Gemeenteblad van Son en Breugel
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Son en Breugel | Gemeenteblad 2026, 350163 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Son en Breugel | Gemeenteblad 2026, 350163 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Uitvoeringbesluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Son en Breugel 2026
Sinds 2015 is de Wet maatschappelijke ondersteuning ingrijpend veranderd. De Wmo 2015 gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van mensen om hun vragen en beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid thuis en maatschappelijke participatie op te lossen en verantwoordelijkheid van gemeenten om aanvullende ondersteuning te bieden waar nodig.
In dit uitvoeringsbesluit worden de nadere regels van de verordening maatschappelijke ondersteuning 2026 en beleidsregels maatschappelijke ondersteuning beschreven. Hiermee werken we uit hoe we uitvoering geven aan de regels in de wet en de verordening. Onderdelen van de wet die in de verordening voldoende zijn beschreven komen niet terug in dit uitvoeringsbesluit.
De Wmo 2015 en de verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal namens het college gedaan worden door de medewerkers van het Centrum Maatschappelijke Deelname (CMD). Alle medewerkers zijn gemandateerd door het college voor de taken die zij moeten uitvoeren voor hun werk. Waar in het uitvoeringsbesluit “consulent” of “medewerker van het CMD” of “het CMD” staat, blijft het college het bevoegde orgaan.
In dit uitvoeringsbesluit is de structuur aangehouden van de verordening maatschappelijke ondersteuning 2026. De artikelen corresponderen zoveel mogelijk met de artikelen in de verordening. Waar dat niet het geval is, staat het bijbehorende artikel in de verordening erbij vermeld.
Het uitvoeringsbesluit spreekt alle inwoners aan van Son en Breugel aan die een beroep doen op de Wmo. Voor de leesbaarheid wordt soms “hij/zijn” geschreven. Waar “hij/zijn” staat, kan ook “zij/haar” of “hen/hun” worden gelezen.
Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Vooralsnog wordt geen eigen bijdrage aan inwoners gevraagd voor het gebruik van een algemene voorziening. Zo houden we deze voorziening laagdrempelig en voor iedere inwoner toegankelijk.
Algemene voorzieningen kunnen een volwaardig alternatief zijn voor individuele maatwerkvoorzieningen. Daarom wordt er bij een aanvraag altijd eerst gekeken of inwoners (aanvullend) gebruik kunnen maken van algemene voorzieningen voordat er individuele maatwerkvoorzieningen worden ingezet.
Voorbeelden van een algemene voorziening zijn:
Een algemene voorziening is een passende oplossing wanneer:
H 2. Melding, onderzoek, aanvraag en besluit
Een inwoner kan een melding doen bij het CMD waarin hij kenbaar maakt een hulpvraag te hebben. Iedereen kan zich melden en de melding is vormvrij. Als een persoon namens een inwoner een melding doet, moet deze persoon gemachtigd zijn door de inwoner. Een medewerker van het CMD zal een korte uitvraag doen zodat helder wordt wat precies de hulpvraag is. De melding wordt geregistreerd en doorgezet naar het team Wmo. Dit wordt bevestigd met een brief aan de inwoner. Na de melding kan de inwoner binnen zeven dagen een persoonlijk plan indienen bij het CMD. In dit plan legt de inwoner zijn persoonlijke situatie uit, wat hij wil bereiken met zijn hulpvraag en hoe hij denkt dat de maatschappelijke ondersteuning in zijn situatie vormgegeven kan worden. In de bevestigingsbrief wordt het persoonlijk plan toegelicht. Het indienen van een persoonlijk plan is niet verplicht. Als een inwoner dit wel doet, dan betrekt de consulent van het CMD dit plan bij het onderzoek en bij de beoordeling op een aanvraag.
Nadat de melding is gedaan, start het onderzoek. Dit wordt uitgevoerd door een Wmo consulent (hierna: consulent). Vanaf dit punt spreken we van een cliënt in plaats van inwoner.
Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid om een onafhankelijke cliëntondersteuner in te schakelen. Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). In andere woorden: onafhankelijke ondersteuning bij het onderzoek en de aanvraag voor een Wmo voorziening. De cliënt wordt hierover geïnformeerd door medewerkers van het CMD. Als de cliënt hiervan gebruik wil maken, dan worden zijn contactgegevens gedeeld met een coördinator van de LEV Groep. De coördinator zorgt voor een passende match met een cliëntondersteuner. Daarna neemt de cliëntondersteuner contact op met de cliënt. Hij legt dan uit wat zijn rol is en waarbij hij wel en niet kan ondersteunen. Hierdoor wordt duidelijk wat de cliënt kan verwachten.
Na de melding volgt het onderzoek. Binnen deze procedure zijn er verschillende fasen. Conform de wet en de verordening geldt hierbij het volgende:
Het onderzoek wordt binnen zes weken na de melding zorgvuldig uitgevoerd. Dit wordt uitgevoerd door een consulent van het CMD. In de meeste gevallen wordt er in elk geval een keukentafelgesprek gevoerd. Soms is er extra (medische) informatie nodig. Het kan zijn dat dossieronderzoek voldoende is. Dit wordt per melding bepaald afhankelijk van de beschikbare informatie.
De cliënt mag een of meerdere personen laten aansluiten bij het gesprek. Dit mag iemand uit het sociaal netwerk zijn en/of een cliëntondersteuner. De consulent voert het onderzoek uit volgens een stappenplan:
Nagaan welke problemen worden ondervonden in zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Tijdens het gesprek komen verschillende leefgebieden aan bod: financiën, dagbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, verslaving, activiteiten dagelijks leven, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie en justitie. Het doel hiervan is om een duidelijk en volledig beeld te krijgen van de cliënt en zijn hulpvraag. Voor ouders met inwonende kinderen worden vier aanvullende domeinen onderzocht: lichamelijke verzorging, sociaal-emotionele ontwikkeling, scholing en opvang van de kinderen.
Bij het onderzoek wordt gebruik gemaakt van de zelfredzaamheidsmatrix. Dit is een instrument om de zelfredzaamheid van de cliënt in kaart te brengen. De uitkomst van de matrix is ondersteunend aan het bepalen welke ondersteuning nodig is. Uitgangspunt is dat er mét de cliënt wordt gekeken naar wat nodig is en welke doelen daarvoor beschreven moeten worden. Als het nodig is, wordt met toestemming van de cliënt aanvullende informatie opgevraagd. Bijvoorbeeld eerdere rapportages van behandelingen. Deze informatie is waardevol om te bepalen welke ondersteuning passend is.
