Gemeenteblad van Arnhem
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Arnhem | Gemeenteblad 2026, 351979 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Arnhem | Gemeenteblad 2026, 351979 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Wijziging hoofdstuk 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem: Deel 1 - thuissekswerk en seksinrichtingen
I. Hoofdstuk 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem als volgt te wijzigen:
“Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Afdeling 1 Begripsomschrijvingen en nadere regels
Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van de exploitant, de beheerder, de sekswerker, het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is, toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2, andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is;
seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, gelegenheid geven tot sekswerk of tot het verrichten van seksuele handelingen of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting. Onder een seksbedrijf vallen in ieder geval een erotische massagesalon, een bordeel, een seksclub, een privéhuis, een raamsekswerkbedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, met uitzondering van een thuissekswerker.
Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.
Artikel 3.2.3 Eisen met betrekking tot vergunning
Artikel 3.2.4 Weigeringsgronden
Een vergunning wordt geweigerd als:
er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het sekswerkers of overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:
voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3.2.5, eerste lid, aanhef en onder a tot en met e, of derde lid, aanhef onder a tot en met h, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;
Artikel 3.2.5 Intrekkingsgronden
Artikel 3.2.6 Melding gewijzigde omstandigheden
De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3.2.3, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning voor de resterende looptijd van de oorspronkelijke vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.
Afdeling 3 Uitoefenen seksbedrijf
Paragraaf 1 Regels voor alle seksbedrijven
Artikel 3.3.1.1 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang
Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op maandag tot en met donderdag tussen 01.00 uur en 09.00 uur en op vrijdag tot en met zondag tussen 02.00 uur en 09.00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald.
Artikel 3.3.1.2 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting
Artikel 3.3.1.3 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder seksbedrijf
Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:
Paragraaf 2 Regels voor alle seksbedrijven en sekswerkers
De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.
Paragraaf 3 Overige bepalingen
Het is verboden buiten de daartoe door het college aangewezen locatie een seksinrichting te exploiteren gericht op raamsekswerk of om als zelfstandig werkende sekswerker zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen.
Artikel 3.3.3.2 Straatsekswerk
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op of aan door het college aangewezen wegen of gebieden, gedurende door het college vastgestelde tijden mits degene die zich als sekswerker presenteert en/of als zodanig diensten aanbiedt, beschikt over een vergunning van het daartoe bevoegde bestuursorgaan.
Artikel 3.3.3.3 Handhaving straatsekswerk
Een politieambtenaar of toezichthouder kan een persoon die zich op een krachtens artikel 3.3.3.2, tweede lid, aangewezen weg bevindt, in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, het voorkomen of beperken van overlast, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid van sekswerkers of klanten bevelen zich onmiddellijk in een door hem aangegeven richting te verwijderen.
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.
Artikel 3.3.3.5 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
Artikel 3.3.3.6 Beëindiging exploitatie
Artikel 3.3.3.7 Wijziging beheer
Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegde bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.2.4, vierde lid, aanhef en onder e, is van overeenkomstige toepassing.”
“Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Afdeling 1 Begripsomschrijvingen en nadere regels
Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen
In artikel 3.1.1 worden veel voorkomende begrippen gedefinieerd.
Omdat de APV, met het oog op het toezicht, bepaalt dat in advertenties voor seksbedrijven of sekswerkers bepaalde nummers (vergunningnummer, telefoonnummer) moeten worden vermeld, is ervoor gekozen het begrip ‘advertentie’ ruim te omschrijven. Er is immers een veelheid aan mogelijkheden om aandacht op de aangeboden dienstverlening te vestigen. Voor alle vormen van reclame met behulp van een medium (kranten, televisie, internet, posters, flyers) geldt het voorschrift. Daarbij moet het gaan om uitingen die wervend van karakter zijn en het oogmerk hebben de klandizie te vergroten. Daarop ziet het bijvoeglijk naamwoord: commerciële.
De dagelijkse leiding in een seksinrichting kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een ’beheerder’ berusten. Het is van belang ook voor deze persoon, die primair verantwoordelijk is voor de dagelijkse gang van zaken in de seksinrichting, expliciet enkele bepalingen op te nemen in de APV.
Overeenkomstig artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet is het college belast met de uitvoering van raadsbesluiten (waaronder verordeningen zoals de APV), tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester te worden aangemerkt als het ‘bevoegde bestuursorgaan’ bij de vergunningverlening voor een seksbedrijf. Zijn bevoegdheid treft namelijk de voor het publiek openstaande gebouwen (wat veruit de meeste seksinrichtingen zijn) en de daarbij behorende erven (zie in dit verband artikel 174 van de Gemeentewet). In de definitie van seksinrichtingen is het ruimere begrip 'ruimte' opgenomen. Dat betekent dat het college bijvoorbeeld bevoegd is als het gaat om vaar- en voertuigen. Woonboten worden thans echter aangemerkt als bouwwerk in de zin van de Omgevingswet (voorheen Wabo, zie ABRvS 16-04-2014, ECLI:NL:RVS:2014:1331). In lijn daarmee worden woonboten – voor zover het betreft de uitvoering van dit hoofdstuk – aangemerkt als gebouwen als bedoeld in artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet. Wel is het college ook bevoegd als het gaat om escortbedrijven en seksbedrijven, voor zover die laatste zich richten op straatsekswerk. Immers, anders dan bijvoorbeeld bij het uitoefenen van een bij verordening toegekende bevelsbevoegdheid, is bij de vergunningverlening (of het aanwijzen van een gebied) niet aan de orde dat zich een feitelijke, concrete en acute ordeverstoring voordoet waartegen onmiddellijk en daadkrachtig moet worden opgetreden. Zou dat wel zo zijn, dan zou overeenkomstig artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet de burgemeester ook ten aanzien van de vergunningverlening voor seksbedrijven, voor zover die zich richten op straatsekswerk, als het bevoegde bestuursorgaan aangemerkt dient te worden. Het college kan zijn bevoegdheid ter zake mandateren aan de burgemeester op grond van artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet.
