Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning 2026 gemeente Epe

De raad van de gemeente Epe;

 

Gelet op:

 

  • de artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; en

  • het uitvoeringsbesluit Wmo

  • de handreiking landelijke toegang maatschappelijke opvang, december 2014, en de handreiking en beleidsregels landelijke toegang beschermd wonen, november 2016;

Overwegende dat:

 

  • 1.

    inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;

  • 2.

    dat van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;

  • 3.

    het noodzakelijk is om ingezetenen te ondersteunen als zij beperkingen ondervinden in hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid en zij niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hiervoor een oplossing te vinden;

  • 4.

    het noodzakelijk is om ingezetenen met psychische of psychosociale problemen in ingezetenen die vanwege huiselijk geweld of om andere redenen de thuissituatie hebben verlaten, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij hier niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen toe in staat zijn;

  • 5.

    het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen met betrekking tot de invulling van de plicht tot ondersteuning.

BESLUIT

 

Vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2026 gemeente Epe

 

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

     

    Afschrijvingstermijn: periode waarover een voorziening economisch wordt afgeschreven;

    Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die:

     

    • -

      Niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

    • -

      Daadwerkelijk beschikbaar is;

    • -

      Een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en;

    • -

      Financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau;

    Algemene voorziening: Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning;

    Andere voorziening: Een voorziening anders dan in het kader van de Wmo, op het gebied van zorg, onderwijs of werk en inkomen, die passend is ter ondersteuning in de zelfredzaamheid en participatie;

    Beschermd thuis: een vorm van begeleid wonen voor mensen met psychische, psychosociale of verslavingsproblematiek die niet volledig zelfstandig kunnen wonen, maar ook geen intensieve zorg in een instelling nodig hebben; het biedt een veilige, gestructureerde woonomgeving met 24/7 bereikbare, op afroep inzetbare begeleiding, waarbij de cliënt zelfstandig woont (vaak in een eigen huis) en de zorg 'gescheiden' is van het wonen, in tegenstelling tot 'beschermd wonen' in een instelling;

    Beschermd wonen: Het verblijf in een accommodatie van een instelling, zoals omschreven in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, waarbij toezicht en begeleiding worden geboden gericht op zelfredzaamheid, participatie, stabilisatie en veiligheid van personen met psychische of psychosociale problemen die zich niet zelfstandig kunnen handhaven; 

    Budgethouder: inwoner aan wie een maatwerkvoorziening is toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) of een door de inwoner ingeschakelde vertegenwoordiger, die aanspreekbaar en bereid is verantwoordelijk gehouden te worden voor het nakomen van de aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen;

    College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe;

    Dienst: voorziening die niet tastbaar is, niet beet te pakken of aan te raken zoals bijvoorbeeld huishoudelijke hulp, begeleiding, respijtzorg, vervoer en dagbesteding;

    Eigen bijdrage: Bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo;

    Eigen kracht: de eigen mogelijkheden, het probleemoplossend vermogen, de beschikbare tijd en middelen van de inwoner en/of diens leefeenheid om, al dan niet met ondersteuning vanuit het sociaal netwerk, zelf beperkingen in zelfredzaamheid en participatie of problemen bij het zich handhaven in de samenleving te verminderen of weg te nemen;

    Financiële tegemoetkoming: voor een specifiek doel te verstrekken bedrag, zonder dat dit kostendekkend hoeft te zijn, al dan niet forfaitair vastgesteld;

    Het gesprek: Gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo;

    Hoofdverblijf: woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de inwoner zijn/haar feitelijke vaste woon- en verblijfsplaats heeft;

    Hulpvraag: Behoefte van een inwoner of diens vertegenwoordiger aan ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo;

    Intramuraal verblijf: het wonen in een instelling waarbij de inwoner verblijft in een verblijfssetting van een zorgaanbieder en waar de noodzakelijke zorg en ondersteuning integraal onderdeel uitmaken van het verblijf. Voorbeelden hiervan zijn verblijf in een verpleeghuis, een instelling voor beschermd wonen of een zorginstelling voor mensen met een beperking.

    Maatwerkvoorziening: Aanbod van diensten, hulpmiddelen of activiteiten dat, alleen na zorgvuldig onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, middels een beschikking toegankelijk is. De voorziening moet wel noodzakelijk zijn in het kader van de zelfredzaamheid en participatie van inwoner en heeft, voor zover aan de orde, een langdurig karakter. Bij verstrekking ervan wordt uitgegaan van de goedkoopst adequaat compenserende voorziening;

    Mantelzorg: langdurige, onbetaalde zorg voor iemand uit de eigen omgeving die door ziekte, beperking of ouderdom hulp nodig heeft;

    Melding: Melding van een hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo;

    Ondersteuningsplan: Een document met de conclusie van het onderzoek naar aanleiding van een melding waarin onder andere een beschrijving staat van de hulpvraag, de ervaren problemen, de eigen mogelijkheden en mogelijkheden van het netwerk en welke ondersteuning daarbij nodig is;

    Persoonlijk plan: Een beschrijving van de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger van de persoonlijke omstandigheden van de inwoner en welke ondersteuning naar zijn/haar mening het meest aangewezen is, zoals bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo;

    Pgb: een geldbedrag waarmee de inwoner, op basis van een door het college vastgesteld besluit, zelf de ondersteuning, hulp of andere maatwerkvoorziening kan inkopen die past bij de toegekende maatwerkvoorziening, en waarmee deze tevens zelf verantwoordelijk is voor de uitvoering, kwaliteit, administratie en verantwoording van die ondersteuning;

    Pgb-plan: plan van de inwoner waarin deze de besteding van het pgb aangeeft inclusief de wijze waarop hiermee de gestelde doelen worden bereikt; het pgb-plan bestaat uit een plan van aanpak, een begroting en de zorgbeschrijvingen per hulpverlener. Als de inwoner hier niet toe in staat is, kan een gewaarborgde regievoerder worden aangewezen.

    Schoon en leefbaar huis: een woning die, gelet op de persoonlijke situatie van de, op een zodanig niveau wordt schoongehouden dat sprake is van een aanvaardbaar hygiënisch en leefbaar woonklimaat, passend bij de aard en omvang van het huishouden en de gebruikelijke woonfuncties van de woning;

    Sociaal netwerk: het geheel van personen met wie de inwoner een persoonlijke band onderhoudt, zoals familie, vrienden, buren of andere bekenden, die op basis van die relatie bereid en in staat kunnen zijn om de inwoner ondersteuning te bieden.

    Als iemand een zorgverlener is én tot het sociaal netwerk van de inwoner behoort, dan gaat de gemeente er voor deze verordening van uit dat hij of zij tot het sociaal netwerk hoort;

    Vertegenwoordiger: de wettelijk vertegenwoordiger (zoals bedoeld in Wmo, artikel 1.1.1 lid 2) of gemachtigde.

    Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

    Zorgverlener: Onder zorgverleners (of hulpverleners) wordt de persoon verstaan die de ondersteuning direct levert aan de inwoner. Het gaat hierbij zowel om formele als informele hulp. De zorgverlener kan in dienst zijn van een zorginstelling of kan als zelfstandige een overeenkomst met de gemeente hebben of via een persoonsgebonden budget (pgb) ondersteuning leveren.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2: Melding, onderzoek en aanvraag

Artikel 2.1 Melding

  • 1.

    Een hulpvraag kan door of namens de inwoner bij het college worden gemeld.

  • 2.

    Met het indienen van een hulpvraag ontstaat er een melding. Indien mogelijk wordt de melding van de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger direct beantwoord of wordt er doorverwezen. Als directe beantwoording of doorverwijzing niet mogelijk is, wordt een afspraak gemaakt om de hulpvraag verder te onderzoeken.

  • 3.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk of digitaal.

  • 4.

    In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding zo spoedig mogelijk een tijdelijke voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.4 en 2.5 van deze verordening.

Artikel 2.2 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon

Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze, onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de inwoner uitgangspunt is en informeert inwoners hierover.

Artikel 2.3 Vooronderzoek

  • 1.

    Het college brengt de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen en stelt hen tot het gesprek in de gelegenheid het plan te overhandigen.

  • 2.

    Als de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het vooronderzoek.

Artikel 2.4 Gesprek

  • 1.

    Het college onderzoekt dit aan de hand van het stappenplan zoals opgesteld door de Centrale Raad van Beroep (CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819) en hieronder weergegeven:

    • Stap 1: wat de precieze hulpvraag is.

    • Stap 2: welke problemen zich voordoen bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.

    • Stap 3: welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en participatie

    • Stap 4: of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door anderen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden

    • Stap 5: of er na bovengenoemde stappen nog iets te compenseren overblijft. Als dat het geval is zet het college een maatwerkvoorziening in.

  • 2.

    Als dit naar het oordeel van het college nodig is voor het onderzoek, kan het college, in het kader van de medewerkingsplicht op grond van de Wmo, de inwoner, zijn/haar mantelzorger, vertegenwoordiger of bij gebruikelijke hulp zijn/haar huisgenoten, oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige.

  • 3.

    Het college kan in overleg met de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger, afzien van een gesprek.

  • 4.

    Bij het onderzoek wordt conform lid 1 het volgende meegewogen:

    • a.

      welke hulp passend is bij de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner;

    • b.

      de mogelijkheden op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn/haar zelfredzaamheid of participatie te handhaven of te verbeteren of te voorzien in zijn/haar behoefte aan wonen/verblijf;

    • c.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn/haar sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn/haar zelfredzaamheid of participatie of te voorzien in zijn behoefte aan wonen/verblijf;

    • d.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner;

    • e.

      de mogelijkheden om met gebruikmaking van een voorliggende, algemene voorziening of andere voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn/haar zelfredzaamheid of participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn/haar behoefte aan wonen/verblijf; en

    • f.

      de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgkantoren, zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, zorgkantoren en zorgaanbieders als bedoeld in de Wet langdurige zorg, alsmede met partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn/haar zelfredzaamheid, participatie of aan wonen/verblijf. Zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn/haar zelfredzaamheid, participatie of aan wonen/verblijf.

  • 5.

    Het onderzoek moet resulteren in:

    • a.

      een duidelijke beschrijving van het doel van de gevraagde ondersteuning;

    • b.

      een overzicht van de bijdrage in de kosten die de inwoner zelf moet betalen, volgens artikel 2.1.4 van de wet.

  • 6.

    Voor, tijdens of na het gesprek verschaft de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger aan het college alle overige gegevens die nodig zijn voor het uitvoeren van het onderzoek. Het betreft gegevens waarover de inwoner redelijkerwijs beschikt of kan beschikken. De inwoner verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 7.

    Tijdens het gesprek wordt aan de inwoner in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn.

  • 8.

    Het college informeert de inwoner over hoe het gesprek verloopt, welke rechten en plichten de inwoner heeft en hoe het vervolg van de procedure eruit ziet.

  • 9.

    Het college kan de zorgverlener weigeren bij een gesprek.

Artikel 2.5 Verslag

  • 1.

    Na het gesprek verstrekt het college aan de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. Dit verslag wordt het ondersteuningsplan genoemd.

  • 2.

    De inwoner tekent het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen zeven dagen na ontvangst van het verslag wordt teruggestuurd naar de contactpersoon waarmee het gesprek is gevoerd.

  • 3.

    Als de inwoner alleen tekent voor gezien, kan daarbij tevens worden aangeven waarom men niet akkoord is.

  • 4.

    Als de inwoner van mening is in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening, kan dit worden aangeven op het ondertekende ondersteuningsplan.

  • 5.

    Als het ondersteuningsplan niet binnen zes weken teruggestuurd wordt, kan het college beslissen de melding niet verder meer in behandeling te nemen.

  • 6.

    Het college kan in afwijking van het derde lid en in overleg met de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger afzien van een verslag of ondertekening van het verslag.

Artikel 2.6 Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.

  • 2.

    Een inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.

  • 3.

    Het ondertekende en retour gestuurde ondersteuningsplan wordt beschouwd als aanvraag voor een maatwerkvoorziening, wanneer een maatwerkvoorziening onderdeel uitmaakt van het plan of wanneer de inwoner op het ondersteuningsplan heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor een maatwerkvoorziening.

Artikel 2.7 Beschikking

  • 1.

    Op basis van de aanvraag neemt het college een besluit in de vorm van een beschikking als onderzoek uitwijst dat een maatwerkvoorziening wordt toegekend of afgewezen. Als onderzoek uitwijst dat een algemene voorziening passend is ten aanzien van de hulpvraag, dan kan afgezien worden van het nemen van een besluit in de vorm van een beschikking.

  • 2.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura, als pgb of als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen het besluit kan worden gemaakt.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens vastgelegd:

    • a.

      welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

  • 4.

    Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

    • e.

      wat de ingangsdatum en duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en;

    • f.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 5.

    Als sprake is van een te betalen eigen bijdrage, wordt de inwoner daarover in de beschikking geïnformeerd.

Artikel 2.8 Passend beschikken

  • 1.

    Onder passend beschikken wordt verstaan: het toekennen van een maatwerkvoorziening op een wijze die aansluit bij de situatie, behoeften en mogelijkheden van de inwoner. Daarbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de verwachte duur en stabiliteit van de ondersteuningsbehoefte.

  • 2.

    Het college stelt beschikkingen zodanig vast dat deze bijdragen aan passende en duurzame ondersteuning van de inwoner. Daarbij wordt in ieder geval:

    • a.

      gekeken naar de persoonlijke situatie en het dagelijks leven van de inwoner;

    • b.

      rekening gehouden met de ernst, duur en veranderlijkheid van de ondersteuningsbehoefte; en

    • c.

      gestreefd naar continuïteit van ondersteuning met zo min mogelijk onnodige herindicaties.

  • 3.

    Bij het bepalen van de looptijd van de beschikking geldt dat:

    • a.

      de looptijd wordt afgestemd op wat passend is voor de individuele situatie van de inwoner;

    • b.

      bij een langdurige of blijvende ondersteuningsbehoefte een langere indicatieduur of een beschikking zonder vaste einddatum kan worden afgegeven, voor zover dit passend is.

  • 4.

    Het college kan de toegekende ondersteuning periodiek evalueren. Als uit de evaluatie blijkt dat de ondersteuning niet langer passend is, kan het college het besluit wijzigen.

Hoofdstuk 3: Criteria maatwerkvoorzieningen

Artikel 3.1 Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    • a.

      ter bevordering van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van de inwoner;

    • b.

      ter tegemoetkoming in het omgaan met de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de inwoner ondervindt;

    • c.

      ter ondersteuning van de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten al dan niet in verband met risico’s voor zijn/haar gezondheid of veiligheid.

    Dit voor zover de inwoner de hulpvraag naar het oordeel van het college niet geheel of gedeeltelijk kan oplossen:

    • a.

      op eigen kracht;

    • b.

      met gebruikelijke hulp of met mantelzorg;

    • c.

      met andere personen uit zijn/haar sociale netwerk;

    • d.

      door algemeen gebruikelijke voorzieningen (voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn opgenomen in bijlage 1);

    • e.

      door wettelijk voorliggende of andere voorzieningen;

    • f.

      door een algemene voorziening;

    • g.

      door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten;

    • h.

      door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen om te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening.

  • 2.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequaat compenserende voorziening.

  • 3.

    Ten aanzien van een maatwerkvoorziening geldt dat een inwoner alleen hiervoor in aanmerking komt als:

    • a.

      De inwoner geen handelingen heeft verricht of nagelaten, die hebben geleid tot het ontstaan van de noodzaak tot/ de behoefte aan de voorziening, of;

    • b.

