Erfgoedverordening Gemeente Brunssum 2026

De raad van de Gemeente Brunssum;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 19 mei 2026

gelet op het bepaalde in de Erfgoedwet en de Omgevingswet;

 

Besluit:

tot vaststelling van de navolgende ‘Erfgoedverordening Gemeente Brunssum 2026’ onder gelijktijdige intrekking van de Erfgoedverordening Gemeente Brunssum 2013.

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen

adviescommissie: een commissie zoals bedoeld in de ‘Verordening op de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit, gemeente Brunssum 2024’.

 

archeologisch onderzoek: onderzoek dat tot doel heeft vast te stellen of, en in welke mate, in een bepaald gebied archeologische waarden aanwezig zijn, om deze waarden te beschermen, te behouden, te documenteren of te beheren.

 

beslistabel: de tabel, waarin per waardecategorie, zoals aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart, de criteria zijn vermeld, die aangeven in welk geval al dan niet een onderzoeksplicht geldt en die als [bijlage 3] integraal onderdeel uitmaakt van deze verordening.

 

bevoegd gezag:

bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de vergunningverlening en handhaving als bedoeld in artikel 2.3 van de Omgevingswet;

 

bouwhistorisch onderzoek: onderzoek dat voldoet aan de vigerende ‘Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek’ uitgave Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed;

 

college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum;

 

cultuurhistorisch onderzoek: onderzoek, in een schriftelijke rapportage vastgelegd, dat zich richt op de aanwezigheid, aard, betekenis en waarde van archeologie, aardkundige waarden, architectuurgeschiedenis, historische bouwkunde, bouw- en tuinhistorie, stedenbouwkunde en historische geografie;

 

cultuurhistorisch waardevolle landschappen en landschapselementen: het door menselijk denken en handelen bepaalde en gevormde deel van het cultuurlandschap;

 

fysieke leefomgeving: de fysieke leefomgeving zoals omschreven in artikel 1.2 lid 2 van de Omgevingswet.

 

gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven en daaraan gekoppeld een archeologische waardecategorie met bijbehorende vrijstellingsgrenzen en die als Bijlage 2 integraal onderdeel uitmaakt van deze verordening;

 

gemeentelijk cultuurgoed: erfgoed dat ‘verplaatsbaar’ en 'tastbaar' is en dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit.

 

gemeentelijk erfgoedregister: een register zoals bedoeld in artikel 3.16 lid 3 van de Erfgoedwet;

 

gemeentelijk monument: onroerende zaak als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet dat staat ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;

 

kerkelijk monument: kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

 

monumententeam: een van ambtelijke deskundige of deskundigen op het gebied van erfgoed;

 

normaal onderhoud: onderhoud als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

 

plan van aanpak: plan waarin inzichtelijk is gemaakt hoe de archeologische werken gaan voldoen aan de vereisten van de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;

 

Programma van Eisen:

Een Programma van Eisen (PvE) is een inhoudelijk document waarin het doel, de vraagstelling en de uitvoeringswijze van een gravend archeologisch veldonderzoek en specialistisch onderzoek verwoord staan, alsook de randvoorwaarden van het onderzoek en van het uitvoerend bedrijf. Het PvE dient te voldoen aan de eisen van de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en dient door het bevoegd gezag te worden goedgekeurd vooraleer het archeologisch veldonderzoek kan plaatsvinden.

 

redengevende omschrijving: een waardestellende beschrijving waarmee een zaak is aangewezen als beschermd erfgoed;

 

regio-archeoloog: een archeoloog die verantwoordelijk is voor het coördineren, adviseren en toezien op archeologisch onderzoek en -beleid binnen Parkstad.

 

roerend monument: een monument dat zichzelf kan verplaatsen, zoals een vaartuig of railvoertuig;

 

vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet;

 

voorlopig monument: zaak of terrein waarover aan de eigenaar een voornemen tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2:1, 3:1, 4:1 en 5:1 kenbaar is gemaakt.

 

waarderingscriteria: de door de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed ontwikkelde standaard voor het waarderen van erfgoed;

Artikel 1:2 Reikwijdte

  • 1.

    Deze verordening is alleen van toepassing op zaken, terreinen en stadsgezichten gelegen in de gemeente Brunssum.

  • 2.

    Deze verordening ziet alleen op bescherming op gemeentelijk niveau, betreffende gemeentelijke monumenten, gemeentelijk beschermde stadsgezichten en beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen.

Artikel 1:3 Doel

Het doel van deze verordening is het in stand houden, beschermen en benutten van gemeentelijk cultureel erfgoed.

Artikel 1:4 Gemeentelijk erfgoedregister

  • 1.

    Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed.

  • 2.

    Het gemeentelijk erfgoedregister bevat:

    • a.

      gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed;

    • b.

      gegevens over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht;

    • c.

      gegevens over de door het college van gedeputeerde staten ontvangen afschriften van inschrijving van een monument die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht.

Artikel 1:5. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister en archeologische beleidskaart

  • 1.

    Het college kan wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister en aan de archeologische beleidskaart.

