|
Art. 7.1.2.1 — Strafbepaling
|
Artikel 7.1.2.1 Strafbepaling
- 1.
Overtreding van een bij of krachtens deze verordening vastgestelde verbodsbepaling, niet nakoming van een bij of krachtens deze verordening opgelegde verplichting en niet nakoming van één of meer voorschriften aan een vergunning of ontheffing verbonden, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
- 2.
In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3.4.1.1, vierde lid, 3.4.1.2, tweede lid, 3.6.1.1, eerste lid en 3.6.1.2, eerste lid als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit.
- 3.
Overtreding van artikel 3.3.2.1, artikel 3.3.2.2 of van artikel 3.3.2.4 tot en met artikel 3.3.2.6 en artikel 3.3.3.1, 3.3.3.2, 3.3.4.1, 3.3.4.2, 3.3.4.3 en 3.3.4.4 tot en met artikel 3.3.4.7 en 3.4.4.4, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onderdeel 3, van de Wet op de economische delicten.
|
Artikel 7.1.2.1 Strafbepaling
- 1.
Overtreding van een bij of krachtens deze verordening vastgestelde verbodsbepaling, niet nakoming van een bij of krachtens deze verordening opgelegde verplichting en niet nakoming van één of meer voorschriften aan een vergunning of ontheffing verbonden, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
- 2.
In afwijking van het eerste lid is de Omgevingswet van toepassing op overtreding van een omgevingsvergunningplichtige activiteit.
- 3.
Overtreding van artikel 3.3.2.1, artikel 3.3.2.2 of van artikel 3.3.2.4 tot en met artikel 3.3.2.6 en artikel 3.3.3.1, 3.3.3.2, 3.3.4.1, 3.3.4.2, 3.3.4.3 en 3.3.4.4 tot en met artikel 3.3.4.7 en 3.4.4.4, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onderdeel 3, van de Wet op de economische delicten.
|
|
Art. 7.2.1.4 — Overgangsbepaling Telecommunicatieverordening gemeente Meppel
|
Artikel 7.2.1.4 Overgangsbepaling Telecommunicatieverordening gemeente Meppel
De aanwezigheid van kabels en kabelwerken in of op open bare gronden, voor zover deze zijn aangelegd met toepassing van hoofdstuk VI van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, dient door de aanbieders binnen een jaar na inwerkingtreding van deze verordening te worden gemeld aan het college via het aanmeldingsformulier als genoemd in artikel 3, eerste lid.
|
Artikel 7.2.1.4 Overgangsbepaling Telecommunicatieverordening gemeente Meppel
De aanwezigheid van kabels en kabelwerken in of op openbare gronden, voor zover deze zijn aangelegd met toepassing van hoofdstuk VI van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, dient door de aanbieders binnen een jaar na inwerkingtreding van deze verordening te worden gemeld aan het college via het aanmeldingsformulier als genoemd in artikel 3, eerste lid.
|
|
Art. 7.2.1.6 — Overgangsbepaling kabels en leidingen
|
(niet aanwezig)
|
Artikel 7.2.1.6 Overgangsbepaling kabels en leidingen
- 1.
Voor kabels en leidingen die op de datum van inwerkingtreding van de vastgestelde wijziging van deze verordening in 2026 rechtmatig aanwezig en in gebruik zijn geldt de door het college verleende toestemming dan wel vergunning op grond waarvan zij gelegd zijn als een vergunning respectievelijk instemmingsbesluit krachtens deze verordening.
- 2.
Voor zover er sprake is van privaatrechtelijke overeenkomsten tussen de gemeente en netbeheerders en tot het moment waarop deze zijn beëindigd, zijn de bepalingen in deze verordening, voor zover strijdig met de bepalingen in deze overeenkomsten, niet van toepassing.
- 3.
Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de vastgestelde wijziging van deze verordening een instemmingsbesluit is aangevraagd op grond van de voorheen geldende bepalingen van de Verordening fysieke leefomgeving Meppel 2022, waarop nog niet is beslist, wordt deze aanvraag beoordeeld aan de hand van de voorheen geldende bepalingen uit de Verordening fysieke leefomgeving Meppel 2022.
|
|
Art. 7.3.1.3 - Citeertitel
|
Artikel 7.3.1.3 Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening fysieke leefomgeving Meppel 2022.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering d.d. 28 oktober 2021,
de griffier, de voorzitter,
|
Artikel 7.3.1.3 Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening fysieke leefomgeving gemeente Meppel 2022.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering d.d. 18 juni 2026,
de griffier, de voorzitter,
|
|
Bijlage 1 - Groene Kaart
|
Bijlage 1 Bomen lijst/Groene Kaart
|
Bijlage 1 Groene Kaart
|
|
Bijlage 2 - Bomenlijst
|
Bijlage 2
|
Bijlage 2 Bomenlijst
|
|
Bijlage 3 - Selectiecriteria aanwijzing gemeentelijk monument
|
Toelichting (vervalt)
|
Bijlage 3 Selectiecriteria aanwijzing gemeentelijk monument
Het gebruik van selectiecriteria
Het toetsingskader wordt gebruikt bij: het opstellen van de monumentenbeschrijving of gebiedsbeschrijving van het voorgedragen object (monument) of complex (stads- of dorpsgezicht); de advisering over de aanwijzing door de gemeentelijke Adviescommissie; het besluit van het college en de raad over de aanwijzing van het voorgedragen object of complex als gemeentelijk (archeologisch) monument. Met het vaststellen van dit Afwegingskader Monumenten wordt het toetsingskader voor iedereen inzichtelijk.
Per selectiecriterium wordt een score toegekend. Er is een waardering van 0 tot maximaal 3 *** per criterium (stedenbouwkundige waarden, architectuurhistorische waarden en cultuurhistorische waarden, gaafheid en zeldzaamheid). Doorgaans zullen meerdere criteria een rol spelen om een object of complex aan te kunnen merken als waardevol ruimtelijk erfgoed. Bij monumenten- en erfgoedinventarisaties is veelal het uitgangspunt dat aan minstens vier van de vijf criteria wordt voldaan. Maar het is niet zo dat alle criteria gelijktijdig van toepassing moeten zijn om een object of complex aan te wijzen. Alle criteria zijn gelijk van waarde en kunnen in combinatie met elkaar een aanvullende rol vervullen. Zo kan bijvoorbeeld een lage score op gaafheid gecompenseerd worden door een hoge score op zeldzaamheid. Of is het mogelijk dat een object of complex op minder criteria uitzonderlijk hoog scoort, waardoor het eveneens gewaardeerd kan worden als waardevol ruimtelijk erfgoed. Bij een totaalscore van minimaal 7*** komt een object of complex in principe in aanmerking voor de beschermde status van gemeentelijk monument.
Bij de waardering van archeologische monumenten wordt een vergelijkbare systematiek gehanteerd. In dit geval wordt een score toegekend aan de selectiecriteria belevingswaarde, fysieke waarde en inhoudelijke waarde. Een monument wordt op basis van fysieke kwaliteit als in principe behoudenswaardig aangemerkt, indien de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (5 of 6 punten) scoren. Bij een middelmatige tot lage score (4 punten of minder), wordt naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of een vindplaats toch behoudenswaardig is. Indien te verwachten is dat op een van de inhoudelijke criteria ‘hoog’ wordt gescoord, wordt de vindplaats ook in principe behoudenswaardig geacht. Dit ‘vangnet’ heeft tot doel ervoor te zorgen dat terreinen die van beperkte fysieke kwaliteit zijn, maar desondanks inhoudelijk van groot belang, uit de beoordeling vallen. De systematiek van het waarderen van een vindplaats is beschreven in de BRL 4000, KNA LB bijlage IV. Bij een behoudenswaardige waardering kan een object of complex in principe in aanmerking komen voor de beschermde status van gemeentelijk archeologisch monument.
Criteria voor het aanwijzen van gemeentelijke monumenten
Bovengrondse monumenten
Als ‘object’ kunnen alle gebouwen, bouwwerken, straatmeubilair, parken, begraafplaatsen, waterwerken (waaronder bruggen en sluizen) en andere infrastructurele werken worden aangemerkt. Objecten met een sterke onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, maar ook groepen van (gelijke) gebouwen kunnen als ‘complex’ worden beschreven. Daarbij kan gedacht worden aan straatwanden, bebouwing aan pleinen, series (vrijwel) identieke woonhuizen, of woon-, industrie- en havengebieden alsook landschaps-, groen- en waterstructuren.
