Gemeenteblad van 's-Gravenhage
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| 's-Gravenhage | Gemeenteblad 2026, 35622 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| 's-Gravenhage | Gemeenteblad 2026, 35622 | beleidsregel |
Nota omgevingskwaliteit Den Haag 2025
de raad van de gemeente Den Haag,
gezien het voorstel van het college van 2 december 2025,
Naar een nieuw kwaliteitsbeleid voor Den Haag
In januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Den Haag heeft de Verordening adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed Den Haag 2024 vastgesteld en de leden van de Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed benoemd.
Deze Nota omgevingskwaliteit Den Haag is de eerste stap in het proces om tot een nieuw Haags kwaliteitsbeleid te komen. Dit beleid moet vastleggen wat in Den Haag wordt verstaan onder een goede omgevingskwaliteit. De basis hiervoor is de Omgevingswet en de Haagse omgevingsvisie. Als eerste stap is deze nota een doorwerking van de Welstandsnota Den Haag 2017: het ontwerpkader voor het uiterlijk van bouwwerken in Den Haag en het toetsingskader voor de Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed. Na deze eerste stap wordt verder gewerkt aan de nota op basis van de omgevingsvisie en de uitwerking van het zogenaamde kwaliteitsstelsel tot een Nota omgevingskwaliteit 2.0.
Deze Nota omgevingskwaliteit 1.0 is een actualisering, een aanpassing, een aanvulling en een beperkte uitbreiding van de kaders.
De uitkomsten van de evaluatie van de Welstandsnota in 2023 vormen het startpunt. Aanbevelingen in de evaluatie waren onder meer het toevoegen van thematisch beleid voor bijvoorbeeld duurzaamheidsmaatregelen en extra bouwlagen, het duiden van de te beschermen waarden van de beschermde stadsgezichten en het herformuleren van de kaders van “wat mag ik niet” naar “hoe doe ik het goed”.
Deze aanbevelingen zijn bijvoorbeeld vertaald in handvatten voor het optimaal inpassen van zonnepanelen en warmtepompen en uitgangspunten per beschermd stadsgezicht hoe om te gaan met de cultuurhistorische waarden.
Daarnaast sluit de Nota omgevingskwaliteit aan op de intenties en de verplichtingen van de Omgevingswet. Hierin komt de term welstand niet meer voor. Wel wordt gesproken over “het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit” en de verplichting om beleidsregels voor “het uiterlijk van bouwwerken” op te stellen. Daarnaast beoogt de wet een verschuiving van een “nee, tenzij”- naar een ”ja, mits”-houding en een meer integrale benadering van kwaliteitszorg. Het doel is beleid waarmee in een vroeg stadium van planvorming gestuurd kan worden op integrale kwaliteitsdoelen, in plaats van alleen achteraf toetsen aan een Welstandsnota. Van eenzijdig toetsen op harde normen naar vooraf voeren van gesprekken om samen waarden te herkennen en te erkennen, waarmee tegemoetgekomen wordt aan het doel participatie te bevorderen. Dit vraagt meer dan een nieuwe Welstandsnota. Dit vereist de ontwikkeling van een nieuw samenhangend kwaliteitsstelsel en een integraal en transparant (advies)proces. Dit is een transitie die niet van de ene op andere dag gereed is.
De nota 1.0 is hierop voorbereid. De nota introduceert naast de beleidsregels voor het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken een integrale kwaliteitsambitie in de vorm van principes die in de komende jaren verfijnd en ingevuld kunnen worden, mede op basis van de Haagse omgevingsvisie. Ook sorteert de nota voor op de ontwikkeling van het Haagse kwaliteitsstelsel, waarover eind 2023 een advies is gegeven.
De structuur van de nieuwe nota maakt aanpassingen en aanvullingen mogelijk. Het is een vast kader met een dynamische inhoud. De nota kan uitgebreid worden met deeluitwerkingen en zo ontstaat geleidelijk een integrale nota met uitgangspunten, kaders en richtlijnen voor meerdere aspecten. Bijvoorbeeld voor verdere integratie van cultureel erfgoed, verduurzaming, openbare ruimte, woonkwaliteit, circulariteit, klimaatadaptatie en andere thema’s die betrekking hebben op een goede omgevingskwaliteit.
Voor grotere gebiedsontwikkelingen of bijzondere plekken en gebouwen blijven beeldkwaliteitsplannen mogelijk. De nota legt de verbinding met vastgestelde en nieuwe beeldkwaliteitsplannen en beschrijft hoe de twee kwaliteitsinstrumenten in samenhang te gebruiken.
Hoofdstuk 9 definieert wat in Den Haag wordt verstaan onder de gebruikte begrippen en woorden.
Omgevingskwaliteit is meer dan puur de uiterlijke kenmerken van bouwwerken. Bouwwerken bevinden zich in een context en die context is de stad Den Haag en heeft cultuurhistorische betekenis. Ook heeft de gemeente Den Haag hoge ambities op het gebied van verduurzaming van de bestaande stad en duurzame nieuwbouw. En verduurzamen is meer dan isolatie en energie-opwekkende installaties toevoegen. Hoogwaardig en circulair materiaalgebruik en klimaatadaptatie horen hier ook bij.
De grote verschuiving van de Welstandsnota naar de Nota omgevingskwaliteit 1.0 betreft de duiding van de integrale omgevingskwaliteit en wat dat betekent voor de plaatsing en het uiterlijk van bouwwerken. Iedere ingreep in de stad zou de Haagse omgevingskwaliteit moeten verbeteren.
1.1. Wat is omgevingskwaliteit?
Met omgevingskwaliteit wordt een reeks factoren bedoeld, die de kwaliteit van de leefomgeving bepaalt. Omgevingskwaliteit kan op verschillende niveaus worden bekeken: van de grootste stedenbouwkundige schaal (de structuur van de stad), via de wijken en buurten naar de invulling van een straat, tot de kleinste architectonische schaal (de materialen van een gevel of de routing binnen een gebouw). Bij omgevingskwaliteit wordt ook gekeken naar de identiteit en eigenheid van een gebied, bijvoorbeeld dichtheden, functiemix, bereikbaarheid, sociaalmaatschappelijke aspecten en duurzaamheidsaspecten.
1.3. Positionering van de nota
De Nota omgevingskwaliteit bundelt de uitgangspunten waarmee een goede omgevingskwaliteit kan worden bereikt en in stand gehouden, gebaseerd en toegespitst op de Haagse kwaliteiten en opgaven. De nota en het gebruik van de nota door de Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed als toetsingskader zijn onderdelen van het bredere kwaliteitsstelsel.
In de Nota omgevingskwaliteit 1.0 is omgevingskwaliteit beperkt tot de uitgangspunten voor de plaatsing en het uiterlijk van bouwwerken. De nota wordt vastgesteld door de gemeenteraad als beleidsregel gerelateerd aan een open norm in het Omgevingsplan.
Van een beleidsregel kan onderbouwd worden afgeweken.
De Nota omgevingskwaliteit wordt wanneer nodig deels aangepast en aangevuld, bijvoorbeeld op basis van de Haagse omgevingsvisie en de ontwikkeling van het Haagse kwaliteitsstelsel. Aanpassingen en aanvullingen worden na participatie door de gemeenteraad vastgesteld. Zes jaar na de eerste vaststelling wordt de gehele nota geëvalueerd.
De nota is bedoeld als inzicht en inspiratie vooraf voor iedereen die betrokken is bij een ingreep die invloed heeft op de Haagse omgevingskwaliteit: de initiatiefnemer, de ontwerper, belanghebbenden, belangstellenden, het gemeentebestuur, verschillende beleidsterreinen binnen de gemeente en de Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed.
2.2. Relatie met andere beleidsvelden
Voor het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit is meer nodig dan een Nota omgevingskwaliteit. De nota is een onderdeel van het bredere kwaliteitsstelsel en wordt gehanteerd in een juridisch stelsel van vergunningen en toezicht, inclusief handhaving.
In de Nota omgevingskwaliteit 1.0 staan de uitgangspunten voor de plaatsing en het uiterlijk van bouwwerken. Andere onderdelen van het kwaliteitsstelsel – bijvoorbeeld stedenbouwkundig beleid in het Omgevingsplan of de hoogbouwnota, of beleid met betrekking tot beschermde monumenten – of het vergunningstelsel worden elders, in andere wet- en regelgeving toegelicht en geregeld. Voor een integrale goede omgevingskwaliteit is het belangrijk alle relevante kaders in samenhang als uitgangspunt te nemen, toe te passen en te toetsen.
Omgevingskwaliteit is gerelateerd aan de context. De Nota omgevingskwaliteit beschrijft wat de Haagse omgevingskwaliteit is, wat in Den Haag wordt verstaan onder een goede omgevingskwaliteit en hoe iedere aanpassing en toevoeging aan de stad moet bijdragen aan deze omgevingskwaliteit.
3.1. De kernkwaliteiten van Den Haag
De basis van een goede omgevingskwaliteit zijn de gewaardeerde (kern)kwaliteiten van de stad. Wat maakt Den Haag Den Haag? Welke kwaliteiten in de bestaande stad moeten gerespecteerd worden en kunnen worden ingezet om de opgaven van de stad, bijvoorbeeld verduurzaming en verdichting en de daarmee samenhangende transformatie, Haags op te lossen?
De kernkwaliteiten van Den Haag zijn:
3.2. Haagse kwaliteitsprincipes
De kwaliteitsprincipes zijn een statement hoe om te gaan met de kwaliteiten van Den Haag. Zij zijn geen concrete uitgangspunten of ontwerpoplossingen, maar de basis van voortbouwen op die kwaliteiten. Door te behouden en toe te voegen. De principes gaan verder dan de 1.0 versie van de nota. Zij zijn ook de basis voor de verdere verfijning en invulling van de Nota omgevingskwaliteit.
Gelaagdheid en proportionaliteit
Den Haag verandert voortdurend. De gelaagdheid van het landschap, het ensemble van stedelijke structuren, de architectonische tijdlagen en de functionele dynamiek zijn onderdeel van het verhaal van de stad. De schaal van een ingreep en de mate van gelaagdheid van de omgeving (homogeen of juist heterogeen) bepalen hoe om te gaan met de kwaliteiten in de stad. Iedere ingreep moet proportioneel zijn. Voortbouwen op de kwaliteiten van Den Haag betekent de ene keer behoud, de andere keer bijsturen of er zijn mogelijkheden om kwaliteit toe te voegen.
Bevestigen en versterken van aanwezige kwaliteiten
Iedere ingreep moet passen in zijn omgeving door de aanwezige kwaliteiten te behouden. Of die kwaliteiten verbeteren door ze te versterken. Uitgangspunt is dat iedere ingreep een positieve bijdrage levert aan de omgeving. Aan de kwaliteit van een ingreep worden hogere eisen gesteld naarmate de ingreep zich sterker onderscheidt van zijn omgeving.
Iedere ingreep dient meerdere belangen. Voortbouwen op de kwaliteiten van Den Haag is daarom een collectieve opgave met als gezamenlijk doel een aantrekkelijke woon- en werkstad. Iedere ingreep draagt bij aan een hoogwaardig, duurzaam, gezond, veilig en economisch vitaal Den Haag.
Een goed ontwerp maakt iedere ingreep in de stad een passende ingreep. Goed opdrachtgeverschap is daarbij belangrijk. Wat is nodig om voort te bouwen op de kwaliteiten van de stad? Daarbij horen een analyse van de omgeving, een daarmee communicerende definitie van de ontwerpopgave en een goede omschrijving van de ingreep. Afhankelijk van de schaal van de ingreep dragen ook ontwerpend onderzoek en een passende architectenkeuze in gezamenlijk overleg bij.