Niet alle in de inrichting aanwezige personen moeten als ‘bezoeker’ worden aangemerkt. Van het begrip ‘bezoeker’ zijn behalve de exploitant, de beheerder(s), de sekswerkers en de personeelsleden van de exploitant, ook toezichthouders en opsporingsambtenaren uitgezonderd, alsmede andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is (hierbij valt te denken aan personen die de inrichting moeten kunnen betreden voor het leveren van goederen, of voor het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden en andere hulpdiensten).
Een ‘escortbedrijf’ bemiddelt tussen klanten en sekswerkers. De sekswerker bezoekt de klant of gaat met de klant naar een andere plaats dan de plek waar de bemiddeling plaatsvindt. De bemiddeling kan plaatsvinden vanuit een bedrijfspand, maar onder omstandigheden ook vanaf een privéadres. De bemiddeling kan in persoon plaatsvinden, maar over het algemeen zal dit telefonisch gaan of via een website op internet. Een zelfstandig werkende escort, die geen personeel in dienst heeft en zowel de bemiddeling als het sekswerk zelfstandig en ten behoeve van zichzelf verricht, valt niet onder de definitie van een escortbedrijf.
Voor de definitie van ‘exploitant’ is aansluiting gezocht bij een van de definities van het begrip leidinggevende in artikel 1, eerste lid, onderdeel 1°, van de Alcoholwet. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Onder deze definitie valt ook de vennoot in een personenvennootschap. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant, dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. Een seksbedrijf heeft altijd een exploitant.
De ‘klant’ is een afnemer van (seksuele) diensten in een seksinrichting. Aanwezigen die (vooralsnog) slechts iets drinken, een maaltijd nuttigen of een vertoning komen bekijken, vallen ook onder dit begrip.
Er is voor gekozen om een aparte definitie op te nemen voor het begrip ‘raamseksbedrijf’ omdat dit onderdeel van de sekswerksector een bijzondere uiterlijke verschijningsvorm en invloed op de omgeving heeft en er daarom sectorspecifieke regels voor de raamprostitutie in dit hoofdstuk zijn opgenomen.
In de APV wordt het begrip ‘sekswerk’ gebruikt, omdat deze term aansluit bij de hedendaagse norm van inclusiviteit. Deze term erkent en ondersteunt alle personen die actief zijn in de branche, zonder het werk te stigmatiseren. Sekswerk is bovendien een breder begrip dan het eerder gehanteerde begrip ‘prostitutie’. Prostitutie verwijst naar seks met een ander tegen betaling, terwijl dat bij sekswerk niet het geval hoeft te zijn. Sekswerk is aldus een breder begrip. Bij ‘betaling’ zal het veelal gaan om een geldbedrag, maar is daar niet toe beperkt.
Het begrip ‘seksbedrijf’ duidt op een activiteit of op activiteiten, en dus niet op de locatie waar de verrichtingen of vertoningen plaatsvinden; daarvoor wordt in de APV de term ‘seksinrichting’ gebruikt. Binnen de omschrijving valt het gelegenheid geven tot het zich beschikbaar stellen voor het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling, en het gelegenheid geven tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander, zoals ‘peepshows’ en sekstheaters, maar bijvoorbeeld ook het bedrijfsmatig en tegen betaling verzorgen van webcamseks (tenzij dit onder de definitie van thuissekswerk valt). Daarnaast wordt onder dit begrip ook verstaan het in een seksinrichting tegen betaling aanbieden van erotisch-pornografische vertoningen: de seksbioscopen. Diverse soorten seksbedrijven kunnen ook in combinatie met elkaar voorkomen. Of een activiteit ‘bedrijfsmatig’ wordt verricht, hangt af van een aantal factoren. Is er personeel in dienst, dan is er zonder meer sprake van een bedrijf. Maar een individu zonder personeel kan ook een bedrijf zijn in de zin van de APV, en is dan dus vergunningplichtig (tenzij de individu een thuissekswerker of zelfstandige escort is). Het oogmerk om (een aanvulling op) een inkomen te genereren, het aantal uren dat aan de activiteit wordt besteed, de wijze van klantenwerving (bijvoorbeeld of er wordt geadverteerd om de werkzaamheden onder de aandacht van publiek te brengen en klanten te trekken) en de organisatiegraad en de omvang van het sekswerkaanbod zijn aspecten om te bepalen of er bedrijfsmatig activiteiten worden verricht. Of er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten zal dus moeten worden vastgesteld aan de hand van de feitelijke situatie.
