U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Ontwerp H21.1 Woningbouw Kerkstraat Munnekezijl Omgevingsplan Gemeente Noardeast-Fryslân

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noardeast-Fryslân,

gelet op:

a. artikel 2.4 en artikel 16.30, eerste lid, van de Omgevingswet;

b. artikel 10.3c van het Omgevingsbesluit;

c. artikel 160, eerste lid, van de Gemeentewet; en,

d. afdeling 3.4, artikel 3.11 en artikel 3.12 van de Algemene wet bestuursrecht;

besluit:

Artikel I

Het omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân te wijzigen conform de wijzigingen zoals opgenomen in 'bijlage A'.

Artikel II

Dit ontwerpbesluit is door college van burgemeester en wethouders van gemeente Noardeast-Fryslân vastgesteld op 7 juli 2026.

Artikel III

De wijzigingen in artikel 1.1 onder A en de artikelsgewijze toelichting van bijlage I onder D betreffen technische aanpassingen zonder juridische consequenties en staan los van de gebiedsontwikkeling Munnekezijl Woningbouw Kerkstraat. Door onnauwkeurigheden in het publicatieproces zijn deze technische aanpassingen noodzakelijk.



Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân, 7 juli 2026

De secretaris en de burgemeester

Bijlage A

A

Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

  • 2.

    Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

B

Hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

HOOFDSTUK 21 ONTWIKKELGEBIEDEN

[Gereserveerd]

AFDELING 21.1 Woningbouw Kerkstraat Munnekezijl

§ 21.1.1 (Hoofdstuk 1) Algemene bepalingen
Artikel 21.1 Toepassingsbereik

AFDELING 21.1 gaat over activiteiten die plaatsvinden in het gebied Woningbouw Munnekezijl Kerkstraat.

Artikel 21.2 Voorrangsbepalingen

De regels in deze afdeling gaan voor op de volgende regels in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet:

  • a.

    de regels betreffende het Bestemmingsplan Munnekezijl van de voormalige Gemeente Kollumerland en Nieuwkruisland, met identificatienummer: NL.IMRO.0079.BpMzDorp08-Oh02;

  • b.

    de regels betreffende het Bestemmingsplan Buitengebied 2012 van de voormalige Gemeente Kollumerland en Nieuwkruisland, met identificatienummer: NL.IMRO.0079.BpBg10-Vg02;

  • c.

    de regels betreffende het Bestemmingsplan Partiële en correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 van de voormalige Gemeente Kollumerland en Nieuwkruisland, met identificatienummer: NL.IMRO.0079.PChBg15-Vg01.

Artikel 21.3 Normadressaat

Degene die de activiteit verricht draagt zorg voor de naleving van de regels in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald.

Artikel 21.4 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van de artikelen in AFDELING 21.1 gelden de volgende begripsbepalingen:

Aan of uitbouw:

Een gebouw dat in architectonischopzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en dat een vergroting dan weluitbreiding van het hoofdgebouw vormt

Aan-huis-verbonden beroep:

Beroeps- of bedrijfsactiviteit waarvan de activiteiten nietspecifiek publiekgericht zijn en dat op kleine schaal in een woning en of inhet bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend.

Aanduiding:

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijnaangeduid, waarnaar in de regels wordt verwezen, en waarmee in samenhang metdie regeltekst regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of hetbebouwen van deze gronden.

Achtererfgebied:

Gebouwerf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzendopenbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen ofin het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen, waarbij als op een perceelmeer gebouwen aanwezig zijn die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de opgrond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor eenomgevingsplanactiviteit op het perceel toegestane activiteiten of als het hoofdgebouwgeen woning is, maar op het perceel wel een of meer op de grond staandewoningen aanwezig zijn, voor het leggen van deze lijn bepalend is hethoofdgebouw, de woning of een van de andere hiervoor bedoelde gebouwen, waarvande voorkant het dichtst is gelegen bij openbaar toegankelijk gebied.

Bebouwingsbeeld:

De waarde van een gebied in stedenbouwkundige zin die wordtbepaald door de mate van samenhang in aanwezige bebouwing daarbij in hetbijzonder gelet op een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte eengoede hoogte en breedteverhouding tussen de bebouwing onderling en de samenhangin bouwvorm en ligging tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar isgeoriënteerd.

Bebouwingsgebied:

Achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw,uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw.

Bebouwingspercentage:

Het in procenten uitgedrukte deel van een bouwwerkperceeldat ten hoogste mag worden bebouwd.

Bed and breakfast:

Het bieden van de ten opzichte van het hoofdgebruikondergeschikte mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aanpersonen die hun hoofdverblijf elders hebben.

Brutovloeroppervlakte:

De totale vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorendebinnenruimten met inbegrip van de bouwconstructie bergingentrappenhuizeninterne verkeersruimten magazijnen dienstruimten et cetera met uitzondering vanbalkons galerijen parkeer en stallingsvoorzieningen.

Bijgebouw:

Een op zichzelf staand al dan niet vrijstaand gebouwbehorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat inarchitectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw

Bouwen:

Plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen,veranderen of vergroten.

Bouwperceel:

Perceel dat als uitgangspunt dient bij het toetsen van eenbouwwerk aan de regels van dit besluit.

Bouwwerk:

Constructie van enige omvang van hout, steen, metaal ofander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect metde grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deeluitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordtgebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor devaart.

Bouwwerk, geen gebouw zijnde:

Een bouwwerk geen gebouw zijnde dat een overdekte ruimtevormt zonder wanden dan wel met ten hoogste een wand

Detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen deuitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personendie die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in deuitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

Extensief dagrecreatief medegebruik:

Een extensief dagrecreatief medegebruik van gronden zoalswandelen fietsen paardrijden kanoën vissen picknicken of een naar de aarddaarmee gelijk te stellen medegebruik.

Gebouw:

Bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheelof gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Hoofdgebouw:

Gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheidengedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andereactiviteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of eenomgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijntoegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op dietoegestane activiteiten het belangrijkst is.

Huishouden:

Persoon of groep personen die een huishouden voert waarbijsprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstellingervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen.

Internetdetailhandel:

Detailhandel waarbij het te koop aanbieden van goederenplaatsvindt via het internet en de levering alleen geschiedt per post ofkoeriersdiensten.

Kampeermiddel:

Een tent een tentwagen een kampeerauto een caravan of eenstacaravan dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen datgeheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruiktvoor recreatief nachtverblijf.

Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten:

de in onderstaande tabel genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aarden de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die doorzijn beperkte omvang in of bij een woning met behoud van de woonfunctie kanworden uitgeoefend.

 Kledingmakerij, zoals:

Woningstoffeerderij

(maat)kledingmakerij en kledingverstelbedrijf 

 Kantoorfunctie ten behoeve van bedrijvigheid die elders wordt uitgeoefend, zoals:

schoonmaakbedrijf, schoorsteenveegbedrijf, glazenwasserij, maar ook ten behoeve van bijvoorbeeld een groothandelsbedrijf

 Reparatiebedrijfjes, zoals:

uurwerkreparatiebedrijf

goud- en zilverwerkreparatiebedrijf

reparatie van kleine (elektrische) gebruiksgoederen

reparatie van muziekinstrumenten

In ieder geval zijn autoreparatiebedrijven uitgezonderd.

schoen-/lederwarenreparatiebedrijf     

 Advies- en ontwerpbureaus, zoals:

grafisch ontwerp

architect

reclame ontwerp  

 (Zakelijke) dienstverlening, zoals:

webwinkels waar de verkoop van goederen uitsluitend plaatsvindt via internet

ICT bedrijven 

 Overige dienstverlening, zoals:

schoonheidssalon

pedicure

kappersbedrijf 

 Onderwijs, zoals:

onderwijs niet in te delen naar specificatie, mits zonder werkplaats of laboratorium

autorijschool 

 Detailhandel:

productiegebonden detailhandel

Logiesverstrekkend bedrijf:

Voor een enkel persoon of een afzonderlijke groep personenbestemd gedeelte van een logiesfunctie.

Mantelzorg:

Intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader vaneen hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve vanzelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussenpersonen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenotenvoor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van eenhuisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezensociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.

Nutsvoorziening:

Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut zoalstransformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers,bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen tenbehoeve van ondergrondse afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

Overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimtevormt zonder wanden dan wel met ten hoogste één wand;

Peil:

voor een bouwwerk op een perceel waarvan de hoofdtoegangdirect aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van diehoofdtoegang;

voor een bouwwerk op een perceel waarvan de hoofdtoegangniet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van diehoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

indien in of op het water wordt gebouwd: het NieuwAmsterdams Peil;

in het geval de hoogte van het terrein op een perceel groteverschillen vertoont: de door burgemeester en wethouders bepaalde hoogte.

Speelvoorziening:

Aard en nagelvast met de grond verbonden constructie in deopenbare ruimte bedoeld als speelmateriaal voor kinderen.

Volkstuin:

Het geheel aan voorzieningen t.b.v. hobbytuinbouw.

Productiegebonden detailhandel:

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd,geteeld, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij dedetailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;

Voorste bouwgrens:

Een naar de weg gekeerde bouwgrens, of indien een perceelmet meer dan één zijde grenst aan een weg, de als zodanig door burgemeester enwethouders aan te wijzen bouwgrens;

Woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor dehuisvesting van één afzonderlijk huishouden;

Zijerfgebied:

erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meterachter de voorkant en van daaruit op een afstand van 3 meter evenwijdig looptmet het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, daaronder niet het achtererfbegrepen.

§ 21.1.2 (Hoofdstuk 4) Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
§ 21.1.2.1 Algemeen

Artikel 21.5 Toepassingsbereik

§ 21.1.2 gaat over omgevingsnormen en gebruiksactiviteiten die plaatsvinden in het gebied zoals bedoeld in artikel 21.1.

Artikel 21.6 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

§ 21.1.2.2 Functies

Subsubparagraaf 21.1.2.2.1 H21.1 - Functie groen

Artikel 21.7 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de 'functie groen’ en het bijbehorende bedoelde toegestane gebruik.

Artikel 21.8 Toegestaan gebruik

Het is binnen een locatie met de 'functie groen' toegestaan de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:

  • a.

    groenvoorzieningen;



    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald is een locatie gronden met de ‘functie groen’ ondergeschikt bedoeld voor het realiseren en  in stand houden van de volgende voorzieningen, waarden, bouwwerken en andere werken:

  • b.

    verkeers- en verblijfsvoorzieningen, waaronder voet-, fiets- en ruiterpaden, opritten, parkeervoorzieningen;

  • c.

    sport- en speelvoorzieningen;

  • d.

    water;

  • e.

    dagrecreatieve voorzieningen;

  • f.

    nutsvoorzieningen.

Subsubparagraaf 21.1.2.2.2 H21.1 - Functie verkeer

Artikel 21.9 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de 'functie verkeer’ en het bijbehorende bedoelde toegestane gebruik.

Artikel 21.10 Toegestaan gebruik

Het is binnen een locatie met de functie 'verkeer' toegestaan de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:

  • a.

    wegen en (woon)straten;

  • b.

    paden;

  • c.

    parkeervoorzieningen en overige verharding;

  • d.

    groenvoorzieningen, bermstroken en beplanting;



    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald is een locatie gronden met de ‘functie verkeer’ ondergeschikt bedoeld voor het realiseren en in stand houden van de volgende voorzieningen, waarden, bouwwerken en andere werken:

  • e.

    sport- en speelvoorzieningen;

  • f.

    nutsvoorzieningen. 

Subsubparagraaf 21.1.2.2.3 H21.1 - Functie water

Artikel 21.11 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de 'functie water’ en het bijbehorende bedoelde toegestane gebruik.

Artikel 21.12 Toegestaan gebruik

Het is binnen een locatie met de 'functie water' toegestaan de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:

  • a.

    waterlopen en waterpartijen;

  • b.

    oevers;

  • c.

    groenvoorzieningen, bermstroken en beplanting;

  • d.

    nutsvoorzieningen.

Artikel 21.13 Verboden gebruik

Het is binnen een locatie met de 'functie water' verboden om:

  • gronden als ligplaats voor woonschepen te gebruiken.

Subsubparagraaf 21.1.2.2.4 H21.1 - Functie wonen

Artikel 21.11 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de 'functie wonen’ en het bijbehorende bedoelde toegestane en verboden gebruik.

Artikel 21.12 Toegestaan gebruik

Het is binnen een locatie met de 'functie wonen' toegestaan de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:

  • a.

    wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit;



    met daarbij behorende:

  • b.

    tuinen, erven en terreinen;

  • c.

    nutsvoorzieningen.

