Richtlijnen voor maatschappelijke voorzieningen

Afwegingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad Oss

 

1. Inleiding

1.1 Waarom zijn richtlijnen voor maatschappelijke voorzieningen nodig?

De stad Oss maakt de komende jaren een schaalsprong in verstedelijking. De nieuwe woningen bouwen we voor een belangrijk deel in de bestaande stad. Dit betekent in deze gebieden een ambitieuze verdichting, waarbij veel verschillende functies op een relatief beperkt oppervlak moeten worden ingepast. Dit vraagt om ontwikkeling van de stad op een samenhangende, integrale en duurzame manier, met oog voor de lange termijn en de behoeften van de verschillende gebieden en gebruikers (stedelijk programmeren).

 

Eén van de aspecten is het goed meenemen van de behoefte aan maatschappelijke voorzieningen en de daarbij horende ruimteclaim. Maatschappelijke voorzieningen spelen een belangrijke rol bij het bouwen aan gemeenschappen en het realiseren van levendige wijken. Het toevoegen van woningen betekent automatisch ook het toevoegen van voorzieningen. Alleen zo realiseren we duurzame en prettige wijken om in te leven. Desondanks nemen we deze voorzieningen bij gebiedsontwikkelingen (zoals Euterpepark, Raadhuiskwartier, Amsteleind) niet altijd vanzelfsprekend mee. Anders dan woningen (en functies zoals winkels of bedrijven) zijn dit soort voorzieningen commercieel minder interessant voor ontwikkelende partijen. Terwijl maatschappelijke voorzieningen juist belangrijk zijn voor de sociale basis en cohesie in wijken.

 

Ook in de bestaande wijken van de stad Oss hebben we behoefte aan beter inzicht in het voorzieningenniveau. In deze gebieden wijzigt de behoefte aan maatschappelijke voorzieningen als gevolg van demografische ontwikkelingen en binnenstedelijk bouwen. Hierdoor neemt op bepaalde plekken de druk op de bestaande voorzieningen toe. En zal de veranderende bevolking ertoe leiden dat sommige voorzieningen in omvang kunnen afnemen en tegelijkertijd andere voorzieningen uitgebreid of toegevoegd moeten worden.

 

Op dit moment hebben we onvoldoende inzicht in de (ruimtelijke) opgave voor maatschappelijke voorzieningen, die de basis vormt voor het voeren van een goede dialoog met stakeholders en marktpartijen bij gebiedsontwikkeling en stedelijke vernieuwing. Het opstellen van referentienormen helpt bij het vertalen van de sociale opgave naar de fysieke ruimte in gebiedsontwikkeling. Met deze indicatieve referentienormen en richtlijnen hoe we deze gebruiken, hebben we een kader om maatschappelijke voorzieningen tijdig te agenderen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

 

Het belang van maatschappelijke voorzieningen

 

Bouwen aan gemeenschappen

In de Omgevingsvisie Gemeente Oss 2040 kiezen we voor een leefomgeving die bijdraagt aan een sterke sociale basis voor alle inwoners. Dat betekent onder meer dat we inzetten op sterke gemeenschappen en voorzieningen nabij. Dit zorgt voor sociale cohesie in een wijk: de voorzieningen zorgen voor verbindingen in een wijk en tussen wijkbewoners. En dat draagt weer bij aan leefbaarheid en draagkracht in een wijk en aan een inclusieve en aantrekkelijke stad om in te leven.

 

Voor een aantal maatschappelijke voorzieningen hebben we een wettelijke zorgplicht (o.a. primair onderwijs), voor andere geldt dat zij bijdragen aan het realiseren van inhoudelijke (sociale) beleidsdoelen. Ze zorgen ervoor dat inwoners elkaar kunnen ontmoeten, dat kinderen en jongeren onderwijs kunnen volgen, dat mensen gezond bewegen en spelen, laagdrempelig toegang hebben tot zorg en welzijn, en zich kunnen ontspannen. Hierdoor dragen maatschappelijke voorzieningen bij aan het welbevinden van onze inwoners: de mate waarin iemand zich gelukkig, gezond en tevreden voelt.

 

Het zorgen voor fysieke plekken voor passende en kwalitatief goede maatschappelijke voorzieningen voor onderwijs, kinderopvang, sport, ontmoeting, (gezondheids)zorg en welzijn, jeugd en cultuur is één van de randvoorwaarden om te komen tot gemeenschappen en sociale cohesie. De voorzieningen in de gemeente moeten meegroeien en -veranderen met het aantal inwoners, de samenstelling van de bevolking en hun behoefte. Bij het zoeken naar plekken voor voorzieningen is het voorstelbaar of zelfs wenselijk dat sommige voorzieningen geclusterd worden, bijvoorbeeld vanwege betaalbaarheid, personeelstekorten, maar ook de mogelijkheid voor delen van ondersteunende diensten of ruimten. Belangrijk is dat de nabijheid en toegankelijkheid van de voorzieningen gewaarborgd blijft.

 

Focus op basisvoorzieningen met maatschappelijke waarde voor de wijk

Dit kader richt zich op die maatschappelijke voorzieningen, die de basis vormen voor de sociale cohesie in een wijk: basisscholen, kinderopvang, gym- en sportvoorzieningen, wijkcentra met buurthuiskamers, een aantal basiszorgfuncties (eerstelijnszorg), verenigingsgebouw en bibliotheek. Dit betreft deels voorzieningen met een commerciële basis, zoals kinderopvang, sportscholen of huisartsen, waar ondernemers primair zelf verantwoordelijk zijn voor huisvesting. We stellen deze richtlijnen op voor de stad Oss, omdat daar de komende jaren de grootste ontwikkelingen op gebied van woningbouw plaatsvinden. Bovendien spelen in kleinere kernen en dorpen andere afwegingen als het gaat om het voorzieningenniveau, die vragen om een specifieke (andere) aanpak (niet de aanwezigheid van, maar de afstand of toegankelijkheid tot voorzieningen is er belangrijker dan in de stad).

 

1.2 Startdocument: ervaren, bijsturen en doorontwikkelen

De nu voorliggende richtlijnen in dit kader zijn tot stand gekomen op basis van landelijke richtlijnen en voorbeelden uit andere gemeenten. We hebben deze referentienormen zo goed mogelijk aangepast en toegespitst op de Osse situatie. We realiseren ons hierbij dat dit nog maar een start is: lang niet alle maatschappelijke voorzieningen zijn nu meegenomen, en we moeten nog ervaren of de gekozen normen in de praktijk ook goed werken en aansluiten bij onze visie op het sociale domein. We kiezen er bewust voor nu wel deze ‘1.0’-versie van dit kader vast te stellen. Ontwikkelingen gaan door, waarbij de behoefte aan richtlijnen en houvast voor het meenemen van maatschappelijke voorzieningen groot is.

