Gemeenteblad van Brummen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Brummen | Gemeenteblad 2026, 355159 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Brummen | Gemeenteblad 2026, 355159 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
VERORDENING RECHTSPOSITIE RAADS- EN COMMISSIELEDEN, GEMEENTE BRUMMEN 2026
DE RAAD VAN DE GEMEENTE BRUMMEN,
Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 mei 2026 met kenmerk D480646;
Gehoord het behandeladvies van de forumvergadering van 29 juni 2026;
Gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, en 97, 98, 99 van de Gemeentewet en de artikelen 3.1.1, vijfde lid, 3.1.3, eerste lid, 3.1.4, eerste lid, artikel 3.1.4a, eerste lid, 3.1.8, eerste lid, 3.1.9, eerste lid, 3.3.2, 3.3.3, tweede lid, 3.4.1. eerste lid, en 3.4.2 en 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;
Artikel 2. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden
Aan het raadslid wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend die gelijk is aan artikel 3.1.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
Artikel 3. Toelage raadslid onderzoekscommissie en bijzondere commissie
Een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de gemeente de maximale toelage toegekend per maand. De toelage bedraagt per jaar ten hoogste driemaal de maandelijkse vergoeding.
Artikel 4. Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden voor reizen naar het buitenland
De noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte werkelijke reis- verblijfkosten die een raadslid of commissielid maakt in verband met reizen naar het buitenland ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur worden ten laste van de gemeente vergoed. De hoogte van de te vergoeden verblijfskosten zijn maximaal de bedragen, zoals genoemd in de Reisregeling binnenland en Reisregeling buitenland.
Raadsleden leggen het voornemen tot een buitenlandse dienstreis of een uitnodiging daartoe voor aan het presidium. Het raadslid geeft daarbij informatie over het doel en de duur van de reis, de bijbehorende beleidsoverwegingen, de samenstelling van het gezelschap dat meereist, de geraamde kosten en de wijze waarop van de reis verslag wordt gedaan.
Artikel 5. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden
Deze aanvraag gaat vergezeld van stukken met inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. Ook wordt een kostenspecificatie meegestuurd waaruit blijkt dat de prijs-kwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is, en dat de kosten ervan niet al op een andere basis kunnen worden betaald.
Artikel 7. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel
Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.
Artikel 8. Betaling vaste vergoedingen
Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van de vergoeding van raads- en commissieleden, maandelijks plaats.
Artikel 10. Intrekking oude verordening
De Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2019 wordt ingetrokken.
Dit besluit is genomen tijdens de openbare raadsvergadering van 09 juli 2026.
De raad van de gemeente Brummen,
De griffier, M.E.A. Knook
De voorzitter Ir. J.N. Rozendaal
In de wet en nadere regelgeving zijn alle belangrijke onderwerpen over de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers opgeschreven. In de Gemeentewet staat dat de precieze afspraken over de rechten en plichten en de financiële afspraken van raads- en commissieleden moet worden opgeschreven bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Die precieze uitwerking staat in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de regels over (onkosten)vergoedingen verder opgeschreven.
Tijdens de herzieningsronde 2026 is de verordening op enkele punten dynamisch gemaakt. Voor zaken die per verordening moeten worden ingesteld (zoals bijvoorbeeld een bijzondere commissie) zijn geen vergoedingen in de artikelen benoemd (voor bijvoorbeeld een voorzitter). In de verordening kan bij instelling van een commissie de actuele vergoeding (conform het betreffende peiljaar) zoals benoemd in de hogere wet- en regelgeving (zoals artikel 3.1.4 Rechtspositiebesluit bij het instellen van bijzondere commissies) worden meegenomen. Als het bedrag in de hogere wet- en regelgeving wordt geïndexeerd, hoeft de lokale verordening rechtspositie raads- en commissieleden niet te worden aangepast. De verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Brummen laat ruimte om de hoogte van de vergoeding op moment van instelling van de commissie te bepalen, namelijk een maandelijkse toelage van maximaal het bedrag zoals benoemd in hogere wet- en regelgeving. Dit met uitzondering van een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de gemeentewet. Deze ontvangt, conform de verordening uit 2019 waar een concreet bedrag werd gehanteerd, het maximale bedrag uit het Rechtspositiebesluit (100%).