Als dit nodig blijkt uit het onderzoek het verstrekken van een maatwerkvoorziening. De consulent bespreekt de mogelijkheden voor zorg in natura en pgb met de cliënt. De cliënt kiest de zorgaanbieder of de leverancier. Bij de maatwerkvoorziening begeleiding stelt de zorgaanbieder een ondersteuningsplan op. Hierin worden de doelen overgenomen die in het verslag van de consulent staan.
Als voor het onderzoek specifieke deskundigheid nodig is, wordt er deskundig advies opgevraagd. Dit kan bijvoorbeeld een sociaal-medisch advies zijn van een externe adviseur. De gemeente heeft een contract met een extern medisch adviesbureau. De cliënt mag ook zelf zorgen voor een advies van een extern adviseur of medisch specialist. Een voorbeeld hiervan is het advies van een ergotherapeut.
2.4 Weergave van het onderzoek
Nadat het onderzoek is afgerond, stelt de consulent hiervan een verslag op. Hierin wordt de hulpvraag, de situatie van de cliënt de afwegingen van de beoordeling beschreven. Als de cliënt in aanmerking komt voor een voorziening, worden de doelen of het gewenste resultaat beschreven. In de meeste gevallen zal dit verslag dienen als een aanvraag. De cliënt kan opmerkingen noteren op het verslag.
Er zijn verschillende momenten dat de cliënt een aanvraag kan indienen:
indien het college een aanvraagformulier beschikbaar stelt. Dit gebeurt als tijdens het keukentafelgesprek meteen duidelijk is dat de cliënt in aanmerking komt voor de betreffende maatwerkvoorziening. Het aanvraagformulier wordt verstrekt door de consulent. Als de client het formulier ondertekent wordt dat gezien als aanvraag.
Binnen twee weken na het indienen van de aanvraag, ontvangt de cliënt een beschikking. Als het niet lukt om binnen twee weken een beschikking te sturen, verlengen we de beslistermijn met maximaal 2 weken. Hierover wordt de cliënt schriftelijk geïnformeerd vóórdat de beslistermijn is afgelopen. In de brief naar de cliënt wordt ook uitgelegd waarom de extra termijn nodig is.
In de beschikking staat het besluit van de gemeente. Als er een voorziening wordt toegekend, wordt hierin vermeld wat er wordt toegekend en de financieringsvorm hiervan (zorg in natura of persoonsgebonden budget (pgb)). Ook wordt de ingangsdatum en als nodig de einddatum vermeld. Bij een toekenning voor begeleiding worden de doelen die in het verslag zijn opgenomen in de beschikking genoemd.
Als de cliënt het niet eens is met het besluit, kan hij bezwaar indienen. In de beschikking staat uitgelegd hoe dat moet. Na de beslissing op het bezwaar, kan de cliënt eventueel nog in beroep gaan. De rechter toetst dan de beslissing op het bezwaar.
In de basis kunnen cliënten een voorziening ontvangen in natura (ZIN) of via een persoonsgebonden budget (pgb). Als tijdens het onderzoek duidelijk wordt dat de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, wordt hij door de consulent geïnformeerd over deze verschillende verstrekkingsvormen en welke passend is in die situatie.
Voor een aantal voorzieningen kan de cliënt in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming. Het hierbij om situaties waarin het college geen (volledige) maatwerkvoorziening in natura verstrekt of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is. Voor deze voorzieningen wordt geen eigen bijdrage gevraagd. Per voorziening geldt een andere maximale hoogte van de tegemoetkoming.
Het gaat om de volgende voorzieningen:
Een sportvoorziening: maximale hoogte van € 3.000,00. Daarnaast verstrekt het college een tegemoetkoming in de kosten van maximaal € 450,00 bestemd voor: eventuele aanpassingen, verzekering, onderhoud en reparaties. Als de cliënt vanwege medische redenen binnen drie jaar opnieuw een tegemoetkoming voor een sportvoorziening aanvraagt, dan wordt de restwaarde van de eerder aangeschafte sportvoorziening op de nieuw te verstrekken tegemoetkoming in mindering gebracht. De restwaarde wordt vastgesteld door de leverancier die de sportvoorziening geleverd heeft of door een leverancier die door de gemeente gecontracteerd is.
Sporten kan een belangrijk middel tot participatie zijn. Wanneer het voor de cliënt zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport, kan een sportvoorziening worden verstrekt. Dat kan bijvoorbeeld een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel. Op grond van eerdere regelgeving Wmo en jurisprudentie kan worden gesteld dat het redelijk is om maximaal 1 keer per drie jaar hiervoor een vergoeding te verstrekken. De aanvrager moet aantonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening. De ervaring leert dat sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. De gemeente verwacht van de cliënt dat deze aantoonbare maximale inspanning verricht op de mogelijkheden. Ook bij een sportvoorziening wordt uitgegaan van de goedkoopst compenserende oplossing bij het ondersteunen van de participatie.
2.8 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Nieuwe feiten en omstandigheden
De cliënt is verplicht om nieuwe feiten en omstandigheden zo snel mogelijk door te geven aan het CMD. Het gaat hier om feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het besluit van de gemeente. Een voorziening wordt namelijk geïndiceerd op basis van de situatie van de cliënt. Een verandering hierin kan een verandering in de indicatie betekenen. Relevant om door te geven is bijvoorbeeld een verandering in de gezondheid of de samenstelling van het huishouden en/of een indicatie voor de Wet langdurige zorg (Wlz).
Een herziening of intrekking van het besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden. Het (deels) ongedaan maken van het recht op een voorziening over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Daarbij kan het recht afwijkend worden vastgesteld (herzien) of worden ingetrokken als er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan.
De aanleiding om tot herziening of intrekking van het besluit over te gaan, kan liggen in:
De consulent beoordeelt of er aanleiding is om het besluit te herzien of in te trekken (art. 2.3.10 lid 1 onder a, d of e Wmo 2015). Hierna zorgt het college voor:
De cliënt wordt geïnformeerd over het besluit en hierbij ook over de mogelijkheden tot bezwaar en beroep. Dit wordt ook opgenomen in het besluit.