Hergebruik als onderzoeks- en ontwerpopgave
Hergebruik van (delen van) bestaande gebouwen door behoud, transformatie en toevoeging is een vorm van voortbouwen op de kwaliteiten van Den Haag. Als – op basis van goed onderzoek – hergebruik mogelijk is en met een goed transformatieontwerp kunnen bestaande kwaliteiten worden versterkt een nieuwe betekenis. Aan de gelaagdheid van Den Haag worden nieuwe lagen toegevoegd en gebruikte materialen krijgen een nieuwe bestemming.
Duurzaamheid als ontwerpopgave
Iedere ingreep draagt positief bij aan de energietransitie en klimaatadaptatie en integreert de opgaven van circulariteit, natuurinclusiviteit en biodiversiteit. Duurzaamheid is altijd een vanzelfsprekend onderdeel van een ontwerp: door hergebruik van bestaande kwaliteiten, het toepassen van hoogwaardige en hoogwaardig verouderende materialen, door toevoegen van natuurlijke meerwaarde, door goede mogelijkheden voor flexibel gebruik en door goede mogelijkheden voor transformatie.
Ontwerp op ooghoogte en op grotere hoogte
Binnen één ontwerp zijn verschillende schaalniveaus belangrijk. Een ingreep op ooghoogte is bepalend voor het straatbeeld, voor de korte afstand. Een ingreep op grotere hoogte doet mee in het stadsbeeld. En een ingreep op grote hoogte bepaalt de contour van Den Haag. Dit vraagt specifieke oplossingen voor alle schaalniveaus.
De overgang van buiten naar binnen en van openbaar naar privé als ontwerpopgave
De kwaliteit van Den Haag is een samenspel van groen en water, straten, (privé)tuinen en de schaal, de gevels en het dakenlandschap van gebouwen. Zij maken het stadsbeeld. Iedere ingreep is ingepast in zijn omgeving door alle overgangen tussen de verschillende onderdelen van het stadsbeeld vorm te geven.
Opvallende en minder opvallende gebouwen zoals Haagse portieken, hoogwaardige (voormalige) kantoorgebouwen, woonhotels en hofjes zijn bepalend voor de kwaliteit van Den Haag. Voor deze gebouwen is voortbouwen op het bestaande door behoud en transformatie het uitgangspunt. Daarnaast kunnen deze gebouwen inspireren oplossingen voor de opgaven van de stad te vinden.
Met contextuele argumenten kan worden afgeweken van de Nota omgevingskwaliteit (zie hoofdstuk 1.3 onder Juridisch) en ontstaan mogelijkheden om met nieuwe oplossingen voort te bouwen op de bestaande kwaliteiten van de stad. Daarbij worden hogere eisen gesteld aan de oplossing naarmate deze zich sterker onderscheidt van aanwezige kwaliteiten.
3.3. Generieke en specifieke benadering
In deze nota is generiek en specifiek beleid opgenomen. Generiek beleid geldt in de hele stad. Daarnaast kan voor een bepaald gebouw/ensemble of in een bepaald gebied aanvullend en meer specifiek, strenger of opener beleid gelden. In de nota 1.0 is specifiek beleid opgenomen voor als monument aangewezen en beschermde gebouwen/ensembles en voor de beschermde stadsgezichten. In de nota 2.0 kan specifiek beleid voor nieuwe categorieën worden opgenomen. Bijvoorbeeld voor aangewezen en karakteristieke beeldbepalende bouwwerken, voor grootschalige transformaties, voor andere gebiedsindelingen zoals ontwikkelgebieden en lange lijnen – de dragers van de structuur van Den Haag – of voor archeologisch belangrijke locaties en beschermde natuurgebieden.
3.4. (Her)ontwikkelingen en transformaties
Voor (her)ontwikkelingen en grootschalige transformaties zijn en worden beeldkwaliteitsplannen of vergelijkbare documenten vastgesteld, die sturen op de plaatsing en het uiterlijk van bouwwerken. Beeldkwaliteitsplannen gaan veelal integraal in op een gebieds- of een gebouwontwikkeling, inclusief andere onderdelen van het kwaliteitsstelsel, die invloed hebben op de Haagse omgevingskwaliteit.
De voor de plaatsing en het uiterlijk van een bouwwerk relevante delen van een vastgesteld beeldkwaliteitsplan vormen samen met de Nota omgevingskwaliteit de uitgangspunten voor de betreffende ontwikkeling.
Hoofdstuk 9 definieert wat in Den Haag wordt verstaan onder de gebruikte begrippen en woorden.
4. Uitgangspunten voor plaatsing en uiterlijk
De Nota omgevingskwaliteit Den Haag bundelt de uitgangspunten waarmee een goede omgevingskwaliteit bereikt en in stand gehouden kan worden. In de Nota omgevingskwaliteit 1.0 staan de uitgangspunten voor de plaatsing en het uiterlijk van bouwwerken. Die uitgangspunten zijn verdeeld in algemeen en specifiek. Generieke uitgangspunten, die altijd en in de hele stad gelden, en uitgangspunten voor specifieke ingrepen of specifieke gebieden.
De vier algemene uitgangspunten zijn de basis voor alle ingrepen in de stad en voor de specifieke uitgangspunten. Ieder specifiek uitgangspunt is een uitwerking van de algemene uitgangspunten. Als voor een ingreep geen specifieke uitgangspunten gelden, dan zijn de algemene uitgangspunten het beoordelingskader.
De specifiek uitgangspunten zijn verdeeld in verbouw en nieuwbouw. Verbouw is een aanpassing van of toevoeging aan een bestaand bouwwerk. Nieuwbouw is volledige nieuwbouw. Een transformatie of gevelrenovatie van een bestaand gebouw die het gebouw een nieuw uiterlijk geeft, heeft dezelfde invloed op de stad als nieuwbouw en wordt beoordeeld als nieuwbouw.
Cultureel erfgoed is een speciale categorie binnen de specifieke uitgangspunten. Voor beschermde monumenten, hun omgeving, voor beeldbepalende en karakteristieke bouwwerken en voor beschermde stadsgezichten zijn aanvullende uitgangspunten opgesteld om de waarden te behouden en daarop voort te bouwen.
Voor vier actuele en typisch Haagse opgaven, de Haagse thema’s, zijn de uitgangspunten gebundeld in een apart hoofdstuk. Dit hoofdstuk licht uit en benadrukt het belang van deze thema’s.
In de Nota omgevingskwaliteit wordt met het woord ingreep een fysieke verandering van de stad bedoeld. De schaal van een ingreep verschilt van het aanpassen van een architectonisch detail tot het toevoegen van nieuwe hoogbouw. De invloed van een ingreep op de omgevingskwaliteit van Den Haag varieert van de gevel van een huis tot de gehele stad.
Verbouw zijn kleinere en grotere ingrepen aan een bestaand bouwwerk. Voor veel voorkomende vervangingen, aanpassingen en toevoegingen zijn uitgangspunten opgesteld die gelden in de hele stad. Een deel van deze ingrepen is gebundeld tot een categorie, bijvoorbeeld gevelwijzigingen, omdat de uitgangspunten voor alle ingrepen in een gevel gelijk of vergelijkbaar zijn. Vervanging van een dakrand vraagt dezelfde aanpak als vernieuwing van het gevelmateriaal.
Extra bouwlagen en een aantal duurzaamheidsmaatregelen vallen onder verbouw, maar zijn als Haagse thema’s uitgewerkt in hoofdstuk 6.
Aanbouwen of uitbouwen zijn toevoegingen aan de hoofdbebouwing die met de hoofdbebouwing zijn verbonden. Uitgangspunt is dat aanbouwen ondergeschikt zijn ten opzichte van de hoofdbebouwing en in de omgeving. Dit betekent dat aanbouwen een onderdeel van het gevelbeeld worden, of juist een ondergeschikte toevoeging zijn.
Bijgebouwen zijn toevoegingen aan de hoofdbebouwing die los staan van de hoofdbebouwing. Uitgangspunt is dat bijgebouwen ondergeschikt zijn ten opzichte van de hoofdbebouwing en in de omgeving.
Dakkapellen of dakuitbouwen zijn toevoegingen aan een dakschild. Uitgangspunt is dat dakkapellen de hiërarchie en de architectuur van de hoofdbebouwing volgen. Dit betekent dat dakkapellen een onderdeel van het gevelbeeld worden, of juist een ondergeschikte toevoeging zijn.
Dakterrassen zijn buitenruimtes op het platte dak van een bouwwerk, of op het platte dak van een lager bouwdeel. Uitgangspunt is dat dakterrassen op het hoogste dakvlak onopvallend zijn. Dakterrassen op een lager dakvlak zijn een ondergeschikte toevoeging.
Dakvensters of dakramen zijn openingen in een dakschild, met daarin een (te openen) raam. Uitgangspunt is dat dakvensters ondergeschikt zijn in het dakschild, duidelijk een toevoeging, om het dakschild of de kap beeldbepalend te houden.
Duiventillen zijn duivenhokken die gebruikt worden voor de tilduivensport, Haags immaterieel erfgoed. Uitgangspunt is dat duiventillen die niet in de tuin staan onopvallend op het hoogste platte dakvlak staan.
Erfafscheidingen zijn hekwerken tussen de straat en een erf – bijvoorbeeld een tuin – of tussen erven. Uitgangspunt is dat erfscheidingen ondergeschikt zijn in het straatprofiel en aansluiten bij de architectuur van de hoofdbebouwing.
Het toevoegen van een of meer bouwlagen is een van de typisch Haagse ingrepen. Zie voor de uitgangspunten voor extra bouwlagen hoofdstuk 6.2.
Gevelwijzigingen zijn nieuwe gevelonderdelen die bestaande vervangen of aanpassen en nieuwe toevoegingen aan een gevel. Nieuwe balkons, dakranden, dakbedekking en nieuw gevelmateriaal zijn voorbeelden van gevelwijzigingen. Uitgangspunt is dat nieuwe gevelonderdelen de oorspronkelijke volgen. Nieuwe technieken en materialen zijn mogelijk en behouden het oorspronkelijke aanzicht. Voor kozijnwijzigingen zijn eigen uitgangspunten opgesteld.
Installaties zijn functionele toevoegingen aan een gevel of het dak van een gebouw, bijvoorbeeld afvoerpijpen, antennes, luchtbehandelingskasten en windmolens. Uitgangspunt is dat installaties onopvallend worden ingepast. Ook warmtepompen en zonnepanelen zijn installaties. Zie voor de uitgewerkte uitgangspunten voor warmtepompen en zonnepanelen hoofdstuk 6.4.
Kozijnwijzigingen zijn nieuwe kozijnen, ramen en deuren die bestaande vervangen of die een nieuwe gevelopening vullen. Uitgangspunt is dat nieuwe kozijnen, ramen en deuren de oorspronkelijke volgen. Nieuwe technieken, materialen en isolerend glas zijn mogelijk met behoud van het oorspronkelijke aanzicht. Voor winkelpuien zijn eigen uitgangspunten opgesteld.
Rolluiken en zonweringen zijn toevoegingen aan een venster of een pui, bedoeld als beveiliging of om direct zonlicht te weren. Uitgangspunt is dat rolluiken en zonweringen ondergeschikt en architectuureigen zijn. Voor rolluiken betekent dit een oplossing aan de binnenzijde van de gevel, omdat een rolluik aan de buitenzijde het venster, de pui of de gevel aan het zicht onttrekt.
Winkelpuien zijn de gevels van winkels, restaurants of andere bedrijfsfuncties. Uitgangspunt is dat winkelpuien meedoen in het gevelbeeld. Winkelpuien bestaan uit een kozijn met een of meer deuren en vaste transparante delen, een omkadering en een naamsaanduiding. Zie voor naamsaanduidingen hoofdstuk 7.
