Gemeenteblad van Ede
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ede | Gemeenteblad 2026, 350324 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ede | Gemeenteblad 2026, 350324 | beleidsregel |
Instructie voor de Leerplichtambtenaar Ede 2026
De leerplichtambtenaar draagt zorg voor het bevorderen van preventie van schoolverzuim door het tijdig en proactief verstrekken van informatie aan leerlingen, ouders en betrokken instellingen. Deze informatievoorziening vindt onder meer plaats via digitale kanalen, schoolgidsen, brochures en het beantwoorden van vragen.
De leerplichtambtenaar draagt zorg voor periodieke afstemming met scholen of instellingen binnen het werkgebied. Daarbij worden scholen of instellingen geïnformeerd over de werkzaamheden van de leerplichtfunctie, afspraken over het melden en opvolgen van verzuim en eventuele ontwikkelingen in wet- en regelgeving.
De leerplichtambtenaar draagt zorg voor afstemming en samenwerking met relevante ketenpartners, waaronder scholen of instellingen en zorginstanties. Indien sprake is van complexe problematiek kan, met inachtneming van de geldende privacyregelgeving en met toestemming van ouders dan wel van de jongere van zestien jaar of ouder, overleg plaatsvinden in multidisciplinair verband over de noodzakelijke aanpak en taakverdeling.
Artikel 3. Leerlingenadministratie en absoluut verzuim
In de leerlingenadministratie worden persoonsgegevens opgenomen van jongeren die als ingezetene in de basisregistratie personen zijn ingeschreven en voor wie op grond van de wet een verplichting tot schoolinschrijving geldt (5 t/m 17 jaar). De bewaartermijn van de gegevens is conform de selectielijsten van de Archiefwet 1995, de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) en de Wet politiegegevens (hierna: Wpg). Indien er geen bewaartermijn is aangegeven stelt de gemeente zelf een redelijk bewaartermijn.
De administratief medewerker controleert periodiek of leerplichtige en kwalificatieplichtige jongeren staan ingeschreven bij een school of instelling. Indien er aanwijzingen zijn dat een jongere niet staat ingeschreven, wordt nader onderzoek verricht en zo nodig contact opgenomen met de ouders en de laatst bekende school van inschrijving. Indien geen geldige inschrijving wordt vastgesteld, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 8 van deze instructie.
Indien een jongere jonger dan 18 jaar en zonder startkwalificatie wordt uitgeschreven van een school, dient daar een aansluitende inschrijving bij een andere school of instelling dan wel een vrijstelling van inschrijving tegenover te staan. Indien deze registratie niet sluitend is, wordt nader onderzoek verricht naar de schoolinschrijving van de jongere, waarbij zo nodig contact wordt opgenomen met de betrokken school en de ouders.
Artikel 5. Verlof wegens andere gewichtige omstandigheden
De leerplichtambtenaar bevestigt de ontvangst van een aanvraag zo spoedig mogelijk aan de ouders en vermeldt daarbij de termijn waarbinnen een besluit wordt genomen. Indien de periode tussen de ontvangst van de aanvraag en de datum waarop het gevraagde verlof ingaat korter is dan de termijn die redelijkerwijs nodig is om een besluit te nemen, wijst de leerplichtambtenaar de ouders erop dat zij de wet kunnen overtreden indien zij, terwijl de aanvraag nog niet of niet volledig is gehonoreerd, desondanks gebruikmaken van het aangevraagde verlof. Indien de aanvraag betrekking heeft op verlof voor ten hoogste tien schooldagen:
De leerplichtambtenaar kan de directeur, van de school of instelling, op diens verzoek adviseren over de behandeling en beoordeling van een aanvraag om verlof wegens andere gewichtige omstandigheden voor ten hoogste tien schooldagen als bedoeld in artikel 11, onderdeel g, van de wet. Indien een dergelijk advies wordt gegeven deelt de directeur de beslissing op de aanvraag mee aan de leerplichtambtenaar.
De leerplichtambtenaar kan de directeuren van de betrokken scholen of instellingen gevraagd of ongevraagd adviseren over het te voeren beleid met betrekking tot aanvragen voor verlof wegens andere gewichtige omstandigheden voor ten hoogste tien schooldagen als bedoeld in artikel 11, onderdeel g, van de wet, met het oog op het bevorderen van rechtsgelijkheid.
Artikel 6. Behandeling melding relatief verzuim
Indien uit het onderzoek blijkt dat geen sprake is van een vrijstelling en sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de ouders of van een jongere van zestien jaar of ouder in strijd met artikel 2, eerste lid, van de wet, kan de leerplichtambtenaar, overeenkomstig artikel 18 van deze instructie, een melding doen aan de SVB. Indien de leerplichtambtenaar voornemens is een dergelijke melding te doen:
Indien uit het onderzoek blijkt dat geen sprake is van een vrijstelling en sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van een jongere die tevens voldoet aan de criteria voor verwijzing naar Halt in verband met overtreding van artikel 2, derde lid, van de wet, kan de leerplichtambtenaar die tevens bevoegd is als buitengewoon opsporingsambtenaar besluiten tot een verwijzing naar Halt. Daartoe doorloopt hij de stappen 1 tot en met 9 van de route Halt-interventie schoolverzuim in de MAS.
Indien uit het onderzoek blijkt dat geen sprake is van een vrijstelling en dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de ouders of van een jongere van twaalf jaar of ouder, en verwijzing naar Halt niet aan de orde is , maakt de leerplichtambtenaar die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is een proces-verbaal op wegens overtreding van artikel 2, eerste en derde lid, van de wet. Daartoe:
Indien de leerplichtambtenaar kennisneemt van schoolverzuim waarvan geen melding is gedaan door de directeur, stelt hij een onderzoek in naar de reden van het niet melden. Indien blijkt dat de directeur onwillig of nalatig is in het nakomen van deze verplichting kan de leerplichtambtenaar hiervan een signaal afgeven aan de Inspectie van het Onderwijs.
Artikel 7. Onderzoek naar absoluut verzuim
Indien blijkt dat een leerplichtige of kwalificatieplichtige jongere niet als leerling is ingeschreven zonder dat daarvoor een grond of vrijstelling aanwezig is, stelt de leerplichtambtenaar onverwijld een onderzoek in, doch uiterlijk binnen vijf werkdagen, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de wet. In dat kader:
Indien niet blijkt dat sprake is van een administratieve onvolkomenheid, zoekt de leerplichtambtenaar onverwijld, doch uiterlijk binnen vijf werkdagen, contact met de ouders en stelt hen in de gelegenheid een toelichting te geven op het uitblijven van een inschrijving van de jongere, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de wet. De leerplichtambtenaar kan de ouders uitnodigen voor een gesprek.
Indien in het gesprek met de ouders wordt vastgesteld dat de jongere moet worden ingeschreven of dat een andere maatregel moet worden genomen om het absolute verzuim te beëindigen, controleert de leerplichtambtenaar binnen vijf werkdagen of aan deze verplichting gevolg is gegeven, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de wet. Indien aan het advies:
Artikel 7a. Melding mbo-student zonder startkwalificatie
Indien een melding wordt gedaan dat een mbo-student wordt uitgeschreven zonder dat deze een startkwalificatie heeft behaald en de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, onderzoekt de leerplichtambtenaar de situatie van de jongere, overeenkomstig artikel 4a van de wet. In dat kader:
Artikel 8. Kennisgeving in- en uitschrijvingen en (dreigend) voortijdig schoolverlaten
Indien de leerplichtambtenaar kennisneemt van verwijdering van een jongere zonder dat daarvan overeenkomstig de wettelijke bepalingen melding is gedaan, stelt hij een onderzoek in naar de oorzaak hiervan, overeenkomstig artikel 18, eerste lid, van de wet. Indien blijkt dat de directeur onwillig of nalatig is in het nakomen van deze verplichting:
De leerplichtambtenaar kan op verzoek van een directeur advies geven over de aanpak ter voorkoming van verwijdering van een bij de school ingeschreven jongere, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de wet. Indien de leerplichtambtenaar een dergelijk advies geeft, deelt de directeur aan de leerplichtambtenaar mee op welke wijze hij met het advies omgaat.
Artikel 9. Vervangende leerplicht
Artikel 10. Vrijstelling van leerplicht wegens het volgen van ander onderwijs
Artikel 11. Vrijstelling van de inschrijfplicht
Indien de kennisgeving betrekking heeft op de vrijstellingsgrond bedoeld in artikel 5, onderdeel a, van de wet, draagt de leerplichtambtenaar zorg voor dat een door de gemeente aangewezen deskundige de jongere onderzoekt en een schriftelijke verklaring afgeeft over de geschiktheid van de jongere voor het onderwijs. In dat kader:
Indien de kennisgeving betrekking heeft op de grond bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de wet, onderzoekt de leerplichtambtenaar de bij de kennisgeving overgelegde bescheiden. In dat kader:
wanneer binnen redelijke afstand van de woning openbaar onderwijs beschikbaar is, ligt het niet voor de hand dat een beroep op artikel 5 onder b van de wet slaagt. Uitgangspunt is immers, dat het openbaar onderwijs in Nederland voldoet aan het criterium dat onderwijs van godsdienstige, levensbeschouwelijke of maatschappelijke aard plaatsvindt op een objectieve, kritische en pluralistische wijze;
Indien de kennisgeving niet voldoet aan de wettelijke eisen, stelt de leerplichtambtenaar de ouders in de gelegenheid de jongere alsnog in te schrijven op een school of instelling binnen een redelijke termijn van doorgaans ten hoogste twintig werkdagen. Indien de kennisgeving voldoet aan de wettelijke eisen:
Artikel 12. Vaststelling of een onderwijsvoorziening als school in de zin van de Leerplichtwet kan worden aangemerkt
Artikel 13. Aanwijzing deskundige
De leerplichtambtenaar draagt zorg voor de aanwijzing door het college van een arts, pedagoog of psycholoog als deskundige die een verklaring afgeeft over de geschiktheid van een jongere voor toelating tot een school of instelling. Met de deskundige maakt hij afspraken over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd en een schriftelijke verklaring wordt opgesteld, overeenkomstig artikel 7 van de wet.
