Verordening houdende bepalingen over de rechtspositie van raadsleden en burgerraadsleden Capelle aan den IJssel 2026 (Verordening rechtspositie raadsleden en burgerraadsleden Capelle aan den IJssel 2026)

De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel;

 

gelezen het voorstel van het presidium;

 

gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, en 96, eerste lid, van de Gemeentewet en de artikelen 3.1.1, 3.1.3, 3.1.4, 3.1.7, 3.1.9, 3.3.2, 3.3.3, 3.4.1, 3.4.3 en 3.4.4 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;

 

gezien het advies van de commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen van 22 juni 2026;

 

B E S L U I T :

 

de volgende verordening vast te stellen:

 

Verordening rechtspositie raadsleden en burgerraadsleden Capelle aan den IJssel 2026

 

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • -

    burgerraadslid: door de gemeenteraad benoemde burger, die bij de gemeenteraadsverkiezingen op de kieslijst van zijn partij heeft gestaan en die na zijn beëdiging op voordracht van betreffende fractie mag deelnemen aan vergaderingen van de commissies;

  • -

    commissie: commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de Gemeentewet;

  • -

    fractie: groep van een of meerdere raadsleden als bedoeld in artikel 8 van het Reglement van Orde gemeenteraad Capelle aan den IJssel 2026;

  • -

    Rechtspositiebesluit: Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers; en

  • -

    Regeling: Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers.

HOOFDSTUK 2. VERGOEDINGEN VOOR RAADSLEDEN

Artikel 2. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden

Een raadslid ontvangt een vergoeding voor de werkzaamheden conform artikel 3.1.1 van het Rechtspositiebesluit, ongeacht het aantal bijgewoonde vergaderingen.

Artikel 3. Verzekering raadsleden voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden

Een raadslid als bedoeld in artikel 3.1.9 van het Rechtspositiebesluit ontvangt eenmaal per jaar een bedrag conform dat artikel, waarmee het raadslid voorzieningen kan treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.

Artikel 4. Reis- en verblijfkostenvergoeding raadsleden

  • 1.

    Een raadslid ontvangt voor het reizen ten behoeve van het bijwonen van vergaderingen van de gemeenteraad en commissies een vaste maandelijkse vergoeding woon-werkverkeer. Deze vaste vergoeding wordt berekend op basis van het Handboek loonheffingen, waarbij wordt uitgegaan van twee reisdagen per week.

  • 2.

    Voor andere reizen binnen en buiten de gemeente gemaakt voor de uitoefening van de functie worden aan een raadslid de kosten op declaratiebasis vergoed conform artikel 3.1 van de Regeling.

HOOFDSTUK 3. VERGOEDINGEN VOOR BURGERRAADSLEDEN

Artikel 5. Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen

Een burgerraadslid ontvangt voor het bijwonen van een vergadering van een commissie een vergoeding conform artikel 3.4.1 van het Rechtspositiebesluit.

Artikel 6. Reis- en verblijfskostenvergoeding burgerraadsleden

  • 1.

    Een burgerraadslid ontvangt voor het reizen ten behoeve van het bijwonen van commissievergaderingen een vaste maandelijkse vergoeding woon-werkverkeer. Deze vaste vergoeding wordt berekend op basis van het Handboek loonheffingen, waarbij wordt uitgegaan van één reisdag per week.

  • 2.

    Voor andere reizen binnen en buiten de gemeente gemaakt voor de uitoefening van de functie worden aan een burgerraadslid de kosten op declaratiebasis vergoed conform artikel 3.1 van de Regeling.

HOOFDSTUK 4. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 7. Informatie- en communicatievoorzieningen raadsleden en burgerraadsleden

  • 1.

    Een raadslid of burgerraadslid tekent een bruikleenovereenkomst met de bedrijfsvoeringsorganisatie IJSSELgemeenten voor de informatie- en communicatievoorzieningen die conform artikel 3.3.2 van het Rechtpositiebesluit ter beschikking worden gesteld.

