Nadere regels bekostiging leerlingenvervoer Terneuzen 2026

 

 

Deze nadere regels bevatten een nadere uitwerking van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer Terneuzen 2026. Zij beschrijven de wijze waarop het college uitvoering geeft aan het leerlingenvervoer en welke beoordelingscriteria daarbij worden toegepast.

Burgemeester en wethouders van (de gemeente) Terneuzen;

 

gelet op het bepaalde in de:

• Artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

• Artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs;

• Artikel 4 van de Wet op de expertisecentra;

• Artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

• De Verordening bekostiging leerlingenvervoer Terneuzen 2026 (hierna: de verordening);

 

overwegende dat:

  • Ieder kind naar school gaat;

  • Zelfredzaamheid en eigen kracht belangrijke grondbeginselen zijn:

    • Wie zelfstandig kan reizen, reist zelfstandig of krijgt (tijdelijke) begeleiding of training gericht op zelfstandig reizen (per openbaar vervoer of fiets).

    • Waar mogelijk stelt het college ouders/verzorger(s) in staat het vervoer zelf te regelen (meer faciliterend dan organiserend).

    • Aangepast vervoer blijft bestaan voor wie dat echt nodig heeft.

  • De verantwoordelijkheid voor de schoolgang van leerlingen en het (al dan niet onder begeleiding) vervoeren van hun kinderen van en naar school primair de verantwoordelijkheid van de ouders/verzorger(s) is;

  • Het een taak van de gemeente is om voor iedere leerling die in aanmerking komt voor leerlingenvervoer een vergoeding voor passend vervoer aan te bieden;

  • Het wenselijk is regels te stellen voor de bekostiging van de vervoersvoorzieningen voor leerlingen om aanvragen voor leerlingenvervoer op een zelfde manier te kunnen beoordelen;

  • De vorm van de bekostiging van het leerlingenvervoer zoveel mogelijk aansluit op:

    • De individuele mogelijkheden van de leerling, en waar relevant de mogelijkheden van de ouders/verzorger(s), en

    • De beperking van de leerling.

 

besluiten vast te stellen de volgende beleidsvisie Nadere regels bekostiging leerlingenvervoer Terneuzen 2026 :

 

 

 

Artikel 1. Peildatum leeftijd

 

Voor de toepassing van de verordening en deze nadere regels wordt de leeftijd van de leerling vastgesteld op 1 augustus van het schooljaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

 

De op grond van lid 1 vastgestelde leeftijd geldt voor het gehele schooljaar en wordt gedurende dat schooljaar niet gewijzigd.

 

  • 2.

    Het college gebruikt deze peildatum bij de beoordeling van onder andere:

    • a.

      De mogelijkheid tot zelfstandig reizen per fiets of openbaar vervoer;

    • b.

      De toepassing van een vervoersontwikkelingsplan;

    • c.

      Overige leeftijdsgebonden criteria binnen deze nadere regels.

  •  

Indien in deze nadere regels wordt verwezen naar leeftijd of leeftijdsgrenzen, wordt daarmee de leeftijd bedoeld zoals vastgesteld op grond van lid 1.

 

  • 5.

    Het college wijkt uitsluitend af van de peildatum als bedoeld in lid 1 indien toepassing daarvan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, zoals bedoeld in artikel 22 van deze nadere regels.

 

Artikel 2. Dichtstbijzijnde toegankelijke school

 

  • 1.

    Wanneer de leerling kiest voor een Vlaamse school, gebruikt het college een vergelijkingstabel óf een verklaring van het betreffende samenwerkingsverband passend onderwijs om te bepalen, wat de dichtstbijzijnde toegankelijke school is voor de betreffende leerling.

  •  

  • 2.

    Wanneer de leerling onderwijs volgt in een centrale opvangklas (TEC) voor nieuwkomers, wordt deze voorziening voor de toepassing van deze nadere regels aangemerkt als school. Het college bepaalt de dichtstbijzijnde toegankelijke voorziening op basis van plaatsbaarheid/ toegankelijkheid en de beschikbare onderwijsvoorzieningen binnen redelijke afstand.

     

  • 3.

    Het college bepaalt of een school toegankelijk is voor de leerling aan de hand van:

    • a.

      De onderwijssoort en de ondersteuningsbehoefte van de leerling (PO/SBO/SO/VSO);

    • b.

      De (mogelijke) toelating/ plaatsbaarheid van de leerling;

    • c.

      Informatie van school en/of samenwerkingsverband passend onderwijs, waaronder (indien beschikbaar) het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) en/of een toelaatbaarheidsverklaring (TLV);

    • d.

      Een schriftelijke bevestiging van plaatsing of (gemotiveerde) afwijzing, indien dit voor het vaststellen van toegankelijkheid noodzakelijk is.

  •  

  • 4.

    Indien sprake is van meerdere voor de leerling toegankelijke scholen, wordt onder de dichtstbijzijnde toegankelijke school verstaan: de school die is gelegen op de kortste afstand gemeten langs de kortste voldoende begaanbare en veilige weg.

     

  • 5.

    Het Regionaal Bureau Leerlingenzaken actualiseert bij wijzigingen in het onderwijsaanbod de vergelijkingstabel.

  •  

Artikel 3. Eigen bijdrage en drempelbedrag

 

  • 1.

    Bij het vaststellen van de hoogte van de eigen bijdrage hanteert het college als uitgangspunt, dat een schooljaar 200 schooldagen heeft.

     

  • 2.

    Een eigen bijdrage is verschuldigd indien het verzamelinkomen van de ouders/verzorger(s) hoger is dan het in artikel 23 van de verordening genoemde drempelbedrag. De eigen bijdrage geldt niet voor leerlingen met een handicap als bedoeld in de verordening.

     

  • 3.

    Voor het vaststellen van de eigen bijdrage gaat het college uit van het verzamelinkomen van de ouders/verzorger(s) over het peiljaar, zijnde het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor leerlingenvervoer wordt aangevraagd.

  •  

  • 4.

    Indien het inkomen over het peiljaar aantoonbaar niet representatief is voor de huidige inkomenssituatie, kan het college – met toepassing van artikel 26 van de verordening – uitgaan van een later peiljaar, overeenkomstig artikel 13 van deze nadere regels.

     

  • 5.

    Ouders/verzorger(s) overleggen desgevraagd een inkomensverklaring van de Belastingdienst of andere bewijsstukken waaruit het verzamelinkomen blijkt.

     

  • 6.

    De eigen bijdrage wordt vastgesteld op basis van de kosten van openbaar vervoer over de afstand tussen woning (of opstapplaats) en de dichtstbijzijnde toegankelijke school.

  •  

  • 7.

    Voor het bepalen van de kosten van openbaar vervoer gaat het college uit van:

    • a.

      Het goedkoopste passende OV-product (bijvoorbeeld trajectabonnement, dalabonnement of reizen op saldo);

    • b.

      De geldende tarieven van de betreffende vervoerder(s) in het betreffende schooljaar;

    • c.

      De meest voor de hand liggende reisroute.

  •  

  • 8.

    Indien voor de betreffende route geen openbaar vervoer beschikbaar is, stelt het college de OV-kosten vast op basis van een vergelijkbare OV-reis in tijd en afstand, alsof openbaar vervoer beschikbaar zou zijn.

     

  • 9.

    Indien de leerling onderwijs volgt aan een school in België, stelt het college de kosten van openbaar vervoer vast op basis van een vergelijkbare reisafstand en reisduur binnen Nederland, uitgaande van het goedkoopste passende OV-product.

     

  • 10.

    De eigen bijdrage wordt berekend over het aantal schooldagen waarop de leerling daadwerkelijk onderwijs volgt, met als maximum 200 schooldagen per schooljaar.

  •  

  • 11.

    De eigen bijdrage wordt:

    • a.

      verrekend met de toegekende vervoersvergoeding; of

    • b.

      in rekening gebracht bij ouders/verzorger(s) indien sprake is van vervoer in natura (bijvoorbeeld taxivervoer).

       

  • 12.

    Wanneer het college een bekostiging geeft op basis van de kosten van het vervoer per fiets, hanteert het college hierbij geen drempelbedrag of eigen bijdrage.

     

  • 13.

    Het college kan het drempelbedrag jaarlijks indexeren overeenkomstig de systematiek uit de verordening. Het college maakt het geïndexeerde bedrag jaarlijks bekend.

  •  

Artikel 3a. Draagkrachtafhankelijke bijdrage bij afstand van meer dan 20 kilometer

 

  • 1.

    Indien het basisonderwijs betreft en de afstand tussen de woning of opstapplaats en de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer bedraagt dan 20 kilometer, kan het college een draagkrachtafhankelijke bijdrage vaststellen overeenkomstig artikel 24 van de verordening. Deze bijdrage geldt niet voor leerlingen met een handicap als bedoeld in de verordening.

  •  

  • 2.

    De hoogte van de draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt vastgesteld aan de hand van:

  • a.

    het verzamelinkomen van de ouders/verzorger(s); en

  • b.

    de draagkrachttabel zoals opgenomen in Bijlage 5 – Draagkrachttabel bij deze nadere regels.

  •  

  • 3.

    Voor het vaststellen van het verzamelinkomen gaat het college uit van het peiljaar, zijnde het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor leerlingenvervoer wordt aangevraagd, overeenkomstig artikel 3, derde lid, van deze nadere regels.

 

  • 4.

    Indien het inkomen over het peiljaar aantoonbaar niet representatief is voor de huidige inkomenssituatie, kan het college – met toepassing van artikel 26 van de verordening – uitgaan van een later peiljaar, overeenkomstig artikel 13 van deze nadere regels.

De draagkrachtafhankelijke bijdrage geldt per leerling per schooljaar.

 

De bijdrage wordt:

  • a.

    verrekend met de toegekende vervoersvergoeding; of

  • b.

    in rekening gebracht bij ouders/verzorger(s) indien sprake is van vervoer in natura.