Stedenbouwkundige waarde (of ensemblewaarde)
Het object of complex is een essentieel onderdeel van een in cultuurhistorisch opzicht belangrijk stedenbouwkundig of land- schappelijk concept;
Het object of complex is een onderdeel van een historisch gegroeid stedelijk of landschappelijk gebied en speelt daarin een beeldbepalende rol;
Het object of complex is van belang vanwege de wijze van ver- kaveling, inrichting en voorzieningen;
Het object of complex heeft een bijzondere betekenis voor het aanzien van een streek, stad, dorp of wijk (oriëntatiepunt);
Het object of complex is van belang vanwege de bijzondere kwaliteit van de bebouwing en de (historisch) ruimtelijke relatie met groenvoorzieningen, wegen, wateren en/of bodemgesteldheid;
Het object/ complex is van belang in het werk van een bekend stedenbouwkundige of landschapsarchitect.
Architectuurhistorische waarde
Het object of complex is een goed voorbeeld van een bepaalde stijl of bouwtechniek;
Het object of complex is een goed voorbeeld van het oeuvre van een architect, ingenieur, bouwmeester of kunstenaar, en neemt een belangrijke plaats in binnen de plaatselijke, regionale of landelijke architectuurgeschiedenis;
Het object of complex heeft bijzondere esthetische kwaliteiten in ontwerp van exterieur en/of interieur (massa, ruimtelijke indeling, verhoudingen in de gevels, bijzondere of zeldzame detaillering, materiaal- en/of kleurgebruik);
Het object of complex heeft een bijzonder of zeldzaam interieur of bevat bijzondere en/of zeldzame onderdelen of monumentale kunst in het interieur;
Het object of complex, of onderdelen daarvan, heeft bijzondere bouwhistorische kwaliteiten;
Het object of complex is van belang vanwege een constructie- wijze die historisch is overgeleverd of vernieuwend is voor de tijd van ontstaan (pioniersfunctie).
Cultuurhistorische waarde
Het object of complex is van belang als bijzondere uitdrukking van een culturele, sociaal-economische, religieuze, technische of typologische ontwikkeling;
Het object of complex is van belang als bijzondere uitdrukking van een geografische, landschappelijke of bestuurlijke ontwikkeling;
Het object of complex is van belang vanwege een plaatselijk, regionaal of landelijk historisch gegeven (feiten, gebeurtenis- sen, bewoners, beroepen e.d.);
Het object of complex heeft een bijzondere herinneringswaarde.
Gaafheid (of herkenbaarheid)
Het object of complex is van belang vanwege de architectonische gaafheid van het exterieur en/of interieur;
Het object of complex is van belang als onderdeel van een groter geheel, waarvan de samenstellende delen (hoofd- en bij- gebouwen, hekwerken, tuinaanleg e.d.) een gaaf en herkenbaar karakter hebben;
Het object of complex is van belang als onderdeel van een stedelijke, dorpse of landschappelijke omgeving met een gave structuur en een herkenbaar visueel karakter.
Zeldzaamheid
Het object of complex is van belang vanwege zijn zeldzaamheid in stedenbouwkundig, architectuurhistorisch, bouwtechnisch, typologisch of functioneel opzicht en/of zijn bijzondere ouderdom;
Het object of complex is van uitzonderlijk belang vanwege één of meer van bovengenoemde kwaliteiten.
Archeologische monumenten
Alle archeologische vindplaatsen, zoals bijvoorbeeld woonhuizen, erven, infrastructurele werken of begraafplaatsen kunnen als archeologisch monument worden aangemerkt.
Belevingswaarde
Het object of complex is van belang als visuele representatie van het onzichtbare archeologische bodemarchief;
Het object of complex is van belang als onderdeel van een historisch gegroeid gebied of een specifieke stedelijke ontwikkeling;
Het object of complex is van belang om zijn verbondenheid met een plaatselijk, regionaal of landelijk historisch gegeven (feiten, gebeurtenissen, bewoners, beroepen e.d.) en speelt een rol bij het in herinnering brengen van het culturele erfgoed.