Terugvordering bij opzettelijke schending van de inlichtingenplicht
Het college kan een voorziening of bedrag alleen terugvorderen als de cliënt opzettelijk zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Het college moet het opzettelijk (met willens en wetens) schenden van de inlichtingenplicht op grond van art. 2.3.8 Wmo 2015 aannemelijk maken, maar hoeft dit niet aan te tonen. Voor het aannemelijk maken (van de opzettelijke schending) gelden geen vaste regels. Dat wil zeggen dat ook uit een gedraging van de cliënt aannemelijk kan zijn dat sprake is van het opzettelijk schenden van de inlichtingenplicht. Daarbij wordt opgemerkt dat naarmate het financieel belang toeneemt (hoogte van de terugvordering), de eisen die gesteld worden aan de bewijskracht zwaarder zullen zijn. Zie bijvoorbeeld CRVB:2020:667.
Heeft het college de opzettelijke schending van de inlichtingenplicht aannemelijk gemaakt, dan wordt in principe overgegaan tot herziening of intrekking van het besluit en de terugvordering van de geldswaarde bij gevolg daarvan (CRVB:2020:943). Bij diensten, zoals huishoudelijke ondersteuning of begeleiding, zal de geldwaarde bestaan uit het bedrag van de facturen die de gemeente daarvoor (ten onrechte) aan de aanbieder heeft betaald.
Het toezicht op geweldsincidenten en calamiteiten is belegd bij de GGD Hart voor Brabant. Het toezicht op recht- en doelmatigheid is op een andere manier georganiseerd. Het toezicht wordt uitgevoerd door BIZOB (Bureau Inkoop en Aanbestedingen Zuidoost-Brabant) in nauwe samenwerking met de kwaliteitsadviseurs van het CMD. Dit gebeurt op basis van signalen. Daarnaast wordt de kwaliteit van de zorgaanbieder getoetst op basis van verschillende criteria vooraf aan contractering. Ook tijdens de contractperiode wordt het toezicht hierop gehandhaafd.
2.9 Voorwaarden voor de eigen bijdrage
Hulpmiddelen, hulp bij het huishouden, begeleiding en dagbesteding en woningaanpassingen
Voor een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo betaalt de cliënt een eigen bijdrage zoals genoemd in artikel 2.1.4a. Wmo 2015. De eigen bijdrage is momenteel een vast bedrag, onafhankelijk van het inkomen van de cliënt. Het maakt ook niet uit hoeveel voorzieningen de cliënt ontvangt. In 2026 is de eigen bijdrage € 21,80. De eigen bijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd. Informatie over de eigen bijdrage wordt vermeld in de beschikking.
Er is een wetsvoorstel in de maak om de eigen bijdrage weer inkomensafhankelijk en vermogensafhankelijk te maken, zoals vóór 2019. De verwachting is dat deze wijziging niet voor 1 januari 2028 ingaat. Als er duidelijkheid is over de regeling, wordt dit besluit aangepast en worden cliënten tijdig geïnformeerd.
Beschermd Wonen en maatschappelijke opvang
Voor deze voorzieningen gelden andere regels voor de eigen bijdrage. Bij Beschermd Wonen wordt dezelfde berekening toegepast als bij de Wlz. Als een cliënt de huur zelf betaalt, dan betaalt hij wel het abonnementstarief per maand.
Voor maatschappelijke opvang betaalt de cliënt een eigen bijdrage aan de instelling waar hij verblijft. Dit verschilt per instelling. Voor 2 nachten opvang in 4 weken tijd geldt een vrijstelling van de eigen bijdrage voor andere Wmo voorzieningen in die periode.
Het regresrecht stelt de gemeente in staat om kosten te verhalen als een derde aansprakelijk is voor een ongeval, waardoor de gemeente vanuit de Wmo voorzieningen moet verstrekken aan de cliënt die door het ongeval met beperkingen te maken krijgt. Vaak komt de gemeente dan voor het regres uit bij een aansprakelijkheidsverzekeraar.
De VNG en het Verbond van Verzekeraars hebben afgesproken dat voor schadeveroorzakende gebeurtenissen van vóór 15-2-2017 geen eigen bijdrage in rekening wordt gebracht. Dit is definitief afgekocht. Voor gebeurtenissen vanaf 15-2-2017 geldt dat wél een eigen bijdrage in rekening kan worden gebracht bij de cliënt.
3.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening
Een voorwaarde om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen is dat de cliënt zijn hoofdverblijf in de gemeente heeft waar de aanvraag wordt gedaan. De cliënt moet ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente. Hoofdverblijf betekent volgens jurisprudentie meer dan alleen ingeschreven staan in de BRP; de cliënt moet daadwerkelijk het grootste deel van de tijd in de gemeente verblijven. Als de cliënt kan aantonen dat hij op korte termijn in de gemeente van aanvraag komt wonen, kan -als hij nog niet staat ingeschreven in de BRP- de aanvraag in behandeling worden genomen. Er wordt dan wel een termijn afgesproken waar binnen de inschrijving in de BRP geregeld moet zijn.
Tijdens het onderzoek houdt de consulent rekening met de duur, de aard en ernst van de beperkingen en de af- of aanwezigheid van informele zorg in de directe omgeving. Er moet worden vastgesteld dat er sprake is van beperkingen waardoor de cliënt niet kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer of dagelijkse activiteiten kan uitvoeren. De richtlijn voor het toekennen van een voorziening is dat deze langdurig noodzakelijk is. Met langdurig wordt bedoeld dat de cliënt voor langere tijd (ter indicatie: langer dan een half jaar) aangewezen moet zijn op de desbetreffende voorziening. Wie tijdelijk beperkingen ondervindt, bijvoorbeeld bij een botbreuk, terwijl vaststaat dat de beperkingen slechts tijdelijk zijn, komt niet voor een voorziening in aanmerking. Degene die voor 'beperkte of onzekere duur' beperkingen ondervindt kan een beroep doen op de Zorgverzekeringswet. Als de verwachting is dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag de consulent van kortdurende noodzaak uitgaan en dus de Wmo-aanvraag afwijzen. Ook hierbij houdt de consulent rekening met specifieke omstandigheden. Denk hierbij aan de leeftijd, mobiliteit, samenstelling van het huishouden en aard van de woning die het leven zonder hulp en aanpassingen te complex maken. Hulp bij het huishouden kan wel voor een korte periode worden toegekend.