      Er van de inwoner rederlijkwijs niet verwacht kan worden dat deze maatregelen zou hebben getroffen om de noodzaak tot een voorziening te beperken of te vermijden;

    • c.

      Er geen sprake is van een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg of er redenen zijn om aan te nemen dat de inwoner daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is.

  • 4.

    Maatwerkvoorzieningen, niet zijnde een dienst, kunnen in bruikleen of in eigendom worden verstrekt.

Artikel 3.2 Weigeringsgronden

  • 1.

    Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt indien:

    • a.

      de inwoner geen ingezetene is van, of zijn/haar hoofdverblijf niet heeft in de gemeente Epe, met uitzondering van beschermd wonen en maatschappelijke opvang;

    • b.

      de inwoner de beperkingen weg kan nemen op grond van eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met vrijwilligerswerk of met hulp van andere personen uit zijn/haar sociale netwerk;

    • c.

      de inwoner de beperkingen weg kan nemen met gebruikmaking van algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen;

    • d.

      voor de problematiek, die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

    • e.

      de gevraagde voorziening al eerder aan de inwoner is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen of de inwoner de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt;

    • f.

      aannemelijk is of er al recht bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling zoals de Zorgverzekeringswet of de Wlz;

    • g.

      de maatwerkvoorziening gezien de beperkingen van de inwoner, onveilig zijn voor hem/haar zelf en zijn/haar omgeving of gezondheidsrisico’s met zich meebrengen en anti-revaliderend werken;

    • h.

      de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkeling daarvan;

    • i.

      de voorziening uitsluitend therapeutische doeleinden heeft;

    • j.

      de inwoner de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, en de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten op het moment van de melding achteraf niet meer kan worden beoordeeld.

    • k.

      het een maatwerkvoorziening betreft die de inwoner tussen de melding en de aanvraag heeft gerealiseerd of geaccepteerd tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

    • l.

      deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht;

    • m.

      deze niet langer dan 6 maanden noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij collectief vervoer, het huishouden of begeleiding;

    • n.

      het niet aangemerkt wordt als de goedkoopste adequaat compenserende voorziening;

    • o.

      de inwoner zijn/haar medewerking niet verleent aan een onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, dat redelijkerwijs nodig is om te beoordelen of en in welke mate de inwoner zelfredzaam is en in welke mate de inwoner kan participeren in de samenleving;

    • p.

      uit wetenschappelijk onderzoek onvoldoende de toegevoegde waarde blijkt van de maatwerkvoorziening in het wegnemen van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Het college kan deze hulp wel toekennen wanneer deze in de persoonlijke situatie als meest passend worden gevonden.

    • q.

      ondersteuning is aangevraagd die zal worden verleend buiten Nederland, tenzij het college na voorafgaande goedkeuring van oordeel is dat het inzetten van ondersteuning buiten de landsgrenzen een bijdrage levert aan het behalen van het beoogde resultaat, dat niet in Nederland kan worden behaald.

  • 2.

    Voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie geldt daarnaast dat deze alleen kan worden toegekend voor zover:

    • a.

      de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven;

    • b.

      de beperkingen het gevolg zijn van een lichamelijke, geestelijke, verstandelijk oorzaak, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem;

    • c.

      de noodzaak tot ondersteuning voor de inwoner niet redelijkerwijs vermijdbaar is geweest.

  • 3.

    De weigeringsgrond genoemd in het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op maatschappelijke opvang en verblijf.

  • 4.

    Indien bij de aanvraag sprake is van een mantelzorgwoning, wordt bij de beoordeling van de noodzakelijke ondersteuning uitgegaan van het uitgangspunt dat de mantelzorger de eerste acht uur per week aan ondersteuningsbehoefte zelf levert. Deze uren worden niet gecompenseerd met een maatwerkvoorziening, tenzij de mantelzorger gemotiveerd aantoont dat deze inzet, gezien zijn of haar fysieke, mentale of sociale belastbaarheid, redelijkerwijs niet kan worden verwacht.

  • 5.

    Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      als de noodzaak tot het treffen van een voorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud aan de woning of wanneer de ondervonden aantoonbare beperkingen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen.

    • b.

      indien de woning voorafgaand het plaatsen van de voorziening al niet voldeed aan het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL). De inwoner/eigenaar van de woning zal ervoor moeten zorgen dat de woning alsnog voldoet aan de eisen, zodat het college deze voorziening kan verstrekken;

    • c.

      voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft. In deze situatie is de eigenaar, verhuurder of Vereniging Voor Eigenaren verantwoordelijk voor de voorzieningen.

    • d.

      als de inwoner zijn/haar hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen;

    • e.

      de voorziening niet is bedoeld voor elementaire woonfuncties;

    • f.

      ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning zoals hotels/pensions, (trekkers)woonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, ADL clusterwoning of een woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen;

    • g.

      als de noodzaak tot het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing, die niet noodzakelijk was vanwege belemmeringen in het normale gebruik van de woning als gevolg van beperkingen, en er geen andere belangrijke reden aanwezig was.

    • h.

      als de inwoner ervoor kiest te verhuizen naar een woning die op dat moment met het oog op diens beperkingen niet geschikt is, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

    • i.

      voor zover het voorzieningen in woongebouwen betreft die specifiek gericht zijn op ouderen of mensen met beperkingen en die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden;

    • j.

      als de inwoner een Wlz-indicatie heeft en op de wachtlijst staat voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wlz;

    • k.

      als de voorziening in geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.

  • 6.

    Geen vervoersvoorziening wordt verstrekt als een adequate stallingsmogelijkheid noodzakelijk is, maar deze ontbreekt en ook niet te realiseren is.

Artikel 3.3 Gebruikelijke hulp

  • 1.

    Met gebruikelijke hulp wordt de inwoner in staat gesteld het aanvaardbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving te bereiken of behouden. Bij gebruikelijke hulp worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

    • a.

      Personen binnen de leefeenheid van een bewoner zijn altijd zelf primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden, de zelfredzaamheid en de participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving van de leden van die leefeenheid.

    • b.

      Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Het hoeft niet te betekenen dat de leefeenheid deze hulp zelf uitvoert. De gebruikelijke hulp kan door de bewoner ook aan derden uitbesteed worden of met eigen financiële middelen ingekocht worden.

    • c.

      Voor gebruikelijke hulp wordt geen (aanvullende) ondersteuning geboden vanuit de Wmo.

    • d.

      Bij uitval van een persoon wordt verwacht dat een ander persoon binnen de leefeenheid de (huishoudelijke) taken, zorg- en begeleidingsactiviteiten overnemen. Dit geldt ook als zij daarnaast fulltime werken, vrijwilligerswerk doen of een opleiding volgen.

    • e.

      De bijdrage die van kinderen wordt gevraagd is afhankelijk van de leeftijd. Van iedere jeugdige van 18 jaar wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Van iedere volwassene van 23 jaar of ouder wordt in ieder geval verwacht naast een volledige baan of opleiding een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. Het hebben van een fulltimebaan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van gebruikelijke hulp dus niet in de weg. Het bieden van gebruikelijke hulp gaat verder ook voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie van 23 jaar of ouder wordt in ieder geval verwacht naast een volledige baan of opleiding een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. Het hebben van een fulltimebaan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van gebruikelijke hulp dus niet in de weg. Het bieden van gebruikelijke hulp gaat verder ook voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie.

    • f.

      Fysieke afwezigheid van de huisgenoot belemmert het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet. Van ieder (volwassen) mens wordt verwacht een volledige school- of werkweek (inclusief overwerk en reistijden) te kunnen combineren met huishoudelijke taken. Afwezigheid vanwege school- of arbeidsgerelateerde activiteiten kan er wel toe leiden dat de gebruikelijke hulpverlener de uitvoering van de taken moet plannen op momenten waarop hij/zij wel thuis is.

    • g.

      Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke hulp worden in ieder geval de volgende aspecten gewogen:

      • i.

        De aard van de benodigde ondersteuning.

      • ii.

        De mate van planbaarheid en uitstelbaarheid van de benodigde ondersteuning.

      • iii.

        De frequentie en omvang van de benodigde ondersteuning.

      • iv.

        De duur van de benodigde ondersteuning. Is er sprake van een kortdurende situatie met uitzicht op herstel of een langdurende (chronische) situatie waarin extra ondersteuning nodig is.

      • v.

        Gebruikelijke hulp is niet of in mindere mate van toepassing als uit objectief onderzoek blijkt dat personen binnen de leefeenheid niet in staat zijn om (een aantal) taken over te nemen vanwege:

        • langdurige fysieke afwezigheid

        • een beperking of een beperkte leerbaarheid.

        • (dreigende) overbelasting, waarbij het evenwicht tussen draagkracht en draaglast onder spanning staat. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet in de weg staan. Bij (dreigende) overbelasting kan die indicatie van korte duur zijn om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.

Artikel 3.4 Aanvullende criteria voor huishoudelijke hulp

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1 geldt voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke Ondersteuning dat:

    • a.

      voor het vaststellen van het aantal uren professionele inzet dat nodig is gebruik wordt gemaakt van het meest recente ‘Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning – Bureau HHM.

    • b.

      de inwoner gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrek(ken), keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap;

    • c.

      het schoon en leefbaar houden van de woning uitsluitend betrekking heeft op woonruimten binnen de woning. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van huishoudelijke ondersteuning.

Artikel 3.5 Aanvullende criteria voor Maatschappelijke Opvang

  • 1.

    Ten aanzien van Maatschappelijke Opvang geldt dat een inwoner alleen hiervoor in aanmerking komt als deze:

    • a.

      feitelijk dakloos is;

    • b.

      beperkt redzaam is op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden;

    • c.

      niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke dakloosheid op kunnen heffen.

  • 2.

    Het college treft algemene voorzieningen in de vorm van dag- en nachtopvang voor diegenen die hun thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Dit dient te gebeuren met inachtneming van het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang;

  • 3.

    Na toelating tot een voorziening voor Maatschappelijke Opvang is iedere deelnemer verplicht om zo snel als mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, deel te nemen aan een traject aan begeleiding gericht op zelfredzaamheid, participatie en uitstroom uit de opvang.

  • 4.

    Indien de deelnemer in staat is om deel te nemen aan het traject zoals aangegeven in het derde lid, maar dit blijft weigeren zonder een deugdelijke motivering, kan het college de toegang tot Maatschappelijke Opvang vanaf dat moment weigeren.

Artikel 3.6 Aanvullende criteria voor Beschermd Wonen

  • 1.

    Het college verstrekt de voorzieningen opvang en Beschermd Wonen conform het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Apeldoorn, de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels maatschappelijke ondersteuning van deze centrumgemeente.

  • 2.

    Het college kan de inwoner in aanmerking laten komen voor Beschermd Wonen indien de inwoner:

    • a.

      is aangewezen op een beschermde woonomgeving ter voorkoming van verwaarlozing/teloorgang, maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen;

    • b.

      er sprake is van complexe psychosociale en psychiatrische problematiek;

    • c.

      niet in staat is om zichzelf op eigen kracht te handhaven in de samenleving;

    • d.

      niet geholpen is met ondersteuning vanuit voorliggende en algemene voorzieningen aangevuld met ambulante maatwerkvoorzieningen al dan niet gecombineerd met respijtverblijf of een tijdelijk terugvalverblijf.

    En in geval van Beschermd Thuis:

    • e.

      binnen redelijke termijn zichzelf weer op eigen kracht zou kunnen handhaven in de samenleving zonder beschermde woonomgeving.

  • 3.

    Beschermd Wonen; waaronder beschermd thuis kent de volgende varianten:

    • a.

      klassiek beschermd wonen waarbij cliënten geen huur betalen (beschermd wonen zoals bedoeld in de wet);

    • b.

      beschermd thuis waarbij cliënten wel zelf huur betalen (ook wel scheiden van wonen en ondersteuning);

    • c.

      tussenvormen van beschermd wonen waarbij cliënten huur of een vergelijkbare vergoeding voor het wonen betalen, bijvoorbeeld waarbij:

      • i.

        de huur (tijdelijk) wordt overgenomen door de aanbieder;

      • ii.

        de aanbieder een woning huurt van een woningcorporatie voor de inwoner of voor deze inwoner garant staat;

      • iii.

        de inwoner een woning huurt van de aanbieder;

      • iv.

        de inwoner op een andere manier zelfstandig woont met een beschermd wonen indicatie.

  • 4.

    Het college kan de inwoner in aanmerking laten komen voor tijdelijk intramuraal verblijf bij een instelling waarbij er 24/7 begeleiding beschikbaar is op de locatie indien de inwoner:

    • a.

      niet geholpen is met reeds ingezette ambulante maatwerkvoorzieningen vanuit een beschermde woonomgeving waardoor de leefsituatie instabiel is geworden;

    • b.

      ADL-taken niet meer zelfstandig kan uitvoeren en de regie overgenomen moet worden;

    • c.

      is aangewezen op 25/7 toezicht in de nabijheid omdat verwaarlozing/teloorgang, maatschappelijke overlast of gevaar voor inwoner en anderen niet meer voorkomen kan worden in de huidige leefsituatie.

  • 5.

    Het college kan een maatwerkvoorziening voor Beschermd Wonen/Beschermd Thuis tevens weigeren of intrekken indien:

    • a.

      de inwoner in staat is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject, maar niet bereid is hieraan mee te werken;

    • b.

      de inwoner zich ernstig misdraagt jegens andere cliënten in de instelling of jegens de medewerkers.

Artikel 3.7 Aanvullende criteria voor woningaanpassing

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1 kan een inwoner in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening tot woningaanpassing indien:

    • a.

      de inwoner aantoonbare beperkingen heeft bij normaal gebruik van zijn/haar woning;

    • b.

      aantoonbaar alles heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen; en

    • c.

      een verhuizing niet mogelijk of niet de goedkoopst adequaat compenserende oplossing is.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1 wordt een maatwerkvoorziening tot woningaanpassing slechts verleend indien:

    • a.

      niet reeds een begin met de werkzaamheden is gemaakt zonder schriftelijke toestemming van het college;

    • b.

      voor deze bouwkundige of woontechnische aanpassing een omgevingsvergunning is verleend, indien van toepassing;

    • c.

      de door het college aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woning waar de bouwkundige of woontechnische aanpassing wordt verricht op basis van de schriftelijke toestemming onder a.;

    • d.

      aan de onder c. genoemde personen inzicht wordt geboden in bescheiden en tekeningen, die betrekking hebben op de bouwkundige of woontechnische aanpassing; en;

    • e.

      het een woning betreft die bestemd is voor permanente bewoning en de inwoner hier zijn/haar hoofdverblijf heeft.

  • 3.

    Bij het toekennen van een tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van een woning of woonruimte zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

    • a.

      de bezoeker heeft zijn/haar hoofdverblijf in een Wlz-instelling;

    • b.

      de aan te passen woning staat in de gemeente Epe;

    • c.

      de bezoeker bezoekt deze woning regelmatig en dit draagt bij aan zijn/haar participatie;

    • d.

      er is niet eerder in de gemeente Epe een woning voor de bezoeker bezoekbaar gemaakt; en;

    • e.

      er wordt maximaal één woonruimte bezoekbaar gemaakt voor wat betreft de toegang van de woning, daarnaast kan de toiletvoorziening bereikt en gebruikt worden.

Artikel 3.8 Aanvullende criteria voor lokaal verplaatsen

  • 1.