 

We gaan aan de slag met deze richtlijnen en ervaren hoe het werkt. Inzichten en leerpunten verwerken we begin 2027 in de volgende versie. Het gaat dan onder andere om de vraag of de lijst met referentienormen compleet is (moeten er extra normen voor nieuwe maatschappelijke voorzieningen worden toegevoegd) en of de referentienormen nog bruikbaar zijn (moeten ze aangepast worden bijvoorbeeld door gewijzigd beleid, nieuwe trends en ontwikkelingen, nieuwe ruimtelijke inzichten).

 

Ook de toepassing en werkwijze rondom de referentienormen evalueren we. De referentienormen zijn slechts een van de hulpmiddelen om de (ruimtelijke) opgave voor maatschappelijke voorzieningen te bepalen. We werken verder aan onze Integrale Huisvestingsplannen en aan een dashboard voor gemeentelijk maatschappelijk vastgoed, aan beleid voor voorzieningen in de openbare ruimte (bOSS-beleid, Osse Maatlat) en aan de inrichting van sociale teams in de wijken. We gaan ervaren hoe de toepassing van de referentienormen bij gebiedsontwikkeling in de praktijk werkt en of we dit op een goede manier in de organisatie en in onze ruimtelijke processen hebben geborgd.

 

1.3 Leeswijzer

Dit kader is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 gaan we kort in op de referentienormen en de afbakening waar deze richtlijnen in dit kader betrekking op hebben (en waarop niet). Hoofdstuk 3 gaat in op de toepassing van referentienormen in de praktijk, met name de werkwijze bij gebiedsontwikkelingen. In hoofdstuk 4 gaan we in op de gerelateerde producten, zoals wijkplannen of voorzieningenvisies per deelgebied en onze Integrale Huisvestingsplannen (IHP’s). De referentienormen per thema zijn opgenomen in de bijlage.

2. Toelichting bij de referentienormen

2.1 Wat zijn referentienormen?

We stellen referentienormen op voor (een aantal) maatschappelijke voorzieningen. Deze referentienormen helpen bij het vertalen van de sociale opgave naar de fysieke ruimte in de gebiedsontwikkeling en geven richting aan de benodigde aantallen en ruimtebehoefte voor deze voorzieningen bij gebiedsontwikkelingen. Het is een theoretisch model dat nooit één op één toegepast kan worden; maatwerk is altijd nodig. Het is bedoeld als een richtinggevend kader en hulpmiddel voor onszelf (bij gebiedsontwikkelingen en projecten) en voor ontwikkelaars en overige initiatiefnemers.

 

De referentienormen drukken de ruimtebehoefte per type voorzieningen uit in meters per x-aantal woningen, inwoners of leerlingen. De referentienormen geven in een vroeg stadium een globaal inzicht in het benodigde aantal vierkante meters voor maatschappelijke voorzieningen dat hoort bij het aantal nieuwe woningen dat in een bepaald gebied wordt ontwikkeld. Ze zijn niet bedoeld als bindende norm, maar zijn richtinggevend bij de planvorming en bij de gesprekken met ontwikkelende partijen.

 

2.2 Wat is het doel van de referentienormen?

Het belangrijkste doel van de referentienormen is ervoor zorgen dat er tijdig voldoende ruimte wordt gereserveerd voor maatschappelijke voorzieningen in gebiedsontwikkeling en er geen tekort aan ruimte ontstaat. Een tekort aan bepaalde maatschappelijke voorzieningen in een bepaald gebied beïnvloedt direct het dagelijks leven, de ontwikkeling en de gezondheid van bewoners. Onvoldoende ruimte realiseren voor maatschappelijke voorzieningen nu betekent dat in de toekomst mogelijk kosten moeten worden gemaakt om dit te corrigeren. Investeren in maatschappelijke huisvesting is ook investeren in een sociale basis en preventie, omdat voorzieningen kunnen bijdragen aan sociale cohesie en vroegtijdige ondersteuning van de bewoners die het nodig hebben. Dit scheelt hogere kosten voor zorg en ondersteuning in de toekomst.

 

Een tweede doel is om voor initiatieven, die betrekking hebben op maatschappelijke voorzieningen in het bestaande stedelijk gebied (toevoeging of onttrekking), een beter afwegingskader te hebben. Het biedt houvast bij het bepalen van de (veranderende) voorzieningenbehoefte in bestaande wijken en bij het opstellen van de (toekomstige) Integrale Huisvestingsplannen voor maatschappelijk vastgoed.

 

2.3 Over welke maatschappelijke voorzieningen gaan deze referentienormen?

Een overzicht van de referentienormen is te vinden in bijlage 1. Hieronder lichten we toe voor welk type maatschappelijke voorzieningen we op dit moment wel, en voor welke (nog) niet referentienormen hebben opgesteld.

 

Maatschappelijke voorzieningen in de stad Oss

We kiezen nu er voor om referentienormen op te stellen voor de stad Oss (en dus niet voor de stadjes, kernen en buitengebied). Hier hebben we de komende jaren de grootste woningbouwopgave, die gevolgen heeft voor de (druk op) de maatschappelijke voorzieningen en beschikbare ruimte.

 

Focus op basisvoorzieningen met maatschappelijke waarde voor de omliggende wijk

In dit ruimtelijk kader zijn de belangrijkste basisvoorzieningen op gebied van onderwijs, sport, welzijn/ontmoeten, (eerstelijns)zorg en cultuur meegenomen. We focussen nu op een aantal basisvoorzieningen binnen deze thema’s, die minimaal nodig zijn in een wijk (‘need to have’) en die niet altijd vanzelf door de markt worden opgepakt. We zien een wijk als een samenhangend woongebied, gescheiden van andere woongebieden door natuurlijke barrières of hoofdwegen.

 

De in dit kader opgenomen lijst met maatschappelijke voorzieningen is dus niet uitputtend. Aanvullend aan deze lijst met basisvoorzieningen zijn nog veel (maatschappelijke) voorzieningen te noemen, die iets kunnen toevoegen aan de leefbaarheid of sociale cohesie in een wijk of waar behoefte aan is vanuit de samenleving. De vraag hiernaar is vaak markt gedreven. Deze laten we vooralsnog buiten beschouwing. Het overzicht met referentienormen in dit hoofdstuk kunnen we na evaluatie altijd aanvullen of bijstellen.