Fysieke kwaliteit
Het object of complex is van belang vanwege de gaafheid en samenhang van de grondsporen;
Het object of complex is van belang vanwege de mate van behoud van archeologische vondsten.
Inhoudelijke kwaliteit
Het object of complex is van belang vanwege zijn zeldzaamheid binnen de archeologische periode en archeologische regio;
Het object of complex is van belang als onderdeel van een stedelijke of landschappelijke context;
Het object of complex is van belang vanwege de bijdrage aan kennisvorming over het verleden.
|
|
Bijlage 4 - Kaart ligplaatsen historische schepen
|
(niet aanwezig)
|
Bijlage 4 Kaart ligplaatsen historische schepen
|
|
Bijlage 5 - Algemene uitvoeringsregels voor het aanleggen van kabels en leidingen
|
(niet aanwezig)
|
Bijlage 5 Algemene uitvoeringsregels voor het aanleggen van kabels en leidingen
- 1.
- 1.1
Begripsbepalingen
Voor de toepassing van deze algemene regels zijn de begripsbepalingen uit de Verordening Fysieke Leefomgeving van toepassing. In aanvulling daarop wordt in dit protocol verstaan onder:
- a.
Bijzondere verharding: waterdoorlatende, water passerende, sierbestrating of natuursteen;
- b.
Dagmaat: de vrije ruimte tussen de kabels en leidingen;
- c.
Dekking: de afstand van het maaiveld en de bovenkant van het net;
- d.
Gesloten verharding: asfalt, beton of openverharding met (cement) gebonden fundering;
- e.
Groenvoorzieningen: plantvakken, struiken, bermen en gazons;
- f.
Handholes: een ondergrondse behuizingsvoorziening die is geïnstalleerd om gemakkelijk toegang te verschaffen voor werkzaamheden aan kabels en leidingen
- g.
Open verharding: verhardingen van ongebonden elementen;
- h.
Openbaar elektronisch communicatienetwerk: netwerk als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet;
- i.
Small cell: een draadloos toegangspunt met klein bereik ten behoeve van draadloze connectiviteit;
- 2.
Procedurele voorschriften
- 2.1
Verandering in eigendom, exploitatie, beheer of gebruik
Wanneer sprake is van een verandering in eigendom, exploitatie, beheer of gebruik meldt de netbeheerder dit bij het college, waarbij in ieder geval de volgende gegevens worden aangeleverd:
- a.
- b.
het nummer van de over te dragen vergunning of het instemmingsbesluit;
- c.
het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van de kabel(s) of leiding(en) waarop de verandering betrekking heeft;
- d.
de beoogde datum van overdracht;
- e.
een omschrijving van de verandering in eigendom of exploitatie;
- f.
wanneer het om een verandering in de eigendom gaat: de naam en het adres van de nieuwe eigenaar;
- g.
contactpersoon van de nieuwe (vergunning)houder, eigenaar/ exploitant of beheerder van de kabel(s) of leiding(en).
- 2.2
Voorschouw
- 1.
Het college kan de netbeheerder verplichten om voorafgaande aan de werkzaamheden een rapport op te maken van de bestaande toestand van de openbare ruimte.
- 2.
De bestaande toestand wordt in beginsel door de netbeheerder opgenomen in een rapport, voorzien van omschrijvingen en beeldmateriaal.
- 3.
Het college kan besluiten om de bestaande situatie zelf op te nemen in een rapport.
- 4.
De rapportage als bedoeld in het vorige lid wordt door het college vastgesteld.
- 5.
Indien de verplichting als bedoeld in het eerste lid niet door de gemeente is opgelegd, kan de netbeheerder het college vragen om een voorschouw vast te stellen, waarbij de bestaande toestand van de openbare ruimte wordt vastgelegd.
- 2.3
Uitvoering
- 1.
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient een kopie van het instemmingsbesluit of de vergunning met alle bescheiden (digitaal of analoog) aanwezig te zijn op het werk.
- 2.
De netbeheerder voert zijn werkzaamheden uit in overeenstemming met het instemmingsbesluit dan wel de vergunning en het eventuele werkplan.
- 3.
De netbeheerder waarborgt de veiligheid op en rondom de werklocatie voor werknemers en de omgeving tijdens de uitvoering en buiten werktijden.
- 4.
