Gemeenteblad van Rotterdam
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rotterdam | Gemeenteblad 2026, 352605 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rotterdam | Gemeenteblad 2026, 352605 | beleidsregel |
Beleidsregel Overlastgevende Personen 2026
De burgemeester van de gemeente Rotterdam,
gelezen het voorstel van de directeur van de directie Veiligheid van 10 juli 2026
De Beleidsregel overlastgevende personen 2026, zoals opgenomen in de bijlage, wordt vastgesteld.
De Beleidsregel overlastgevende personen 2016 wordt ingetrokken.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het gemeenteblad waarin het wordt geplaatst.
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel overlastgevende personen 2026.
Aanpak van overlastgevende personen
In de afgelopen jaren is de geregistreerde overlast toegenomen, in het hele land en in Rotterdam (bron: data.politie.nl (geregistreerde overlast), bron: wijkprofiel.rotterdam.nl (veiligheidsindex, veiligheidsbeleving)). De gemeente Rotterdam, in samenwerking met politie, Openbaar Ministerie en andere partijen, pleegt inzet om overlast aan te pakken en terug te dringen. Hiernaast wordt in samenwerking met onder andere zorgpartijen inzet gepleegd in de preventieve sfeer. Het is belangrijk dat, waar nodig, repressieve aanpakken tegelijk worden ingezet met zorg of preventie. De kans van slagen van het terugdringen van overlast is zo het grootst. De burgemeester houdt rekening met de kwetsbaarheid van personen, denk hierbij aan minderjarigheid of verslavingsproblematiek.
Een belangrijk uitgangspunt in de aanpak van overlastgevende personen, is dat een bestuurlijke maatregel zo goed als nooit op zichzelf staat. Een bestuurlijke maatregel wordt ingezet om de openbare orde te herstellen en te beschermen, maar lost de onderliggende problematiek van een persoon niet op. Dit maakt het van belang dat er sprake is van een geïntegreerde aanpak vanuit meerdere disciplines, niet alleen het bestuursrecht. De bestuurlijke maatregel moet passen binnen een groter geheel. Wanneer de burgemeester een bestuurlijke rapportage ontvangt in het kader van een persoonsgerichte bestuurlijke maatregel, gaat de burgemeester, als er sprake is van kwetsbaarheid, na welke hulpverlening loopt of nodig is, en hoe dit kan bestaan naast een bestuurlijke maatregel.
Overlast in de openbare ruimte komt in verschillende vormen tot uiting, waaronder, maar niet uitsluitend: intimiderend (groeps)gedrag, het plegen van strafbare feiten zoals drugshandel, openlijke geweldpleging, samenscholing, vernieling, vervuiling, hinderlijk gedrag, agressief bedelen, luidruchtig en agressief gedrag, en het verstoren van de openbare orde bij grootschalige evenementen en voetbalwedstrijden.
De Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast (MBVEO), ook wel de Overlastwet genoemd, uit 2010 en aangepast in 2015, geeft de burgemeester bevoegdheden om op te treden tegen dit overlastgevende gedrag. Specifiek de artikelen 172a en b Gemeentewet. Hiernaast kan de burgemeester op basis van artikel 125 Gemeentewet juncto artikel 5:32 van de Algemene Wet Bestuursrecht een last onder dwangsom opleggen. Als laatste geeft de Algemene Plaatselijke Verordening (verder: APV) bevoegdheden om op te treden, namelijk het wijkverbod.
Wijkverbod – Toelichting - APV-artikel 2:77b
Een persoon krijgt het bevel van de burgemeester zich niet te bevinden in een aangewezen gebied gedurende een in het verbod genoemde periode. De gedragingen, het tijdvak en het gebied waarvoor het wijkverbod wordt opgelegd, worden schriftelijk medegedeeld en vastgelegd. De betrokkene ontvangt een kaart van het gebied waarvoor het wijkverbod geldt.
Als het wijkverbod van 30 dagen wordt overtreden, of als de overlast voortduurt, ligt optreden op basis van de Gemeentewet voor de hand. Het is mogelijk om het wijkverbod een derde keer te verlengen met nogmaals 30 dagen, als deze tijd nodig is om de tijd te overbruggen tussen het vorige 30 dagen wijkverbod en het optreden op basis van de Gemeentewet.
Verlenging van het wijkverbod is slechts mogelijk indien de persoon zich binnen dertien maanden na het opleggen van het wijkverbod in dezelfde wijk zich opnieuw schuldig maakt aan een gedraging zoals genoemd in bijlage 2, of als het lopende wijkverbod wordt overtreden. Als er nog een wijkverbod geldt, gaat het nieuwe wijkverbod in na afloop van het huidige wijkverbod.