  • 2.

    Het raadslid of burgerraadslid levert na beëindiging van zijn functie de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de bedrijfsvoeringsorganisatie IJSSELgemeenten. Overname van de voorzieningen is niet mogelijk.

Artikel 8. Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raadsleden en burgerraadsleden

  • 1.

    Een raadslid of burgerraadslid dat een vergoeding wil ontvangen in verband met het deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor de uitvoering van zijn functie, zoals bedoeld in artikel 3.3.3 van het Rechtspositiebesluit, dient daarvoor vooraf een gemotiveerd verzoek in bij de griffier.

  • 2.

    Bij dit verzoek worden documenten met de benodigde inhoudelijke informatie meegestuurd. Ook wordt een kostenspecificatie meegestuurd, waaruit blijkt dat de prijs-kwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is, en dat de kosten ervan niet al op een andere basis kunnen worden betaald.

  • 3.

    De fracties ontvangen jaarlijks een financiële bijdrage als tegemoetkoming in de kosten als bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    De in het derde lid bedoelde jaarlijkse bijdrage bedraagt € 250 per raadszetel en € 250 per burgerraadslid.

  • 5.

    De in het derde lid bedoelde bijdrage bedraagt in een verkiezingsjaar € 190 per raadszetel en € 190 per burgerraadslid.

Artikel 9. Bevoorschotting bijdrage

  • 1.

    De bijdrage voor deelname aan scholing bedoeld in artikel 8, derde lid, wordt als voorschot per kalenderjaar verstrekt.

  • 2.

    Uitbetaling van de in art. 8, vierde lid, genoemde bijdrage vindt plaats vóór 31 januari van een kalenderjaar.

  • 3.

    Uitbetaling van de in art. 8, vijfde lid, genoemde bijdrage vindt plaats op of rond 1 april van het verkiezingsjaar.

  • 4.

    De fracties openen voor de toekenning van de bijdrage voor scholing deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia een aparte bank- of girorekening. Dit kan dezelfde bank- of girorekening zijn die is geopend voor de fractieondersteuning. Uitbetaling aan een natuurlijke persoon of landelijke fractie is niet mogelijk.

Artikel 10. Reserve

  • 1.

    De raad reserveert het in enig jaar niet gebruikte gedeelte van de bijdrage toekomend aan een fractie ter besteding door de fractie in de volgende jaren.

  • 2.

    De reserve is niet groter dan 30% van de bijdrage die de fractie in het voorgaande kalenderjaar toekwam ingevolge artikel 8, vierde of vijfde lid.

  • 3.

    De aanspraak in enig kalenderjaar op de opgebouwde reserve, komt tot uitdrukking in de verantwoording als bedoeld in artikel 11, eerste lid, over dat jaar.

  • 4.

    De reserve blijft na verkiezingen beschikbaar voor de fractie die onder dezelfde naam terugkeert, dan wel voor de fractie die naar het oordeel van de raad als rechtsopvolger daarvan kan worden beschouwd.

  • 5.

    Als bij zetelverlies de reserve voor een fractie hoger zou worden dan aangegeven in het tweede lid, vervalt het recht op dat meerdere.

  • 6.

    Bij splitsing van een fractie, wordt de reserve verdeeld over de betrokken fracties naar evenredigheid van het aantal bij de splitsing betrokken leden.

Artikel 11. Verantwoording

  • 1.

    Elke fractie legt, binnen drie maanden na het einde van het kalenderjaar, aan de raad verantwoording af over de besteding van de bijdrage voor scholing onder overlegging van een verslag, conform het daarvoor geldende model.

  • 2.

    Indien de verantwoording over het vorige kalenderjaar vóór de in het eerste lid genoemde termijn niet is ingediend, wordt de over het lopende kalenderjaar resterende vergoeding en eventueel volgende kalenderjaar vastgestelde vergoeding niet uitbetaald.

  • 3.