Ontwerpen, bouwstoffen en uitvoeringsmethoden dienen aantoonbaar te voldoen aan alle geldende wetten, normen en richtlijnen.
- 5.
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden in, op of in de nabijheid van bomen of groenvoorzieningen moet rekening worden gehouden met het beleid als omschreven in de laatste versie van het Handboek Bomen en de Omgevingswet.
- 6.
Eventuele uitloop van de werkzaamheden te melden via het meldsysteem van de gemeente.
- 7.
Naast de voorschriften als bedoeld in het tweede lid dient de uitvoering te geschieden conform de meest recente versie van de volgende CROW-publicaties:
- a.
Schade voorkomen aan kabels en leidingen;
- b.
- c.
Combineren van onder- en bovengrondse infrastructuur met bomen;
- d.
Standaardmaatregelen op niet-autosnelwegen;
- e.
Standaard RAW-bepalingen.
- f.
Werken met stabiele grond.
- 2.4
Werktijden
- 1.
Werkzaamheden worden uitgevoerd op werkdagen tussen 07:00 en 18:00 uur.
- 2.
De werkzaamheden worden niet uitgevoerd tijdens officiële feestdagen, tenzij het een calamiteit betreft.
- 3.
Het college kan afwijkende werktijden voorschrijven in de omgevingsvergunning of instemmingsbesluit.
- 2.5
Verkeersvoorzieningen
- 1.
Verkeersvoorzieningen mogen maximaal 72 uur voor aanvang van de werkzaamheden, met de voor- of beeldzijde afgedraaid van het verkeer, worden aangebracht.
- 2.
Verkeersvoorzieningen mogen niet aan lichtmasten worden bevestigd en mogen het zicht op de overige bebording en eventuele camera’s niet ontnemen.
- 3.
Verkeersvoorzieningen dienen op de dag van en voor aanvang van de werkzaamheden met de voor- of beeldzijde naar het verkeer te worden geplaatst.
- 4.
Verkeersvoorzieningen die (tijdelijk) geen dienst (meer) doen dienen meteen verwijderd c.q. afgedraaid of afgedekt te worden tot het tijdstip dat deze weer nodig zijn.
- 5.
Indien er sprake is van een omleiding moet de vooraankondiging minimaal 5 werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden worden geplaatst.
- 2.6
Bereikbaarheid
- 1.
De netbeheerder dient de bereikbaarheid voor hulpdiensten tijdens zijn werkzaamheden doorlopend te waarborgen, waarbij de hulpdiensten de gebouwen en werken op tenminste 40 meter moeten kunnen benaderen. De minimale doorrijdbreedte bedraagt 3,5 meter en de doorrijdhoogte 4,5 meter.
- 2.
Brandkranen, aansluitingen voor droge blusleidingen dienen te allen tijde zichtbaar en bereikbaar te zijn.
- 3.
De netbeheerder waarborgt de bereikbaarheid van alle percelen, woningen, winkels, bedrijven en openbare gebouwen.
- 4.
Alle (nood)uitgangen dienen over de volle breedte toegankelijk gehouden te worden inclusief de te volgen vluchtweg met voldoende ruimte.
- 2.7
Bereikbaarheid voor personen met een functiebeperking
Voor personen met een functiebeperking dient ten minste een route tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector van een gebouw over een weg, pad of steiger te lopen met:
- a.
een breedte van minimaal 0,90 m, en
- b.
bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 0,02 m, een hellingbaan als bedoeld in paragraaf 3.2.4. Besluit bouwwerken leefomgeving;
- c.
een doorgang waardoor een hierboven bedoelde route voert heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en een vrije hoogte van ten minste 2 m.
- 2.8
Wortelwerend scherm
De obstakelvrije zone is de ruimte (boven- en ondergronds) rondom de boom die als uitgangspunt (binnen het bomenontwerp) vrij is van obstakels zodat de boom (ook in het beoogde eindbeeld) voldoende ‘vrije’ ontwikkelingsruimte heeft. Als er toch ondergrondse infra binnen de obstakelvrije zone van bomen worden aangelegd, dan bestaat er een reële kans dat er schade ontstaat aan de ondergrondse infra door wortelgroei. Om dit te voorkomen zullen er maatregelen moeten worden genomen om dat te voorkomen.