Artikel 21.13 Verboden gebruik

Het is binnen een locatie met de 'functie wonen' verboden om:

  • a.

    vrijstaande bijgebouwen te gebruiken voor bewoning, met uitzondering van mantelzorg;

  • b.

    een opstelling voor zonne-energie binnen het bouwperceel te gebruik, zonder dat het op te stellen vermogen is afgestemd op het eigen energieverbruik op het perceel;

  • c.

    gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatie te gebruiken.

§ 21.1.2.3 Aanduidingen

Subsubparagraaf 21.1.2.3.1 H21.1 - Aanduiding bouwvlak

Artikel 21.14 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de aanduiding ‘bouwvlak’.

Artikel 21.15 Oogmerken

De aanwijzingen in deze subparagraaf zijn voornamelijk gesteld met het oog op:

  • a.

    een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;

  • b.

    het behouden van een goed woon- en leefklimaat;

  • c.

    het beschermen van stedenbouwkundige waarden; en

  • d.

    het tegengaan van verrommeling van erven en terreinen en behoud van beeldkwaliteit van bebouwing.

Subsubparagraaf 21.1.2.3.2 H21.1 - Aanduiding volkstuinen

Artikel 21.16 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de aanduiding ‘volkstuinen’ en het bijbehorende bedoelde toegestane gebruik.

Artikel 21.17 Oogmerken

De aanwijzingen in deze subparagraaf zijn voornamelijk gesteld met het oog op:

  • a.

    een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;

  • b.

    het bevorderen van extensief dagrecreatief medegebruik; en

  • c.

    het bevorderen van sociale ontmoeting en bewegen in de openbare ruimte op loopafstand.

Artikel 21.18 Toegestaan gebruik

Naast de functies genoemd in § 21.1.2.2 is het binnen een locatie met de aanduiding 'volkstuinen' toegestaan de gronden en bouwwerken mede te gebruiken voor volkstuinen.

§ 21.1.2.4 Omgevingsnormen

Subsubparagraaf 21.1.2.4.1 H21.1 - Maximum bouwhoogte

Artikel 21.19 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de omgevingsnorm 'maximum bouwhoogte'.

Artikel 21.20 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Subsubparagraaf 21.1.2.4.2 H21.1 - Maximum goothoogte

Artikel 21.21 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de omgevingsnorm 'maximum goothoogte'.

Artikel 21.22 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

Subsubparagraaf 21.1.2.4.3 H21.1 - Minimum dakhelling

Artikel 21.23 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de omgevingsnorm 'minimum dakhelling'.

Artikel 21.24 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

Subsubparagraaf 21.1.2.4.4 H21.1 - Maximum dakhelling

Artikel 21.25 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de omgevingsnorm 'maximum dakhelling'.

Artikel 21.26 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

Subsubparagraaf 21.1.2.4.5 H21.1 - Maximum aantal woningen

Artikel 21.27 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de omgevingsnorm 'maximum aantal woningen'.

§ 21.1.3 (Hoofdstuk 6) Activiteiten
§ 21.1.3.1 Bouwactiviteiten ruimtelijk

Subsubparagraaf 21.1.3.1.1 Algemeen

Artikel 21.28 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op bouwactiviteiten.

Artikel 21.29 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn voornamelijk gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Subsubparagraaf 21.1.3.1.2 bouwen van bouwwerken

Artikel 21.30 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het bouwen van bouwwerken in het gebied H21 - Woningbouw Kerkstraat Munnekezijl.

Artikel 21.31 Oogmerken

De aanwijzing in deze paragraaf is voornamelijk vastgelegd met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 21.32 Beoordelingsregels omgevingsvergunning hoofdgebouwen (woonhuizen)

Voor het bouwen van hoofdgebouwen binnen de 'functie wonen' gelden in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 tevens de volgende beoordelingsregels bij de vergunningplicht als bedoeld in artikel 22.26:

Artikel 21.33 Beoordelingsregels bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten behoeve van de bestemming gelden de volgende regels:

  • a.

    aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen ten minste 3,00 m achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan te worden gebouwd, tenzij de afstand van een bestaande aan- of uitbouw, een bestaand bijgebouw of een bestaande overkapping minder bedraagt dan wel vóór de naar de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw is gebouwd, in welk geval voor de bestaande aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen de bestaande situering geldt;

  • b.

    de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen ten minste 1,00 m vanaf de zijdelingse perceelgrens dan wel in de zijdelingse perceelgrens te worden gebouwd, 

  • c.

    de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen mag per woning ten hoogste 75 m² bedragen, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 50 m² mag bedragen;

  • d.

    de goothoogte van een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping mag ten hoogste 3,30 m bedragen;

  • e.

    de bouwhoogte van een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping mag niet meer bedragen dan 6,50 m, indien in de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd, en; de bouwhoogte van een punt in een denkbeeldige lijn van 45°, getrokken vanuit een punt op 3,30 m bouwhoogte op de zijdelingse perceelgrens, met dien verstande dat geen deel van de kap zich buiten deze denkbeeldige lijn mag bevinden, met dien verstande dat de bouwhoogte van een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping ten minste 1,00 m lager is dan het hoofdgebouw.

Artikel 21.34 Beoordelingsregels bouwen van bouwwerken, geen gebouw of overkapping zijnd

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a.

    de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag ten hoogste 1 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel van een hoofdgebouw of in het verlengde daarvan ten hoogste 2 m mag bedragen;

  • b.

    er zullen geen bouwwerken ten behoeve van de opwekking van windenergie en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken en reclamemasten worden gebouwd;

  • c.

    de bouwhoogte van de andere overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag ten hoogste 5 m bedragen.

Artikel 21.35 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt in afwijking van artikel 21.34 tot en met artikel 21.36 ook verleend onder de voorwaarde dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het milieu, de kwaliteit van bodem en het grond- en oppervlaktewater, de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, het bebouwingsbeeld, de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden en de verkeersveiligheid, in de volgende gevallen:

  • a.

    het gedeeltelijk buiten het bouwvlak bouwen van een hoofdgebouw;

  • b.

    de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages;

  • c.

    de regels in die zin dat het beloop of profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft;

  • d.

    de regels in die zin dat gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, openbaar vervoer, bediening van kunstwerken, sanitaire voorzieningen en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:

    • 1.

      de oppervlakte per gebouwtje ten hoogste 50 m² mag bedragen;

    • 2.

      de bouwhoogte van een gebouwtje ten hoogste 3 m mag bedragen;

  • e.

    de regels, ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in die zin dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot ten hoogste 10 m, met uitzondering van de hoogte van reclamemasten, die ten hoogste 6 m zal bedragen;

  • f.

    de regels, ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in die zin dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot ten hoogste 40 m;

  • g.

    het bepaalde ten aanzien van het bouwen van gebouwen binnen het bouw- c.q. functiegrenzen in die zin dat de grenzen naar de buitenzijde worden overschreden door:

    • 1.

      de maximale oppervlakte van de plaatselijke verhoging ten hoogste 10% van het betreffende bouwvlak mag bedragen;

    • 2.

      de vergroting ten hoogste 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw bedraagt;

  • h.

    het bepaalde ten aanzien van het bouwen van gebouwen binnen het bouw- c.q. functiegrenzen in die zin dat de grenzen naar de buitenzijde met ten hoogste 1,5 m worden overschreden door:

    • 1.

      trappen, trappenhuizen en galerijen;

    • 2.

      entreeportalen, luifels, veranda's en balkons en soortgelijke ondergeschikte bouwdelen;

    • 3.

      overstekende daken;

  • i.

    andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijdend.

§ 21.1.3.2 Woonactiviteit verrichten

Artikel 21.36 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over woonactiviteiten verrichten.

Artikel 21.37 Oogmerken

De aanwijzing in deze paragraaf is voornamelijk vastgelegd met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 21.38 Woonactiviteit verrichten - toegestaan

Het wonen al dan niet in combinatie met een Aan-huis-verbonden beroep is toegestaan.

Artikel 21.39 Woonactiviteit verrichten - vergunningplicht

Voor de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning nodig:

  • a.

    kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

  • b.

    Bed and breakfast.

Artikel 21.40 Beoordelingsregels vergunningplicht

_

  • a.

    Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 21.39 wordt verleend onder de voorwaarde dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het milieu, de kwaliteit van bodem en het grond- en oppervlaktewater, de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, het bebouwingsbeeld, de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden en de verkeersveiligheid;

  • b.

    De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 21.39 onder a. wordt verleend indien:

    • 1.

      de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing binnen het bouwperceel, met dien verstande dat de beroepsvloeroppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen;

    • 2.

      geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke uitstraling van de woning;

    • 3.

      het niet gaat om vormen van detailhandel en/of horeca;

    • 4.

      het parkeren op eigen erf plaatsvindt;

    • 5.

      geen bedrijfsmatige opslag in de open lucht plaatsvindt;

  • c.

    De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 21.39 onder b. wordt verleend indien:

    • 1.

      bed and breakfast wordt gerund door de eigenaar en hoofdbewoner van het perceel;

    • 2.

      er maximaal zes slaapplekken, in maximaal drie slaapkamers, worden aangeboden;

    • 3.

      de gebruiksoppervlakte maximaal 35% van de totale gebruiksoppervlakte van de woning bedraagt, maar de gebruiksoppervlakte van het logiesgedeelte bedraagt niet meer dan 70 m2.

    • 4.

      het logiesgedeelte is gelegen in het hoofdgebouw, een aan- of uitbouw of een bijgebouw;

    • 5.

      in het logiesgedeelte geen keuken aanwezig is;

    • 6.

      het logiesgedeelte in de woning voldoet aan de bouwtechnische eisen die gelden voor de woning, waardoor het logiesgedeelte na beëindiging als onderdeel van de woning kan worden gebruikt;

    • 7.

      er parkeergelegenheid voor de gasten is op eigen terrein.

Artikel 21.41 Bijzondere aanvraagvereisten

Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 21.39 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    plattegronden, situatietekening en aanzichten met maatvoering van de bebouwing waar de activiteiten worden verricht;

  • b.

    een motivatie dat, en op welke manier, verkeers- of parkeeroverlast wordt voorkomen. 

C

Na bijlage I wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

BIJLAGE II Overzicht informatieobjecten

Bouwvlak - H21 Woningbouw Munnekzijl Kerkstraat

/join/id/regdata/gm1970/2026/locatiegroep_890c6d0574904704951f854d45a1a77a/nld@2026‑07‑22;1

Groen - H21 Woningbouw Munnekzijl Kerkstraat

/join/id/regdata/gm1970/2026/locatiegroep_fff6cd4a223148e5861303889c1ff9ce/nld@2026‑07‑22;1

Maximale dakhelling - H21 Woningbouw Munnekzijl Kerkstraat

/join/id/regdata/gm1970/2026/norm_042acfd8320f4329ab344b9051dca52c/nld@2026‑07‑22;1

Maximum aantal wooneenheden

/join/id/regdata/gm1970/2026/norm_811410789f5345ed88def6494afd5d61/nld@2026‑07‑22;1

Maximum bouwhoogte - H21 Woningbouw Munnekzijl Kerkstraat

/join/id/regdata/gm1970/2026/norm_1d490bf064c24c2f98ece81afc9f85d9/nld@2026‑07‑22;1

Maximum goothoogte - H21 Woningbouw Munnekezijl Kerkstraat

/join/id/regdata/gm1970/2026/norm_87d09860d11c42669b24ab56c8dd2daf/nld@2026‑07‑22;1

Minimale dakhelling - H21 Woningbouw Munnekzijl Kerkstraat

/join/id/regdata/gm1970/2026/norm_afae0cf6fc634da5a95ee9c227932290/nld@2026‑07‑22;1

Verkeer - H21 Woningbouw Munnekzijl Kerkstraat

/join/id/regdata/gm1970/2026/locatiegroep_3e86a31d13ba4be686d7814b8eb43b3d/nld@2026‑07‑22;1

Volkstuin - H21 Woningbouw Munnekzijl Kerkstraat

/join/id/regdata/gm1970/2026/locatiegroep_ffe4ae98d930495e881fcad332a0d3fe/nld@2026‑07‑22;1

Water - H21 Woningbouw Munnekezijl Kerkstraat

/join/id/regdata/gm1970/2026/locatiegroep_c0c759cc52a3450985cfc3fb1ff64e9b/nld@2026‑07‑22;1

Werkingsgebied - H21 Woningbouw Munnekzijl Kerkstraat

/join/id/regdata/gm1970/2026/locatiegroep_3214af4b55ed4185bb34742827a46eb3/nld@2026‑07‑22;1

Woningbouw Kerkstraat Munnekezijl - Wonen - Toestaan

/join/id/regdata/gm1970/2026/locatiegroep_63f7e06306554ed8bca0d8b705b910b6/nld@2026‑07‑22;1

D

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

BIJLAGE I BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN

In Bijlage I bij artikel 1.1 van dit omgevingsplan zijn in aanvulling op de begrippen van de Omgevingswet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling de overige begripsbepalingen opgenomen die nog nodig zijn. Deze begrippen worden hieronder toegelicht.