De beschermde waarden van een rijks- of gemeentelijk monument zijn bepalend voor de mogelijkheden in, aan of bij het monument. Omdat de beschermde waarden verschillen per monument en omdat die verschillen de uniciteit van ieder monument illustreren, zijn voor ingrepen in of aan monumenten geen generieke uitgangspunten opgenomen. Iedere ingreep in of aan een monument is maatwerk
Een van de kernkwaliteiten van Den Haag is de rijkdom aan erfgoed: een groot aantal beschermde objecten en ensembles – rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten – en 21 rijks- en gemeentelijk beschermde stadsgezichten. Voor dit erfgoed zijn specifieke uitgangspunten opgesteld die aanvullend gelden voor een ingreep in, aan of bij een monument, aan een beeldbepalend of karakteristiek bouwwerk of in een beschermd stadsgezicht.
De beschermde waarden van een rijks- of gemeentelijk monument zijn bepalend voor de mogelijkheden in, aan of bij het monument. Omdat de beschermde waarden verschillen per monument en omdat die verschillen de uniciteit van ieder monument illustreren, zijn voor ingrepen in of aan monumenten geen generieke uitgangspunten opgenomen. Iedere ingreep in of aan een monument is maatwerk.
Monumenten staan in een context en die context heeft invloed op het monument. Ingrepen in de omgeving van een monument kunnen invloed hebben op de waarden van het monument. In de Omgevingswet is vastgelegd dat die waarden moeten worden beschermd, ook bij een ingreep buiten de aangewezen bescherming.
In het Omgevingsplan moeten hiervoor regels worden opgesteld, waaronder een definitie van de omgeving van een monument en een concrete begrenzing. Hiermee krijgt de omgeving niet dezelfde status als het monument, maar wordt wel vastgelegd wat de invloedsfeer van de monumentale waarden is.
Totdat deze regels zijn vastgesteld, geldt uitgangspunt A van de algemene uitgangspunten van hoofdstuk 4.1:
Een ingreep in, aan of bij een monument behoudt de architectonische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden van het monument en bouwt voort op deze waarden.
5.3. Beeldbepalende en karakteristieke bouwwerken
In het Omgevingsplan kunnen bouwwerken worden aangewezen als beeldbepalend of karakteristiek, binnen en buiten een rijks- of gemeentelijk beschermd stadsgezicht. Hiermee worden specifieke cultuurhistorische waarden vastgelegd en beschermd. Deze waarden worden in het Omgevingsplan vertaald in regels, bijvoorbeeld met betrekking tot de parcellering, de gevelindeling of de kapvorm.
De regels in het Omgevingsplan vormen samen met de Nota omgevingskwaliteit de uitgangspunten voor ingrepen in beeldbepalende of karakteristieke bouwwerken.
5.4. Beschermde stadsgezichten
De cultuurhistorische kenmerken van de rijks- en gemeentelijk beschermde stadsgezichten in Den Haag zijn beschreven en gewaardeerd bij de aanwijzing. De systematiek van de beschrijvingen en de waarderingen verschilt per beschermd stadsgezicht. Enerzijds past dit bij de verschillen tussen de beschermde stadsgezichten en doet dit recht aan de diversiteit aan cultuurhistorische waarden in Den Haag. Anderzijds maakt dit een vertaling naar wat de beschermde status betekent voor ingrepen in de stadsgezichten lastig.
Daarom zijn de kenmerken en de beschermde waarden van de stadsgezichten vertaald in uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit. Per stadsgezicht, omdat de essentie of de kernwaarden verschillen per stadsgezicht. De kenmerken en de waarden in deze nota zijn afkomstig uit en een bewerking van de aanwijzingen. Zij zijn als bijlage opgenomen. Hieruit zijn de uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit gedestilleerd, die gelden als uitwerking van uitgangspunt B van de algemene uitgangspunten van hoofdstuk 4.1:
Een ingreep in een beschermd stadsgezicht behoudt de architectonische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden van het beschermde stadsgezicht en bouwt voort op deze waarden.
Samen met de andere uitgangspunten in deze nota vormen de uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit het kader voor ingrepen in een beschermd stadsgezicht. De uitgangspunten per stadsgezicht specificeren de generieke uitgangspunten, bijvoorbeeld door de architectonische of stedenbouwkundige samenhang te benadrukken en te sturen op oplossingen die die samenhang behouden.
NB De grenzen van de beschermde stadsgezichten komen niet altijd overeen met de Haagse wijk- en buurtindeling of met de grenzen van bestemmingsplannen met dezelfde naam die zijn opgegaan in het Omgevingsplan.
Centrum (rijksbeschermd stadsgezicht)
Voor het rijksbeschermd stadsgezicht Centrum zijn geen uitgangspunten opgesteld. De gegroeide diversiteit, de aanwezigheid van een groot aantal beschermde monumenten en monumentale ensembles, stedenbouwkundige en landschappelijke structuren maken iedere ingreep in dit stadsgezicht maatwerk.
Vrederust-West (Drevenbuurt) (voormalig gemeentelijk beschermd stadsgezicht)
Op 10 februari 2022 heeft de gemeenteraad het besluit tot aanwijzing als gemeentelijk beschermd stadsgezicht van de Drevenbuurt ingetrokken. Op 9 februari 2023 heeft de raad besloten het intrekkingsbesluit aan te passen en de aanwijzing van de Drevenbuurt tot beschermd stadsgezicht fasegewijs in te trekken effectuerend met een nieuw planologisch kader voor de Drevenbuurt. Dat gebeurt met het bestemmingsplan Dreven 1.
De Haagse thema’s zijn uitgangspunten voor ingrepen die typisch Haags zijn (strandpaviljoens en extra bouwlagen) of actueel (verduurzaming en hoogbouw). Deze uitgangspunten staan niet op zichzelf. Zij zijn integraal onderdeel van de nota, vaak een uitwerking van de uitgangspunten in de hoofdstukken 4 en 5 en worden samen met die uitgangspunten gehanteerd. Zij staan in een apart hoofdstuk om de actualiteit en het belang te benadrukken.
Strandpaviljoens zijn de horeca- en sportpaviljoens op het strand van Den Haag. Zij kunnen permanent of seizoensgebonden zijn. Samen met de duinen, de boulevards en de haven maken strandpaviljoens het beeld van de Haagse kust. Uitgangspunt is dat strandpaviljoens rondom herkenbaar zijn als strandbebouwing.
Extra bouwlagen zijn opbouwen die worden toegevoegd aan de hoofdbebouwing. Vaak een individuele ingreep, maar gezamenlijk hebben opbouwen een grote invloed op Den Haag. Straten transformeren van twee- naar drielaags of van drie- naar vierlaags. Geleidelijk – de opbouwen worden individueel gerealiseerd en een volledige extra bouwlaag op een architectonische eenheid kan lang duren – worden grote delen van de stad een laag hoger. Uitgangspunt is dat extra bouwlagen architectuureigen zijn en met de bestaande bebouwing een nieuw geheel vormen.
Hoogbouw – hoge nieuwbouw of de transformatie van een hoog bestaand gebouw, hoog zoals gedefinieerd in de Haagse hoogbouwnota (waarvan een actualisatie in voorbereiding is) – is een ingreep in de stad met invloed op alle schaalniveaus. Hoogbouw staat op ooghoogte aan de straat en bepaalt de contour van Den Haag. Uitgangspunt is dat hoogbouw integraal ontworpen is, als één gebouw, met specifieke aandacht voor ieder schaalniveau.
Een duurzaam Den Haag maakt optimaal gebruik van de bestaande stad door voort te bouwen op de kwaliteiten in de stad en deze in te zetten. Dit kan door behoud, hergebruik en transformatie van bestaande gebouwen en door circulair, flexibel en hoogwaardig nieuw te bouwen. Behoud, hergebruik en transformatie vragen een aanpassing van de schil van een gebouw om dat gebouw energiezuiniger en comfortabeler te maken. Bijvoorbeeld door het na-isoleren van gevels of het toevoegen van (nieuwe) klimaatinstallaties. Ook om schone energie – warmte en elektriciteit – te produceren kunnen installaties worden toegevoegd.
Veel duurzaamheidsmaatregelen vallen onder de uitgangspunten voor verbouw, zie hoofdstuk 4.2. Een aantal veel voorkomende maatregelen is verder uitgewerkt en toegelicht om de uitgangspunten zo breed mogelijk toe te kunnen passen en de maatregelen zo breed mogelijk te kunnen realiseren. Uitgangspunt is dat duurzaamheidsmaatregelen altijd mogelijk zijn als zij de aanwezige kwaliteiten respecteren door een onopvallend en per architectonische eenheid uniform ontwerp. Bij duurzaamheidsmaatregelen wordt de maatschappelijke bijdrage aan de energietransitie meegenomen.
Na-isolatie van een gevel is altijd mogelijk, aan de binnenzijde of aan de buitenzijde van de gevel. Buitengevelisolatie is een wijziging van de gevel. De uitgangspunten voor gevelwijzigingen staan in hoofdstuk 4.2. De volgende uitgangspunten zijn relevant voor buitengevelisolatie.
De invloed van buitengevelisolatie op het gevelbeeld, op de samenhang van een architectonische eenheid of op de omgeving verschilt per situatie. Afhankelijk van de gevelindeling, de architectuur of de stedenbouwkundige positie van de gevel is na-isolatie aan de buitenzijde zinvoller, makkelijker of moeilijker. Een blinde gestuukte zijgevel is bijvoorbeeld eenvoudiger aan te pakken dan een rijke metselwerk voorgevel met grote gevelopeningen in een beschermd stadsgezicht waarvan juist dat metselwerk een belangrijke waarde is.
In alle gevallen gelden de volgende uitgewerkte uitgangspunten.
Isolerende beglazing ter vervanging van enkel glas of minder isolerend glas is altijd mogelijk. Rijksmonumenten zijn een uitzondering. Of en hoe in rijksmonumenten isolerend glas geplaatst kan worden is maatwerk.
De uitgangspunten voor nieuw isolerend glas staan bij de uitgangspunten voor kozijnvervangingen, zie hoofdstuk 4.2. De volgende uitgangspunten zijn relevant voor nieuwe beglazing.
De belangrijkste aandachtspunten zijn de dikte en de samenstelling van het glas. In de meeste gevallen is nieuw isolerend glas dikker dan het bestaande (isolerende) glas. Het dikkere glaspakket vraagt een aanpassing van de kozijnen, ramen of deuren en/of van de manier waarop het glas wordt vastgezet. Deze aanpassing vindt plaats binnen het kozijn, het raam of de deur en behoudt het beeld aan de buitenzijde.
Na-isolatie kan een nieuwe ventilatievoorziening of een aanpassing van de bestaande vragen. Het volgende uitgangspunt is relevant voor een ventilatievoorziening.
Een verholen oplossing kan een onopvallende ventilatievoorziening in of boven het kozijn of ter plaatse van een wisseldorpel zijn. Ook kan een ventilatievoorziening onopvallend en architectuureigen worden opgelost in de gevel.
In beginsel kan in alle bestaande kozijnen, ramen en deuren isolerende beglazing geplaatst worden. Als een kozijn, raam of deur aangepast of vervangen moet worden om isolerend glas toe te kunnen passen, dan gelden de uitgangspunten voor kozijn vervangingen,
Een warmtepomp is altijd mogelijk. Alle in hoofdstuk 4.2 genoemde uitgangspunten voor installaties zijn relevant voor de buitenunit van een warmtepomp, om een optimale werking te combineren met een onopvallende inpassing.
Deze uitgangspunten sturen op een onopvallende inpassing in het geval een van de straat onzichtbare oplossing niet mogelijk is. Die onopvallende inpassing kan bij een buitenunit goed een verholen oplossing zijn, verholen door gebruik te maken van het gevelontwerp of door de buitenunit in de tuin te plaatsen en (groen) in te kleden.
Zonnepanelen zijn altijd mogelijk. Uitgangspunt is een goede inpassing van de zonnepanelen. Op een plat dak is een goede inpassing een vanuit de openbare ruimte niet zichtbare oplossing. Op een schuin dak zijn de zonnepanelen zichtbaar en is een goede inpassing een ondergeschikt en per architectonische eenheid uniform legplan en een onopvallende vormgeving.