- 3.
- 3.1.
Herkenbaarheid
Zowel bovengrondse als ondergrondse voorzieningen moeten zijn voorzien van een kenmerk, waarop duidelijk te zien is wie de beheerder van de voorziening is.
- 3.2
Tracébepaling algemeen
- 1.
In het gehele beheergebied van de gemeente geldt bij plaatsbepaling van kabels en leidingen als uitgangspunt het standaardprofiel Meppel. De netbeheerder stemt zijn werkzaamheden af conform het gestelde in de NPR 7171-2.
- 2.
Bij het bepalen van een tracé dient te allen tijde rekening te worden gehouden met aanwezige objecten zoals langs liggende dan wel kruisende wegen, spoorwegen, waterlopen, voetpaden, kademuren, viaducten, tunnels, naastliggende kabels en leidingen, bomen, gebouwen.
- 3.3
Medegebruik van voorzieningen
- 1.
Een aanbieder is verplicht om bij de aanleg van telecomkabels in openbare gronden zoveel mogelijk medegebruik te maken van bestaande, hetzij door andere netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, of kabel- en leidingentunnels.
- 2.
Het eerste lid vindt geen toepassing indien de aanbieder aannemelijk kan maken dat medegebruik op technische of economische gronden niet haalbaar is.
- 3.
Indien het gekozen tracé niet kan worden uitgevoerd, is het aan de aanbieder om een alternatief tracé te kiezen. Ook kan het college een alternatief tracé aanwijzen.
- 4.
Kabels en leidingen ten behoeve van de werking van small cells worden in één mantelbuis dan wel gebundeld aangelegd.
- 3.4
Horizontale indeling
Bij de tracébepaling gelden ten aanzien van de horizontale indeling de volgende algemene uitgangspunten.
- a.
huisaansluitingen en tijdelijke aansluitingen worden zo veel mogelijk haaks op het net en haaks op de weg aangelegd;
- b.
bij het indelen van kabels of leidingen in de nabijheid van bomen moet rekening worden gehouden met het beleid als bedoeld in het Handboek Bomen, zie ook de voorschriften met betrekking tot wortelwerend scherm lid 14 van deze bijlage;
- c.
bij het kruisen van wegen en/of waterwegen worden kabels of leidingen haaks aangelegd;
- d.
bij bruggen en steigers een minimale afstand tussen de te leggen kabel of leiding van 5 meter gemeten vanaf de buitenzijde van de brug of steiger aan de zijde van de werkzaamheden;
- e.
er mogen geen kabels of leidingen aan of in een brug of steiger worden aangelegd.
- 3.5
Verticale indeling
Bij de tracébepaling gelden ten aanzien van de verticale indeling de volgende algemene uitgangspunten:
- a.
Er geldt een minimale dekking van 0,60m;
- b.
Vrijvervalleidingen hebben voorrang boven overige leidingen;
- c.
Leidingen worden in principe horizontaal gelegd, behoudens vrijverval leidingen;
- d.
Bij kruisingen van leidingen met andere leidingen in open ontgraving bedraagt de tussenruimte (verticale dagmaat) ten minste 0,10 m;
- e.
Bij sleufloze technieken is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De verticale dagmaat ten opzichte van de te kruisen leidingen bedraagt ten minste 0,50 m, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding(en) dient te worden gevoerd. Genoemde minimale verticale dagmaat dient aantoonbaar te worden gegarandeerd om schade aan de te kruisen leidingen te voorkomen en na uitvoering digitaal als revisie bij het college te worden aangeleverd (boorprofiel inclusief bestaande kabels en leidingen);
- f.
Watergangen die beheerd worden door de gemeente dienen op ten minste 1,00 m onder de vaste bodem te worden gekruist. Kabels of leidingen die een watergang kruisen, dienen te worden ommanteld dan wel op een gelijksoortige wijze van een beschermingsbuis te worden voorzien. Indien de watergang niet in het beheer is van de gemeente gelden de voorschriften van die beheerder.
- 3.6
Bovengrondse voorzieningen
- 1.
De locatie, het uiterlijk, de kleurstelling en de afmetingen van bovengrondse voorzieningen die verband houden met kabels en leidingen zoals transformator-, schakel- en verdeelstations, versterkers, etc., wordt vooraf afgestemd met het college.