  • 2.

    Indien de wijziging ziet op het schrappen uit het gemeentelijk erfgoedregister of van de archeologische beleidskaart zijn de artikelen 2:8, 3:8, 4:6 en 5:5 van overeenkomstige toepassing, tenzij dat de onroerende of roerende zaak is tenietgegaan.

Hoofdstuk 2: Archeologisch erfgoed

Paragraaf 2.1 Aanwijzing gemeentelijke archeologische monumenten

Artikel 2:1 Aanwijzing als gemeentelijk archeologisch monument

  • 1.

    Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, besluiten een onroerende zaak, die van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, (archeologische) betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk archeologisch monument.

  • 2.

    Het college kan bepalen dat, ten behoeve van de aanwijzing van een roerende zaak als gemeentelijk archeologisch monument een cultuurhistorisch en/of archeologisch onderzoek dient te worden verricht.

  • 3.

    Het college stelt alle zakelijk gerechtigden tot de onroerende zaak schriftelijk in kennis van:

    • a.

      de aanvraag tot aanwijzing als gemeentelijk archeologisch monument, of;

    • b.

      het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk archeologisch monument.

  • 4.

    Het college stelt alle zakelijk gerechtigden tot de onroerende zaak in de gelegenheid te worden gehoord.

  • 5.

    Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      rijksmonumenten, en;

    • b.

      archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 2:2 Voorbescherming

  • 1.

    De bescherming van paragraaf 2.2 is van overeenkomstige toepassing op een onroerende zaak ten aanzien waarvan een aanvraag of een voornemen als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, is bekendgemaakt.

  • 2.

    De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of wanneer het verzoek of voornemen niet heeft geleid tot aanwijzing.

Artikel 2:3 Advies adviescommissie en regio-archeoloog

  • 1.

    Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 2:1, eerste lid, advies aan de adviescommissie en de regio-archeoloog.

  • 2.

    De adviescommissie en de regio-archeoloog brengen binnen zes weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk een advies uit.

Artikel 2:4. Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag.

  • 2.

    Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste zes weken verlengen.

  • 3.

    Indien de adviescommissie op het moment dat het college een besluit neemt nog geen advies heeft uitgebracht en de in artikel 2:3, tweede lid, genoemde termijn is verstreken, wordt de adviescommissie geacht het advies van het monumententeam te hebben overgenomen.

  • 4.

    Artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:5. Inhoud aanwijzingsbesluit

De aanwijzing bevat in ieder geval:

  • a.

    gegevens over de inschrijving ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk archeologisch monument;

  • b.

    een beschrijving van de archeologische waarden.

Artikel 2:6. Mededeling en registratie aanwijzingsbesluit

  • 1.

    De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan de aanvrager en alle zakelijk gerechtigden tot de onroerende zaak.

  • 2.

    Het college verwerkt de aanwijzing direct in het:

    • a.

      gemeentelijk erfgoedregister;

    • b.

      gemeentelijk beperkingenregister.

Artikel 2:7. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk archeologisch monument

  • 1.

    In een spoedeisend geval kan het college een onroerende zaak aanwijzen als voorlopig archeologisch monument. In afwijking op artikel 2:3 wordt in dat geval aan de adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk archeologisch monument.

  • 2.

    Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk archeologisch monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 2:1, eerste lid.

  • 3.

    Artikel 2:2 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

Artikel 2:8. Wijzigen of intrekking aanwijzing als gemeentelijk archeologisch monument

  • 1.

    Het college kan ten aanzien van gemeentelijke archeologische monumenten of voorlopige gemeentelijke archeologische monumenten al dan niet op aanvraag van een belanghebbende wijzigen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 2.

    Bij toepassing van lid 1 zijn de artikelen 2:3 tot en met 2:6 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor aanwijzing wordt gelezen wijzigingsbesluit of intrekking van de aanwijzing.

  • 3.

    Indien de wijziging naar oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing als bedoeld in lid 2 achterwege.

  • 4.

    Het college kan voorwaarden verbinden aan de wijziging of intrekking van de aanwijzing.

  • 5.

    De wijziging of intrekking wordt schriftelijk medegedeeld aan alle zakelijk gerechtigden.

  • 6.

    Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag dat het gemeentelijk archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

     

Paragraaf 2.2 Bescherming gemeentelijke archeologisch erfgoed

Artikel 2:9. Instandhoudingsplicht

Het is verboden om een gemeentelijk archeologisch monument te beschadigen of te vernielen.

Artikel 2:10. Omgevingsvergunning

  • 1.

    Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de bodem te verstoren, in een gemeentelijk archeologisch monument of in een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht, zoals opgenomen op de vigerende [gemeentelijke archeologische beleidskaart]. Hiervoor geldt:

    • a.

      in gebieden van archeologische zeer hoge waarde (categorie 2/ waarde archeologie 2) onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 40 cm onder maaiveld en met een omvang van meer dan 100m2;

    • b.

      in gebieden met een hoge archeologische verwachting, historische kern (categorie 3/ waarde archeologie 3) onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 40 cm onder maaiveld en met een omvang van meer dan 250m2;

    • c.

      in gebieden met een middelhoge archeologische verwachting (categorie 4/ waarde archeologie 4) onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 40 cm onder maaiveld en met een omvang van meer dan 2500m2;

    • d.

      in gebieden met een lage archeologische verwachting (categorie 5/ waarde archeologie 5) onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 40 cm onder maaiveld en met een omvang van meer dan 10.000m2;

    • e.

      in gebieden met geen archeologische verwachting (categorie 6/ waarde archeologie 6) als het project Mer of tracéwet plichtig is.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      als het de verstoring betreft van een gebied van archeologische waarde of gebied met een hoge, middelhoge of lage archeologische verwachting dat is aangegeven op de vigerende gemeentelijke archeologische beleidskaart en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door de gemeenteraad vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring, zoals vermeld onder artikel 2:10 lid 1.

    • b.

      als de activiteit plaatsvindt op basis van een door het college goedgekeurde beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologisch erfgoed rekening wordt gehouden en onevenredige schade aan archeologische waarden wordt voorkomen, of;

    • c.

      als met een onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 2:11. Advies adviescommissie/regioarcheoloog

  • 1.

    Het college vraagt over een omgevingsvergunning met betrekking tot gemeentelijke archeologische monumenten advies aan de adviescommissie/regioarcheoloog.

  • 2.

    De adviescommissie/regioarcheoloog en het monumententeam brengen binnen zes weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk een advies uit.

  • 3.

    In het geval de adviescommissie/regioarcheoloog op het moment dat het college een besluit neemt nog geen advies heeft uitgebracht én de in artikel 2:11, tweede lid, bedoelde termijn is verstreken, wordt de adviescommissie geacht het advies van het monumententeam te hebben overgenomen.

Artikel 2:12. Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag omgevingsvergunning.

  • 2.

    Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste zes weken verlengen.

  • 3.

    Artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:13. Weigeringsgronden

  • 1.

    Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2:10, lid 1, kan slechts worden verleend als:

    • a.

      naar oordeel van het college in voldoende mate blijkt dat:

      • i.

        het behoud van de archeologische waarden is geborgd; of

      • ii.

        de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of

      • iii.

        in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

    • b.

      Het belang van de archeologische monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

  • 2.

    Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/ gebieden die in overeenstemming met paragraaf 3.1 van de Erfgoedwet zijn aangewezen als beschermd archeologisch rijksmonument.

Artikel 2:14. Archeologisch onderzoek

Als binnen het grondgebied van de gemeente archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd in de zin van de Erfgoedwet, paragraaf 5.1, dienen onverminderd de bepalingen van deze wet. In aanvulling daarop geldt dat:

  • a.

    het college bij gravend onderzoek een programma van eisen vaststelt als bedoeld in artikel 1:1 van deze erfgoedverordening, waarbij nadere eisen worden gesteld aan het onderzoek;

  • b.

    de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1:1 van deze erfgoedverordening ter goedkeuring aan het college te overleggen.

Hoofdstuk 3: Gebouwde monumenten en monumentale objecten

Paragraaf 3.1 Aanwijzing gemeentelijke monumenten

Artikel 3:1. Aanwijzing als gemeentelijke monumenten

  • 1.

    Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, besluiten een onroerende zaak, dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.

  • 2.

    De aanwijzing wordt gebaseerd op een redengevende omschrijving die opgebouwd is aan de hand van waarderingscriteria:

    • a.

      conform bijlage 1, lid A voor gebouwde monumenten en monumentale objecten;

    • b.

      conform bijlage 1, lid B voor funerair erfgoed.

  • 3.

    Het college kan bepalen dat ten behoeve van de aanwijzing van een onroerende zaak als gemeentelijk monument een bouwhistorisch, cultuurhistorisch en/of archeologisch onderzoek dient te worden verricht.

  • 4.

    Het college stelt alle zakelijk gerechtigden tot de onroerende zaak schriftelijk in kennis van:

    • a.

      de aanvraag tot aanwijzing als gemeentelijk monument, of;

    • b.

      het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument.

  • 5.

    Het college stelt alle zakelijk gerechtigden tot de onroerende zaak in de gelegenheid te worden gehoord.

  • 6.

    Voordat het college een kerkelijk monument, dat uitsluitend of waarvan een overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert het college overleg met de eigenaar.

  • 7.

    Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      rijksmonumenten, en;

    • b.

      monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 3:2. Voorbescherming

  • 1.

    De bescherming van paragraaf 3.2 is van overeenkomstige toepassing op een onroerende zaak ten aanzien waarvan een aanvraag of voornemen als bedoeld in artikel 3:1, vierde lid, is bekendgemaakt.

  • 2.

    De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of wanneer het verzoek of voornemen niet heeft geleid tot een aanwijzing.

Artikel 3:3. Advies adviescommissie

  • 1.

    Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de aan de adviescommissie.

  • 2.

    De adviescommissie en het monumententeam brengen binnen zes weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk een advies uit.