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.

Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.

concentratiegebied geurhinder en veehouderij

Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.

Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.

distributienet voor warmte

Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.

geurgevoelig object

Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.

Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.

Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.

Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.

Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.

gezoneerd industrieterrein

Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.

Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.

De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.

straatpeil

Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.

warmteplan

Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.

Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.

In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.

De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten.

Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.

Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.

concentratiegebied geurhinder en veehouderij

Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.

Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.

distributienet voor warmte

Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.

geurgevoelig object

Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.

Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.

Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.

Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.

Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.

gezoneerd industrieterrein

Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.

Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.

De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.

straatpeil

Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.

warmteplan

Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.

Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.

In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.

De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten.

Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

§ 1.1 Aanleiding

Om te voorzien in de regionale en lokale woningbouwbehoefte werkt de gemeente Noardeast-Fryslân aan het ‘dorpenproject’. Een onderdeel hiervan is het ontwikkelen van een bescheiden dorpsuitbreiding aan de noordzijde van Munnekzijl. Het betreft een plan met in totaal 10 woningen en een (verplaatsing van) een kleine volkstuin/dorpsakker. Hiervoor is een wijzigingsbesluit van het omgevingsplan noodzakelijk. Deze motivering bevat de toelichting voor de benodigde wijziging van het omgevingsplan en vormt de onderbouwing van het besluit. Gemotiveerd wordt dat met deze wijziging sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

§ 1.2 Ligging plangebied

Het werkingsgebied van het wijzigingsbesluit (hierna: plangebied) ligt tegen de noordoostelijke dorpsrand, aan de noordzijde van de Kerkstraat en achter de woonpercelen aan de Vioolstraat. Het betreft grotendeels een groenvoorziening met enig opgaand groen, een wandelpad en een kleine informele volkstuin. Het westelijk deel is betreft de rand van een agrarische kavel akkerland. De ligging van het plangebied is weergeven op een topografische kaart in figuur 1.1.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 1.1 De ligging van het plangebied

§ 1.3 Planologische regeling

Met ingang van 1 januari 2024 is het “Omgevingsplan van rechtswege” van kracht geworden. Dit tijdelijk Omgevingsplan bestaat uit (ruimtelijke) regels uit diverse vervallen instrumenten zoals bestemmingsplannen, beheersverordeningen en rijksregels over activiteiten (de zogenoemde) ‘Bruidsschat’. Daarnaast worden er op grond van het overgangsrecht activiteiten tijdelijk aangemerkt als omgevingsplanactiviteiten. Gemeenten hebben tot 1 januari 2032 de tijd om voor hun grondgebied het omgevingsplan vast te stellen. Het overgangsrecht en tijdelijk omgevingsplan voorkomen dat er in de tussentijd geen regels van toepassing zijn. 

Het projectgebied is planologisch geregeld in het Omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân, deels in het onderdeel bestemmingsplan Munnekezijl, en deels in het onderdeel Buitengebied 2012. Het heeft hierin de functies ‘Groen’ en ‘Agrarisch met waarde – Open gebied’. Ook geldt een vrijwaringszone voor de radar in Burum, waar een beperking aan de maximum bouwhoogte is gekoppeld. Het gaat om een hoogte van 22 meter. Een fragment van de plankaart van het geldende bestemmingsplan is weergegeven in figuur 1.2. 

afbeelding binnen de regeling

Figuur 1.2 Fragment plankaart geldend bestemmingsplan 

Binnen de bestaande functietoedeling zijn groenvoorziening en agrarisch grondgebruik mogelijk. Het ontwikkelen van nieuw woongebied is niet toegestaan. Daarom is voor de beoogde functies in het plangebied een wijziging van het omgevingsplan nodig.

§ 1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plan. Daar wordt zowel de huidige of uitgangssituatie, als de beoogde situatie beschreven. Vervolgens toetst hoofdstuk 3 dit plan aan de omgevingsvisies en instructieregels van het rijk en de provincie en aan het gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 vormt de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij de omgevingswaarden en milieu- en gezondheidsaspecten centraal staan. In hoofdstuk 5 wordt het juridische systeem toegelicht. Ten slotte worden in hoofdstuk 6 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid van het plan besproken.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

§ 2.1 De bestaande situatie

Het wijzigingsbesluit ziet op de aanpassing van de toegedeelde functie van een groenvoorziening en een deel van een agrarische kavel aan de noordelijke rand van Munnekezijl. Munnekzijl is ontstaan vanuit bij de uitwateringssluis in de Lauwers, gelegen aan de oostzijde van het dorp. De noordelijke dorpsrand ligt aan een open agrarisch gebied, met op korte afstand van het dorp, een historische zeedijk. 

Het plangebied ligt achter de woonpercelen aan de Kerkstraat (nummers 22 tot en met 26) en achter de woonpercelen aan de westzijde van de Vioolstraat. De onderhavige groenvoorziening ligt rondom die deel van het woongebied en dient ter afscherming van de dorpsrand. Hier ligt ook een wandelpad, dat doorloopt tot de Goudsbloemstraat. Tussen het opgaand groen en de woonpercelen ligt een veldje dat gedeeltelijk (informeel) is aangewend volkstuintje.  

Een luchtfoto van het plangebied is weergegeven in figuur 2.1. 

afbeelding binnen de regeling

Figuur 2.1 Luchtfoto plangebied

§ 2.2 Voorgenomen situatie

Het plan omvat de uitbreiding van het woongebied van Munnekezijl met 10 woningen. Het programma bestaat uit 4 vrijstaande woningen en 6 tweekappers. Deze worden ontsloten via een nieuwe weg die aansluit op de Kerkstraat. De groenstrook aan de noordzijde wordt behouden en de nieuwe woonstraat zorgt voor een blijvende verbinding van het wandelpad dat hier ligt. Bij de entree van de nieuwe woonstraat is een locatie gevonden voor de dorpsakker. Deze krijgt een vergelijkbare invulling als de bestaande voorziening, zonder bouwwerken. De beoogde invulling van het gebied is weergegeven in figuur 2.2. Een impressie van het beoogde eindbeeld (voor de bebouwing) is weergegeven in figuur 2.3. 

afbeelding binnen de regeling

Figuur 2.2 Beoogde inrichting plangebied 

afbeelding binnen de regeling

Figuur 2.3 Impressie nieuwe invulling 

Voor het stedenbouwkundig plan is gekozen voor een functionele inpassing, met een meer compacte opzet aansluitend aan het bestaande woongebied en het doorzetten van de ruimere vrije kavels op de dorpsrand, aangevuld met een groene rand met daarin enkele bomen. Op deze manier voegt het plan zich goed in het bestaande bebouwingsbeeld en het aanzicht op de dorpsrand van Munnekezijl.  

In de overgang met het open landschap, alsmede de waterzone, wordt bovendien ingezet op natuurvriendelijke oevers om ook hier een wezenlijke toevoeging te doen die zowel ruimtelijk als qua natuurinclusiviteit meerwaarde biedt. 

§ 2.3 Inpassing bij omgevingswaarden

Voor de locatie en de omgeving daarvan zijn geen specifieke omgevingswaarden aangegeven. Wel is van belang dat de ontwikkeling zich voegt in de landschappelijke structuren en kwaliteiten. Daarbij gelden zowel voor het bebouwingslint als voor het landelijk gebied uitgangspunten. 

Stedelijke/landschappelijke inpassing

Zoals in de vorige paragraaf beschreven voegt de woningbouwlocatie zich in de bestaande dorpsrand van Munnekezijl en wordt het bestaande beeld zoveel mogelijk gerespecteerd door de gradiënt van verstedelijking van uit het dorp naar het landelijk gebied te extensiveren. Het beeld wordt versterkt door bomenrijen en een waterrijke rand naar groene oevers (geen walbeschoeiing).

Het beeld wordt versterkt door het, in de bijlage van het dit plan opgenomen, kwaliteitscriteria. Het uitgangpunt voor de architectuur is dat er een ambachtelijke en klassieke vormgeving wordt gevraagd die past bij het dorpse karakter. De woningen dienen te worden uitgevoerd in gele of rode baksteen gevels met rode, bruine of zwarte gebakken dakpannen. Een hedendaagse woning met een moderne interpretatie van de lokale stijlkenmerken is ook mogelijk, inclusief woningen in zwart gebeitst hout indien deze van bovengemiddelde kwaliteit is. Dat geldt ook voor de toepassing van een bouwvorm uit twee bouwlagen met plat dak. 

Ruimtelijke kwaliteit

Voor plannen in het landelijk gebied waar extra bouwmogelijkheden worden geboden voor stedelijke functies, zoals wonen, moet op basis van het provinciaal beleid aangegeven worden op welke wijze rekening wordt gehouden met de draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van de nieuwe functies en hoe het plan invulling geeft aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. 

In de structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' heeft de provincie Fryslân het belang, dat zij hecht aan goede verankeringen van ontwikkelingen in het landschap, aangegeven. Op basis van de uitgangspunten uit deze structuurvisie is de voorgenoemde ontwikkeling getoetst. Het is van belang dat de ontwikkeling op een verantwoorde manier wordt ingepast in het landschap. Het plan ligt in het deelgebied Oostergo. Voor de locaties zijn de openheid, verkaveling en microreliëf van het kleiterpenlandschap en het landschap langs de voormalige Lauwerszeedijk van belang. De grootschalige openheid met daarin groene puntverdichtingen en verspreid liggende bebouwing en veel relatief kleine terpdorpen is een kernkwaliteit van provinciaal belang.

Binnen het plangebied is geen sprake van een beleefbaar reliëf. Ook wordt de verkaveling gerespecteerd en heeft de compacte uitbreiding tegen het dorp geen invloed op de grootschalige openheid van het gebied. Door de gradiënt in bebouwingsdichtheid wordt voortgeborduurd op de historisch ruimtelijke ontwikkeling van het dorp. Het dorpssilhouet blijft in stand. De dorpsrand wordt verzacht door de toevoeging van een nieuwe boomsingel achterop de woonpercelen, waardoor de landschappelijke impact wordt beperkt. Op deze wijze worden de kernkwaliteiten gewaarborgd en is het plan op een gebiedseigen wijze ingepast in de omgeving. 

Koppelen en verbinden

Bij nieuwe functies of uitbreidingen van bestaande functies vraagt de provincie een onderbouwing van de wijze waarop nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden in het plan bijdragen aan één of meerdere opgaven voor de leefomgeving, zoals energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of het versterken van de biodiversiteit, door het maken van slimme combinaties en het benutten van koppelkansen. 

In dit geval krijgt het plangebied een vrij traditionele invulling, passend bij het woongebied waarop wordt aangesloten en ook bij de woonbehoefte. Langs de rand is wel ruimte gevonden voor een brede groen-blauwe zone, die naast landschappelijke inpassing kansen biedt voor een verhoging van de biodiversiteit én klimaatadaptatie. 

Tot slot draagt de kleine buurtakker bij aan de mogelijkheid voor een extra ontmoetingsplaats in het dorp en het duurzaam en gezond verbouwen van eigen voedsel. 

Algemene Criteria Noardeast Fryslân

Het uitgangspunt is dat ontwerpen passen binnen de ruimtelijke (en historische) context en de geschetste ontwikkeling daarvan. Bouwplannen dienen dan ook een positieve aanvulling te zijn op de omgevingskwaliteit. Essentieel hiervoor is om de (toekomstige) ruimtelijke (en historische) context van het ontwerp te begrijpen alsmede de ontwikkeling van de ruimtelijke structuur waarbinnen het ontwerp een rol speelt, zodat het ontwerp reageert op en past binnen deze context. Een ruimtelijk-historische analyse van de plek en de ontwikkeling daarvan is dan ook onontbeerlijk, evenals een ontwerpconcept dat op deze analyse is gebaseerd.

Elk ontwerp dient een ruimtelijk-historisch passende en consequente uitwerking van een deugdelijk onderbouwd ontwerpconcept te zijn. Een ontwerpconcept dient om zowel over de historische context van het ontwerp, de ruimtelijke structuur waarbinnen het ontwerp wordt vormgegeven, de erfinrichting van het perceel, de overgangen van het perceel naar de openbare ruimte, de positie van het ontwerp op het perceel, het gebouw op zichzelf en de uitwerking daarvan als een overtuigend geheel vorm te geven, zodat een ontwerp kundig is geworteld op de specifieke plek.