 

  • 5.

    De bedragen in de draagkrachttabel worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig artikel 24 van de verordening. Het college maakt de aangepaste bedragen jaarlijks bekend.

 

Ouders/verzorger(s) ontvangen een beschikking waarin de hoogte van de draagkrachtafhankelijke bijdrage is opgenomen. Tegen deze beschikking staat bezwaar en beroep open overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 4. Vervoer naar alternatieve (woon)adressen

In het leerlingenvervoer wordt uitgegaan van het vergoeden van het vervoer van de woning (feitelijke verblijfplaats) of opstapplaats naar school en terug.

  • 1.

    Het college kan onder de volgende voorwaarden toestemming geven om een leerling die gebruik maakt van het aangepast vervoer voor en/of na schooltijd te vervoeren van en/of naar een buitenschoolse opvang of een ander dan het feitelijk (verblijf)adres:

  • a.

    het gaat altijd om structureel vervoer dat voor een minimale periode van 3 maanden vastligt en;

  • b.

    het vervoer leidt niet tot een langere reistijd voor de overige kinderen in de bus en;

  • c.

    de leerling maakt gebruik van aangepast vervoer en;

  • d.

    het opvangadres ligt binnen de verblijfgemeente en;

  • e.

    het betreft één vast adres naast het feitelijk woonadres op een vast aantal dagen. Dit is alleen te wijzigen voor opnieuw een periode van drie maanden. Deze locatie moet uiteraard ook voldoen aan de criteria in deze beleidsregel. Een wijziging heeft een standaard verwerkingstermijn van drie weken en;

  • f.

    het vervoer vindt plaats in aansluiting op de schooltijd genoemd in de schoolgids en

  • g.

    het alternatieve adres voldoet aan de afstandsgrens in de verordening en;

  • h.

    het vervoer leidt niet tot meerkosten voor de gemeente.

 

  • 2.

    Het college wijkt alleen af van het bepaalde in lid 1, als er een noodzaak is, bijvoorbeeld een jeugdhulparrangement. Werk is geen noodzaak.

     

  • 3.

    Het college kan ouders/verzorger(s) de mogelijkheid bieden om tegen betaling een vervoersabonnement af te sluiten voor het vervoer naar een extra adres. Het college hanteert hierbij een bedrag van € 150,00 per schooljaar per extra adres. Voor het door ouders/verzorger(s) betaalde vervoer gelden dan ook de voorwaarden van dit artikel, lid 1, a tot en met h.

     

  • 4.

    Bij co-ouders/verzorger(s)chap moet elke ouder afzonderlijk een aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is. Ouders/verzorger(s) moeten daarbij aangeven, wanneer het kind waar verblijft. Het kan voorkomen, dat slechts bij één ouder aanspraak op leerlingenvervoer bestaat.

  •  

Artikel 5. Woning

 

  • 1.

    In aanvulling op de verordening is de woning de plaats waar de leerling gedurende minimaal 4 vaste dagen per twee weken verblijft en de plaats van waaruit de leerling de school bezoekt.

     

  • 2.

    Het is niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven, de feitelijke verblijfplaats van de leerling is bepalend in welke gemeente het vervoer moet worden aangevraagd.

  •  

  • 3.

    Als een leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, moet in deze andere gemeente (in beginsel) bekostiging van de vervoerkosten van deze leerling aangevraagd worden;

 

Artikel 6. Aanvraag en benodigde gegevens

 

Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt ingediend via het door het college vastgestelde aanvraagformulier.

 

De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens die noodzakelijk zijn om het recht op en de vorm van de vervoersvoorziening te kunnen beoordelen.

 

Het college kan aanvullende gegevens opvragen indien de verstrekte informatie onvoldoende is om de aanvraag te beoordelen.

 

De gegevens die minimaal moeten worden aangeleverd per type vervoersvoorziening zijn opgenomen in bijlage 4: “Benodigde gegevens per type vervoer”.

 

Indien de aanvraag onvolledig is, stelt het college de aanvrager in de gelegenheid om de ontbrekende gegevens binnen een redelijke termijn aan te vullen.

 

Artikel 7. Vaststellen vervoersvoorziening en vergoeding

 

Het college bepaalt de vervoersvoorziening op basis van de individuele omstandigheden van de leerling, waarbij wordt uitgegaan van de goedkoopst passende voorziening.

 

Bij de beoordeling hanteert het college de volgende volgorde van voorzieningen:

  • a.

    vervoer per fiets;

  • b.

    openbaar vervoer, al dan niet met begeleiding;

  • c.

    eigen vervoer (vergoeding aan ouders/verzorger(s));

  • d.

    aangepast vervoer.

  •  

Het college beoordeelt of de leerling, al dan niet met begeleiding, in staat is gebruik te maken van een lichtere vervoersvoorziening voordat een zwaardere voorziening wordt toegekend.

 

  • 3.

    Bij de beoordeling betrekt het college in ieder geval:

  • a.

    de leeftijd en zelfstandigheid van de leerling;

  • b.

    de aard van eventuele beperkingen;

  • c.

    de afstand en reistijd;

  • d.

    de veiligheid van de route;

  • e.

    de mogelijkheid tot begeleiding door ouders/verzorger(s) of sociaal netwerk.

  •  

Indien passend, kan het college een combinatie van vervoersvoorzieningen inzetten.

 

Het college kan voorwaarden verbinden aan de vervoersvoorziening, waaronder:

  • a.

    het gebruik van een vervoersontwikkelingsplan;

  • b.

    deelname aan een training gericht op zelfstandig reizen;

  • c.

    periodieke evaluatie van de voorziening.

  •  

Het college kan een vervoersvoorziening wijzigen of beëindigen indien de omstandigheden van de leerling daartoe aanleiding geven.

 

Artikel 8. Bekostiging fiets en openbaar vervoer (zonder begeleiding)

 

Indien het college een vervoersvoorziening toekent in de vorm van een vergoeding voor vervoer per fiets of openbaar vervoer zonder begeleiding, wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig artikel 17 van de verordening.

 

Bij bekostiging van openbaar vervoer hanteert het college als uitgangspunt de goedkoopste passende reiswijze.

 

Het college vergoedt het openbaar vervoer op basis van een passend OV-product, zoals:

  • a.

    een (dal)abonnement;

  • b.

    een trajectabonnement; of

  • c.

    reizen op saldo.

  • d.

     

Het college kan voorwaarden stellen aan de wijze van reizen indien dit passend en doelmatig is.

 

Bij het bepalen van de goedkoopste passende OV-reiswijze betrekt het college in ieder geval:

  • a.

    het aantal schooldagen of reisdagen;

  • b.

    de afstand en reistijd;

  • c.

    de mogelijkheid van een passend abonnement;

  • d.

    de beschikbaarheid en aansluiting van openbaar vervoer.

  •  

Indien het college een fietsvergoeding verstrekt:

  • a.

    wordt de vergoeding vastgesteld op 75% van het belastingvrije kilometerbedrag voor autovervoer, overeenkomstig de verordening;

  • b.

    wordt de afstand bepaald langs de kortste voldoende begaanbare en veilige weg.

  •  

De vergoeding voor openbaar vervoer of fiets kan worden toegekend voor een bepaalde periode en kan worden herzien indien de omstandigheden wijzigen.

 

Artikel 8a. Bekostiging openbaar vervoer of fiets met begeleiding

 

Indien het college vaststelt dat de leerling niet zelfstandig kan reizen en begeleiding noodzakelijk is, kan het college een vervoersvoorziening toekennen in de vorm van vergoeding van:

  • a.

    de kosten van OV of fiets voor de leerling; én

  • b.

    de kosten van OV of fiets voor één begeleider, overeenkomstig artikel 18 van de verordening.

  •  

Begeleiding wordt uitsluitend noodzakelijk geacht indien op basis van het onderzoek (artikel 6 van deze nadere regels) blijkt dat de leerling:

  • a.

    gelet op leeftijd, beperking of ontwikkelingsniveau niet in staat is de route zelfstandig of veilig af te leggen; of

  • b.

    door medische, cognitieve of gedragsmatige omstandigheden niet zelfstandig gebruik kan maken van OV of fiets; en

  • c.

    begeleiding noodzakelijk is om onderwijsdeelname mogelijk te maken.

  •  

Bij de beoordeling of de leerling zelfstandig kan reizen, betrekt het college in ieder geval:

  • a.

    de mate van zelfredzaamheid en reisvaardigheden van de leerling;

  • b.

    de complexiteit van de route (overstappen, drukte, verkeersveiligheid);

  • c.

    de belastbaarheid van de leerling (fysiek/mentaal);

  • d.

    informatie van school en/of samenwerkingsverband, waaronder indien beschikbaar het OPP;

  • e.

    indien nodig deskundigenadvies.

  •  

Het college hanteert als uitgangspunt dat begeleiding wordt afgebouwd indien dit verantwoord is. Indien er een vervoersontwikkelingsplan (VOP) is opgesteld, wordt daarin vastgelegd op welke wijze begeleiding kan worden verminderd en/of vervangen door training.

 

De bekostiging van OV met begeleiding vindt plaats op basis van de goedkoopste passende OV-reiswijze, waarbij:

  • a.

    uitsluitend de vervoerskosten van de begeleider worden vergoed;

  • b.

    geen vergoeding plaatsvindt voor tijdsbesteding, inkomensverlies of overige kosten van de begeleider.

  •  

Indien begeleiding door ouders/verzorger(s) niet (structureel) mogelijk is, kan het college in overleg met ouders/verzorger(s) beoordelen of begeleiding door iemand uit het sociale netwerk mogelijk is, conform het uitgangspunt van redelijkerwijs te verwachten inzet.

 

Het college kan de toekenning van OV/fiets met begeleiding in tijd begrenzen en periodiek evalueren, in beginsel jaarlijks, om te beoordelen of zelfstandig reizen (eventueel met training) mogelijk is.