- 2.
De netbeheerder is verantwoordelijk voor een goed beheer van de bovengrondse voorzieningen en dient op aanschrijven van het college bij beschadigingen, vervuiling en/of bekladding de bovengrondse voorzieningen binnen de door het college gestelde termijn te herstellen.
- 3.
Bovengrondse voorzieningen dan wel concentraties daarvan, dienen te worden omgeven of begrensd door een minimaal 40 cm brede verharding (tegel + band).
- 3.7
Handholes
- 1.
De locatie van handholes wordt vooraf afgestemd met het college.
- 2.
Handholes worden in beginsel niet geplaatst:
- a.
binnen de ruimte die gereserveerd is voor bestaande en toekomstige kabel- en leidingtracés;
- b.
- c.
binnen de (toekomstige)kroonprojectie van een boom;
- d.
binnen 3 meter uit het hart van een boom.
- 3.
Handholes die maximaal 2 x per jaar geopend worden, worden aangebracht met een minimale dekking van 0,40 m onder het maaiveld en afgedekt met straatzand.
- 4.
Handholes die meer dan 2 x per jaar geopend worden, worden voorzien van een geprofileerde putdekselconstructie conform verkeersklasse D400 NEN-EN 124. Na zetting dient de putdekselconstructie op dezelfde hoogte te liggen als het omringend maaiveld en/of (bovenkant) elementenverharding.
- 3.8
Small cells
- 1.
De locatie van small cells wordt vooraf afgestemd met het college.
- 2.
Het college kan omwille van stedenbouwkundige of planologische doelstellingen colocatie of gedeeld gebruik opleggen.
- 3.
Als uitgangspunt geldt dat voorzieningen ten behoeve van de werking van small cells zoals telecom- en/of elektriciteitskabels in één mantelbuis dan wel gebundeld worden aangelegd.
- 3.9
Uitnemen en terugplaatsen grond
- 1.
De graafwerkzaamheden moeten zo worden uitgevoerd dat beschadiging van in de grond aanwezige kabels en leidingen en overige objecten wordt voorkomen.
- 2.
De uitkomende grond moet zo worden opgeslagen dat bij het aanvullen van de sleuf de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel wordt hersteld.
- 3.
Bij het terugplaatsen van de grond dient de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel te worden hersteld. De sleuf hoeft niet verder verdicht te worden dan de naastliggende grond.
- 4.
De grond dient op zodanige wijze te zijn afgewerkt dat er na klink sprake is van een vlakke aansluiting op de ongeroerde grond.
- 5.
Veengrond dient te worden vervangen door zand en op kosten van de netbeheerder te worden afgevoerd.
- 6.
Bij wateroverlast mag er niet worden aangevuld.
- 7.
Bij bevroren grond en sneeuw mag niet worden gewerkt.
- 8.
Materiaal dat vrijkomt en niet kan worden hergebruikt, dient door de netbeheerder voor eigen rekening te worden afgevoerd naar een erkende gecertificeerde verwerker, afleverbonnen dienen digitaal binnen 5 werkdagen aan het college te worden gestuurd via het digitale meldsysteem.
- 3.10
Elementverharding
- 1.
Het opnemen en terugplaatsen van elementverharding dient zorgvuldig plaats te vinden, waarbij schade wordt voorkomen.
- 2.
De uitgenomen elementverharding dient altijd binnen de afzetting te worden opgeslagen.
- 3.
Herstel dient van dezelfde kwaliteit te zijn als de kwaliteit van de verharding voordat er gegraven werd.
- 4.
In die gevallen dat het niet mogelijk dan wel wenselijk is om het herstel van de elementverharding in dezelfde kwaliteit uit te voeren als de kwaliteit van de verharding voordat er gegraven werd, dient de uitvoering en de daarbij behorende kostenverdeling van het herstel voorafgaande aan de werkzaamheden in overleg met het college te zijn overeengekomen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat verharding met breuk niet teruggeplaatst mag worden en voor gelijkwaardig materiaal vervangen moet worden.
- 5.
Het aanbrengen of terugplaatsen van elementverharding in het centrum wordt uitgevoerd door een gecertificeerd SEB-erkend bedrijf conform de Beoordelingsrichtlijn BRL 9334 Straatwerk.