Het rechtspositiebesluit biedt in artikel 3.4.2 de mogelijkheid om een hogere vergoeding (dan benoemd in artikel 3.4.1) toe te kennen op grond van bijzondere beroepsmatige deskundigheid of wanneer de vergoeding niet in verhouding staat tot zwaarte en duur van te verrichten arbeid. Dit geldt ook voor commissieleden die geen raadslid zijn. Dit dient vooraf per verordening bepaalt te worden.
In deze lokale verordening van gemeente Brummen zijn alleen bepalingen opgenomen voor zover die niet dwingend (verplicht) geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. Dit volgt uit de Gemeentewet het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Bij de laatste moderniserings- en harmoniseringsoperatie (Staatsblad 15 oktober 2018) over, de rechtspositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er opnieuw een aantal bepalingen imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De reden hiervan is het voorkomen van politieke discussies over voorzieningen zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om door middel van een verordening af te wijken. Het ministerie van BZK publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening.
In artikel 99 Gemeentewet is bepaald dat ’buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’,
ontvangen de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente. Deze verordening vormt een (verdere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen.
Raads- en commissieleden zijn niet in dienst van de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden kiezen voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring bij de Belastingdienst.
Als de raads- en commissieleden en de gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, dan moeten de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten worden gezien en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten opgeven in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raads- en commissieleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst door te geven middels een formulier IB-47. Omdat raads- en commissieleden persoonlijk worden gekozen, worden zij niet gezien als (fiscaal) ondernemer. Daarom hoeft er geen VAR-verklaring of/Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente.
De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) geldt niet voor raads- en commissieleden.
Artikel 2. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden
Raadsleden krijgen een vaste vergoeding. Hoeveel dat is, hangt af van het aantal inwoners van de gemeente (de inwonersklasse).
Vanaf de dag van beëdiging hebben de raadsleden recht op de vergoedingen die verbonden zijn aan hun functie. Wat betreft de vergoeding voor de werkzaamheden is dit geregeld in artikel 3.1.1, eerste lid.
Het raadslid kan de vergoeding niet weigeren en de gemeente is verplicht de raadsvergoeding over te maken naar de bankrekening van het raadslid. Het raadslid mag zelf ervoor kiezen om (een deel) van de raadsvergoeding aan de eigen politieke partij te geven, maar dit is niet verplicht. Het is ook niet toegestaan om af te spreken dat de vergoeding direct naar de partij gaat (bijvoorbeeld met een akte van cessie). De reden hiervoor is dat het raadslid een onafhankelijke positie heeft en niet financieel afhankelijk mag zijn van de politieke partij.]
De gemeenteraad kan op basis van het zesde lid van artikel 3.1.1 bij verordening bepalen dat een deel van de vergoeding wordt uitbetaald als presentiegeld. Dit kan maximaal 20% van de vergoeding zijn. In een dergelijke verordening mag geen onderscheid worden gemaakt tussen de raadsleden: een presentievergoeding geldt dan voor alle raadsleden. Deze bepaling kan bijvoorbeeld worden gebruikt bij spookleden. Spookleden zijn volksvertegenwoordigers die wel zijn gekozen, maar die niet of nauwelijks aanwezig zijn bij de vergaderingen of activiteiten van de desbetreffende gemeenteraad. In Brummen doet dit fenomeen zich niet of nauwelijks voor, zodat niet gekozen is voor die variant.