 

Artikel 8b. Eigen vervoer (vergoeding)

 

Het college kan op aanvraag toestemming geven, om één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren (eigen vervoer), overeenkomstig artikel 20 van de verordening.

 

Eigen vervoer wordt uitsluitend toegekend na een schriftelijke aanvraag. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen.

 

  • 1.

    Voor toekenning van een vergoeding voor eigen vervoer gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:

    • a.

      de leerling voldoet aan de voorwaarden voor bekostiging van leerlingenvervoer op grond van de verordening; en

    • b.

      eigen vervoer is passend en uitvoerbaar; en

    • c.

      eigen vervoer leidt niet tot hogere kosten voor de gemeente dan een andere passende vervoersvoorziening.

 

  • 2.

    Indien eigen vervoer plaatsvindt per motorvoertuig, geldt dat:

  • a.

    het voertuig is verzekerd (minimaal WA); en

  • b.

    de bestuurder beschikt over een geldig rijbewijs; en

  • c.

    het vervoer op een veilige en verantwoorde wijze plaatsvindt.

 

  • 3.

    De vergoeding voor eigen vervoer wordt berekend over de afstand tussen de woning (of opstapplaats) en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg, zoals vastgelegd in artikel 18 van deze nadere regels.

De vergoeding voor eigen vervoer wordt uitsluitend toegekend voor schooldagen waarop de leerling daadwerkelijk onderwijs volgt en voor maximaal twee enkele ritten per dag (heen en terug).

  • 4.

    De hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 20 van de verordening:

  • a.

    indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van vervoer per fiets, bedraagt de vergoeding 75% van het belastingvrije kilometerbedrag voor de auto;

  • b.

    indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van aangepast vervoer, bedraagt de vergoeding voor vervoer per auto het belastingvrije kilometerbedrag per kilometer.

     

Ouders/verzorger(s) melden wijzigingen die van invloed zijn op het eigen vervoer (zoals schoolwisseling, wijziging verblijfadres, stage of wijziging rooster) onverwijld aan het college. Het college kan de vergoeding herzien indien omstandigheden wijzigen.

 

Artikel 8c. Escalatie- en bemiddelingsprocedure

 

Indien tussen ouders/verzorger(s) en het college verschil van inzicht bestaat over de toekenning, uitvoering of passendheid van een vervoersvoorziening, past het college de onderstaande escalatieprocedure toe.

 

Het Regionaal Bureau Leerlingzaken voert binnen 10 werkdagen na het signaal of verzoek een bemiddelingsgesprek met ouders/verzorger(s). Indien nodig kunnen school, vervoerder of andere betrokken partijen deelnemen.

 

Van het bemiddelingsgesprek wordt een korte schriftelijke verslaglegging gemaakt, die wordt toegevoegd aan het dossier.

 

Indien bemiddeling leidt tot overeenstemming, legt het college de uitkomst vast in een beschikking of schriftelijke bevestiging.

 

Indien bemiddeling niet leidt tot overeenstemming, kan het college een onafhankelijke deskundige inschakelen.

 

De deskundige adviseert over de vervoersbehoefte van de leerling. Het advies wordt betrokken bij de besluitvorming.

 

Ouders/verzorger(s) worden geïnformeerd over de inzet van een deskundige en krijgen gelegenheid hun zienswijze te geven.

 

Het college neemt, met inachtneming van het bemiddelingsgesprek en het advies van de deskundige, een besluit over de vervoersvoorziening.

 

Het besluit wordt schriftelijk gemotiveerd.

 

Tegen dit besluit staat bezwaar en beroep open overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht.

  •  

Artikel 9. In redelijkheid te verwachten inzet van ouders/verzorger(s)

 

De verantwoordelijkheid voor het vervoer van en naar school ligt primair bij de ouders/verzorger(s); indien begeleiding noodzakelijk is, zijn zij in beginsel zelf verantwoordelijk voor het organiseren daarvan en kunnen zij zelf bepalen wie deze begeleiding verzorgt.

 

Als de leerling in een instelling woont, blijven ouders/verzorger(s) of de instelling verantwoordelijk voor de schoolgang. En zij blijven dus ook verantwoordelijk voor de daarmee samenhangende begeleiding van de leerling naar en van school.

 

In de verordening is opgenomen dat er recht bestaat op aangepast vervoer indien er sprake is van een ernstige benadeling van het gezin waardoor begeleiding van de leerling niet meer van ouders/verzorger(s) kan worden gevergd. Van ernstige benadeling van het gezin kan in ieder geval sprake zijn indien:

 

  • a.

    Er is sprake van een eenoudergezin, en

andere kinderen jonger dan negen jaar zijn thuis. Deze kinderen hebben thuis aantoonbaar begeleiding nodig. Dit is aantoonbaar niet verenigbaar met de begeleiding in het openbaar vervoer of bij het fietsen van de leerling die in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening; en/of

een ander kind door een medische aandoening extra zorg van de ouder nodig heeft. Het college kan aan de ouder vragen hiervoor een medische verklaring van de behandelend arts te leveren; en/of

de ouder heeft een aantoonbare structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking, waardoor begeleiding tijdens het vervoersmoment onmogelijk is; en/of

de ouder kan aantoonbaar onmogelijk de begeleiding in het openbaar vervoer of bij het fietsen organiseren gedurende het vervoersmoment vanwege een scholings- of arbeidsverplichting vanuit de Participatiewet;

 

  • b.

    Er is sprake van een gezamenlijke huishouding en beide ouders/verzorger(s) kunnen aantoonbaar onmogelijk de begeleiding in het openbaar vervoer of bij het fietsen organiseren gedurende het vervoersmoment, omdat bij hen beiden sprake is van:

een aantoonbare structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking; en/of

een scholings- of arbeidsverplichting vanuit de Participatiewet; of

 

  • c.

    Ouders/verzorger(s) beschikken aantoonbaar niet over inzetbaar eigen vervoer én het reizen per openbaar vervoer kost de begeleider meer dan de acceptabel te achten begeleidingstijd van

méér dan zes uur reistijd per dag voor leerlingen van het basisonderwijs vallend onder de WPO niet zijnde speciaal basisonderwijs en/of

of méér dan drie uur reistijd per dag voor leerlingen van het speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs.

 

  • 1.

    Het college beoordeelt of sprake is van ernstige benadeling van het gezin op basis van een integrale afweging. Daarbij betrekt het college in ieder geval:

    • a.

      de gezinssamenstelling en zorgtaken;

    • b.

      de belastbaarheid van ouders/verzorger(s);

    • c.

      de mogelijkheid om begeleiding te organiseren binnen het sociale netwerk;

    • d.

      de reistijd en belasting van de begeleiding.

       

  • 2.

    Het college kan ter beoordeling van een beroep op ernstige benadeling aanvullende informatie of bewijsstukken opvragen.

  •  

Artikel 10. Stimuleren van zelfstandig reizen

 

De gemeente wil zelfstandig(er) reizen stimuleren en faciliteren. Uiteraard blijft het maatwerk om te beoordelen hoe een kind kan reizen. Daarin speelt niet alleen een eventuele beperking een rol, maar ook de leeftijd, de route en de zelfredzaamheid van de leerling en het gezin.

Het college past hierbij artikel 4 van de verordening toe.

 

Op ieder moment kunnen ouders/verzorger(s) en leerlingen met het college in gesprek gaan over de mogelijkheden om (meer) zelfstandig te gaan (leren) reizen. Ook kan het college contact zoeken met ouders/verzorger(s) en leerlingen.

 

Het college hanteert als uitgangspunt, dat voor elke leerling een vervoersontwikkelingsplan wordt opgesteld, tenzij het college uit advies van een deskundige concludeert, dat het voor de leerling onmogelijk is om zelfstandig of met begeleiding te leren reizen.

 

Het vervoersontwikkelingsplan bevat in elk geval de volgende componenten:

welke mogelijkheden er zijn om de leerling zelfstandiger te laten reizen, wat hiervoor nodig is, welke periode hiervoor gepland wordt, wat ouders/verzorger(s) hierin kunnen betekenen en waar de gemeente ondersteunt.

 

Het college voert in principe het gesprek over zelfredzaamheid en zelfstandigheid;

  • a.

    bij de eerste aanvraag; en/of

  • b.

    wanneer een leerling in het (speciaal) basisonderwijs de leeftijd van 9 jaar bereikt;

  • c.

    wanneer een leerling in het speciaal onderwijs de leeftijd van 11 jaar bereikt;

 

Bij de beoordeling of een leerling op de fiets naar school kan, hanteert het college de volgende uitgangspunten:

Leerlingen in het (speciaal) basisonderwijs vanaf groep 8 fietsen naar school, tenzij de afstand groter is dan 10 km. Dit wordt gezien als voorbereiding op het voortgezet onderwijs.

Bij de beoordeling neemt het college indien van toepassing het eerder opgestelde vervoersontwikkelingsplan mee.

 

Bij de beoordeling of een leerling met het openbaar vervoer (OV) naar school kan, hanteert het college de volgende uitgangspunten:

Leerlingen in het (speciaal) basisonderwijs gaan vanaf groep 8 zelfstandig met de bus naar school, tenzij de afstand korter is dan 10 kilometer. Dan geldt als uitgangspunt dat reizen per fiets mogelijk is.

Bij de beoordeling of een leerling met bus kan reizen, neemt het college indien van toepassing het eerder opgestelde vervoersontwikkelingsplan mee.

 

Het college stelt in beginsel een vervoersontwikkelingsplan (VOP) op indien:

een leerling gebruik maakt van aangepast vervoer of vervoer met begeleiding; en/of

bij de eerste aanvraag blijkt dat zelfstandig reizen (nog) niet mogelijk is, maar ontwikkeling richting zelfstandigheid wel in beeld is; en/of

een leerling in het (speciaal) basisonderwijs de leeftijd van 9 jaar bereikt; en/of

een leerling in het speciaal onderwijs de leeftijd van 11 jaar bereikt.