Artikel 16. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
De leerplichtambtenaar past bij signalen of vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toe. Daarbij wordt gewerkt volgens de vijf stappen van de meldcode zoals vastgelegd in het geldende afwegingskader voor onderwijs, leerplicht en het Doorstroompunt1.
Artikel 17. Melding aan de inspectiedienst van het Ministerie van SZW
De leerplichtambtenaar draagt zorg voor een adequate informatieverstrekking aan het districtshoofd van de Arbeidsinspectie van het Ministerie van SZW, met betrekking tot:
Artikel 18. Melding aan de Sociale Verzekeringsbank
De leerplichtambtenaar kan een melding doen bij de SVB indien sprake is van ongeoorloofd verzuim door een jongere van zestien of zeventien jaar zonder startkwalificatie. Onder ongeoorloofd verzuim wordt verstaan: verzuim van ten minste zestien uur binnen vier aaneengesloten weken of het ontbreken van een schoolinschrijving, tenzij een vrijstelling van toepassing is.
Artikel 20. Jaarverslag Leerplicht
De leerplichtambtenaar legt jaarlijks verantwoording af aan de gemeenteraad over het gevoerde beleid inzake leerplicht en kwalificatieplicht en de behaalde resultaten. Hij draagt er zorg voor dat de gegevens over de omvang en behandeling van schoolverzuim uiterlijk vóór 1 oktober na afloop van het schooljaar beschikbaar zijn voor de minister.
Artikel 21. Samenwerking in de regio inzake leerplicht
De leerplichtambtenaar voert periodiek, ten minste driemaal per jaar, overleg met medewerkers leerplicht van de omliggende gemeenten en/of Doorstroomregio over de uitvoering van de taken op grond van de wet en het terugdringen van voortijdig schoolverlaten. Indien nodig neemt hij het initiatief tot het organiseren van dit overleg.
Artikel 22. Regionaal programma ter voorkoming voortijdig schoolverlaten
De leerplichtambtenaar levert namens het college een actieve bijdrage aan de uitvoering van wettelijke taken en het beleid in het kader van het Doorstroompunt en aan het aanvullende regionale programma ter bestrijding en voorkoming van voortijdig schoolverlaten van jongeren tussen twaalf en zevenentwintig jaar.
Vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders d.d. 14 juli 2026, zaaknummer 510246.
Het college voornoemd
drs. M. Schlebusch
de secretaris
mr. L.J. Verhulst
de burgemeester
Bijlage 1. Diensten en instellingen waarmee wordt samengewerkt2
De leerplichtambtenaar voert, zo vaak als dit nodig is voor de uitoefening van zijn taak noodzakelijk is, overleg met de volgende diensten en instellingen:
Rijksoverheid en landelijke uitvoeringsorganisaties
Gemeenten en regionale partners
Zorg- en hulpverleningsinstellingen
De leerplichtambtenaar raadpleegt zo nodig de sociale kaart van de gemeente.
Toelichting op de Instructie leerplichtambtenaar
1. Toelichting op de instructie
Op grond van artikel 16, vierde lid, van de Leerplichtwet is het college gehouden een instructie vast te stellen voor de leerplichtambtenaar. In deze instructie wordt vastgelegd op welke wijze de aan de gemeente opgedragen wettelijke taken worden uitgevoerd. Tevens wordt aangegeven op welke manier overleg plaatsvindt met leerplichtambtenaren uit omliggende gemeenten en met welke instanties samenwerking noodzakelijk is voor een effectieve uitvoering van de leerplichttaken. Deze instructie draagt eraan bij dat de uitvoering van de leerplicht het karakter behoudt van een vorm van maatschappelijke zorg.
Bij de herziening van deze instructie is ervoor gekozen de functie van het Doorstroompunt niet in de ambtsinstructie op te nemen. In het begin van 2026 is onderzocht in hoeverre de nieuwe taken en samenwerkingsafspraken rond Doorstroompunten geïntegreerd konden worden in de ambtsinstructie van de leerplichtambtenaar. De praktijk leerde echter dat een gecombineerde instructie voor beide domeinen onvoldoende recht deed aan de inhoud en doelstelling van het Doorstroompunt, terwijl het tevens afbreuk deed aan de focus, helderheid en wettelijke grondslag van de leerplichtfunctie. Daarom is besloten de ambtsinstructie nadrukkelijk als een zelfstandige leerplichtinstructie te positioneren.
Een belangrijk uitgangspunt daarbij is het karakter van een ambtsinstructie. Deze regelt hoe een ambtenaar zijn wettelijke taken en bevoegdheden uitoefent. Voor de leerplichtambtenaar is dit logisch en verplicht, gezien de formele bevoegdheden die direct uit de Leerplichtwet voortvloeien. Voor het Doorstroompunt geldt geen wettelijke instructieplicht en beschikt de functie evenmin over vergelijkbare formele bevoegdheden. De taken van het Doorstroompunt beginnen bovendien pas wanneer een jongere niet langer leerplichtig is, wat opname in dezelfde ambtsinstructie minder passend en potentieel verwarrend maakt.
Daarnaast schrijft de Wet van school naar duurzaam werk expliciet voor dat Doorstroompunten zélf beleid vaststellen over de uitvoering van hun taken. Voor de beschrijving van de rol, werkwijze en samenwerking van Doorstroompunten is een beleidsdocument daarom zuiverder en meer in lijn met de wettelijke systematiek dan een ambtsinstructie. Om die reden wordt in deze instructie uitsluitend de leerplichtfunctie behandeld. Regio’s blijven vrij om zelfstandig een aanvullend document op te stellen waarin de verbinding met het Doorstroompunt verder wordt uitgewerkt. Gezien de doorlopende leerlijn en de gezamenlijke verantwoordelijkheid om voortijdig schoolverlaten terug te dringen, blijft nauwe afstemming tussen leerplicht en Doorstroompunt noodzakelijk.
De instructie is opgesteld om de gewenste werkwijze bij het toezicht op de naleving van de leerplicht en de uitvoering van het verplichte beleid rondom voortijdig schoolverlaten zo helder en regionaal passend mogelijk vast te leggen. De instructie dient daarom steeds in samenhang te worden gelezen met de relevante wetgeving. Naast de Leerplichtwet en de onderwijswetten betreft dit onder meer de Awb, het Wetboek van Strafrecht, de AVG de Wpg. Ook de MAS is een leidend document dat gelijktijdig met deze instructie moet worden toegepast.
In deze instructie wordt uitgegaan van de situatie waarin de leerplichtambtenaar beschikt over de benodigde bevoegdheden als buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA).
Leeswijzer: de nummering van de artikelen in deze instructie komen niet overeen met de artikelen in de Leerplichtwet. Bij ieder artikel is daarom aangegeven met welke wettelijke bepalingen het artikel samenhangt, zodat de instructie in de juiste juridische context kan worden geplaatst.
Binnen het totale takenpakket van leerplicht zijn werkzaamheden te onderscheiden van uiteenlopend niveau en complexiteit. Deze werkzaamheden worden doorgaans verdeeld over twee functies: de leerplichtambtenaar en de administratief medewerker.
Mandaat houdt in dat een bevoegd bestuursorgaan een ander opdraagt om in zijn naam besluiten te nemen. In dit geval kunnen burgemeester en wethouders rechtstreeks mandaat verlenen aan de leerplichtambtenaar. Dit betekent dat de leerplichtambtenaar namens het college beslist binnen de hem verleende bevoegdheden.
In deze instructie is ervan uitgegaan dat aan de leerplichtambtenaar mandaat is verleend tot het nemen van de volgende besluiten van de Leerplichtwet:
Artikel 16, eerste lid, van de Leerplichtwet bepaalt: ‘Het toezicht op de naleving van deze wet anders dan door de hoofden is opgedragen aan burgemeester en wethouders. Zij wijzen daartoe een of meerdere ambtenaren aan.’ Het tweede lid bepaalt dat deze ambtenaren voorafgaand aan de functievervulling de wettelijk vastgestelde eed of belofte afleggen. De formulering daarvan is opgenomen in artikel 9 van de Leerplichtregeling 1995.
Door deze aanwijzing is de leerplichtambtenaar een toezichthouder in de zin van artikel 5:11 van de Awb: ‘een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.’
De Awb kent specifieke bepalingen toe aan toezichthouders. Voor de leerplichtambtenaar gaat het om onder andere de volgende bevoegdheden:
In meerdere artikelen van de instructie zijn termijnen opgenomen met het oog op een voortvarende en zorgvuldige uitvoering van de werkzaamheden. Waar termijnen rechtstreeks voortvloeien uit wetgeving, wordt dit toegelicht in de artikelsgewijze toelichting. De overige termijnen hebben het karakter van termijnen van orde.