Artikel 3:4. Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag.

  • 2.

    Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste zes weken verlengen.

  • 3.

    In het geval de adviescommissie op het moment dat het college een besluit neemt nog geen advies heeft uitgebracht en de in artikel 3:3, tweede lid, bedoelde termijn is verstreken, wordt de adviescommissie geacht het advies van het monumententeam te hebben overgenomen.

  • 4.

    Artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:5. Inhoud aanwijzingsbesluit

De aanwijzing bevat in ieder geval:

  • a.

    gegevens over de inschrijving ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk monumenten;

  • b.

    redengevende omschrijving.

Artikel 3:6. Mededeling en registratie aanwijzingsbesluit

  • 1.

    De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan de aanvrager en alle zakelijk gerechtigden tot de onroerende zaak.

  • 2.

    Het college verwerkt de aanwijzing direct in het:

    • a.

      gemeentelijk erfgoedregister;

    • b.

      gemeentelijk beperkingenregister.

Artikel 3:7. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument

  • 1.

    In een spoedeisend geval kan het college een roerende zaak aanwijzing als voorlopig monument. In afwijking op artikel 3:3 wordt in dat geval aan de adviescommissie adviesgevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.

  • 2.

    Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monumenten vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid.

  • 3.

    Artikel 3:2 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

Artikel 3:8. Wijziging of intrekking aanwijzing gemeentelijk monument

  • 1.

    Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten al dan niet op aanvraag van een belanghebbende wijzigen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 2.

    Bij toepassing van lid 1 zijn artikel 3:3 tot en met artikel 3:6 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor aanwijzing wordt gelezen wijzigingsbesluit of intrekking van de aanwijzing.

  • 3.

    Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing als bedoeld in lid 2 achterwege.

  • 4.

    Het college kan voorwaarden verbinden aan de wijziging of intrekking van de aanwijzing.

  • 5.

    De wijziging of intrekking wordt schriftelijk medegedeeld aan alle zakelijk gerechtigden.

  • 6.

    Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag dat het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

     

PARAGRAAF 3.2 Bescherming gemeentelijke monumenten

Artikel 3:9. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument

Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 3:10. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument:

    • a.

      te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of;

    • b.

      te herstellen, te restaureren, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of;

    • b.

      inpandige veranderingen van het gemeentelijk monument voor zover op voorhand middels een bouwhistorisch onderzoek is aangetoond het een onderdeel betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg een indifferente of storende waarde heeft;

    • c.

      het binnen een monument als begraafplaats in gebruik is met in achtneming van de monumentale waarden:

      • i.

        plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;

      • ii.

        doen van begravingen of asbijzettingen, of;

      • iii.

        ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument.

  • 3.

    Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden wanneer en onder welke voorwaarden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid, kan worden opgelegd.

  • 4.

    Het college kan nadere gegevens eisen ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning.

Artikel 3:12. Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag omgevingsvergunning.

  • 2.

    Het college kan het in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste zes weken verlengen.

  • 3.

    Artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:13. Weigeringsgronden

  • 1.

    De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

Hoofdstuk 4: Cultuurhistorisch waardevolle landschappen en landschapselementen

Paragraaf 4.1: Aanwijzing beschermde cultuurhistorisch waardevolle landschappen en landschapselementen

Artikel 4:1 Aanwijzing beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement

  • 1.

    De gemeenteraad kan, op voorstel van het college,:

    • a.

      een cultuurhistorisch waardevol landschap aanwijzen als beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap;

    • b.

      een cultuurhistorisch waardevol landschapselement aanwijzen als beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement.

  • 2.

    De aanwijzing wordt gebaseerd op een redengevende omschrijving die opgebouwd is aan de hand van waarderingscriteria conform bijlage 1, lid C voor cultuurhistorisch waardevolle landschappen en landschapselementen

  • 3.

    Het college kan bepalen dat ten behoeve van de aanwijzing van een beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of een beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement een cultuurhistorisch en/of archeologisch onderzoek dient te worden verricht.

  • 4.

    Het college stelt alle zakelijk gerechtigden tot de onroerende zaak of zaken in de gelegenheid te worden gehoord.

  • 5.

    Dit artikel is niet van toepassing op erfgoed dat is aangewezen op grond van de [kaart monumentale bomen Brunssum].

  • 6.

    Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      rijksmonumenten, en;

    • b.

      monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 4:2. Advies adviescommissie

  • 1.

    Voordat de gemeenteraad over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de aan de adviescommissie.

  • 2.

    De adviescommissie en het monumententeam brengen binnen zes weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk een advies uit.

Artikel 4:3. Beslistermijn

  • 1.

    De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na ontvangst van een aanvraag.

  • 2.

    Indien de adviescommissie op het moment dat de gemeenteraad een besluit neemt nog geen advies heeft uitgebracht en de in artikel 4:2, tweede lid, bedoelde termijn is verstreken, wordt de adviescommissie geacht het advies van het monumententeam te hebben overgenomen.

  • 3.

    Artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4:4. Inhoud aanwijzingsbesluit

De aanwijzing bevat in ieder geval:

  • a.

    gegevens over de inschrijving ter identificatie van het aangewezen beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement;

  • b.

    een kaart met begrenzingen van het beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement.

  • c.

    redengevende omschrijving.

Artikel 4:5. Mededeling en registratie aanwijzingsbesluit

  • 1.

    De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan de aanvrager en alle zakelijk gerechtigden tot de onroerende zaak.

  • 2.

    Een aangewezen beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 3.

    De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van artikel 4:1, eerste lid, aangewezen beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement een bestemmingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement kan hiertoe een termijn worden gesteld.

  • 4.

    Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt.

Artikel 4:6. Wijziging of intrekking aanwijzing beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement

  • 1.

    De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 4:1, eerste lid, wijzigen of intrekken.

  • 2.

    Bij toepassing van lid 1 zijn artikel 4:2 en 4:3 hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het beschermd cultuurhistorisch landschap of beschermd cultuurhistorisch landschapselement waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgedaan.

  • 3.

    Het college kan voorwaarden verbinden aan de wijziging of intrekking van de aanwijzing.

  • 4.

    De wijziging of intrekking wordt schriftelijk medegedeeld aan alle zakelijk gerechtigden.

     

Paragraaf 4.2 Bescherming Cultuurhistorisch waardevolle landschappen en landschapselementen

Artikel 4:7. Instandhoudingsplicht beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement

Het is verboden om een cultuurhistorisch waardevol landschap of een cultuurhistorisch waardevol landschapselement te beschadigen of te vernielen.

Artikel 4:8. Omgevingsvergunning beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking op een omgevingsvergunning van het college een beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement:

    • a.

      te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of;

    • b.

      te herstellen, te restaureren, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      de uitvoering van normaal beheer, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of;

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen aan het verlenen van een omgevingsvergunning.

Artikel 4:9. Advies adviescommissie

  • 1.

    Het college vraagt over de omgevingsvergunning advies aan de adviescommissie.

  • 2.

    De adviescommissie en het monumententeam brengen binnen zes weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk een advies uit.

  • 3.

    In het geval de adviescommissie op het moment dat het college een besluit neemt nog geen advies heeft uitgebracht en de in artikel 4:9, tweede lid, bedoelde termijn is verstreken, wordt de adviescommissie geacht het advies van het monumententeam te hebben overgenomen.

Artikel 4:10. Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag omgevingsvergunning.

  • 2.

    Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste zes weken verlengen.

  • 3.

    Artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4:11. Weigeringsgronden

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als de cultuurhistorische waarden niet worden aangetast.

Hoofdstuk 5: Beschermde gemeentelijke cultuurgoederen

Paragraaf 5.1 Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed en gemeentelijk beschermde verzameling

Artikel 5:1. Aanwijzing van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed en een beschermde gemeentelijke verzameling

  • 1.

    Het college kan besluiten om, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een:

    • a.

      gemeentelijk cultuurgoed aan te wijzen als beschermd gemeentelijk cultuurgoed;

    • b.

      verzameling van gemeentelijke cultuurgoederen aan te wijzen als beschermde gemeentelijke verzameling.

  • 2.

    Een aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling kan enkel van toepassing zijn op zaken die in eigendom zijn van, of waarvan de zorg is toevertrouwd aan:

    • a.

      de gemeente Brunssum

    • b.

      een museum

    • c.

      erfgoedverenigingen

  • 3.

    De aanwijzing wordt gebaseerd op een redengevende omschrijving die opgebouwd is aan de hand van de waarderingscriteria conform bijlage 1, lid D cultuurgoederen.

  • 4.

    Het college stelt alle zakelijke gerechtigden tot de roerende zaak schriftelijk in kennis van:

    • a.

      de aanvraag tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed, of;

    • b.

      het voornemen tot aanwijzing als beschermde gemeentelijke verzameling.

  • 5.

    Voor de aanwijzing van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling is toestemming van de eigenaar vereist.

  • 6.

    Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen van cultuurgoederen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en;

    • b.

      cultuurgoederen aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 5:2 Advies adviescommissie

  • 1.

    Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de aan de adviescommissie.

  • 2.

    De adviescommissie en het monumententeam brengen binnen twee weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk een advies uit.

Artikel 5:3 Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag.

  • 2.

    Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste zes weken verlengen.

  • 3.

    In het geval de adviescommissie op het moment dat het college een besluit neemt nog geen advies heeft uitgebracht en de in artikel 5:2, tweede lid, bedoelde termijn is verstreken, wordt de adviescommissie geacht het advies van het monumententeam te hebben overgenomen.

  • 4.

    Artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5:4 Mededeling en registratie aanwijzingsbesluit

  • 1.

    De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan de aanvrager en de eigenaar van het aangewezen beschermd gemeentelijk cultuurgoed of de beschermde gemeentelijke verzameling.

  • 2.

    Het college verwerkt de aanwijzing direct in het:

    • a.

      gemeentelijk erfgoedregister;

    • b.

      gemeentelijk beperkingenregister.