 

De in dit lid genoemde leeftijden gelden als indicatief evaluatie- en afwegingsmoment en niet als zelfstandig beslissend criterium. Het college beoordeelt steeds de actuele zelfredzaamheid, routeveiligheid, belastbaarheid en eventuele beperkingen van de leerling.

Het college kan in overige gevallen eveneens besluiten een VOP op te stellen, indien dit bijdraagt aan de zelfstandigheid van de leerling.

 

Het college informeert ouders/verzorger(s) over het opstellen van een vervoersontwikkelingsplan (VOP) en betrekt hen, voor zover noodzakelijk en passend, bij de uitvoering en evaluatie daarvan. De leerling wordt hierbij betrokken voor zover passend bij leeftijd en ontwikkeling. Het college kan informatie van de school, het samenwerkingsverband of andere betrokken deskundigen betrekken indien dit noodzakelijk is voor de beoordeling van de vervoersmogelijkheden en ontwikkeldoelen van de leerling.

 

Indien beschikbaar betrekt het college bij het VOP relevante onderwijsinformatie, waaronder het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) en/of een recente inschatting van de ondersteuningsbehoefte. Indien noodzakelijk kan het college aanvullende informatie opvragen.

 

Het VOP bevat minimaal:

de huidige reisvaardigheden en belemmeringen van de leerling;

het beoogde ontwikkeldoel (bijv. zelfstandig fietsen / zelfstandig OV / reizen met begeleiding);

de (tussen)stappen en activiteiten om dit doel te bereiken;

de rol en inzet van ouders/verzorger(s) en eventueel sociaal netwerk;

de ondersteuning door de gemeente (bijv. inzet van vervoertraining of hulpmiddelen);

een planning en evaluatiemoment(en).

 

Evaluatie en bijstelling

Het college evalueert het VOP in beginsel jaarlijks.

Indien het college daartoe aanleiding ziet (bijvoorbeeld bij zichtbare ontwikkeling, verandering in route/onderwijs of wijziging in belastbaarheid), kan het college tussentijds evalueren en het VOP bijstellen.

De uitkomsten van de evaluatie worden vastgelegd in het dossier en kunnen leiden tot heroverweging van de vervoersvoorziening.

Bij de beoordeling van de zelfredzaamheid en vervoersmogelijkheden van de leerling kan het college betrekken of de leerling in het verleden zelfstandig of met begeleiding heeft kunnen reizen. Eerdere zelfstandigheid vormt echter geen automatisch criterium voor afwijzing of toekenning van een vervoersvoorziening. Het college beoordeelt steeds de actuele mogelijkheden, belastbaarheid en beperkingen van de leerling, ook bij overgang naar het (voortgezet) speciaal onderwijs of bij wijziging van de ondersteuningsbehoefte.

 

Vervoertraining (o.a. OV-training)

Het college kan vervoertraining inzetten als onderdeel van het VOP, waaronder begrepen OV-training, fietstraining of begeleiding bij routevaardigheden.

Vervoertraining wordt ingezet indien aan één of meer van de volgende criteria is voldaan:

de leerling heeft ontwikkelpotentieel richting zelfstandiger reizen;

de route en afstand zijn naar verwachting geschikt om in stappen zelfstandig te reizen;

de belastbaarheid van de leerling laat training toe;

de inzet is redelijk en proportioneel gelet op leeftijd, ontwikkelingsperspectief en ondersteuningsbehoefte;

ouders/verzorger(s) en/of school kunnen bijdragen aan oefenen en borgen (waar mogelijk).

 

Het college kan de inzet van vervoertraining verbinden aan voorwaarden in het VOP, waaronder deelname aan (een deel van) de training of het uitvoeren van afgesproken oefenmomenten, voor zover dit redelijkerwijs van ouders/verzorger(s) en leerling kan worden verwacht.

 

Artikel 11. Gebruik kinderzitje /stoelverhoger

 

Het komt soms voor, dat een leerling een stoelverhoger of kinderzitje nodig heeft om het taxivervoer veilig te laten plaatsvinden.

 

  • 1.

    De standaard uitvoeringen zijn de verantwoordelijkheid van de vervoerder.

  •  

  • 2.

    Wanneer er een aangepaste stoelverhoger of een aangepast kinderzitje noodzakelijk is, dan is het de verantwoordelijkheid van de ouders/verzorger(s) om hiervoor te zorgen.

  •  

  • 3.

    Incidenteel kan het nodig zijn, dat er een 7-puntsgordel, dan wel veiligheidshesje noodzakelijk is om een leerling veilig te kunnen vervoeren. De gemeente moet hiervoor zorgen.

 

Artikel 12. Crisisvervoer

 

  • 1.

    Het college kan in geval van een crisissituatie tijdelijk een vervoersvoorziening (crisisvervoer) toekennen, indien dit noodzakelijk is om onderwijsdeelname van de leerling te borgen.

  •  

  • 2.

    Onder crisisvervoer wordt verstaan: een tijdelijke vervoersvoorziening die wordt toegekend vanwege een plotselinge en/of onvoorziene wijziging in de verblijfssituatie van de leerling, waardoor het reguliere leerlingenvervoer niet (meer) passend of uitvoerbaar is.

     

  • 3.

    Crisisvervoer kan betrekking hebben op:

    • a.

      vervoer tussen een tijdelijk verblijfadres buiten de gemeente Terneuzen en de school; en/of

    • b.

      vervoer tussen een tijdelijk verblijfadres binnen de gemeente Terneuzen en een school buiten de gemeente Terneuzen.

       

  • 4.

    Het college kent crisisvervoer als bedoeld in lid 3 onder a toe indien:

    • a.

      sprake is van een tijdelijke crisissituatie; en

    • b.

      aannemelijk is dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke verblijf-/ woonsituatie binnen de gemeente Terneuzen; en

    • c.

      het tijdelijke verblijf aantoonbaar van tijdelijke aard is.

  •  

  • 5.

    Het college beslist zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vijf werkdagen na ontvangst van een volledige aanvraag om crisisvervoer. Indien de spoedeisendheid daartoe aanleiding geeft, kan het college vooruitlopend op de beschikking een tijdelijke vervoersvoorziening treffen. De beschikking wordt zo spoedig mogelijk daarna schriftelijk vastgesteld.

  •  

     

  • 6.

    Crisisvervoer als bedoeld in lid 4 wordt toegekend voor maximaal 6 weken, overeenkomstig artikel 14 van de verordening. Het college kan tussentijds evalueren of voortzetting noodzakelijk is.

  •  

  • 7.

    Het college kan besluiten dat gedurende de periode van crisisvervoer de oorspronkelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort. Na afloop herleeft de oorspronkelijke beschikking, tenzij de omstandigheden aanleiding geven tot herziening.

  •  

  • 8.

    Het college kan bij de aanvraag en gedurende de looptijd van crisisvervoer bewijsstukken opvragen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan:

    • a.

      een beschikking jeugdhulp, (crisis)plaatsingsbesluit of verklaring van een betrokken hulpverlenende instantie (bijv. GI, jeugdprofessional, wijkteam);

    • b.

      een verklaring van het tijdelijke verblijfadres/instelling;

    • c.

      een inschatting van de verwachte duur van het tijdelijke verblijf en de intentie tot terugkeer;

    • d.

      relevante schoolgegevens (zoals schooltijden) indien noodzakelijk voor de uitvoering.

  •  

  • 8.

    In beginsel vindt gedurende de periode van crisisvervoer minimaal één evaluatiemoment plaats. Het college plant dit evaluatiemoment bij voorkeur rond de derde week na aanvang van crisisvervoer, tenzij de situatie zich niet leent voor tussentijdse evaluatie.

     

  • 9.

    Verlenging van crisisvervoer na de termijn van 6 weken is uitsluitend mogelijk indien sprake is van een nieuwe of voortgezette crisissituatie én aannemelijk blijft dat de situatie tijdelijk is. Verlenging wordt gemotiveerd en wordt zo beperkt mogelijk toegekend.

     

  • 10.

    Indien een leerling tijdelijk verblijft binnen de gemeente Terneuzen in het kader van crisisopvang (bijvoorbeeld crisishuis of instelling), maar:

  • a.

    niet is ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Terneuzen; en

  • b.

    onderwijs volgt buiten de gemeente Terneuzen.

beoordeelt het college welke gemeente verantwoordelijk is voor de organisatie en/of bekostiging van het leerlingenvervoer.

  •  

  • 11.

    In situaties als bedoeld in lid 10 geldt als uitgangspunt dat het college crisisvervoer alleen toekent indien:

  • a.

    sprake is van een acute crisissituatie waardoor vervoer noodzakelijk is; én

  • b.

    er (nog) geen passende oplossing door of via de verantwoordelijke gemeente is gerealiseerd.

     

  • 12.

    Het college kan in situaties als bedoeld in lid 10 besluiten crisisvervoer tijdelijk te organiseren als overbrugging, in afwachting van besluitvorming en afstemming met de verantwoordelijke gemeente(n) en/of betrokken instelling. Het college maakt hierover afspraken met de betrokken partijen over de duur en bekostiging.

     

  • 13.

    Ouders/verzorger(s) en/of de instelling waar de leerling verblijft, verstrekken desgevraagd de informatie die noodzakelijk is om de situatie te kunnen beoordelen, waaronder gegevens over:

  • a.

    de aard en verwachte duur van het verblijf;

  • b.

    de betrokken gemeente(n) en contactpersonen;

  • c.

    de school van de leerling en schooltijden.

 

Artikel 13. Terugval in inkomen

 

Voor de berekening van het drempelbedrag en de bijdrage van ouders/verzorger(s) op basis van de financiële draagkracht wordt als peiljaar voor het inkomen op grond van de WPO (artikel 4, zevende lid) aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint.