In artikel 6, negende lid, van de instructie is de mogelijkheid opgenomen dat de leerplichtambtenaar het college kan voorstellen een last onder dwangsom op te leggen. Dit bestuursrechtelijke handhavingsinstrument wordt binnen het leerplichtdomein nog relatief weinig toegepast, maar uit jurisprudentie is wel gebleken dat de bevoegdheid daartoe bestaat.
Op grond van artikel 125 Gemeentewet is het college bevoegd tot toepassing van bestuursdwang, aangezien het belast is met de handhaving van de Leerplichtwet. Op basis van artikel 5:32a Awb beschikt het college daarmee ook over de bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen.
Deze maatregel kan in bepaalde situaties effectiever zijn dan strafrechtelijk optreden (zoals het opmaken van proces-verbaal), vooral wanneer voor voortzetting van de overtreding, dan wel herhaling daarvan, gevreesd moet worden. Strafrecht richt zich namelijk op bestraffing van de overtreding, terwijl bestuursrechtelijke maatregelen zijn gericht op het beëindigen of voorkomen van voortduring of herhaling van de overtreding. Bij leerplicht gaat het vaak om zogenaamde duurovertredingen: situaties waarin iedere dag dat het verzuim voortduurt, de overtreding voortzet.
Daarom kan een last onder dwangsom bij absoluut of ernstig relatief verzuim (zoals luxe verzuim) Een passend middel zijn. In beginsel kunnen het strafrechtelijke en het bestuursrechtelijke optreden naast elkaar bestaan.
De hoogte van de dwangsom moet, conform artikel 5:32b, derde lid, Awb, in redelijke verhouding Staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking. Wanneer de overtreder onvoldoende draagkracht heeft, kan het instrument beperkt effectief zijn.
Omdat de toepassing van bestuursrechtelijke handhaving binnen de leerplichtpraktijk nog beperkt is en ingrijpend kan zijn, is ervoor gekozen om geen mandaat te verlenen voor het opleggen van een last onder dwangsom. Het college blijft hiervoor zelf bevoegd. Besluiten over last onder dwangsom vallen onder de algemene rechtsbescherming van de Awb.
2. Artikelsgewijze toelichting
2.1 Toelichting artikel 1 (begripsbepaling)
In dit artikel zijn enkele begrippen opgenomen die niet letterlijk in de Leerplichtwet zijn gedefinieerd, maar binnen de uitvoering van de leerplichttaak noodzakelijk zijn voor een eenduidige interpretatie.
2.2. Toelichting artikel 2 (preventie)
Voorkomen is beter dan genezen. Daarom zijn in dit artikel een aantal proactieve informatie-instrumenten genoemd. In lid 4 en lid 5 wordt ingegaan op de afstemming tussen de diverse disciplines. Vooral de ketenpartners spelen bij de preventie een belangrijke rol. Met de invoering van de MAS in 2017 (en geactualiseerd in maart 2025) geldt het principe pas toe of leg uit. De MAS vormt het uitgangspunt voor de aanpak van schoolverzuim.
2.3 Toelichting artikel 3 (leerlingenadministratie en absoluut verzuim)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 19 van de wet en artikel 3 van de Leerplichtregeling 1995]
Artikel 3, lid 2: Er is gekozen voor een systeem waarbij alle jongeren waarmee de leerplichtambtenaar in een schooljaar te maken kan krijgen, vanaf het begin van het schooljaar in de leerlingenadministratie worden opgenomen. Dat geldt ook voor 4-jarigen, omdat deze kinderen gedurende het schooljaar vijf worden en voor het eerst bij een school worden ingeschreven. Hiermee worden kinderen die (nog) niet worden ingeschreven tijdig in beeld gebracht. Het is uiteraard ook mogelijk om de gegevens vanaf de geboorte op te nemen, in samenhang met monitoren van onderwijsachterstanden. De administratie omvat alle jongeren tot en met 17 jaar. Indien bekend is dat een jongere reeds een startkwalificatie heeft behaald, wordt een passende aantekening gemaakt.
Artikel 3, lid 3: Om te voorkomen dat jongeren door verhuizingen tussen wal en schip raken, is een sluitend en actueel systeem van tussentijdse mutaties noodzakelijk. Mutaties uit de BRP worden dagelijks verwerkt, zodat nieuwe inschrijvingen, uitschrijvingen en verhuizingen steeds actueel zijn. Indien een school een mutatiebericht inzake in- of uitschrijving verzendt, kan door de administratief medewerker tevens worden gecontroleerd of een verhuizing correct is doorgegeven. Op grond van artikel 4 en 5 van de Regeling Register Onderwijsdeelnemers melden scholen in- en uitschrijvingen binnen zeven dagen.
Artikel 3, lid 6: Onder scholen en instellingen worden alle onderwijsinstellingen verstaan waar jongeren uit de gemeente staan ingeschreven, zowel binnen als buiten de gemeente. De genoemde termijn van tien werkdagen betreft een termijn van orde (geen wettelijke basis). Bij verwijtbaar in gebreke blijven van een school of instelling, spreekt de leerplichtambtenaar de directeur aan en wordt hiervan een dossier opgebouwd. Indien de situatie niet verbetert, kan de leerplichtambtenaar hiervan melding doen bij de Inspectie van het Onderwijs (zie artikel 18 van de instructie). De strafbaarheid van de directeur van de school of instelling op dit punt is opgenomen in artikel 27 van de Leerplichtwet.
Voor een zorgvuldige uitvoering van de controle op inschrijving wordt er geadviseerd dat ouders bij een vermoeden van absoluut verzuim schriftelijk worden geïnformeerd en dat een duidelijke reactietermijn wordt gesteld. Een termijn van tien werkdagen wordt als redelijk en werkbaar beschouwd: deze biedt ouders voldoende tijd om te reageren en geeft de leerplichtambtenaar snel duidelijkheid over de inschrijfsituatie.
Wanneer ouders of de laatst bekende school melden dat wél sprake is van een geldige inschrijving, ligt het voor de hand deze informatie actief te controleren. Indien binnen de gestelde reactietermijn geen antwoord wordt ontvangen, kan een tweede bericht worden verstuurd om ouders nogmaals gelegenheid te bieden te reageren.
Indien daarna nog steeds geen geldige inschrijving kan worden vastgesteld, wordt de procedure voortgezet conform de stappen van absoluut verzuim. Gemeenten hebben beleidsvrijheid om zelf een passende reactietermijn vast te stellen.
Artikel 3, lid 7: De procedures bij in- en uitschrijving voor scholen moeten op elkaar worden afgestemd. In het primair onderwijs wordt een leerling ingeschreven op de eerste dag waarop hij of zij de school daadwerkelijk bezoekt en uitgeschreven op de laatste dag van feitelijke aanwezigheid, waarbij scholen de mogelijkheid hebben om binnen vier weken na uitschrijving de gegevens onderling af te stemmen (artikel 10 Besluit bekostiging WPO 2022. Voor het voortgezet onderwijs geldt dat een leerling meetelt wanneer hij of zij niet alleen staat ingeschreven, maar ook daadwerkelijk onderwijs volgt en niet meer dan 50% zonder geldige reden afwezig is geweest in de periode van de start van het schooljaar tot 1 oktober (dit wijzigt met de invoering van de Wet terugdringen verzuim). Vanuit leerplichtperspectief (artikel 10 Leerplichtwet) mag de oude school pas tot uitschrijving overgaan zodra een jongere op een nieuwe school is ingeschreven. In dit artikellid is aangegeven dat de administratief medewerker hier controle uitoefent en waar nodig in administratieve zin bemiddelend optreedt.
Artikel 3, lid 8: De Leerplichtregeling 1995 bepaalt dat de administratieve gegevens van een jongere aan de nieuwe woongemeente worden verstrekt (artikel 3, tweede lid). Dit betekent nadrukkelijk niet dat automatisch het gehele leerlingendossier wordt verzonden. Een warme overdracht tussen medewerkers leerplicht van beide gemeenten is wenselijk om relevante informatie zorgvuldig te delen. Gegevens die normaliter wél worden overgedragen, zijn strafrechtelijke veroordelingen (vanwege mogelijke recidive), recente meldingen van verzuim en verleende vrijstellingen die relevant kunnen zijn bij nieuwe meldingen.
2.4 Toelichting artikel 4 (leerlingendossier)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16 van de wet, in samenhang met de artikelen 2, 4a, 5 en 11 van die wet, en wordt toegepast met inachtneming van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de Wet politiegegevens]
Uitgangspunt is dat voor iedere leerling een afzonderlijk dossier wordt aangelegd zodra er sprake is van een vrijstelling of ongeoorloofd schoolverzuim. Voor het merendeel van de leerlingen wordt nooit een dergelijk dossier geopend en staan zij uitsluitend in de leerlingenadministratie geregistreerd ten behoeve van de controle op schoolinschrijvingen.
Het leerlingendossier bevat gegevens die onder een verzwaard beschermingsregime vallen. Het gebruik van deze gegevens wordt begrensd door de AVG en de Wpg. De kern van deze regelgeving bestaat uit de volgende beginselen:
Het servicedocument Delen van persoonsgegevens van onderwijs en zorg met arbeid biedt, via het Stappenplan informatie delen, een handvat voor de afweging of persoonsgegevens over een jongere mogen worden gedeeld en laat de toepasselijke kaders van de AVG en Wpg onverlet.