Als blijkt dat de cliënt niet op eigen kracht of met hulp van het sociaal netwerk tot een oplossing kan komen, wordt door de consulent beoordeeld of er algemene voorzieningen zijn die de problemen die cliënt ondervindt (gedeeltelijk) kunnen compenseren.
Voorliggend op de Wmo is een voorziening of dienst vanuit een andere wettelijke regeling, zoals de Wlz, Zorgverzekeringswet (Zvw) of het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV). Als dit het geval is, kan op grond van de Wmo de voorziening of dienst worden geweigerd. De Wlz is verantwoordelijk voor woningaanpassingen en diensten in een Wlz-instelling. Voorliggende voorzieningen vanuit de Zvw zijn bijvoorbeeld loophulpmiddelen. Zorgverzekeraars hebben afspraken met thuiszorgaanbieders voor tijdelijk gebruik van krukken of een rolstoel en met hulpmiddelenleveranciers voor permanent gebruik van andere loophulpmiddelen. Het aanbod is afhankelijk van het verzekeringspakket. Vanuit het UWV en de werkgever kan er aanspraak gemaakt worden op hulpmiddelen in de werksituatie en voor vervoer van en naar het werk.
Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die voldoet aan de volgende criteria:
In geval van een laag inkomen (op bijstandsniveau) kan mogelijk een beroep worden gedaan op bijzondere bijstand. Een voorziening kan ook bestaan uit een pgb dat uitsluitend bedoeld is voor de meerkosten van een noodzakelijk aan te passen voorziening. Hierbij wordt alleen de meerprijs vergoed die verband houdt met de beperking, boven op de algemeen gebruikelijke kosten die iemand zonder beperking voor dezelfde voorziening zou maken (bijvoorbeeld via normbedragen zoals vastgesteld door het NIBUD). Kosten van de basisvoorziening zelf, zoals een standaardauto of standaardfiets, komen niet voor vergoeding in aanmerking.
De individuele situatie van een cliënt moet altijd beoordeeld worden. Hoewel iets in zijn algemeenheid algemeen gebruikelijk kan zijn, kan dit bij een bepaalde cliënt toch leiden tot toekenning van een voorziening. Een fiets bv. is normaliter algemeen gebruikelijk, maar hierop kunnen uitzonderingen worden gemaakt, bv. bij jonge kinderen waarvoor een fiets met hulpmotor of lage instap een passende voorziening is.
Goedkoopst compenserende voorziening
De verstrekking is altijd gebaseerd op de goedkoopst compenserende voorziening. Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen, maar er wordt gekozen voor de compenserende oplossing die hierin naar objectieve maatstaven de goedkoopste is. Als de cliënt een duurdere voorziening wil komen de meerkosten voor rekening van de cliënt.
3.2 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen
Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een woonvoorziening worden verleend voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid, doorgankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Dit is niet van toepassing op: het treffen van woonvoorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur. Er worden ook geen woonvoorzieningen getroffen in woongebouwen die specifiek op mensen met beperkingen (doelgroepgebouwen) gericht. Het gaat dan om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten en woonvoorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen.
Een woningaanpassing wordt slechts verleend als de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in de woning waaraan de woningaanpassing wordt getroffen.
De aanvraag kan in ieder geval worden geweigerd als:
Vormen van een woonvoorziening
De volgende woonvoorzieningen zijn mogelijk:
Bezoekbaar maken van een woning
Een woonvoorziening kan getroffen worden voor de meerkosten van het bezoekbaar maken van één woonruimte als de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling. Dit betekent dat we ervoor zorgen dat een cliënt die verblijft in een Wlz-instelling, een woonruimte bezoekbaar maken. Dit kan de woning zijn waar de cliënt staat ingeschreven en bijvoorbeeld de partner nog woont.
Er worden geen voorzieningen getroffen om een woning logeerbaar te maken als de cliënt in een Wlz-instelling verblijft. De reden hiervan is dat de cliënt vanuit de Wlz een zwaar zorgpakket heeft waarvan hij al een aangepaste verblijfsplek heeft. Het logeerbaar maken van een andere woning is daarom niet noodzakelijk.
Als de consulent vaststelt dat een cliënt in verband met zijn beperkingen het beste kan verhuizen naar een geschikte woning, omdat de bestaande woning niet of moeilijk aangepast kan worden of de kosten hiervoor te hoog zijn, kan een verhuisvergoeding van maximaal € 3.000,00 verstrekt worden. De voorwaarden voor het toepassen van het primaat staan vermeld in de verordening, artikel 3.2.
Bij de beoordeling van het primaat van verhuizen maakt de consulent gebruik van de checklist die door Schulinck is opgesteld: https://www.schulinck.nl/app/uploads/schulinck-infographic-wmo-woningaanpassing-vs-primaat-van-verhuizing.pdf. Er wordt onder andere rekening gehouden met het daadwerkelijke aanbod van geschikte woningen en op welke termijn een geschikte woning beschikbaar is voor de cliënt. Als een geschikte woning niet binnen een medisch aanvaardbare termijn aanvaardbaar is, dan worden er kleine woningaanpassingen gedaan ter overbrugging. Welke aanpassingen dit zijn is afhankelijk van de situatie en kenmerken van de cliënt.
3.3 Aanvullende criteria voor vervoersvoorzieningen
De volgende vervoersvoorzieningen kunnen worden verstrekt als maatwerkvoorziening:
Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV)
Op basis van het onderzoek kan binnen de voorziening CVV maatwerk geboden worden, mits de geldende contracten met de aanbieder van CVV hiervoor ruimte bieden. Denk hierbij aan individueel vervoer of voorin zitten in de taxi.
In Son en Breugel krijgen alle inwoners van 80 jaar ouder een pas voor het CVV als zij een hiervoor een melding hebben gedaan.
Hierbij gelden de volgende criteria:
Vervoer naar en van een locatie voor dagbesteding wordt normaliter geregeld door de gecontracteerde aanbieder van dagbesteding. Is dat niet het geval, dan kijkt de consulent samen met de cliënt naar een andere oplossing.