De uitgangspunten zijn opgesteld voor zonnepanelen. Zij gelden ook voor paneelvormige zonneboilers of een paneelvormige combinatie van warmte- en elektriciteitsopwekking.
Uitgangspunten voor zonnepanelen aan een gevel
Algemene uitgangspunten voor zonnepanelen op een dakvlak
Uitgangspunten voor zonnepanelen op een plat dak
Uitgangspunten voor zonnepanelen op een dakschild
Reclame-uitingen zijn naamsaanduidingen en andere elementen aan een gevel of in de buitenruimte die een bedrijfsfunctie – bijvoorbeeld een winkel, een restaurant, een theater of een zwembad – herkenbaar en zichtbaar maken. De uitgangspunten voor reclame-uitingen staan in de Reclamenota (RIS170855). Voor reclame-uitingen in Chinatown geldt het Ontwikkelingskader Chinatown (RIS136862).
In Den Haag worden de gebruikte begrippen en woorden als volgt gedefinieerd.
Een schuin dak, bijvoorbeeld op een dakkapel, dat aansluit op een dakschild
De gevels van een alzijdig gebouw zijn evenwaardig en in het aanzien even relevant
Een als eenheid ontworpen aaneengesloten rij gebouwen of ensemble van gebouwen
De hoofdopzet en vormgeving, inclusief de toepassing van materialen en kleuren, van een gebouw of een onderdeel daarvan
Passend binnen de architectuurstijl of het architectonische concept
De kenmerken van een groep gebouwen of onderdelen van gebouwen met een gelijke of vergelijkbare vormgeving, waardoor de groep zich onderscheidt van andere groepen
Iets dat gebouwd wordt of gebouwd is, bijvoorbeeld een gebouw, een onderdeel van een gebouw of een toevoeging aan of bij een gebouw
De buitenste randen van een gebouw of een onderdeel van een gebouw
De zichtbare bekleding van een schuin of een plat dak
Een uitbouw op een dakschild, of als voor de betreffende locatie gedefinieerd in het Omgevingsplan
Het schuine voor-, zij- of achterdakvlak van een individueel gebouw en van de architectonische eenheid waar het gebouw deel van uitmaakt
Een stuk grond als voor de betreffende locatie gedefinieerd in het Omgevingsplan
Gemeentelijk beschermd stadsgezicht
Een stadsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister
Een monument, als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister
De gevel van een individueel gebouw en de architectonische eenheid waar het gebouw deel van uitmaakt
Het geheel van gevel, dakrand, eventueel dakschild en eventuele toevoegingen daaraan
Een dak met een of meer dakvlakken, of als voor de betreffende locatie gedefinieerd in het Omgevingsplan
Een monument zoals omschreven in artikel 1.1 van de Erfgoedwet
Een geheel nieuw te bouwen gebouw of een transformatie van een gebouw, dat wil zeggen het zodanig wijzigen van een bestaand gebouw dat sprake is van een geheel nieuw uiterlijk
De context van een bouwwerk, dat wil zeggen wat zich om het bouwwerk heen bevindt, van (een fragment van) de gevel tot het naastliggende bouwwerk, de straat of de wijk waarin het bouwwerk zich bevindt
Optisch minder belangrijk of minder opvallend
Zoals origineel als onderdeel van het gevelbeeld ontworpen
De positie van een bouwwerk ten opzichte van een ander bouwwerk of ten opzichte van de omgeving
Een stadsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister
Een monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister
De afstemming tussen verschillende onderdelen van een bouwwerk, tussen verschillende bouwwerken en tussen een bouwwerk en zijn omgeving
De dwarsdoorsnede tussen de bebouwing aan weerszijden van een straat, inclusief eventuele voortuinen en inclusief de hoogte van de bebouwing
De vormgeving, materialen, detaillering en kleurstelling van een bouwwerk
Een gevel die tijdelijk zichtbaar is, totdat er een bouwwerk tegenaan wordt geplaatst
Een gevel die permanent zichtbaar is en onderdeel van het gevelbeeld
De kenmerken en de beschermde waarden van de Haagse rijks- en gemeentelijk beschermde stadsgezichten zijn geduid en vertaald in uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit. De kenmerken en de waarden in deze nota zijn afkomstig uit en een bewerking van de aanwijzingen. Zij staan in deze bijlage. Hieruit zijn de uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit gedestilleerd, die zowel in deze bijlage als in hoofdstuk 5.4 staan.
De kenmerken, de waarden en de uitgangspunten hebben per beschermd stadsgezicht steeds volgens dezelfde opmaak:
NB De grenzen van de beschermde stadsgezichten komen niet altijd overeen met de Haagse wijk- en buurtindeling of met de grenzen van bestemmingsplannen met dezelfde naam die zijn opgegaan in het Omgevingsplan.
De Archipelbuurt en het Willemspark II, beide gelegen ten noorden van het oude centrum, dragen hun eigen historische en ruimtelijke bijdrage aan het stedelijke landschap van de stad.
De Archipelbuurt werd aangelegd als een van de eerste grootschalige 19e eeuwse stadsuitbreidingen buiten de singelomgrachting en vertegenwoordigt daarmee een belangrijk stuk geschiedenis van de stedelijke ontwikkeling. De omvang van de wijk werd mede bepaald door de ligging van de al aanwezige begraafplaatsen en het kanaal aan de oostzijde. De begraafplaatsen, samen met de Scheveningse Bosjes, geven de wijk een groene grens, waarlangs de bebouwing een open structuur heeft. Het stratenplan in de wijk wordt verder grotendeels gekenmerkt door lange rechte straten met korte dwarsverbindingen, waarlangs particuliere bouwmaatschappijen woningen ontwikkelden in laat eclectische stijl met neorenaissance-invloeden en met een relatief hoge bebouwingsdichtheid.
Nog steeds heeft de Archipelbuurt een homogeen en vrij gaaf bewaard karakter. Het Nassauplein en het Bankaplein hebben een monumentale stedenbouwkundige opzet. In de smallere straten bevinden zich woningen voor de middenstand. Het Prinsevinkenpark uit 1888 is als villapark aangelegd rond een ovaalvormig plein en heeft in tegenstelling tot de rest van de wijk een gebogen stratenpatroon en is bebouwd met monumentale herenhuizen. Deze opzet heeft geleid tot een open en groen karakter. Ook kent de Archipelbuurt een groot aantal sociale woningbouwcomplexen uit de 19e eeuw. Het oudste is het Hofje van Schuddegeest uit 1856, dat dateert van vóór de aanleg van de wijk. Een deel van de oorspronkelijke bebouwing in de wijk werd in de Tweede Wereldoorlog vernietigd en is vervangen door nieuwbouw. Grootschalige nieuwbouw - woningbouwcomplex Alexanderveld van de architect Ricardo Bofill - werd daarnaast gerealiseerd aan de huidige Burgemeester Patijnlaan op de plek van de voormalige Alexanderkazerne en het exercitieterrein.
Het Willemspark was de eerste gemeentelijke stadsuitbreiding van Den Haag, die op initiatief van de gemeente zelf gerealiseerd is. Het stedenbouwkundig ontwerp valt in twee delen uiteen: Willemspark I en Willemspark II. Willemspark I behoort tot het rijksbeschermd stadsgezicht Centrum. Het heeft een recht assenkruis van twee straten, de Sophialaan en de Alexanderstraat, met centraal het ovaalvormige Plein 1813 met monumentale bebouwing. Ten noorden van Willemspark I ligt Willemspark II, dat een heel ander karakter heeft. De bebouwing kwam grotendeels tot stand op initiatief van particuliere bouwmaatschappijen, zonder dat er sprake was van een geplande aanleg. Het stratenpatroon voegde zich naar de bestaande verkaveling van slootjes en wegen. De sfeer van een levendige 19e eeuwse woonbuurt is hier nog goed te proeven; de bebouwing is meer organisch tot stand gekomen en gedifferentieerder.
Landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken
Stilistisch overheerst het late eclecticisme met aan de renaissance, de Lodewijkstijlen, het Empire en het neoclassicisme ontleende motieven. Langs de straten, die vanaf het midden van de jaren tachtig van de 19e eeuw zijn aangelegd gaat de neorenaissance het bebouwingsbeeld meer en meer overheersen
Het profiel van de bebouwing van de Archipelbuurt en Willemspark II met zijn karakteristieke eclectische architectuurbeeld in samenhang met de lange rechte straten is kenmerkend voor de 19e eeuwse wijze van stadsuitbreiding, met name de initiatieven van particuliere bouwmaatschappijen.
Bijzonder zijn ook de afwijkingen van dit patroon van rechte straten. De relatie met de historische binnenstad en de omliggende groengebieden is een bijzonder gegeven van de wijk. Samen zijn de Archipelbuurt en het Willemspark II van belang wegens bijzondere landschappelijke, stedenbouwkundige, cultuur- en architectuurhistorische waarden.
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het rijksbeschermd stadsgezicht Archipelbuurt en Willemspark II en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
De wijk Benoordenhout is grotendeels gelegen op oude duingrond. Vrijwel het gehele gebied behoorde tot 1884 bij Wassenaar. Hier lagen de landgoederen Oostduin, Arendsdorp, Clingendael en Waalsdorp te midden van landschapstuinen in 19e eeuwse Engelse stijl. De aanleg van de wijk is geleidelijk van west naar oost gebouwd. Tussen 1894 en 1902 werd het Nassaukwartier gebouwd. De Jan van Nassaustraat behoort tot de mooiste en meest kenmerkende straten uit het Haagse fin-de-siècle. Veel van de herenhuizen zijn in groepen gebouwd met gevels in rijke neorenaissancestijl en invloeden uit de Art Nouveau.
Door de gunstige ligging bleek het Benoordenhout bijzonder aantrekkelijk voor de vestiging van kantoren, waardoor het karakter van de wijk nu grotendeels wordt bepaald. Ondanks de bouw van de grote kantoren heeft het Benoordenhout het karakter van een luxe woonwijk weten te behouden. Onder zowel de kantoorgebouwen als de vrijstaande woningen bevinden zich een aantal gebouwen van (nationaal) hoge architectuurhistorische kwaliteit uit de periode 1900-1940. De wijk is grotendeels tussen 1915 en 1940 bebouwd. Het uitbreidingsplan van Berlage uit 1911 is alleen ten zuiden van de Wassenaarseweg gevolgd; verder dienden de sloten en lanen van de 19e eeuwse landgoederen als uitgangspunt. Het eindbeeld is harmonieus.
Landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken
Harmonieuze baksteenarchitectuur in de stijl van de Nieuwe Haagse School, afgewisseld met gebouwen die hun vormentaal hebben ontleend aan het Traditionalisme, de Amsterdamse School en de Nieuwe Zakelijkheid in het overgrote deel van de wijk. Kenmerkend zijn de sobere baksteenarchitectuur waarin horizontale accenten van liggende vensters, overstekende daklijsten en betonbanden bepalend zijn
Benoordenhout is opgebouwd uit deelplannen met een grote continuïteit in bebouwingsbeeld en structuur langs groene lanen, rondom oude landgoederen. De consistentie van het stadsbeeld is hierdoor zo groot dat een wijk is ontstaan met een sterk homogeen karakter. Het gebied is als zodanig van belang wegens bijzondere landschappelijke, stedenbouwkundige, cultuur- en architectuurhistorische waarden.
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het rijksbeschermd stadsgezicht Benoordenhout en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
Als oudste deel van Den Haag is het centrum een zeer divers gebied, met een grote diversiteit aan architectuurstijlen en gebouwtypen. Juist de diversiteit is een belangrijk kenmerk. Het centrum had, omdat Den Haag geen stadsmuur had, lange tijd geen duidelijke begrenzing, waardoor er aan de randen sprake is van ‘rafelrandjes’ (bv. Groenewegje e.o.)
Daar waar de historische structuur en schaal nog aanwezig zijn, is het vooroorlogse bebouwingsbeeld dominant. Veelal gekenmerkt door bebouwing uit de 17e tot 20e eeuw in verschillende architectuurstijlen. Overwegend maximaal drie bouwlagen met een kap.