Met ingang van 1 januari 2019 is de Wet Politiegegevens (Wpg) volledig van toepassing op alle BOA’s.
Dit heeft gevolgen voor de wijze waarop politiegegevens worden verwerkt en verantwoord. De Wpg is specifieker en strenger dan de AVG: politiegegevens hebben eigen bewaartermijnen, mogen voor andere doelen worden verwerkt en mogen worden verzameld zonder toestemming van de betrokkene. Organisaties moeten bovendien technische en organisatorische maatregelen treffen, zoals het labelen van politiegegevens en het beperken van toegang tot medewerkers met een opsporingsbevoegdheid.
Grofweg geldt het volgende onderscheid:
2.5 Toelichting artikel 5 (verlof wegens andere gewichtige omstandigheden)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 11, onderdeel g, en artikel 14, derde lid, van de wet en wordt toegepast met inachtneming van de Algemene wet bestuursrecht]
Artikel 5 regelt de bevoegdheid van de leerplichtambtenaar om een besluit te nemen op aanvragen voor extra verlof wegens andere gewichtige omstandigheden wanneer deze betrekking hebben op een periode van meer dan tien schooldagen per schooljaar. Deze bevoegdheid is geattribueerd, wat betekent dat de wet deze rechtstreeks aan de leerplichtambtenaar toekent. De leerplichtambtenaar is in deze gevallen zelf bestuursorgaan in de zin van de Awb. Bij bezwaar beslist de leerplichtambtenaar daarom zelf op het bezwaar, na advies van de gemeentelijke bezwarencommissie. Het aantal van tien schooldagen kan worden bereikt door één aanvraag, maar ook door meerdere opeenvolgende aanvragen die gezamenlijk tot dit totaal leiden.
Artikel 5, lid 1: Voor het nemen van een besluit op een aanvraag kan geen vaste beslistermijn worden vastgesteld. De aard van de andere gewichtige omstandigheden kan met zich meebrengen dat een besluit zeer snel moet worden genomen. In andere gevallen is meer tijd nodig voor een zorgvuldige beoordeling. Op grond van artikel 4:13 lid 2 Awb geldt een redelijke termijn van maximaal acht weken. Indien binnen deze termijn geen besluit wordt genomen, kan de aanvrager een ingebrekestelling indienen, waarna een dwangsom kan ontstaan indien alsnog geen tijdig besluit volgt.3 Indien de betrokkenen zouden vertrekken voordat het besluit is genomen, dan moet de aanvraag wel verder behandeld worden, maar dient aan de ouders duidelijk gemaakt te worden dat de consequenties voor hun rekening zijn.
Artikel 5, lid 2: Op grond van artikel 4:5 Awb kan de leerplichtambtenaar een aanvraag die niet volledig is, buiten behandeling laten. Daaraan moet wel een hersteltermijn voorafgaan van ten minste één en ten hoogste drie weken. Dit betreft een termijn van orde (de wet stelt hiervoor geen vaste hersteltermijn). Het gebruik van een formulier waarop de ontbrekende onderdelen zijn aangekruist of omschreven, kan de procedure verduidelijken en versnellen.
Artikel 5, lid 3 onder a: Het is mogelijk gebruik te maken van een aanvraagformulier waarop zowel de ouders als de directeur hun toelichting kunnen geven.
Artikel 5, lid 3 onder c: Wanneer oudere leerlingen (12 jaar en ouder) zijn betrokken, kan het wenselijk zijn om de jongere zelf te horen, mede in het kader van hun toenemende zelfstandige rol.
Artikel 5, lid 3 onder d: Indien een andere belanghebbende, bijvoorbeeld een andere ouder, naar verwachting bezwaren zal uiten, kan deze worden gehoord. Dit volgt uit artikel 4:8 Awb.
Artikel 5, lid 3 onder e: In dit onderdeel is verduidelijkt dat vooraf helder moet zijn waar zienswijzen kunnen worden gegeven. Dit voorkomt misverstanden. Hoewel gesprekken meestal op het gemeentehuis plaatsvinden, kan het soms efficiënter zijn een gesprek op school te plannen. De leerplichtambtenaar waarborgt daarbij steeds zijn eigen veiligheid, mede gezien de gevoeligheid van dit type besluiten.
Artikel 5, lid 5: Artikel 11, onderdeel g, van de Leerplichtwet biedt de mogelijkheid om extra verlof te verlenen wegens andere gewichtige omstandigheden. Artikel 14 van de Leerplichtwet werkt deze bevoegdheid verder uit. Het gaat om uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden die buiten de wil of invloedssfeer van ouders of leerling liggen, zoals medische of sociale indicaties.4
In die gevallen is een verklaring van een (jeugd)arts van de GGD of een sociale instantie vereist.
Artikel 5, lid 6: Voor aanvragen tot ten hoogste tien schooldagen ligt de bevoegdheid bij de directeur van de school of instelling. De leerplichtambtenaar kan adviseren, mede met het oog op rechtsgelijkheid tussen scholen. Hierbij worden doorgaans de volgende richtlijnen gehanteerd:5
Artikel 5, lid 7: Dit lid ziet op de bevoegdheid van directeuren. Met het oog op rechtsgelijkheid van ouders is het van belang om tot afstemming van het gebruik van deze bevoegdheid te komen. Op basis van een advies kunnen de directeuren elk hun eigen beleidsregels vaststellen voor toepassing van artikel 11 onder g van de Leerplichtwet (verlof wegens andere gewichtige omstandigheden voor ten hoogste 10 schooldagen).
Artikel 5, lid 8: Bij een ingediend bezwaar wint de leerplichtambtenaar advies in van de bezwaarschriftencommissie om te komen tot een zorgvuldig en evenwichtig besluit.
2.6 Toelichting artikel 6 (behandeling melding relatief verzuim)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 2, eerste en derde lid, 4a, 21a, en 22, van de wet]
Artikel 6 beschrijft de werkwijze van de leerplichtambtenaar bij de behandeling van meldingen van relatief verzuim. Relatief verzuim betekent dat een leerling, na inschrijving, de school niet geregeld bezoekt. Voor leerplichtige jongeren volgt dit uit artikel 2, eerste en derde lid, van de Leerplichtwet. Voor kwalificatieplichtige jongeren volgt dit uit artikel 4a en 4c, eerste lid, van de Leerplichtwet, waarin is bepaald dat een jongere het volledige onderwijsprogramma of een combinatie van leren en werken moet volgen die een volledige school- of werkweek vult.
De wettelijke meldplicht voor scholen is uitgewerkt in artikel 21a van de Leerplichtwet: wanneer zonder geldige reden gedurende vier opeenvolgende lesweken minimaal zestien uur les- of praktijktijd wordt verzuimd, moet het hoofd van de school hiervan melding doen via het ROD van DUO. Voor het mbo en de BBL-opleiding geldt daarbij dat alleen lestijd meetelt. Voor de BOL-opleiding geldt dat stage ook als lestijd meetelt. Artikel 22 van de Leerplichtwet verplicht vervolgens dat de leerplichtambtenaar ‘vanwege burgemeester en wethouders’ een onderzoek instelt naar aanleiding van deze melding.
De instructie beschrijft de stappen die de leerplichtambtenaar doorgaans volgt bij dit onderzoek. De praktijk kent echter veel variatie. Daarom blijft afwijking van deze werkwijze mogelijk, mits de leerplichtambtenaar deze afwijking zorgvuldig motiveert en vastlegt in het leerlingendossier.
Artikel 6, lid 2: De leerplichtambtenaar moet alle betrokkenen informeren over de procedure van het onderzoek en over de mogelijke consequenties van hun gedrag.
Artikel 6, lid 2, onder h: De leerplichtambtenaar kan ook via andere wegen dan het ROD op de hoogte raken van relatief verzuim, bijvoorbeeld via signalen van ketenpartners, zorginstanties of observaties in het veld. Dit artikellid beschrijft welke stappen de leerplichtambtenaar dan moet zetten. Lid 9 bevat de mogelijke maatregelen wanneer blijkt dat een school herhaaldelijk en verwijtbaar geen melding doet van verzuim dat wel meldingsplichtig is.
Artikel 6, lid 5: De formulering van dit lid sluit aan bij de redelijke praktijk zoals bedoeld in artikel 22 van de Leerplichtwet. Hoewel de wet stelt dat bij verwijtbaar verzuim ‘proces-verbaal wordt gezonden’, geeft de instructie ruimte voor een schriftelijke waarschuwing in gevallen waarin:
In dergelijke situaties kan met een serieuze waarschuwing vaak al het beoogde effect bereikt worden.
Artikel 6, lid 6: Wanneer sprake is van verwijtbaar in gebreke blijven van ouders of van een jongere van zestien jaar of ouder, kan de leerplichtambtenaar een melding doen aan de SVB. Deze melding kan ertoe leiden dat de kinderbijslag wordt stopgezet. De nadere uitwerking van deze procedure staat in artikel 18 van de instructie.