Met het begrip ‘seksinrichting’ wordt geduid op de voor het publiek toegankelijke locatie van een seksbedrijf. Dit kan samenvallen met de locatie waar de exploitant van het seksbedrijf zich heeft gevestigd, maar dat is zeker niet altijd – en bij escortbedrijven per definitie niet – het geval. Onder ‘besloten ruimte’ wordt ook begrepen een vaar- of voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord ‘besloten’ duidt erop dat de ruimte zich niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk is. Als sekswerk plaatsvindt in woningen, kunnen (delen van) deze locaties – onder omstandigheden – als seksinrichting aangemerkt worden. Een dergelijke (ruimte in een) ‘privéwoning’ is voor het publiek toegankelijk nu klanten toegang wordt verschaft. Is de sekswerker op enigerlei wijze werkzaam voor degene die de ruimte beschikbaar stelt, dan is er zonder meer sprake van een seksbedrijf in een seksinrichting.
Wanneer iemand zich op of aan de weg presenteert als sekswerker of als zodanig diensten aanbiedt, dan wel van die diensten gebruik maakt of daartoe contact legt, is sprake van ‘straatsekswerk’.
De sekswerker die niet werkzaam is voor of bij een door een ander geëxploiteerd seksbedrijf, maar die zelfstandig vanuit diens woning werkt, is een ‘thuissekswerker’. De thuissekswerker kan eigenaar of huurder zijn van de betreffende woning. Het betreft in ieder geval de woning op het adres waarvan de thuissekswerker volgens de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. Als een sekswerker op diens thuisadres werkzaam is en geen andere sekswerkers – met uitzondering van één andere sekswerker die eveneens volgens de BRP op dat adres staat ingeschreven – in diens woning laat werken, is sprake van een aan huis gebonden beroep en niet van een vergunningplichtig seksbedrijf. Voor de thuissekswerker gelden de regels zoals die ook gelden voor andere beroepen aan huis, zoals opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Arnhem.
Onder ‘werkruimte’ wordt verstaan een zelfstandig onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht. Een seksinrichting kan één (of natuurlijk geen) werkruimte hebben, of meerdere. Met ‘zelfstandig’ wordt hier niet bedoeld dat een werkruimte altijd geheel zelfvoorzienend hoeft te zijn; het ziet op de van elkaar te onderscheiden delen van een seksinrichting waarin over het algemeen telkens één sekswerker diens diensten aanbiedt. Een deel van een seksinrichting dat apart verhuurd wordt zal veelal een afzonderlijke werkruimte zijn.
De sekswerker die niet werkzaam is voor of bij een door een ander geëxploiteerd seksbedrijf en die geen personeel in dienst heeft, maar die zowel de bemiddeling als het sekswerk zelfstandig en ten behoeve van zichzelf verricht – en dit sekswerk aanbiedt op een andere locatie dan in diens woning – is een ‘zelfstandige escort’. Deze sekswerker valt niet onder de definitie van ‘escortbedrijf’ of ‘seksbedrijf’ en is dus niet vergunningplichtig.
Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.
Er is voor gekozen om seksbedrijven, waaronder escortbedrijven, met een vergunningenstelsel te reguleren. Dit houdt in dat het uitoefenen van een seksbedrijf verboden is, tenzij een vergunning is verleend. De keuze voor een vergunningenstelsel sluit aan bij bestaande structuren. Een uitgangspunt is ook dat legaal aanbod in beginsel illegaal aanbod tegengaat, de zogeheten kanalisatiegedachte. Daarbij wordt aangenomen dat als er een legaal en betrouwbaar aanbod bestaat, er niet langer aanleiding is voor klanten om te kiezen voor een illegaal aanbod met alle daarmee samenhangende onwenselijkheden en onzekerheden.
Het maximumaantal vergunningen voor een seksbedrijf is in Arnhem gesteld op acht, waarbij er maximaal één per wijk mag worden gevestigd. Zolang het maximum niet is bereikt, worden aanvragen behandeld in volgorde van binnenkomst. De vergunningen worden, zolang het maximum niet is bereikt, ten hoogste voor de duur van acht jaar verleend. Voor het geval het maximum wel is bereikt, stelt het college van burgemeester en wethouders nadere regels op voor een onpartijdige en transparante verlening van vergunningen. Voor escortbedrijven geldt geen maximumaantal.
Nu de vergunning onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn valt, is het vijfde lid opgenomen omdat ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet als uitgangspunt geldt dat een vergunning van rechtswege wordt verleend wanneer de termijn, waarbinnen het antwoord op de aanvraag moet volgen, verstreken is. Dit is bedoeld als prikkel voor de overheid om tijdig te beslissen, en zorgt ervoor dat burgers en bedrijven geen nadeel ondervinden van een mogelijk te trage besluitvorming. De verwachting bestaat dat de wettelijke termijnen in dit artikel ruim genoeg zijn om tijdig op een aanvraag om een vergunning te besluiten. Zou dat evenwel niet lukken, dan wordt het belang van een daadwerkelijke afweging bij vergunningen als hier aan de orde geacht zwaarder te wegen dan voornoemd uitgangspunt. Dit is in overeenstemming met de uitzonderingsgrond van artikel 13, vierde lid, van de Dienstenrichtlijn: dwingende redenen van algemeen belang, te weten de bescherming van de openbare orde. Wanneer een vergunning van rechtswege ten onrechte is verleend, kan dit namelijk ernstige, onomkeerbare schade voor derden (de menselijke waardigheid van de sekswerker, de veiligheid en gezondheid van minderjarigen en kwetsbare volwassenen) tot gevolg hebben. Daarom wordt de lex silencio positivo in het vijfde lid van toepassing uitgezonderd.