Als aanvulling op het CVV, of als uit onderzoek blijkt dat CVV niet passend is, dan kan er worden gedacht aan andere vervoersvoorzieningen zoals een scootmobiel of een driewielfiets.
Bovenregionaal vervoer is mogelijk via Valys. Dit is een landelijke regeling die cliënten bij Valys zelf kunnen aanvragen. Dit is onder andere mogelijk als de cliënt een vervoersvoorziening via de Wmo ontvangt. De consulent informeert de cliënt over de mogelijkheid van Valys als hij in aanmerking komt voor een Wmo vervoersvoorziening.
3.4 Aanvullende criteria voor hulp bij het huishouden
Hulp bij het huishouden is het schoon en leefbaar houden van de belangrijkste ruimtes, zoals beschreven in het normenkader 2025 van het bureau HHM, van een huis dat regelmatig worden gebruikt. Wanneer nodig betekent dit ook het verzorgen van schone kleding en textiel (wasverzorging). Daarnaast kan het aanleren van vaardigheden hierbij horen. Dit wordt dan kortdurend ingezet.
Een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen.
In ruimten met achterstallig onderhoud of vervuilde ruimten wordt geen huishoudelijke hulp ingezet.1
De consulent stelt de indicatie met inachtneming van het HHM-normenkader huishoudelijke ondersteuning 2025.
Naast het resultaatgebied Schoon en leefbaar huis zijn ook de volgende resultaatgebieden onderdeel van het HHM-normenkader:
De beschrijving van de resultaten zijn terug te vinden in het document: “Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 (opvolger NHO 2019 & 2022)
Het normenkader ziet op maatwerk voor de individuele cliënt. In het normenkader is aangegeven hoeveel tijd nodig is als sprake is van volledige overname van het huishouden bij de omschreven ‘gemiddelde cliëntsituatie’ (ofwel ‘ijk-cliënt’) en op grond waarvan minder als mogelijk of meer als nodig ondersteuning wordt geboden.
Gebruikelijke hulp is hulp die verwacht wordt van huisgenoten en die “normaal” wordt geacht in de relatie tussen huisgenoten en/of niet structureel meer is dan wanneer de huisgenoot geen beperking zou hebben. Het is de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders, inwonende kinderen of andere volwassen huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid samen een huishouden voeren. Ze hebben dan een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden en voor elkaar. Onder leefeenheid verstaan we een geheel aan personen waarmee een persoon op hetzelfde adres woonachtig is en een huishouden deelt (uitwonende kinderen en uitwonende partner vallen hier dus buiten). Als er tot de leefeenheid huisgenoten behoren die huishoudelijke werkzaamheden kunnen overnemen, wordt verwacht dit zij dit doen door een herverdeling van taken. Dit principe heeft een verplichtend karakter. Studie of (vrijwillige) werkzaamheden vormen geen reden om van de gebruikelijke hulp af te zien.
Redenen als 'niet gewend zijn om' of 'geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot het toekennen van huishoudelijke hulp. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, de wijze van inkomensverwerving, drukke werkzaamheden, lange werkweken of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. In die situaties kan een tijdelijke indicatie afgegeven worden voor het aanleren hiervan.
Bij commerciële kamer(ver)huur geldt:
In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit (minderjarige) kinderen, dan wordt ervan uitgegaan dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Hierbij geldt dat:
In sommige gevallen is er huishoudelijke hulp nodig bij gezinnen met inwonende kinderen. Dit kan leiden tot de noodzaak voor extra ondersteuning. Hierbij wordt er rekening gehouden met de leeftijd en leefstijl van de kinderen en de bijdrage die het kind levert in de huishouding (leeftijdsafhankelijk, gebruikelijke hulp). Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren in de vorm van mantelzorg en daarmee de benodigde extra inzet beperken of opheffen. Soms is er sprake van bijzonderheden van het kind zelf (ziekte of beperking) die maken dat extra ondersteuning nodig is.
Gezondheidsproblemen en overbelasting
In individuele gevallen kan het voorkomen dat een huisgenoot of partner geen gebruikelijke hulp kan leveren omdat deze zodanige gezondheidsproblemen heeft of overbelasting dreigt dat geconcludeerd kan worden dat de betreffende taken niet uitgevoerd kunnen worden. Het is aan de cliënt en de andere leden van het huishouden om dit te onderbouwen met objectieve en relevante gegevens. Deze onderbouwing kan betrokken worden bij de weging of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is.
Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn om alsnog een maatwerkvoorziening toe te kennen voor taken die overgenomen kunnen worden door huisgenoten.
Als de enige huisgenoot van de cliënt vanwege zijn werk fysiek niet aanwezig is, wordt dit meegenomen bij de afweging of de gebruikelijke hulp daadwerkelijk geleverd kan worden.
De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan zijn werk. Denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer de enige huisgenoot een aaneengesloten perioden van ten minste zes etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een éénpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke hulp worden geleverd. Voor die perioden kan de cliënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening.
Korte levensverwachting cliënt
Als de cliënt een zeer korte levensverwachting heeft kan, ter ondersteuning van de leefeenheid van de cliënt, afgewogen worden of voor taken die onder de gebruikelijke hulp vallen toch een maatwerkvoorziening kan worden ingezet.
Invloed van aanwezigheid huisdieren
De aanwezigheid van een huisdier, met uitzondering van een hulphond, geeft in beginsel geen aanleiding tot het vaststellen van extra activiteiten of het voorzien in een hogere frequentie van de maatwerkvoorziening. Met de cliënt moet in voorkomende gevallen overleg plaatsvinden over aantal of aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet voor rekening van de gemeente komen.”
Voortzetting hulp na overlijden of opname in instelling met zorg
Wanneer binnen een leefeenheid de cliënt overlijdt wordt onderzocht door de consulent of huishoudelijke ondersteuning nodig is voor de overgebleven partner. Dit beleid geldt ook als er sprake is van een permanente opname van de cliënt. Blijkt uit onderzoek dat:
Voor inwoners met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen kan vanuit de Wmo begeleiding ingezet worden. Begeleiding richt zich op het vergroten van de zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving. Het kan gaan om bijvoorbeeld een dagstructuur aanbrengen of het aanleren van vaardigheden. Er zijn verschillende zorgaanbieders gecontracteerd, vaak met een eigen expertisegebied zoals autisme of niet-aangeboren hersenletsel. Begeleiding kan individueel zijn of in een groep.