Artikel 6, lid 7: Wanneer sprake is van verwijtbaar in gebreke blijven (zonder verdere problematiek) van de kant van een jongere van 12 tot 18 jaar, dan dient daartegen te worden opgetreden. Dat kan door het opmaken van een Halt-verwijzing door een leerplichtambtenaar met BOA-bevoegdheid. De jongere en de ouders (bij een jongere tot 16 jaar) dienen voor deze verwijzing toestemming te verlenen. Het betreft hier minder zware problematiek. De jongere voorkomt op deze wijze aan een strafblad na zijn 18de verjaardag, wanneer de Haltstraf positief wordt afgerond.
Artikel 6, lid 8: Indien een opgelegde Halt-interventie niet naar behoren wordt uitgevoerd, of wanneer sprake is van verwijtbaar gedrag van ouders of jongeren vanaf twaalf jaar, kan de leerplichtambtenaar alsnog een proces-verbaal opmaken. Bij een mislukte Halt-interventie vindt overleg met het Openbaar Ministerie plaats voordat tot proces-verbaal wordt overgegaan.
In artikel 6, lid 9: In gevallen waarin ouders hardnekkig de schoolbezoekplicht overtreden, kan de leerplichtambtenaar het collegevoorstel doen om een last onder dwangsom op te leggen.
Artikel 6, lid 11: De leerplichtambtenaar kan zowel in individuele gevallen als in algemene zin advies geven aan directeuren over het verzuimbeleid. Dit sluit aan bij artikel 21a, van de Leerplichtwet, waarin de grondslagen voor meldplicht zijn vastgelegd. Eerdere melding dan wettelijk verplicht is kan wenselijk zijn. Denk aan onduidelijke redenen voor afwezigheid zoals: (vage) ziekmelding, bepaalde verzuimpatronen bij jongeren of een situatie waarbij twijfel bestaat aan de effectiviteit van het beleid van de school.
Artikel 6, lid 12: Relatief verzuim is ongeoorloofd verzuim waarbij een leerling wel staat ingeschreven op een school, maar zonder geldige reden afwezig is tijdens les- of praktijktijd. Luxe verzuim is een vorm van relatief verzuim waarbij een leerling zonder toegekend verlof buiten de schoolvakanties op vakantie is gegaan. Luxe verzuim wordt zwaar gewogen. Conform de MAS kan een proces-verbaal worden opgemaakt bij verzuim van één dag of langer, of recidive, ongeacht de duur van het verzuim.
2.7 Toelichting artikel 7 (onderzoek naar absoluut verzuim)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 2, eerste lid, artikel 3 van de wet en wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 4a en 4b van die wet]
Artikel 7 beschrijft de werkwijze van de leerplichtambtenaar wanneer sprake is van absoluut verzuim. Absoluut verzuim houdt in dat een jongere niet staat ingeschreven bij een school of instelling, in strijd met de bepalingen van de Leerplichtwet. Dit volgt uit artikel 2, eerste lid, voor leerplichtige jongeren.
Ten aanzien van de kwalificatieplicht geldt hetzelfde uitgangspunt, namelijk dat een jongere zonder startkwalificatie moet zijn ingeschreven als leerling bij een school of instelling, overeenkomstig artikel 4a in verbinding met artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet.
Voor de behandeling van absoluut verzuim wordt in hoofdzaak aangesloten bij de werkwijze die in artikel 6 al is beschreven. Artikel 3 vormt daarbij de kapstok voor het ontdekken van mogelijke gevallen van absoluut verzuim: regelmatige en systematische controle van de leerlingenadministratie, in het bijzonder bij tussentijdse mutaties.
Het tweede lid van dit artikel sluit daarop aan door te bepalen dat eerst een administratieve controle moet plaatsvinden voordat ouders en/of jongere worden benaderd. Dit voorkomt dat ten onrechte wordt geconcludeerd dat sprake is van absoluut verzuim.
2.7a Toelichting artikel 7a ( melding mbo-student zonder startkwalificatie )
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 4a van de wet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 9.2.5 en 9.2.12 van de Wet educatie en beroepsonderwijs]
2.8 Toelichting artikel 8 (kennisgeving in- en uitschrijvingen en (dreigend) voortijdig schoolverlaten)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 18, eerste lid van de wet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 2, eerste lid, en artikel 4a van die wet]
In artikel 8 worden zowel kennisgevingen van in- en uitschrijvingen als meldingen van (dreigend) voortijdig schoolverlaten samengenomen. In beide situaties gaat het in essentie om omstandigheden waarbij de jongere (dreigt) buiten het onderwijs te komen te staan.
Wanneer sprake is van verwijdering van een leerling, dan behoort de Inspectie van het Onderwijs te worden geraadpleegd indien het een leerplichtige leerling betreft. Het is wenselijk dat de leerplichtambtenaar in zulke gevallen eveneens contact opneemt met de Inspectie om achtergrondinformatie te verkrijgen of om de Inspectie op de hoogte te stellen wanneer de school deze melding, ten onrechte, nog niet heeft gedaan.
Het bevoegd gezag van scholen voor voortgezet onderwijs, primair onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs kan een leerling schorsen (maximaal één week) of definitief verwijderen. Definitieve verwijdering kan alleen:
Voor het mbo geldt hiervoor een inspanningsverplichting van acht weken, evenals voor het speciaal onderwijs cluster 1 en 2.
Voor het mbo geldt dat een besluit tot schorsing maximaal twee weken mag duren en schriftelijk bekendgemaakt wordt aan de leerling en, indien de leerling nog geen achttien jaar is, aan de ouders/verzorgers. Bij schorsing of definitieve verwijdering in het mbo hoeft het bevoegd gezag de Inspectie niet op de hoogte te stellen.
2.9 Toelichting artikel 9 (vervangende leerplicht)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 3a en 3b van de wet en artikel 5 van de Leerplichtregeling 1995]
Besluiten krachtens dit artikel kunnen worden gemandateerd aan de leerplichtambtenaar. In de instructie is uitgegaan van een dergelijke mandaatverlening. De regeling betreft jongeren van 14 en 15 jaar voor wie vervangende leerplicht kan worden toegepast, omdat zij in het algemeen nog niet kunnen instromen in een Beroeps Begeleidende Leerweg (BBL) traject vanwege hun leeftijd.
De wet gaat uit van een door de ouders ingediende en ondertekende aanvraag en van een plan van aanpak dat is opgesteld door:
In de praktijk zal de aanvraag meestal door de school worden voorbereid, in goed overleg met de leerplichtambtenaar en bijvoorbeeld het ZAT. In het derde en vierde lid van het artikel is de werkwijze beschreven die aansluit bij deze praktijk en tegelijkertijd voldoet aan de wettelijke bepalingen.
De oudere leerplichtige die gebruikmaakt van artikel 3b van de Leerplichtwet, mag arbeid verrichten.
2.10 Toelichting artikel 10 (vrijstelling van leerplicht wegens het volgen van ander onderwijs)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 15 van de wet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 4a van die wet]
Ook bij dit artikel betreft het een bevoegdheid die door burgemeester en wethouders gemandateerd kan worden aan de leerplichtambtenaar. In de instructie is ervan uitgegaan dat deze mandaatverlening heeft plaatsgevonden.
In de tekst is een aanwijzing opgenomen voor de criteria die de leerplichtambtenaar toepast bij de beoordeling van het ‘andere onderwijs’ waarvoor vrijstelling wordt gevraagd. Bij deze toetsing let de leerplichtambtenaar er in het bijzonder op of de jongere wordt toe geleid, dan wel kan worden toe geleid, tot het behalen van een startkwalificatie.
Een startkwalificatie houdt in:
De procedure voor leerplichtigen die in dienst zijn bij Defensie staat beschreven in artikel 11 vanaf het derde lid. Een deel van het bij Defensie werkzame personeel bestaat uit 17-jarige jongeren, die de school heeft verlaten zonder startkwalificatie.
Om deze jongeren toch in beeld te houden, en om te kunnen volgen of zij alsnog een startkwalificatie behalen of voortijdig uitvallen voordat zij de leeftijd van achttien jaar bereiken, is in samenspraak tussen het Ministerie van OCW, het Ministerie van Defensie en Ingrado een procedure ontwikkeld om deze jongeren te blijven monitoren.
Artikel 10, lid 2, onder b: met dit criterium wordt bedoeld dat wordt beoordeeld of de feitelijke tijd die aan het onderwijs wordt besteed in een logische en evenwichtige verhouding staat tot wat als de omvang en intensiteit van dat onderwijs wordt gepresenteerd.
2.11 Toelichting artikel 11 (vrijstelling van de inschrijfplicht)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 5, 6, 7, 8 en 9 van de wet en artikel 5 van de Leerplichtregeling 1995]
Artikel 11, lid 2: voor de aanwijzing van een deskundige wordt verwezen naar artikel 13.
Artikel 11, lid 3: van overwegende bedenkingen is sprake wanneer er vanuit een voldoende, welbepaalde godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging ernstige gemoedsbezwaren zijn tegen de richting van het onderwijs van de beschikbare scholen, welke bezwaren voldoende concreet en zwaarwegend zijn.
Hoewel bezwaren ook kunnen zijn gericht tegen het ontbreken van een richting, zoals in het algemeen openbaar onderwijs, dienen deze ook te voldoen aan de eis van voldoende concreetheid en zwaarwegendheid.