    Naast wat is bepaald in artikel 3.1 wordt bij de vervoersbehoefte voor maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingsbehoeften in de directe woon- en leefomgeving, die nodig zijn voor het dagelijks leven daarbij geldt voor het collectief vervoer een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis.

  • 2.

    De gemeente kan aan de inwoner een (elektrisch aangedreven) individuele vervoersvoorziening verstrekken. Hierbij geldt het volgende:

    • a.

      de voorziening is noodzakelijk ter vervanging van de loop- en/of de fietsfunctie;

    • b.

      de inwoner is in staat om zelfstandig op en van de voorziening te stappen;

    • c.

      de inwoner heeft een vervoersbehoefte in de directe woonomgeving van de woning binnen de gemeente of woonkern;

    • d.

      er moet een brandveilige stallingsplek beschikbaar zijn;

    • e.

      de inwoner werkt, voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden verwacht, mee aan het realiseren van een geschikte individuele of gezamenlijke stalling, waaronder begrepen het treffen of toestaan van redelijke aanpassingen in of aan de woonomgeving;

    • f.

      de voorziening kan geweigerd worden als er geen geschikte stalling in of rond de woning mogelijk is;

    • g.

      de inwoner in staat is om – na instructie - op veilige wijze gebruik te maken van de voorziening in het verkeer en in/uit de stalling.

  • 3.

    Indien de inwoner gemotiveerd aangeeft dat het aantal kilometers zoals bedoeld in het eerste en derde lid van dit artikel, niet volstaat dan kan inwoner in staat worden gesteld om meer kilometers met het collectief vervoer te reizen.

Artikel 3.8.1 Ritbijdrage en voorwaarden collectief vervoer en individueel (rolstoel)taxivervoer

Reizen op afroep (Wmo-taxi)

 

  • 1.

    Reizen op afroep is alleen bedoeld voor sociaal recreatieve bestemmingen.

  • 2.

    Reizen op afroep is alleen mogelijk met een door het college geïndiceerde Wmo-vervoerspas.

  • 3.

    Het tarief voor deze Wmo-vervoerspas is terug te vinden op PlusOV1.

  • 4.

    Voor het reizen op afroep wordt een ritbijdrage gevraagd dat bestaat uit een opstap- en kilometertarief. De hoogte van de ritbijdrage is gebaseerd op de regionale tarieven in het openbaar vervoer, deze zijn terug te vinden op de website van PlusOV en worden jaarlijks geindexeerd door toepassing van de Landelijke Tarieven Index. De tarieven voor het nieuwe jaar worden uiterlijk in december van het jaar daaraan voorafgaand gepubliceerd op www.plusov.nl.

  • 5.

    Er wordt onderscheid gemaakt in tarief voor lokaal verplaatsen en in bovenlokaal verplaatsen.

    • a.

      Lokaal verplaatsen: in het vervoergebied tot maximaal 20 kilometer om het woonadres van de reiziger is het kilometer- en opstaptarief gelijk aan het gemiddelde OV-chipkaart kilometer- en opstaptarief van de openbaar vervoer concessies die liggen in de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Hattem, Heerde, Lochem, Voorst en Zutphen.

    • b.

      Bovenlokaal verplaatsen: in het vervoergebied 20 tot en met 40 kilometer om het woonadres van de reiziger is het opstaptarief gelijk aan het gemiddelde OV-chipkaart opstaptarief en het kilometertarief is gebaseerd op het commercieel tarief.

    • c.

      Voor bijzondere bestemmingen die liggen in het bovenlokale vervoergebied zoals bedoeld in sub b, geldt het tarief dat van toepassing is voor het lokale vervoergebied zoals bedoeld in sub a. Deze bijzondere bestemmingen staan vermeld in bijlage 2.

  • 6.

    Minderjarigen tot 4 jaar met een Wmo-vervoerspas betalen geen opstap- en kilometertarief zoals bedoeld in het vierde lid.

  • 7.

    Minderjarigen van 4 jaar tot 12 jaar met een Wmo-vervoerpas krijgen op de bij in lid vier genoemde ritbijdrage een procentuele korting.

  • 8.

    Een begeleider die op medische of sociale indicatie meereist betaalt geen ritbijdrage. Deze reist gratis mee.

  • 9.

    Een assistentiehond reist gratis mee.

  • 10.

    Voor reizen met het individueel (rolstoel)taxi- kilometerbudget geldt een ritbijdrage, zoals vermeld in het vierde lid.

Collectief trajectvervoer (routegebonden vervoer)

 

  • 11.

    Ten behoeve van het collectief traject vervoer worden de volgende ritbijdragen gerekend:

    • a.

      Voor het vervoer naar een geïndiceerde maatwerkvoorziening of buurtpunt betaalt de reiziger geen kilometer- en opstaptarief, maar een eigen bijdrage via het CAK.

    • b.

      Voor andere dan bij sub a geïndiceerde trajecten geldt een kilometer- en opstaptarief dat gelijk is aan de tarieven zoals genoemd in het vierde lid.

  • 12.

    Voor het reizen naar een geïndiceerde maatwerkvoorziening is het hebben van een Wmo-vervoerpas niet verplicht.

Artikel 3.8.2 Aanvullende criteria rolstoel

  • 1.

    Om in aanmerking te komen voor een handbewogen rolstoel gelden de volgende criteria:

    • a.

      de inwoner ondervindt op medische gronden beperkingen in het zich verplaatsen in en om de woning; en

    • b.

      de inwoner is niet in staat om zich gedurende vijf minuten, al dan niet met een loophulpmiddel zoals wandelstok of rollator, te verplaatsen of zich minder dan 100 meter te verplaatsen; en

    • c.

      de beperkingen zijn langdurend van aard.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een elektrisch voortbewogen rolstoel, joystick bestuurd gelden de volgende aanvullende criteria:

    • a.

      de inwoner kan zich minder dan 100 meter verplaatsen met een handbewogen rolstoel, bijvoorbeeld vanwege energetische problemen (hart, longen e.d.).

    • b.

      de inwoner is niet in staat gebruik te maken van een scootmobiel of handbewogen rolstoel vanwege sterk beperkte arm- of handfunctie en/of te weinig zitbalans.

  • 3.

    Er kan een integraal advies opgevraagd worden waarbij ook aandacht wordt besteed aan de rolstoel-geschiktheid van de woning.

Artikel 3.9 Aanvullende criteria voor begeleiding

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1 kan een inwoner in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening begeleiding individueel als deze ondersteuning nodig heeft op het gebied van zelfredzaamheid en participatie in het dagelijks leven.

  • 2.

    Dit in relatie tot één of meerdere van de volgende criteria:

    • a.

      er is professionele kennis en kunde nodig vanwege de psychosociale en/of lichamelijk problemen die de inwoner ervaart in het dagelijks leven;

    • b.

      er professionele ondersteuning in de thuissituatie nodig is gericht op het aanleren, vasthouden of vergroten van de zelfredzaamheid en participatie;

    • c.

      er formele ondersteuning nodig is gericht op het behouden van vaardigheden en taken in het dagelijks leven, waarbij er periodiek in de gaten wordt gehouden of resultaten zijn behaald en of ondersteuning nog nodig is.

  • 3.

    voor het vaststellen van het aantal uren professionele inzet dat nodig is gebruik wordt gemaakt van het meest recente ‘Normenkader Begeleiding – bureau HHM/Factum Advies.

Artikel 3.9.1 Aanvullende criteria begeleiding groep en dagbesteding

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1 kan een inwoner met een verstandelijke, zintuiglijke, lichamelijke en/of psychische of geriatrische (dementie) beperking bij wie sprake is van een zelfredzaamheidsvraagstuk in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening Begeleiding groep of dagbesteding indien deze niet in staat is:

    • a.

      aangepast werk of vrijwilligerswerk zelfstandig te verrichten; of

    • b.

      deel te nemen aan de Buurtpunten.

  • 2.

    Begeleiding groep bestaat uit activiteiten in groepsverband die overdag plaatsvinden op een locatie buiten de woonsituatie en die, afhankelijk van de persoonskenmerken van de inwoner en het in te zetten product, gericht zijn op:

    • a.

      het trainen en/of onderhouden van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden;

    • b.

      het bevorderen van de cognitieve en/of fysieke zelfredzaamheid of vertragen van de achteruitgang daarvan;

    • c.

      het ontlasten van de mantelzorger of de persoon die gebruikelijke hulp levert;

    • d.

      het bieden van structuur;

    • e.

      het bevorderen van het fysiek en mentaal welbevinden en een gezonde leefstijl;

    • f.

      het ontmoeten van anderen in het kader van bestrijding van eenzaamheid.

  • 3.

    Voor het vaststellen van het aantal uren professionele inzet dat nodig is gebruik wordt gemaakt van het meest recente ‘Normenkader Begeleiding – bureau HHM/Factum Advies.

Artikel 3.10 Primaat van verhuizing

  • 1.

    De ‘Toekomstbestendig Wonen Lening’ de ‘Toekomstbestendig Wonen Verzilverlening’ en de ‘Toekomstbestendig Wonen Maatwerklening’ als bedoeld in de Verordening Toekomstbestendig Wonen Gelderland 2022, gemeente Epe worden aangemerkt als voorliggende voorzieningen. Voor zover met toepassing van deze leningen in een passende en toereikende oplossing kan worden voorzien wordt geen woonvoorziening verstrekt.

  • 2.

    Indien een woonvoorziening en de kosten van de voorziening boven € 10.000,- uitstijgen, moet de inwoner in beginsel omzien naar andere adequate of op goedkopere wijze adequaat te maken woonruimte.

  • 3.

    Zijn de kosten van de gevraagde woonvoorzieningen in totaal lager dan € 10.000,-, dan kan het primaat van verhuizen buiten toepassing blijven indien:

    • a.

      de aanpassing redelijkerwijs voor de komende 5 jaren een adequate oplossing is;

    • b.

      niet meer grotere aanpassingen te verwachten zijn voor de komende 5 jaren;

    • c.

      indien de situatie van de inwoner niet voldoet aan deze voorwaarden dan wordt onderzocht of een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten verstrekt kan worden;

    • d.

      indien er een urgent probleem in de woonsituatie is ontstaan, wordt onderzocht of er ter overbrugging maatregelen getroffen dienen te worden tot verhuizing geregeld is.

  • 4.

    Wanneer het primaat van verhuizen wordt toegepast, kan aan de inwoner een voorziening als bedoeld in artikel 5.3, derde lid onder f, worden toegekend.

  • 5.

    Bij het toepassen van het primaat tot verhuizen zullen onder andere de volgende aspecten worden meegewogen:

    • a.

      financiële consequenties van de verhuizing, zoals een kostenvergelijking en woonlastenconsequenties;

    • b.

      termijn waarop een andere, meer passende woning volgens een door het college gesteld programma van eisen beschikbaar komt;

    • c.

      aanwezigheid van mantelzorg (o.a. frequentie van mantelzorg (aantal keren per dag of per week) en gevolg van de verhuizing op de reisafstand voor de mantelzorger;

    • d.

      gevolg van de verhuizing op het sociaal netwerk;

    • e.

      de aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen;

    • f.

      de snelheid waarmee het woonprobleem moet en kan worden opgelost;

    • g.

      de werksituatie;

    • h.

      is de inwoner huurder of eigenaar van de woning;

    • i.

      de wil van de inwoner om te verhuizen;

    • j.

      volkshuisvestelijke afwegingen.

Hoofdstuk 4: Kwaliteit

Artikel 4.1 Kwaliteitseisen

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, daaronder begrepen eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de inwoner;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

    • d.

      het voldoen aan hetgeen bepaald is in de wet en in de door het college vastgestelde, meest recente voorwaarden voor de inkoop Maatschappelijke Ondersteuning en Beschermd Wonen;

    • e.

      het hebben van relevante en dan geldende (door de branche/werkgeversorganisatie) ondertekende cao, deze naleven en actief toepassen, waaronder, doch niet gelimiteerd tot:

      • i.

        cao GGZ;

      • ii.

        cao VVT;

      • iii.

        cao Gehandicaptenzorg;

      • iv.

        cao Welzijn en Maatschappelijke dienstverlening;

    • f.

      het beschikken over een gecertificeerde kwaliteitsborgingssysteem voor de dienstverlening waarop de overeenkomst ziet en hiertoe het certificaat kan overleggen. Voorbeelden van geaccepteerde certificaten zijn: HKZ, Mijn Keurmerk (Kiwa), HKZ Ligt, PREZO keurmerk, Keurmerk Kwaliteitswaarborg Zorgboederijen (Federatie Landbouw en Zorg), ISO 9001:2015, kwaliteitsvisitaties van brancheverenigingen NVO, NIP, NVVP, LVVP, NFG en FVB;

    • g.

      aangesloten te zijn bij een branchevereniging en/of beroepsvereniging voor onder andere doorontwikkeling en borging van kwaliteit en intervisie;

    • h.

      in het bezit te zijn van een afgegeven verklaring omtrent gedrag (VOG) voor rechtspersonen, indien de professionele aanbieder rechtspersoonlijkheid heeft;

    • i.

      geen corrigerende of bestuursrechtelijke maatregel(en) opgelegd gekregen te hebben van de toezichthouder;

    • j.

      een integraal zorgplan per inwoner; en rapportages over resultaten.

  • 2.

    De aanbieder die ondersteuning biedt, in natura of op basis van een pgb voor formele hulpverlening, voldoet kwalitatief aan hetgeen daarover is bepaald in de wet en in de meest recente voorwaarden voor de inkoop, zoals door het college vastgesteld.

  • 3.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 4.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde individuele maatwerkvoorzieningen.

  • 5.

    Voor zover er sprake is van een keurmerk voor de branche waarbinnen de aanbieder in het kader van een overeenkomst met de gemeente opereert, draagt het college er zorg voor dat het alleen aanbieders contracteert die beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen.

  • 6.

    Het college draagt er zorg voor dat indien een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt.

  • 7.

    Het college draagt er zorg voor dat de aanbieder er zorg voor draagt dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen.

  • 8.

    Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning.

Artikel 4.2 Verhouding prijs en kwaliteit

  • 1.

    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert door derden te leveren individuele maatwerkvoorzieningen, rekening met:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs zoals bedoeld in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) die geldt als ondergrens voor:

      • 1°.

        een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

      • 2°.

        de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, Wmo.

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, Wmo, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de aard en omvang van de te verrichten taken;

    • b.

      de kosten van de beroepskracht;

    • c.

      redelijke overheadkosten;

    • d.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • e.

      reis- en opleidingskosten;

    • f.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • g.

      overige kosten als gevolg van door het college gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid een overeenkomst wordt aangegaan.

Hoofdstuk 5: Persoonsgebonden budget en financiële tegemoetkoming

Artikel 5.1 Regels voor een pgb

  • 1.

    Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college voorafgaand aan de toekenning of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6, tweede lid van de wet opgenomen voorwaarden.

  • 2.

    Het college stelt eisen aan de vaardigheden en verantwoordelijkheden die van belang zijn voor het beheren van een persoonsgebonden budget (pgb). In bijlage 3 is een schematische en toelichtende weergave die verduidelijkt wat het pgb-houderschap betekent.

  • 3.

    De inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger dient ter toetsing een pgb-plan in. In dit pgb-plan is in elk geval opgenomen:

    • a.

      Hoe de inwoner zelf of met hulp van iemand uit het sociaal netwerk de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren, en;

    • b.

      Wat de motivatie is om de hulp in de vorm van een pgb te ontvangen, en;

    • c.

      Welke hulp de inwoner met het pgb zou willen inkopen en bij welke aanbieder, en;

    • d.