Landschappelijke, stedenbouwkundige en architectonische kenmerken
In het zuidwesten van het centrum is in de zestiger en zeventiger jaren grootschalig gesloopt. De oude structuur is grotendeels gehandhaafd, maar het gebied wordt tegenwoordig gekenmerkt door een mengeling van historische bebouwing, afgewisseld met Post 65 herontwikkeling (Paviljoensgracht/Katerstraat, Zuidwal)
De belangrijkste waarde is de gegroeide diversiteit, het getransformeerde historische Den Haag. Daarin een groot aantal individueel beschermde monumenten en monumentale ensembles, doorbraken en vernieuwingen die het beeld van de stad bepalen. Anders dan in de andere beschermde stadsgezichten wordt in het rijksbeschermd stadsgezicht centrum het beeld bepaald door het samenspel van hoogwaardige landschappelijke, stedenbouwkundige en architectonische elementen, minder door een ontworpen samenhang.
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Voor het rijksbeschermd stadsgezicht Centrum zijn geen uitgangspunten opgesteld. De gegroeide diversiteit, de aanwezigheid van een groot aantal beschermde monumenten en monumentale ensembles, stedenbouwkundige en landschappelijke structuren maken iedere ingreep in dit stadsgezicht maatwerk.
De wijk Duinoord kwam tussen eind 19e en begin 20e eeuw tot stand op afgegraven duingrond en heeft door haar stedenbouwkundige aanleg en architectonische verschijningsvorm een sterk herkenbare ruimtelijke samenhang. Het hart van Duinoord vormt het amandelvormige Sweelinckplein, dat geldt als één van de mooiste neorenaissancepleinen in Nederland. Het openbare gebied ondersteunt de ruimtelijke kwaliteit van de wijk: Markant zijn de ruime profielen van straten en plantsoenen die het gebied doorkruisen en de rechtstreekse relatie tussen het architectonische beeld en het groen en water.
Typerend voor Duinoord is het gebogen stratenplan. Stilistisch vormt de bebouwing een homogeen beeld, dat overwegend wordt bepaald door een uitbundige neorenaissancestijl. De meest karakteristieke gevelwanden zijn te vinden aan en in de directe omgeving van het Sweelinckplein en kenmerken zich door de samenhangende architectuur. De rijke architectuur rond het plein heeft geleid tot het aanwijzen van meerdere rijksmonumenten. De ongebruikelijk diepe binnenterreinen tussen Obrechtstraat en de Laan van Meerdervoort herinneren aan het tracé van de oude tramlijn.
Rond de eeuwwisseling werd ten noordoosten van de Groot Hertoginnelaan begonnen met de aanleg van het tweede deel van Duinoord. Van dit gedeelte van de wijk is weinig overgebleven door de aanleg van de Atlantikwall door de Duitse bezettingsmacht in de Tweede Wereldoorlog dwars door de wijk. Het gebied werd na de oorlog opnieuw ingericht volgens een stedenbouwkundig plan met strokenbouw van W.M. Dudok. Dit deel van de wijk wordt gekenmerkt door grote kantoren, ondermeer langs de latere President Kennedylaan.
Landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken
Duinoord is een gaaf voorbeeld van een laat-19e eeuwse stadswijk met een goed bewaard origineel stedenbouwkundig plan en architectonisch samenhangende bebouwing, die gekenmerkt wordt als de neorenaissance stijl. De rechtstreekse relatie tussen het architectuurbeeld, het groen (en het water) is kenmerkend voor de meest hoogwaardige delen van de wijk, zoals bijvoorbeeld de Suezkade, de Groot Hertoginnelaan en (rondom) het Sweelinckplein. De wijk is als zodanig van belang wegens stedenbouwkundige, architectuurhistorische alsmede landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het rijksbeschermd stadsgezicht Duinoord en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
Het langgerekte Haagse Bos is aan alle kanten omsloten door wegen en bebouwing. In de zuidoostelijke hoek bevindt zich een afgesloten gebied, waar het 17e eeuwse Huis ten Bosch staat. Het Haagse Bos is een restant van een oerbos dat zich uitstrekte langs de Nederlandse kust. Het vormde een aantrekkelijk jachtterrein voor het grafelijk hof en was het eerste groengebied in Europa dat toegankelijk was voor de bevolking. Rond 1600 werd een deel van het Haagse Bos afgegraven en opnieuw beplant: de Nieuwe Plantagie. Hieruit is het huidige Malieveld ontstaan, een door linden omzoomde grasvlakte. Naast het Malieveld ligt de Koekamp. Het werd in 1316 als apart grasland voor de koeien van het grafelijk hof aangelegd. Bijzonder is dat er tot op heden koeien en herten grazen. De grootste bloeiperiode kende het Haagse Bos in de 19e eeuw. Het lommerrijke groen met haar fraaie doorkijkjes en paviljoens trok toen veel publiek.
Landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken
Het Haagse Bos bestaat uit een omvangrijke en eeuwenoude groenstructuur, grotendeels bestaande uit gesloten loofbos, en is onverbrekelijk verbonden met de geschiedenis van de stad. Als nagenoeg onbebouwd gebied waren het Haagse Bos en het Malieveld van grote betekenis voor het ontstaan en de ontwikkeling van Den Haag en is het karakterbepalend voor het huidige stedelijke gebied. Het Bos is onderdeel van de belangrijke reeks van openbare ruimten in Den Haag die het voorname groene karakter van de stad bepalen. Deze historische structuur vormt de tot nu toe ontbrekende schakel in het totale aaneengesloten gebied van Den Haag, dat een rijks beschermd stadsgezicht is. De relatie met aangrenzende groengebieden van de beschermde stadsgezichten Marlot en Reigersbergen, Benoordenhout en de Wassenaarse landgoederen verhoogt de waarde van het gebied.
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Voor het rijksbeschermd stadsgezicht Haagse Bos zijn geen uitgangspunten opgesteld. De landschappelijke waarden en de beperkte bebouwing maken iedere ingreep in dit stadsgezicht maatwerk.
De badplaats Kijkduin ontstond aan het eind van de 19e eeuw en bestond aanvankelijk slechts uit enkele villa’s, een hotel en een hospitium. In de jaren ‘20 van de vorige eeuw werd Kijkduin uitgebreid met het villapark Meer en Bosch naar ontwerp van B. Bijvoet en J. Duiker. De bekende bungalows werden gebouwd als middenstandswoningen in een traditionele architectuurstijl geïnspireerd op Engelse cottages en de prairiehouses van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright. Een deel van het park werd in de Tweede Wereldoorlog verwoest met de aanleg van de Atlantikwall. Pas in de jaren ’60 en ’70 volgde wederopbouw.
Landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken
De groepering van bebouwing en de wijze waarop de daklijnen zijn bepaald dragen bij aan het natuurlijke karakter van het gebied, waarbij de architectuur opgaat in de omgeving. Ver overstekende daken en harmonische overgangen van het besloten huis naar de open ruimte door middel van veranda's en plaatsjes met lage muren
De samenhang en de organische overgang van de massa-configuratie van de architectuur met de natuurlijke omgeving hebben het plan van Duiker en Bijvoet terecht internationale bekendheid gegeven. Naast de architectuurhistorische en ensemblewaarde is bovendien de typologische waarde aanwezig. In de ontwikkeling van het wonen betekenen de vrijstaande en geschakelde landhuisjes van Duiker en Bijvoet, die voor een groot deel als bungalow (gelijkvloers) zijn gebouwd, een vernieuwing. De filosofie van het gezond buiten wonen dicht bij de voorzieningen van de stad kreeg hier gestalte.
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het gemeentelijke beschermd stadsgezicht Kijkduin-Meer en Bosch en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
De wijken Molenwijk, Spoorwijk en Laakkwartier kwamen tot stand tussen 1907 en 1930. Zowel de gemeente als woningbouwverenigingen realiseerden hier volkswoningbouw. De eerste stedenbouwkundige opzet zien we op het uitbreidingsplan van I.A. Lindo uit 1903. Het plan geeft niet meer aan dan de hoofdontsluitingen in de voor Lindo kenmerkende diagonale patronen. Berlage heeft zijn ‘Uitbreidingsplan 1908’ in samenwerking met Lindo opgesteld. Berlage hechtte een groot belang aan de derde dimensie in de stedenbouw en vooral aan bouwkundige accenten op stedenbouwkundige aandachts- en rustpunten.
Karakteristieke elementen uit stedenbouwkundig oogpunt vormen de brede, vorkvormige straten en de tot plein verbrede binnenstraten, die toegankelijk zijn door poorten in de bebouwing. Hierin is de invloed van H.P. Berlage te herkennen, die dergelijke structuurbepalende ingrepen in zijn plan had opgenomen.
Als eerste kwam de Molenwijk/Laakkwartier-Noord tot stand met een recht stratenpatroon, gebaseerd op de oorspronkelijke polderverkaveling. In de vork van de Van Musschenbroekstraat en de Jan van der Heydenstraat is de hand van Berlage duidelijk zichtbaar.
Het tweede deel was Spoorwijk, dat tussen 1920 en 1931 vrijwel geheel conform het plan van Berlage werd gebouwd aan de zuidkant. Bepalend voor de stedenbouwkundige opzet zijn de gevorkte hoofdas van de Alberdingk Thijmstraat en de Potgieterstraat, en het kromme verloop van de Hildebrandstraat en Beetsstraat door de begrenzing door de spoorlijn. Door gemeentearchitecten zijn hier voornamelijk laagbouw woningwetwoningen in dichte eenheden gerealiseerd.
Tot slot werd het middendeel gebouwd, het Laakkwartier-Centraal. Omdat men de plannen van Berlage inmiddels verouderd achtte, ontwikkelde de Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting in 1922 een strak nieuw stratenpatroon, met haaks op elkaar staande straten, sportterreinen, scholen en groen. Het homogene stadsbeeld werd bereikt door de verplichting om te bouwen volgens een ontworpen gevelschema. Laakkwartier-Centraal wordt doorsneden door de Gouverneurlaan, die eindigt bij het Lorentzplein en uitmondt in de gevorkte vertakking van de Van Musschenbroekstraat en de Jan van der Heydenstraat. De hoeken van het Lorentzplein worden geaccentueerd door hoger opgetrokken bouwblokken. Dit principe gaat terug op de stedenbouwkundige inzichten van Berlage.
Landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken
Door de ligging, het bijzondere ‘Berlagiaanse karakter’ en de architectuur is Laakkwartier een van de best geslaagde wijken voor de arbeider en de middenstand van de stad met architectuurstromingen zoals die van de Amsterdamse en Nieuwe Haagse school. Van belang is de schaal van de wijk en de uniformiteit van het stedenbouwkundig plan dat in authentieke staat verkeert. De verwevenheid van de stedenbouwkundige opzet met de architectuur is in deze wijk bijzonder. Waardevol zijn de bewaard gebleven groenaanleg en de ‘Berlage’ lantaarnpalen in de openbare ruimte. Laakkwartier is van belang vanwege de schoonheid en de architectuurhistorische- en stedenbouwkundige waarden.
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het gemeentelijk beschermd stadsgezicht Laakkwartier en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
Noordoostelijk van het Benoordenhout ligt Marlot. De gemeente kocht het gelijknamige landgoed in 1917 met de bedoeling hier een villapark aan te leggen. Villawijk Marlot geldt als een van de meest geslaagde voorbeelden van vooroorlogse stedenbouw in Nederland. Het bijzondere architectuurbeeld is verbonden met de ruim opgezette en groene openbare ruimtes.