- 3.11
Gesloten verharding
- 1.
Werkzaamheden aan kabels en leidingen onder gesloten verharding worden uitgevoerd met behulp van een sleufloze techniek.
- 2.
Bij gebruik van een mantelbuis moet de mantelbuis minimaal 0,60 m buiten de fundering van de gesloten verharding uitsteken. De ruimten tussen de mantelbuis en kabel of leiding moeten aan de uiteinden volledig worden afgedicht volgens de daarvoor geldende normen.
- 3.
Wanneer een sleufloze techniek niet mogelijk is, kan het college besluiten dat de gesloten verharding gedeeltelijk verwijderd mag worden.
- 4.
Bij ingraving wordt, na verdichting van de sleuf en herstel van de funderingslaag de sleuf tijdelijk dicht geblokt met betonklinkers.
- 5.
De gesloten verharding zal door of in opdracht van de gemeente worden hersteld, de kosten voor herstel worden verrekend met de netbeheerder op basis van de werkelijk gemaakte kosten.
- 3.12
Bijzondere verharding
- 1.
Als uitgangspunt geldt dat leidingen niet worden gelegd onder bijzondere verharding.
- 2.
In die gevallen dat aanleg onder bijzondere verharding onvermijdelijk is, dient aanleg plaats te vinden in overleg met het college.
|
|
Bijlage 6 - Schaderegeling ingravingen
|
(niet aanwezig)
|
Bijlage 6 Schaderegeling ingravingen
Artikel 1 Uitgangspunten
1. De kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van de openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden door of namens een netbeheerder worden in rekening gebracht bij de netbeheerder.
2. Het college behoudt zich het recht voor om bij aantoonbare nalatigheid van de netbeheerder de daardoor ontstane financiële schade in rekening te brengen bij de netbeheerder.
Artikel 2 Uitvoering herstel en onderhoud
1. Het herstel en onderhoud gedurende de onderhoudstermijn van elementverharding wordt uitgevoerd door de netbeheerder.
2. Het tijdelijk herstel van gesloten verhardingen wordt uitgevoerd door de netbeheerder door middel van het dichtblokken van de sleuf. Het definitieve herstel en onderhoud van gesloten verhardingen wordt uitgevoerd door het college. Tot het moment dat de gesloten verharding definitief is hersteld wordt het onderhoud uitgevoerd door de netbeheerder.
3. Het tijdelijke en definitieve herstel en onderhoud van bijzondere verhardingen wordt uitgevoerd door/of in opdracht van de netbeheerder. De werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door een gecertificeerd SEB-erkend bedrijf conform de beoordelingsrichtlijn BRL 9334 Straatwerk.
4. Het herstel en onderhoud van groenvoorzieningen en bermen wordt uitgevoerd door de netbeheerder tenzij, op aangeven van het college, herstel en onderhoud uitgevoerd wordt door de gemeente of door in opdracht van een door de gemeente geselecteerde aannemer.
5. De onderhoudstermijn voor de werkzaamheden ten behoeve van herstel en onderhoud geldt gedurende een periode van twaalf maanden.
6. Bij onvolkomenheden na het herstel van de openbare ruimte door de netbeheerder als bedoeld in lid 1 en nadat het college de netbeheerder in staat heeft gesteld om binnen een redelijke termijn herstelwerkzaamheden uit te voeren, kan het college een derde opdracht geven over te gaan tot het uit voeren van het herstel, waarbij de kosten voor rekening van de netbeheerder komen.
Artikel 3 Tarieven
1. Voor elementverhardingen en bermen hanteert de gemeente voor alle netbeheerders de “Richtlijn tarieven (graaf-) werkzaamheden” van de VNG, die jaarlijks wordt geïndexeerd.
2. De kosten voor het herstel van gesloten verhardingen, halfverhardingen, bijzondere verhardingen of groenvoorzieningen worden per geval door de gemeente bepaald en in rekening gebracht bij de netbeheerder.
Artikel 4 Herstel overige schade
Schade aan gemeentelijke eigendommen (bijvoorbeeld straatmeubilair, openbare verlichting, groenvoorziening en verkeerslichten) wordt per geval bepaald en verhaald op de netbeheerder.
|