      Op welke wijze de kwaliteit van de hulp is gewaarborgd en duidelijk is dat de hulp geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt, en;

    • e.

      De kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.

  • 4.

    Onverminderd artikel 2.3.6 Wmo verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en door onderzoek van het college niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 5.

    Binnen het beschikbare budget dienen de gestelde doelen uit het ondersteuningsplan binnen de in de beschikking genoemde budgetperiode te worden behaald, tenzij uit onderzoek blijkt dat er zich nieuwe omstandigheden bij de inwoner voordoen die van invloed zijn op de persoonlijke situatie en de doelen.

  • 6.

    Een pgb is niet mogelijk:

    • a.

      als sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo zoals crisishulp/crisisopvang/spoedhulp/spoedopvang;

    • b.

      voor zover het pgb wordt besteed in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gevraagd en gegeven door het college;

    • c.

      voor bemiddelings- of administratiekosten, tussenpersonen of belangenbehartigers, feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering, reiskosten en coördinatie of voortgezette diagnostiek;

    • d.

      voor het inkopen van wettelijk voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke diensten of voorzieningen;

  • 7.

    Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een (pgb-)aanbieder indien er twijfels zijn over de integriteit van de (pgb-)aanbieder, wat zich in ieder geval voordoet indien de (pgb-)aanbieder gedurende een periode van vier jaar voorafgaand aan de verstrekking van het pgb:

    • a.

      betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar kan brengen;

    • b.

      verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest;

    • c.

      bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen;

    • d.

      bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom;

    • e.

      er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de pgb-aanbieder en/of zijn/haar directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden;

    • f.

      zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de pgb-aanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn/haar functie;

    • g.

      op basis van een Bibob-toets door het college is (of zal worden) geweigerd als zorgaanbieder.

Artikel 5.2 Pgb maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst

  • 1.

    Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.

  • 2.

    Er is sprake van formele hulp in de volgende situaties:

    • a.

      in loondienst zijn bij een zorgaanbieder die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van maatschappelijke ondersteuning, primair op de benodigde ondersteuning zoals is vastgelegd in het ondersteuningsplan;

      • i.

        de medewerkers voldoen aan de kwaliteitseisen zoals bepaald in de Wmo 2015 en in de meest recente voorwaarden voor de inkoop2, zoals door het college is vastgesteld en ontvangen voor de betreffende ondersteuning een salaris dat daarmee overeenkomstig is;

      • ii.

        degene die de daadwerkelijke ondersteuning biedt aan de inwoner is geen partner, eerste of tweedegraadsfamilie van degene aan wie de hulp wordt verleend en beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken;

      • iii.

        aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel (ZZP’er) en in het bezit van een beschikking geen loonheffingen (BGL). Daarnaast moet de ZZP’er ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van maatschappelijke ondersteuning, zoals vastgelegd in het ondersteuningsplan en werken conform de beroepscode van de beroepsgroep, waarbij het werken conform een geldende methodiek onderdeel is.

    • b.

      Tevens dient de ZZP’er te beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag en over relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en voldoen aan de kwaliteitseisen opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wmo 2015.

    • c.

      de zorgverlener die met het pgb wordt ingekocht voor het leveren van de ondersteuning behoort niet tot het sociaal netwerk van de inwoner. Indien een partner, familielid in de eerste of tweedegraads of een ander persoon uit het sociale netwerk zorg of ondersteuning verleent, geldt dit als ondersteuning uit het eigen netwerk. In dat geval wordt het informele pgb-tarief toegepast, ongeacht of die persoon beschikt over een opleiding, diploma of andere beroepskwalificatie.

  • 3.

    Er is sprake van informele hulp wanneer niet voldaan wordt aan de criteria voor formele hulp zoals hierboven beschreven.

  • 4.

    Bij de beoordeling van de mogelijkheid tot het inzetten van informele hulp middels een pgb wordt het volgende bij de afweging betrokken:

    • a.

      de informele hulp is in staat om de hulp te bieden die conform de beoogde doelstellingen in het ondersteuningsplan benodigd is;

    • b.

      de belastbaarheid van de informele hulp; er mag geen sprake zijn van (dreigende) overbelasting;

    • c.

      de inwoner en of diens vertegenwoordiger, niet zijnde de aanbieder, kan instaan voor de kwaliteit van de geboden hulp;

    • d.

      het type hulp, de frequentie van de geboden hulp, de duur van de hulp (tijdelijk of langere periode) en de benodigde continuïteit;

    • e.

      de mogelijkheid om vervangende ondersteuning in te kopen of passende ondersteuning in natura in te zetten.

  • 5.

    De hoogte van een pgb:

    • a.

      wordt vastgesteld tijdens het onderzoek.

    • b.

      wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten die tot de individuele maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken; de benodigde ondersteuning moet tenminste bij één aanbieder in te kopen zijn;

    • c.

      wordt voor formele hulp vastgesteld op basis van de goedkoopst adequate compenserende voorziening voor de benodigde ondersteuning met een maximum van 85% van de geldende gemeentelijke inkooptarieven voor ondersteuning in natura3;

    • d.

      wordt voor de informele hulp voor huishoudelijke ondersteuning (schoon huis en regie op een gestructureerd huishouden) een uurtarief van maximaal € 17,50,- vergoed.

    • e.

      wordt voor de informele hulp voor begeleiding en persoonlijke verzorging een uurtarief van maximaal € 20,- vergoed. In afwijking van het gestelde in het vijfde lid, onder b, wordt de kostprijs van de goedkoopst adequate compenserende voorziening vergoed als uit het onderzoek is gebleken dat de inwoner een andere vorm van ondersteuning nodig heeft dan het college in natura heeft ingekocht.

    • f.

      Indien werkgeverlasten moeten worden afgedragen, wordt het bedrag daarmee verhoogd.

Artikel 5.3 Pgb maatwerkvoorziening niet zijnde een dienst

  • 1.

    De maximale hoogte van een pgb voor maatwerkvoorzieningen niet zijnde een dienst wordt vastgesteld op basis van de aanschafprijs van de goedkoopst adequaat compenserende voorziening die het college in natura zou verstrekken.

  • 2.

    Het bedrijf waar de inwoner de maatwerkvoorziening koopt moet ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel en aangesloten zijn bij het Nationaal Keurmerk Hulpmiddelen.

  • 3.

    De maatwerkvoorziening niet zijnde een dienst kan niet van een particulier gekocht worden.

  • 4.

    De hoogte van een pgb voor een maatwerkvoorziening niet zijnde een dienst wordt vastgesteld voor:

    • a.

      vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van de -op het moment van aanvraag - geldende gangbare kilometervergoeding of het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van de dichtst bij de woning van de inwoner gelegen passende dagbestedingslocatie en rekening houdende met eventuele beperkingen die belemmerend zijn voor inwoner bij het reizen met bepaalde vormen van het openbaar vervoer.;

    • b.

      taxi- en rolstoeltaxivervoer: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief;

    • c.

      een vervoershulpmiddel (niet zijnde een rolstoel): op basis van de laagste kostprijs van het voor de inwoner noodzakelijke en passend geachte vervoershulpmiddel, zoals dit in natura zou worden verstrekt;

    • d.

      een rolstoel: op basis van de laagste kostprijs van de door de inwoner noodzakelijke en passend geachte rolstoel, zoals deze zou worden verstrekt in natura;

    • e.

      een autoaanpassing: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassing, blijkend uit een door het college geaccepteerde offerte.

    • f.

      een woonvoorziening: op basis van goedkoopst adequaat compenserende voorziening van een door het college geaccepteerde offerte of een bouwkundig calculatiebureau;

    • g.

      onderhoud en reparatie (zijnde instandhoudingkosten) van materiële voorzieningen: hiervoor dient de inwoner een onderhoudscontract af te sluiten voor de duur van 7 jaar. Het maximale jaarlijkse bedrag voor onderhoud voor niet elektrische voorzieningen bedraagt niet meer dan 5% van de aanschafwaarde en voor elektrische voorzieningen niet meer dan 7% van de aanschafwaarde. Het maximale bedrag voor verzekering bedraagt niet meer dan de goedkoopste passende WA-verzekering. De gemeente kan voor de beoordeling een tegenofferte opvragen.

  • 5.

    Indien de inwoner een met het pgb aangeschafte voorziening binnen de afschrijvingstermijn niet meer gebruikt, omdat deze niet meer adequaat is:

    • a.

      wordt de restwaarde van de voorziening verrekend met een nieuw toe te kennen pgb;

    • b.

      wordt bij een eventueel nieuw toe te kennen pgb, het pgb voor onderhoud, reparatie en indien verplicht een WA-verzekering voor de nog niet verstreken termijn verrekend met het nieuw toe te kennen bedrag.

Artikel 5.4 Pgb-vaardigheden budgethouder

Om aan de voorwaarden van een pgb te voldoen, moet de inwoner een beoogd budgethouder hebben of zelf in staat zijn tot het beheren van het budget. Dit kan iemand zijn uit het sociale netwerk of met behulp van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde. De budgethouder:

 

  • 1.

    Heeft overzicht over zijn of haar eigen situatie en die van de zorgvrager;

  • 2.

    Heeft een duidelijk beeld van de zorgvraag;

  • 3.

    Is op de hoogte van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb, of weet dit zelf (online) te vinden;

  • 4.

    Ziet erop toe dat de persoon die met het pgb wordt betaald beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). De VOG is bij aanvang van de zorgovereenkomst niet ouder dan drie maanden en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, en toont aan dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van de betreffende werkzaamheden. Voor ouder(s) geldt deze verplichting niet.

  • 5.

    Is in staat om zelf een overzichtelijke administratie bij te houden, die inzicht geeft in de besteding van het pgb;

  • 6.

    Is voldoende vaardig om in het Nederlands te communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar/zorgkantoor, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de zorgverleners.

  • 7.

    Is in staat om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen.

  • 8.

    Is in staat om afspraken te maken en vast te leggen en dit te verantwoorden aan het college;

  • 9.

    Kan beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

  • 10.

    Is in staat om de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg kan doorgaan bij ziekte en verlof;

  • 11.

    Is in staat om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren;

  • 12.

    Heeft voldoende (juridische) kennis over het werk- of opdrachtgeverschap, of weet waar deze kennis te vinden is.

Artikel 5.5 Financiële tegemoetkoming incidentele rolstoel

  • 1.

    Voor de aanschaf en onderhoud van een rolstoel voor incidenteel gebruik geldt een maximumbedrag in de vorm van een financiële tegemoetkoming zoals is opgenomen in bijlage 2.

Artikel 5.6 Financiële tegemoetkoming sportrolstoel

  • 1.

    Het hulpmiddel wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      de inwoner door een beperking niet op een andere wijze of op een aanvaardbaar niveau kan participeren en daarnaast niet kan sporten zonder een (aangepaste) sportrolstoel;

    • b.

      de inwoner in het dagelijks leven gebruik maakt van een loophulpmiddel op een verplaatsingsmiddel;

    • c.

      het beoefenen van de sport uitsluitend mogelijk is met een aan de beperking aangepaste/aanpasbare sportrolstoel, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk;

    • d.

      de inwoner moet aantonen dat sprake is van een actieve sportbeoefening. Hiervan is sprake wanneer de inwoner wekelijks minimaal 1 keer sport;

    • e.

      het niet om topsport gaat, geldt alleen voor recreatieve doeleinden

    • f.

      er sprake is van meerkosten bij de sportbeoefening als gevolg van de beperking.

  • 2.

    Voor de verstrekking van een handbewogen sportrolstoel geldt een financiële tegemoetkoming waarbij een maximumbedrag wordt gehanteerd zoals is opgenomen in bijlage 2. De tegemoetkoming wordt verstrekt voor de aanschaf en het onderhoud voor een periode van minimaal vier jaar. Na deze periode worden onderhoudskosten vergoed indien de voorziening technisch is gekeurd en is goedgekeurd.

  • 3.

    Voor de verstrekking van een elektrische sportrolstoel geldt een financiële tegemoetkoming waarbij een maximumbedrag wordt gehanteerd zoals is opgenomen in bijlage 2. De tegemoetkoming wordt verstrekt voor de aanschaf en het onderhoud van een sporthulpmiddel voor een periode van minimaal vier jaar. Na deze periode worden onderhoudskosten vergoed, indien de voorziening technisch is gekeurd en is goedgekeurd.

  • 4.

    Indien de goedkoopst adequaat compenserende oplossing lager ligt dan het maximumbedrag als opgenomen in bijlage 2, wordt volstaan met een tegemoetkoming ter hoogte van de lagere kosten.

Artikel 5.7 Financiële tegemoetkoming verhuis- en richtingskosten

  • 1.

    Er wordt een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten toegekend indien dit de goedkoopst adequaat compenserende voorziening is. De tegemoetkoming bestaat uit een vast bedrag, zoals opgenomen in bijlage 2.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 2.9 wordt een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten geweigerd indien:

    • a.

      inwoner verhuist naar een woning die niet bestemd is voor permanente bewoning;

    • b.

      inwoner niet is verhuisd naar de voor hem op dat moment meest geschikte en beschikbare woning;

    • c.

      de verhuizing niet bijdraagt aan het opheffen of verminderen van de beperkingen;

    • d.

      inwoner verhuist naar een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg. Voor het bezoekbaar maken van een woning bij verblijf in een Wlz instelling kan wel een financiële tegemoetkoming verstrekt worden. Deze wordt vastgesteld op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door het college geaccepteerde offerte en rekening houdend met de keuze van de inwoner om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer. Hierbij geldt een maximum bedrag zoals is opgenomen in bijlage 2);

    • e.

      inwoner verhuist vanuit een geschikte woning naar een niet geschikte woning;

    • f.

      de kosten voor het aanpassen van de woning lager zijn dan de tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;

    • g.

      de kosten voor verhuizing en herinrichting voor de inwoner als algemeen gebruikelijk worden beschouwd;

    • h.

      indien de goedkoopst adequaat compenserende oplossing lager ligt dan het maximum bedrag zoals opgenomen in bijlage 2, wordt volstaan met een tegemoetkoming ter hoogte van de lagere kosten.

Hoofdstuk 6: Bijdragen en tarieven maatwerkvoorzieningen

Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van een algemene voorziening te weten:

 

  • a.

    De was- en strijkservice, ter hoogte van € 2,25 per kg was en € 2,10 per stuk strijken tot maximaal € 45,- per huishouden per maand;

  • b.

    Voor cliënten met een inkomen tot 130% van de bijstandsnorm is de eigen bijdrage voor de was- en strijkservice maximaal € 15,- voor een eenpersoonshuishouden en € 25,- voor een twee- of meerpersoonshuishouden per maand;

  • c.

    De onder a en b genoemde bedragen in dit artikel zijn uitgedrukt in het meest actuele prijspeil en kan ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd worden aan de hand van ontwikkeling van de consumentenprijsindex die gepubliceerd wordt door het Centraal Planbureau. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,20.

  • d.

    Als toepassing is gegeven aan het vorige lid, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de meest recente bedragen;

  • e.

    Eventuele onkosten voor het nuttigen van consumptieve goederen en het gebruik van materiaal. Deze kosten mogen niet hoger zijn dan de redelijkerwijs vastgestelde kostprijs van het desbetreffende product. Daarnaast mag afname van deze producten niet verplicht worden gesteld aan de inwoner die van een desbetreffende algemene voorziening gebruik maakt om zo gedwongen winkelnering te voorkomen.

Artikel 6.2 Eigen bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    Een inwoner ouder dan 18 jaar, die een voorziening toegewezen heeft gekregen op basis van de Wmo, is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een individuele maatwerkvoorziening dan wel pgb.