Daarnaast is er de mogelijkheid voor dagbesteding. Het gaat bij gespecialiseerde dagbesteding om ondersteuning bij activiteiten voor inwoners met een sterk verminderde zelfregie als gevolg van psychiatrische, psychogeriatrische, verstandelijke of lichamelijke beperkingen.
Groepsbegeleiding is een vorm van individuele begeleiding, ingezet in groepsverband met dezelfde begeleidingsdoelen. Het is ontwikkelgericht, focust op het aanleren van vaardigheden en bevorderd de autonomie.
Groepsbegeleiding kan gecombineerd worden met individuele begeleiding of dagbesteding, mits goed onderbouwd. Elke voorziening heeft eigen doelen en een passende indicatie. De indicaties vullen elkaar aan en zijn niet dubbelop.
Persoonlijke verzorging betreft ondersteuning bij handelingen die gericht zijn op het lichamelijk verzorgen van de cliënt, zoals wassen, douchen, aankleden, toiletgang, eten en drinken, en overige handelingen die verband houden met lichamelijke verzorging of medische zorg.
Een verzekerde kan op grond van de Zvw aanspraak maken op verpleging en verzorging indien er sprake is van:
De wijkverpleegkundige beoordeelt aard, inhoud en omvang van de benodigde verpleging en verzorging. Persoonlijke verzorging valt in deze gevallen niet onder de Wmo 2015.
Als de behoefte aan persoonlijke verzorging niet samenhangt met geneeskundige zorg of een hoog risico daarop, maar wel verbonden is aan begeleiding en het behoud of vergroten van zelfredzaamheid, kan de gemeente ondersteuning bieden op grond van de Wmo 2015. Dit kan onder andere betrekking hebben op:
Bij twijfel of persoonlijke verzorging onder de Zvw of Wmo 2015 valt, vindt afstemming plaats tussen de Wmo-consulent van de gemeente en de wijkverpleegkundige. Dit voorkomt dat cliënten onnodig tussen domeinen “schuiven”.
Ondersteuningsplan en evaluatieverslag
Voor alle vormen van begeleiding stelt de consulent samen met de inwoner of zijn netwerk concrete doelen op. De zorgaanbieder maakt op basis van de doelen een ondersteuningsplan. Dit plan moet voldoen aan de vereisten die gesteld zijn door de gemeenten die begeleiding hebben ingekocht. De eisen zijn te vinden in het Indicatieprotocol Begeleiding. Het ondersteuningsplan wordt geëvalueerd door de consulent, de zorgaanbieder en de inwoner. Als een verlenging van de indicatie wordt aangevraagd, of als de indicatie wordt beëindigd, dan stelt de zorgaanbieder een evaluatieverslag op. De eisen voor het evaluatieverslag staan ook in het Indicatieprotocol Begeleiding. Het evaluatieverslag vormt de basis van het evaluatiegesprek.
Respijtzorg is de tijdelijke ondersteuning die wordt geboden ter ontlasting van een mantelzorger door (een deel van) de zorg voor een inwoner over te nemen. Het gaat om het bieden van gelegenheid tot rust, herstel of het vervullen van andere verplichtingen van de mantelzorger. Respijtzorg kan plaatsvinden in de woning van de inwoner of op een externe locatie. Het kan zowel professionele begeleiding als logeeropvang (kortdurend verblijf) of dagbesteding zijn.
Mantelzorgers en/of cliënten worden over deze mogelijkheid geïnformeerd door het Mantelzorgsteunpunt (als zij hier staan ingeschreven) en door de consulent van het CMD tijdens het huisbezoek.
Er zijn een aantal aanbieders gecontracteerd voor logeeropvang. De consulent kan een indicatie stellen op naam van de cliënt van maximaal 52 etmalen per jaar.
3.7 Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen
Beschermd wonen is voor volwassenen (18+) met ernstige psychische of psychosociale problemen die (tijdelijk) niet zelfstandig kunnen wonen, zelfs niet met hulp uit hun sociale netwerk, en 24/7 ondersteuning nodig hebben. Cruciale voorwaarden zijn een vastgestelde diagnose (psychiatrisch, verslaving, verstandelijk, etc.), een aantoonbaar gebrek aan zelfredzaamheid en een indicatie van de consulent, waarbij gekeken wordt naar de noodzaak voor intensieve begeleiding en toezicht.
Beschermd Wonen is meestal een geclusterde en kleinschalige woonvorm, waar cliënten hun eigen appartement of kamer hebben. Er is continu begeleiding beschikbaar die de cliënten helpt bij het structureren van hun dag, het regelen van verschillende zaken en het vinden van een passende daginvulling. Voor sommige cliënten is Beschermd Wonen een opstap naar zelfstandig wonen.
We hanteren conform de Wonen met Zorg Visie drie verschillende vormen van Beschermd Wonen. Tijdens het onderzoek wordt beoordeeld welke vorm passend is bij de cliënt.
A. Beschermd Wonen met 24 uur toezicht
Het gaat om cliënten met een intensieve zorgvraag. Deze groep verblijft in een instelling en heeft een (zeer) zware zorgbehoefte.
Hier gaat het om zelfstandig wonen met matige tot intensieve ondersteuning waarbij 24 uur per dag ondersteuning bereikbaar en oproepbaar is.
Dit is een vorm van zelfstandig wonen met lichte tot matige ambulante ondersteuning waarbij 24 uur per dag ondersteuning bereikbaar en oproepbaar is.
Het onderzoek naar een indicatie voor Beschermd Wonen wordt gedaan door de gemeente waar de cliënt vandaan komt. Als er een indicatie wordt gesteld, dan neemt gemeente Eindhoven het over en organiseert een passende plek voor de cliënt. Momenteel is de regio Zuidoost-Brabant bezig met de doorontwikkeling van Beschermd Wonen naar Beschermd Thuis, waarbij cliënten zoveel mogelijk in hun eigen omgeving blijven wonen, met 24/7 toegang tot hulp. Hierdoor zal de werkwijze veranderen. Als deze duidelijk is, wordt hiervoor een apart werkproces opgesteld. Tot die tijd blijft de huidige werkwijze van kracht.