Artikel 5:5. Wijziging of intrekking aanwijzing beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling

  • 1.

    Het college kan ten aanzien van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, wijzigen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 2.

    Bij toepassing van lid 1 zijn artikel 5:2 tot en met artikel 5:4 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor aanwijzing wordt gelezen wijzigingsbesluit of intrekking van de aanwijzing.

  • 3.

    Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing als bedoeld in lid 2 achterwege.

  • 4.

    Het college kan voorwaarden verbinden aan de wijziging of intrekking van de aanwijzing.

  • 5.

    De wijziging of intrekking wordt schriftelijk medegedeeld aan de eigenaar.

  • 6.

    Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag dat het beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 3.11 van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

     

Paragraaf 5.2 Bescherming beschermd gemeentelijk beschermd cultuurgoed en beschermde gemeentelijke verzameling

Artikel 5:6 Instandhoudingsplicht beschermd gemeentelijk cultuurgoed en beschermde gemeentelijke verzameling

  • 1.

    Het is verboden om een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling te beschadigen of te vernielen

  • 2.

    Indien een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling op een locatie bewaard wordt anders dan gespecificeerd in het erfgoedregister dient het college hier onverwijld van op de hoogte te worden gesteld.

Hoofdstuk 6: Overige bepalingen

Artikel 6:1 Strafbepaling

Overtreding van hetgeen benoemd in artikel 2:9, 2:10, 3:9, 3:10, 5:6 wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Artikel 6:2 Toezichthouders

  • 1.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaald bij of krachtens deze verordening zijn belaste bij besluit van het college aangewezen personen.

  • 2.

    Het college kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

Artikel 6:3 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking de dag nadat de bekendmaking is geschied.

  • 2.

    Op dat tijdstip vervalt de ‘Erfgoedverordening Gemeente Brunssum 2013’, vastgesteld bij het besluit van 1 oktober 2013.

Artikel 6:4 Overgangsrecht

  • 1.

    Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

  • 2.

    Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning is ingediend, waarover nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden, wordt daarop de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid toegepast.

Artikel 6:5 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als ‘Erfgoedverordening Gemeente Brunssum 2026’.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 7 juli 2026.

Bijlage 1 – Waarderingscriteria

A. Gebouwde monumenten en monumentale objecten

I. Cultuurhistorische waarde:

  • 1.

    belang van het object/complex als bijzondere uitdrukking van (een) culturele, sociaal-economische en/of bestuurlijke/beleidsmatige en/of geestelijke ontwikkeling(en);

  • 2.

    belang van het object/complex als bijzondere uitdrukking van (een) geografische, landschappelijke en/of historisch-ruimtelijke ontwikkeling;

  • 3.

    belang van het object/complex als bijzondere uitdrukking van (een) technische en/of typologische ontwikkeling(en);

  • 4.

    belang van het object/complex wegens innovatieve waarde of pionierskarakter;

  • 5.

    belang van het object/complex wegens bijzondere herinneringswaarde.

II. Architectuur- en kunsthistorische waarde:

  • 1.

    bijzonder belang van het object/complex voor de geschiedenis van de architectuur en/of bouwtechniek;

  • 2.

    bijzonder belang van het object/complex voor het oeuvre van een bouwmeester, architect ingenieur of kunstenaar;

  • 3.

    belang van het object/complex wegens de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van het ontwerp;

  • 4.

    belang van het object/complex wegens het bijzondere materiaalgebruik, de ornamentiek en/of monumentale kunst;

  • 5.

    belang van het object/complex wegens de bijzondere samenhang tussen exterieur en interieur(onderdelen).

III. Situationele en ensemblewaarde:

  • 1.

    betekenis van het object als essentieel (cultuurhistorisch, functioneel en/of architectuurhistorisch en visueel) onderdeel van een complex;

  • 2.
    • a.

      bijzondere, beeldbepalende betekenis van het object voor het aanzien van zijn omgeving;

    • b.

      bijzondere betekenis van het complex voor het aanzien van zijn omgeving, wijk, stad of streek;

  • 3.
    • a.

      bijzondere betekenis van het complex wegens de hoogwaardige kwaliteit van de bebouwing in relatie tot de onderlinge historisch-ruimtelijke context en in relatie tot de daarbij behorende groenvoorzieningen, wegen, wateren, bodemgesteldheid en/of archeologie;

    • b.

      bijzondere betekenis van het object wegens de wijze van verkaveling/ inrichting/ voorzieningen.

IV. Gaafheid en herkenbaarheid:

  • 1.

    belang van het object/complex wegens de architectonische gaafheid en/of herkenbaarheid van ex- en/of interieur;

  • 2.

    belang van het object/complex wegens de materiële, technische en/of constructieve gaafheid;

  • 3.

    belang van het object/complex als nog goed herkenbare uitdrukking van de oorspronkelijke of een belangrijke historische functie;

  • 4.

    belang van het complex wegens de waardevolle accumulatie van belangwekkende historische bouw- en/of gebruiksfasen;

  • 5.

    belang van het complex wegens de gaafheid en herkenbaarheid van het gehele ensemble van de samenstellende onderdelen (hoofd- en bijgebouwen, hekwerken, tuinaanleg e.d.);

  • 6.

    belang van het object/complex in relatie tot de structurele en/of visuele gaafheid van de stedelijke, dorpse of landschappelijke omgeving.