  • 2.

    De inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd, zolang de inwoner gebruik maakt van de maatwerkvoorziening of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.

  • 3.

    Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de inwoner van deze voorziening gebruik maakt. Deze zijn benoemd in artikel 6.1.

  • 4.

    De totale bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of verstrekte pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs. Voor deze voorzieningen is de maximale hoogte van de eigen bijdrage te vinden in de desbetreffende wetsbepalingen (artikel 2.1.4, 3e lid Wmo 2015 (algemene voorzieningen) en 2.1.4a, 4e lid, Wmo2015 (maatwerkvoorzieningen). De eigen bijdrage is verschuldigd door de ongehuwde inwoner of de gehuwde inwoners tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of het volgende lid geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

  • 5.

    In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden de eigen bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd.

  • 6.

    Indien een individuele maatwerkvoorziening wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner en er een eigen bijdrage wordt opgelegd, dan is deze verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijkwetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een jeugdige/ of minderjarige inwoner.

  • 7.

    In afwijking van het tweede lid is geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende voorzieningen:

    • a.

      voor een rolstoel of sportrolstoel;

    • b.

      voor maatschappelijke opvang;

    • c.

      voor cliëntondersteuning.

Artikel 6.3 Criteria bepaling kostprijs

  • 1.

    De eigen bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening of pgb wordt vastgesteld conform het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De hoogte van de bijdrage overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.

  • 2.

    De kostprijs voor een maatwerkvoorziening of pgb wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder.

  • 3.

    Voor de bepaling van de kostprijs van een materiële voorziening wordt bij een gebruikte materiële voorziening rekening gehouden met de afschrijving conform de schema’s in bijlage 2.

Artikel 6.4 Waardering mantelzorger

  • 1.

    Mantelzorgers van inwoners in de gemeente Epe kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking komen.

  • 2.

    De jaarlijkse blijk van waardering heeft een waarde van ten hoogste € 100,- per inwoner.

  • 3.

    Het college kan bij nadere regeling vaststellen op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente.

Hoofdstuk 7: Toezicht en handhaving

Artikel 7.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1.

    Het college informeert inwoners of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Onverminderd de informatie- en medewerkingsplicht zoals genoemd in artikel 2.3.8 van de wet doet een inwoner aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van:

    • a.

      een beslissing tot toekenning van een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5 van de wet dan wel;

    • b.

      een beslissing tot toekenning van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 2.3.6 van de wet.

  • 3.

    Het college kan op grond van artikel 2.3.10 lid 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een beslissing intrekken of herzien.

  • 4.

    Een beslissing tot verstrekking van een pgb kan na heronderzoek door het college worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is gebruikt voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verstrekking heeft plaatsgevonden.

  • 5.

    Het college kan een besluit tot verstrekking van een voorziening geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken, indien blijkt dat de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt die bij bekendmaking zou hebben geleid tot een andere uitkomst.

  • 6.

    Als het college een besluit tot verstrekking van een voorziening geheel of gedeeltelijk heeft ingetrokken of herzien, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

  • 7.

    Zodra de inwoner aan zijn betalingsverplichting ten aanzien van de terugvordering heeft voldaan, meldt het college dit, wanneer dit van toepassing is, bij het CAK, zodat deze de grondslag van de verschuldigde eigen bijdrage kan corrigeren.

  • 8.

    Als het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening zonder formele opzegging van de bruikleenovereenkomst worden teruggehaald.

  • 9.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten, als duidelijk is dat de inwoner het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten. Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken deze termijn te verlengen.

Artikel 7.2 Rechtmatigheid en doelmatigheid

  • 1.

    Het college treft de nodige maatrelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte maatwerkvoorzieningen en pgb’s te waarborgen en fraude te voorkomen. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:

    • a.

      Het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen;

    • b.

      Het college verricht zo nodig, al dan niet met tussenkomst van derden, onderzoek bij aanbieders die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente Epe onderhouden;

    • c.

      Het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties;

    • d.

      Het college beperkt waar nodig de looptijd van de indicaties en voert periodiek controles uit bij indicaties;

    • e.

      Het college bezoekt inwoners en locaties, waarbij door middel van een schouw een feitelijk onderzoek gedaan wordt naar de ervaringen met en de uitvoering van de geboden ondersteuning;

    • f.

      Het college monitort het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen;

    • g.

      Het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een pgb op:

      • i.

        de regiemogelijkheden van de inwoner of degene die de inwoner als vertegenwoordiger wenst in te schakelen;

      • ii.

        de kwaliteit van de invulling van het door de inwoner te overleggen pgb-plan, mede met het oog op de te bereiken resultaten;

      • iii.

        de kwaliteit van de door de inwoner in te schakelen hulpverlener.

  • 2.

    Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

Artikel 7.3 Toezichthouders

  • 1.

    Het college wijst toezichthouder(s) aan die belast zijn met het houden van toezicht op de algemene voorwaarden voor de inkoop Wmo en Maatschappelijke Opvang/Beschermd Wonen, conform artikel 6.1 Wmo, en de naleving van rechtmatige uitvoering hiervan, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de voorziening.

  • 2.

    Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.

  • 3.

    De aangewezen toezichthouder is belast met:

    • a.

      de bevoegdheid van het inzien van dossiers;

    • b.

      de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen;

    • c.

      de bevoegdheid om de (cliënten)administratie/dossiers te vorderen bij de (pgb-)aanbieder;

    • d.

      de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de inwoner of de vertegenwoordiger van het pgb;

    • e.

      het vorderen van inzage in een identificatiebewijs;

    • f.

      inzage van documenten en toegang tot gegevens;

    • g.

      het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen);

    • h.

      controleren of de (pgb-)aanbieder de verplichtingen uit de beschikking, de inkoopovereenkomst of uitvoeringsovereenkomst met het college naleeft;

    • i.

      ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de inwoner of de vertegenwoordiger van het pgb heeft gesloten of deze voldoen aan de bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie;

    • j.

      controleren of de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en inwonergericht wordt uitgevoerd;

    • k.

      de bevoegdheid om (pgb-)aanbieder te screenen.

  • 4.

    Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.

Hoofdstuk 8: Klachten, medezeggenschap en inspraak

Artikel 8.1 Klachtregeling

  • 1.

    Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van inwoners die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

  • 2.

    Aanbieders stellen een eigen regeling vast voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van alle individuele maatwerkvoorzieningen. Inwoners worden tijdens de intake door de aanbieder proactief geïnformeerd over de klachtenprocedure.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, een cliëntervaringsonderzoek en inzage in de klachten en klachtenafhandeling.

Artikel 8.2 Medezeggenschap bij aanbieders

  • 1.

    Aanbieders van de maatwerkvoorzieningen stellen een regeling vast voor de medezeggenschap over voorgenomen besluiten die voor de gebruikers van belang zijn.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 8.3 Betrekken van ingezetenen bij beleid

  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding en uitvoering van het beleid met betrekking tot de taken die in de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo aan het college zijn opgedragen, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid met betrekking tot de taken die in de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo aan het college zijn opgedragen, te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.

  • 4.

    Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hoofdstuk 9: Overige bepalingen

Artikel 9.1 Hardheidsclausule

Het college kan in individuele gevallen ten gunste van de inwoner onderbouwd afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening, tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 9.2 Intrekking en inwerkingtreding

  • 1.

    Gelijktijdig met het inwerking treden van deze verordening wordt de Verordening Maatschappelijk Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023 ingetrokken.

  • 2.

    Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

Artikel 9.3 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Epe 2026.

Epe, 9 juli 2026

De raad voornoemd,

de voorzitter,

dhr. dr. T.C.M. Horn

de griffier,

mw. J.T.J.J. van Zwam

Bijlage 1 Algemeen gebruikelijke voorzieningen

 

Veel algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn te koop in de bouwmarkt of supermarkt. Als algemeen gebruikelijke voorzieningen worden in ieder geval aangemerkt:

 

  • a.

    hendelmeng-/thermostaatkranen;

  • b.

    eenvoudig verkrijgbare badkamer aanpassingen zoals losse toiletverhogers, verhoogde toiletpotten, toiletstoelen, wandbeugels, pakpalen, douchekrukken en douchestoelen;

  • c.

    zonwering, al dan niet elektrisch;

  • d.

    airconditioning;

  • e.

    gebruikskosten van een personenauto/bus;

  • f.

    automatische transmissie (automaat)/airconditioning/stuurbekrachtiging in de auto;

  • g.

    inductie- of keramische kookplaat;

  • h.

    afwasmachine;

  • i.

    fiets met lage instap; een snor-/bromfiets, brommobiel, een basis rollator, twee en driewielscooter dan wel een fiets met hulpmotor zoals een Spartamet en een fiets met trapondersteuning, inclusief gebruikskosten;

  • j.

    wasmachine;

  • k.

    wasdroger;

  • l.

    centrale verwarming en thermostatische radiatorkranen;

  • m.

    drempelvoorzieningen tot 10 cm;

  • n.

    regenkleding/schoot kleed;

  • o.

    aanpassingen ter vergroting van de veiligheid zoals bijzondere sloten;

  • p.

    (extra) energiekosten;

  • q.

    Verhoger voor wasmachine, meubelverhogers of ‘olifantspoten’ (om makkelijk uit de stoel te komen) en een pakpaal;

  • r.

    Halogeenverlichting voor slechtzienden;

  • s.

    Mobiele telefoon, computer of tablet.

Bijlage 2 Tarieven Wmo en gemaximeerde bedragen

 

Algemene voorziening

 

Was en strijkservice

zie hoogte eigen bijdrage in verordening

 

PGB dienst formeel

Maximaal 85% van de voorziening in zorg in natura

 

PGB dienst informeel

Huishoudelijke ondersteuning

Een uurtarief van maximaal € 17,50,-

Persoonlijke verzorging

Een uurtarief van maximaal € 20,-

Regie op een gestructureerd huishouden

Een uurtarief van maximaal € 17,50,-

Individuele begeleiding (licht en basis)

Een uurtarief van maximaal € 20,-

Logeeropvang/respijtopvang incl. hulpverlening

€ 30,00 per dag

 

Overige maatwerkvoorzieningen

Vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen

Gebaseerd op de goedkoopst adequaat compenserende voorziening, indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud, reparatie en indien van toepassing WA verzekering. Voor deze voorzieningen geldt een afschrijvingstermijn van 7 jaar.

Kindvoorzieningen

Gebaseerd op de goedkoopst adequaat compenserende voorziening, indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud, reparatie en indien van toepassing WA verzekering. Voor deze voorzieningen geldt een afschrijvingstermijn van 5 jaar.

Woningaanpassingen en woonvoorzieningen

Gebaseerd op het bedrag in de door het college geaccepteerde offerte, indien nodig verhoogd met instandhoudingskosten, kosten van depotbeheer en indien van toepassing verzekering. De gemeente kan een offerte voor een woningaanpassing opvragen bij een onafhankelijk bureau of bedrijf. Voor deze voorzieningen geldt een afschrijvingstermijn van 10 jaar.

Autoaanpassing

Gebaseerd op het bedrag in de door het college geaccepteerde offerte. De gemeente kan een offerte voor een autoaanpassing opvragen bij een onafhankelijk bureau of bedrijf. Voor deze voorzieningen geldt een afschrijvingstermijn van 10 jaar.

 

Gemaximeerde bedragen

Handbewogen sportrolstoel tbv aanschaf onderhoud en reparatie

€ 2.500,- voor een periode van 3 jaar

Elektrische sportrolstoel tbv aanschaf onderhoud en reparatie

€ 5.000,- voor een periode van 5 jaar

Tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten

€ 2.500,- eenmalig

Bezoekbaar maken woning

€ 5.000,- eenmalig

Rolstoel voor incidenteel gebruik t.b.v. aanschaf, onderhoud en reparatie

€ 300,- voor 5 jaar

Bijlage 3 10 punten pgb-vaardigheid

 

 

Toelichting  

Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en is een integratie van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2025 gemeente Epe 2015.

 

De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de inwoner en zijn/haar sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig het college in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een individuele maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn/haar mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.

 

Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de inwoner, zijn/haar behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van zijn/haar sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn/haar zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een individuele maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.

 

Indien de inwoner van mening is dat het college hem ten onrechte geen individuele maatwerkvoorziening verstrekt of dat deze voorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn/haar bezwaar. De rechter zal toetsen of het college zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

 

De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb.

 

De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede en derde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:

 

  • 1.

    op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een inwoner voor een individuele maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt;

  • 2.

    op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

  • 3.

    welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten;

  • 4.

    ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners vereist is;

  • 5.

    ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is;

  • 6.

    op welke wijze ingezeten, waaronder inwoners of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;

  • 7.

    op welke wijze de kostprijs van een individuele maatwerkvoorziening wordt berekend; en

  • 8.

    op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente.

Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen:

 

  • voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet;

  • ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Daarnaast kan het college op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015:

 

  • bepalen dat inwoners voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en individuele maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn;

  • de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de inwoner de ondersteuning zelf inkoopt met een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de inwoner en zijn/haar echtgenoot/echtgenote;

  • bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd;

  • bepalen dat in geval van een minderjarige inwoner die niet zelf de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de inwoner uitoefent;

  • bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie;

  • bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd.

Artikelsgewijze toelichting

 

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de Wmo 2015 al een flink aantal definities kennen die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening, behalve in geval van nieuwe voorzieningen en/of diensten.

 

Algemeen gebruikelijke voorziening

Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de inwoner, draait het om het beantwoorden van de vraag of de inwoner ook over de voorziening kon beschikken als deze geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kan, zo blijkt uit de jurisprudentie, een aantal criteria een rol spelen, zoals omschreven bij het begrip ‘algemeen gebruikelijke voorziening’ in de begripsbepalingen.

 

Daarnaast spelen de individuele omstandigheden van de inwoner, zoals leeftijd en inkomen, een rol. Bij de beoordeling van de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, moet het college daarom altijd onderzoeken of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de aanvrager.

 

Hoofdstuk 2: Melding, onderzoek en aanvraag

 

Artikel 2.1 Melding

Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de Wmo. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een inwoner in aanmerking komt voor een individuele maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang.

 

Er is gekozen voor variant B uit de VNG model verordening Wmo

In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet Wmo 2015 wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken.

 

Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. Een hulpvraag kan door of namens de inwoner zowel schriftelijk of mondeling bij het college worden gemeld. Dit kan via de website van de gemeente Epe, bij een organisatie aan wie het college deze taak heeft opgedragen, bij een publieksbalie van de gemeente Epe of via het algemeen telefoonnummer van de gemeente Epe. In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. Dit is dus het geval in de gemeente Epe. De melding kan ‘door of namens de inwoner’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de inwoner kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen.

 

In het tweede lid is met gebruik van het in artikel 1 gedefinieerde begrip ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet en de Participatiewet.

 

In het derde lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet Wmo 2015). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken. In Epe is ervoor gekozen om de melding schriftelijk of digitaal te bevestigen.

 

Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang.

 

In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet Wmo 2015 een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Spoedeisende gevallen zijn situaties waarbij de hulp voor ondersteuning niet uitstelbaar is en veelal noodzakelijk is binnen een zo kort mogelijke termijn (binnen 24 uur).

 

Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke individuele maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.

 

Artikel 2.2 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon

In de begripsbepaling van de Wet Wmo 2015 staat cliëntondersteuning als volgt gedefinieerd: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.

 

In dit artikel wordt benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de inwoner kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kort-cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.