Artikel 3. Toelage raadslid onderzoekscommissie (en bijzondere commissie)
Dit artikel gaat over de toelagen (extra vergoedingen) voor de raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’. Dit geldt voor de vertrouwenscommissie en de onderzoekscommissie, zoals deze in de Gemeentewet zijn genoemd. Let op: de rekenkamerfunctie kan op basis van de Gemeentewet niet meer worden gecombineerd met het raadslidmaatschap. Zo'n bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening worden vastgesteld. Daarbij moet worden aangegeven dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk extra werk (meerwerk) is naast het gewone lidmaatschap van de gemeenteraad. De hoogte van de toelage voor het werk in de eerdergenoemde zware commissies is anders voor de vertrouwenscommissie dan voor de onderzoekscommissie.
Voor de toelage van een lid van de vertrouwenscommissie geldt een vast bedrag per maand. Dit bedrag is belast en staat in artikel 3.1.2. van het Rechtspositiebesluit. Voor de toelage van een lid van een bijzondere commissie geldt het bedrag genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, per maand voor de periode dat de commissie actief is. Het bedrag wordt berekend in verhouding tot die periode. Zolang een commissie «slapend» is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage. Het gaat dus niet om hoe lang iemand lid is, maar om hoe lang de commissie echt aan het werk is.
De toelage voor de vaste voorzitter volgt uit het nieuwe artikel 3.1.4a. van het Rechtspositiebesluit. Sommige gemeenten hadden behoefte aan zo’n bepaling. Hoe groot de gemeente is, maakt daarbij niet uit. De raad beoordeelt hoeveel werk en tijd het voorzitterschap kost. Op basis daarvan bepaalt de raad vervolgens of er een vergoeding nodig is en hoe hoog deze moet zijn.
Artikel 4. Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden voor reizen naar het buitenland
De reis- en verblijfkostenvergoeding voor raads- en commissieleden is (dwingend) geregeld in Artikel 3.1.7 van het Rechtspositiebesluit Politieke Ambtsdragers en Artikel 3.1 van de Regeling Rechtspositie.
Opname van een specifiek artikel voor reizen naar het buitenland in de verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Brummen komt voort uit de opname van afspraken hieromtrent in de gedragscode voor raads- en steunfractieleden. Mede omdat gemeente Brummen in internationale vriendschap verbonden is met de Japanse stad Koriyama en met de Poolse gemeente Krotoszyn. Het gaat dus niet om het recht op en de hoogte van de reis- en verblijfkosten, maar de wijze waarop de overweging wordt gemaakt tot het maken van de kosten en de toestemming hiervoor.
Artikel 5. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden
Voor raads- en commissieleden is duidelijk bepaald dat de kosten voor scholing die niet-partijpolitiek is, zoals deelname aan congressen en opleidingen, door de gemeente kunnen worden betaald. Scholing die wel partijpolitiek is, wordt niet door de gemeente vergoed. Of scholing partijpolitiek is, hangt af van de inhoud van die scholing. Dat betekent dat wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij dit dus niet automatisch partijpolitieke scholing is.
Om scholingskosten vergoed te krijgen, moet duidelijk worden uitgelegd dat het gaat om scholing die nodig is voor het werk. Scholing is nodig voor het werk als het bedoeld is om vakkennis en vaardigheden te leren of bij te houden die je voor je functie nodig hebt. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als het helemaal of voor een deel het doel heeft om diegene op te leiden in de ideeën en standpunten van die partij.
De gemeente kan ook dit soort scholing zelf geven of regelen. De kosten daarvan worden ook door de gemeente betaald.