 

Als het inkomen van de betrokken ouders/verzorger(s) in de periode die ligt tussen het peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders/verzorger(s) een later peiljaar te kiezen.

 

Het college maakt daarvoor gebruik van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 26 van de verordening. Door het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders/verzorger(s) in dat latere peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven te betalen.

 

Om te bepalen wanneer het redelijk is van de peildatum af te wijken, sluit het college aan bij artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF). De toe te passen regel luidt:

 

Op aanvraag van de ouder wordt bij de toepassing van artikel 23 en 24 van de verordening uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor de bekostiging wordt gevraagd, indien:

 

  • a.

    sprake is van een terugval in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de bekostiging wordt gevraagd, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld; of

  • b.

    sprake is van een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld.

  •  

Voor de toepassing van het eerste lid verstaat het college onder een terugval in inkomen een vermindering van het verzamelinkomen van de ouders/verzorger(s) van ten minste vijftien procent ten opzichte van het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld.

 

Artikel 14. Individueel vervoer

 

Bij de inzet van aangepast vervoer is het uitgangspunt, dat leerlingen gecombineerd met andere leerlingen kunnen worden vervoerd in een touringcar, taxibusje of personenauto. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat een leerling individueel vervoerd moet worden.

 

Slechts in de onderstaande situatie vergoedt het college de kosten van het individuele vervoer:

  • a.

    er is een medische noodzaak, waardoor de leerling niet met andere leerlingen vervoerd kan worden, ook niet in kleinschalig gecombineerd taxivervoer; en

  • b.

    het individueel vervoer kan niet worden voorkomen door begeleiding mee te laten gaan in het gecombineerde; en

  • c.

    de leerling krijgt de rest van de dag individueel onderwijs.

 

Voor veel leerlingen is rust een belangrijke voorwaarde voor een goed verloop van de dag. Het vervoer kan daar een rol in spelen. Wanneer dit de aanleiding is om individueel vervoer te overwegen, kan dat alleen als in andere schakels in een dag ook deze rust wordt aangebracht. Dit betekent, dat het college alleen het individueel vervoer bekostigt, als de leerling de rest van de dag individueel onderwijs krijgt aangeboden.

 

Ouders/verzorger(s) moeten de noodzaak van individueel vervoer aantonen. Het college kan aanvullend een onafhankelijk deskundig onderzoek laten uitvoeren om de noodzaak vast te stellen.

 

Wanneer een leerling vanwege de efficiënte planning van het vervoer of aangepaste schooltijden een periode individueel wordt vervoerd, ontstaat hierop geen recht.

 

Artikel 15. Aanwijzen van opstapplaatsen

 

  • 1.

    Het college kan bij het verstrekken van leerlingenvervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening.

     

  • 2.

    De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is.

     

  • 3.

    Het college wijst geen opstapplaats aan als door de ouders/verzorger(s) wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is.

  • 4.

    De vervoerscentrale draagt zorg voor de praktische uitvoering, communicatie en implementatie van aangewezen opstapplaatsen.

     

  • 5.

    Het college kan een opstapplaats of centrale HUB aanwijzen indien dit doelmatig is voor de uitvoering van het aangepast vervoer en de locatie veilig, bereikbaar en passend is voor de betreffende leerlingen. Onder een HUB wordt verstaan: een door of namens de gemeente aangewezen centrale opstap- of overstaplocatie voor collectief vervoer.

  •  

  • 6.

    Bij het aanwijzen van een opstapplaats gelden de volgende uitgangspunten:

  • a.

    de opstapplaats ligt zo dicht mogelijk bij de woning van de leerling;

  • b.

    de opstapplaats is goed bereikbaar en verkeersveilig;

  • c.

    de opstapplaats biedt voldoende ruimte voor veilig in- en uitstappen;

  • d.

    de opstapplaats is geschikt voor het voertuigtype dat wordt ingezet;

  • e.

    het gebruik van een opstapplaats leidt niet tot hogere kosten voor de gemeente dan vervoer vanaf de woning;

  • f.

    het gebruik van een HUB of opstapplaats draagt bij aan een doelmatige en efficiënte organisatie van het collectieve vervoer.

  •  

  • 7.

    Het college hanteert bij het aanwijzen van een opstapplaats in beginsel de volgende maximale loopafstanden:

  • a. voor leerlingen in het (speciaal) basisonderwijs: maximaal 800 meter;

  • b. voor leerlingen in het voortgezet (speciaal) onderwijs: maximaal 1.200 meter.

 

Indien de leerling vanwege medische of andere beperkingen niet in staat is deze afstand te lopen of fietsen, kan het college hiervan gemotiveerd afwijken.

  •  

  • 8.

    Indien ouders/verzorger(s) een beroep doen op een uitzonderingsgrond als bedoeld in lid 3, beoordeelt het college dit op basis van de feiten en omstandigheden. Het college kan hierbij bewijsstukken opvragen, zoals:

  • a. informatie van school of samenwerkingsverband passend onderwijs;

  • b. informatie van betrokken hulpverlening;

  • c. medische of gedragskundige informatie, voor zover relevant en noodzakelijk.

  •  

  • 9.

    Het college kan een opstapplaats wijzigen of intrekken indien:

  • a.

    de omstandigheden wijzigen (bijvoorbeeld route/veiligheid, wijziging vervoersstromen);

  • b.

    het onderwijsaanbod of de vervoersplanning wijzigt; of

  • c.

    de opstapplaats niet langer doelmatig of veilig is.

  •  

  • 10.

    Het besluit tot aanwijzen, wijzigen of intrekken van een opstapplaats wordt vastgelegd en gecommuniceerd aan ouders/verzorger(s). Daarbij wordt aangegeven per welke datum het besluit ingaat en welke mogelijkheden er zijn om bezwaar te maken.

  •  

  • 11.

    Indien ouders/verzorger(s) bezwaar maken tegen het besluit tot aanwijzen van een opstapplaats, kunnen zij gedurende de bezwaarprocedure het college verzoeken om maatwerk of tijdelijke overbrugging, indien de uitvoering van het vervoer anders tot onredelijke of onveilige situaties leidt.

 

Artikel 15a. Herziening, opschorting, intrekking en terugvordering

 

Ouders/verzorger(s) melden wijzigingen die van invloed kunnen zijn op het recht op leerlingenvervoer of de toegekende vervoersvoorziening onverwijld en schriftelijk aan het college.

 

Het college kan een besluit tot toekenning van een vervoersvoorziening herzien, opschorten of intrekken indien:

  • a.

    onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden van de verordening of deze nadere regels;

  • c.

    de toegekende voorziening niet langer passend of noodzakelijk is;

  • d.

    sprake is van wangedrag of een onveilige situatie als bedoeld in artikel 17;

  • e.

    de leerling geen gebruik meer maakt van de voorziening.

 

Het college kan de voorziening tijdelijk opschorten indien onderzoek nodig is naar de rechtmatigheid of passendheid van de voorziening.

 

Het college hanteert in beginsel het volgende stappenplan:

  • a.

    waarschuwing of gesprek met ouders/verzorger(s);

  • b.

    tijdelijke opschorting van het vervoer;

  • c.

    intrekking van de voorziening indien herstel uitblijft of veilige uitvoering niet mogelijk is.

 

Van het stappenplan kan worden afgeweken indien de veiligheid van betrokkenen of de ernst van de situatie dit vereist.

 

Indien een voorziening ten onrechte is toegekend of gebruikt, kan het college de kosten geheel of gedeeltelijk terugvorderen.

 

Terugvordering kan plaatsvinden indien:

  • a.

    onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt;

  • b.

    de meldplicht als bedoeld in lid 1 niet is nagekomen;

  • c.

    de voorziening is gebruikt in strijd met de voorwaarden.

 

  • 1.

    Het college kan terug te vorderen bedragen verrekenen met nog uit te betalen vergoedingen.

 

Het college informeert ouders/verzorger(s) schriftelijk over herziening, opschorting, intrekking of terugvordering en motiveert dit besluit.

 

Tegen een besluit als bedoeld in dit artikel staat bezwaar en beroep open overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 16. Schooltijden en wachttijd

 

Het college sluit bij de organisatie van het leerlingenvervoer aan op de schooltijden zoals opgenomen in de schoolgids van de betreffende school.

 

Het college kan bij de uitvoering van het leerlingenvervoer een wachttijd hanteren indien dit noodzakelijk is voor een doelmatige en efficiënte organisatie van het vervoer.

 

De wachttijd bedraagt in beginsel niet meer dan één lesuur per schooldag.

 

Het college kan gemotiveerd afwijken van lid 3 indien:

  • a.

    de leerling als gevolg van een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking niet in staat is de wachttijd te overbruggen; of

  • b.

    de wachttijd leidt tot aantoonbare overbelasting of onveilige situaties voor de leerling.

 

De noodzaak tot afwijking als bedoeld in lid 4 wordt onderbouwd met objectieve gegevens, waaronder:

  • a.

    informatie van de school;

  • b.

    het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP), indien beschikbaar;

  • c.

    informatie van het samenwerkingsverband passend onderwijs;

  • d.

    relevante informatie van betrokken hulpverlening.

 

Het college beoordeelt per aanvraag of de wachttijd, gelet op de individuele omstandigheden van de leerling, redelijk en verantwoord is.

 

Bij de beoordeling betrekt het college in ieder geval:

  • a.

    de leeftijd en belastbaarheid van de leerling;

  • b.

    de aard van de beperking;

  • c.

    de duur van de wachttijd;

  • d.

    de aanwezigheid van toezicht of begeleiding tijdens de wachttijd.

 

Artikel 17. Gedrag tijdens het leerlingenvervoer en maatregelen

 

Van leerlingen, ouders/verzorger(s) en andere betrokkenen wordt verwacht dat zij zich tijdens het leerlingenvervoer gedragen op een wijze die de veiligheid en het ordelijk verloop van het vervoer niet belemmert.