 

Voorzieningen met stedelijke functie vragen om andere afweging

Dit kader richt zich op maatschappelijke voorzieningen, die vanuit de wijk nodig of gewenst zijn. Dus waarvan de behoefte voortkomt uit het aantal en de samenstelling van de bevolking in de wijk. Er zijn ook voorzieningen die vanuit stedelijke of regionale behoefte of opgaven een plek moeten krijgen. Denk hierbij aan MBO, HBO, ziekenhuis, zwembad, museum, theater, poppodium, religieuze voorziening (bv. Moskee), maar ook aan bepaalde (woon)zorgvoorzieningen. De opgave voor dit type voorzieningen is vaak complexer dan een wijkvoorziening, om dat vaak meer ruimte nodig is, de impact op de omgeving anders (groter) is en er vaak ook (andere) eisen zijn aan de bereikbaarheid. Voor dergelijke voorzieningen bepalen we op stedelijk niveau de opgave, op basis van woningbouwplannen, vervangingsopgaven, behoefte of opgaven vanuit sociaal domein en gewenste spreiding over de stad. Het is wel van belang om bij gebiedsontwikkeling de afweging te maken of er behoefte is aan ruimte voor dergelijke voorzieningen (herhuisvestingsvraag of nieuwe vestiging).

 

Voorzieningen in openbare ruimte niet meegenomen

Ook in de openbare ruimte vinden activiteiten plaats op het gebied van ontmoeten, sport, spelen en bewegen. Bij de uitwerking van stedenbouwkundige ontwerpen en inrichtingsplannen voor de openbare ruimte moet hier rekening mee worden gehouden. Deze zijn niet opgenomen in dit kader, maar worden meegenomen in het nog te ontwikkelen beleid voor bewegen, ontmoeten, spelen en sporten in de openbare ruimte (bOSS-beleid). Voor groen en water worden de richtlijnen vastgelegd in de Osse Maatlat.

 

Bij maatschappelijke voorzieningen moet ook rekening gehouden worden met ruimte voor schoolpleinen, auto-/busjesparkeren, kiss and ride en fietsen-/scooter- en scootmobielstallingen. Met name bij grotere voorzieningen, zoals scholen, multifunctionele accommodaties en sportterreinen kan dit een aanzienlijke ruimtevraag betekenen. Hiervoor verwijzen we naar de Nota Parkeernormen Oss 2023 en het Kwaliteitskader onderwijshuisvesting van Ruimte-OK.

 

2.4 Wat zijn aandachtspunten bij de inpassing van maatschappelijke voorzieningen?

Het is van belang dat maatschappelijke voorzieningen op de juiste plek in een gebied worden ingepast om goed te kunnen functioneren. De ruimtelijke eisen en wensen van de afzonderlijke maatschappelijke voorzieningen moeten daarom zo vroeg mogelijk in het proces van gebiedsontwikkeling worden besproken. We houden rekening met de volgende aandachtspunten:

 

We gebruiken de schaarse ruimte zo effectief en efficiënt mogelijk

Ruimte is schaars. Slim omgaan met de ruimte en gebruik maken van nieuwe (technologische) mogelijkheden bieden kansen om functies te combineren die elkaar versterken. Meervoudig ruimtegebruik en optimalisatie en hergebruik van bestaand aanbod dragen bij aan een zorgvuldige ruimtelijke ordening, juist in gebieden waar de druk op de ruimte toeneemt als gevolg van verstedelijking en verdichting. Bij ontwikkelingen zoeken we naar kansen om de ruimte zo efficiënt mogelijk te gebruiken. Denk aan:

  • Combineren van functies in een gebouw, waardoor sommige ruimten of ondersteunende voorzieningen gedeeld of gemeenschappelijk kunnen zijn (bijvoorbeeld verschillende gezondheidsfuncties in één gezondheidscentrum);

  • Dubbelgebruik van ruimten door verschillende voorzieningen en activiteiten (bijvoorbeeld schoolpleinen, die ook fungeren als speelplek voor de wijk, of een multifunctionele ruimte in een kindcentrum dat ook als buurthuiskamer of sportlocatie voor wijkbewoners kan worden gebruikt, bibliotheekvoorziening in een wijkcentrum);

  • Meerlaags bouwen voor (verschillende) voorzieningen (bijvoorbeeld sportvoorziening op verdieping van een school of ontmoetingsfunctie, schoolgebouw in verschillende lagen, maar ook plinten van woongebouwen benutten voor maatschappelijke voorzieningen);

  • Hergebruik bestaand vastgoed (bv kerken die leeg komen te staan opnieuw een (ontmoetings)functie geven).

Voor gemeentelijk vastgoed werken we al jaren aan de optimalisatie op basis van de uitgangspunten: efficiënt ruimtegebruik (bijvoorbeeld het bestaande beter benutten), multifunctioneel ruimtegebruik, minder vierkante meters en streven naar minder kosten en meer opbrengsten.

 

Het besparen van vierkante meters door functiemenging moet niet ten koste gaan van de beleving van de eindgebruiker. Bij slim ruimtegebruik moeten we dus niet alleen kijken naar de fysieke argumenten van ruimtebesparing, maar ook naar de maatschappelijke meerwaarde: wat hebben bewoners nodig om prettig te wonen, werken en leven en welke voorzieningenstructuur past daarbij?

 

We zorgen voor flexibiliteit bij de ontwikkeling van maatschappelijke voorzieningen

De benodigde omvang en samenstelling van maatschappelijke voorzieningen zal mee moeten veranderen met de wijzigende behoefte in de loop der tijd (door veranderingen in behoeften, demografie en ruimtelijke structuur). Flexibiliteit is daarom noodzakelijk, bijvoorbeeld op gebied van , op het gebied van juridisch-planologische kaders, fasering, mogelijkheid tot verandering (er is behoefte aan ruimte om te starten, groeien en krimpen en wijziging naar een andere functie).

 

We zorgen dat voorzieningen op de goede plek komen

Voor sommige voorzieningen is zichtbaarheid gewenst, terwijl dat voor andere voorzieningen minder of juist niet belangrijk is. Ook bereikbaarheid is medebepalend voor de locatie: welke doelgroep wil je bedienen en wat zijn daarvoor de mobiliteitsuitgangspunten?