V. Zeldzaamheid:

  • 1.

    belang van het object/complex wegens absolute zeldzaamheid in architectuurhistorisch, bouwtechnisch, typologisch of functioneel opzicht;

  • 2.

    uitzonderlijk belang van het object/complex wegens relatieve zeldzaamheid in relatie tot één of meer van de onder I t/m III genoemde kwaliteiten.

B. Funerair erfgoed

I. Ouderdom grafmonument:

Het betreft een grafmonument dat ouder is dan vijftig jaar.

 

Toelichting: De ouderdom van het grafmonument is met name bedoeld om te bewaken dat het oorspronkelijke grafmonument wordt gewaardeerd wordt. Het komt regelmatig voor dat historische grafmonumenten door hergebruik zijn aangepast, waardoor de cultuurhistorische waarden als geheel verloren zijn gegaan. Nieuwe of vernieuwde monumenten worden niet gewaardeerd, tenzij deze op een graf van een persoon staan die historische betekenis heeft.

 

II. Biografische gegevens:

Een aanduiding of verwijzing naar een historische persoon of familie.

 

Toelichting: Om op grond van dit criterium op de lijst te kunnen worden geplaatst, dienen onder meer de volgende richtlijnen:

  • -

    De overledene moet publicaties van enig belang op zijn naam hebben of er is over hem/haar gepubliceerd, of;

  • -

    Het moet gaan om een overledene die bij leven openbare functies bekleedde die van betekenis waren voor de gemeenschap van de gemeente of de regio. Maatgevend is bijvoorbeeld duur van de functie, vernoeming van de persoon in straatnaam of naam van openbaar gebouw, of;

  • -

    De persoon moet over een zekere (lokale) status beschikken, bijvoorbeeld door het uitgeoefende beroep of de bekendheid die de persoon bij leven genoot en die nu nog als zodanig wordt herinnerd.

Voor het maken van keuzes op basis van de bovengenoemde criteria, zijn de personen in categorieën ingedeeld. De aanduiding van de categorie is, indien van toepassing, ook opgenomen in de lijst.

 

De categorieën voor de deze begraafplaats zijn als volgt vastgesteld:

  • -

    v1 Bijzondere gevallen (verbonden met bijzondere gebeurtenissen);

  • -

    v2 Notabelen en bestuurders: ambtenaren en ambten zoals burgemeesters, wethouders, artsen, bestuurders en dergelijke;

  • -

    v3 Sport, cultuur en onderwijs: onderwijzers, schrijvers, sportlieden, kunstenaars;

  • -

    v4 Kerkelijke functionarissen: pastoors, dekens, broeders, bestuursleden en dergelijk;

  • -

    v5 Industrie, landbouw en arbeid: fabrikanten, ondernemers, boeren, ambachtslieden.

Bij de categorie v1 wordt vooral gelet op de verhalende omstandigheden, terwijl bij de andere categorieën meer gekeken wordt naar het belang van de overledene zelf. De mate van belang die aan de verdiensten van een persoon gehecht kan worden, wordt met behulp van een cijfer tot uitdrukking gebracht. De cijfers lopen van 1 tot en met 5, waarbij het hoogste cijfer staat voor het meeste belang. Daarbij gaat het vooral om het belang voor de historie van Brunssum:

  • -

    1: minst: wel enige bekendheid, maar geen invloed op de historie;

  • -

    2: matig: wel bekend, maar weinig invloed op de historie;

  • -

    3: gemiddeld: bekend en heeft enige invloed gehad op de historie;

  • -

    4: belangrijk: heeft de nodige invloed gehad op de historie;

  • -

    5: zeer belangrijk: heeft veel invloed gehad op de historie.

III. Materiaalgebruik en hantering:

Een grafmonument waarin sprake is van bijzonder materiaalgebruik en -hantering.

 

Toelichting: Bijzondere materialen zijn met name materialen die in het algemeen niet vaak gebruikt zijn voor grafmonumenten, zoals zandsteen, marmer of graniet maar ook bijvoorbeeld kunststeen. Ook metaal (hekwerken, gietijzeren monumenten of ornamenten) en houten grafmonumenten kunnen van belang zijn. De hantering gaat over de wijze waarop bijvoorbeeld het grafmonument technisch bewerkt is. Dus het gebruik van een bijzonder materiaal met een slechte afwerking zal minder snel in aanmerking komen dan een goed verwerkt materiaal. Als een grafmonument van een uitzonderlijk materiaal is gemaakt of een bijzondere bewerkingswijze dan wordt aan het monument een punt toegekend.

 

IV. Vormgeving van het monument:

Een grafmonument met een vormgeving met cultuurhistorische betekenis.