Met dit artikel wordt de wijze van indiening van de aanvraag om een vergunning geregeld, evenals welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd. De vereiste gegevens worden nodig geacht om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen over de aanvraag om de vergunning.
Het overleggen van een situatietekening en plattegrond is uiteraard niet nodig als het een vergunning betreft die niet (mede) voor een seksinrichting wordt aangevraagd. Bijvoorbeeld in het geval van een escortbedrijf. Daar worden immers geen klanten ontvangen.
Omdat in de toekomst naar verwachting steeds vaker bij indiening sprake zal zijn van digitale documenten, wordt geen specifieke schaalaanduiding voorgeschreven. De maatvoering moet uit de situatieschets (onder k) en tekening (onder l) blijken. Als bescheiden worden overgelegd, moet de gekozen schaal zodanig zijn dat het bevoegde bestuursorgaan er voldoende informatie uit kan halen om tot beoordeling van de aanvraag te komen.
Tot het eisen dat het telefoonnummer dat gebruikt zal worden in advertenties overgelegd moet worden – en in de vergunning zal worden vermeld (zie artikel 3.3.1.4, aanhef en onder b) – is gekomen met het oog op de toezicht en handhaving. Zo wordt bewerkstelligd dat een bepaald telefoonnummer waarmee geadverteerd wordt altijd te herleiden is tot een bepaald seksbedrijf, een bepaalde exploitant en het adres waar het bedrijf wordt uitgeoefend. Doordat het telefoonnummer bovendien in de vergunning zal worden vermeld wordt voorkomen dat het nummer vaak verandert, dan zou immers telkens op aanvraag de vergunning gewijzigd dienen te worden. In die zin is het een ‘vast’ telefoonnummer; dit kan echter ook een mobiel nummer zijn.
Als het bevoegde bestuursorgaan dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan deze verlangen dat aanvullende gegevens en bescheiden worden overgelegd (vierde lid). Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met de weigeringsgronden van de aangevraagde vergunning.
Artikel 3.2.3 Eisen met betrekking tot de vergunning
In dit artikel wordt bepaald welke gegevens in ieder geval in een vergunning worden vermeld. Hiermee wordt getracht het toezicht op en de naleving van de vergunningsvoorwaarden te faciliteren. Doordat het telefoonnummer op de vergunning staat, wordt o.a. voorkomen dat dit nummer regelmatig wijzigt, waardoor het telefoonnummer – dat ook in advertenties gebruikt moet worden – niet langer herleidbaar zou zijn tot een bepaald vergund seksbedrijf. Als de exploitant een ander telefoonnummer wil hanteren, dan zal deze immers eerst een aanvraag in moeten dienen om de vergunning te laten wijzigen; aangezien dit tijd en geld (leges) kost valt te verwachten dat dit slechts sporadisch zal gebeuren. In die zin is het een ‘vast’ telefoonnummer; dit kan echter ook een mobiel nummer zijn.
Hetzelfde doel heeft het tweede lid, dat daarnaast ook van betekenis is voor (mogelijke) klanten van een seksbedrijf: zij kunnen vanwege het bepaalde in het tweede lid eenvoudig vaststellen of het om een vergund bedrijf gaat.
Artikel 3.2.4 Weigeringsgronden
Het eerste lid – in samenhang met het tweede tot en met derde lid – bevat de gronden op basis waarvan een vergunning in ieder geval wordt geweigerd. Bij de in het vierde lid genoemde gronden bestaat ruimte voor een afweging of een vergunning al dan niet zal worden geweigerd. Buiten op basis van de in dit artikel genoemde gronden, kan een vergunning bovendien geweigerd worden in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, van die wet. Overigens mag een negatief Bibob-rapport niet automatisch leiden tot een voor het betrokken bedrijf negatieve beslissing op de vergunningaanvraag. De overheid dient eerst te toetsen of er met de besluitvorming wordt voldaan aan het evenredigheidsbeginsel.
Artikel 3.2.5 Intrekkingsgronden
Het eerste lid bevat een opsomming van de omstandigheden waaronder een vergunning zonder meer moet worden ingetrokken. Anders dan in het derde lid is hier dus geen sprake van een discretionaire bevoegdheid van het bevoegde bestuursorgaan. In de gevallen opgenomen in het derde lid kan de vergunning worden ingetrokken. Buiten op basis van de in dit het derde lid genoemde gronden, kan een vergunning bovendien ingetrokken worden in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Bibob. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, van die wet.
Artikel 3.2.6 Melding gewijzigde omstandigheden
Het is van belang dat een vergunning altijd actueel en in overeenstemming is met de werkelijkheid. Dit draagt bij aan het toezicht op de seksinrichting en de handhaafbaarheid van de vergunning. Op het moment dat de vergunning niet meer in overeenstemming is met de werkelijkheid moet de exploitant de wijzigingen terstond melden aan de burgemeester.