    De griffie toetst of de uitgaven in overeenstemming zijn met hetgeen in de verordening is vastgelegd als zijnde toegestaan en rapporteert over haar bevindingen aan de kascommissie. Deze commissie bestaat uit drie voor de gehele zittingsperiode van de raad door de raad benoemde leden of burgerraadsleden. Dit zijn dezelfde leden als die welke de kascommissie vormen in het kader van verantwoording over de besteding van de financiële bijdrage fractieondersteuning, als bedoeld in artikel 12, lid 3 van de Verordening op de ambtelijke bijstand en de fractieondersteuning gemeente Capelle aan den IJssel 2026.

  • 4.

    De kascommissie toetst de bevindingen van de griffie en rapporteert, in de vorm van een conceptraadsvoorstel en -besluit, aan de commissie tot welke het aandachtsgebied Algemene Beleidscoördinatie behoort. Deze commissie brengt advies uit aan de raad.

  • 5.

    De raad stelt na ontvangst van het advies de bedragen vast van de:

    • a.

      uitgaven van een fractie die in het vorige kalenderjaar uit de bijdragen bekostigd zijn;

    • b.

      wijziging van de reserve;

    • c.

      resterende reserve; en

    • d.

      verrekening tussen de in onderdeel a genoemde uitgaven en het ontvangen voorschot en, voor zover nodig, de hoogte van de terugvordering van ontvangen voorschotten vanwege aanvragen die niet overeenkomstig de bepalingen in deze verordening zijn ingediend.

HOOFDSTUK 5. DECLARATIE EN BETALING

Artikel 12. Declaratie van vooruitbetaalde kosten

  • 1.

    Een raadslid of burgerraadslid declareert kosten die uit eigen middelen vooruit zijn betaald met behulp van een declaratieformulier.

  • 2.

    Het declaratieformulier en de bijbehorende bewijsstukken worden binnen twee maanden na factuurdatum of betaling ingediend via de griffier.

Artikel 13. Betaling vaste vergoedingen burgerraadsleden

De betaling van de vergoedingen van burgerraadsleden, bedoeld in de artikelen 5 en 6, eerste lid, vindt twee keer per jaar plaats.

Artikel 14. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel

  • 1.

    Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

  • 2.

    Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.

HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN

Artikel 15. Intrekking oude verordening

De Verordening rechtspositie raadsleden en commissieleden 2024 wordt ingetrokken.

Artikel 16. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van bekendmaking en werkt terug tot 1 april 2026.

Artikel 17. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raadsleden en burgerraadsleden Capelle aan den IJssel 2026.

Vastgesteld in de openbare vergadering van 13 juli 2026,

De griffier,

drs. T.A. de Mik

de voorzitter,

drs. J.J. Manusama

Toelichting Verordening rechtspositie raadsleden en burgerraadsleden Capelle aan den IJssel 2026

 

ALGEMEEN

 

Deze verordening bevat regels over de rechtspositie van raadsleden en burgerraadsleden. De artikelen 95 en 96 van de Gemeentewet bieden hiervoor de grondslag.

 

Het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers (hierna: Rechtspositiebesluit) en de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers (hierna: Regeling) geven nadere regels. Veel van die regels zijn imperatief. Dit betekent dat de gemeente geen of weinig ruimte heeft om van die regels af te wijken. De reden hiervoor is het voorkomen van politieke discussies over vergoedingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers. Voor een compleet beeld van de rechtspositie van de raadsleden en burgerraadsleden moet deze verordening samen met het Rechtspositiebesluit en de Regeling worden geraadpleegd.

 

Deze verordening bevat dynamische verwijzingen naar de bedragen in het Rechtspositiebesluit. Als een bedrag wordt geïndexeerd, hoeft de verordening niet te worden aangepast.

 

ARBEIDSVERHOUDINGEN EN FISCALE POSITIE

 

Raadsleden en burgerraadsleden zijn niet in dienst van de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen raadsleden en burgerraadsleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964, maar worden hun inkomsten belast via de Wet inkomstenbelasting 2001.