De volgende algemene criteria gelden dan ook als uitgangspunten, respectievelijk toetsingscriteria, voor elk ontwerp:

  • Een overtuigende ruimtelijk-historische analyse ligt ten grondslag aan het ontwerp. Deze analyse dient helder te worden gepresenteerd. 

  • ovengenoemde analyse is de basis voor een passend en samenhangend ontwerpidee op de planlocatie en komt duidelijk tot uiting in de presentatie van het ontwerp. 

  • Het bovengenoemde ontwerpidee komt overtuigend tot uiting in het ontwerp van zowel het hoofdgebouw, de bijgebouwen, de erfinrichting alsook de overgangen met de openbare ruimte. 

  • Het ontwerp is van positie, volumeopbouw, hoofdvorm, gevelordening, tot in detail, materiaalkeuze en kleur consequent uitgewerkt conform het gepresenteerde ontwerpidee, alsmede de analyse van de omgeving.

Een ontwerp kan dan ook naadloos passen binnen de omgeving, maar mag daarvan ook afwijken zolang deze afwijking overtuigend is gemotiveerd en er een duidelijke ruimtelijke meerwaarde ontstaat. De inzet van ontwerpkracht en ruimtelijke ambitie dient dan ook bij elk ontwerp en elk bouwplan de basis te zijn. De ruimtelijke kwalitatieve inhoudelijke dialoog is daarbij relevanter dan het kwantitatief afvinken van regels.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

§ 3.1 Rijksbeleid

Nationale omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden.  

En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. 

Binnen de NOVI zijn 16 aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVEX-gebied. Het plangebied valt niet in één van deze gebieden. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:  

  • 1.

    Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 

  • 2.

    De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. 

  • 3.

    Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 

  • 4.

    Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Gezien het hoge abstractieniveau van de nationale belangen uit de NOVI, heeft het NOVI geen directe implicaties voor de ontwikkeling en kan de voorgenomen ontwikkeling in algemene zin bijdragen aan de belangen uit het NOVI. Het NOVI heeft geen consequenties voor de voorgenomen ontwikkeling.   

Instructieregels Rijk (AMvB’s)

Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een aantal besluiten in werking getreden. Het gaat om het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), om het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en om het Omgevingsbesluit. Het Bal stelt rijksregels aan (milieu)activiteiten, het Bkl gaat voornamelijk over omgevingswaarden en beperkingsgebieden (onder andere natuur en water) en het Bbl stelt regels aan veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. In het Omgevingsbesluit staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering, en over het DSO. Het plan wordt aan deze regels getoetst in hoofdstuk 4. 

Voortbouwend op de hiervoor genoemde AMvB’s, stelt de Omgevingsregeling eisen aan omgevingsplannen in aangewezen gebieden. Het gaat dan om beperkingengebieden van nationaal belang. Deze regeling volgt de voormalige Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) op. Voor het plangebied gelden geen specifieke beperkingen.

§ 3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Fryslân 2020: De romte diele

Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk (omgevingsplan)beleid. Dit is neergelegd in de Omgevingsvisie Provincie Fryslân. Deze is op 23 september 2020 vastgesteld. In de omgevingsvisie gaat de provincie voor een vitale economie door te investeren in omgevingskwaliteiten. Dit zorgt onder andere voor leefbaarheid en voorkomt leegstand en verpaupering van bebouwing. Daarnaast gaat de provincie voor een veerkrachtig beleid, waarin ingrijpende ontwikkelingen opgevangen kunnen worden, het behoud van de karakteristiek van de provincie, door het beschermen van de eigen identiteit en voor een gezonde leefomgeving. 

De provincie bevordert verder het natuurinclusief ontwerpen bij nieuwe ontwikkelingen. Ook het rekening houden met een veranderend klimaat bij nieuwe ontwikkelingen is een provinciale ambitie. De Provincie streeft naar ‘waterrobuust bouwen’. Dit houdt in dat gebouwen en straten op voldoende hoogte worden aangelegd en dat er voldoende ruimte is voor water in het plan. In dit plan is hier nadrukkelijk rekening mee gehouden. De waterparagraaf gaat hier nader op in. Zoals beschreven in paragraaf 2.3 wordt optimaal ingezet op het benutten van kansen voor natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie. 

Instructieregels provincie

Het projectgebied valt binnen het werkingsgebied van de Omgevingsverordening provincie Fryslân. Deze onderbouwing beperkt zich tot hoofdstuk 2, ruimtelijk omgevingsbeleid, voor zover relevant:

Artikel 2.1 De omgevingsverordening gaat uit van het principe ‘Omgevingskwaliteiten als basis’. In een omgevingsplan (of afwijking daarvan) wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden, waarbij gebruik wordt gemaakt van FAMKE. Paragraaf 4.4 gaat hierop in. Voor projecten buiten het bestaand stedelijk gebied wordt gemotiveerd op welke wijze het plan rekening houdt met de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals omschreven in Grutsk op ‘e Romte. Paragraaf 2.3 beschrijft dit.

Artikel 2.4 De omgevingsverordening vraagt aandacht bij nieuwe functies of uitbreiding van stedelijke functies in het landelijk gebied om onderbouwing van de wijze waarop nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden in het plan bijdragen aan één of meerdere opgaven voor de leefomgeving, zoals energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of het versterken van de biodiversiteit, door het maken van slimme combinaties en het benutten van koppelkansen. Paragrafen 2.3 en 2.2.2 beschrijven hoe hieraan invulling wordt gegeven.

Artikel 2.5 Ook vraagt de Omgevingsverordening de effecten op gezondheid en veiligheid af te wegen, wateroverlast of overstroming vanuit de Friese Boezem te voorkomen en te borgen dat waterrobuust wordt gebouwd. Hoofdstuk 4 beschrijft deze onderwerpen. 

Artikel 2.6 De Omgevingsverordening gaat verder uit van het bundelen van stedelijke functies in het bestaand stedelijk gebied. Het projectgebied ligt buiten het bestaand stedelijk gebied. De begrenzing hiervan is weergegeven in figuur 3.1. 

afbeelding binnen de regeling

Figuur 3.1 Begrenzing bestaand stedelijk gebied

Op gronden buiten het bestaand stedelijk gebied mogen nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies, indien deze aansluiten op het bestaand stedelijk gebied en wat betreft aard en schaal passen bij de stad of het dorp. Hieraan wordt in dit geval voldaan. 

Wel moeten aanvullende regels, zoals zuinig en meervoudig ruimtegebruik (artikel 2.3), waarbij moet worden afgewogen dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om gebruik te maken van een bestaand bouwperceel en dat de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en indien mogelijk worden benut.

Aan deze voorwaarden wordt voldaan. Het bestaand stedelijk gebied is strak om het dorp begrenst. Binnen dit dorp zijn onvoldoende open plekken om het programma te ontwikkelen. Bovendien hebben de open ruimten in het dorp ook een belangrijk kwaliteit voor de leefbaarheid. De beoogde locatie is in het verleden al aangemerkt als een potentiële volgende fase van een woningbouwontwikkeling. Er is sprake van een inwaartse uitbreiding, die logisch aansluit op de aard en schaal van het dorp. In de inrichting wordt nadrukkelijk ingezet op het benutten van kansen voor meervoudig ruimtegebruik. Paragraaf 2.2.2 beschrijft dit.

Artikel 2.7 Voor het toevoegen van woningen geldt dat deze moeten passen binnen de regionale woningbouwafspraken. Hierop wordt in paragraaf 3.3 getoetst. 

Artikel 2.14 Dit omgevingsplan biedt mogelijkheden voor kleinschalige recreatieve voorzieningen als nevenfunctie bij de woning. Het gaat dan om logies. De regeling hiervoor is afgestemd op het beleidskader logiesaccommodaties, dat weer is afgestemd op de kaders van artikel 2.14 lid 1 onder a en b.

Verder wordt artikel 6.5, eerste lid onder a (opstelling zonne-energie voor eigen gebruik) specifiek aangehaald. Daarbij geldt dat het op te stellen vermogen is afgestemd op het eigen energieverbruik op het perceel. Ook deze regeling heeft een vertaling gekregen in de beoordelingsregels van dit plan.

Afdeling 4 van de omgevingsverordening regelt ontgrondingsactiviteiten. In principe moet voor afgraven van de landbodem een omgevingsvergunning voor een dergelijke activiteit worden aangevraagd bij de provincie. In artikel 4.1 is een aantal uitzonderingen op dit verbod opgenomen. Eén van deze uitzondering is het uitvoeren van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit, mits de locatie van de ontgronding is opgenomen, grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven, en niet meer dan 10.000 m3 grond wordt ontgraven. In dit geval wordt 580 m2 water gegraven tot een diepte van minder dan 2 meter. De locatie van de ontgronding is aangegeven op de situatietekeningen die zijn weergegeven in deze toelichting en in het matenplan dat als onderlegger is gehanteerd voor de verbeelding. Deze is weergegeven in figuur 3.2. Daarmee wordt voldaan aan de vrijstellingscriteria en is een omgevingsvergunning. 

Overigens heeft FUMO laten weten dat voor het aanleggen van een oppervlaktewaterlichaam met een boven-breedte heeft van meer dan 6 m, een bodembreedte van meer dan 3 m, en een diepte van meer dan 1 m onder dat peil, wel een ontgrondingsvergunning nodig is. De nieuwe watergang heeft een boven-breedte van 6,5 meter. Hiervoor wordt een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit aangevraagd.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 3.2 Situering en doorsnede watergang

Het plan is hiermee in overeenstemming met de instructieregels.

Regionale woondeal Noordoost Fryslân

De samenleving verandert; ook in Fryslân. Zo neemt het aantal huishoudens nog steeds toe. De meeste huishoudens zijn tegenwoordig ook kleiner dan vroeger. Mede daarom zijn er te weinig geschikte woningen. Het gevolg is dat vooral jongeren en ouderen moeite hebben om een woning te vinden die aansluit bij hun situatie. Dat speelt ook in andere situaties. 

Om iedereen passend onderdak te kunnen bieden heeft Nederland in 2030 ongeveer 900.000 extra woningen nodig. Dat lukt alleen als snel met de bouw kan worden begonnen. Om helder te krijgen hoeveel woningen provincies kunnen bouwen, heeft het Rijk aan elke provincie gevraagd een reële inschatting te maken. Samen met de gemeenten heeft de provincie een inventarisatie gedaan en een ‘reality check’ uitgevoerd. Dit heeft geresulteerd in een bod aan het Rijk. In de provincie Fryslân kunnen de komende 8 jaar zo’n 17.500 woningen worden gebouwd. Hierin zijn afspraken gemaakt over het aantal woningen en de verdeling daarvan per gemeente in de regionale woondeal. 

De gemeenten in de regio Noordoost Fryslân zetten zich gezamenlijk in voor de realisatie van minimaal 2600 woningen. Elke gemeente neemt een haalbaar en passend deel van de regionale opgave. De Woondeal is in 2025 herijkt. De gemeente Noardeast-Fryslân staat daarmee voor een opgave van 1.425 woningen tot 2030. De uitgangspunten van de regionale woondeal gemeente Noardeast-Fryslân zijn:  

  • 30% sociale huurwoningen; 

  • 30% betaalbaar; 

  • 40% vrije markt; 

  • Toevoegen nultreden-woningen en/of geclusterde woonvormen (gedeeltelijk) geschikt voor ouderen. 

Dit geldt gemeentebreed en niet per project. Het dorpenproject, waarvan dit omgevingsplan een deel mogelijk maakt, is een sleutelproject in de Woondeal. Het beoogde programma van toe te voegen woningen past daarmee binnen de uitgangspunten van de Woondeal. 

§ 3.3 Gemeentelijk beleid

Woonvisie 2020-2025

De gemeente Noardeast-Fryslân heeft samen met inwoners, corporaties en belangenorganisaties de Woonvisie 2020-2025 gemaakt. De woonvisie vormt de basis voor het woonbeleid van de gemeente. In de visie wordt uitgelegd waar de gemeente in 2025 op het gebied van wonen wil staan. Ook wordt het gebruikt voor het maken van prestatieafspraken met de woningcorporaties en levert het belangrijke informatie op voor de Omgevingsvisie. De visie is op 21 januari 2021 door de raad vastgesteld. In de woonvisie staan 7 speerpunten uitgewerkt:

  • 1.