Afdeling 3 Uitoefenen seksbedrijf
Paragraaf 1 Regels voor alle seksbedrijven
Artikel 3.3.1.1 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang
De algemene sluitingstijden van het eerste lid gelden niet voor seksinrichtingen waarvan bij vergunning is bepaald dat daarvoor afwijkende sluitingstijden gelden. Dergelijke afwijkende sluitingstijden kunnen bij het verlenen van de vergunning daaraan verbonden worden, maar ook lopende de vergunning, als de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Afwijkende sluitingstijden kunnen zowel ruimer als beperkender zijn. De sluitingstijden zijn echter niet van toepassing op sekswinkels; daarop is het regime van de Winkeltijdenwet van toepassing.
Het tweede lid richt zich niet tot de exploitant en beheerder, maar tot de bezoekers van de seksinrichting. Het begrip ‘bezoeker’ heeft een ruimere betekenis dan het in de APV gehanteerde begrip ‘klant’. Een klant is een afnemer van seksuele diensten; onder bezoekers vallen echter bijvoorbeeld ook de aanwezigen in een seksinrichting die (vooralsnog) slechts iets drinken, of een vertoning komen bekijken. Hoewel niet iedere bezoeker per definitie een klant is, is iedere klant per definitie wel een bezoeker. Personen die bijvoorbeeld professionele reparatie- of schoonmaakwerkzaamheden uitvoeren, zullen – als zij zich daartoe beperken – uiteraard niet als ‘bezoeker’ aangemerkt worden.
Het derde lid richt zich tot de sekswerker en heeft als doel te voorkomen dat seksinrichtingen gebruikt worden om te overnachten.
Verder mogen personen die de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt, niet worden toegelaten in seksinrichtingen (vierde lid).
Artikel 3.3.1.2 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting
Ten opzichte van artikel 3.3.1.1 (bij of krachtens welke bepaling is voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het reguliere sluitingstijdenregime is) biedt dit artikel de mogelijkheid om daarvan tijdelijk af te wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking inhouden dat: voor (een of meer) inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden worden vastgesteld dan de bij of krachtens artikel 3.3.1.1 gesteld, of; van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de - algehele of gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen. Aan zo’n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 3.2.4, vierde lid, sub c, genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn van strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk van de APV. Het bevoegde bestuursorgaan kan daartoe overgaan, indien het dat noodzakelijk acht in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of beperking van overlast en dergelijke. De bevoegdheid tot het tijdelijk vaststellen van andere sluitingsuren (als bedoeld in het eerste lid, onder a) kan zich uitstrekken tot alle in de gemeente gevestigde seksinrichtingen en onderscheidt zich daarin van de bevoegdheid genoemd in artikel 3.3.1.1, tweede lid, die individueel gericht is. Sluiting (als bedoeld in het eerste lid, onder b) kan daarentegen slechts van afzonderlijke inrichtingen worden bevolen.
In het eerste lid, aanhef en onder b, is het bevoegde bestuursorgaan een expliciete sluitingsbevoegdheid gegeven. Deze bevoegdheid is te onderscheiden van de bevoegdheid tot aanzegging van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:21 van de Awb (die door dit artikel onverlet wordt gelaten). Met toepassing van bestuursdwang wordt kort gezegd beoogd een onrechtmatige situatie weer in overeenstemming te (doen) brengen met het recht. De in het eerste lid, onder b, opgenomen sluitingsbevoegdheid moet daarentegen veel meer worden gezien als een (bestuursrechtelijke) sanctie op inbreuken op het in dit hoofdstuk bepaalde.
Indien nodig kan de naleving van een krachtens het eerste lid, onder b, gegeven sluitingsbevel worden afgedwongen door toepassing van bestuursdwang. Om een opeenstapeling van bestuursrechtelijke procedures te voorkomen, verdient het aanbeveling te bezien of met het sluitingsbevel ook (preventief) bestuursdwang kan worden aangezegd. Daarvoor is wel vereist dat er een klaarblijkelijke dreiging bestaat dat de desbetreffende overtreding daadwerkelijk zal plaatsvinden.
De sluitingsbevoegdheid is in de praktijk meermalen toegepast in gevallen waarin openbare inrichtingen het decor vormden voor allerlei vormen van criminaliteit. Ook seksbedrijven zijn daarvoor in het verleden een aantrekkelijke plaats gebleken. Het betrof daarbij doorgaans delicten als het bezitten of verhandelen van verdovende middelen of vuurwapens, het tewerkstellen van jongeren of van illegalen, heling en dergelijke. Feiten als deze zijn strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Het naar aanleiding daarvan toepassen van de sluitingsbevoegdheid als hier bedoeld, is niet in strijd met deze formeelwettelijke regelingen omdat daaraan een ander oogmerk ten grondslag ligt. Veel van de gedragingen als hier bedoeld spelen zich weliswaar af in de inrichting, maar hebben ook een uitstraling op de openbare orde en de woon- en leefomgeving buiten de inrichting. Voor toepassing van de sluitingsbevoegdheid is wel vereist dat de hier bedoelde overtredingen een meer dan incidenteel karakter hebben.
Een besluit op grond van het eerste lid (zowel onder a als b), richt zich doorgaans tot een of meer belanghebbenden – de betrokken exploitant(en) – en moet aan hen worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb.