Op 21 april 2026 heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan over de toepassing van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet. De Hoge Raad heeft daarbij het toetsingskader voor beroepen wegens richtingsbezwaren verduidelijkt en aangescherpt. Naar aanleiding van deze uitspraak hebben Ingrado en de VNG een handreiking geschreven met een handelswijze voor vrijstellingsaanvragen artikel 5 onder b. Deze is verwerkt in art. 11 van deze instructie. Gelet op de actuele ontwikkelingen wordt geadviseerd de website van Ingrado te raadplegen en te handelen overeenkomstig het geldende handelingskader.
Artikel 11, lid 4: De wet voorziet niet altijd in een regeling die in de praktijk goed hanteerbaar is. Dit onderdeel van de instructie geeft de leerplichtambtenaar de opdracht om een werkbare informatieplicht te treffen, zodat kan worden nagegaan of de leerplichtige na terugkeer in Nederland daadwerkelijk onderwijs in het buitenland heeft gevolgd.
Bij toepassing van dit artikel geldt als voorwaarde dat de leerplichtige vier maanden per kalenderjaar in Nederland verblijft.
Wanneer voor de tweede keer een beroep op deze vrijstelling wordt gedaan en de leerling niet dagelijks heen en weer reist tussen de school in het buitenland en de woonplaats, mag een signaal bij Burgerzaken worden afgegeven om te laten onderzoeken of de leerling nog voldoende in Nederland verblijft om hier ingeschreven te blijven staan.
2.12 Toelichting artikel 12 (vaststelling of een onderwijsvoorziening als school in de zin van de Leerplichtwet kan worden aangemerkt)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 1, onderdeel b, 1a, 1a1 en 22, vierde lid, van de wet]
Artikel 12 geeft in enkele stappen aan wat de gemeente, respectievelijk de leerplichtambtenaar, te doen staat wanneer ouders hun kind gebruik laten maken van een onderwijsvoorziening die (nog) niet als school in de zin van de Leerplichtwet is aangemerkt.
2.13 Toelichting artikel 13 (aanwijzing deskundige)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 7 van de wet en artikel 11, lid 2 van deze instructie]
In dit artikel wordt uitgegaan van het maken van ad hoc of structurele afspraken met bijvoorbeeld een schoolarts of een aan de schoolbegeleidingsdienst verbonden psycholoog of pedagoog over het verstrekken van een verklaring of een jongere in staat is om op een school of onderwijsvoorziening te worden ingeschreven.
Met toestemming kan er in samenspraak met het samenwerkingsverband worden bekeken of er alsnog mogelijkheden zijn om passend onderwijs te bieden.
2.14 Toelichting artikel 14 (melding aan de Raad voor de Kinderbescherming)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 22, vijfde lid, van de wet en artikel 494 van het Wetboek van Strafvordering]
Deze instructie sluit aan bij de meldplicht uit de Leerplichtwet en ziet in het bijzonder op de zogenoemde strafrechtelijke melding. Daarnaast is het mogelijk om de RvdK te consulteren over de meest aangewezen route: vrijwillige hulpverlening, een civielrechtelijk traject of een strafrechtelijke aanpak van het schoolverzuim.
2.15 Toelichting artikel 15 (melding aan Veilig Thuis)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 5.2.6 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015]
Deze bepaling biedt de leerplichtambtenaar expliciet de mogelijkheid om, indien hij dit wenselijk acht, contact op te nemen met Veilig Thuis. Het betreft hierbij de zogenoemde civiele melding.
2.16 Toelichting artikel 16 (meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16, vierde lid, onderdeel e, van de wet]
Op 1 augustus 2013 is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling vastgesteld. Vanaf 1 januari 2019 is er een verplicht afwegingskader in stap 5 van de meldcode opgenomen. Deze meldcode geldt ook voor de leerplichtambtenaar. Werken volgens de meldcode is geen wettelijke verplichting. De meldcode op zich is een meldrecht en geen meldplicht. In dit artikel is vastgelegd op welke wijze de leerplichtambtenaar met de meldcode om dient te gaan en welke stappen er gezet moeten worden. Deze beschrijving is samengesteld aan de hand van het basismodel “Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling” opgesteld door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
2.16.1 Afwegingskader: onderdeel van de meldcode
Onderstaand figuur toont de vijf stappen uit de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Ter ondersteuning van de beslissingen in stap 5 is in stappen 4 en 5 een afwegingskader toegevoegd. Er is een basisdocument Afwegingskader beschikbaar voor alle beroepsgroepen. Het onderliggende Afwegingskader is de uitwerking voor het Onderwijs, inclusief leerplicht.
In stap 5 worden twee beslissingen genomen:
Het beslissen of een melding bij Veilig Thuis noodzakelijk is en, vervolgens het beslissen of het zelf bieden of organiseren van hulp mogelijk is.
Het is van belang dat in stap 5 beide beslissingen en in de genoemde volgorde worden genomen. De leerplichtambtenaar (dit kan de aandachtsfunctionaris zijn) vraagt zich op basis van signalen en het gesprek met ouders af of melden noodzakelijk is aan de hand van vijf afwegingsvragen. Vervolgens besluit deze of het bieden of organiseren van hulp tot de mogelijkheden van zowel de leerplichtambtenaar als de betrokkenen (ouders/verzorgers) behoort. Als melden volgens het afwegingskader noodzakelijk is, moet de tweede beslissingsvraag over eventuele hulp in overleg met betrokkenen en Veilig Thuis beantwoord worden. Melden is niet verplicht en kan ook anoniem.
Op 25 mei 2018 is de nieuwe AVG van kracht geworden. De AVG is Europese wetgeving. De Nederlandse wetgeving, zoals de Leerplichtwet of het Besluit verplichte meldcode, mag daarmee niet in strijd zijn, aangezien de AVG hogere wetgeving is. Het recht om dossier aan te maken en te melden bij Veilig Thuis is niet in strijd met de AVG, dus mag uitgevoerd worden.
2.16.2 Afwegingskader: uitwerking van de vijf afwegingsvragen en beslissingen in stappen 4 en 5 van de meldcode voor het onderwijs en leerplicht
|
Ik heb de stappen 1 t/m 3 van de Meldcode doorlopen A: Op basis van deze doorlopen stappen is er geen actie nodig à dossier vastleggen en sluiten B: Ik heb een sterk vermoeden van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Het bevoegd gezag van mijn school is op de hoogte (in geval het vermoeden door schoolmedewerker wordt geconstateerd) à ga verder naar afweging 2 |
|
Op basis van de stappen 1 t/m 4 van de Meldcode schatten wij als school (functionarissen en bevoegd gezag)/leerplicht in dat er sprake is van acute en/of structurele onveiligheid A: Nee à ga verder naar afweging 3 B: Ja, of twijfel à direct (telefonisch) (anoniem) melding doen bij Veilig Thuis. De afwegingen hierna worden met Veilig Thuis doorlopen |
|
Ben ik, of iemand anders in mijn school6 of een ketenpartner7 https://www.nu.nl/ / ben ik als leerplichtambtenaar in staat om effectieve hulp te bieden of te organiseren en kan de dreiging voor mogelijk huiselijk geweld of kindermishandeling afgewend worden? A: Nee à melden bij Veilig Thuis, die binnen vijf werkdagen een besluit neemt en terugkoppelt naar de melder |
|
Aanvaarden de betrokkenen de hulp zoals in afweging 3 is georganiseerd en zijn zij bereid zich actief in te zetten? A: Nee à melden bij Veilig Thuis B: Ja à hulp in gang zetten, termijnen afspreken waarop effect meetbaar of merkbaar moet zijn. Zo concreet mogelijk maken en documenteren. Spreek af wie welke rol heeft en benoem casemanager. Spreek af welke taken alle betrokkenen en specifiek de casemanager heeft, zodat de verwachtingen voor iedereen helder zijn. Leg vast, voer uit en ga verder met afweging 5. |
|
Leidt de hulp binnen de afgesproken termijn tot de afgesproken resultaten ten aanzien van de veiligheid, het welzijn en/of het herstel van de direct betrokkenen? A: Nee à melden bij Veilig Thuis B: Ja à hulp afsluiten met vastgelegde afspraken over het monitoren8 van de veiligheid van alle betrokkenen. |
2.16.3 Bijlage bij het afwegingskader: begrippen en definities
Algemene meldnormen (leidende principes t.b.v. afwegingskaders)
Het doen van een melding bij Veilig Thuis van mogelijk huiselijk geweld of mogelijke kindermishandeling is een professionele norm en als zodanig noodzakelijk:
2.17 Toelichting artikel 17 (melding aan de inspectiedienst van het Ministerie van SZW)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 23 van de wet en artikel 5 van de Leerplichtregeling 1995]
Het verdient aanbeveling om af en toe contact te hebben met de regionale directie van de Arbeidsinspectie over de informatie-uitwisseling en het toezicht op arbeid door jongeren. Daarbij geldt dat de mogelijkheden voor jongeren om te werken op grond van de Arbeidstijdenwet zijn afgestemd op de Leerplichtwet, zij het dat in de Arbeidstijdenwet andere begripsbepalingen worden gehanteerd: onder een kind wordt verstaan een persoon jonger dan 16 jaar en onder een jeugdige werknemer een persoon van 16 of 17 jaar.