 

We zoeken bij de locatie van voorzieningen naar een balans tussen enerzijds spreiding over de hele wijk en anderzijds clustering op wijkniveau. Spreiding over de wijk in een fijnmazige voorzieningenstructuur is gewenst om alle inwoners in de nabijheid laten beschikken over de belangrijkste basisvoorzieningen. Dit betekent dat we veel ruimte bieden voor kleinschalige voorzieningen. Door maatschappelijke voorzieningen op loopstand te realiseren, stimuleren we bewoners om in beweging te komen, elkaar te ontmoeten en daardoor elkaar te leren kennen. Clustering van deze kleinschalige voorzieningen is soms nodig voor de haalbaarheid, maar ook gewenst om zo herkenbare en levendige ‘harten’ te maken. Enige mate van clustering heeft verder als voordeel dat functies elkaar kunnen versterken en ruimtes dubbel of multifunctioneel gebruikt kunnen worden. De afweging tussen nabijheid/spreiding en clustering heeft uiteindelijk ook invloed op de benodigde ruimteclaim. Zo kan het zijn dat we zorgvoorzieningen clusteren in een gezondheidscentrum, maar aanvullend daaraan op een andere locatie in de wijk een kleinere ruimte voor bijvoorbeeld spreekuren of prikpost inrichten.

 

Locaties voor wijkgerichte maatschappelijke voorzieningen liggen bij voorkeur centraal in een wijk en moeten in ieder geval goed bereikbaar zijn voor fietsers en voetgangers. Toegankelijkheid voor alle vervoersvormen (lopend, fiets, (vracht)auto) is ook van belang, in relatie tot veiligheid en toegankelijkheid. Denk aan (gescheiden) loop-, fiets- en autoroutes bij scholen, toegankelijkheid voor ouderen bij wijkcentra en verlichting in de avond bij sportaccommodaties.

 

We maken toegankelijke voorzieningen

Iedereen moet mee kunnen doen. Dit betekent dat we onze voorzieningen inclusief en voor iedereen toegankelijk, veilig, leefbaar en beheersbaar (in exploitatie) maken. Het feit dat mensen langer thuis wonen en er meer kleinschalige (zorg)voorzieningen in de wijk komen dwingt ons goed na te denken over toegankelijkheid en nabijheid in de stedenbouwkundige opzet van de wijk, het logisch situeren van voorzieningen en de opzet van geschikte looproutes. Toegankelijkheid en nabijheid gaan niet alleen over de fysieke kant. Een voorziening moet ook uitnodigen tot naar binnen gaan, je er thuis voelen en mee te doen.

3. Toepassing referentienormen bij gebiedsontwikkeling

3.1 Stedelijk programmeren en Stadsagenda

Stedelijk programmeren is een manier van werken die ervoor zorgt dat de ontwikkeling van een stad op een samenhangende, integrale en duurzame manier plaatsvindt, met oog voor de lange termijn en de be-hoeften van de verschillende gebieden en gebruikers. Een stad maken is meer dan plannen en projecten: het gaat om leefbaarheid, ontmoeting, zorg, onderwijs en cultuur. De Stadsagenda Stad met Toekomst biedt hierbij houvast. Het helpt ons om overzicht te houden, samenhang te zien en gebiedsgericht te werken – met oog voor de mensen die er wonen, werken en leven.

 

Met de Stadsagenda geven we richting aan de inhoudelijke koers voor de komende vijftien jaar, met als doel onze stedelijke ambities en doelstellingen te realiseren. We vertalen de abstracte ambities uit de Omgevingsvisie en het beleid naar concreet uitgewerkte en integrale doelstellingen op stads- en gebiedsniveau. Dit zorgt ervoor dat grote, overkoepelende doelen worden omgezet in praktische en haalbare stappen, waardoor we gericht kunnen werken aan de ontwikkeling van Oss. In relatie tot voorzieningen is het doel onder andere te voorkomen dat gebiedsontwikkelingen niet worden opgeknipt in kleinere deelgebieden die vervolgens naar elkaar verwijzen voor de voorzieningen. De referentienormen in dit ruimtelijk kader zijn hierbij een belangrijk hulpmiddel.

 

3.2 Bepalen van opgave voor maatschappelijke voorzieningen is altijd maatwerk

Op basis van de referentienormen kunnen we theoretisch berekenen wat de opgave voor maatschappelijke voorzieningen in een bepaald gebied is. De referentienormen zijn een leidraad en geen harde wetmatigheid. Ze kunnen nooit één op één worden toegepast. Elke ontwikkeling en elke wijk is uniek. Daarom moeten we de algemene normen altijd nader bekijken, detailleren en afwegen. Ook is de realisatie van de voorzieningen altijd afhankelijk van marktomstandigheden, de afspraken met ontwikkelaars en mogelijkheden bij maatschappelijke aanbieders (denk aan krapte op de arbeidsmarkt en investeringsmogelijkheden).

 

Het is belangrijk van te voren een goed beeld te hebben van de samenstelling van de bevolking in een gebied. Wat voor typen woningen staan of komen er? Wat zijn de kenmerken van de (toekomstige) bevolking? Als er bijvoorbeeld veel ouderen zijn of verwacht worden, zal de behoefte aan maatschappelijke voorzieningen anders zijn dan in een wijk met veel gezinnen met kinderen. Daarnaast is het van belang om inzicht te hebben in de sociale doelstellingen of opgaven in een gebied. Aspecten als kansenongelijkheid, armoede of sociale veiligheid kunnen vragen om nuancering of bijstelling van de berekende behoefte.

 

Bij het bepalen van de opgave en bijbehorende ruimteclaim bij gebiedsontwikkelingen nemen we altijd de bestaande en geplande maatschappelijke voorzieningen in de omgeving mee. Bij extra ruimteclaim door het toevoegen van woningen is het verstandig eerst te kijken of bestaande voorzieningen in de omliggende wijk dit kunnen opvangen of dat het aanleiding is voor een nieuwe voorziening. Dit geldt ook als de nieuwe ontwikkeling zelf onvoldoende is voor een volledige nieuwe voorziening. Bijvoorbeeld: op basis van extra woningen wordt een ‘halve’ school berekend. Kunnen de scholen in de omgeving de extra behoefte opvangen en is daar een verbouwing of uitbreiding nodig? Of is er aanleiding toch een extra school te ontwikkelen (bijvoorbeeld omdat bestaande schoolgebouwen niet meer voldoen)?

 

Andersom is het goed om bij (grotere) gebiedsontwikkelingen te kijken of dit kansen biedt voor het oplossen van het tekort aan voorzieningen in omliggende wijken. Is de druk op bijvoorbeeld de zorgvoorzieningen (te) groot in een bepaalde wijk? Dan moeten we kijken of in het herontwikkelingsgebied ruimte is of gemaakt kan worden voor het toevoegen van deze voorzieningen. Ook eventuele investerings- of herhuisvestingsopgaven van bestaand gemeentelijk vastgoed in de omgeving moeten we meewegen.

 

Verder is het goed om koppelkansen af te wegen: soms is een voorziening eerder haalbaar door het te combineren met andere voorzieningen of door een efficiëntere bezetting. Of heeft het meerwaarde voor de wijk om voorzieningen bij elkaar te plaatsen. Denk aan bijvoorbeeld aan een ontmoetingsfunctie in/bij een school of zorgfuncties in een kindcentrum of wijkcentrum.