    Toekomst geven aan bestaande woningen en buurten; 

  • 2.

    Nieuwbouw in stad, dorpen en wijken, omgang met groei en krimp; 

  • 3.

    Ontwikkeling van de sociale huurvoorraad: betaalbaar, beschikbaar en met kwaliteit; 

  • 4.

    Wonen en zorg in dorpen en wijken; 

  • 5.

    Energietransitie en verduurzaming; 

  • 6.

    Leefbare dorpen: sociaal en veilig, met bereikbare voorzieningen; 

  • 7.

    Samenwerking gemeente, belanghebbenden en bewoners.

De ontwikkeling die dit omgevingsplan mogelijk maakt speelt vooral in op speerpunten 2 en 3, maar sluit direct of indirect ook aan op de andere punten, vooral op het gebied van duurzaamheid en participatie. In hoofdstuk 6, onder de maatschappelijke uitvoerbaarheid, wordt verder ingegaan op de wijze waarop participatie heeft plaatsgevonden.

De gemeente zet in op de realisatie van voldoende nieuwbouwwoningen, om in te spelen op de vraag naar woningen voor diverse doelgroepen en in verschillende segmenten. Dus bouwen naar reële behoefte. Gemengd bouwen is het uitgangspunt. De gemeente wil daarmee de doorstroming bevorderen en monotone buurten voorkomen. Samen met de corporaties houdt de gemeente de vinger aan de pols (aan de hand van kengetallen) om keuzes te maken voor afname, stabiliteit of groei van de sociale voorraad. Voor de invulling van het stedenbouwkundig plan wordt veel aandacht gevraagd voor een goede omgevings- en beeldkwaliteit en klimaatadaptie. 

Flexibele woningbouwprogrammering

In Noardeast-Fryslân zijn momenteel meer woningzoekenden dan woningen. Dat geldt voor zowel de koop- als de (sociale) huurmarkt. Dit zorg voor veel druk op de woningmarkt. De gemeente heeft de ambitie om dit in balans te brengen. Om dit proces te versnellen is een flexibel woningbouwprogramma en daarbij behorende afstemming met de provincie nodig. Om hierin te ondersteunen is de provincie in 2020 een experiment gestart met de regio Noordoost-Fryslân. Op 29 november 2021 heeft de gedeputeerde vertrouwen in de regionale aanpak uitgesproken met als uitkomst dat de provincie een stap terug zet. Het regionale woningbouwprogramma is niet meer afhankelijk van de bestuurlijke goedkeuring van de provincie, waardoor die nog meer bij de regio komt te liggen. Gemeenten kunnen daardoor flexibeler in planontwikkeling zijn en daardoor sneller te werk gaan. Niet voor ieder plan is een onderbouwing van het woningaantal richting provincie meer nodig. Dat ontslaat de gemeente niet van de verplichting om een onderbouwing op te stellen op basis van de Ladder, het criterium zorgvuldig ruimtegebruik bij bijvoorbeeld nieuwe functies buiten bestaand stedelijk gebied én of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De gemeente is verantwoordelijk voor de afweging en de onderbouwing daarvan, die vormgegeven wordt aan de hand van de woningmarktanalyse, Dorpenatlas en monitoring. 

Behoefte

Om het tekort aan woningbouw het hoofd te bieden is in dit kader is met de provincie de (herijkte) Regionale Woondeal gesloten, waarin de gemeente Noardeast-Fryslân voor de woningbouwopgave van circa 1.400 woningen in de periode 2022 tot 2030 staat. Deze woondeal komt voort uit actuele bevolkingsprognoses, die voor de komende tijd nog een groei van het aantal huishoudens laat zien. De actuele basis voor de behoefte aan woningen in de regio is het Woonbehoefteonderzoek Regio Noordoost-Fryslân (17 juni 2025). 

Het woonbehoefteonderzoek dat is vastgesteld in 2025 spreekt voor de dorpen ten oosten van Kollum, waaronder Munnekezijl valt, spreekt van het toevoegen van een aanbod met name in gezinswoningen in het middensegment, en woningen die geschikt zijn voor ouderen in het middensegment. Doordat het plan in samenwerking met het dorp is opgesteld, weten we dat een aantal succesvolle ondernemers wil doorstromen van een bestaande woning binnen de kern naar een vrijstaande kavel. En doordat de kavels voor de 2-onder 1-kapwoningen relatief klein zijn, kunnen deze gerealiseerd worden binnen de betaalbaarheidsgrens. 

De regionale woondeal streeft naar een verdeling van nieuwbouwwoningen van 1/3e sociale huur, 2/3e in de betaalbare sector en 1/3e in de vrije sector. Voor dit plan wordt bij benadering 2/3e betaalbaar en 1/3e vrije sector gerealiseerd. Binnen de dorpskern worden nog 4 sociale huurwoningen gerealiseerd. De corporatie heeft verder aangegeven geen extra huurwoningen te willen realiseren in dit dorp. 

Het toevoegen van de woningen moet gericht zijn op het bedienen van een concrete, lokale behoefte. Omdat de gezamenlijke woningbouw in het dorp is opgesteld in samenspraak met het dorp, en de corporatie zich maximaal inspant is het wenselijk dat dit plan tot ontwikkeling komt. Er is in Munnekezijl geen plancapaciteit. Dit resulteert in een behoefte aan nieuwe woningen. 

Locatie

Binnenstedelijk bouwen is zowel vanuit de ladder voor duurzame verstedelijk als binnen de Woonvisie voorkeursoptie. Dit plan voorziet in een uitbreidingslocatie. De behoefte kan niet binnenstedelijk worden ingevuld.

Omgevingsvisie 1.0

De gemeenteraad heeft op 11 juli 2024 de Omgevingsvisie voor Noardeast-Fryslân vastgesteld. Hierin wordt de gewenste ontwikkeling van de fysieke leefomgeving tot 2030 weergegeven. De gemeente wil in 2030 een vitale, gezonde, ondernemende en duurzame gemeente zijn, met een sterke ‘mienskipssin’. Daarbij gelden de bestaande kernkwaliteiten ‘Us Goud’ als uitgangspunt. 

Relevant voor dit project zijn de kernkwaliteiten van het landschap. Deze zijn in de planvorm benut. Op de kaarten behorende bij de visie is de onderhavige locatie aangemerkt als bebouwd gebied, behorende bij het dorp. Specifieke uitspraken met betrekking tot de locatie worden niet gedaan. Wel is het van belang dat bij ontwikkelingen de kenmerken en identiteit van het gebied centraal staan. Het project doet hieraan geen afbreuk.

Wat betreft woningbouw heeft de gemeente de ambitie op een aantrekkelijk woongemeente te blijven en streeft daarvoor naar voldoende en een passend aanbod van woningen. Daarbij gaat herstructurering en inbreiding voor uitbreiding, waarbij inbreiding niet ten koste moet gaan van bestaande kwaliteiten. Het behoud van groen is ook van belang voor een aantrekkelijke woonomgeving. Om de vitaliteit te behouden kan ook buien de dorpen worden gebouwd, als er binnen het bestaand stedelijk gebied geen goede plek is. 

Verder zet de gemeente in op een gezonde en veilige leefomgeving. Klimaatbestendigheid, waaronder meer groen ten hittestress en wateroverlast, is hierin een belangrijk element. Ook de mogelijkheid voor bewegen en ontmoeten speelt mee. Het plan voorziet hier nadrukkelijk in.

Tot slot is het passend betrekking van de maatschappij een belangrijk uitgangspunt van de omgevingsvisie. Hiervoor wordt nog participatiebeleid gemaakt. In het kader van dit plan is een uitgebreid participatietraject doorlopen. Paragraaf 6.1 gaat hierop in.

Welstandsnota 2020

Het welstandsbeleid van de gemeente is vastgelegd in de Welstandsnota Noardeast-Fryslân (13 augustus 2020). Hierin is een indeling gemaakt in verschillende welstandsgebieden met verschillende ambitieniveaus. Voor het plangebied geldt het welstandskader voor het Buitengebied terpengebied. Voor de ontwikkeling is het welstandskader voor Woonwijken na 1950 het juiste toetsingskader. De gebiedsbeschrijving en criteria zijn opgenomen in bijlage 1. Deze regels zijn van toepassing verklaard in de regels bij dit TAM-omgevingsplan. 

Voor het plangebied geldt het welstandskader voor Woonwijken na 1950 en deels het Buitengebied terpengebied. Het welstandsgebied voor de woonwijken is algemeen en gericht op het respecteren van de bestaande basiskwaliteit. Om de gewenste beeldkwaliteit te waarborgen is een op de locatie toegespitst beeldkwaliteitskader gemaakt, onder de noemer ‘Uitgangspunten omgevingskwaliteit’. Dit kader is opgenomen in bijlage 1.

Conclusie

De voornomen wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

§ 4.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse milieu- en omgevingsaspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op (en dekken) de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.

§ 4.2 Bedrijven en milieuzonering

Wettelijk kader

Tussen bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies is een goede afstemming nodig. Het doel daarbij is het voorkomen van onacceptabele hinder ter plaatse van geur- en geluidgevoelige gebouwen en functies, maar ook om te zorgen dat bedrijfsactiviteiten niet worden beperkt. De VNG uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering’ biedt hiervoor een handvat. Deze nieuwe uitgave gaat over activiteiten als bedoeld in de paragrafen 5.1.4.2 (Geluid door activiteiten) en 5.1.4.6 (Geur) van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvoor instructieregels zijn opgesteld. 

In tegenstelling tot de eerdere uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) wordt niet uitgegaan van richtafstanden, maar van de inpasbaarheid van de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied. Omdat de regeling vooral gericht is op het formuleren van regels in het omgevingsplan en deze implementatie nog niet heeft plaatsgebonden, wordt vooralsnog gebruik gemaakt van systematiek uit de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. De handreiking bevat wel een hulpmiddel om indicatief te bepalen of een activiteit past. Hierbij wordt de getransponeerde bedrijvenlijst gehanteerd. De achterliggende richtwaarden (45 dB(A) Lden in een rustige woonomgeving en 50 dB(A) Lden in een gemengd gebied) zijn vergelijkbaar met de waarden die zijn gehanteerd bij het bepalen van de afstanden uit de eerdere systematiek. 

In het Bkl worden de geur- en geluidgevoelige gebouwen en functies aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. In het kader van de afweging van een evenwichtige toedeling van functies, zijn worden ook andere verblijfsobjecten beoordeeld.

Toetsing en conclusie

Het plangebied sluit aan op een woongebied. Het meest nabijgelegen bedrijf is een melkveehouderij aan de noordzijde van het Munnekzijl. Het bouwperceel van dit bedrijf ligt op ongeveer 125 meter vanaf het plangebied. Voor dergelijke bedrijven geldt op basis van de getransponeerde bedrijvenlijst een afstand van 100 meter. Deze afstand komt overeen met de geurafstanden voor dergelijke bedrijven, zoals opgenomen in het omgevingsplan. Aan deze afstand wordt voldaan. Op basis hiervan is hinder voor de bewoners uitgesloten en kan er op dit vlak gesproken worden van een evenwichtige toelichting van functies. Bedrijven worden niet in de bedrijfsvoering gehinderd. 

§ 4.3 Ecologie

Wettelijk kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 

In het kader van dit project is een ecologische beoordeling uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 2.  

Gebiedsbescherming

Het plangebied heeft geen status als Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, het Lauwersmeer, ligt op ongeveer 2 kilometer afstand. Gezien de aard van het plan en de ruime afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied worden externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten niet verwacht. Gezien de aard van de ingreep doet het voornemen naar verwachting geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. 

Wel kunnen ontwikkelingen in theorie stikstof uitstoten op en daarmee depositietoenames veroorzaken in Natura 2000-gebieden op grotere afstand. Daarom is op voorhand stikstofonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 3. Hieruit is gebleken dat het plan zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase niet tot een relevante stikstofbijdrage op daarvoor gevoelige gebieden leidt. Effecten op Natura 2000-gebieden zijn hiermee uitgesloten.   

Soortenbescherming

Het planvoornemen is getoetst aan Europees en nationaal beschermde soorten. Op basis van de ter plaatse aanwezige omstandigheden en verspreidingsgegevens wordt niet verwacht dat het planvoornemen tot een overtreding van een verbodsbepaling zal leiden omtrent beschermde flora, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden. 

Zoogdieren 

Tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie dient men rekening te houden met mogelijke lichtverstoring van foeragerende en navigerende vleermuizen. Door uitsluitend overdag te werken, vleermuisvriendelijke verlichting te gebruiken of armaturen naar beneden af te stellen richting de omgeving en watergangen wordt verstoring van deze soorten voorkomen. 