2.18 Toelichting artikel 18 (melding aan de Sociale Verzekeringsbank)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 2, eerste lid, van de wet]
Met de wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: AKW) heeft de leerplichtambtenaar per 1 januari 2010 een nieuw handhavingsinstrument voor 16- en 17-jarigen. Indien er sprake is van ernstig schoolverzuim (16 uur ongeoorloofd verzuim in een periode van 4 weken) heeft de leerplichtambtenaar naast zijn huidige instrumentarium de mogelijkheid om een melding te doen bij de SVB met de mededeling dat de Leerplichtwet niet wordt nageleefd. Deze melding kan voor de SVB, uitvoerder van de AKW, aanleiding zijn de kinderbijslag voor het betreffende kind stop te zetten. Immers de AKW stelt eisen aan de dagbesteding van kinderen van 16 en 17 jaar. Dezelfde regels gelden voor wezen van 16 en 17 jaar. Voor wezen is wel een overgangsregeling opgenomen.
Het doen van een melding aan de SVB moet gezien worden als een extra instrument dat ingezet kan worden door de leerplichtambtenaar om het verzuim van een 16- of 17-jarige leerplichtige te laten eindigen. In bepaalde situaties kan er een melding bij de SVB plaatsvinden alvorens er een proces-verbaal wordt opgemaakt. Er zijn ook situaties denkbaar waarbij de melding aan het SVB en het opmaken van een proces-verbaal gelijktijdig plaatsvindt.
Dit instrument kan een bijdrage leveren aan een vermindering van het aantal processen-verbaal. Het feit dat een gezin (tijdelijk) geen kinderbijslag ontvangt voor het kind dat de Leerplichtwet overtreedt, zal er aan bijdragen dat de druk op de jongere verhoogd wordt om zijn schoolverzuim te beëindigen. Hierdoor zal een proces-verbaal in een aantal zaken niet meer nodig zijn.
Het uiteindelijke doel is dat de jongere naar school gaat. Ouders en jongere kunnen het stopzetten van de kinderbijslag voorkomen door alsnog aan de verplichtingen van de Leerplichtwet te voldoen. Doordat de SVB altijd achteraf de kinderbijslag uitbetaalt (drie maanden na vaststelling van het recht op die kinderbijslag) is er ook in administratieve zin ruimte om het stopzetten van de kinderbijslag te voorkomen. Er is dus een herstelmogelijkheid. De strafrechtelijke route kent deze herstelmogelijkheid niet. Een proces-verbaal kan niet meer teruggetrokken worden door de leerplichtambtenaar, ook al gaat de jongere inmiddels weer naar school. De rechter bepaalt dan welke sanctie hij nodig acht.
2.18.1 Schoolverzuim door een 16-/17-jarige
De school constateert in eerste instantie het verzuim. Verzuim tot 16 uur in een periode van 4 weken mag een school melden, is er sprake van 16 uur verzuim of meer in een periode van 4 weken dan moet de school het verzuim melden. De school meldt het schoolverzuim bij het ROD van DUO. De school geeft daarbij aan welke actie zij zelf onderneemt, of dat de inzet van de leerplichtambtenaar onmiddellijk vereist is.
Inzet van de leerplichtambtenaar kan al plaatsvinden vanuit de preventieve gedachte als er nog geen sprake is van verzuim meer dan 16 uur per 4 weken. Denk bijvoorbeeld aan een leerplichtige die regelmatig te laat komt.
2.18.2 Kennisgeving vermoedelijk ongeoorloofd verzuim
Leerplicht ontvangt van het ROD van de DUO een verzuimmelding. Leerplicht neemt contact op met de school en stemt af welke stappen er genomen worden. Is het verzuim gestopt dan onderneemt leerplicht niets. Duurt het verzuim voort, ondanks de acties van de school, dan onderneemt leerplicht actie.
2.18.3 Onderzoek naar de reden van verzuim in het kader van de kwalificatieplicht
De leerplichtambtenaar roept de ouder(s) en de leerplichtige ouder dan 16 jaar op voor een gesprek. De leerplichtambtenaar onderzoekt de oorzaak van het verzuim. De consequenties van het verzuim worden toegelicht en er worden schriftelijke afspraken gemaakt voor het vervolg. Daarbij zijn 3 mogelijkheden:
Een leerplichtige moet naar school, ouder(s) zijn hier volgens de Leerplichtwet verantwoordelijk voor totdat een jongere 18 jaar is, of een startkwalificatie heeft behaald, tenzij er sprake is van een vrijstelling. De leerplichtambtenaar benadrukt in zijn gesprek met ouder(s) en jongere. De leerplichtambtenaar onderzoekt in hoeverre de ouder(s) (mede)verwijtbaar zijn aan het verzuimgedrag van hun kind. Er moet bij melding aan de SVB onderscheid gemaakt worden tussen verwijtbaarheid van en medewerking door ouders.
Verwijtbaarheid: zodra een jongere niet op school is neemt de school contact op met de ouders om na te gaan wat de reden van afwezigheid is. Het is dan de verantwoordelijkheid van de ouders (en de jongere) om ervoor te zorgen dat, indien er sprake is van ongeoorloofd verzuim, dit eindigt. Indien ouders niets ondernemen, na de melding van school, dan zijn de ouders verwijtbaar. Ondernemen ouders na de melding van school, diverse acties om hun kind op school te krijgen, dan zijn de ouders niet verwijtbaar. De jongere kan in deze situatie wel verwijtbaar zijn, omdat hij of zij ondanks de inspanningen van de ouders, toch blijft verzuimen.
Medewerking: zodra de school de ouders heeft ingelicht over het verzuim van hun kind op school, is het de verantwoordelijkheid van de ouders om er voor te zorgen dat hun kind weer naar school gaat. Indien het verzuim blijft voortduren zal de school en/of leerplichtambtenaar met de ouders en de jongere afspraken gaan maken om het verzuim te laten eindigen. Als ouders en jongere zich aan de gemaakte afspraken houden dan werken zij mee om het verzuim te doen eindigen.
2.18.4 Melding aan de Sociale Verzekeringsbank
Een melding bij de SVB kan een geëigend middel zijn om te stimuleren dat het schoolverzuim eindigt. Dit is afhankelijk van de verwijtbaarheid van ouders en/of jongere bij het verzuim maar ook van de medewerking die gegeven wordt aan het stoppen van het verzuim.
Hieronder staan situaties beschreven waarin een melding bij de SVB kan worden gedaan:
Nadat de school het verzuim heeft opgemerkt en dit heeft gemeld aan de ouders, stopt het verzuim niet. Ouders en jongere zijn verwijtbaar aan het ontstaan of het voortbestaan van het schoolverzuim. Ouders en/of jongere geven aan te willen meewerken aan afspraken, maar komen deze uiteindelijk niet na.
Nadat de school het verzuim heeft opgemerkt en dit heeft gemeld aan de ouders, stopt het verzuim niet. Ouders zijn niet verwijtbaar aan het ontstaan of voortbestaan van het schoolverzuim, maar de jongere wel. Ouders willen meewerken aan afspraken, maar de jongere niet. In eerste instantie zal er zorg worden ingezet om het verzuim alsnog te doen eindigen. Heeft deze inzet geen effect dan kan alsnog een melding bij de SVB worden gedaan (reden om de melding te doen is om de via de ouders druk op de jongere uit te oefenen).
Er wordt dus geen melding bij de SVB gedaan als ouders en jongere niet verwijtbaar zijn aan het ontstaan of voortbestaan van het verzuim en meewerken aan de afspraken om het verzuim te doen eindigen. Denk hierbij aan een jongere die niet naar school gaat omdat hij op de wachtlijst voor een REC4 instelling is geplaatst, of een gediagnosticeerd depressieve jongere die daardoor niet in staat is om naar school te gaan. Uiteraard is het aanbieden van zorg in deze situatie wel aan de orde.
Als sprake is van ernstig schoolverzuim dat gevolgen moet hebben voor het kinderbijslagrecht, geeft de leerplichtambtenaar een signaal af aan de SVB. De SVB sluit aan bij het oordeel van de leerplichtambtenaar. Deze volgt het gemeentelijke beleid met betrekking tot schoolverzuim en schooluitval.
Indien er een melding wordt gedaan aan de SVB dan zet de leerplichtambtenaar de volgende afspraken op papier, welke naar ouders en jongere verstuurd worden:
Een melding doen aan de SVB is geen besluit in de zin van de Awb. De brief hoeft dus niet voorzien te worden van een bezwaar en beroepsprocedure.
2.18.5 Handelswijze Sociale Verzekeringsbank
De SVB stuurt na de melding van de leerplichtambtenaar een beschikking aan de ouder die bekend is als aanvrager van de kinderbijslag. De SVB stopt met betalen van de kinderbijslag per het kwartaal volgend op de datum van de melding door de leerplichtambtenaar.
Uiteraard kan een klant van de SVB het niet eens zijn met de maatregel, dan kan de klant bezwaar indienen bij de SVB. De leerplichtambtenaar die de melding heeft gedaan dat niet aan de vereisten in de Leerplichtwet wordt voldaan, kan in de bezwaarprocedure worden gevraagd schriftelijke informatie te leveren. Eventueel kan de ambtenaar worden gevraagd zelf aanwezig te zijn bij de hoorzitting.
De leerplichtambtenaar neemt contact op met de SVB om de melding ongedaan te maken als ouders en of jongere voldaan hebben aan de gestelde voorwaarden en het verzuim is geëindigd. Deze ongedaan making wordt schriftelijk bevestigd aan de ouders en jongere.