 

Samenvattend wordt de totale opgave aan maatschappelijke voorzieningen in een gebied bepaald met behulp van:

 

  • de sociale opgave in en rondom het gebied (zoals armoede, sociale veiligheid, kansenongelijkheid)

  • de woningbouwopgave (aantal en type woningen)

  • de demografie (samenstelling van de bevolking, doelgroepen, leefstijlen)

  • de referentienormen maatschappelijke voorzieningen

  • koppeling met de domeinspecifieke behoefte, opgave en planning (onder meer vanuit beleid en Integrale Huisvestingsplannen)

  • capaciteit en functioneren van bestaand (gemeentelijk) vastgoed in de omgeving

  • eventuele bovenwijkse opgave (stedelijke functies)

 

3.3 Verschillende fasen van gebiedsontwikkeling

Het is van belang om in elke fase van de gebiedsontwikkeling de behoefte aan verschillende voorzieningen te bepalen en nader uit te werken op basis van de meest actuele gegevens over bijvoorbeeld woonprogramma. Op deze manier geven we het programma voor een gebied in samenhang vorm. We onderscheiden vier fasen:

 

Fase 1 Verkenning en opdrachtformulering

Elk project of gebiedsontwikkeling begint met een opdracht. Die komt te staan in de projectbrief, die opgesteld wordt door de projectleider (in samenwerking met beoogde projectteamleden) en waarvoor de ambtelijk opdrachtgever verantwoordelijk is. Voorzieningen moeten in gebiedsontwikkelingen een net zo vanzelfsprekend thema worden als wonen en parkeren, en moeten dus een plek krijgen in de projectbrief.

 

Met behulp van de referentienormen en rekening houdend met factoren die de opgave bepalen (zie paragraaf 3.2) maken we een eerste verkenning van de totale opgave en ruimteclaim voor maatschappelijke voorzieningen als gevolg van de betreffende ontwikkeling. Vervolgens doen we een impactanalyse van de gebiedsontwikkeling op het huidige voorzieningenniveau in en rondom het gebied (kwantitatief en kwalitatief). Dit doen we afhankelijk van de omvang van de ontwikkeling en het type voorziening op verschillende schaalniveaus. Door de (toekomstige) behoefte naast het huidige voorzieningenniveau te leggen, kunnen we bepalen of er voorzieningen aan toegevoegd moeten worden.

 

Resultaat: grove inschatting van de totale opgave maatschappelijke voorzieningen in het gebied en inzicht in de bestaande situatie in en rondom het gebied

 

Bij voorkeur is de analyse van de huidige situatie al beschikbaar, bijvoorbeeld op stadsniveau of wijkniveau (zie ook paragraaf 4.1). Voor het gemeentelijk maatschappelijk vastgoed brengen we de huidige situatie op dit moment in beeld. Dit wordt verwerkt in een dashboard en in de Integrale Huisvestingsplannen. Voor overige voorzieningen moeten we een vergelijkbare analyse maken. Vragen die daarbij aan de orde komen zijn:

 

  • Welke maatschappelijke voorzieningen zijn waar gevestigd?

  • Is het bestaande aanbod nog van voldoende kwaliteit en omvang (gebouw, gebruik, bezettingsgraad, wachtlijsten etc.)?

  • Ligt het bestaande aanbod nog op de goede plek: analyse van bestaande omvang en spreiding aanbod?

  • Wat staat er in bestaand (sociaal en vastgoed-)beleid? Draagt het bij aan de sociaal-maatschappelijke opgave?

  • Wat is de (toekomstige) behoefte: op basis van omvang en samenstelling bevolking)?

  • Op welke locatie moet/kan het extra aanbod (op basis van de behoefte) landen (omvang, spreiding, relatie andere voorzieningen/functies)?

 

Fase 2 Haalbaarheid

In de haalbaarheidsfase van de gebiedsontwikkeling actualiseren en verfijnen we de opgave voor maatschappelijke voorzieningen. Dit moet leiden tot een specifiek voorzieningenprogramma en ruimtelijke opgave (maatwerk). We kijken in deze fase of de gereserveerde ruimte voor maatschappelijke voorzieningen echt nodig is.

 

Vervolgens verkennen we de benodigde investeringen en stemmen we zo nodig af met de Integrale Huisvestingsplannen. We maken de financieringsmogelijkheden inzichtelijk en brengen dilemma’s en risico’s in beeld. Daarbij gaat het ook over randvoorwaarden van realisatie van maatschappelijke voorzieningen door commerciële aanbieders, zoals huisartsen of kinderopvang (bv ten aanzien van omvang, hoogte, huurprijsniveau). De financiering van maatschappelijke voorzieningen, maar ook de toekomstige baten van deze voorzieningen, worden samen met de grond-, gebieds- of vastgoedexploitatie opgenomen in een maatschappelijk investeringsmodel voor gebiedsontwikkeling. Daarbij is het ook wenselijk te kijken naar de ‘niet-zichtbare’ of maatschappelijke baten (onder andere via GGD-advies en inbreng vanuit sociaal domein). Denk aan de bijdrage van sportvoorzieningen aan het voorkomen van gezondheidsrisico’s of het realiseren van bibliotheekvoorzieningen in de wijk om laaggeletterdheid te verminderen.

 

Resultaat: overzicht van specifiek benodigd programma maatschappelijke voorzieningen en ruimteclaim en inzicht in (financiële) haalbaarheid

 

Fase 3 Ontwerp en ontwikkelstrategie

Het voorzieningenprogramma en de ruimteclaim verwerken we in het stedenbouwkundig plan. In deze fase verkennen we ook de ontwikkelstrategie voor de maatschappelijke voorzieningen. Kiezen we voor een passieve of meer actieve rol bij de realisatie van de voorzieningen in het betreffende gebied? Waar zijn wij verantwoordelijk voor en wat kunnen we overlaten aan de markt?1 We kunnen kiezen voor een richtinggevende, verbindende of regulerende rol bij de programmering in gebiedsontwikkelingen (faciliterend). Hiermee zijn er duidelijke kaders waar in ontwikkelingen rekening mee te houden is. Afhankelijk van het type voorziening en of deze wel of niet opgepakt wordt door de markt, kunnen we ook kiezen voor een nog actievere rol (stimulerend, regie).

 

We stemmen af met stakeholders en bepalen de samenwerkingsvorm. Ook maken we (anterieure) afspraken over financiële dekking en bovenwijks kostenverhaal. Hierbij komt ook de fasering van voorzieningen en eventuele realisatie van tijdelijke voorzieningen aan bod: voor sommige voorzieningen is het belangrijk dat deze al gerealiseerd zijn voordat alle woningen in het gebied gebouwd zijn.