 

Raadsleden kunnen wel kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. De salarisadministratie van de gemeente is zodanig ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. De gemeente houdt dan loonbelasting als voorheffing in en draagt deze af aan de Belastingdienst. Dit voorkomt later verrassingen bij de aangifte inkomstenbelastingen. Verder kunnen onkostenvergoedingen netto worden uitgekeerd. Het raadslid hoeft in dat geval geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden afgetrokken.

 

Als de raadsleden en de gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, ziet de Belastingdienst de raadsvergoedingen en de onkostenvergoedingen als inkomsten uit overige werkzaamheden. De vergoedingen worden dan bruto uitbetaald. Het raadslid moet zelf inkomstenbelasting hierover afdragen. Eventuele onkosten gemaakt voor de uitoefening van het raadslidmaatschap kunnen in mindering worden gebracht. Het raadslid moet een administratie bijhouden van de inkomsten en (on)kosten voortvloeiende uit het raadslidmaatschap.

 

De gemeente moet jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raadsleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst doorgeven via een formulier IB-47. Dit geldt ook voor de vergoedingen aan de burgerraadsleden.

 

De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is niet van toepassing op raadsleden en burgerraadsleden.

 

ARTIKELSGEWIJS

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

 

In het Rechtspositiebesluit en de Regeling wordt het begrip commissielid gehanteerd. Dit is een lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, dat niet tevens raadslid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd. Een door de raad van de gemeente Capelle aan den IJssel benoemd burgerraadslid functioneert als commissielid in de hierboven vermelde zin. Vandaar dat in deze verordening het begrip burgerraadslid wordt gebruikt.

 

Artikel 2. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden

 

Raadsleden krijgen een vaste vergoeding. Hoeveel dat is, hangt af van het aantal inwoners van de gemeente (de inwonersklasse). Vanaf de dag van beëdiging hebben de raadsleden recht op de vergoedingen die bij hun functie horen. Wat betreft de vergoeding voor de werkzaamheden is dit dwingend geregeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit. Hiervan mag de gemeente niet afwijken. Het bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd.

 

De gemeenteraad kan op basis van artikel 3.1.1, zesde lid, bij verordening bepalen dat een deel van de vergoeding wordt uitbetaald als presentiegeld. Dit kan maximaal 20% van de vergoeding zijn. Daarbij mag geen onderscheid worden gemaakt tussen de raadsleden: een presentievergoeding geldt dan voor alle raadsleden. Deze bepaling kan bijvoorbeeld worden gebruikt bij spookleden. Spookleden zijn volksvertegenwoordigers die wel zijn gekozen, maar die niet of nauwelijks aanwezig zijn bij de vergaderingen of activiteiten van de desbetreffende gemeenteraad. In het verleden heeft de raad van Capelle aan den IJssel ervoor gekozen geen gebruik te maken van de mogelijkheid te bepalen dat een deel van de vergoeding wordt uitbetaald als presentiegeld. Een raadslid heeft dus recht op de vergoeding, ongeacht het aantal bijgewoonde vergaderingen.

 

Het raadslid kan de vergoeding niet weigeren en de gemeente is verplicht de raadsvergoeding over te maken naar de bankrekening van het raadslid. Het raadslid mag ervoor kiezen om (een deel) van de raadsvergoeding aan de eigen politieke groepering te geven, maar dit is niet verplicht. Het is ook niet toegestaan om af te spreken dat de vergoeding direct aan de politieke groepering wordt uitbetaald (bijvoorbeeld met een akte van cessie). De reden hiervoor is dat het raadslid een onafhankelijke positie heeft en niet financieel afhankelijk mag zijn van de politieke groepering. Verwezen wordt naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 30 maart 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:880).