Marlot wordt gekenmerkt door in kleine eenheden geschakelde villa's met als uitzondering enkele vrijstaande villa's en de Parkflat. De architectuur van onder andere Co Brandes kreeg de naam ‘Nieuwe Haagse School’ en wordt gekenmerkt door de toepassing van baksteen met overwegend horizontale accenten in beton. Marlot verkreeg als geen andere wijk in Den Haag een samenhang tussen stijl, bebouwing en openbare ruimte door een hechte samenwerking bij het ontwerp en de ontwikkeling. De wijk grenst middels een open stuk land en een grote vijver aan het landhuis Marlot en het bijbehorende bos en aan de voormalige buitenplaats Reigersbergen. Samen met het Haagse Bos en het Malieveld vormt het gebied een groene zone tot aan het centrum.
Landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken
Marlot is een bijzonder voorbeeld van een tuinstadwijk, waarin een grote mate van samenhang is ontstaan van de bebouwing in de stijl van de ‘Nieuwe Haagse School’ met de particuliere tuinen en het groen en water in de openbare ruimte. De schaal, structuur en beeldbepalende bebouwing in relatie tot het water en de uitgestrekte groengebieden geven aan de verschillende delen van het gebied een bijzondere ruimtelijke kwaliteit. Het hier omschreven gebied is van belang wegens bijzondere landschappelijke, stedenbouwkundige en architectuurhistorische waarden.
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het gemeentelijk beschermd stadsgezicht Marlot/Reigersbergen en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
Het Regentessekwartier is een vervolg op de stadsuitbreiding van het Zeeheldenkwartier en tussen 1885 en 1910 gebouwd in de voormalige polder. De wijk was bestemd voor de middenklasse en de beter betaalde arbeiders en dankt zijn naam aan de periode waarin koningin Emma als regentes optrad voor haar dochter Wilhelmina. Kenmerkend voor de stedenbouwkundige opzet van de wijk is het diagonale verloop van de hoofdassen; de bouwblokken zijn ondiep en hebben langgerekte, uniforme gevelwanden. De architectuur is over het algemeen eenvoudig en vertoont duidelijke invloed van de neorenaissance. Het Koningsplein geeft een nog vrijwel intact beeld van deze laat 19e eeuwse stijl. In 1891 is het stervormige Regentesseplein ontworpen, met uitstralende lanen en op het middenplantsoen de gedenknaald voor koningin-regentes Emma.
Het zuidoostelijke deel van het Regentessekwartier wordt in beslag genomen door bedrijfsterreinen. In 1871 werd een vuilverwerkingsbedrijf gebouwd en in 1875 een gasfabriek gerealiseerd. In 1904 volgde de elektriciteitscentrale aan het De Constant Rebecqueplein. De gasfabriek maakte de bouw van een groot aantal arbeiderswoningen en een directeurswoning aan de Gaslaan noodzakelijk.
Landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken
Het Regentessekwartier is een overwegend gaaf voorbeeld van een in het vierde kwart van de 19e eeuw gerealiseerde uitbreidingswijk voor de middenstand, waarvan het rechte verkavelingspatroon en het gesloten bouwblok in overwegend neorenaissance architectuur typerend zijn. Waardevol is de stedenbouwkundige situering van de doorsnijding van de Regentesselaan en de De Constant Rebecquestraat als kenmerkend ontwerp van ir. I.A. Lindo, de situering van de twee pleinen en de lineaire groenstructuren van de Beeklaan, de Regentesselaan en het Afvoerkanaal. Waardevol is tevens de sociaalhistorische waarde van de Hondiusstraat en omgeving. Van hoge kwaliteit zijn de architectuuruitingen in de neorenaissance- en de Art Nouveau stijl in verbouwingen, die in het begin van de 20e eeuw zijn gerealiseerd. De wijk is van belang vanwege de stedenbouwkundige, cultuur- en architectuurhistorische waarden.
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het gemeentelijk beschermde stadsgezicht Regentessekwartier en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
Onder Scheveningen verstaan we het vissersdorp, de badplaats, de zeehavens en de aangrenzende wijken. Tot in de 19e eeuw was Scheveningen bescheiden van omvang. De bebouwing concentreerde zich rond de Keizerstraat en het gebied direct ten zuidwesten daarvan, aan de zeezijde gemarkeerd door de 15e eeuwse parochiekerk. Het dorp was sinds 1665 door een straatweg verbonden met Den Haag, de huidige Scheveningseweg.
Na de komst van het eerste Badhuis in 1818 ontwikkelde zich naast het vissersdorp de badplaats, die rond 1900 internationale allure zou krijgen. Er bestond een scherpe scheiding tussen het vissersdorp en de mondaine chique badplaats. De grootschalige voorzieningen die het karakter van de badplaats zouden bepalen verrezen in de tweede helft van de 19e eeuw in snel tempo, vooral hotels in de stijl van de Art Nouveau en Weense Sezession die zich concentreerden bij de kust, maar ook bijvoorbeeld het Kurhaus, de oude Pier en het Circus.
Tussen 1880 en 1940 vinden ook veel veranderingen plaats rond de Keizerstraat. Veel gebouwen worden getransformeerd of vernieuwd, waarbij alleen de gevels worden aangepast en het oorspronkelijke gebouw bewaard blijft. In de periode 1895-1910 werd het Renbaankwartier aangelegd, een buurt met middenstandswoningen in neorenaissance en overgangsarchitectuur. In 1908 voorzag H.P. Berlage in zijn uitbreidingsplan al een doorbraak oostelijk van de Keizerstraat, welke in 1927 leidde tot de aanleg van de diagonale Jurriaan Kokstraat . De straat werd dwars door de kleinschalige bebouwing van Scheveningen aangelegd en verbindt de Keizerstraat met de Gevers Deynootweg in de badplaats. De straatwanden hebben monumentale hoekpartijen en poortgebouwen over de zijstraten. Vanaf het derde kwart van de 19e eeuw groeiden Scheveningen en Den Haag aan elkaar vast. Op de grens van Scheveningen met de wijken Belgisch Park, Westbroekpark en Van Stolkpark is de bebouwing luxueuzer.
Aan de kust hebben hoogbouw appartementen en hotels na de verwoestingen als gevolg van de Tweede Wereldoorlog de oorspronkelijke bebouwing grotendeels vervangen. Enkele oorspronkelijke pensions zijn overgebleven. Het huidige aanzien van Scheveningen Bad is grotendeels tot stand gekomen in de jaren zeventig van de vorige eeuw.
Scheveningen-Dorp bestaat uit vier deelgebieden, ieder met hun eigen karakteristiek en cultuurhistorische ontwikkeling; de Keizerstraat en omgeving, de Badhuisstraat en omgeving, de kuststrook en het Renbaankwartier en omgeving. Opvallend is dat in de stedenbouwkundige structuur en ook in het bebouwingsbeeld de historische continuïteit nog in belangrijke mate aanwezig is. Slechts op een beperkt aantal locaties is door de groei van vissersdorp naar internationale badplaats vanaf de jaren zeventig van de twintigste eeuw deze continuïteit uit het oog verloren.
Samenvattend wordt de cultuurhistorische waarde van Scheveningen-Dorp bepaald door:
Kenmerken en waardering per deelgebied
Dr. De Visserplein en Adriaan Coenenstraat en omgeving
Nog bewaard gebleven deel van het stratenpatroon van voor 1900 tussen de Badhuisstraat en de Jurriaan Kokstraat, alsmede het vooroorlogse deel tussen de Vijzelstraat en Kerklaan met in hoofdzaak tweelaagse bebouwing met kap. De architectuurstijlen zijn variërend: grotendeels eenvoudige neorenaissance, maar ook overgangsarchitectuur en, vooral bij de eenlaagse bebouwing, traditionele architectuur
De rijk gedetailleerde herenhuizen in neorenaissance, overgangsarchitectuur en Art Nouveau van de brede gebogen straten uitkomend op de Nieuwe Duinweg. De allure van dit fin-de-siècle buurtje wordt nog eens onderstreept door de rijk geornamenteerde brug die in 1890 over het Kanaal werd aangelegd en zo de verbinding met de Nieuwe Duinweg tot stand bracht
Op het Seinpostduin, aan de Zeeweg en Zeekant en langs de Gevers Deynootweg bevinden zich nog veel familiehotels, villa's en pensions van rond 1900. Ze zijn vormgegeven in de voor die tijd kenmerkende architectuur in neorenaissance, art nouveau en eclectische stijl, vaak met voor de badplaats kenmerkende houten warandes en open loggia's
Het woningcomplex uit de jaren twintig van de vorige eeuw tussen Harteveltstraat, Pellenaerstraat en Jongeneelstraat bestaat uit herenhuizen van twee lagen met plat dak in een aan de Haagse School verwante stijl. In de Jongeneelstraat en de Harteveltstraat is het ritme dat ontstaat door het oplopen van de bebouwing tegen het duin opvallend. Ook de IJsbrantszstraat, met zijn as gericht op het paviljoen Von Wied is bijzonder
Het Renbaankwartier en omgeving
In de wijk komen in de bouwblokken plaatselijk hofjesachtige verkavelingen voor. Sommige daarvan verdienen letterlijk het predikaat ‘hofje’, doordat zij een besloten karakter hebben en met een poort kunnen worden afgesloten. Andere hoven kunnen het beste met de benaming ‘straathof’ omschreven worden. Zij zijn soms doodlopend en soms aan twee zijden geopend en kunnen grillig verlopen. Voorbeelden daarvan zijn onder andere te vinden in de Messstraat en IJmuidenstraat
In de Rotterdamsestraat en de Dirk van Hoogenraadstraat komt in grote ensembles de zogenaamde badplaatsarchitectuur voor. De voorgevels zijn voorzien van open, houten veranda's en loggia's met daarboven een tot balkon uitgewerkt dak. Deze woonblokken bezitten de meest uitbundige architectuur in het gehele kwartier
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het gemeentelijk beschermd stadsgezicht Scheveningen-Dorp en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
Na de verwoesting door de aanleg van de Atlantikwall tijdens de Tweede Wereldoorlog is dit gebied na de oorlog herbouwd volgens het wederopbouwplan van W.M. Dudok met flatgebouwen in een open verkaveling, omringd door groen. Dudok streefde met zijn plan naar een zeker contrast met de bestaande stad. Een open parkaanleg, doorsneden door een verkeersweg, wandelpaden en waterpartijen en begrensd door bebouwing van vier en zes lagen met een woonbestemming.
Met het wederopbouwplan kreeg deze zone een belangrijke functie toebedeeld als verkeersweg, die een oplossing moest bieden voor het ontbreken van een doorgaande verbinding tussen het Westland en Wassenaar, parallel aan de kust. Het gebied tussen Kijkduin en de Stadhouderslaan werd daarnaast vooral bestemd voor middenstandswoningen, waaraan in Den Haag vlak na de oorlog een grote behoefte bestond. In het gedeelte tussen het Stokroosveld en de Stadhouderslaan is de verkeersweg opgevat als een stedelijke route ingebed in het groen; een parkway die door vrijstaande architectonische ensembles wordt begeleid. De oorspronkelijke kwaliteiten zijn nog grotendeels aanwezig. Architect P. Zanstra heeft veel van de bebouwing langs de parkway ontworpen en heeft hiermee een belangrijk stempel gezet op het karakter van de buurt. Zonder het voorgeschreven idee van W.M. Dudok uit het oog te verliezen: per groep gedetailleerd met een sterke vormverwantschap.
Landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken
In zeven stroken luxueus uitgevoerde portiekflats haaks aan het Stadhoudersplantsoen. Ontworpen door Jan Wils in samenwerking met architectenbureau Blankenspoor en De Vries. Door onder meer variaties in de afwerking van balkons, borstweringen en ingangspartijen is hier een aantrekkelijke mix van typische jaren vijftig kenmerken terug te vinden
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het gemeentelijk beschermd stadsgezicht Sportlaan-Segbroeklaan e.o. en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
In aansluiting op Duinoord werd tussen 1900 en 1915 het Statenkwartier gebouwd. De grenzen werden bepaald door de aanwezigheid van het landgoed Zorgvliet, de Scheveningseweg, de stoomtrambaan naar Scheveningen en de haven van Scheveningen.