 

Resultaat: stedenbouwkundig plan met (grove) locaties van maatschappelijke voorzieningen, ontwikkelstrategie en afspraken over samenwerking en geld

 

Fase 4 Uitvoering

In de laatste fase van de gebiedsontwikkelingen maken we een verdiepingsslag, waarbij we individuele maatschappelijke voorzieningen op kavelniveau inpassen. We stellen een programma van eisen op, stellen financiële kaders op ten behoeve van de ontwikkeling en leggen afspraken vast met ontwikkelaars, corporaties, commerciële aanbieders en anderen. Het uiteindelijke programma en de locaties van de maatschappelijke voorzieningen nemen we op in het omgevingsplan.

 

Resultaat: afspraken over de realisatie van de maatschappelijke voorzieningen. Ontwikkeling, oplevering en (eventueel) overdacht van (beheer van) maatschappelijke voorzieningen

4. Verdere uitwerking en vervolgproducten

4.1 Voorzieningenniveau in bestaande wijken

Een vervolgstap van dit ruimtelijk kader is dat we stap voor stap van alle wijken een nulmeting maken om het huidige voorzieningenniveau te bepalen (balans tussen vraag en aanbod). Het huidige voorzieningenaanbod in een wijk brengen we in beeld, waarbij we kijken naar locatie, spreiding, functioneren, staat van het gebouw, etc. We zijn al bezig met het schouwen van gemeentelijke maatschappelijke voorzieningen, het opstellen van de IHP’s en gaan aan de slag met het ontwikkelen van een dashboard. Door aanvullend daarop een analyse te maken van het huidige aanbod aan overige (commerciële) maatschappelijke voorzieningen (zoals huisartsen), ontstaat een compleet beeld van het huidige voorzieningenaanbod in een wijk. De balans tussen het huidige aanbod en de huidige vraag (op basis van aantal inwoners en samenstelling van de bevolking) bepaalt het huidige voorzieningenniveau.

 

De toekomstige behoefte in bestaande wijken bepalen we niet alleen kwantitatief via referentienormen en bevolkingsprognoses, maar ook vanuit een kwalitatieve analyse op basis van bijvoorbeeld gesprekken in de wijk met bewoners en professionals. Het gaat daarbij onder meer om daadwerkelijk gebruik van voorzieningen en specifieke behoeften van bewoners. Door vervolgens de (toekomstige) behoefte naast het huidige voorzieningenniveau te leggen, kunnen we bepalen waar het voorzieningenaanbod onder druk staat (waar is of dreigt een tekort) en welke plekken betekenisvol zijn voor de sociaal-fysieke infrastructuur (gebiedsgerichte integrale voorzieningenvisie).

 

Nieuwe ontwikkelingen (transformatie, herontwikkeling) in bestaande wijken bieden kansen om het voorzieningenniveau op peil te brengen en/of het beter te laten aansluiten op de specifieke behoeften in een wijk. Het biedt ook kansen voor het creëren of verbeteren van de sociale cohesie en verbindingen in een wijk. Nieuwe ontwikkelingen bieden ook de mogelijkheid voor herlocatie van voorzieningen om te zorgen voor een betere of meer gewenste spreiding van kloppende harten.

 

Bij kleinere (her)ontwikkelingen in bestaande wijken bepalen we op basis van bovenstaande analyse of hier voorzieningen moeten worden toegevoegd om het voorzieningenniveau in bestaande wijken kwantitatief en kwalitatief op peil te houden of te versterken (in relatie tot wijzigingen in bevolkingssamenstelling). Aan welke voorzieningen is behoefte in dit gebied? In hoeverre kunnen nieuwe inwoners gebruik maken van bestaande voorzieningen (beter benutten)? Leent dit initiatief/deze locatie zich voor het toevoegen van deze voorziening? Of: is het nodig een bestaande voorziening te verplaatsen of herplaatsen, uit te breiden etc.?

 

Bij verzoeken tot functiewijziging (van gemengd/maatschappelijk naar bijvoorbeeld wonen) kijken we (bij de Intaketafel) kritisch of dit gewenst is. We willen zuinig zijn op de beschikbare (planologische) ruimte voor maatschappelijke voorzieningen en rekening houden met mogelijke uitbreiding in de toekomst of onvoorziene omstandigheden.

 

4.2 Integrale Huisvestingsplannen

De Integrale Huisvestingsplannen (IHP’s) voor onderwijs, sport en ontmoeten zijn een strategisch visie-, en investeringsplanningsinstrument om ons gemeentelijk bestaand en nieuw maatschappelijk vastgoed financieel, ruimtelijk en maatschappelijk rendabel te houden en toekomstbestendig te maken. In de IHP’s leggen we de verbinding tussen de beleidsdoelen, voorzieningenbehoefte, het voorzieningenaanbod en de staat van het vastgoed.

 

De referentienormen zijn een instrument om de behoefte aan maatschappelijke voorzieningen vanuit de gebiedsontwikkelingen in beeld te brengen met richtinggevende vierkante meters en bijbehorende investeringen. Door dit in samenhang te bekijken en te koppelen aan de bestaande voorzieningen komt de opgave voor de stad in beeld.

 

4.3 Plintenstrategie

Voor een aantal deelgebieden in de stad Oss, waar de komende intensivering van bebouwing en een hogere bebouwingdichtheid in de vorm van hoogbouw gaan plaatsvinden, stellen we een plintenstrategie op. Het doel van de plintenstrategie is om ervoor zorgen dat de plinten van gebouwen en gebouwcomplexen in het stedelijk gebied een gevarieerde en passende invulling krijgen en zo bijdragen aan de aantrekkelijkheid en levendigheid van het gebied en toekomstbestendige buitenruimtes. We willen zorgen voor menging van functies wonen, werken, ontmoeten, winkelen, sporten of verblijven. En we willen een mix van commerciële en maatschappelijke functies. De plintenstrategie moet aangeven hoe we invulling geven aan die opgave. Maatschappelijke voorzieningen zijn één van de functies die hierin worden meegenomen. De plintenstrategie wordt in 2026 opgesteld.