Voorafgaand aan het opleggen van het 30 dagen wijkverbod, ook als het de tweede keer 30 dagen betreft, vindt er overleg plaats met de hulpofficier van Justitie van de politie. De hulpofficier moet akkoord geven voor het 30 dagen verbod. Dit akkoord kan in eerste instantie telefonisch afgegeven worden, indien deze snelheid nodig is in verband met de overlastsituatie. Het akkoord van de hulpofficier van Justitie van de politie moet wel gedurende de looptijd van het verbod schriftelijk worden vastgesteld.
Tijdens een A, A plus, B of C evenement – gedefinieerd door de APV van Rotterdam – kan de politie een wijkverbod opleggen, indien er sprake is van een vrees voor (verdere) verstoring van de openbare orde tijdens dit evenement. Dit wijkverbod wordt opgelegd voor het gebied of de omgeving waar het evenement plaatsvindt. Dit wijkverbod wordt opgelegd voor de duur van het evenement en voor ten hoogste 1 week. Hierna wordt opgetreden op basis van de Gemeentewet.
Last onder dwangsom (LOD) – Toelichting - artikel 125 Gemeentewet juncto artikel 5:32 Awb
*Toelichting bij Last Onder Dwangsom: Onder punt 1 is genoemd dat de LOD kan worden opgelegd op artikelen waarvoor de burgemeester bevoegd is om te handhaven. Indien een persoon overlast veroorzaakt, kan er sprake zijn van het overtreden van bepaalde regels. Een artikel waar dit aan de orde zou kunnen zijn is Artikel 2:74 APV Drugshandel op straat.
Fysieke meldplicht – Toelichting - artikel 172a Gemeentewet
Als de overlastgever in een andere gemeente woonachtig is, wordt de betreffende burgemeester geïnformeerd door de burgemeester van Rotterdam dat een fysieke meldplicht is opgelegd. De politiechef van Rotterdam informeert de betreffende politiechef dat een fysieke meldplicht is opgelegd, in het geval dat het melden plaatsvindt op een politiebureau.
De fysieke meldplicht wordt opgelegd voor de duur van drie maanden, met de mogelijkheid van drie keer drie maanden verlenging. Of voor vast te stellen tijdstippen verspreid over ten hoogste negentig dagen binnen een tijdvak van twee jaar, zonder mogelijkheid van verlenging. In het besluit wordt opgenomen waar en wanneer de betrokkene zich moet melden.
Digitale meldplicht – Toelichting - artikel 172a Gemeentewet
De digitale meldplicht wordt opgelegd voor de duur van drie maanden, met de mogelijkheid van drie keer drie maanden verlenging. Of voor vast te stellen tijdstippen verspreid over ten hoogste negentig dagen binnen een tijdvak van twee jaar, zonder mogelijkheid van verlenging. In het besluit wordt opgenomen wanneer de betrokkene zich moet melden.
Begeleidingsplicht ten aanzien van 12-minners – Toelichting - artikel 172b Gemeentewet
Een persoon die het gezag uitoefent over een minderjarige die herhaaldelijk in groepsverband de openbare orde heeft verstoord en de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, kan bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde het bevel van de burgemeester krijgen:
gedurende een periode van ten hoogste drie maanden ervoor te zorgen dat de minderjarige zich tussen 20:00 ’s avonds en 06:00 ’s ochtends niet bevindt op voor het publiek toegankelijke plaatsen. Dit tenzij de minderjarige wordt begeleid door een persoon die het gezag over hem uitoefent of door een andere in het bevel aangewezen meerderjarige.
De bevoegdheden op basis van de Gemeentewet kunnen ook worden gebruikt indien sprake is van een persoon die individueel of in groepsverband de openbare orde ernstig heeft verstoord. Hierdoor kan worden opgetreden tegen first offenders. De mate van ernst dient te blijken uit de politierapportage en is afhankelijk van de context. Wat in ieder geval gerekend wordt als ernstig is openlijke geweldpleging.
Er is sprake van herhaaldelijkheid als een persoon meer dan één keer de openbare orde heeft verstoord binnen een periode van 13 maanden.
Onder overlast verstaat de burgemeester het verstoren van de openbare orde. De burgemeester ziet overlast als gedrag dat de openbare orde verstoort. De openbare ruimte heeft een duidelijke functie voor iedereen. Als die functie niet meer goed kan worden gebruikt, is de normale situatie verstoord en daarmee ook de openbare orde. Dit geldt in ieder geval bij strafbare feiten en bij overtredingen van de APV.