 

Artikel 3. Verzekering raadsleden voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden

 

Raadsleden zijn vaak een significant deel van de werkweek voor de gemeenteraad bezig en kunnen hierdoor mogelijk in hun hoofdfunctie minder pensioen opbouwen. Raadsleden hebben bovendien niet allemaal een hoofdfunctie in loondienst. Raadsleden ontvangen om die reden een bedrag per jaar ter hoogte van één maandbedrag van hun vergoeding voor de werkzaamheden, waarmee zij voorzieningen kunnen treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. De betreffende vergoeding is dwingend geregeld in artikel 3.1.9 van het Rechtspositiebesluit. Hiervan kan niet worden afgeweken. Wel heeft de gemeente de keuze om het bedrag in zijn geheel of in maandelijkse termijnen uit te betalen. De vergoeding wordt jaarlijks in één keer uitbetaald in december.

 

Artikel 4. Reis- en verblijfkostenvergoeding raadsleden

 

In artikel 3.1.7 van het Rechtspositiebesluit is geregeld dat raadsleden recht hebben op vergoeding van reiskosten die zij maken om de vergaderingen van de gemeenteraad en de commissies bij te wonen (‘woon-werkverkeer’) en van de reis en- verblijfkosten voor andere reizen die zij als raadslid maken (‘dienstreizen’) binnen en buiten de gemeente. Op grond van artikel 3.1 van de Regeling bedraagt de vergoeding bij gebruik van een eigen vervoermiddel het maximumbedrag dat door een werkgever aan een werknemer per afgelegde kilometer onbelast kan worden verstrekt (in 2026 is dat € 0,23).

 

In Capelle aan den IJssel is gekozen voor een reiskostenvergoeding voor ‘woon-werkverkeer’, op basis van de afstand van de woning tot het gemeentehuis. Hierdoor hoeven deze kosten niet op declaratiebasis te worden vergoed. De vergoeding wordt berekend volgens de methode uit het Handboek loonheffingen, waarbij wordt uitgegaan van twee reisdagen per week. De hoogte van de vergoeding wordt als volgt berekend: 85,6 dagen (2/5 x 214) x …. aantal kilometers x het maximumbedrag dat door een werkgever aan een werknemer per afgelegde kilometer onbelast kan worden verstrekt = €……. vergoeding op jaarbasis. Voor de vaste vergoeding per maand wordt de uitkomst gedeeld door 12.

 

Voor ‘dienstreizen’ geldt wel dat raadsleden een declaratie moeten indienen.

 

Artikel 5. Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen

 

Burgerraadsleden ontvangen een vaste vergoeding per bijgewoonde vergadering van een commissie, die is ingesteld op basis van artikel 82, 83 en 84 van de Gemeentewet. In het Rechtspositiebesluit is de hoogte van de vergoeding verplicht vastgesteld op een vast bedrag per inwonersklasse. Het is voor een gemeente niet mogelijk daarvan af te wijken. Het bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd.

 

In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld als er bijzondere deskundigheid nodig is of als het werk in de commissie zwaarder is, kan een hoger bedrag per vergadering worden toegekend dan is bepaald in het Rechtspositiebesluit. Het kan bijvoorbeeld gaan om een raadscommissie met een bijzondere opdracht, waardoor het werk voor één of meerdere burgerraadsleden meer tijd of inzet kost. De raad van Capelle heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een hogere vergoeding vast te stellen.

 

Artikel 6. Reis- en verblijfskostenvergoeding burgerraadsleden

 

In artikel 3.4.3 van het Rechtspositiebesluit is geregeld dat commissieleden (die in deze gemeente burgerraadsleden worden genoemd) recht hebben op een vergoeding van reiskosten die zij maken om de vergaderingen van de commissies bij te wonen (‘woon-werkverkeer’) en voor de reis en- verblijfkosten voor andere reizen die zij als commissielid maken (‘dienstreizen’) binnen en buiten de gemeente.