 

4.4 Evaluatie en actualisatie

Zoals gezegd gaan we aan de slag met de richtlijnen en werkwijze uit dit kader en gaan we ervaren hoe het werkt. We evalueren na een jaar de lijst met referentienormen (is deze nog compleet is, moeten er maatschappelijke voorzieningen worden toegevoegd) en de normen zelf (zijn ze nog bruikbaar of moeten ze worden aangepast?). Aanleidingen voor aanpassingen kunnen bijvoorbeeld zijn nieuw of veranderend beleid, nieuwe trends en ontwikkelingen, nieuwe ruimtelijke inzichten of financiële haalbaarheid. Zo stellen we komend jaar naar verwachting onze nieuwe Integrale Huisvestingsplannen vast en nieuw beleid op gebied van bewegen, ontmoeten, spelen en sporten in de openbare ruimte. Ook werken we aan de inrichting van op sociale teams in de wijken. Tenslotte evalueren we ook de toepassing en werkwijze rondom de referentienormen. Op basis van deze evaluatie actualiseren we zo nodig begin 2027 dit richtlijnenkader en laten we dit opnieuw vaststellen.

Bijlage 1 Overzicht referentienormen

 

De referentienormen geven een indicatie van de kwantitatieve behoefte aan voorzieningen. Deze behoefte drukken we uit in vierkante meters per 1.000 woningen, per inwoner of per 500 of 1.000 leerlingen. We kiezen ervoor om de referentienormen te baseren op:

  • landelijke richtlijnen (voor onderwijs en kinderopvang: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs, Kwaliteitskader onderwijshuisvesting, Ruimte-OK (werkversie 2021 update 2025), Besluit Kwaliteit Kinderopvang);

  • onze eigen referenties (o.a. bij Amsteleind en de Berchplaets in Berghem (bibliotheek));

  • voorbeelden uit andere gemeenten (o.a. Den Haag, Haarlemmermeer, Almere, Utrecht, Veenendaal).

De referentienormen vormen een richtlijn om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en bij huisvestingsplannen vanuit vastgoed de opgave voor maatschappelijke voorzieningen te bepalen en vormen een startpunt om de dialoog aan te gaan met stakeholders en marktpartijen bij gebiedsontwikkeling en stedelijke vernieuwing. De referentienormen zijn een theoretisch model. Zij kunnen nooit één op één worden toegepast. Maatwerk is noodzakelijk op basis van (sociaal) beleid, de huidige bezetting, de reeds bestaande voorzieningen in de omgeving en het type inwoners in een wijk.

 

Onderwijs en kinderopvang

Referentienorm

Eenheid

Verzorgingsgebied

Primair onderwijs

Schoolgebouw

3.000 m2 bvo

per 500 leerlingen tussen 4 en 12 jaar

wijk

Schoolplein (inclusief fietsenstalling)

2.800 m2

per 500 leerlingen tussen 4 en 12 jaar

wijk

Kinderdagverblijf

450 m2 bvo

per 500 kinderen tussen 0 en 4 jaar

wijk

Buitenruimte kinderdagverblijf

150 m2

per 500 kinderen tussen 0 en 4 jaar

wijk

Peuterspeelzaal

250 m2 bvo

per 500 kinderen tussen 2 en 4 jaar

wijk

Buitenruimte peuterspeelzaal

120 m2

per 500 kinderen tussen 2 en 4 jaar

wijk

Voortgezet onderwijs

Schoolgebouw

8.000 m2 bvo

per 1.000 leerlingen tussen 12 en 18 jaar

stad

Buitenruimte (plein, fietsen-/scooterstalling)

1.800 m2

per 1.000 leerlingen tussen 12 en 18 jaar

stad

Toelichting

Gemeenten hebben de wettelijke zorgplicht voor voldoende en adequate huisvesting voor primair en voortgezet onderwijs en gymonderwijs. Het speciaal onderwijs (SBAO, SO en VSO) heeft een stad- en regiofunctie, is projectspecifiek en het aantal leerlingen met indicatie is vooraf minder goed te voorspellen. Om deze redenen worden deze voorzieningen buiten de referentienormen (richtlijnen) gehouden.

 

Hoewel het (nog) geen gemeentelijk beleid is bouwen we geen solitaire schoolgebouwen meer, maar voorzieningen waarin onderwijs, kinderopvang en eventuele ondersteunende functies gehuisvest zijn met bij voorkeur een gymvoorziening (zie thema sport). Ook medegebruik met ontmoetingsfuncties komt voor. Buitenschoolse opvang (BSO) hoeft geen exclusieve vierkante meters te hebben, maar gebruikt de vierkante meters van het onderwijs, de kinderopvang en eventueel de gymvoorziening.

 

We hebben de nieuwe landelijke opdracht ‘inclusief onderwijs’ opgenomen in het IHP 2026. Het doel is voor elke leerling in Oss inclusief, passend onderwijs te bieden, ook leerlingen met een ondersteuningsvraag of beperking. Inclusievere onderwijshuisvesting gaat verder dan fysieke inrichting. Het vraagt om gebouwen die geschikt zijn voor verschillende gebruikersgroepen, en om een nauwere samenwerking tussen het primair, voortgezet en (voortgezet) speciaal onderwijs met ondersteunende, voorzieningen. Inclusieve huisvesting vraagt ook om een bewuste positionering in de omgeving. Dit kan andere eisen aan de locatie of inpassing in de omgeving betekenen. Inclusieve gebouwen creëren kansen. Ze brengen onderwijs, ondersteuning, dagbesteding en (wijk)initiatieven dichter bij elkaar.

 

Bij onderwijs en kinderopvang moet ook rekening gehouden worden met een veilige bereikbaarheid (bv gescheiden loop- en fietspaden). Aanvullend aan de benodigde ruimte voor parkeren voor auto en fiets (Nota Parkeernormen Oss 2023), moet bij primair onderwijs voldoende ruimte gereserveerd worden voor Kiss&Ride (piekbehoefte op specifieke momenten van de dag).

 

Sport

Referentienorm

Eenheid

Verzorgingsgebied

Binnensport (gymzaal, sportzaal, sporthal)

800 m2 bvo

per 1.000 woningen

Wijk/Stad

Buitensport (velden)

6.000 m2 bvo

per 1.000 woningen

Stad

Sportondernemers

800 m2 bvo

Per 1.000 woningen

Wijk/stad

Toelichting

We nemen hier referentienormen op voor gemeentelijke sportvoorzieningen (gym- en sportzalen, sportparken) en voor ondernemende sportaanbieders (sportscholen, judoscholen, dansstudio’s etc.). Hoewel deze laatste categorie een commerciële voorziening betreft, hebben deze steeds meer een maatschappelijke functie.

 

Of bij nieuwbouw gekozen wordt voor een gymzaal, sportzaal of sporthal hangt van diverse factoren af (gebruik voor bewegingsonderwijs of verenigingsport, beheer en exploitatie, multifunctioneel gebruik etc.).