Daarnaast kunnen structurele orde verstorende gedragingen die niet direct strafbaar zijn hieronder vallen. Denk hierbij aan: zonder redelijk doel rondhangen, joelen, bespugen, intimiderend overkomen, schelden tegen een agent of handhaver, wildplassen, hinderlijk drankgebruik, vernielen van goederen, gooien van voorwerpen, wet Mulder-feiten.
Er is sprake van een leidende rol als een persoon in groepsverband anderen aanzet tot orde verstorende gedragingen. Ook dan kan een maatregel worden opgelegd. Dit kan zich uiten in het mobiliseren, aanjagen, faciliteren, oproepen, of aansturen/aanzetten van medestanders om een bijdrage te leveren aan ordeverstoringen in groepsverband. Rechtstreekse deelname aan de daadwerkelijke ordeverstoring is hiervoor niet vereist.
Van een leidende rol kan dus sprake zijn indien de persoon anderen aanzet tot ongewenst gedrag dat de openbare orde verstoort. Dit kan zich uiten in concrete gedragingen zoals het benaderen van anderen, het leggen van contact tussen leden van de groep, het initiatief nemen, een vertrouwensrelatie en/of gezag hebben. Ook kan de leidinggevende rol worden afgeleid uit verklaringen van getuigen of leden van de groep. Het aantonen van een leidende rol is afhankelijk van de concrete casus en de burgemeester baseert zich hiervoor op politie-informatie.
Er is geen officiële definitie van de term kwetsbaarheid in het kader van bestuurlijke maatregelen. Uit de gemeentelijke verantwoordelijkheid, volgend uit de WMO en de Jeugdwet, volgen wel enkele kaders waar in het kader van dit beleid aan wordt vastgehouden.
In ieder geval valt minderjarigheid onder kwetsbaarheid.
Bij meerderjarigen valt in ieder geval personen met een bepaalde specifieke zorgindicatie hebben vanuit de WMO, bijvoorbeeld personen met een ernstige verstandelijke of fysieke beperking. Dit is iedere keer maatwerk.
Wanneer er sprake is van kwetsbaarheid betekent dit niet dat er geen bestuurlijke maatregelen worden opgelegd, maar wel dat het afgewogen moet worden. In deze afweging moet in ieder geval betrokken worden dat zorgtrajecten niet belemmerd worden en dat minderjarigen naar school kunnen gaan.
In de gevallen waar (nog) geen sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde of van een herhaaldelijke verstoring van de openbare orde ligt optreden op grond van de APV voor de hand en zal doorgaans eerst een wijkverbod worden opgelegd.
In een acute situatie, bijvoorbeeld indien relschoppers de openbare orde, al dan niet bij een evenement, ernstig verstoren biedt de Gemeentewet (artikelen 172a en 172b) weinig tot geen mogelijkheden om direct te kunnen optreden om zo de openbare orde en veiligheid te kunnen waarborgen. Hiervoor blijven de noodrechtbevoegdheden (artikelen 175-176a Gemeentewet), de lichte bevelsbevoegdheid (172), de strafrechtelijke aanhouding en de APV (wijkverboden et cetera) de meest geëigende bevoegdheden.
Versterking sanctie private organisaties
Art. 172a Gemeentewet biedt de burgemeester de mogelijkheid een bevel te geven aan een persoon die als gevolg van zijn gedrag een sanctie opgelegd heeft gekregen door een private organisatie. Op deze manier kan de burgemeester een door de KNVB of voetbalclub opgelegde sanctie versterken met één van de in artikel 172a Gemeentewet genoemde maatregelen.
Een bevel van de burgemeester strekt zich uit tot het eigen grondgebied. Door de wijziging van art. 172a Gemeentewet kan de burgemeester van een andere gemeente de burgemeester van Rotterdam verzoeken een persoon tevens namens hem een overeenkomstig bevel te geven. Dit kan indien de burgemeester van de andere gemeente de ernstige vrees heeft dat die persoon ook in die andere gemeente de openbare orde zal verstoren. Het betreft dan twee (of meer) bevelen in één beschikking en niet om een bevel mede namens een andere burgemeester.
De verzoekende burgemeester laat zich wat betreft de inhoud van de maatregel op voorhand leiden door de keuzes van de burgemeester van Rotterdam inzake de aard en de duur van de op te leggen maatregel(en).