 

Overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo is bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.

 

Artikel 2.3 Vooronderzoek

Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en de inwoner en diens vertegenwoordiger goed te informeren.

 

Eerste lid

In het eerste lid is de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de inwoner om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Het eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de inwoner bekende gegevens in kaart worden gebracht en inwoners niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Tevens maakt het een goede afstemming mogelijk met eventuele andere voorzieningen. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de belanghebbende afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de inwoner worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de inwoner of diens vertegenwoordiger vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het gesprek.

 

Het persoonlijk plan moet binnen redelijke termijn opgesteld worden. Een vaste termijn stellen is niet mogelijk, aangezien dit ook mede afhangt van de mate waarin en de vorm van eventuele geboden ondersteuning. Omdat het onderwerp zal zijn van het onderzoek, ligt het voor de hand dat dit plan voorafgaand aan het begin van het onderzoek wordt opgesteld. Maar ook tijdens het onderzoek kan mogelijk nog de (gedeelde) wens ontstaan om de eigen kracht nader te onderzoeken en een persoonlijk plan op te stellen. Zo de situatie zich daarvoor leent, kan dan besloten worden hiermee aan de slag te gaan en het onderzoek daarna voort te zetten.

 

Zie verder de toelichting bij artikel 1 Begripsbepalingen.

 

Tweede lid

In lid 2 staat dat het college het persoonlijk plan betrekt in het vooronderzoek.

 

Uiteindelijk zal altijd het college moeten oordelen welke ondersteuning zij nodig acht en in welke mate de inwoner en vertegenwoordigers, zo nodig met hulp uit de naaste omgeving, op eigen kracht bepaalde problemen (deels) kunnen oplossen. Een deugdelijk plan, al dan niet opgesteld met ondersteuning van de gemeente, kan deze stap in het proces vergemakkelijken. Het college dient een persoonlijk plan als eerste te betrekken bij het onderzoek; het kan een deugdelijk persoonlijk plan niet zomaar naast zich neerleggen.

 

Artikel 2.4 Gesprek

Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de Wmo, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen.

 

Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de inwoner of zijn/haar vertegenwoordigers wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de inwoner en diens systeem te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een gesprek het een en ander wordt besproken.

 

Of dit gesprek op een gemeentelocatie (wijkteam) plaatsvindt, op school, bij de inwoner thuis, of bij een andere deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. Het gesprek vindt zo mogelijk bij de inwoner thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden.

 

Eerste lid

Dit lid beschrijft dat het college het onderzoek uitvoert aan de hand van het stappenplan zoals ontwikkeld in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Dit stappenplan zorgt voor een zorgvuldige en gestructureerde beoordeling van de ondersteuningsvraag. Eerst wordt vastgesteld wat de hulpvraag is en welke beperkingen de inwoner ervaart. Vervolgens wordt beoordeeld welke ondersteuning nodig is en of deze (gedeeltelijk) kan worden geboden door eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk of voorliggende voorzieningen. Pas als na deze stappen blijkt dat ondersteuning resteert, kan het college een maatwerkvoorziening inzetten. Indien nodig wordt daarbij specifieke deskundigheid betrokken.

 

Tweede lid

Dit lid regelt dat het college, wanneer dit nodig is voor een zorgvuldig onderzoek, een onafhankelijke adviesinstantie kan inschakelen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer medische, ergonomische of andere specialistische kennis vereist is om de ondersteuningsvraag goed te kunnen beoordelen.

 

Derde lid

Dit lid biedt het college de mogelijkheid om in overleg met de inwoner of diens vertegenwoordiger af te zien van een gesprek. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de situatie voldoende duidelijk is op basis van beschikbare informatie en een gesprek geen toegevoegde waarde heeft.

 

Vierde lid

Dit lid geeft aan welke aspecten het college betrekt bij het onderzoek. Het gaat daarbij onder meer om de persoonlijke situatie, behoeften en voorkeuren van de inwoner, de mogelijkheden om op eigen kracht of met hulp van het sociale netwerk zelfredzaam te blijven, de inzet en ondersteuning van mantelzorgers en de beschikbaarheid van algemene of andere voorliggende voorzieningen. Ook samenwerking met andere domeinen en instanties wordt meegewogen om tot een zo goed mogelijk afgestemde ondersteuning te komen.

 

Vijfde lid

Dit lid bepaalt wat het onderzoek moet opleveren. Het college legt vast wat het doel is van de gevraagde ondersteuning en maakt inzichtelijk of en welke eigen bijdrage de inwoner verschuldigd is op grond van artikel 2.1.4 van de wet.

 

Zesde lid

Dit lid regelt de medewerkingsplicht van de inwoner. De inwoner of diens vertegenwoordiger verstrekt de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor het onderzoek en waarover deze redelijkerwijs kan beschikken. Daaronder valt in ieder geval het tonen van een geldig identiteitsdocument. Deze verplichting is noodzakelijk om het onderzoek zorgvuldig en rechtmatig te kunnen uitvoeren.

 

Zevende lid

Dit lid bepaalt dat het college de inwoner tijdens het gesprek in begrijpelijke bewoordingen informeert over de mogelijkheid om te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb) en over de gevolgen van deze keuze. Zo kan de inwoner een weloverwogen beslissing nemen.

 

Achtste lid

Dit lid verplicht het college om de inwoner te informeren over het verloop van het gesprek, zijn rechten en plichten en de verdere procedure. Dit draagt bij aan transparantie en rechtszekerheid.

 

Negende lid

Dit lid regelt dat het college de zorgverlener kan weigeren bij een gesprek, om de onafhankelijkheid en zorgvuldigheid van het onderzoek te waarborgen.

 

Artikel 2.5 Verslag

Dit artikel regelt dat het college de uitkomsten van het onderzoek vastlegt in een schriftelijk verslag, het ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan geeft inzicht in de ondersteuningsvraag, de gemaakte afwegingen en de eventueel benodigde ondersteuning. De inwoner ontvangt dit plan zo spoedig mogelijk na het gesprek.

 

De inwoner wordt in de gelegenheid gesteld om het ondersteuningsplan te ondertekenen voor akkoord of voor gezien. Indien de inwoner het niet eens is met (onderdelen van) het plan, kan hij/zij dit gemotiveerd aangeven. Ook kan de inwoner in het ondersteuningsplan kenbaar maken dat hij/zij van mening is in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening.

 

Door het stellen van een termijn voor het retourneren van het ondersteuningsplan wordt geborgd dat het proces voortgang houdt. Indien het ondersteuningsplan niet binnen de gestelde termijn wordt teruggestuurd, kan het college besluiten de melding niet verder in behandeling te nemen.

 

Artikel 2.6 Aanvraag

Dit artikel regelt het moment en de wijze waarop een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan worden ingediend. Uitgangspunt is dat eerst een zorgvuldig onderzoek plaatsvindt voordat een aanvraag wordt gedaan. Hiermee wordt geborgd dat de aanvraag is gebaseerd op een volledig beeld van de situatie van de inwoner. Indien het onderzoek niet binnen zes weken na de melding is afgerond, kan de inwoner alsnog een aanvraag indienen.

 

De aanvraag kan schriftelijk worden ingediend door de inwoner zelf of door een gemachtigde of vertegenwoordiger. Om de procedure laagdrempelig te houden, wordt het ondertekende ondersteuningsplan aangemerkt als aanvraag voor een maatwerkvoorziening, indien daarin een maatwerkvoorziening is opgenomen of de inwoner expliciet heeft aangegeven hiervoor in aanmerking te willen komen. Hierdoor is het niet nodig om een afzonderlijke aanvraag in te dienen.

 

Artikel 2.7 Beschikking

Indien de inwoner een formele aanvraag bij het college indient of een beschikking afgegeven wordt, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen bezwaar en beroep op grond van de Awb kan worden ingediend. Uitgangspunt van de wet is dat de inwoner een voorziening in ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de inwoner bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb.

 

Vijfde lid

Het vijfde lid dient uitsluitend ter informatie aan de inwoner. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de wet Wmo, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een individuele maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK. De ouderbijdrage is begin 2017 definitief uit de Jeugdwet geschrapt. Voor een individuele voorziening die in het kader van de Jeugdwet wordt verstrekt, wordt dus geen meer ouderbijdrage geheven.

 

Artikel 2.8 Passend beschikken

Met passend beschikken bedoelt het college dat de maatwerkvoorziening die aan een inwoner wordt toegekend goed past bij zijn of haar hulpvraag en situatie. Dat betekent dat bij het vaststellen van een beschikking niet alleen wordt gekeken naar de soort hulp, maar ook naar hoe lang en op welke manier die hulp nodig is. Door hier meer flexibiliteit in te geven, kan onnodige belasting voor zowel de inwoner als de gemeente worden voorkomen, zoals herhaalde herindicaties als er geen verandering in de situatie is.

 

Hoofdstuk 3: Criteria maatwerkvoorzieningen

 

Artikel 3.1 Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening

In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de Wmo is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria (ook wel voorwaarden voor toekenning) het college kan vaststellen of een inwoner voor een individuele maatwerkvoorziening in aanmerking komt.

 

In de memorie van toelichting Wmo op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een individuele maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke individuele maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een individuele maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. Voorbeelden (niet limitatief) van wettelijk voorliggende voorzieningen zijn de Zorgverzekeringswet (Zvw) en Wet langdurige zorg (Wlz).

 

Artikel 3.2 Weigeringsgronden

Dit artikel bevat de algemene en specifieke gronden waarop het college een maatwerkvoorziening kan weigeren. Deze gronden vloeien voort uit de Wmo 2015 en vaste jurisprudentie en dienen ter afbakening van de compensatieplicht.

 

De weigeringsgronden maken duidelijk dat geen voorziening wordt verstrekt indien de beperking kan worden opgelost met eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, algemene voorzieningen of indien sprake is van voorliggende wetgeving. Ook wordt voorkomen dat voorzieningen worden verstrekt die onveilig zijn, therapeutisch van aard zijn of reeds zijn gerealiseerd zonder toestemming.

 

Vijfde lid

Voor woonvoorzieningen zijn aanvullende weigeringsgronden opgenomen, onder meer bij achterstallig onderhoud, niet-permanente bewoning of situaties waarin de inwoner zelf een ongeschikte woning heeft gekozen. Hiermee wordt een zorgvuldige en doelmatige inzet van publieke middelen gewaarborgd.

 

Met de bepaling van onderdeel a wordt bedoeld dat het college geen woonvoorziening verstrekt wanneer de noodzaak voor aanpassing voortkomt uit de staat van onderhoud van de woning of uit de keuze voor bepaalde materialen in de woning. Het gaat hierbij om situaties die tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner behoren. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer iemand klachten ervaart door het gebruik van bepaalde materialen in de woning, zoals tapijt, en om die reden een andere vloerafwerking wenst, zoals laminaat of een andere vloerbedekking. Dergelijke aanpassingen worden beschouwd als algemeen gebruikelijk en vallen niet onder de compensatieplicht van de Wmo.

 

Artikel 3.3 Gebruikelijke hulp

Dit artikel beschrijft wat onder gebruikelijke hulp wordt verstaan en welke uitgangspunten gelden bij de beoordeling of ondersteuning vanuit de Wmo noodzakelijk is. Gebruikelijke hulp betreft de hulp en ondersteuning die redelijkerwijs verwacht mag worden van personen die deel uitmaken van dezelfde leefeenheid als de inwoner.

 

Uitgangspunt van de Wmo is dat inwoners en hun directe omgeving eerst zelf verantwoordelijkheid dragen voor het functioneren van het huishouden, de zelfredzaamheid en de participatie van de leden van de leefeenheid. Pas wanneer deze eigen mogelijkheden en die van het sociale netwerk ontoereikend zijn, kan ondersteuning vanuit de Wmo aan de orde zijn.

 

Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Dit betekent dat van personen binnen de leefeenheid wordt verwacht dat zij deze hulp bieden. Het artikel maakt daarbij duidelijk dat gebruikelijke hulp niet per se door henzelf hoeft te worden uitgevoerd; zij kunnen er ook voor kiezen deze hulp met eigen middelen in te kopen of door derden te laten uitvoeren. Voor gebruikelijke hulp wordt echter geen ondersteuning vanuit de Wmo verstrekt.

 

Bij uitval van een lid van de leefeenheid wordt verwacht dat andere leden de taken, zorg- en begeleidingsactiviteiten zo nodig herverdelen en overnemen. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het hebben van werk, opleiding of andere maatschappelijke activiteiten. Van volwassenen mag worden verwacht dat zij huishoudelijke taken en zorg kunnen combineren met een volledige baan of opleiding. Ook fysieke afwezigheid vanwege werk of school staat het bieden van gebruikelijke hulp in beginsel niet in de weg; wel kan dit betekenen dat taken op andere momenten worden uitgevoerd.

 

De bijdrage die van kinderen en volwassenen wordt verwacht, is afhankelijk van de leeftijd. Van jongeren van 18 jaar wordt verwacht dat zij een eenpersoonshuishouden kunnen voeren. Van volwassenen van 23 jaar en ouder wordt verwacht dat zij naast werk of opleiding ook bijdragen aan het functioneren van een meerpersoonshuishouden.

 

Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp, en in welke mate, wordt altijd gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij worden onder meer de aard, de frequentie, de planbaarheid en de duur van de benodigde ondersteuning betrokken. Ook wordt beoordeeld of sprake is van een tijdelijke situatie met uitzicht op herstel of van een langdurige of chronische situatie.

 

Artikel 3.4 Aanvullende criteria voor huishoudelijke hulp

Dit artikel bevat nadere criteria voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning. Het artikel bouwt voort op de algemene bepalingen van artikel 3.1 en concretiseert wanneer en in welke omvang professionele inzet wordt ingezet.

 

Voor het vaststellen van het benodigde aantal uren professionele ondersteuning wordt gebruikgemaakt van het meest recente Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning van Bureau HHM. Dit normenkader biedt een objectieve en uniforme basis voor de indicatiestelling en draagt bij aan rechtsgelijkheid en transparantie en terug te vinden in bijlage 2.

 

Het doel van huishoudelijke ondersteuning is het kunnen beschikken over een schoon en leefbaar huis. Dit ziet op de essentiële woonruimten in de woning, zoals de woonkamer, slaapkamer(s), keuken, sanitaire ruimten en gang of trap. Huishoudelijke ondersteuning heeft uitsluitend betrekking op ruimten binnen de woning. Het schoonmaken of onderhouden van buitenruimten, zoals ramen aan de buitenzijde, tuin, balkon of erf, valt hier niet onder.

 

Artikel 3.5 Aanvullende criteria voor maatschappelijke opvang

Dit artikel beschrijft de voorwaarden waaronder een inwoner in aanmerking kan komen voor maatschappelijke opvang. Maatschappelijke opvang is bedoeld voor inwoners die feitelijk dakloos zijn en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

 

Naast feitelijke dakloosheid moet sprake zijn van beperkte zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden, zoals wonen, financiën, psychisch functioneren of sociaal functioneren. Tevens mag de inwoner niet beschikken over reële alternatieven om de dakloosheid op te heffen.

 

Het college draagt zorg voor algemene voorzieningen in de vorm van dag- en nachtopvang. Daarbij wordt uitvoering gegeven aan het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang, zodat opvang toegankelijk is ongeacht de herkomstgemeente.