 

In onze Sport- en Beweegvisie 2030 streven we naar een toegankelijk en laagdrempelig sport- en beweegaanbod. Sport en bewegen zijn belangrijke pijlers in ons preventie- en gezondheidsbeleid. Sport- en beweegdeelname versterkt bovendien de sociale basis door ontmoeten en samendoen. Daarom stellen we sportparken open voor sport- en beweegactiviteiten van sportverenigingen, ondernemende sportaanbieders en ongeorganiseerde sporters. Zo wordt het sportpark een plek waar alle inwoners kunnen sporten, bewegen en ontmoeten. Ook sporthallen en gymzalen worden een plek voor sport en bewegen voor iedereen, dus niet alleen voor bewegingsonderwijs (wettelijke verplichting). Tenslotte maken we ook de openbare ruimte aantrekkelijker om te sporten en bewegen.

 

Ontmoeten en welzijn

Referentienorm

Eenheid

Verzorgingsgebied

Buurthuiskamer

Gemeenschapshuizen/ multifunctionele accommodaties

50-100 m2

per 1.000 inwoners

Buurt/wijk

Toelichting

Welzijn is een wettelijke taak onder de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Doordat mensen langer zelfstandig thuis wonen, is zorg en ondersteuning in de nabijheid van de woning van groot belang.

 

Voor ontmoeten is het beleid vastgelegd in de Visie Thuis in de Buurt en de Visie op de Sociale Basis 2040. Inspanningen zijn gericht op laagdrempelig ontmoeten, onder meer in aantrekkelijke, levendige en toegankelijke ontmoetingshuizen. Dit betreft alleen de huiskamerfunctie voor ontmoeting. Afhankelijk van de omvang en samenstelling van het verzorgingsgebied varieert de omvang van een buurthuiskamer tussen de 150 en 450 m2 bvo. Deze functie wordt bij voorkeur gecombineerd met een andere wijkgerichte voorziening.

 

Gemeenschapshuizen fungeren als centrale basisvoorziening en hebben naast de huiskamerfunctie als doel huisvesting van verenigingen, werkplekken/hotspots, zalencentrum, bibliotheek en andere culturele voorzieningen (zie volgende thema), sportfuncties, educatieve functies en zorgfuncties, een voorliggende voorziening om mensen te ondersteunen om de dag zinvol en actief in te vullen, zodat zij mee kunnen doen in de samenleving. Het kan hier ook gaan om locaties met dagbesteding voor senioren en jongerencentra. Afhankelijk van de functies en samenstelling van het verzorgingsgebied varieert de omvang van een gemeenschapshuis tussen de 600 en 3000 m2 bvo.

 

 

Zorg

Referentienorm

Eenheid

Verzorgingsgebied

Huisarts

110 m2 bvo

per 1.000 woningen

Wijk

Apotheek

40 m2 bvo

per 1.000 woningen

Wijk

Tandarts

115 m2 bvo

per 1.000 woningen

Wijk

Fysiotherapeut

90 m2 bvo

per 1.000 woningen

Wijk

Toelichting

We kiezen ervoor referentienormen op te nemen voor eerstelijnszorgvoorzieningen. Dit is zorg waar inwoners zelf zonder verwijzing naartoe kunnen gaan. Aanvullend hieraan moet ook rekening gehouden worden met overige (tweedelijns)zorgvoorzieningen, zoals diëtist, consultatiebureau, logopedist, ergotherapeut. De exacte behoefte aan zorgvoorzieningen is sterk afhankelijk van de samenstelling en omvang van huishoudens in een wijk, en de sociaal-economische situatie in een wijk (bijvoorbeeld: de behoefte in wijken waar de bevolking meer te besteden heeft en over het algemeen een gezondere leefstijl heeft is lager).

 

Voor huisartsen geldt een normpraktijk van 1 huisarts per 2.095 patiënten. Voor een normpraktijk wordt vaak een minimumoppervlak van 150 m2 bvo aangehouden. Door een toename van andere functies binnen de huisartsenpraktijk is eigenlijk meer ruimte nodig (tot circa 250 m2 bvo). De Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) pleit al enkele jaren voor een verkleining van het aantal patiënten in huisartsenpraktijken, zodat huisartsen meer tijd per patiënt krijgen.

 

Om de onderlinge samenwerking tussen functies te bevorderen en meer kwaliteit en passende zorg te bieden, is het wenselijk om verschillende functies in één gebouw te combineren: een gezondheidscentrum. Hier kunnen naast eerstelijnszorgvoorzieningen ook overige zorg- en welzijnsvoorzieningen in gevestigd worden. Voor een gezondheidscentrum gaan we uit van een omvang van circa 1.250 m2 bvo, afhankelijk van de omvang en samenstelling van het verzorgingsgebied en de mate van clustering van voorzieningen.

 

Cultuur

Referentienorm

Eenheid

Verzorgingsgebied

Bibliotheek (exclusief centrale bibliotheek)

10 m2

per 1.000 inwoners

Wijk

Lokale culturele voorziening

50-100 m2

per 1.000 inwoners

Buurt/wijk

Toelichting

Het cultuurbeleid is vastgelegd in de Cultuurnota Oss 2021 en verder (Cultuur verbindt OnSS). Een goed functionerend en aantrekkelijk cultureel bestel draagt bij aan het leef- en vestigingsklimaat van de gemeente. Dit doen we door in te zetten op behoud van een vitale culturele infrastructuur met een aantal grote dragende culturele instellingen (met stadsverzorgende of zelfs regionale functie). Daarnaast zetten we in op een rijkgeschakeerd amateurveld in de nabijheid van inwoners (lokale culturele voorzieningen).

 

Aanvullend aan de centrale bibliotheek in de binnenstad van Oss (met functie voor inwoners uit de hele gemeente) streven we naar servicepunten of kleine vestigingen van de bibliotheek in de dorpen en wijken. De haalbaarheid of omvang van een wijkverzorgende bibliotheek is afhankelijk van de samenstelling van het verzorgingsgebied en de inpassing (al dan niet gecombineerd met andere functies of onderdeel, met een minimum van 45 m2.  

 

Een lokale culturele voorziening is onderdeel van gemeenschapshuizen en/of de bibliotheekvestiging. Het gaat om huisvesting van verenigingen uit het amateurkunstveld en cultuureducatie in de vrije tijd. Voorzieningen zoals broedplaatsen, ateliers, bouwloodsen, repetitieruimten en studio’s zijn niet uitgedrukt in referentienormen. Deze zijn vooral afhankelijk van specifieke vragen uit de markt, politieke ambities etc. Dit neemt niet weg dat dit belangrijke voorzieningen zijn voor de stad Oss en haar inwoners. 


1

Bij onderwijshuisvesting zijn vanuit de wet de schoolbesturen bouwheer van de te bouwen school, tenzij zij dit overdragen aan bijvoorbeeld de gemeente.

Naar boven