Maatschappelijke opvang is voor iedereen van 18+ die dakloos is of dreigt te worden door problemen zoals huiselijk geweld, schulden, psychische problemen, verslaving, werkloosheid, of na detentie, en die zelf geen oplossing kan vinden. Het biedt tijdelijk onderdak, begeleiding en hulp bij het oplossen van deze problemen zodat men weer zelfstandig kan functioneren en een eigen woning kan vinden. Gemeente Eindhoven is centrumgemeente en organiseert en financiert de maatschappelijke opvang voor alle inwoners uit regio Zuidoost-Brabant. Inwoners kunnen zichzelf melden, maar ook hulpverleners kunnen dit doen. Het Regieteam in Eindhoven beoordeelt de hulpvraag en regelt een passende plek. Gemeente Eindhoven heeft met verschillende organisaties een contract voor opvang.
4.1 Regels voor een persoonsgebonden budget (pgb)
Het is belangrijk dat cliënten vooraf goed weten wat het pgb inhoudt en welke verantwoordelijkheden ze daarbij hebben. Deze informatie zal door de consulent tijdens het gesprek aan de cliënt en zijn/haar sociaal netwerk worden gegeven. Daarnaast verzorgt het servicecentrum pgb van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) voorlichting voor budgethouders.
De cliënt levert vóór verstrekking van het pgb, maar na bepaling van de noodzaak voor een hulpmiddel, dan wel een (woning)aanpassing, dan wel een dienst, een budgetplan aan bij de consulent waarin omschreven staat:
De budgethouder is zelf verantwoordelijk voor:
De hulpverlener die zorg levert aan de budgethouder is zelf verantwoordelijk voor het doorgeven van loongegevens aan de Belastingdienst.
Eisen aan het ondersteuningsplan pgb bij aanvraag begeleiding:
Binnen zes weken na de beschikkingsdatum moet de pgb-houder een ondersteuningsplan bij de consulent aanleveren. Dit plan moet door de zorgverlener zijn ondertekend. Voor het ondersteuningsplan bij een pgb gelden dezelfde eisen als voor het ondersteuningsplan bij zorg in natura. De eisen staan in het Indicatieprotocol Begeleiding. Dit geldt ook voor het evaluatieverslag.
In de Wmo 2015 is de verplichting opgenomen dat gemeenten pgb’s uitbetalen in de vorm van het trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het budget niet op de bankrekening van de cliënt (budgethouder) stort, maar op rekening van het servicecentrum pgb van de SVB. De budgethouder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren hulp zijn geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling van de zorgverlener. Pgb budget dat niet wordt besteed, wordt door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente.
Het pgb wordt uitsluitend gebruikt voor betaling van de voorziening die geïndiceerd is en de kosten die daarmee samenhangen. Het hulpmiddel, aanpassing van een hulpmiddel, dan wel woningaanpassing, of de dienst die de cliënt inkoopt met het persoonsgebonden budget is adequaat, veilig, cliëntgericht en kwalitatief verantwoord.
De budgethouder die begeleiding ontvangt maakt gebruik van het model Zorgovereenkomst van de SVB dat op hem van toepassing is:
In de zorgovereenkomst SVB mag bij ”vergoeding” niet gekozen worden voor een vast maandbedrag.. Enkel zorg die daadwerkelijk geleverd wordt, wordt uitbetaald. Hierop wordt gecontroleerd en wordt de budgethouder op aangesproken. Als de budgethouder de maandelijkse vergoeding blijft hanteren, dan toetst de consulent opnieuw of de budgethouder pgb-vaardig is.
Een pgb wordt door de cliënt binnen zes maanden na toekenning gebruikt. Als dat niet het geval is, onderzoekt de consulent of de verstrekte voorziening wel een passende oplossing is voor de cliënt.
Voordat er een pgb wordt verstrekt, wordt de pgb-vaardigheid van de budgethouder of de beoogde vertegenwoordiger getoetst. Dit doet de consulent. De volgende punten worden getoetst:
De budgethouder/-vertegenwoordiger:
Deze punten met verdere uitleg zijn terug te vinden in deze infographic.
Pgb-houders kunnen hun pgb-vaardigheid aantonen door samen met de consulent de pgb-test van Per Saldo te maken. Op de website van Per Saldo staat ook alle informatie over pgb's.
Er wordt geen pgb toegekend als er bij de budgethouder of –vertegenwoordiger het risico of een gegrond vermoeden bestaat dat het budget niet wordt besteed aan het bestemde doel. Dit kan zijn als:
Deze opsomming is niet limitatief.
Als blijkt dat de budgethouder niet voldoende pgb-vaardig is, kan hij een andere persoon aanwijzen als vertegenwoordiger. Blijkt ook deze persoon niet voldoende pgb-vaardig, kan er naar andere personen gekeken worden. De cliënt is verantwoordelijk voor het aanwijzen van een vaardige vertegenwoordiger. Als er geen vaardige vertegenwoordiger gevonden wordt, dan wordt er geen pgb verstrekt. De cliënt kan dan de maatwerkvoorziening in natura krijgen. In de beschikking wordt de afwijzing van het pgb onderbouwd.
4.3 Kwaliteitseisen gesteld aan diensten, hulpmiddelen en aanpassingen ingekocht met een persoonsgebonden budget
Voor woningaanpassingen geldt dat de kwaliteitseisen worden vastgesteld op basis van het programma van eisen. De kwaliteitseisen van een hulpmiddel zijn afhankelijk van de eisen die gelden voor het gecontracteerde aanbod. Dat verschilt per hulpmiddel. De kwaliteitseis kan betrekking hebben op de geldende norm NEN-EN-ISO en/of een keurmerk.
In tegenstelling tot diensten lopen pgb’s voor woningaanpassingen en hulpmiddelen niet via de SVB. Deze pgb’s worden normaal gesproken aan de derde partij uitbetaald. Bij de beoordeling of een cliënt in aanmerking komt voor een pgb voor een woningaanpassing zijn de volgende aspecten in ieder geval van belang:
De hoogte van het pgb hangt af van of er sprake is van formele hulp en informele hulp, en in hoeverre aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Deze zijn beschreven in artikel 4.3 en 4.4 van de verordening. In artikel 4.5 eerste lid is per type hulpverlener de maximale hoogte van het budget aangegeven. Het tarief voor zzp’er is lager dan voor zorginstellingen, omdat zzp’ers minder overheadkosten hebben.