2.19 Toelichting artikel 19 (melding aan de Inspectie van het Onderwijs)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16a van de wet]
Door de wetswijziging van de Leerplichtwet heeft de minister van Onderwijs per 1 januari 2012 de bevoegdheid gekregen om een bestuurlijke boete op te leggen aan de directeur van een school of instelling. De bestuurlijke boete is een sanctiemaatregel en kan worden opgelegd in gevallen waar een school volhardend bepalingen overtreedt. De minister heeft de uitvoering bij de Inspectie van het Onderwijs neergelegd.
Deze overtredingen kunnen gaan over:
Het in strijd handelen van de Leerplichtwet met betrekking tot:
Het verlenen van verlof voor andere gewichtige omstandigheden dat voor ten hoogste tien dagen per schooljaar verleend kan worden door de directeur. Indien verlof wordt gevraagd voor meer dan tien dagen per schooljaar, besluit de leerplichtambtenaar van de woongemeente van de jongere, de directeur gehoord.
Het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen:
Alle inlichtingen die deze in verband met de uitvoering van deze wet verlangen moeten aan de leerplichtambtenaar verstrekt worden. Doet een school dit niet of onvoldoende, dan meldt de leerplichtambtenaar dit bij de inspectie. Vervolgens neemt de inspectie dit signaal mee in haar regulier toezicht op de school. Bij urgente signalen neemt de inspectie direct contact op met de school. De inspectie kan de directeur van de school of instelling een bestuurlijke boete opleggen.
2.19.1 Wat betekent dit voor een gemeente?
Voor een eventuele signalering aan de Inspectie dienen eerst gesprekken ter verbetering van de situatie aangegaan te worden. Deze stappen worden in een dossier vastgelegd.
Dossiervorming is noodzakelijk voor een goede procesbegeleiding en de inhoud wordt bij signalering aan de Inspectie overgedragen.
De leerplichtambtenaar is veel in school aanwezig. Hij of zij mag enkel de administratie op aan/afwezigheid van leerlingen in te zien indien hij een vermoeden heeft van een strafbaar feit.
Indien de leerplichtambtenaar waarneemt dat de school of instelling de Leerplichtwet niet naleeft, dan kan dit een reden zijn tot het geven van informatie en advies aan de school of instelling betreffende een goede uitvoering dan wel een verbetering van het verzuimbeleid van de school. Indien de school of instelling ondanks het advies van de leerplichtambtenaar de Leerplichtwet blijft overtreden dan is dat aanleiding voor een signaal naar de Inspectie van het Onderwijs. De wijze waarop de signalen aan de Inspectie van het Onderwijs worden gegeven zijn opgenomen in dit artikel van de instructie.
Elk van de twee toezichthouders (leerplichtambtenaar en Inspectie van het Onderwijs) heeft de bevoegdheden, die titel 5.2 van de Awb verleent aan degenen die als toezichthouder zijn aangewezen, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van de toezichttaak nodig is (5:13 Awb). Daartoe behoren het betreden van plaatsen en de inzage van gegevens en bescheiden. Uit dit systeem volgt dat de leerplichtambtenaar toegang heeft tot de school en inzage heeft in de administratie voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn eigen toezichttaak (dus jegens ouders en leerlingen) nodig is. De toezichttaak gericht tot scholen met bijbehorende bevoegdheden is bij de Inspectie van het Onderwijs belegd. De leerplichtambtenaar heeft wel een natuurlijke oog- en oorfunctie waar het gaat om het handelen van scholen in het kader van de Leerplichtwet de signaleringsrol.
Verstrekking van informatie aan andere overheidsorganen zoals de Inspectie van het Onderwijs, is toegestaan als gevolg van de Wet Justitiële en Strafvorderlijke Gegevens (WJSG).
2.20 Toelichting artikel 20 (jaarverslag leerplicht)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 25 van de wet]
De verplichting om jaarlijks verslag uit te brengen over het gevoerde beleid inzake de handhaving van de leerplicht en de kwalificatieplicht en de resultaten daarvan berust bij het college. Uit de aard van deze bevoegdheid vloeit voort dat zij niet voor mandaatverlening in aanmerking komt (artikel 10:3, eerste lid, van de Awb). Het is de taak van de leerplichtambtenaar om de nodige informatie voor het verslag te verzamelen, te ordenen en in de vorm van een voorstel te presenteren. Het verslag zal de kwantitatieve gegevens bevatten die aan het ministerie van OCW moeten worden gemeld, maar tevens ingaan op het gevoerde beleid.
2.21 Toelichting artikel 21 (samenwerking in de regio inzake leerplicht)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16, vierde lid, onderdeel c, van de wet]
In dit artikel is voor de leerplichtambtenaar een gematigd actieve rol opgenomen. Dit betekent dat hij zo nodig het initiatief neemt tot het voeren van regionaal overleg. Het in de instructie genoemde aantal van drie overleggen per jaar geldt als minimum, mede om te waarborgen dat betrokkenen elkaar kennen en duidelijk is wie in de regio het aanspreekpunt is. In veel regio’s zal intensievere samenwerking wenselijk zijn, aangezien leerlingstromen gemeentegrensoverschrijdend zijn.
De noodzaak tot (verdere) afstemming is in ieder geval aanwezig indien over deze onderwerpen nog geen regionale afspraken zijn gemaakt, of indien uit de praktijk blijkt dat bestaande afspraken onvoldoende functioneren. Ook afstemming met het Openbaar Ministerie is van belang. Afhankelijk van de regionale situatie kan de officier van justitie als vaste deelnemer of op incidentele basis bij het overleg aansluiten. In de instructie zijn de onderwerpen benoemd die in ieder geval in het regionaal overleg aan de orde behoren te komen. De agenda kan uiteraard uitgebreider worden ingevuld. In het derde lid zijn de onderwerpen opgenomen waarover niet alleen afstemming plaatsvindt (net zoals bij de punten in het tweede lid), maar waarover ook concrete afspraken moeten worden gemaakt.
2.22 Toelichting artikel 22 (regionaal programma ter voorkoming van voortijdig schoolverlaten)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16 van de wet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 8.27 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, 162c1 van de Wet op de Expertisecentra en 9.2.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs]
De contactgemeente is wettelijk verantwoordelijk voor de coördinatie van het regionaal bestuurlijk overleg. Intern wordt afgestemd wie aan dit overleg deelneemt. De leerplichtambtenaar levert een actieve bijdrage aan de invulling van de wettelijke taken, aan het beleid voor het Doorstroompunt en aan het daarbij behorende aanvullend regionaal programma met maatregelen ter voorkoming en bestrijding van voortijdig schoolverlaten van jongeren tussen twaalf en zevenentwintig jaar. Daarbij is met name de afstemming over jongeren van zestien en zeventien jaar van belang, evenals de afspraken over de overdracht van casuïstiek.
2.23 Toelichting artikel 23 (samenwerking met diensten en instellingen)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16, vierde lid, onderdeel d, van de wet]
Het is de bedoeling om te beschikken over een actuele lijst van samenwerkingspartners. Hiervoor is gekozen voor opname in een bijlage, maar een opsomming in de instructie zelf is eveneens mogelijk. In deze lijst worden in ieder geval opgenomen: scholen en instellingen, instanties die betrokken zijn bij jeugdhulp en jeugdbescherming, strafrechtelijke ketenpartners en instanties die verband houden met arbeid. Deze diensten en instellingen dienen te worden geïnformeerd over deze instructie. Tevens behoren zij tot de kring van organisaties die het jaarverslag ontvangt.
2.24 Toelichting artikel 24 (beleidsontwikkeling)
[Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 25 van de wet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 9.2.12 van de Wet educatie en beroepsonderwijs]
In het eerste lid is geregeld dat de eigen gegevens op systematische wijze worden verzameld en verwerkt, zodat zowel het regionale als het lokale beleid mede hierop kan worden gebaseerd. Daarmee wordt de beleidscyclus in belangrijke mate ondersteund.
In het tweede lid is geregeld dat de leerplichtambtenaar voorstellen doet voor beleid dat de hoofdzaken bevat van de uitvoering van de begeleiding van jongeren zonder startkwalificatie, met aandacht voor een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens, en houdt daarbij rekening met het regionaal programma. Deze taak vloeit voort uit de Wet van school naar duurzaam werk.
Het derde lid ziet op het betrekken van ontwikkelingen die zich buiten de eigen regio voordoen bij het regionale en landelijke beleid. Daarbij gaat het niet alleen om ontwikkelingen in het leerplichtbeleid in strikte zin, maar ook om ontwikkelingen rondom het Doorstroompunt, het onderwijs, de jeugdzorg en aanverwante domeinen. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen daarnaast ook ontwikkelingen in bijvoorbeeld het vreemdelingenbeleid, de justitiële organisatie of de arbeidsmarkt relevant zijn.
2.25 Toelichting artikel 25 (slotbepaling)
Het eerste lid regelt dat alle betrokken partijen van deze instructie in kennis worden gesteld. Het tweede lid ziet op de inwerkingtreding. Gekozen is voor inwerkingtreding 1 augustus 2026 (na besluit tot vaststelling van de instructie). Met ingang van dat moment vervalt tevens de eerdere instructie (2019) voor de leerplichtambtenaar.
Hierbij valt te denken aan functionarissen uit de 2e lijnondersteuning in de school, altijd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag (dus geen docenten, wel een zorgcoördinator, een vertrouwenspersoon, een orthopedagoog, een schoolpsycholoog, een intern begeleider, een schoolmaatschappelijk werker, etc.)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-350324.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.