 

Indien sprake is van wangedrag of onveilige situaties tijdens het vervoer, kan het college maatregelen treffen.

 

Bij de beoordeling van het gedrag kan het college onderscheid maken tussen:

  • a.

    licht wangedrag;

  • b.

    ernstig wangedrag;

  • c.

    zeer ernstig wangedrag.

 

Onder licht wangedrag wordt onder meer verstaan: het niet opvolgen van aanwijzingen van de chauffeur of begeleider en herhaald storend gedrag.

 

Onder ernstig wangedrag wordt onder meer verstaan: agressief, intimiderend of in gevaar brengend gedrag.

 

Onder zeer ernstig wangedrag wordt onder meer verstaan: fysiek geweld, ernstige bedreiging of situaties waarbij de veiligheid van inzittenden direct in gevaar komt.

 

Het college kan, afhankelijk van de ernst en frequentie van het gedrag, één of meer van de volgende maatregelen treffen:

  • a.

    het geven van een waarschuwing;

  • b.

    het voeren van een gesprek met ouders/verzorger(s);

  • c.

    het tijdelijk aanpassen van de vervoersvoorziening;

  • d.

    het tijdelijk opschorten van het vervoer;

  • e.

    het beëindigen van het vervoer indien een veilige uitvoering niet mogelijk is.

 

Maatregelen als bedoeld in lid 7 sub d en e worden schriftelijk bevestigd en gemotiveerd.

 

Voordat een maatregel als bedoeld in lid 7 sub d of e wordt opgelegd, worden ouders/verzorger(s) in beginsel gehoord, tenzij de veiligheid dit niet toelaat.

 

Tegen een besluit als bedoeld in lid 7 sub d of e staat bezwaar en beroep open overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 18. Berekenen afstand

 

  • 1.

    Om het recht op een vergoeding vast te stellen, wordt de afstand tussen het woonadres en het schooladres gemeten (afstandscriterium). Hiervoor gebruikt het college de optie ‘de kortste route’ voor de auto van routeplanner op https://www.anwb.nl/verkeer/routeplanner.

  •  

Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt de afstand tussen het woonadres en het schooladres gemeten op https://www.anwb.nl/verkeer/routeplanner op basis van het voertuig waarvoor de vergoeding is bestemd (fiets dan wel auto) met als instelling ‘kortste route’.

 

Het college berekent de afstand in kilometers en rondt deze af tot op één cijfer achter de komma.

 

Om vast te stellen of er dichterbij gelegen scholen zijn, wordt de afstand tussen het woonadres en de verschillende schooladressen gemeten op https://www.anwb.nl/verkeer/routeplanner, met als instelling ‘auto en via de ‘kortste route’.

 

Artikel 18a. Afstandsgrenzen en toepassing in het voortgezet onderwijs

 

Voor leerlingen in het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs geldt de afstandsgrens zoals opgenomen in artikel 9 van de verordening (6 kilometer).

  • 2.

    Voor leerlingen in het regulier voortgezet onderwijs bestaat in beginsel geen aanspraak op leerlingenvervoer, tenzij sprake is van:

  • a.

    vervoer op grond van denominatie overeenkomstig de verordening; of

  • b.

    een structurele lichamelijke, verstandelijke, psychische of zintuiglijke beperking waardoor de leerling niet zelfstandig, al dan niet met begeleiding, naar school kan reizen; of

  • c.

    zeer uitzonderlijke medische omstandigheden die het reizen onmogelijk maken.

     

  • 3.

    Het college hanteert bij de beoordeling van vervoersvoorzieningen voor leerlingen in het voortgezet onderwijs de volgende richtlijnen:

  • a.

    bij een afstand tot 10 kilometer wordt in beginsel uitgegaan van vervoer per fiets;

  • b.

    bij grotere afstanden beoordeelt het college of vervoer per fiets, openbaar vervoer, al dan niet met begeleiding, passend is;

  • c.

    het college betrekt daarbij altijd de individuele omstandigheden van de leerling.

     

  • 4. Bij de toepassing van lid 3 betrekt het college in ieder geval:

  • a.

    de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling; de veiligheid en complexiteit van de route;

  • b.

    de reistijd en belasting voor de leerling;

  • c.

    de mogelijkheid tot begeleiding door ouders/verzorger(s) of sociaal netwerk;

  • d.

    de ontwikkelmogelijkheden richting zelfstandig reizen, waaronder een vervoersontwikkelingsplan.

  • e.

    Bij de beoordeling van de zelfredzaamheid van de leerling kan worden meegewogen of de leerling in het verleden zelfstandig of met begeleiding heeft kunnen reizen. Eerdere zelfstandigheid vormt echter geen automatisch criterium voor afwijzing of toekenning van een vervoersvoorziening. Het college beoordeelt steeds de actuele mogelijkheden, belastbaarheid en beperkingen van de leerling, ook bij overgang naar het (voortgezet) speciaal onderwijs.

     

Het college kan gemotiveerd afwijken van de in lid 3 genoemde richtlijnen indien de individuele omstandigheden van de leerling daartoe aanleiding geven.

 

  • 6.

    De afstand wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 18 van deze nadere regels, op basis van de kortste voldoende begaanbare en veilige weg.

 

Artikel 19. Geen afstandsgrens bij handicap en inzet deskundigenadvies

 

  • 1.

    Voor leerlingen met een handicap als bedoeld in de verordening geldt geen afstandsgrens voor de beoordeling van de aanspraak op leerlingenvervoer.

     

  • 2.

    Het ontbreken van een afstandsgrens betekent niet dat automatisch aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening. Het college beoordeelt steeds of de leerling door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking niet zelfstandig, al dan niet met begeleiding, op een voor de leerling verantwoorde wijze naar school kan reizen.

     

3. Bij de beoordeling van aanvragen voor leerlingenvervoer maakt het college onderscheid tussen:

  • a.

    aanspraken op basis van afstand; en

  • b.

    aanspraken op basis van een handicap of beperking die invloed heeft op de vervoersmogelijkheden van de leerling.

Het college beoordeelt of sprake is van een handicap als bedoeld in lid 2 op basis van beschikbare informatie, waaronder:

  • a.

    informatie van de school, zoals het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP);

  • b.

    een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) of plaatsingsbesluit;

  • c.

    informatie van het samenwerkingsverband passend onderwijs;

  • d.

    relevante informatie van ouders/verzorger(s) over de beperking en de gevolgen voor het reizen;

  • e.

    informatie van betrokken hulpverlening.

     

  • 4.

    Het college vraagt alleen een aanvullend deskundigenadvies indien:

  • a.

    de beschikbare informatie onvoldoende duidelijkheid biedt over de vervoersmogelijkheden van de leerling;

  • b.

    sprake is van tegenstrijdige informatie tussen betrokken partijen;

  • c.

    twijfel bestaat over de noodzaak of vorm van de vervoersvoorziening; of

  • d.

    de situatie complex is of afwijkt van reguliere gevallen.

     

  • 5.

    Een deskundigenadvies als bedoeld in lid 4 kan worden gevraagd aan:

  • a.

    een medisch deskundige (bij lichamelijke of medische problematiek);

  • b.

    een orthopedagoog of gedragsdeskundige (bij cognitieve of gedragsmatige problematiek);

  • c.

    een andere relevante onafhankelijke deskundige.

  •  

  • 6.

    Bij de beoordeling van de vervoersbehoefte van de leerling staat centraal in hoeverre de beperking invloed heeft op:

  • a.

    de mogelijkheid om zelfstandig te reizen;

  • b.

    de mogelijkheid om met begeleiding te reizen;

  • c.

    de veiligheid van de leerling en anderen tijdens het vervoer;

  • d.

    de belastbaarheid van de leerling in relatie tot reistijd en reiswijze.

     

  • 7.

    Het college betrekt bij de beoordeling tevens de ontwikkelmogelijkheden van de leerling, waaronder de mogelijkheid om door middel van begeleiding, training of een vervoersontwikkelingsplan (VOP) toe te groeien naar zelfstandiger reizen.

 

Artikel 20. Stagevervoer

 

Het college kan een vervoersvoorziening verstrekken ten behoeve van stagevervoer, indien de stage:

  • a.

    onderdeel uitmaakt van het onderwijsprogramma; en

  • b.

    plaatsvindt in het kader van het onderwijs aan de leerling; en

  • c.

    door de school is goedgekeurd of begeleid.

 

Stagevervoer wordt uitsluitend toegekend na een aparte aanvraag voor stagevervoer. De aanvraag kan worden ingediend door ouders/verzorger(s) of door de school, indien de school daartoe gemachtigd is of met instemming van ouders/verzorger(s) handelt.

 

Het college kent stagevervoer in beginsel alleen toe indien:

  • a.

    het stageadres op de route ligt tussen de woning van de leerling (of opstapplaats) en de school; en

  • b.

    sprake is van één vast stageadres; en

  • c.

    de stage op vaste dagen en tijden plaatsvindt; en

  • d.

    de stage plaatsvindt binnen het reguliere stagedoel en -programma.

 

Onder ‘op de route’ wordt verstaan: het stageadres ligt zodanig tussen woning/opstapplaats en school dat het opnemen van het stageadres:

  • a.

    geen substantiële omrijafstand of omrijtijd veroorzaakt ten opzichte van de route naar school; en

  • b.

    past binnen een doelmatige en uitvoerbare vervoersplanning.

    Het college beoordeelt dit mede aan de hand van routeberekening en uitvoerbaarheid in het collectieve vervoer.

 

Het college kan afwijken van het bepaalde in lid 3, indien aantoonbaar noodzakelijk. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer:

  • a.

    de stage noodzakelijk is voor het onderwijsprogramma en er geen passend stageadres beschikbaar is dat voldoet aan lid 3; of

  • b.

    de beperking of ondersteuningsbehoefte van de leerling maakt dat het stageadres niet op de route kan liggen; of

  • c.

    er sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen.