Een verzoek wordt op voorhand gedaan. Wel levert de verzoekende burgemeester de noodzakelijke gegevens aan zoals bijvoorbeeld een aanduiding van de objecten of gebieden waar de aanwezigheid van die persoon niet gewenst is en van de tijdstippen of perioden waarvoor het bevel geldt. Het verzoek kan ook het opleggen van een meldingsplicht betreffen. De burgemeester van Rotterdam zendt een afschrift van het bevel aan die burgemeester.
Relatie burgemeester en Officier van Justitie
Op grond van artikel 509hh Wetboek van Strafvordering is de Officier van Justitie (OvJ) bevoegd een gedragsaanwijzing aan een verdachte te geven. Een gedragsaanwijzing betreft onder meer een gebiedsverbod, een contactverbod of een meldplicht. Dit is mogelijk indien er sprake is van verdenking van een strafbaar feit waardoor de openbare orde ernstig is verstoord en waarbij grote vrees bestaat voor herhaling. Daarnaast dient er sprake te zijn van ernstige bezwaren. Dat wil zeggen, sterke aanwijzingen of bewijsmiddelen die een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid opleveren dat een verdachte een strafbaar feit heeft begaan. Dit betekent dat de OvJ in beginsel als eerste bevoegd is een maatregel te treffen indien sprake is van ernstig ordeverstorend gedrag, zijnde een strafbaar feit, en vervolging is of wordt ingesteld.
Indien de OvJ besluit geen gedragsaanwijzing te geven, beoordeelt de burgemeester of hij, gelet op de bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat, een maatregel oplegt.
Het gebiedsverbod van de OvJ gaat vóór het gebiedsverbod van de burgemeester (art 172a lid 5 Gemeentewet).
De rechter kan een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Deze maatregel gaat vóór het burgemeestersbevel. Als het rechterlijk bevel niet te maken heeft met het burgemeestersbevel, bijvoorbeeld een verbod voor een kleiner of ander gebied en op basis van andere informatie dan de ‘’overlast’’ die ten grondslag ligt aan het burgemeestersbevel, dan vindt overleg plaats tussen OM en gemeente over de vraag of het burgemeestersbevel naast het rechterlijk verbod in stand kan blijven.
Het niet naleven van een burgemeestersverbod als bedoeld in de artikelen 172a en 172b Gemeentewet is strafbaar op grond van artikel 184 Wetboek van Strafrecht.
Het niet naleven van een burgemeestersbevel op grond van de APV is strafbaar (en wordt vervolgd) op grond van de APV.
Het OM kan hierbij vervolgen. Het OM bekijkt bij elke zaak of vervolging opportuun is.
Het niet naleven van een LOD op grond van artikel 125 Gemeentewet juncto artikel 5:32 van de Algemene Wet Bestuursrecht heeft als gevolg dat de verbeurde dwangsom kan worden ingevorderd.
De burgemeester kan er ook voor kiezen om bij overtredingen de maatregelen te verlengen of uit te breiden. De strafrechtelijke vervolging en de bestuursrechtelijke gevolgen kunnen naast elkaar bestaan, en kunnen elkaar aanvullen.
Bij het niet naleven van alle genoemde maatregelen kan de politie handhaven. Bij het overtreden van de wijkverboden op basis van de APV kan ook Toezicht & Handhaving van de gemeente handhaven.
Voor alle maatregelen genoemd in deze beleidsregel geldt het volgende:
De burgemeester kan dit aan eenieder opleggen, ook aan personen die niet in Rotterdam wonen, of aan personen die de Nederlandse nationaliteit niet bezitten.
De bestuurlijke maatregelen opgelegd door de burgemeester kunnen bestaan naast private of strafrechtelijke sancties, met uitzondering van de situaties geschetst onder ‘’Relatie burgemeester en Officier van Justitie’’ in deze beleidsregel.
Wijziging, verlenging, uitbreiding en intrekking
De bevelen genoemd onder ‘Maatregelen’ kunnen worden gewijzigd, uitgebreid of ingetrokken worden, indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven. Onder nieuwe feiten of omstandigheden wordt ook verstaan het overtreden van het bevel.
De bevelen kunnen worden verlengd of uitgebreid als sprake is van een overtreding van het bevel, nieuwe overlastgevende gedragingen, verplaatsing van de overlastgevende gedragingen, of vrees voor verdere verstoring van de openbare orde. Als er concrete aanwijzingen zijn dat de overlast zich gaat verplaatsen, bijvoorbeeld bij rivaliserende jeugdgroepen, kan het bevel uitgebreid worden met deze nieuwe gebieden.