Nu het bezoekers verboden is in een seksinrichting te verblijven gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn (artikel 3.3.1.1, tweede lid) is in het tweede lid bepaald dat een krachtens het eerste lid genomen besluit, behalve aan de betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt bekendgemaakt. Met name het zichtbaar aanplakken van de geslotenverklaring op de inrichting zelf verdient daarbij aanbeveling.
Artikel 3.3.1.3 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder seksbedrijf
Onder meer vanwege de kwetsbaarheid van sekswerkers is het gewenst dat de exploitant van een seksbedrijf gedurende de uren dat het seksbedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend aanwezig is om effectief toezicht te kunnen garanderen op al hetgeen zich voordoet in de uitoefening van zijn bedrijf en – voor zover die er zijn – in de seksinrichtingen waarvoor hem mede vergunning is verleend. Aangezien een dergelijke eis, in ieder geval in gevallen dat er sprake is van meerdere seksinrichtingen, niet na te leven is voor één persoon, kan het ook om de beheerder gaan: deze heeft immers grotendeels dezelfde verantwoordelijkheden als de exploitant en kan daar op aangesproken worden.
In het tweede lid zijn voorts enkele verdere zorgplichten van de exploitant geformuleerd, onder andere met betrekking tot de te voeren bedrijfsadministratie. Daarnaast, onder e, is opgenomen de verplichting om ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting onverwijld bij de politie te melden. Richtinggevend hierbij is de Aanwijzing mensenhandel van het OM (Stcrt. 2013, 16816) en https://www.wegwijzermensenhandel.nl/.
De verplichting in advertenties het nummer te vermelden van de vergunning die aan een seksbedrijf is verleend, en geen andere nummers, vergemakkelijkt het toezicht. Voor niet-vergunde bedrijven is het niet mogelijk op deze manier te adverteren.
Paragraaf 2 Regels voor alle seksbedrijven en sekswerkers
Ter versterking van de sociale positie van de sekswerker is het van belang dat er in een seksinrichting maatregelen worden getroffen op het gebied van hygiëne en van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de sekswerkers. Daartoe moet bij het aanvragen van een vergunning de exploitant een bedrijfsplan overleggen, zodat vooraf kan worden beoordeeld of de exploitant voor deze punten voldoende oog heeft, en zorg draagt voor goede arbeidsomstandigheden. Deze verplichting geldt voor alle seksbedrijven, dus ook voor escortbedrijven. Uiteraard volgt uit de aard van de werkzaamheden dat een bedrijfsplan van een escortbureau – op bepaalde punten – een andere uitwerking vereist dan een bedrijfsplan van een seksbedrijf van een andere aard.
In het tweede lid, aanhef en onder a, is opgenomen dat de exploitant maatregelen treft om ervoor te zorgen dat de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden. Het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid heeft in september 2013 de Hygiënerichtlijn voor Seksbedrijven (voorheen Hygiënerichtlijnen voor Seksinrichtingen) gepubliceerd. Deze richtlijn is geschreven voor exploitanten en eigenaren van seksbedrijven en wordt uitgegeven door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. De branche zelf, vertegenwoordigd door de Vereniging Exploitanten Relaxbedrijven en de Vereniging Legale Escortbedrijven, heeft aan het opstellen en bijwerken van deze richtlijn bijgedragen. In de richtlijn zijn zogenaamde hygiënenormen, dit zijn de minimale eisen aan een goed hygiënebeleid, opgenomen. Een exploitant van een seksbedrijf zal om te voldoen aan de maatstaven voor een goede hygiëne zich ten minste aan deze normen moeten houden.
Belangrijk doel van goede hygiëne in seksbedrijven is het voorkomen van (seksueel overdraagbare) ziektes. Dat is zowel voor de sekswerkers als de klanten van belang. Een goede hygiëne zorgt echter ook voor een veilige en prettige werkomgeving. Van de exploitant mag worden verwacht dat hij in het bedrijfsplan daarnaast inzichtelijk maakt hoe hij verder zorgdraagt voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor sekswerkers. Dit is opgenomen in het tweede lid, aanhef en onder a en b. De veiligheid en gezondheid van een sekswerker wordt ook gediend met aparte garanties voor de kwaliteit van de werkomstandigheden in de werkruimten. Een sekswerker moet daar altijd gebruik kunnen maken van een alarm waarmee diegene hulp van derden kan inroepen als er wat misgaat. De luchtventilatie die in het kader van de algemene luchtkwaliteit en hygiëne afdoende is, brengt nog niet met zich mee dat de sekswerker niet in een te koude of te warme werkruimte diens diensten moet verrichten. In het tweede lid, aanhef en onder d, wordt zodoende geëist dat de exploitant aangeeft welke maatregelen hij hiervoor treft.