Het Statenkwartier behoort tot de meest karakteristieke wijken in Den Haag. De wijk heeft een lanen- en stratenpatroon dat wordt gekenmerkt door brede lanen en lange, rechte smalle straten met – voorbij de entree van de straat – een verbreding met voortuinen. De lanen zijn waaiervormig, de straten staan haaks op een laan. De lanen zijn het meest beeldbepalend van het Statenkwartier. Ruim, groen en met een duidelijke hiërarchie. Pleinachtige kruisingen van lanen vormen belangrijke stedenbouwkundige accenten: het Statenplein, het Prins Mauritsplein, het Frederik Hendrikplein en de kruising Johan van Oldenbarneveltlaan met de Frederik Hendriklaan. De groene pleinen zijn oorspronkelijk bedoeld als parkachtige ontmoetingsruimtes, groene oases in de stad.
De bebouwing bestaat grotendeels uit ruime herenhuizen in overgangsarchitectuur, met erkers, torentjes, kleurige baksteen en Art Nouveau motieven. Na de oorlog zijn verschillende kantoren in de wijk gebouwd of in de plaats gekomen van woonhuizen. Het karakter van het Statenkwartier ligt in het algemeen niet in het individuele gebouwen, maar veeleer in de stedenbouwkundige opzet van de wijk met fraaie lanen, pleinen en gaaf bewaard gebleven ensembles. De oorspronkelijke schaal en het groen zijn van wezenlijk belang voor het karakter van de wijk, evenals de ruime profielen van straten en pleinen die dit gebied doorkruisen. Ondanks latere wijzigingen aan de randen en verspreid over de wijk in structuur en bebouwing is het homogene beeld van het planmatig tot stand gekomen Statenkwartier grotendeels bewaard gebleven.
Landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken
Het Statenkwartier is een gaaf voorbeeld van een vroeg 20e eeuwse stadsuitbreiding met een goed bewaarde planmatige structuur en architectonisch samenhangende bebouwing, die voornamelijk gekenmerkt wordt als overgangsarchitectuur onder een sterke Art Nouveau invloed. De wijk is als zodanig van belang wegens stedenbouwkundige en architectuurhistorische waarden.
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het rijksbeschermd stadsgezicht Statenkwartier en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
De stadsuitbreiding ten zuidoosten van het centrum kwam op gang nadat in 1843 het station Hollands Spoor was geopend. De aanleg van de Stationsbuurt betrof, na Willemspark, de tweede gemeentelijke uitbreiding van Den Haag. De wijk was aanvankelijk, net als het Willemspark, bedoeld voor de gegoede burgerij. Het stratenpatroon is recht met centraal het statige Oranjeplein, waaraan ruime herenhuizen in eclectische stijl verrezen. Het bouwplan voor de wigvormige aanleg van het Huijgenspark (een vorm mede ontstaan door de bestaande loop van de Bocht van Guinea) was al in 1859 door de eigenaren van deze gronden bij de gemeente ingediend en werd in het uitbreidingsplan van de gemeente opgenomen.
De directe nabijheid van het station werd vervolgens ook een vestingplaats voor industrie. De rijke burgerij bleef weg en de woningbouw werd met name in het zuidelijk deel gekenmerkt door goedkope speculatiebouw en hofjeswoningen. Na de Tweede Wereldoorlog verpauperde de Stationsbuurt. Met behulp van stadsvernieuwingsprojecten is geprobeerd de woonfuncties in deze wijk zoveel mogelijk te behouden. Veel oorspronkelijke bebouwing is daarom tussen circa 1970 en 1990 met name in de zuidelijke helft vervangen door nieuwe sociale woningbouw.
Landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken
De planmatige opzet uit 1861, dat met het Willemspark tot de vroegste uitbreidingen buiten de oude binnenstad behoort. De hoogtepunten van deze opzet vormen de twee grote groengebieden van het Huijgenspark en het Oranjeplein. De nog grotendeels bewaard gebleven oorspronkelijke bebouwing uit de negentiende- en vroeg twintigste eeuw. De historische betekenis van de Stationsweg met de diverse verzekerings- en handelskantoren uit de eerste helft van de twintigste eeuw langs de route tussen station en centrum. Het sociale woningbouwcomplex Van Hogendorpstraat 52 t/m 162.
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het gemeentelijk beschermd stadsgezicht Stationsbuurt en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
De Beeklaan scheidt het Valkenboskwartier van het Regentessekwartier. Het Valkenboskwartier is in twee delen gerealiseerd. Het oudste deel werd tussen 1903 en 1915 gebouwd en was, net als het Regentessekwartier, bestemd voor de middenklasse en de beter betaalde arbeiders. De aanleg is een voortzetting van het Regentessekwartier, met een vergelijkbaar stratenpatroon en bebouwingsbeeld met aaneengesloten reeksen beneden- en bovenwoningen en portiekwoningen in overgangsarchitectuur met elementen uit de neorenaissance en Art Nouveau.
Kenmerkend voor de stedenbouwkundige opzet van de wijk is het diagonale verloop van de hoofdassen. Straten vullen de tussenliggende ruimtes in, waardoor een patroon van langgerekte, vrij ondiepe kavels ontstaat die in verschillende windrichtingen lopen. De hiërarchie komt voort uit de brede hoofdroutes met groene middenberm en de pleinachtige kruisingen.
Landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken
Het Valkenboskwartier is een overwegend gaaf voorbeeld van een tussen 1900 en 1915 voor de middenstand gerealiseerde uitbreidingswijk, waarvan het rechte verkavelingspatroon op de schuin doorlopende verkeersdiagonaal van de Valkenboslaan kenmerkend is als ontwerp van ir. I.A. Lindo. Goed bewaard en daardoor waardevol is het samenhangende architectuurbeeld van merendeels als ‘blokhuizen’ uitgevoerde gevels in sobere neorenaissance en overgangsarchitectuur. Belangrijke accenten in de wijk zijn de lineaire groenstructuur van de Beeklaan, de Valkenboslaan, de Valkenboskade en de open ruimte van het Newtonplein. De wijk is van belang vanwege de stedenbouwkundige, cultuur- en architectuurhistorische waarden.
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het gemeentelijk beschermd stadsgezicht Valkenboskwartier en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
Het Van Stolkpark is één van de eerste villawijken in Nederland. De Scheveningseweg, waarlangs in 1864 een paardentramverbinding tussen Den Haag en de badplaats was aangelegd, oefende in die tijd een grote aantrekkingskracht uit op welgestelde Rotterdammers die er in de zomermaanden huizen huurden of zich er permanent vestigden. Het Van Stolkpark werd tussen 1875 en 1900 aangelegd naar het ontwerp van de tuinarchitecten Zocher. Het park wordt aan drie zijden omgeven door de Scheveningse Bosjes, die aan het einde van de 18e eeuw werden aangeplant.
Rond 1875 verrezen langs de Van Stolkweg de eerste villa’s, gevolgd door herenhuizen aan de Parkweg, Hogeweg en Duinweg. Kort na de aanleg van het Van Stolkpark vestigden zich hier ook hotels. De zuidelijke wand van de Kanaalweg vertoont in afwijking van het villapark aaneengesloten bebouwing waarin ook winkels voorkomen. Kenmerkend voor het villapark zijn de gebogen en hellende straten, de open structuur en het groene karakter van de wijk. De nabije aanwezigheid van de Scheveningse Bosjes met imposante waterpartijen verhogen de kwaliteit van de zeer chique woonwijk.
Waren de villa’s in de beginperiode nog bescheiden van omvang, later verrezen ook zeer monumentale woningen in de wijk. Van oorsprong is het Van Stolkpark ontwikkeld als woonwijk. De ontwikkeling werd vanaf 1900 gekenmerkt door een geleidelijk verdichtingsproces, dat zowel nieuwbouw als vervangende nieuwbouw van een grotere omvang betrof. Zo zijn er ook nieuwe functies – kantoren en scholen – aan de wijk toegevoegd.
Landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken
Het Van Stolkpark is karakteristiek voor een 19e eeuws villapark. Bijzonder is de landschappelijke aanleg in glooiend terrein met riante villa's in grote tuinen aan een overwegend gebogen stratenpatroon. De relatie met de hoogwaardige natuur van de Scheveningse Bosjes verhoogt de uniciteit van het bebouwde gedeelte van dit stadsgezicht. Tezamen zijn het Van Stolkpark en de Scheveningse Bosjes van belang wegens bijzondere landschappelijke, stedenbouwkundige, cultuur- en architectuurhistorische waarden.
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het rijksbeschermd stadsgezicht Van Stolkpark/Scheveningse Bosjes en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
De Vogelwijk kwam in de jaren ’20 van de vorige eeuw in twee fasen tot stand in de Segbroekpolder. De wijk wordt als groene villawijk gekenmerkt door een tuinstad-achtig karakter, het resultaat van de daartoe opgerichte ‘Coöperatieve Woningbouwvereniging Tuinstadwijk Houtrust’.
Het stratenpatroon zoals oorspronkelijk ontworpen met een symmetrische opzet met verschillende assen is niet helemaal volledig uitgevoerd. Tot de laatst gebouwde delen van de wijk behoren de grote aantallen woonhuizen aan de Kwartellaan en omgeving in de karakteristieke traditionele stijl van A.J. kropholler uit 1927-1928. Het deel tussen de Buizerdlaan en de Savornin Lohmanstraat is pas na 1940 aangelegd en wordt gekenmerkt door brede lanen met een middenplantsoen. De sportparken van Houtrust werden al in 1910 aangelegd. Het tuinstadkarakter van de Vogelwijk is tot op heden goed bewaard gebleven.
Landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken
Aan de oostzijde; geschakelde woningen van twee bouwlagen met mansardekappen en erkers en kleine huizen met een cottage-achtig karakter als twee-onder- een-kapwoning of vrijstaand. Landhuisjes in traditionele stijl met hoge, aan de voet inzwenkende kappen en bakstenen gevels met natuurstenen hoek- en negblokken. Romantisch-landschappelijk van aard
Door zijn ligging tegen de Westduinen aan en ook door zijn bijzondere tuinstad karakter en architectuur is de Vogelwijk één van de best geslaagde tuinstadwijken van de stad met architectuurstromingen zoals die van de Delftse school, de antroposofische stijl en de Nieuwe Haagse School. Van belang is de schaal van de wijk en de uniformiteit van het stedenbouwkundig plan dat in authentieke staat verkeert. De verwevenheid van de stedenbouwkundige opzet met de architectuur is in deze wijk zeer bijzonder.
Waardevol zijn de tevens bewaard gebleven ‘Berlage’ lantaarnpalen in de openbare ruimte. De Vogelwijk is van belang vanwege de schoonheid en de architectuurhistorische en de stedenbouwkundige waarden
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het gemeentelijk beschermd stadsgezicht Vogelwijk en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
In 1883 werd begonnen met de aanleg van Belgisch Park. Evenals het Van Stolkpark heeft ook Belgisch Park haar karakter grotendeels behouden. De wijk heeft een tweeslachtig karakter: enerzijds villaparkachtig met veel groen en bochtige straten, anderzijds een grotendeels gesloten bebouwing van etagewoningen in rijen. Het oudste en meest karakteristieke onderdeel van de wijk wordt gevormd door het Belgische Plein en de directe omgeving. Het ronde plein heeft een villaparkachtig karakter, met een ruim centraal plantsoen en rondom vrijstaande villa’s in de karakteristieke badplaatsarchitectuur met houten veranda’s en invloeden uit de chaletarchitectuur. De vijf straten die op het plein uitkomen hebben een weidse opzet en worden door bomen omzoomd. Kenmerkend voor deze buurt zijn verder de woonhuizen met gevels, waarin de overgang van de neostijlen naar de door Berlage beïnvloedde architectuur van de 20e eeuw merkbaar is. Langs het park loopt de Badhuisweg, vernoemd naar de classicistische voorganger van het Kurhaus, die al in 1835 was aangelegd.