Uit paragraaf 3.1 van de circulaire Wijzigingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers voor gemeenten blijkt dat het college verantwoordelijk is voor de uitvoering aan de hand van de centrale kaders uit het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Er kan ook mandaat worden verleend aan een commissie van de gemeenteraad om te toetsen of scholingsverzoeken binnen het kader vallen. Die commissie moet dan wel een formele commissie zijn in de zin van de Gemeentewet. In het geval van een informele commissie, kan de gemeente het beste de modelbepaling volgen waarin die commissie enkel als adviesgevend orgaan is benoemd. Het College en de Raad zijn niet bevoegd om uitzonderingen of beperkingen op te leggen aan individuele verzoeken op de centraal gestelde kaders. Als de aanvraag binnen de kaders valt, wordt het uitgevoerd.
Op grond van artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, tweede lid kan de gemeenteraad regels maken over de scholing van raadsleden. Deze regels kunnen bijvoorbeeld in een scholingsplan staan. In dit plan kunnen procedureregels voor individuele aanvragen om scholing worden opgenomen en ook regels over de hoogte van de tegemoetkoming. Dit plan kan vervolgens als handvat of hulpmiddel worden gebruikt bij de beoordeling van deze individuele scholingsaanvragen.
Het Rechtspositiebesluit is op twee onderdelen aangevuld. Ten eerste moeten de prijs en kwaliteit van de scholing in verhouding tot elkaar staan. Zo blijven de kosten redelijk. Daarnaast mogen de kosten niet al op een andere manier worden vergoed. Verder is in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, derde lid een koppeling gemaakt met artikel 3.1.7 en 3.2.9. De gemeente betaalt, als daar een goede reden voor is, de reis- en verblijfskosten die nodig zijn voor de scholing.
Artikel 6 Informatie- en communicatievoorzieningen raads- en commissieleden
Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een raadslid, wethouder of de burgemeester voor de duur van de uitoefening van zijn functie de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking.
Ook commissieleden kunnen aanspraak maken op ICT-middelen op grond van art. 3.4.4 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan een smartphone een computer en de daarbij behorende (internet)abonnementen. Er mag slechts één computer verstrekt worden. Een computer is een desktop, laptop, tablet- of minicomputer. Een smartphone is niet te kwalificeren als computer. Gemeente Brummen verstrekt een Ipad.
De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de politieke ambtsdrager, omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdrager wordt ingeleverd bij de gemeente. Hiervoor is een termijn van twee weken afgesproken in de verordening. De gemeente draagt zorg voor het schonen van dit ICT-middel en het al dan niet beschikbaar stellen voor hergebruik. Als hergebruik niet aan de orde is, kan de gemeente ambtsdragers de mogelijkheid bieden het ICT-middel over te nemen. Dit overnemen is dus geen recht van de ambtsdrager, maar het gevolg van een keuze van de gemeente. In dit geval is er bereidheid het ICT-middel af te stoten. Een circulaire vereist in dat geval dat de gemeente ervoor zorgt dat het ICT-middel door of namens de gemeente is geschoond met speciale software (conform Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO)). Verder dient de politieke ambtsdrager voor het overnemen van het ICT-middel op grond van de circulaire een vergoeding te betalen. Deze vergoeding dient gelijk te zijn aan de resterende waarde van het ICT-middel in het economisch verkeer.
Artikel 7 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel
In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt.
Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte - tot 1,2% fiscale loonsom - onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen.
De VNG adviseert om in de administratie de loonsom voor de politieke ambtsdragers en de werknemers te splitsen. Hiermee wordt inzichtelijk hoe groot de vrije ruimte voor politieke ambtsdragers en werknemers is.
Op deze wijze krijgen zowel politieke ambtsdragers als werknemers ieder hun evenredige deel van de vrije ruimte in de WKR.
Artikel 8 Betaling vaste vergoedingen & artikel 9 Betaling en declaratie van onkosten
Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen wanneer de vergoedingen en onkosten betaald worden aan raads- en commissieleden. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kunnen deze artikelen uitkomst bieden. De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Het verdient aanbeveling dat het college een formulier vaststelt waarmee raads- en commissieleden gemaakte onkosten kunnen verantwoorden. Raads- en commissieleden declareren in beginsel hun onkosten bij de griffier. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-355159.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.