 

Toelichting: De vormgeving van een individueel grafmonument kan van doorslaggevende betekenis zijn om dit te selecteren. Dat kan bijvoorbeeld vanwege het feit dat het zeldzaam is of omdat het binnen de stijl een goed voorbeeld vormt. Om die reden is bijvoorbeeld gekeken naar een grafmonumenten die te maken hebben met de zogenaamde ‘armere’ grafcultuur waarbij geen natuursteen wordt toegepast. Voor dit criterium wordt ook gekeken naar de plaats van het grafmonument binnen het algehele karakter van de begraafplaats. Indien sprake is van een bijzonder vormgegeven grafmonument dan wordt aan het monument een punt toegekend.

 

V. Bijzondere symboliek:

Een grafmonument dat voorzien is van bijzondere symboliek of bijzondere teksten.

 

Toelichting: Symbolen op grafmonumenten zijn er in veel varianten. Op Nederlandse begraafplaatsen zijn de palmtak en het kruis de meest voorkomende symbolen, beide verwijzend naar het christelijke geloof. Alleen wanneer sprake is van een uitzonderlijke vormgeving zou zo’n symbool opgenomen kunnen worden in de lijst. Persoonlijke symboliek of een samenvoeging van verschillende betekenissen kan een dusdanig symbool opleveren dat er sprake is van een bijzonder symbool. Voor dit criterium wordt gekeken naar de algemene deler, maar ook naar de uitzonderlijke symbolen. Wanneer een grafmonument voorzien is van een bijzonder symbool dan wordt aan het monument een punt toegekend.

 

VI. Passend in karakter van het grafveld:

 

Een grafmonument dat een impact heeft op de totale aanblik van de begraafplaats of van belang is voor de karakteristiek van het betreffende grafveld.

 

Toelichting: Hierbij wordt feitelijk niet gekeken naar de intrinsieke waarde van het grafmonument, maar naar de collectieve waarde. Dat betekent dat het grafmonument bijvoorbeeld goed aansluit bij het karakter van de begraafplaats of het grafveld. Dat betekent dat groepen van grafmonumenten in aanmerking kunnen komen, zoals een verzameling zerken met een gave vormgeving of monumenten die sterk opvallen in het beeld en ankerpunten vormen in de beleving. Grote en hoge grafmonumenten kunnen om die reden gescoord worden. Voor de onderhavige begraafplaats geldt dat de karakteristiek grotendeels gevormd wordt door volumineuze grafmonumenten (tomben of anderzijds samengestelde grafmonumenten) samen met kruizen op hoge sokkels. Het verdwijnen van dergelijke grafmonumenten van de begraafplaats zou een zeer grote impact hebben voor de karakteristiek. Het kan ook zijn dat er door de verscheidenheid aan grafmonumenten op een vak geen sprake (meer) is van een echte karakteristiek. In dat geval is dat ook meegenomen door dan niet of nauwelijks aandacht te geven aan dit onderdeel.

 

VII. Technische staat:

Waarvan het grafmonument in een dusdanige technische staat verkeert (onderscheiden in Goed, Redelijk, Matig, Slecht) dat geen grote ingreep nodig is.

 

Toelichting: Wanneer bijvoorbeeld het monument onherstelbaar beschadigd is, kan dat een andere waardering inhouden dan wanneer het monument gaaf is. Dit criterium speelt met name een rol wanneer de technische staat van onderhoud goed is. Dat betekent dat te slechte grafmonumenten niet opgenomen zullen worden omdat die niet genoeg punten krijgen. Verder is dit onderdeel van belang bij de uitwerking van het toekomstig beleid. De aanduidingen die hier gebruikt worden:

  • -

    Goed: het grafmonument is constructief in orde en vertoont uiterlijk geen gebreken.

  • -

    Redelijk: het grafmonument is constructief in orde maar vertoont gebreken als scheurvorming, sterke vervuiling of slijtage.

  • -

    Matig: het grafmonument vertoont constructieve gebreken zoals afgebroken, verschoven of missende onderdelen.

  • -

    Slecht: het grafmonument is constructief afgeschreven. Alleen compleet herstel kan het oude voorkomen herstellen.

C. Cultuurhistorisch waardevolle landschappen en landschapselementen

  • I.

    Zeldzaamheid

  • II.

    Gaafheid

  • III.

    Kenmerkendheid

  • IV.

    Ouderdom

  • V.

    Diversiteit

  • VI.

    Samenhang

D. Cultuurgoederen

  • I.

    Kenmerken:

    • 1.

      toestand;

    • 2.

      ensemble;

    • 3.

      herkomst;

    • 4.

      zeldzaamheid en representatie.

  • II.

    Cultuurhistorische waarden:

    • 1.

      historisch;

    • 2.

      artistiek;

    • 3.

      informatief.

  • III.

    Sociaal-maatschappelijke waarden:

    • 1.

      maatschappelijk;

    • 2.

      beleving.

  • IV.

    Gebruikswaarden:

    • 1.

      museaal;

    • 2.

      economisch.

Naar boven