 

Na toelating tot de maatschappelijke opvang wordt van de deelnemer verwacht dat deze zo spoedig mogelijk deelneemt aan een begeleidingstraject dat gericht is op zelfredzaamheid, participatie en uitstroom uit de opvang. Indien de deelnemer zonder gegronde reden weigert mee te werken aan dit traject, kan het college de toegang tot maatschappelijke opvang weigeren. Hiermee wordt benadrukt dat opvang niet vrijblijvend is, maar gericht op herstel en doorstroom.

 

Artikel 3.6 Aanvullende criteria voor beschermd wonen

Dit artikel regelt de toegang tot voorzieningen voor beschermd wonen en beschermd thuis. Het college sluit hierbij aan bij het vastgestelde beleid en de verordening van de aangewezen centrumgemeente, aangezien beschermd wonen regionaal is georganiseerd.

 

Beschermd wonen is bedoeld voor inwoners met complexe psychosociale en/of psychiatrische problematiek die niet in staat zijn zich zelfstandig te handhaven in de samenleving en voor wie ambulante ondersteuning onvoldoende is. De voorziening is gericht op het voorkomen van verwaarlozing, maatschappelijke overlast of gevaar voor de inwoner of zijn omgeving.

 

Het artikel maakt onderscheid tussen verschillende vormen van beschermd wonen, waaronder klassiek beschermd wonen, beschermd thuis (scheiden van wonen en ondersteuning) en tussenvormen. Deze varianten sluiten aan bij landelijke ontwikkelingen en bieden ruimte voor maatwerk.

 

Daarnaast kan tijdelijk intramuraal verblijf worden ingezet wanneer ambulante ondersteuning vanuit een beschermde woonomgeving onvoldoende is en de leefsituatie instabiel is geworden. Van inwoners wordt verwacht dat zij meewerken aan het ondersteuningstraject. Ernstige misdragingen of het structureel weigeren van medewerking kunnen leiden tot weigering of intrekking van de voorziening.

 

Artikel 3.7 Aanvullende criteria voor woningaanpassing

Dit artikel bevat aanvullende voorwaarden voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing. Uitgangspunt is dat de inwoner aantoonbare beperkingen ervaart bij het normale gebruik van de woning en dat eerst is onderzocht of verhuizen mogelijk of goedkoper is.

 

Een woningaanpassing wordt alleen verstrekt indien de inwoner vooraf toestemming heeft gekregen van het college en alle benodigde vergunningen zijn verleend. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf voorzieningen moeten worden beoordeeld die al zijn gerealiseerd.

 

Daarnaast moet het gaan om een woning voor permanente bewoning waarin de inwoner zijn of haar hoofdverblijf heeft. De bepalingen dragen bij aan een zorgvuldige beoordeling en doelmatige inzet van publieke middelen.

 

Dit artikel bevat ook aanvullende voorwaarden voor het verstrekken van een financiële tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van een woning.

 

Een financiële tegemoetkoming wordt alleen verstrekt indien de bezoeker in een Wlz instelling woont, de aan te passen woning regelmatig bezoekt en in de gemeente Epe staat en er niet eerder een woning bezoekbaar is gemaakt voor de bezoeker. De bepalingen dragen bij aan de participatie van de betrokkene en zorgen voor een zorgvuldige beoordeling en doelmatige inzet van publieke middelen.

 

Artikel 3.8 Aanvullende criteria voor lokaal verplaatsen

Dit artikel geeft nadere invulling aan de vervoersvoorzieningen binnen de Wmo. De vervoersbehoefte wordt beperkt tot verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving, passend bij het leven van alledag, met een maximum aantal kilometers per jaar.

 

De gemeente kan een individuele vervoersvoorziening verstrekken wanneer deze noodzakelijk is ter vervanging van de loop- of fietsfunctie. Daarbij gelden voorwaarden ten aanzien van veiligheid, zelfstandigheid en de beschikbaarheid van een brandveilige stalling.

 

Het artikel regelt tevens de verhouding tussen individuele vervoersvoorzieningen en collectief vervoer. Wanneer een inwoner naast een hulpmiddel ook gebruik kan maken van collectief vervoer, wordt het aantal kilometers hierop afgestemd. In bijzondere situaties kan gemotiveerd worden afgeweken van de standaardkilometers.

 

Artikel 3.8.1 Ritbijdrage en voorwaarden collectief vervoer en individueel (rolstoel)taxivervoer

De Wet maatschappelijke ondersteuning gaat er vanuit dat inwoners in eerste instantie zelf zaken in gang zet om in de verplaatsingsbehoefte te kunnen voorzien. Dat kunnen oplossingen zijn die een cliënt daadwerkelijk zelf kan uitvoeren (auto, fiets, lopen), of een andere oplossing tot welke een cliënt zich kan melden of zelf kan activeren. Denk bijvoorbeeld aan het openbaar vervoer, vrijwilligersinitiatieven of buren, vrienden en familie. Indien dit niet of niet altijd lukt als gevolg van een beperking of handicap, kunnen cliënten met een Wmo indicatie aanspraak maken op Wmo vervoer.

We maken hier een onderscheid tussen enerzijds reizen op afroep (Wmo-taxi) en anderzijds collectief trajectvervoer (routegebonden vervoer).

 

Reizen op afroep

 

  • -

    Het reizen op afroep is alleen bedoeld voor cliënten die hun eigen vervoer niet meer zelfstandig of met hulp van familie of vrienden kunnen organiseren. Daar is bijvoorbeeld sprake van als iemand vanwege een handicap, beperking of psychische aandoening niet meer kan reizen met het openbaar vervoer. Daarom kunnen cliënten alleen gebruik maken van reizen op afroep met een door de gemeente geïndiceerde Wmo-vervoerspas.

  • -

    Het reizen op afroep is bedoeld voor sociaalrecreatief vervoer, zoals het bezoek van familie/vrienden, winkelen of het reizen naar een vereniging. Reizen naar werk, school, het bezoek van een huisarts of ziekenhuis (anders dan ziekenbezoek) zijn niet toegestaan.

  • -

    Voor reizen op afroep wordt een ritbijdrage gevraagd dat bestaat uit een opstaptarief en een kilometerbijdrage. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het lokale vervoer en het bovenlokale vervoer. In dit artikel worden hiervan de kaders weergegeven met daarbij de uitzonderingssituaties. In bijlage 2 staan de tarieven vermeld.

  • -

    Jaarlijks indexeert het college de tarieven voor het reizen op afroep op basis van de landelijke tarieven index (LTA) en publiceert deze op de gemeentelijke website en in het gemeentenieuws.

  • -

    Cliënten met een Wmo-vervoerspas kunnen vanaf 2022 maximaal 1500 kilometer per jaar met korting reizen. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat in beginsel 1500 kilometer op jaarbasis voldoende toereikend wordt geacht om Wmo pashouders in staat te stellen sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. In uitzonderlijke gevallen kan het college na onderzoek verricht te hebben dit kilometerbudget verhogen.

Collectief trajectvervoer

 

  • -

    Van het collectief trajectvervoer wordt gebruik gemaakt wanneer cliënten niet zelfstandig kunnen reizen naar geïndiceerde maatwerkvoorzieningen en als gevolg hiervan een indicatie hebben toegewezen voor vervoer van en naar een zorginstelling of behandelingslocatie. Het betreft hier bijvoorbeeld dagbesteding en vervoer vanuit de Jeugdwet.

    Cliënten met een gemeentelijke indicatie voor vervoer van en naar een maatwerkvoorziening betalen geen ritbijdrage en kunnen reizen zonder Wmo-vervoerspas.

Artikel 3.8.2 Aanvullende criteria rolstoel

Dit artikel bevat aanvullende criteria voor het in aanmerking komen voor een rolstoel als maatwerkvoorziening. Deze criteria verduidelijken wanneer sprake is van een zodanige beperking in de mobiliteit dat een rolstoel noodzakelijk kan zijn.

 

De criteria zijn gericht op inwoners die op medische gronden beperkt zijn in het zich verplaatsen in en om de woning en die onvoldoende gebruik kunnen maken van een loophulpmiddel, zoals een wandelstok of rollator. Daarbij wordt gekeken naar zowel de duur als de ernst van de beperkingen. Door te werken met concrete maatstaven, zoals de maximale loopafstand en de tijd dat iemand zich met een loophulpmiddel kan verplaatsen, wordt het college in staat gesteld om de ondersteuningsvraag objectief en consistent te beoordelen.

 

Daarnaast is vastgelegd dat de beperkingen langdurend van aard moeten zijn. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat een rolstoel wordt verstrekt bij tijdelijke beperkingen, waarvoor andere oplossingen meer passend zijn.

 

Deze aanvullende criteria laten onverlet dat het college steeds een individuele beoordeling maakt, waarbij ook andere relevante omstandigheden van de inwoner worden betrokken en wordt bezien of de rolstoel een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie.

 

Artikel 3.9 Aanvullende criteria voor begeleiding

Dit artikel beschrijft wanneer een inwoner in aanmerking kan komen voor begeleiding individueel. Begeleiding is bedoeld voor inwoners die ondersteuning nodig hebben bij hun zelfredzaamheid en participatie in het dagelijks leven.

 

Er moet sprake zijn van een ondersteuningsbehoefte die professionele inzet vereist, bijvoorbeeld vanwege psychosociale, psychiatrische of lichamelijke problematiek. De ondersteuning kan gericht zijn op het aanleren, behouden of vergroten van vaardigheden, of op het monitoren van resultaten.

 

Artikel 3.9.1 Aanvullende criteria voor begeleidng groep en dagbesteding

Dit artikel regelt de toegang tot begeleiding in groepsverband en dagbesteding. Deze voorzieningen zijn bedoeld voor inwoners met een beperking die niet in staat zijn zelfstandig deel te nemen aan arbeid, vrijwilligerswerk of buurtvoorzieningen.

 

Begeleiding groep en dagbesteding vinden plaats in groepsverband op een locatie buiten de woning en zijn gericht op onder meer het bieden van structuur, het bevorderen van zelfredzaamheid, het ontlasten van mantelzorgers en het tegengaan van eenzaamheid.

 

Artikel 3.10 Primaat van verhuizing

Dit artikel beschrijft dat de ‘Toekomstbestendig Wonen Lening’ de ‘Toekomstbestendig Wonen Verzilverlening’ en de ‘Toekomstbestendig Wonen Maatwerklening’ als bedoeld in de Verordening Toekomstbestendig Wonen Gelderland 2022, gemeente Epe aangemerkt worden als voorliggende voorzieningen.

 

Verder beschrijft dit artikel het primaat van verhuizing bij woonvoorzieningen. Wanneer de kosten van een woningaanpassing hoger zijn dan € 10.000,-, wordt in beginsel onderzocht of verhuizen naar een geschikte woning een adequatere en doelmatigere oplossing is.

 

Indien de kosten lager zijn, kan het primaat van verhuizing buiten toepassing blijven, mits de aanpassing naar verwachting voor meerdere jaren een passende oplossing biedt. Bij de afweging worden diverse persoonlijke, sociale en financiële factoren betrokken, waaronder mantelzorg, woonlasten, beschikbaarheid van geschikte woningen en de wens van de inwoner.

 

Wanneer het primaat van verhuizing wordt toegepast, kan een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten worden verstrekt.

 

Hoofdstuk 4: Kwaliteit

 

Artikel 4.1 Kwaliteitseisen

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

 

De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

 

De gemeente Epe stelt eisen aan de aanbieders. Deze worden in de verordening beschreven evenals in de raamovereenkomst (contract voor inkoop van zorg bij aanbieders). De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

 

Artikel 4.2 Verhouding prijs en kwaliteit

Het college kan de uitvoering, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wmo). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

 

De regels hebben tot doel dat een vaste prijs of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur en de gecontracteerde aanbieders.

 

Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht, waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst. Het gaat hierbij onder meer om wettelijke verplichtingen als werkgeverspremies, wettelijke sociale verzekeringen en pensioenpremies, wettelijk verlof, wettelijke verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en overige wettelijke verplichtingen die het leveren van de dienst met zich meebrengt. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college zal zich dus een beeld moeten vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing en daarmee gelden de bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector.

 

Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer (immers de gemeente is al gebonden aan één kwaliteitsniveau) en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Bij een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan bij een Europese aanbesteding hetzelfde niveau aan arbeidsvoorwaarden worden geëist. Immers via de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga) waarmee de Europese Detacheringsrichtijn is omgezet in Nederlandse wetgeving, zijn de kernbepalingen van deze algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten ook van toepassing op gedetacheerde werknemers van dienstverleners uit andere EU-lidstaten die hier (tijdelijk) werken. Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de werkgever geen partij is bij een afgesloten bedrijfstak-cao gelden de wettelijke minimumnormen zoals opgenomen in de Wet minimumloon en vakantiebijslag.

 

Eerste lid

In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.

 

Tweede lid

Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, en met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.

 

Derde lid

Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen.

 

Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

 

Vierde lid

Dit lid is opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

 

Vijfde lid

Dit lid is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel. Het college bepaalt met welke derde een overeenkomst wordt aangegaan. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een individuele maatwerkvoorziening te leveren. Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college.

 

NB Het gewijzigde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is in werking getreden per 1 juni 2017. Het nieuwe artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (artikel 8 van de verordening) is van toepassing op opdrachten die na de inwerkingtreding van het besluit zijn aangekondigd (zie hoofdstuk 2.2 van de Aanbestedingswet 2012) of gegund (gunningbeslissing).

 

Op bestaande overeenkomsten is het oude recht van toepassing, tenzij die overeenkomst eenzijdig wordt verlengd. Dit zal met name spelen bij een in de overeenkomst opgenomen beding tot eenzijdige en ongewijzigde verlenging. Na de inwerkingtreding van het besluit kunnen deze bestaande overeenkomsten alleen worden voortgezet indien zij passen binnen het kader van artikel 5.4.

 

Hoofdstuk 5: Persoonsgebonden budget en financiële tegemoetkoming

 

Artikel 5.1 Regels voor een pgb

 

Eerste lid

Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de inwoner dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b Wmo). Met behoud van de motivering wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103).

 

Artikel 5.2 Pgb maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst

 

Eerste t/m vierde lid

De gemeente maakt onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert, te weten formele en informele hulp. Beide vormen worden hier uitgelegd. Tevens wordt in het vijfde lid aangeven wanneer de mogelijkheid bestaat om informele hulp in te zetten.

 

Vijfde lid

Het zesde lid berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting Wmo (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.).

 

Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de individuele maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de Wmo). De situatie waarin het door de inwoner beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Inwoners kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod in natura. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen individuele maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen.

 

Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg en ondersteuning in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op 85% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequaat compenserende door het college ingekochte individuele maatwerkvoorziening in natura.

 

Artikel 5.3 Pgb maatwerkvoorziening niet zijnde een dienst

Dit artikel geeft regels voor de wijze van berekening van de hoogte van de bedragen voor pgb’s voor maatwerkvoozieningen niet zijnde een dienst.

 

Artikel 5.4 Pgb-vaardigheden budgethouder

De inwoner moet in staat zijn tot redelijke waardering van belangen en moet instaat zijn de taken die aan het pgb verbonden zijn te kunnen uitvoeren.

 

Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb. Deze taken dienen als basis om op basis van een pgb-plan de benodigde kennis en vaardigheden van de inwoner vast te stellen.

 

Artikel 5.5 Financiële tegemoetkoming rolstoel

Dit artikel gaat over een financiële tegemoetkoming voor de aanschaf en het onderhoud van een rolstoel. Voor handbewogen en elektrische rolstoelen wordt uitgegaan van de laagste prijs van een rolstoel die passend is bij de situatie van de inwoner. Het college bepaalt deze prijs op basis van een vastgestelde offerte.