 

Een afwijking wordt gemotiveerd.

 

Stagevervoer wordt uitsluitend verstrekt voor zover:

  • a.

    de leerling op de stagedagen leerplichtig is of de stage onderdeel is van een verplicht onderwijsprogramma; en

  • b.

    de stage ingangstijden aansluiten op schooltijden of op een doelmatige vervoersplanning; en

  • c.

    er geen redelijk alternatief bestaat (bijv. zelfstandig reizen of begeleiding door ouders/verzorger(s)/sociaal netwerk).

 

Indien sprake is van wisselende stageplekken, kan het college besluiten stagevervoer te weigeren of te beperken tot één stageadres, tenzij:

  • a.

    de stage aantoonbaar niet op één adres kan plaatsvinden; en

  • b.

    de school dit schriftelijk onderbouwt; en

  • c.

    de uitvoering in het vervoer planbaar en doelmatig is.

 

Het college kan in dat geval voorwaarden stellen aan het aantal wijzigingen en de duur van de stageperiode.

 

Het college kan voor de beoordeling van stagevervoer bewijsstukken opvragen, waaronder:

  • a.

    een stageovereenkomst of stagecontract;

  • b.

    een stage-/onderwijsplan waaruit blijkt dat de stage onderdeel is van het onderwijsprogramma;

  • c.

    stageadresgegevens, stagedagen en werktijden;

  • d.

    contactgegevens van stagebegeleider en schoolcontactpersoon;

  • e.

    aanvullende informatie van school over de noodzaak van stagevervoer.

 

Een aanvraag voor stagevervoer dient uiterlijk 6 weken voor aanvang van de stage te worden ingediend. Aanvragen die later worden ingediend worden in behandeling genomen, maar het college kan een langere verwerkingstermijn hanteren of tijdelijke overbrugging weigeren indien uitvoering niet tijdig planbaar is.

 

Het college kan aan stagevervoer voorwaarden verbinden, waaronder:

  • a.

    tijdige melding van wijzigingen (wijziging stageadres, dagen/tijden of beëindiging stage);

  • b.

    een maximale geldigheidsduur voor de stageperiode;

  • c.

    evaluatie of herbeoordeling tijdens de stage.

 

Stagevervoer wordt beëindigd indien:

  • a.

    de stage is beëindigd;

  • b.

    de stage niet langer onderdeel is van het onderwijsprogramma; of

  • c.

    omstandigheden wijzigen waardoor een andere vervoersvoorziening passend is.

 

Artikel 21. Weekend- en vakantievervoer (internaat / pleeggezin)

 

Het college kent een vervoersvoorziening toe voor weekend- en vakantievervoer aan de leerling die, met het oog op het volgen van speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, verblijft in een internaat of pleeggezin.

 

Van verblijf als bedoeld in lid 1 is sprake indien:

  • a.

    de leerling doordeweeks verblijft buiten de woning van ouders/verzorger(s);

  • b.

    dit verblijf structureel en aantoonbaar plaatsvindt; en

  • c.

    het verblijf noodzakelijk is voor het volgen van passend onderwijs.

 

Weekend- en vakantievervoer wordt uitsluitend toegekend indien:

  • a.

    er geen passende en toegankelijke school dichter bij de woning van ouders/verzorger(s) beschikbaar is; en

  • b.

    het vervoer plaatsvindt tussen het verblijfadres en de woning van ouders/verzorger(s).

 

De bekostiging betreft vervoer:

  • a.

    eenmaal per weekeinde; en

  • b.

    eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer.

 

Het college bepaalt de vorm van de vervoersvoorziening overeenkomstig artikel 6 van deze nadere regels en gaat daarbij uit van de goedkoopst passende vervoersvoorziening.

 

Het college kan voor de beoordeling van de aanvraag bewijsstukken opvragen, waaronder:

  • a.

    een verklaring van de onderwijsinstelling;

  • b.

    een plaatsingsbesluit of overeenkomst van het internaat of pleeggezin;

  • c.

    informatie over de duur en aard van het verblijf;

  • d.

    overige relevante gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling.

 

Indien sprake is van verblijf in het kader van jeugdhulp of een andere voorziening, beoordeelt het college of en in hoeverre het vervoer onder het leerlingenvervoer valt. Voor zover het vervoer geen direct verband houdt met het volgen van onderwijs, valt dit niet onder deze nadere regels.

 

Artikel 22. Afwijken van de bepalingen

 

  • 1.

    Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van deze nadere regels indien toepassing daarvan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Afwijken van de verordening kan uitsluitend voor zover de verordening daarvoor ruimte biedt.

     

  • 2.

    Van een bijzonder geval is sprake indien:

  • a.

    de situatie niet op andere wijze binnen de verordening of deze nadere regels kan worden opgelost;

  • b.

    sprake is van bijzondere individuele omstandigheden;

  • c.

    toepassing noodzakelijk is om een evident onredelijke uitkomst te voorkomen.

     

  • 3.

    Een besluit tot afwijking wordt afzonderlijk gemotiveerd. Hierbij wordt in ieder geval aangegeven:

    • a.

      van welke bepaling wordt afgeweken;

    • b.

      waarom reguliere toepassing onredelijk is;

    • c.

      waarom de gekozen oplossing proportioneel is.

  •  

  • 4.

    Het college registreert besluiten waarbij is afgeweken van bepalingen in een overzicht.

  •  

  • 5.

    Het overzicht bevat in ieder geval:

  • a.

    datum besluit;

  • b.

    aard van de afwijking;

  • c.

    reden van toepassing;

  • d.

    aard van de voorziening;

  • e.

    duur van de afwijking.

     

6. Het college evalueert jaarlijks de toepassing van dit artikel, met als doel te beoordelen of aanpassing van de verordening of nadere regels nodig is.

 

Artikel 23. Afstemming samenwerkingsverband, inzet deskundige en monitoring (OOGO)

 

Het college stemt de uitvoering van het leerlingenvervoer af met het samenwerkingsverband passend onderwijs, in het kader van het op overeenstemming gericht overleg (OOGO), zoals bedoeld in artikel 5 van de verordening.

 

  • 1.

    In de afstemming als bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval aandacht besteed aan:

  • a.

    de spreiding en beschikbaarheid van onderwijsaanbod en ondersteuning;

  • b.

    de inzet en beschikbaarheid van deskundigheid bij het beoordelen van vervoersbehoeften;

  • c.

    kostenbeheersing en doelmatigheid van leerlingenvervoer;

  • d.

    het opstellen en uitvoeren van vervoersontwikkelingsplannen (VOP).

 

Het college kan voor de beoordeling van (de noodzaak tot) leerlingenvervoer advies vragen aan één of meerdere deskundigen. Hierbij kan het college in ieder geval betrekken:

  • a.

    de school van de leerling (bijvoorbeeld intern begeleider, mentor, zorgcoördinator), waaronder informatie uit het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP);

  • b.

    een onafhankelijk deskundige (bijvoorbeeld orthopedagoog of gedragsdeskundige);

  • c.

    een medisch deskundige, indien medische omstandigheden bepalend zijn voor de vervoersmogelijkheden.

 

Het college weegt deskundigenadvies mee bij het vaststellen van de vervoersvoorziening en motiveert in het besluit op welke wijze dit advies is betrokken. Indien het college afwijkt van het uitgebrachte advies, wordt dit gemotiveerd.

 

Het college monitort jaarlijks de uitvoering en effecten van leerlingenvervoer, ten behoeve van bijsturing van beleid en de afstemming met het samenwerkingsverband. Hierbij worden in ieder geval statistieken bijgehouden over:

  • a.

    het aantal leerlingen dat gebruik maakt van aangepast vervoer (taxivervoer);

  • b.

    het aantal leerlingen dat zelfstandig reist en/of met begeleiding reist;

  • c.

    het aantal leerlingen dat vervoer ontvangt naar onderwijsvoorzieningen in België.

 

Het college analyseert daarbij relevante trends, waaronder in ieder geval:

  • a.

    de ontwikkeling van het aandeel leerlingen dat (na primair onderwijs) terugkeert naar het voortgezet speciaal onderwijs (VSO) in Nederland;

  • b.

    veranderingen in de vervoersbehoefte die samenhangen met wijzigingen in onderwijsaanbod en ondersteuningsstructuur.

De uitkomsten van monitoring en trendanalyse worden periodiek besproken in het kader van het OOGO en kunnen aanleiding zijn voor nadere afspraken, beleidsactualisatie en/of gerichte inzet op vervoersontwikkeling en zelfstandigheid.

 

Artikel 24. Slotbepalingen

Het college handelt in overeenstemming met deze nadere regels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze nadere regels te dienen uitgangspunten en doelen.

 

Artikel 25. Citeertitel

Deze nadere regels worden aangehaald als ‘Nadere regels uitvoering leerlingenvervoer Terneuzen 2026’.

 

Artikel 26. Inwerkingtreding

Deze nadere regels treden met ingang van 1 augustus 2026 in werking.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijlage 1 – Melding schoolkeuze + schriftelijke instemming (artikel 8 verordening)

1. Gegevens leerling

Naam leerling:

.................................................................................................................

Geboortedatum:

.................................................................................................................

BSN (optioneel):

.................................................................................................................

Adres (woning/feitelijk verblijfadres):

.................................................................................................................

Postcode en woonplaats:

.................................................................................................................

Schooljaar waarop melding betrekking heeft:

...............................................................................................................

 

2. Gegevens ouders/verzorger(s)

Ouder/verzorger 1

Naam:

.................................................................................................................

Telefoonnummer: .................................................................................................................

E-mailadres:

.................................................................................................................

Relatie tot leerling: .................................................................................................................

 

Ouder/verzorger 2 (indien van toepassing)

Naam:

.................................................................................................................

Telefoonnummer: .................................................................................................................