Broedvogels 

Tijdens het broedseizoen (grofweg mrt. t/m juli) kunnen er (water)vogels in het plangebied broeden waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. Het betreft o.a. de waterhoen, merel, koolmees en pimpelmees. Voor soorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is, dient men rekening te houden met het feit dat ieder nest, mits op dat moment in gebruik, beschermd is. Dit houdt in dat er geen wezenlijke verstoring mag plaatsvinden, waardoor de vogel het nest verlaat. Om wezenlijke verstoring van broedvogels te voorkomen, wordt het aangeraden om buiten het vogelbroedseizoen (mrt t/m juli) te werken. Indien men binnen het vogelbroedseizoen start met de werkzaamheden, dan wordt aangeraden het plangebied vooraf te checken op (potentiële) broedgevallen door een deskundig ecoloog  

Algemene(re) voorkomende soorten al dan niet met provinciale vrijstelling 

Binnen het plangebied komen diverse algemene(re) soorten voor waarvoor te alle tijde de Zorgplicht geldt. Dit houdt in dat men schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk dient te voorkomen. Mitigerende maatregelen dienen te worden getroffen om een overtreding te voorkomen. Deze zijn opgenomen in tabel 1 van het onderzoeksrapport.

§ 4.4 Bodemkwaliteit

Wettelijk kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang:

  • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; 

  • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; 

  • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

Toetsing en conclusie

In het kader van de planvorming is een verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 4. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat de locatie niet geheel vrij is van verontreinigingen, ter plaatse van een voormalige dam is asbesthoudend materiaal in de grond aangetroffen waarbij de hergebruiksnorm wordt overschreden. Tevens zijn verspreid op dit terreindeel asbesthoudende materialen op het maaiveld aangetroffen. De oppervlakte van het terrein waar bodemvreemd materiaal en asbest is aangetroffen bedraagt circa 100 m² en bij een diepte van circa 50 cm is er circa 50 m³ met asbest verontreinigde grond aanwezig. 

Ter plaatse van het overige terrein zijn geen verontreinigingen aanwezig in de grond en in de grondwater ten opzichte van de interventiewaarde. Het baggerslib in de oostelijk gelegen waterbodem voldoet aan klasse ‘Landbouw/natuur’ en is ‘Niet verontreinigd/Algemeen toepasbaar’ en is verspreidbaar op een aangrenzend perceel. Formeel gezien is de aangetroffen verontreiniging met asbest in de grond niet conform de norm onderzocht maar gezien de duidelijke afbakening en herkomst, wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. 

Op basis van het onderzoek is de bodemkwaliteit voldoende in beeld gebracht en is de uitvoerbaarheid van het plan voldoende aangetoond.

§ 4.5 Geluid

Wettelijk kader

Ter bescherming van de gezondheid in relatie tot een hoge geluidbelasting zijn geluidaandachtsgebieden bepaald. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Dit aspect is behandeld in paragraaf 4.2. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. 

Voor provinciale- en rijkswegen geldt dat de provincie c.q. het rijk verantwoordelijk is voor geluid langs de wegen. Om de onbeheerste groei aan geluid tegen te gaan, zal het systeem van Geluidproductieplafonds (GPP) worden gebruikt. Voor 2026 moeten de Geluidproductieplafonds worden vastgesteld. Zolang deze niet zijn vastgesteld, blijft de Wet geluidhinder van toepassing. In tabel 5.78t zijn standaardwaarden voor geluid op geluidsgevoelige gebouwen als gevolg van wegverkeer opgenomen. Voor gemeentewegen is dit 53 dB (etmaalintensiteit).  

Toetsing en conclusie

Voor gemeentelijke wegen geldt dat er van rechtswege geluidaandachtsgebieden gelden (200 meter bij wegen met 1 of 2 rijstroken). Gemeente moeten hier de basisgeluidemissie van de wegen bepalen en monitoren. Dit geldt in principe alleen voor wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 2.500 mvt/etmaal. Daarbij geldt een standaardwaarde van 53 dB (etmaalintensiteit). 

De wegen rondom het plangebied hebben geen belangrijke doorgaande functie en daarmee niet een hoge verkeersintensiteit. Het projectgebied ligt niet in een aandachtsgebied van wegen. Gelet op de positie van lokale erfontsluitingswegen ten opzichte van de geprojecteerde woningen wordt ook geen hoge geluidbelasting als gevolg van wegverkeer verwacht. Gelet op de situatie ter plaatse mag aangenomen worden dat de geluidbelasting niet hoger is dan 53 dB Lden. Ter plaatse van de woningen is geen hoge geluidsbelasting als gevolg van activiteiten te verwachten. 

§ 4.6 Water

Wettelijk kader

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Voor het inventariseren van de wateraspecten van een plan wordt vaak een plan voor de waterhuishouding opgesteld of een plan met een andere benaming. In dit plan worden de wateraspecten niet alleen beschreven, maar ook wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het plan getroffen moeten worden. Hierbij vindt een toets plaats aan de waterkwaliteitsdoelstellingen uit de Kaderrichtlijn water.

De beschrijving van wateraspecten kan onderverdeeld worden in verschillende subparagrafen. In deze paragrafen wordt achtereenvolgens een beschrijving gegeven van de relevante wetgeving en beleid, het opgestelde plan voor de waterhuishouding en volgens dat plan te treffen maatregelen.

Hierbij worden de resultaten voorkomend uit het wateradvies betrokken. In het kader hiervan wordt over het plan advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder. Hoe met dit advies is omgegaan wordt in deze paragraaf toegelicht. Indien het advies niet wordt opgevolgd, dient de afwijking daarvan gemotiveerd te worden.

Weging van het waterbelang

De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit. Het plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Het plan is het via de digitale wateradvies kenbaar gemaakt bij het waterschap. Voor dit plan wordt de normale procedure voor het wateradvies doorlopen. Wetterskip Fryslân heeft hiervoor een aanvullend wateradvies opgesteld. Dit is opgenomen in bijlage 8.

Waterafvoer/berging

Het waterschap hanteert als uitgangspunt dat de toename verhard oppervlak voor een deel wordt gecompenseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater of waterberging. Het dempen van water en/of watergangen moet volledig gecompenseerd worden. Deze compensatie is bedoeld om wateroverlast door het versneld afvoeren van hemelwater vanaf de verhardingen te voorkomen. De berekening van de benodigde compensatie is weergegeven in de navolgende tabel. 

afbeelding binnen de regeling

In het plan wordt theoretisch (op basis van de Leidraad Wateradvies) 3.896 m2 aan verharding toegevoegd. Hierbij is rekening gehouden met het 50% verharden van tuinen. Er wordt 126 m2 aan watergangen gedempt. In totaal geldt hiervoor een compensatieopgave van 516 m2. In het plan is ruimte voor 580 m2 aan nieuw oppervlaktewater, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de compensatienorm. Voor de demping en het graven van het water is op 13‑05‑2026 een vergunning verleend onder zaaknummer WF-996792.

Ruimtelijke adaptatie 

Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Bij de inrichting van het plangebied wordt hierop geanticipeerd door het percentage verhard oppervlak laag te houden (circa 50%) en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Het uitgangspunt is dat onderhavige plan hieraan bijdraagt. 

Drooglegging

Bij de realisering van bebouwing en het aanleggen van verharding is het nodig om rekening te houden met voldoende drooglegging om bijvoorbeeld opdrijven van verharding te voorkomen. Hiervoor wordt voor bebouwing met kruipruimte een drooglegging van 1,10 m en voor bebouwing zonder kruipruimte een drooglegging van 0,70 m, gerekend vanaf de te realiseren bovenkant vloer, geadviseerd. Ook voor verharding geldt een drooglegging van 0,70 m. Verder adviseert Wetterskip Fryslân om ondergrondse constructies zoals een kelder altijd waterdicht aan te leggen om wateroverlast te voorkomen.

Binnen het plan varieert het huidige maaiveld van 0,5 tot 0,7 m NAP. Het maatgevend waterpeil in het plan is -0,65 m NAP. De meeste woningen in de omgeving zijn aangelegd op ongeveer 1 m NAP. Door hier in het nieuwe woongebied wordt aangelegd op ongeveer 0,75 NAP, het vloerpeil van de woningen iets daarboven. Op die manier wordt voldoende drooglegging gerealiseerd en is er sprake van een waterrobuust plan. Het waterschap adviseert om ondergrondse constructies zoals een kelder altijd waterdicht aan te leggen om (toekomstige) wateroverlast te voorkomen. Er wordt in principe geen kelders gebouwd.

Maatgevend boezempeil

In geval van dijkdoorbraak dan uitgaan van MBP. Het maatgevend boezempeil ter plaatse van het plangebied is bepaald op 0,01 m +NAP. De regionale waterkering is ontworpen op basis van deze waterstand. Er bestaat een kans dat de regionale waterkering doorbreekt. Het is in geval van een doorbraak van de regionale waterkering belangrijk de negatieve gevolgen zo klein mogelijk en de gevolgschade zo laag mogelijk te houden. Het plangebied ligt in een gebied met een overstromingskans van 1:100. Dit betekent dat de regionale waterkering is ontworpen op basis van een maatgevend boezempeil met een kans van voorkomen van 1/100e per jaar. 

Het maatgevend boezempeil ter plaatse van het plangebied is bepaald op 0,14 m NAP. De regionale waterkering is ontworpen op basis van deze waterstand. Er bestaat een kans dat de regionale waterkering doorbreekt. Het is in geval van een doorbraak van de regionale waterkering belangrijk de negatieve gevolgen zo klein mogelijk en de gevolgschade zo laag mogelijk te houden. Het plangebied ligt in een gebied met een overstromingskans van 1:100. Dit betekent dat de regionale waterkering is ontworpen op basis van een maatgevend boezempeil met een kans van voorkomen van 1/100e per jaar. Daarom adviseert Wetterskip Fryslân om het vloerpeil van de nieuwe bebouwing boven het maatgevend boezempeil 0,14 m NAP aan te leggen. Zoals aangegeven onder drooglegging wordt dit advies opgevolgd.

Onderhoud

Wanneer het water afgevoerd wordt op de omliggende watergangen, zullen de watergangen onder schouw worden geplaatst, omdat deze watergangen van belang worden voor het functioneren van het watersysteem. Dit betekend dat er ook een schouwplicht op komt. Betreffende eigenaren van aan deze watergangen grenzende percelen wordt hiervan op de hoogte gesteld. 

Waterkwaliteit

Om een goede waterkwaliteit te realiseren is het nodig dat wordt voorkomen dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn. Ook is het nodig dat gebouwd wordt met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal. Dit wordt aan de ontwikkelaar meegegeven, maar valt buiten de reikwijdte van dit de wijziging van het omgevingsplan. 

Afvalwater en regenwatersysteem

Het uitgangspunt is om regenwater en rioolwater volledig gescheiden af te voeren. In dit geval wordt rioolwater aangesloten op het gemeentelijk riool. Schoon hemelwater wordt afgekoppeld en zoveel mogelijk rechtstreeks afgevoerd op het oppervlaktewater, waar nodig via een hemelwaterriool. Dit wordt in overleg met het waterschap vormgegeven. 

Wetterskip Fryslân vraagt gemeenten om bij onderhoudswerkzaamheden aan het rioolstelsel kansen te benutten om verhard oppervlak zoveel mogelijk af te koppelen, waarbij afstromende neerslag wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Hiervoor gelden de volgende randvoorwaarden: 

  • Daken van woningen en gebouwen zijn schone tot licht verontreinigde oppervlakken. Hiervoor geldt dat de gemeente deze rechtstreeks op het oppervlaktewater mag afkoppelen. Bij ondergrondse afkoppeling via een verzamelleiding dient de gemeente bemonsteringsvoorzieningen toe te passen om foutaansluitingen te kunnen voorkomen of te kunnen detecteren; 

  • Ook parkeerterreinen/wegen kunnen afgekoppeld worden, indien geen extra vervuilende activiteiten plaatsvinden (markt e.d.). 

Wanneer de gemeente plannen heeft voor het afkoppelen van hemelwater op het oppervlaktewater kan de gemeente dit afstemmen met de gemeentelijk contactpersoon van Wetterskip Fryslân. Bij uitwerking van het plan moet worden gekeken of het watersysteem het aan kan als er verhard oppervlak wordt afgekoppeld. Het afkoppelen kan tot gevolg hebben dat het watersysteem zwaarder wordt belast. Dit is afhankelijk van hoe vaak er nu sprake is van een overstortsituatie. Ook als afgekoppeld wordt naar een ander peilvak is het belangrijk eerst te kijken of dit peilvak voldoende berging heeft, wellicht dat ook de waterbergingsbank hiervoor kan worden ingezet. Doel van het afkoppelen moet zijn dat de totale situatie er netto beter op wordt. Hierover vindt bij de verder uitwerking afstemming plaats met Wetterskip Fryslân.