De normen die worden geformuleerd over het gebruik van condooms en de mogelijkheid om je als sekswerker te laten controleren op seksueel overdraagbare aandoeningen waarborgen de gezondheid en het zelfbeschikkingsrecht van de sekswerker. Deze normen zijn opgenomen in het tweede lid, aanhef en onder c en e. De sekswerker mag niet verplicht worden zich geneeskundig te laten onderzoeken en heeft recht op een vrije artsenkeuze (tweede lid, aanhef en onder f). Bovendien moet de exploitant sekswerkers in de gelegenheid stellen zich regelmatig te laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen. Het moet niet zo zijn dat een sekswerker vanwege de openingstijden van de seksinrichting waar die werkzaam is, geen tijd heeft om zich bijvoorbeeld voor een SOA-onderzoek bij de GGD te melden. De exploitant dient er zorg voor te dragen dat onder de in het seksbedrijf werkzame sekswerkers voldoende informatie- en voorlichtingsmateriaal in verschillende talen, waaronder in ieder geval in het Nederlands en Engels, wordt verspreid over de aan sekswerk verbonden gezondheidsrisico’s en over de aanwezigheid en bereikbaarheid van instellingen op het gebied van de gezondheidszorg en hulpverlening. De exploitant is daarnaast verplicht informatie over mogelijke uitstapprogramma’s aan de voor hem werkzame sekswerkers te verstrekken.
Een belangrijk aspect van het zelfbeschikkingsrecht is dat gewaarborgd is dat de sekswerker vrij is te bepalen aan welke klanten seksuele diensten worden verleend en welke diensten de sekswerker al dan niet wil verlenen. Dit is ook bij de escort bijzonder van belang. Hoewel in een arbeidsrelatie geldt dat een werknemer opdrachten van de werkgever met betrekking tot de overeengekomen arbeid in beginsel moet opvolgen, dient het grondwettelijk gewaarborgde recht op lichamelijke integriteit daarboven altijd voorrang te krijgen. Een exploitant dient inzichtelijk te maken hoe in het bedrijf met dergelijke zaken wordt omgegaan (tweede lid, aanhef en onder h).
Vanwege de aard van de dienstverlening en de branche dient de exploitant er in ieder geval zorg voor te dragen dat degene die als beheerder werkzaam is, kan omgaan met agressieve klanten (tweede lid, aanhef en onder j).
Het doel van hoofdstuk 3 ‘Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.’ is onder meer onvrijwillig sekswerk te bestrijden. Als een sekswerker nauwelijks zelfredzaam is, geen Nederlands of Engels spreekt of bijvoorbeeld niet makkelijk geld kan wisselen, omdat diegene niet kan rekenen, is moeilijk voor te stellen dat diegene vrijwillig voor sekswerk heeft gekozen. De exploitant kan zich met eenvoudige middelen hiervan een beeld vormen. In het bedrijfsplan moet worden vastgelegd welke vereisten de exploitant minimaal stelt aan de zelfredzaamheid van de in het bedrijf werkzame sekswerkers en hoe dit wordt gecontroleerd (tweede lid, aanhef en onder k). In dat kader is het ook onderdeel van een deugdelijke bedrijfsvoering om als exploitant periodiek een gesprek te voeren en daarbij vooral te letten op signalen van uitbuiting of onvrijwilligheid. Sekswerkers moeten in dat kader ook steeds over hun rechten geïnformeerd worden. Het is aan de exploitant om ook informatie van hulpverlenende instanties beschikbaar te stellen (tweede lid, aanhef en onder m). Ook informatie over de mogelijkheden om met het werk als sekswerker te stoppen moet door de exploitant beschikbaar worden gesteld (tweede lid, aanhef en onder n).
Het bedrijfsplan dient bij de aanvraag om een vergunning overgelegd te worden, zodat het op dat moment getoetst kan worden (derde lid). Als een exploitant nadien een wijziging wenst door te voeren in zijn bedrijfsplan, dan dient deze ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegde bestuursorgaan (vierde lid).
Paragraaf 3 Overige bepalingen
Raamsekswerk is – evenals straatsekswerk – gezien de specifieke omstandigheden waaronder sekswerkers werkzaam zijn in deze sector bij uitstek een vorm van sekswerk die nadere regulering behoeft. Ten aanzien van raamsekswerk gelden daarom aanvullende eisen. Het is de sekswerker verboden die handelingen te verrichten die gewoonlijk worden geassocieerd met raamsekswerk (eerste lid), tenzij de sekswerker werkzaam is in een seksinrichting die valt onder een raamsekswerkbedrijf waarvoor een vergunning is verleend (tweede lid). Voor het raamsekswerkbedrijf geldt verder dat er ook voldaan dient te worden aan de regels die gesteld zijn met betrekking tot seksbedrijven.
Artikel 3.3.3.2 Straatsekswerk
Dit artikel bevat regels inzake straatsekswerk. Voorheen verbood dit artikel straatsekswerk, tenzij het plaatsvond op de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college hiertoe had aangewezen. Bij een wijziging van dit artikel in juli 2003 werd een vergunningenstelsel geïntroduceerd. Slechts sekswerkers die in het bezit zijn van een daartoe geldende vergunning wordt toegestaan op de wegen/gebieden zoals hierboven genoemd hun beroep uit te oefenen.
Het eerste lid van dit artikel geeft een omschrijving van het begrip straatsekswerk. Het bevat een verbod op gedragingen waarmee iemand in het openbaar tot prostitutie kan worden bewogen, uitgenodigd dan wel aangelokt. Volgens de tekst van het eerste lid in combinatie met het tweede lid is straatsekswerk toegestaan op door het college aangewezen wegen en gebieden gedurende door het college vastgestelde tijden indien de sekswerker beschikt over een vergunning van het college. De vergunningplicht heeft ten doel het straatsekswerk op de tippelzone nader te reguleren teneinde overlast op en rondom de zone te bestrijden en de veiligheid voor een ieder die zich op of rondom de zone bevindt te bevorderen.