Voor het sociaal netwerk wordt er minimaal een tarief gelijk aan het minimumloon toegekend. Als een persoon die een sociale relatie heeft met de cliënt hulp biedt, mag hier iets tegenover staan, maar een professioneel tarief is hierbij niet passend. Dit geldt ook als de hulpverlener een professionele zorgverlener is. De relatie met de cliënt is leidend voor het bepalen van het tarief en niet de achtergrond van de hulpverlener.
In de inkoop van huishoudelijke hulp worden ook zzp’ers gecontracteerd. Dit is voor een dienst als huishoudelijk hulp een passende vorm. Het zzp-tarief in de inkoop is lager dan het tarief voor zorginstellingen. Om die reden wordt bij de inzet van een zzp’er in de vorm van een pgb het gecontracteerde zzp-tarief aangehouden. Dat betekent dat 100% van het bepaalde zzp-tarief in de inkoop van toepassing is op zzp’ers die via een pgb hulp verlenen.
Het kan voorkomen dat de cliënt het pgb wil besteden aan een duurdere maatwerkvoorziening dan waar de consulent de hoogte van het pgb op heeft gebaseerd. In dat geval geldt dat de cliënt de meerkosten zelf moet betalen. Het deel van de meerkosten waaraan de maatwerkvoorziening wordt besteed, wordt dan door de consulent geweigerd. Let wel: ook in die gevallen gelden nog steeds de algemene voorwaarden van bijvoorbeeld de kwaliteit. Dat wil zeggen dat de consulent de kwaliteit mag beoordelen maar ook bijvoorbeeld kan nagaan of de cliënt wel in staat is om de duurdere maatwerkvoorziening te bekostigen. Als de cliënt niet bereid de meerkosten zelf te betalen, kan de consulent overgaan tot het weigeren van het totale pgb. Er kan dan immers niet aan (wettelijke) voorwaarden van het pgb worden voldaan.
4.6 Opschorting betaling uit het pgb
Om misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen zal het CMD niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het besluit. Het CMD kan de SVB verzoeken om de betaling van het pgb voor maximaal 13 weken op te schorten. Het gaat om situaties waarin het CMD het pgb heeft toegekend, al heeft uitbetaald aan de SVB en er aanleiding is om de SVB te verzoeken eventuele declaraties (nog) niet uit te betalen. Daarvoor moet het CMD een gegrond vermoeden hebben. Dat wil zeggen er moet een aanwijzing (of meerdere) zijn om tenminste de conclusie te kunnen trekken dat er sprake kan zijn van het niet of onvoldoende voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit art. 2.3.10 lid 1 onder a, d of e Wmo 2015. Die aanwijzingen kunnen betrekking hebben op de budgethouder maar ook op de derde (of daaraan gelieerde rechtspersoon). Gedurende de termijn van opschorting voert het CMD en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden.
Voorbeelden van een gegrond vermoeden zijn:
Het toezicht op calamiteiten en geweld is door alle 21 gemeenten van de regio Zuidoost-Brabant belegd bij de GGD Hart van Brabant. Op de website van de GGD is hierover meer informatie te vinden: https://www.ggdhvb.nl/professional/digitaal-melden/meldpunt-toezicht-wmo/. Hier staat ook het protocol dat aanbieders moeten volgens bij calamiteiten of geweld. Op de website is informatie te vinden of wat er gemeld moet worden en wanneer, en welke taken de GGD uitvoert.
BIZOB houdt toezicht op zorgaanbieders en leveranciers op basis van keurmerken, certificaten en kwaliteitscriteria. Niet alleen voor contractering maar ook tijdens de contractperiode. De bevindingen worden via BIZOB gerapporteerd. De kwaliteitsadviseurs van het CMD hebben hier ook een belangrijke rol in. Daarnaast neemt de gemeente deel aan de inkoopteams waarin de kwaliteit wordt geborgd. Op basis van signalen wordt aanvullend toezicht uitgevoerd.
H 6 – waardering mantelzorgers en tegemoetkoming zorgkosten
6.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers
Mantelzorgers komen voor de jaarlijkse blijk van erkenning en waardering in aanmerking, als zij meer dan 8 uur per week en gedurende 3 maanden per jaar meer dan gebruikelijke zorg verlenen aan een familielid, een vriend of naaste die woonachtig is in de gemeente Son en Breugel. Daarbij moeten zij als mantelzorger ingeschreven staan bij het Mantelzorgsteunpunt van de LEV Groep in het CMD. Op deze manier kunnen wij de mantelzorgers bereiken. De coördinatie van de jaarlijkse waardering wordt door de LEV Groep uitgevoerd. Per jaar kan de waardering wisselen. In de meeste gevallen bestaat deze in ieder geval uit een tegoedbon. Daarnaast kunnen mantelzorgers het hele jaar door ondersteuning krijgen vanuit het Mantelzorgsteunpunt. Rondom de Week van de jonge mantelzorger (juni) en de Week van de mantelzorger (november), worden extra activiteiten georganiseerd voor mantelzorgers. Gebruik maken van het aanbod van het Mantelzorgsteunpunt is vrijwillig en vrijblijvend.
6.2 Tegemoetkoming meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen
Inwoners met een chronische ziekte of beperking kunnen een financiële tegemoetkoming ontvangen. Hierbij moet de inwoner een eigen bijdrage betalen voor de Wmo of zijn eigen risico van de zorgverzekering structureel opmaken. Het gaat om een tegemoetkoming van € 300,- per jaar. Inwoners moeten deze tegemoetkoming aanvragen. Op de website van de gemeente staat hoe aanvragen werkt en wat de voorwaarden zijn: https://www.sonenbreugel.nl/tegemoetkoming-chronische-ziekte-of-beperking. Inwoners kunnen het hele jaar door de aanvraag doen. Inwoners die gebruik maken van de regeling, worden jaarlijks per brief geïnformeerd over de mogelijkheid voor het nieuwe jaar. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan de regeling door communicatie via de gemeentekanalen en de MooiSonenBreugelKrant.
Inwerkingtreding en citeertitel
Het uitvoeringsbesluit treedt in werking op 23 juli 2026.
Deze nadere regels worden aangehaald als ‘Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Son en Breugel 2026’.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-350163.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.