 

Net als bij de raadsleden (zie artikel 4) is gekozen voor een vaste reiskostenvergoeding voor ‘woon-werkverkeer’, op basis van de afstand van de woning tot het gemeentehuis. Hierdoor hoeven deze kosten niet op declaratiebasis te worden vergoed. De vergoeding wordt berekend volgens de methode uit het Handboek loonheffingen. Waar bij de raadsleden wordt uitgegaan van woon-werkverkeer gedurende twee reisdagen per week, is bij de burgerraadsleden gekozen voor één dag per week. De hoogte van de vergoeding wordt als volgt berekend: 42,8 dagen (1/5 x 214) x …. aantal kilometers x het maximumbedrag dat door een werkgever aan een werknemer per afgelegde kilometer onbelast kan worden verstrekt = €……. vergoeding op jaarbasis. Voor de vaste vergoeding per maand wordt de uitkomst gedeeld door 12.

 

Voor ‘dienstreizen’ geldt wel dat een declaratie moet worden ingediend.

 

Artikel 7. Informatie- en communicatievoorzieningen raadsleden en burgerraadsleden

 

Aan raadsleden worden ten laste van de gemeente voor de duur van de uitoefening van hun functie informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking gesteld. Ook burgerraadsleden kunnen hier aanspraak op maken. Dit is geregeld in de artikelen 3.3.2 en 3.4.4 van het Rechtspositiebesluit. In Capelle aan den IJssel is gekozen voor het verstrekken van een laptop of een tablet (inclusief de benodigde applicaties). Hiervoor sluiten raadsleden en burgerraadsleden een bruikleenovereenkomst met de bedrijfsvoeringsorganisatie IJSSELgemeenten, die de ICT voor de gemeente verzorgt.

 

Artikel 8. Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raadsleden en burgerraadsleden

 

Artikel 3.3.3, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit geeft aan de raad de mogelijkheid om nadere regels te stellen over de scholing van raadsleden. Op grond van artikel 3.4.4 geldt dit ook voor de scholing van burgerraadsleden.

 

Raadsleden en burgerraadsleden kunnen in aanmerking komen voor vergoeding van kosten voor scholing die niet-partijpolitiek is, zoals deelname aan congressen en opleidingen. Scholing die wel partijpolitiek is, wordt niet door de gemeente vergoed. Of scholing partijpolitiek is, hangt af van de inhoud van die scholing. Dat betekent dat wanneer scholing wordt verzorgd door een politieke partij dit dus niet automatisch partijpolitieke scholing is.

 

Om in aanmerking te komen voor vergoeding van scholingskosten, moet gemotiveerd worden dat het gaat om scholing die nodig is voor het werk als (burger)raadslid. Scholing is nodig voor het werk als het bedoeld is om vakkennis en vaardigheden te leren of bij te houden die men voor de functie nodig heeft. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als het helemaal of voor een deel het doel heeft om diegene op te leiden in de ideeën en standpunten van die partij.

 

Overigens kan de gemeente ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen. De kosten daarvan worden in dat geval ook door de gemeente betaald.

 

In het Rechtspositiebesluit is bepaald dat prijs en kwaliteit van de scholing in verhouding tot elkaar moeten staan. Zo blijven de kosten redelijk. Daarnaast mogen de kosten niet al op een andere manier worden vergoed. Verder is in artikel 3.3.3, derde lid, van het Rechtspositiebesluit een koppeling gemaakt met artikelen 3.1.7 en 3.2.9. De gemeente betaalt de reiskosten die nodig zijn voor de scholing.

 

Artikel 12. Declaratie van vooruitbetaalde kosten

 

Het Rechtspositiebesluit en de Regeling regelen wanneer de vergoedingen en onkosten betaald worden aan raads- en commissieleden. De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen en later worden gedeclareerd. Dit artikel regelt dat daarvoor een formulier moet worden gebruikt. Raadsleden en burgerraadsleden declareren in beginsel hun onkosten via de griffier.

 

Verder is artikel 1.2 van de Regeling relevant. Hierin is bepaald dat als werkelijk gemaakte kosten worden vergoed, bij het declareren van die kosten bewijsstukken moeten worden overgelegd.

 

Artikel 14. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel

 

In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 van de Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit en deze verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt.

 

Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte - tot 1,2% fiscale loonsom - onderbrengen zonder fiscale consequenties. Als de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen.

Naar boven