§ 4.7 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Toetsing en conclusie

In Fryslân zijn geen algemene knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit. Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten blijkt dat in Munnekezijl en omgeving sprake is van een goede luchtkwaliteit. Het realiseren van 10 woningen heeft geen relevante invloed op de luchtkwaliteit. Daarmee geldt voor dit plan de NIBM-regeling. Het plan is van dermate kleine omvang dat niet in betekenende mate wordt bijgedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

§ 4.8 Archeologie

Wettelijk kader

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten 

historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.  

Toetsing en conclusie

In de wet zijn archeologische resten beschermd. Het basisbeginsel van de archeologie is sinds 2007; behoud ‘in situ’ ofwel in de bodem op de plek zelf. Slechts bij hoge uitzondering worden nog archeologische opgravingen uitgevoerd. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische in bepaalde gebieden zijn op basis van landschappelijk, historisch en archeologisch onderzoek archeologische gemeentelijke verwachtingskaarten opgesteld. 

Om de archeologische waarden voor het plangebied vast te stellen is de FAMKE geraadpleegd. Voor de periode steentijd – bronstijd valt het plangebied geheel in een zone met een lage verwachting. Voor de periode ijzertijd - middeleeuwen is sprake van een kans op het aantreffen van sporen uit de steentijd. Hier wordt geadviseerd op bij ingrepen groter dan 2.500 m2 een archeologisch onderzoek te verrichten. Aangezien het plan leidt tot grotere ingrepen is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 6. 

Uit het onderzoek is gebleken dat de bodem bestaat uit een bouwvoor, met daaronder natuurlijke afzettingen. Er zijn enkele puinspikkels aangetroffen. Deze archeologische indicatoren zijn echter alleen aangetroffen in de bouwvoor waardoor de archeologische waarde ervan laag is. Het onderzoek heeft daarmee geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied. Verder onderzoek wordt niet geadviseerd.  

In alle gevallen blijft onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hier direct melding van dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. 

§ 4.9 Cultuurhistorie

Wettelijk kader

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten 

historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.  

Toetsing en conclusie

Om na te gaan of sprake is van cultuurhistorische waarden in de omgeving, is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Een fragment van deze kaart is weergeven in figuur 4.1. Het plangebied betreft geen cultuurhistorische waardevolle locatie. In de omgeving liggen enkele historische wegen en structuren, waaronder de dijk aan de noordzijde. De invulling van het plangebied met woningbouw doet op geen enkele wijze afbreuk aan de aangemerkte cultuurhistorische waarden. Vanuit dit aspect bestaan dus geen belemmeringen voor het plan. 

afbeelding binnen de regeling

Figuur 4.1 Fragment CHK Fryslân

§ 4.10 Externe veiligheid

Wettelijk kader

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar via de Atlas Leefomgeving.

Toetsing en conclusie

Uit de kaarten van de Atlas Leefomgeving blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Het plangebied ligt ook niet in het invloedgebied van risicobronnen op grotere afstand. Vanuit dit aspect bestaan dan ook geen belemmeringen voor dit plan.

§ 4.11 Kabels en leidingen

Toetsingskader

In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.  

Toetsing

In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels of leidingen. Ook gelden er geen specifieke beperkingsgebieden in relatie tot de beoogde woningbouw.

§ 4.12 Verkeer en parkeren

Wettelijk kader

De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. 

Verkeersafwikkeling

Op basis van de kentallen uit CROW-publicatie 744 wordt voor grondgebonden woningen uitgegaan van de in onderstaande tabel opgenomen verkeersgeneratie. Dit betekent dat de verkeersgeneratie vanuit het woongebied theoretisch 80 mvt per weekdag is.

Woningtype

Aantal

Gemiddelde norm

Verkeersgeneratie

Twee onder een kap

6

7,8 mvt/etm/w

47 mvt/etmaal

Vrijstaande woning

4

8,2 mvt/etm/w

33 mvt/etmaal

Totaal

80 mvt/etmaal

De verkeersafwikkeling vanuit het plangebied vindt plaats via één ontsluiting op de Kerkstraat, die een directe verbeiding heeft met de gebiedsontsluitingsweg Olde Borchweg. Deze ontsluitende wegen hebben voldoende capaciteit voor de afwikkeling van het woonverkeer vanuit het plangebied. 

Parkeren

Het uitgangspunt voor parkeren is het voorkomen van een onevenredige parkeerdruk in de omgeving. Uit het midden van de bandbreedte van de meest recente CROW-norm voor een niet-stedelijke gemeente volgt voor de gemeente Noardeast-Fryslân de parkeernorm. De parkeerbehoefte is op basis van de normering als volgt bepaald:

Woningtype

Aantal

Gemiddelde norm pp/w

Parkeerbehoefte pp

Voorzien

Eigen terrein

Openbaar

Twee onder een kap

6

2,0 

12

12

1

Vrijstaande woning

4

2,1 

8,4

8

Totaal

 
 

20,4

20

1

Op basis van deze parkeernormen zijn in het woongebied 21 parkeerplaatsen nodig. In het stedenbouwkundig plan wordt uitgegaan van 2 parkeerplaatsen per woning. Voor de overige parkeervraag, voor bijvoorbeeld bezoek, kan langs de weg worden geparkeerd. Dit gaat theoretisch om 1 parkeerplaats. Hiermee wordt aan de uitgangspunten voor parkeren voldaan en is gewaarborgd dat het plan geen parkeerhinder in de omgeving veroorzaakt. 

§ 4.13 Duurzaamheid

Wettelijk kader

Het onderwerp duurzaamheid is een belangrijk begrip bij de ontwikkeling van de leefomgeving. Dit kan breed worden uitgelegd, van energieprestaties tot circulair bouwen en van zorgvuldig ruimtegebruik tot water en bodem sturend. Hiervoor zijn geen algemene wettelijke kaders vastgelegd, maar kan wel via beleid worden gestuurd. 

Voor dit plan is alleen het onderwerp duurzaam ruimtegebruik relevant.  

Zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand

De Ladder duurzame verstedelijking kan hier onderdeel van zijn (schaarse ruimte, zie ook Bkl: is onderdeel van de paragraaf over het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (§ 5.1.5 van het Bkl). Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 

Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:  

  • 1.

    de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en 

  • 2.

    als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling 

Dit plan maakt een programma van 10 woningen mogelijk. Het voorziet daarmee in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiervoor is in verband met een zorgvuldig ruimtegebruik een onderbouwing in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking noodzakelijk. Daarbij wordt de behoefte aan nieuwe woningen beoordeeld aan de hand van de woningmarktregio. 

Regionale behoefte aan woningen 

Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Voor wonen kan dit schaalniveau de gemeentegrens overstijgen. De regio wordt in dit geval bepaald door indeling van de regionale Woondeals, die de provincie met de gemeenten in onder andere de regio Noardeast-Fryslân heeft gesloten.  

In eerste plaats volgt de behoefte aan nieuwe woningen uit de diverse prognoses die ten grondslag liggen aan de provinciale Woondeal en aan de gemeentelijke woningmarktanalyse. Hieruit volgt een aanhoudende behoefte aan goede, betaalbare en duurzame woningen. In de woningmarktanalyse Noordoost-Fryslân uit 2020 wordt ook geadviseerd daar het gemeentelijk woningbouwoffensief op in te zetten, mede om de trend van afgelopen jaren (vertrekoverschot) te keren. 

De laatste woningmarktanalyse, mede gebaseerd op uitgevoerde monitoring van de eerdere woningmarktanalyse, geeft aan dat er de komende jaren binnen Dokkum nog een stevige woningbehoefte blijft bestaan. Er wordt daarbij in eerste instantie ingezet op herstructurering (sloop/nieuwbouw) en inbreiding. Daarnaast zal in beperkte mate ook buitenstedelijk gebouwd moeten worden om aan de algehele woningbehoefte te kunnen voldoen.  

Op basis van de regionale Woondeal staat de gemeente voor een forse woningbouwopgave van bijna 1200 woningen tot 2030. De vraag naar woningen blijft onverminderd hoog en het aanbod blijft vooralsnog achter. Ook na 2030 wordt nog een behoefte aan nieuwe woningen verwacht. Om in deze aanhoudende behoefte te voorzien werkt de gemeente aan verschillende sleutelprojecten, waaronder het dorpenproject. Dit plan voorziet in een deel van dat project.  

Uitbreidingslocatie 

Dit plan maakt een uitbreidingslocatie mogelijk, buiten het bestaand stedelijk gebied, waarvoor afgewogen moet worden of de behoefte ook binnen het bestaand stedelijk gebied opgevangen kan worden. Binnen het stedelijk gebied van Munnekzijl is geen ruimte voor het opvangen van de behoefte, waarbij in acht is genomen dat open plekken in het dorp ook een waarde hebben voor de leefbaarheid. Het ontwikkelen van een uitbreidingslocatie is daarmee aanvaardbaar.  

Conclusie 

Geconcludeerd kan worden dat het woningbouwplan voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

§ 4.14 Beschermen van gezondheid

Wettelijk kader

Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3 sub a). De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet wordt dit aspect breed gemotiveerd. Van belang is dat de kwaliteit van de leefomgeving door de activiteit verbetert of in elk geval niet (onevenredig) verslechtert.

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd. Deze paragraaf beperkt zich tot het beschermen van gezondheid in algemene zin. Dus op de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid.

Toetsing en conclusie

Met dit plan hangen geen bijzondere omstandigheden samen, waardoor het verlenen van de vergunning in potentie leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming.

Spuitzones

Een aandachtspunt bij de ontwikkeling van gevoelige functies nabij agrarische gronden zijn gewasbeschermingsmiddelen, die afhankelijk van de wijze van toediening kunnen uitwaaien (drift) over de woonpercelen. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet, bij ontwikkelingen in de omgeving van agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden gebruikt, worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gezondheidsgevolgen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. 

Op basis van jurisprudentie uit het verleden geldt dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in ieder geval voldoende is. Deze afstand kan worden verkleind op basis van een motivering, waarbij de specifieke locatie wordt beschouwd. In dit geval is de afstand tot de westelijk gelegen woningen ongeveer 30 meter.

Op percelen die agrarisch in gebruik zijn ten behoeve van akkerbouw wordt mogelijk gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Het omgevingsplan van de gemeente sluit dit ook niet uit. In theorie kan er gebruik worden gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen op de gronden. Indien wel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt, moet voldaan worden aan de daarvoor geldende wetgeving waarbij onder meer de zorgplicht voor mens, dier, plant en water in acht moet worden genomen. Bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen moet altijd driftarme apparatuur worden gebruikt. Daarnaast worden vanuit het Bal (Besluit activiteiten leefomgeving) eisen gesteld aan de voorwaarden van toepassing (onder andere windkracht). Langs sloten geldt een bufferzone waar niet gespoten mag worden. In dit geval wordt langs de achterzijde van de nieuwe woonpercelen een sloot aangelegd. Verder dragen nieuwe driftreducerende spuittechnieken bij aan verbeteringen.

Gelet de afstand van de woningen tot het akkerland en de aanwezigheid van de sloot is het risico op gezondheidsproblemen als gevolg van gewasbeschermingsmiddelen beheersbaar. De agrarische kavel ligt bovendien al direct langs de bebouwde kom, waar vanuit de zorgplicht al rekening gehouden moet worden met gevoelige bestemmingen. De vaststelling van de voorgestelde wijziging van het omgevingsplan leidt daarom niet tot een onevenredig gezondheidsrisico. Daarbij wordt opgemerkt dat het bevoegd gezag het risico wel moet meewegen in de besluitvorming.

§ 4.15 M.e.r.-beoordeling

Wettelijk kader

Een onderdeel van de beoordeling van een wijzigingsbesluit, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is wordt afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.

De lijst bestaat uit vier kolommen, waarbij in kolom 1 de betreffende projecten zijn benoemd, in kolom 2 de mer-plichtige activiteiten zijn opgenomen in kolom 3 de mer-beoordelingsplichtige activiteiten. Kolom 4 geeft aan bij welke besluiten de project-mer-(beoordelings)plicht geldt. Waar een omgevingsplan wordt genoemd, geldt dat ook een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt bedoeld.