In het vijfde lid worden de belangen genoemd die de grondslag vormen voor de uitoefening van de bevoegdheden die het college ter zake toekomen. Enerzijds vormen zij de basis op grond waarvan een vergunning kan worden geweigerd, anderzijds moeten zij worden beschouwd als de grondslag waarop beleid kan worden geformuleerd ter regulering, maximering en beheersing van het fenomeen straatsekswerk. In het beleid zal in ieder geval worden vastgelegd dat bij de invoering van deze bepaling met voorrang vergunningen zullen worden verleend aan sekswerkers die op een vooraf vastgestelde peildatum bij politie en de hulpverleningsinstanties bekend zijn als zijnde structureel werkzaam op de tippelzone. Genoemde belangen kunnen tevens een grondslag vormen om het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum te verbinden.
Artikel 3.3.3.3 Handhaving straatsekswerk
Het eerste lid heeft betrekking op straatsekswerk buiten de daartoe aangewezen gebieden en tijden en geeft – ter handhaving van het verbod daarop – politieambtenaren en toezichthouders de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke verwijdering te geven.
Het tweede tot en met vierde lid hebben betrekking op straatsekswerk binnen de daartoe aangewezen gebieden en tijden. Op grond van het tweede lid kan, bijvoorbeeld in het belang van de openbare orde en veiligheid of de voorkoming of beperking van overlast ter plaatse, door politieambtenaren en toezichthouders een bevel tot onmiddellijke verwijdering worden gegeven aan straatsekswerkers, maar ook aan andere aldaar aanwezige personen. Als dit mondelinge bevel tot verwijdering geen soelaas blijkt te bieden, kan naar het middel van de schriftelijke gebiedsontzegging van het derde lid worden gegrepen. Een gebiedsontzegging behelst een bevel om zich na aanzegging door of vanwege de burgemeester niet te bevinden op de aangewezen wegen. Het vierde lid geeft de burgemeester de bevoegdheid om, wanneer hij dat noodzakelijk acht in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene, het bevel te beperken. Hierbij zal rekening gehouden worden met (de noodzaak) zich in het aangewezen gebied te bevinden in een middel van openbaar vervoer, het aldaar werkzaam en/of woonachtig zijn, een (ander) aantoonbaar redelijk belang om zich aldaar op te houden, staatkundige en religieuze vrijheid en familieleven. Artikel 172a, achtste en negende lid, van de Gemeentewet, voorzien in tijdelijke ontheffing op aanvraag of wijziging van het bevel ten gunste van de betrokkene als nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Overtreding van bevel tot onmiddellijke verwijdering of een gebiedsontzegging is een overtreding van een ambtelijk bevel (artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht). Gevolg is dat de overtreder kan worden geconfronteerd met een gevangenisstraf tot drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.
De omschrijving van het begrip ‘sekswinkel’ is ontleend aan artikel 1 van de Winkeltijdenwet. Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van goederen van erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden aangemerkt. Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van toepassing. Een sekswinkel is geen ‘seksbedrijf’ als hierboven omschreven; de exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3.2.1, eerste lid. Indien het echter een sekswinkel betreft waar ook seksuele handelingen worden verricht, dient er een vergunning voor een seksbedrijf, ingevolge het bepaalde in deze paragraaf te worden aangevraagd.
Artikel 3.3.3.5 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
Dit voorschrift schept een verbod dat slechts in effect kracht heeft ten aanzien van nader door de burgemeester te bepalen rechthebbenden en voor zover de burgemeester aan die rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt. Het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, voor zover die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet valt niet binnen de reikwijdte van het verbod.
Hoewel denkbaar is dat dit voorschrift in de praktijk vooral zal worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het tentoonstellen en dergelijke als zodanig; het kan dus ook gaan om erotisch-pornografische foto’s of afbeeldingen aangebracht aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de voorstellingen.
Artikel 3.3.3.6 Beëindiging exploitatie
Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft beëindigd en/of heeft overgedragen aan een rechtsopvolger. In het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de exploitatie van rechtswege komt te vervallen. Het bevoegde bestuursorgaan heeft er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet worden kennisgegeven.
Artikel 3.3.3.7 Wijziging beheer
Het bevoegde bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege vervallen van de vergunning. Denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de exploitant zelf.
Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de betrokken beheerder(s) wenst te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in dat geval dat de exploitant het bevoegde bestuursorgaan verzoekt om, zoals is voorgeschreven in artikel 3.2.4 vierde lid, aanhef en onder e, de nieuwe beheerder(s) te vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.”
II. Overgangsbepaling voor bestaande exploitanten
Ten aanzien van een exploitant aan wie voor inwerkingtreding van deze bepaling reeds een vergunning was verleend, geldt dat na deze datum nog eenmalig – mits de aanvraag voldoet aan de eisen voor een vergunning en zich geen weigeringsgronden voordoen die voor de datum van inwerkingtreding van deze bepaling golden – een vergunning voor de duur van acht jaar zal worden verleend.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-351979.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.