 

Voor incidentele rolstoelen geldt een maximumbedrag. Het maximumbedrag is een maximum en geen vast recht. Als een passende rolstoel goedkoper is dan dit bedrag, krijgt de inwoner een tegemoetkoming ter hoogte van de lagere kosten. Met deze regeling zorgt de gemeente voor een passende en doelmatige ondersteuning.

 

Artikel 5.6 Financiële tegemoetkoming sportrolstoel

Dit artikel regelt de verstrekking van een financiële tegemoetkoming voor een sportrolstoel als hulpmiddel om maatschappelijke participatie via sport mogelijk te maken. De sportrolstoel wordt uitsluitend verstrekt wanneer de inwoner door een beperking niet in staat is om zonder dit hulpmiddel te sporten of op een andere wijze op een aanvaardbaar niveau te participeren.

 

De inwoner moet aantonen dat sprake is van actieve sportbeoefening en dat het niet gaat om topsport of sport op hoog niveau. De tegemoetkoming is bedoeld voor sportbeoefening in recreatief of competitief verband en ziet uitsluitend op de meerkosten die voortvloeien uit de beperking.

 

Voor zowel een handbewogen als een elektrische sportrolstoel geldt een maximale tegemoetkoming, zoals opgenomen in bijlage 2. De tegemoetkoming wordt verstrekt voor de aanschaf en het onderhoud voor een periode van minimaal vier jaar. Na deze periode kunnen onderhoudskosten worden vergoed, mits de voorziening technisch is gekeurd en goedgekeurd door of namens het college. Hiermee wordt geborgd dat de voorziening veilig en doelmatig wordt gebruikt.

 

Artikel 5.7 Financiële tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten

Dit artikel regelt de financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten als onderdeel van het primaat van verhuizen. De tegemoetkoming wordt verstrekt wanneer verhuizen de goedkoopst adequaat compenserende voorziening is om de beperkingen van de inwoner op te heffen of te verminderen.

 

De tegemoetkoming bestaat uit een vast bedrag dat is opgenomen in bijlage 2. Door te werken met een vast bedrag wordt uitvoeringstechnisch eenvoud geboden en is vooraf duidelijk welke bijdrage de inwoner kan verwachten.

 

In het tweede lid zijn situaties opgenomen waarin de tegemoetkoming wordt geweigerd. Deze weigeringsgronden zijn bedoeld om te voorkomen dat de tegemoetkoming wordt ingezet in situaties waarin de verhuizing niet bijdraagt aan het verminderen van de beperkingen, waarin sprake is van een niet-passende woning of waarin de kosten als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Ook is uitgesloten dat een tegemoetkoming wordt verstrekt bij verhuizing naar een Wlz-instelling of vanuit een reeds geschikte woning. Hiermee wordt geborgd dat publieke middelen doelmatig en rechtmatig worden ingezet.

 

Hoofdstuk 6: Bijdragen en tarieven maatwerkvoorzieningen

 

Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

De Wmo maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en individuele maatwerkvoorzieningen.

 

In dit onderdeel wordt geregeld dat wanneer de gemeente ervoor kiest om een eigen bijdrage te heffen, voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s en voor bij verordening aangewezen voorzieningen, de hoogte van de eigen bijdrage wordt geregeld in de desbetreffende wetsbepalingen (artikel 2.1.4, 3e lid Wmo 2015 (algemene voorzieningen) en 2.1.4a, 4e lid, Wmo 2015 (maatwerkvoorzieningen).

 

Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze. Welke voorzieningen bij verordening worden aangewezen moet worden opgenomen in de verordening. De wet maakt een uitzondering voor het collectief vervoer, zowel in de vorm van een maatwerkvoorziening als in de vorm van algemene voorziening. Het collectief vervoer valt niet onder het abonnementstarief, maar de gemeente kan ervoor kiezen het wel onder te brengen onder het abonnementstarief. De gemeente kan ervoor kiezen om bepaalde maatwerkvoorzieningen en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen vrij te stellen van een eigen bijdrage. Voorts kan de gemeente ervoor kiezen om bepaalde inkomenscategorieën vrij te stellen van een eigen bijdrage. Ook kan de gemeente ervoor kiezen om de eigen bijdrage voor alle inwoners neerwaarts bij te stellen. De eigen bijdrage geldt niet voor niet AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens. Voor die groep is de eigen bijdrage op nihil vastgesteld (zie het vierde lid van artikel 3.8 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015).

 

Uitgezonderd van het abonnementstarief zijn de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Hiervoor blijven de inkomensafhankelijke eigen bijdragen gelden die door het CAK worden vastgesteld. Sinds 1 januari 2019 is de vermogensinkomensbijtelling naar beneden bijgesteld van 8% naar 4%.

 

Artikel 4 geeft uitvoering aan artikel 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de in artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef, van de Wmo geboden mogelijk om de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen verschillend vast te stellen (eerste lid). Ook wordt gebruik gemaakt van de in artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de wet geboden mogelijk om te bepalen dat voor bepaalde groepen een korting op de bijdrage van toepassing is (tweede lid). De hoogte van de bijdragen wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de Prijsontwikkeling BBP en prijsmutatie overheidsconsumptie lonen en salarissen die gepubliceerd worden door het Centraal Plan Bureau.

 

Verder ligt het voor de hand dat daarnaast met de aanbieders afgesproken wordt dat inwoners, voordat zij gebruik maken van een algemene voorziening, op de hoogte worden gesteld van de bijdrage die zij daarvoor verschuldigd zullen zijn.

 

Artikel 4 geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en het derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid, van de Wmo.

 

Artikel 6.2 Eigen bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen

Voor een algemene voorziening waarbij geen sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie mag de gemeente de hoogte van de eigen bijdrage zelf bepalen tot maximaal de kostprijs. De gemeente moet van iedere algemene voorziening waarvoor een eigen bijdrage wordt gevraagd de hoogte van deze eigen bijdrage in de verordening opnemen.

 

De gemeente kan er ook voor kiezen om bepaalde algemene voorzieningen wel onder het abonnementstarief te laten vallen. Daarbij zal de afweging moeten worden gemaakt of de kosten van het abonnementstarief niet te hoog zijn als de inwoner alleen gebruik maakt van de algemene voorziening.

 

Ook bij algemene voorzieningen kan de gemeente ervoor kiezen om voor bepaalde inkomensgroepen een lagere eigen bijdrage te bepalen. Het is van belang dat voor het gebruik van algemene voorzieningen zo min mogelijk financiële drempels worden opgeworpen. De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet), een bij verordening aangewezen algemene voorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet) en een algemene voorziening (artikel 2.1.4, zesde lid, van de wet). Dat kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in artikel 6.3 van de verordening.

 

In artikel 6.3 lid 2 van de verordening is opgenomen dat de kostprijs van een voorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing ook bepaald wordt door de wijze van verstrekken van de voorziening te weten bruikleen, huur of eigendom.

 

Het is van belang dat de eigen bijdrage de kostprijs van de voorziening niet te boven mag gaan. Dit zal zeker bij de voorzieningen waar een dienst wordt geleverd nooit het geval zijn. Het zou wel kunnen voorkomen bij een hulpmiddel of woningaanpassing. Wanneer deze in eigendom wordt verstrekt, kan er een moment komen dat de kostprijs is betaald. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs.

 

De gemeente mag voor die voorziening dan geen eigen bijdrage meer heffen.

 

Wanneer de voorziening in bruikleen of huur is verstrekt, kan de eigen bijdrage worden geheven zolang de inwoner van de voorziening gebruik maakt.

 

Artikel 6.3 Criteria bepaling kostprijs

De hoogte van de bijdragen wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van de consumentenprijsindex die gepubliceerd wordt door het Centraal Planbureau. Het college draagt er zorg voor dat de nieuwe bedragen voor iedereen kenbaar kunnen zijn.

 

De wijze waarop is vrij, als de kenbaarheid maar in redelijkheid verzekerd is. Gedacht kan worden aan publicatie in het (elektronisch) gemeenteblad, op de gemeentelijke website en/of in een lokaal dagblad, via redactionele aanpassing van de verordening in de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (onderdeel van www.overheid.nl) en/of door het beschikbaar stellen van een flyer.

 

Artikel 6.4 Waardering mantelzorger

Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.6 van de Wmo. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De verordening moet in ieder geval voorzien in een procedure die waarborgt dat alle mantelzorgers, die voldoen aan de voorwaarden, voor het ontvangen van een blijk van waardering in aanmerking kunnen worden gebracht. Het gaat om mantelzorgers van cliënten in de gemeente Epe. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een inwoner als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, individuele maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van inwoners die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de inwoner bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.

 

Eerste lid

Het komt erop neer dat – met inachtneming van het bovenstaande – mantelzorgers van inwoners in de gemeente via een melding bij het college in aanmerking kunnen worden gebracht voor de jaarlijkse blijk van waardering.

 

Derde lid

Ten aanzien van de meldingsprocedure kan het college nadere regels stellen.

 

Hoofdstuk 7: Toezicht en handhaving

 

Artikel 7.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wmo, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

 

Eerste lid

Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen individuele maatwerkvoorzieningen en pgb’s gaat als het goed is een poging dit te ‘voorkomen’ vooraf. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de inwoner en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen.

 

Derde lid

Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.

 

In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wmo zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte individuele maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om individuele maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten individuele maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten individuele maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’

 

Zesde lid

Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de bevoegdheden van de toezichthoudend ambtenaar.

 

Zevende lid

Dit gaat over situaties waarin een voorziening is toegekend op basis van onjuiste of onvolledige informatie van de inwoner. Als achteraf blijkt dat de gemeente een andere beslissing zou hebben genomen wanneer de juiste gegevens bekend waren geweest, kan het besluit tot verstrekking van de voorziening worden herzien of ingetrokken. Dit voorkomt misbruik of oneigenlijk gebruik.

 

Achtste lid

Wanneer een voorziening is ingetrokken of herzien, kan de gemeente de al verstrekte voorziening of de daaraan verbonden kosten terugvorderen. Dit betekent dat de inwoner (of diens vertegenwoordiger) verplicht is de waarde of kosten van de ten onrechte ontvangen voorziening terug te betalen. Hiermee wordt zorgvuldig omgegaan met publieke middelen en wordt rechtsgelijkheid geborgd.

 

Negende lid

Als de inwoner de terugbetaling volledig heeft voldaan, moet het college dit doorgeven aan het CAK (Centraal Administratie Kantoor), voor zover dit van toepassing is. Het CAK is verantwoordelijk voor het innen van de eigen bijdragen die cliënten moeten betalen. Zodra de terugvordering is afgerond, kan het CAK de berekening van de eigen bijdrage corrigeren, zodat de inwoner niet langer te veel betaalt.

 

Artikel 7.2 Rechtmatigheid en doelmatigheid

Dit artikel geeft invulling aan de verantwoordelijkheid van het college om te zorgen voor een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende inzet van maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Daarnaast is het artikel gericht op het voorkomen en tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude.

 

Het college treft hiertoe passende maatregelen gedurende de gehele keten van besluitvorming en uitvoering: bij de toegang tot voorzieningen, tijdens de looptijd van indicaties en bij de verantwoording en betaling. Deze maatregelen zijn erop gericht om te waarborgen dat ondersteuning daadwerkelijk wordt ingezet voor het doel waarvoor deze is verstrekt en dat publieke middelen zorgvuldig worden besteed.

 

Het artikel benoemt een niet-limitatieve opsomming van maatregelen die het college kan inzetten. Zo wordt waar mogelijk samengewerkt met andere organisaties die actief zijn op het terrein van fraudepreventie en handhaving in de zorg. Door deze samenwerking kan kennis worden gedeeld en kunnen signalen van oneigenlijk gebruik tijdig worden opgepakt.

 

Daarnaast kan het college onderzoek verrichten bij aanbieders met wie een subsidie- of contractrelatie bestaat. Dit onderzoek kan worden uitgevoerd door het college zelf of door derden en is gericht op het toetsen van rechtmatigheid, doelmatigheid en naleving van gemaakte afspraken.

 

Met aanbieders worden afspraken gemaakt over facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles. Deze afspraken dragen eraan bij dat declaraties en betalingen aansluiten bij de overeengekomen prestaties en de daadwerkelijk geleverde ondersteuning.

 

Verder kan het college de looptijd van indicaties beperken en periodiek controleren of de indicatie nog passend is. Ook kunnen huisbezoeken en locatiebezoeken plaatsvinden, waarbij door middel van een schouw feitelijk wordt onderzocht hoe de ondersteuning wordt uitgevoerd en hoe deze door inwoners wordt ervaren.

 

Ten aanzien van pgb’s wordt expliciet aandacht besteed aan monitoring van het gebruik en de behaalde resultaten in relatie tot de doelen uit het pgb-plan. Daarbij wordt zowel gekeken naar de besteding van het budget als naar de effectiviteit van de ondersteuning.

 

Tot slot regelt het artikel dat bij de verstrekking van een pgb een grondige toets aan de voorkant plaatsvindt. Deze toets ziet onder meer op de regiemogelijkheden van de inwoner of diens vertegenwoordiger, de kwaliteit en uitvoerbaarheid van het pgb-plan en de kwaliteit van de in te schakelen hulpverlener. Hiermee wordt beoogd om risico’s op oneigenlijk gebruik en onvoldoende passende ondersteuning zoveel mogelijk vooraf te beperken.

 

Artikel 7.3 Toezichthouders

Dit artikel is gebaseerd op artikel 6.1 Wmo 2015 en artikel 5:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college moet toezichthouders aanwijzen om naleving van de wet en verordening te waarborgen. De genoemde bevoegdheden, zoals het opvragen van dossiers en het betreden van plaatsen (niet zijnde woningen), zijn noodzakelijk voor effectief toezicht en sluiten aan bij de Awb.

 

Bij de uitoefening van deze bevoegdheden gelden de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit: de toezichthouder mag alleen gegevens opvragen of inzage vorderen als dit strikt noodzakelijk is en niet op een minder ingrijpende manier kan worden bereikt. Gegevens moeten zorgvuldig en vertrouwelijk worden behandeld. Op grond van artikel 5:20 Awb is eenieder verplicht medewerking te verlenen, tenzij een wettelijke geheimhoudingsplicht zich daartegen verzet.

 

Hoofdstuk 8: Klachten, medezeggenschap en inspraak

 

Artikel 8.1 Klachtregeling

Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan.

 

Eerste lid

In het eerste lid is een bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht. Deze bepaling is niet verplicht op grond van deze wet en is hier opgenomen in het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met de eenvoudige bepaling van het eerste lid worden volstaan.

 

De gemeente Epe heeft hiervoor een algemene Klachtenregeling Epe 2015 vastgesteld.

 

Tweede lid

In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo waarin is bepaald datin de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.

 

In de memorie van toelichting Wmo (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De inwoner kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de inwoner niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).

 

Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.

 

Derde lid

In het derde lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de klachtregelingen door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

 

Artikel 8.2 Medezeggenschap bij aanbieders

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de Wmo, waarin is bepaald datin ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.

 

Eerste lid

In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van Wmo).

 

Tweede lid

In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

 

Artikel 8.3 Betrekken van ingezetenen bij beleid

In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.

 

Tweede en derde lid

Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10 (in de redactie van de Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo 2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35) worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.

 

Vierde lid

Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

 

Hoofdstuk 9: Overige bepalingen

 

Artikel 9.1 Hardheidsclausule

Dit artikel zal slechts in uitzonderlijke situaties worden getoetst, omdat de verordening het leveren van maatwerk als uitgangspunt heeft.

Naar boven