Toetsing en conclusie

De activiteit die dit omgevingsplan mogelijk maakt wordt gezien als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Omgevingsbesluit. In dit kader is een m.e.r.-beoordeling opgesteld, die is opgenomen in bijlage 7. Hieruit blijkt dat gelet op de kenmerken van het plan, de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten, geen aanzienlijke milieueffecten zullen optreden. Er is dan ook geen aanleiding voor het doorlopen van een MER-procedure.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

§ 5.1 Inleiding

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten enkele jaren de tijd om een geheel nieuw, gemeentedekkend omgevingsplan op te stellen dat voldoet aan de eisen van de wet. Deze transitie zal enige tijd in beslag nemen. Gedurende die tijd blijven - onder andere - oude bestemmingsplannen van kracht via het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Tijdens de transitieperiode kan de behoefte ontstaan om gebiedsontwikkelingen te faciliteren, die in strijd zijn met het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Daarvoor kan een vergunning worden verleend om af te wijken van het omgevingsplan (buitenplanse OPA) maar er kan ook worden besloten het omgevingsplan aan te passen. In hoofdstuk 21 zijn de wijzigingen van dit omgevingsplan voor ontwikkelingen tijdens de transitiefase opgenomen.

§ 5.2 Ontwikkelingen tijdens transitiefase

Algemeen

In hoofdstuk 21 worden de regels voor wijzigingsbesluiten op aanvraag opgenomen. Elke nieuwe ontwikkeling tijdens de transitiefase wordt in een aparte afdeling opgenomen. Voor elke ontwikkeling worden alleen de regels opgenomen die noodzakelijk zijn voor het opheffen van de strijdigheid met:

  • het tijdelijke deel van het omgevingsplan, voor zover het betreft het voormalige bestemmingsplan (of een ander ruimtelijk besluit) en/of; 

  • het definitieve deel van het omgevingsplan, voor zover dat al is ingevuld.

In principe worden er geen regels opgenomen waarmee wordt afgeweken van andere delen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (zoals de bruidsschat in Hoofdstuk 22). Voor zover een bruidsschatregel die betrekking heeft op de activiteiten die mogelijk gemaakt worden in strijd is met instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl), zal de strijdigheid wel moeten worden opgeheven. Voor zover de bestemmingsplanregels dan wel bruidsschatregels strijdig zijn met de instructieregels uit de provinciale verordening zal ook deze strijdigheid moeten worden opgeheven. 

Daarnaast wordt er in principe geen gebruik gemaakt van de Pons. Uit de voorrangsregel moet heel duidelijk blijken welk deel van de onderliggende ruimtelijke plannen nog van toepassing blijven. 

In het kader van uniformiteit wordt voor de formulering van de regels van elke afdeling in hoofdstuk 21 zo veel mogelijk aangesloten bij de structuurkeuzes voor het definitieve omgevingsplan, zoals beschreven in de schrijf- en annotatiestrategie Noardeast-Fryslân. 

Structuur afdelingen in hoofdstuk 21

Uit de naam van de afdeling moet blijken wat de locatie van de ontwikkeling is. Een afdeling bestaat uit de volgende paragrafen:

Paragraaf 21.1.1 (Hoofdstuk 1) Algemene bepalingen

In deze paragraaf wordt in het eerste artikel het gebied aangewezen waar de afdeling op ziet. Dit gebied zal veelal bestaan uit de locatie van de ontwikkeling. In het tweede artikel wordt de voorrangsbepaling opgenomen. Uit de voorrangsbepaling blijkt wat de verhouding van de afdeling is ten opzichte van voormalige ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. 

De begripsbepalingen moeten in artikel 1.1 worden opgenomen, dit kan in het artikel zelf of in de bijlage. Aangezien de begripsbepalingen van het initiële omgevingsplan (de bruidsschat) in de bijlage staan, staan ook de begripsbepalingen behorende bij hoofdstuk 21 in een bijlage. In de bijlage worden begrippen opgenomen die zijn gebruikt in hoofdstuk 21 en een uitleg behoeven.

Paragraaf 21.1.2 (Hoofdstuk 4) Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Het vastleggen van gebiedstypen, beperkingen- en aandachtsgebieden en omgevingsnormen gebeurt in een apart hoofdstuk (hoofdstuk 4). Omdat we onze regels in H5 & 6 ‘schoon’ willen houden regelen we zoveel mogelijk aanwijzingen in H4.

De kern van ons omgevingsplan bevindt zich in de hoofdstukken 5 en 6. Daar staan de regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Administratieve borging van deze regels willen we in die hoofdstukken zo veel mogelijk mijden omdat dit de leesbaarheid van het omgevingsplan negatief kan beïnvloeden. We kiezen daarom om in een apart hoofdstuk de administratieve vastlegging van de borging van de regels te plaatsen. Dit doen we in hoofdstuk 4 – aanwijzingen in de fysieke leefomgeving. In dit hoofdstuk beschrijven we waar bepaalde beperkingen- en aandachtsgebieden gelden. Daarnaast leggen we hier ook omgevingsnormen vast. Onderdeel hiervan is bijvoorbeeld de wijze van meten, hierin vinden regels zoals omgevingsnormen hun contextuele onderbouwing.

Paragraaf 21.1.3 (Hoofdstuk 6) Activiteiten

Hoofdstuk 6 zal de regels over activiteiten gaan bevatten. Op basis van de waardelijst activiteitgroepen van de IMOW wordt de structuur in dit hoofdstuk opgebouwd. Op deze manier houden we gelijksoortige regels over activiteiten bij elkaar en blijft het omgevingsplan overzichtelijk voor zowel de opsteller als de gebruikers.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

§ 6.1 Participatie

In artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit is bepaald dat in een wijzigingsbesluit van het omgevingsplan is beschreven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken. En ook wat de gemeenten met de resultaten heeft gedaan. Wie bij de vroegtijdige participatie wordt betrokken, hangt af van het type omgevingsplanwijziging, de aard, de omvang en de invloed op de fysieke leefomgeving voor belanghebbenden. 

In het kader van dit plan is al een uitgebreid participatietraject doorlopen. De ondernomen stappen zijn geschetst in de navolgende tabel. Het participatietraject wordt momenteel afgerond. Hiervan wordt een verslag gemaakt, dat teruggekoppeld wordt aan de participanten en wordt opgenomen bij deze motivering, voorafgaand aan de publicatie van het ontwerpbesluit. 

Datum

contactmoment

Juni 2022

Behoefte onderzoek middels enquête in Munnekezijl

12 januari 2024

Overleg met de woonprojectgroep

5 juli 2024

Overleg met de woonprojectgroep

12 december 2024

Infoavond voor alle dorpsbewoners

28 februari 2025

Overleg met de woonprojectgroep

9 mei 2025

Overleg met de woonprojectgroep

November 2025

Gesprekken met aanwonenden.

 
 

22 december 2025

Brochure verkaveling op dorpswebsite

24 december 2025

Nieuwsbrief langs de deuren in Munnekezijl

§ 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Algemeen

De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.  

Advisering ketenpartners

Het concept omgevingsplan is ter advisering voorgelegd aan de betrokken ketenpartners (provincie, waterschap, brandweer). Van de provincie en de brandweer zijn schriftelijke reacties ontvangen. 

Provincie Fryslân 

De provincie laat weten in te kunnen stemmen met de ontwikkeling voor de bouw van 10 woningen. Het plan geeft nog wel aanleiding tot het maken van de volgende opmerking. 

Borging landschappelijke inpassing en koppelkansen:  

Het bijgevoegde beeldkwaliteitskader ziet toe op van het beeld, architectuur en erfinrichting van de woningen op perceelsniveau. De beoogde inrichting en tevens koppelkansen met te behouden groenstrook, bomenrij en natuurvriendelijke oevers is niet geborgd. De voorgenomen inrichting doet recht aan hetgeen we in een eerder vooroverleg met uw gemeente hebben besproken. Zo wordt de blokvormige verkaveling versterkt door de sloot in zuidwestelijke richting door te trekken. De provincie vraag in de regels te borgen dat het inrichtingsplan, conform het plan worden uitgevoerd en hierbij een termijn te stellen voor uitvoering. 

Reactie gemeente:  

In de definitieve versie van het Beeldkwaliteitsplan is de beoogde inrichting, met daarbij de groenstrook, bomenrij wel opgenomen en daarmee geborgd. Tevens is gehoor gegeven aan de opmerking ten aanzien van de sloot. Deze zal in zuidwestelijke richting worden doorgetrokken, waarmee de blokvormige verkaveling zal worden versterkt. Tevens wordt het behoudt van de bomen achter op de kavels geborgd via het private spoor door deze op te nemen in de koopovereenkomst met een boetebeding. 

Brandweer Fryslân 

Brandweer Fryslân voorziet in het plangebied een knel-/ aandachtspunt met betrekking tot externe veiligheid en bluswater. Zij geven in dit kader enkele adviezen over de breedte van wegen, opstelplaatsen van de brandweerauto en de brandkranen. Ook wordt ingezet op brandpreventieve voorzieningen zoals branddetectie of kleine blusmiddelen, zodat een brand klein gehouden kan worden. 

Bluswater 

Een standaard brandweereenheid beschikt over een watertank van ongeveer 1.500 liter water. Hiermee kan bijvoorbeeld een beginnende keukenbrand worden geblust. Wanneer de brandweer zich met verder ontwikkelde/ grotere branden geconfronteerd ziet, zal zij terugvallen op openbare bluswatervoorzieningen zoals brandkranen of open water. 

Op basis van het maatgevende scenario brand op de verdieping van een woning, is gewenst dat er binnen 6 minuten minimaal 1.000 l/min aan bluswater beschikbaar is voor de eerste brandbestrijding. Dit kan gerealiseerd worden door af te leggen op een brandkraan met een opbrengst van minimaal 60 m3 /uur (1.000 l/min) die op maximaal 100 meter van de woningen ligt. 

Op 5 januari 2026 is er al afstemming geweest tussen de brandweer en de Gemeente. Hierin is aangegeven dat het wenselijk is om bij de inrit van het nieuwe plangebied een brandkraan te realiseren op de bestaande waterleiding, zodat de brandweer binnen 100 meter alle woningen kan bereiken. 

Brandweer Fryslân adviseert om een brandkraan aan te leggen met een minimale capaciteit van 1.000 liter per minuut (60 m3 /uur) op een maximale afstand van 100 meter van elke woning. 

Op het gebied van bereikbaarheid en opkomsttijd zien wij geen knelpunten. 

Reactie gemeente: Er wordt een brandkraan gerealiseerd in het begin van de straat conform verzoek. Vitens is hiervan in kennis gesteld. De capaciteit is afhankelijk van wat Vitens kan leveren. 

Wetterskip Fryslân 

Wetterskip Frylân heeft een aantal opmerkingen en aandachtspunten op het plan naar de gemeente gestuurd, waarop de gemeente heeft gereageerd. Het Wetterskip kan zich vinden in de antwoorden van de gemeente op de vragen van het Wetterskip en vult aan dat compensatie van toename van verhard oppervalk vergunningplichtig is. 

Reactie gemeente: De opmerkingen van het Wetterskip worden als uitgangspunt gehanteerd bij de verdere uitwerking van het plan. De waterparagraaf is op enkele onderdelen aangevuld.  

Gasunie 

Bij e-mailbericht van 4 mei 2026 heeft Gasunie, het plan getoetst aan de huidige eisen rondom Omgevingsveiligheid. Op grond van deze toetsing is men tot de conclusie gekomen dat het plangebied buiten het aandachtsgebied van onze gasinfrastructuur valt. Daarmee staat vast dat de gasinfrastructuur geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. 

PKN 

KPN laat weten geen bezwaar te hebben.  

Procedure

Het ontwerp van dit wijzigingsbesluit heeft op grond van artikel 3:11 van Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen en is tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de landelijke website (LVBB). Voorafgaand is hiervan mededeling gedaan in het Gemeenteblad. Gedurende deze periode kon eenieder een zienswijze over het ontwerpbesluit bij de gemeenteraad naar voren brengen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Op 23 januari 2025 is het besluit tot vaststelling van dit wijzigingsbesluit genomen door het college van burgemeester en wethouders.

§ 6.3 Economische uitvoerbaarheid

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de exploitatie van het plan en de eventueel daaruit voortvloeiende nadeelcompensatie besproken  

Economische uitvoerbaarheid

In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.  

Kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (hierna: ‘een aangewezen bouwactiviteit’). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit. 

Omdat de locatie in eigendom van de gemeente is en het project ook op initiatief van de gemeente wordt ontwikkeld, is er geen sprake van een kostenverhaal.

Bijlage A

Naar boven