Een bevel kan worden ingetrokken zodra het niet langer nodig is ter voorkoming van verdere verstoringen van de openbare orde.
Een bevel kan worden gewijzigd ten gunstige van de betrokkene, bijvoorbeeld door een looproute toe te voegen wanneer een betrokkene belangrijke binding heeft met een locatie binnen het verboden gebied, zoals een verblijfplaats.
Het is wenselijk dat handhaving door de burgemeester met bestuurlijke maatregel niet op zichzelf staat, maar dat wordt bekeken of een bredere aanpak mogelijk is, bijvoorbeeld als de overlastgever kwetsbaar is. Bij jongeren, in het bijzonder de categorie 12-minners, is, indien een maatregel wordt opgelegd, noodzakelijk dat de maatregel binnen een bredere aanpak valt. Bij jongeren, in het bijzonder de categorie 12-minners, wordt in de beoordeling of sprake is van overlastgevend gedrag, rekening gehouden met de leeftijd van de jongere, niet alleen in de belangenafweging en of een maatregel passend, maar ook in hoeverre het gedrag als overlastgevend dient te worden aangemerkt.
Indien sprake is van een minderjarige wordt het besluit ten minste aan de ouder/voogd van de minderjarige uitgereikt.
De betrokkene tegen wie het voornemen bestaat om een bevel op te leggen wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken binnen twee weken na ontvangst van het voornemen. Dit kan schriftelijk of mondeling tijdens een zienswijzengesprek. Indien sprake is van een minderjarige worden tenminste de ouders/voogd in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven. Van de gelegenheid tot het geven van zienswijzen wordt afgezien indien de vereiste spoed zich hiertegen verzet (4:11 Awb).
Aldus vastgesteld op 15 juli 2026
De burgemeester van Rotterdam,
C.J. Schouten
Dit gemeenteblad ligt ook ter inzage bij het Concern Informatiecentrum Rotterdam (CIC): 010-267 2514 of bir@rotterdam.nl
Bijlage 1: Handhavingsarrangement wijkverbod
|
Politie informeert de burgemeester middels een bestuurlijke rapportage en burgemeester besluit wel of niet op te treden op basis van de Gemeentewet. |
* indien er sprake is van een constatering tijdens een A, A plus, B of C evenement kan de politie een wijkverbod opleggen indien er sprake is van vrees voor (verdere) verstoring van de openbare orde tijdens dit evenement. Dit wijkverbod wordt opgelegd voor het gebied of de omgeving waar het evenement plaatsvindt. Dit wijkverbod wordt opgelegd voor de duur van het evenement en voor ten hoogste 1 week. Hierna wordt opgetreden op basis van de Gemeentewet.
** de opvolgende constatering moet binnen 13 maanden van de vorige constatering plaatsvinden. Indien er meer dan 13 maanden tussen constateringen zit dan moet de eerste stap van dit handhavingsarrangement opnieuw worden gezet, namelijk het 24 uur verbod, waarna het handhavingsarrangement als gebruikelijk moet worden gevolgd.
*** het 30 dagen verbod kan alleen worden opgelegd na akkoord van de hulpofficier van Justitie van de politie. Dit akkoord kan in eerste instantie telefonisch afgegeven worden, indien deze snelheid nodig is in verband met de overlastsituatie. Het akkoord van de hulpofficier van Justitie van de politie moet wel gedurende de looptijd van het verbod schriftelijk worden vastgesteld.
Het inzetten van het wijkverbod is een bevoegdheid van de burgemeester, gemandateerd aan de politie. De politie kan een wijkverbod opleggen om overlast te voorkomen of beperken, aantasting van het woon- of leefklimaat te voorkomen of beperken en de openbare orde te beschermen en te herstellen.
Bij overtreding van het wijkverbod kan de politie via de feitcode een boete opleggen. Het OM kan vervolgen op basis van artikel 6.1 APV. Het OM bekijkt bij elke zaak of vervolging opportuun is.
De burgemeester kan van dit handhavingsarrangement afwijken en direct optreden op basis van de Gemeentewet, in acute of ernstige situaties met vrees voor (verdere) verstoring van de openbare orde. Ook kan de burgemeester hiervan afwijken in situaties waarin een wijkverbod niet meer in verhouding staat tot de veroorzaakte overlast. Ook kan de burgemeester hiervan afwijken indien betrokkene al eerder een gebiedsverbod heeft opgelegd gekregen.
Bijlage 2: Gedragingen wijkverbod
Een wijkverbod kan voor de volgende gedragingen worden opgelegd:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-352605.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.