Aan de oostzijde van de wijk ligt de strafgevangenis aan de Pompstationsweg. Het poortgebouw vormt daarbij het middelpunt tussen de sober en zorgvuldig vormgegeven dienstwoningen. Aan de zijde van de Van Alkemadelaan is in een deel van de strafgevangenis het Nationaal Monument Oranjehotel ondergebracht.
Ongeveer gelijk met de ontwikkeling van het Belgisch Park en in dezelfde geest werd de aanzet gegeven voor wat nu het villapark Westbroekpark is. De wijk is na het afgraven van de duingrond aan het eind van de 19e eeuw in verschillende fasen en met een verspreide ligging tot stand gekomen. Het beeld van de wijk wordt bepaald door het vele groen. Het Westbroekpark bestaat naast het gelijknamige park uit de wijken Wittebrugkwartier, Klattepark en Duttendel.
Het gehucht Wittenbrug, dat bestond uit enkele huizen en een café aan de Badhuisweg, werd opgenomen in de nieuwe aanleg. Het Wittebrugkwartier wordt gekenmerkt door dubbele villa’s in overgangsarchitectuur en Engelse landhuisstijl. In het gebied van het Westbroekpark staan luxe villa’s in overgangsarchitectuur langs een slingerend stratenpatroon. Opvallend zijn de Rudolf Steinerkliniek (1926-1928) in antroposofische stijl en villa De Zeemeeuw (1901-1902) van Henri van de Velde als goed voorbeeld van de Art Nouveau. Het Westbroekpark zelf werd aangelegd in 1925 en is geïnspireerd op de Engelse landschapsstijl. Het Klattepark is, net als Zorgvliet, een villawijk voor de zeer rijken. Het villawijkje werd vanaf 1912 gebouwd en kent villa’s van zeer grote omvang in Engelse landhuisstijl en de stijl van de Um 1800-Bewegung. Duttendel ligt in het verlengde van het Klattepark en behoort niet tot het beschermde deel.
Landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken
De stedenbouwkundige structuur, de architectuur en het groen van het Belgische Plein en de van daaruit straalsgewijs kromlijnige straten, met in het bijzonder ook: de Luiksestraat die ten zuiden van het plein de Antwerpse en de Gentsestraat verbindt; de Brugsestraat met aangrenzende straten in een slingerend beloop
Het Westbroekpark en Belgisch Park heeft een hoogwaardig stadsbeeld door de enorme afwisseling in het karakter van de verschillende wijken in het gebied. Hier liggen naast elkaar kleine villabuurten in het (oorspronkelijke en) veranderde duinlandschap.
De schaal, structuur en beeldbepalende bebouwing in relatie tot het water en de uitgestrekte, gevarieerde groengebieden geven aan de verschillende delen van het gebied rondom het Westboekpark en het Belgisch Park haar bijzondere ruimtelijke kwaliteit. Het hier omschreven gebied is van belang wegens bijzondere landschappelijke, stedenbouwkundige, cultuur- en architectuurhistorische waarden.
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het rijksbeschermd stadsgezicht Westbroekpark/Belgisch Park en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
Het Zeeheldenkwartier is, na het Willemspark en het Huygenspark in het centrum, de derde stadsuitbreiding buiten de Haagse singelgrachten. De wijk is tussen 1870 en 1890 gebouwd in een voormalige polder. Het stratenplan uit 1866 wordt gekenmerkt door een rechthoekige structuur met smalle straten, waarbij de bestaande verkaveling van sloten en wegen werd gevolgd, en een hoge bebouwingsdichtheid met aaneengesloten huizen in eclectische stijl. Opvallend zijn het ovale Anna Paulownaplein en het centrale Prins Hendrikplein. Beide pleinen liggen in één as met Plein 1813, maar worden niet door een doorlopende straat verbonden. De aanleg van de Vondelstraat in 1927 betekende een drastische ingreep in de structuur van de wijk. De diagonaal lopende Vondelstraat werd dwars door het zuidelijke deel van het Zeeheldenkwartier aangelegd om de verbinding met het centrum te verbeteren. Langs de Vondelstraat werden tussen 1929 en 1931 vierlaagse portiekwoningen in Haagse School stijl gebouwd. De Piet Heinstraat ontwikkelde zich tot een belangrijke winkelstraat, waarbij met name de winkelpuien in neorenaissance en Art Nouveau zijn uitgevoerd. Een deel van de wijk is aangewezen als stadsvernieuwingsgebied. De wijk heeft een goed bewaard historisch karakter, typerend voor het Den Haag van de jaren rond 1880.
Landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken
Goed bewaard 19e eeuws bebouwingsbeeld met nog gave ensembles van aaneengesloten bouwwerken. Met qua uiterlijk vergelijkbare bouwwerken, die afzonderlijk (individueel) te duiden (vormgegeven) zijn (in tegenstelling tot ensembles die in 1 keer zijn ontworpen). Woningen zijn een zelfstandig onderdeel in de straatwand
Eclecticisme grijpt terug op classicistische bouwstijlen. Gevels worden beëindigd met een rechte kroonlijst en een hoog (verbijzonderd) fries, ramen worden omlijst met een stucrand, profiellijst en bekroond met een ornament. Heldere compositie van de gevel, symmetrische opbouw. Deze stijl is met name zichtbaar in het oostelijk deel
Neorenaissance uit zich voornamelijk als ‘façade’ architectuur en kenmerkt zich door de eenheid in vorm. Horizontale spekbanden geleden de straatwand. Ingangspartijen, erkers en dakkapellen geven reliëf en een zekere verticaliteit aan de gevel. Plastiek in de gevel door verdiepte kozijnen en gevelornamenten. Deze stijl is met name zichtbaar in het westelijk deel
Art Nouveau maakt gebruik van nieuwe materialen vormen en technieken. Woonhuizen in gele, oranje, witte of rode baksteen afgewisseld met contrasterend gekleurde en geglazuurde bakstenen. Verlevendiging en grote verscheidenheid aan architectonisch vormgegeven onderdelen zoals erkers, balkons, torens en koepels. Zowel uitbundige lijnvoering en op de natuur geïnspireerde vormen als de strakke en meer geometrische versie komen voor. Deze stijl komt vaak voor bij winkelpuien
Het Zeeheldenkwartier is een overwegend gaaf voorbeeld van een in het derde en vierde kwart van de 19e eeuw gerealiseerde uitbreidingswijk voor de middenstand waarvoor het rechte verkavelingspatroon en het gesloten bouwblok kenmerkend zijn. Waardevol zijn tevens de stedenbouwkundige situering van de doorsnijding van de Vondelstraat en de twee pleinen. Van hoge kwaliteit zijn de vele verbouwingen die tussen 1900 en 1915 zijn gerealiseerd, waarbij met name de winkelfunctie op de begane grond van winkelpuien in neorenaissance en Art Nouveau stijl opvalt. De wijk is van belang vanwege de bijzondere stedenbouwkundige, cultuur- en architectuurhistorische waarden.
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het gemeentelijk beschermd stadsgezicht Zeeheldenkwartier en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
De villawijk Zorgvliet is ontstaan in het tweede decennium van de 20e eeuw op de gelijknamige buitenplaats van de staatsman en dichter Jacob Cats. De wijk ligt in het grote aaneengesloten stedelijke groengebied dat overloopt naar de Scheveningse Bosjes tot aan de Nieuwe Scheveningse Bosjes en Klein Zwitserland. Zorgvliet draagt in hoge mate bij aan het groene stadsbeeld en heeft mede hierdoor een belangrijke recreatieve functie.
Kenmerkend voor de stedenbouwkundige opzet van Zorgvliet is de landschappelijke aanleg in een glooiend terrein met gebogen straten en veel groen. De bebouwing van Zorgvliet bestaat voornamelijk uit, voor Nederlandse begrippen, ongekend grote villa's. De relatie tussen de bebouwing, het groen en het water in zijn parkachtige aanleg heeft hoge landschappelijke waarde en een unieke ruimtelijke kwaliteit.
Bij de aanleg zag een Schoonheidscommissie destijds toe op de esthetische kwaliteit van de villa’s. Tussen 1913 en 1915 werden in de wijk villa’s gebouwd in een sterk historiserende stijl. Centraal in de wijk vormt het appartementengebouw Zorgvliet een verbijzondering. Op het terrein van de voormalige buitenplaats Buitenrust werd aan de zuidzijde van de wijk tussen 1907 en 1913 het monumentale Vredespaleis gerealiseerd in neorenaissance stijl te midden van fraaie tuinen.
Landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken
Naast villa’s ook voorbeelden van karakteristieke ‘woonhotels’ uit de jaren ’20 in Nieuwe Haagse School architectuur, luxe appartementen met centrale voorzieningen. Ondanks de afwijkende schaal van deze gebouwen is door een compositie met een geleidelijke opklimmende hoogte van bouwdelen is aansluiting gezocht met de omgeving
De karakteristiek van deze vroeg 20e eeuwse wijk bestaat uit een landschappelijke aanleg in glooiend terrein met riante villa's in grote tuinen aan een overwegend gebogen stratenpatroon. Zorgvliet is van belang wegens bijzondere landschappelijke, stedenbouwkundige, cultuur- en architectuurhistorische waarden.
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Bepalend voor het rijksbeschermd stadsgezicht Zorgvliet en uitgangspunten voor ingrepen in dit beschermd stadsgezicht zijn:
Het Zuiderpark ligt ten zuidwesten van het centrum en maakte deel uit van het uitbreidingsplan van H.P. Berlage uit 1908. Het park was bedoeld voor de bewoners van zuidwest Den Haag, omdat de hier gesitueerde arbeiderswijken nauwelijks enige groenvoorziening bezaten. Het uiteindelijke ontwerp, de aanleg en de inrichting verliepen aanvankelijk erg traag, maar in 1936 kon het Zuiderpark worden geopend. Het recreatiepark bestaat uit een kern met speelweiden en vijvers, met daar omheen sportterreinen, een boomkwekerij van de Gemeentelijke Plantsoenendienst, een rosarium, een hertenkamp en een 17e eeuwse eendenkooi. Een ringweg vormt de verbindende route waarlangs de diverse parkonderdelen bereikbaar zijn. De monumentale hoofdentree aan het Veluweplein met de bakstenen kolommen en bronzen beelden van Corinne Franzen-Heslenfeld dateert uit 1939-1940. Rondom het ruim 100 hectare grote park is een ringsloot aangelegd ten behoeve van de afwatering.
Het Zuiderpark heeft een landschappelijke aanleg en er staan maar enkele gebouwen, waaronder een boerderij, een sportpark en een horecapaviljoen. Tot voor kort bevond zich hier het stadion van ADO-Den Haag, maar dit is verhuisd naar nieuwbouw in het Forepark. Al in 1925 werd het openluchtzwembad geopend, een langwerpig bad van maar liefst 163 meter lang met afgeronde hoeken, dat was verdeeld in een mannen- en een vrouwenbassin. Dit zwembad is in 1993 gesloten en vervangen door horeca en een overdekt zwembad. Het Zuiderpark heeft haar bijzondere karakter van volkspark met verschillende voorzieningen tot op heden behouden.
Landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken en waardering
Uitgangspunten voor de Nota omgevingskwaliteit
Voor het rijksbeschermd stadsgezicht Zuiderpark zijn geen uitgangspunten opgesteld. De landschappelijke waarden en de beperkte bebouwing maken iedere ingreep in dit stadsgezicht maatwerk.
Op 10 februari 2022 heeft de gemeenteraad het besluit tot aanwijzing als gemeentelijk beschermd stadsgezicht van de Drevenbuurt ingetrokken. Op 9 februari 2023 heeft de raad besloten het intrekkingsbesluit aan te passen en de aanwijzing van de Drevenbuurt tot beschermd stadsgezicht fasegewijs in te trekken effectuerend met een nieuw planologisch kader voor de Drevenbuurt. Dat gebeurt met het bestemmingsplan Dreven 1.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-35622.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.