E-mailadres:

.................................................................................................................

Relatie tot leerling:

................................................................................................................

 

3. Gegevens huidige school / gekozen school

3.1 School waar leerling geplaatst is / gaat worden geplaatst

Naam school:

.................................................................................................................

Vestigingsadres:

.................................................................................................................

Onderwijssoort:

☐ BO ☐ SBO ☐ SO ☐ VSO ☐ ISK/nieuwkomersvoorziening ☐ anders: ………………………….

Startdatum (of datum plaatsing):

.................................................................................................................

3.2 Dichtstbijzijnde toegankelijke school

(indien bekend)

Naam school:

................................................................................................................. Vestigingsadres:

.................................................................................................................

Onderwijssoort:

☐ BO ☐ SBO ☐ SO ☐ VSO ☐ ISK/nieuwkomersvoorziening ☐ anders: ……………………………….

4. Melding schoolkeuze (artikel 8 lid 2 verordening)

Met dit formulier meld ik/wij schriftelijk aan het college dat voor de leerling is gekozen voor de school zoals vermeld in onderdeel 3.1.

☐ Ja, ik/wij melden de keuze voor deze school schriftelijk.

Toelichting schoolkeuze (optioneel)

..................................................................................................................................................................................................................................................................................................................

5. Schriftelijke instemming vervoer naar een verder gelegen school (artikel 8 lid 1 verordening)

Dit onderdeel alleen invullen als het college aangeeft dat vervoer naar een verder weg gelegen school leidt tot lagere kosten voor de gemeente.

Het college heeft aan mij/ons voorgesteld om de vervoersvoorziening toe te kennen naar de onderstaande school, omdat vervoer naar deze school voor de gemeente minder kosten met zich meebrengt:

 

Naam school (alternatief): .................................................................................................................

Vestigingsadres: .................................................................................................................

☐ Ja, ik/wij stemmen er schriftelijk mee in dat de vervoersvoorziening wordt toegekend naar deze verder weg gelegen school.

☐ Nee, ik/wij stemmen hier niet mee in.

 

6. Verklaring ouders/verzorger(s)

Ik/Wij verklaren dat:

de hierboven ingevulde gegevens juist en volledig zijn;

wij wijzigingen die van invloed kunnen zijn op het leerlingenvervoer (zoals schoolwissel, wijziging verblijfadres, wijziging plaatsing/toegankelijkheid) onverwijld melden;

wij kennis hebben genomen van de verordening en nadere regels leerlingenvervoer.

 

7. Ondertekening

Plaats:

..................................................................................................................

Datum:

................................................................................................................

Handtekening ouder/verzorger 1

Naam:

..........................................................................................................................

Handtekening:

.........................................................................................................................

Handtekening ouder/verzorger 2 (indien van toepassing)

Naam:

..........................................................................................................................

Handtekening:

...........................................................................................................................

 

8. Bijlagen (meesturen indien van toepassing)

☐ bewijs van inschrijving / plaatsing op de gekozen school

☐ (concept) OPP / ondersteuningsbehoefte / TLV (indien van toepassing)

☐ (bij ISK/nieuwkomers) verklaring school/voorziening over plaatsing en startdatum

☐ overige relevante informatie: ...................................................................................

 

 

 

Bijlage 2a – Aanvraag eigen vervoer (vergoeding) (artikel 8b)

 

1. Gegevens leerling

Naam leerling: ....................................................................................................................

Geboortedatum: .................................................................................................................

Adres (woning/feitelijk verblijfadres): ...........................................................................................................................................

Postcode en woonplaats: ...........................................................................................................................................

Schooljaar: ...........................................................................................................................

2. Gegevens ouders/verzorger(s)

Ouder/verzorger 1

Naam: .................................................................................................................................

Telefoonnummer: ...............................................................................................................

E-mailadres: .......................................................................................................................

Ouder/verzorger 2 (indien van toepassing)

Naam: ..................................................................................................................................

Telefoonnummer: ................................................................................................................

E-mailadres: ........................................................................................................................

3. Gegevens school

Naam school: .......................................................................................................................

Vestigingsadres: ..................................................................................................................

Onderwijssoort:

☐ BO ☐ SBO ☐ SO ☐ VSO ☐ ISK/nieuwkomersvoorziening ☐ anders: ………………….

4. Verzoek eigen vervoer

Ik/Wij verzoek(en) om een vergoeding voor eigen vervoer voor de leerling naar en van school.

Soort eigen vervoer

☐ eigen vervoer per auto

☐ eigen vervoer per fiets

☐ eigen vervoer door sociaal netwerk (naam + relatie):...............................................

Periode

Startdatum: ....................................................................................................................

Einddatum (indien bekend): ..........................................................................................

Frequentie (schooldagen)

☐ 5 dagen per week

☐ aantal dagen per week: .................................................................................…………..

welke dagen: ......................................................................................................................

5. Verklaring rijbewijs en verzekering (bij eigen vervoer per auto)

Ik/Wij verklaren dat:

de bestuurder beschikt over een geldig rijbewijs: ☐ ja ☐ nee

het voertuig minimaal WA-verzekerd is: ☐ ja ☐ nee

Kenteken (optioneel): ...............................................................................................

Naam bestuurder: ....................................................................................................

 

6. Verklaring ouders/verzorger(s)

Ik/Wij verklaren dat:

de hierboven ingevulde gegevens juist en volledig zijn;

het vervoer veilig en verantwoord wordt uitgevoerd;

eigen vervoer uitsluitend wordt gedeclareerd voor schooldagen waarop de leerling daadwerkelijk onderwijs volgt;

vergoeding wordt gedeclareerd voor maximaal twee enkele ritten per schooldag (heen en terug);

wijzigingen (bijv. schoolwisseling, wijzigingen stage, wijziging verblijfadres of beëindiging eigen vervoer) onverwijld worden gemeld bij de gemeente.

 

7. Ondertekening

Plaats: ..................................................................................................................

Datum: .................................................................................................................

Handtekening ouder/verzorger 1

Naam:

...........................................................................................................................

Handtekening:

...........................................................................................................................

Handtekening ouder/verzorger 2 (indien van toepassing)

Naam:

..........................................................................................................................

Handtekening:

...........................................................................................................................

 

 

 

 

 

Bijlage 2b – Aanvraag eigen vervoer (vergoeding)

Declaratie-instructie eigen vervoer (vergoeding)

1. Wanneer kan ik declareren?

Declareren kan achteraf, per ☐ maand / ☐ kwartaal (keuze door gemeente).

  • Declaraties worden ingediend binnen de door het college vastgestelde termijn na afloop van de periode waarop de declaratie betrekking heeft.

2. Welke ritten worden vergoed?

De vergoeding voor eigen vervoer wordt uitsluitend toegekend:

voor schooldagen waarop de leerling daadwerkelijk onderwijs volgt; en

voor maximaal twee enkele ritten per dag:

woning/opstapplaats → school

school → woning/opstapplaats

Extra ritten (bijv. omwegen, tussenritten, ophalen/brengen tijdens pauze) worden niet vergoed.

3. Hoe wordt de afstand berekend?

De afstand wordt vastgesteld door de gemeente op basis van de kortste voldoende begaanbare en veilige weg (zoals bepaald in de nadere regels).

De door de gemeente vastgestelde afstand wordt gebruikt als uitgangspunt voor de vergoeding.

4. Welke kosten worden niet vergoed?

De volgende kosten worden niet vergoed:

parkeerkosten;

tol-, veer- of pontkosten (tenzij vooraf schriftelijk overeengekomen);

boetes of naheffingen;

eten/drinken;

onderhoud, verzekering of afschrijving van het voertuig.

5. Welke gegevens moeten worden aangeleverd?

Bij declaratie levert u minimaal aan:

naam leerling;

periode waarover wordt gedeclareerd;

aantal schooldagen waarop eigen vervoer is uitgevoerd;

eventueel: toelichting bij afwijkingen (bijv. ziekte of schooluitval).

6. Wijzigingen doorgeven

U bent verplicht wijzigingen direct te melden, zoals:

wijziging school;

wijziging woning/verblijfadres;

wijziging rooster of stagedagen;

stoppen met eigen vervoer.

Indien wijzigingen niet tijdig worden gemeld, kan dit leiden tot herziening van de vergoeding en/of terugvordering.

Bijlage 3a – Instemming maatwerkoplossing / andere passende (goedkopere) voorziening

(behorende bij artikel 7, artikel 8, artikel 8a, artikel 8b en artikel 10 van deze nadere regels – maatwerkoplossing op grond van artikel 21 van de verordening)

1. Gegevens leerling

Naam leerling: .................................................................................................................

Geboortedatum: .................................................................................................................

Adres (woning/feitelijk verblijfadres): .................................................................................................................

Postcode en woonplaats: .................................................................................................................

Schooljaar: .................................................................................................................

2. Gegevens ouders/verzorger(s)

Ouder/verzorger 1

Naam: ..................................................................................................................

Telefoonnummer: .................................................................................................................

E-mailadres: .................................................................................................................

Ouder/verzorger 2 (indien van toepassing)

Naam: ..................................................................................................................

Telefoonnummer: ..................................................................................................

E-mailadres: ..........................................................................................................

3. Maatwerkoplossing (omschrijving aanbod)

Het college biedt op grond van artikel 21 van de verordening leerlingenvervoer een maatwerkoplossing / andere passende voorziening aan, in plaats van of als alternatief voor de reguliere vervoersvoorziening.

Aangeboden maatwerkoplossing

☐ (deel)traject per fiets (eventueel met begeleiding)

☐ openbaar vervoer (eventueel met begeleiding)

☐ vervoertraining (bijv. OV-training / fietstraining)

☐ vervoer naar een opstapplaats

☐ eigen vervoer (vergoeding)

☐ combinatie van voorzieningen (bijv. taxi heen / OV terug)

☐ anders, namelijk: ..................................................................................................

Nadere toelichting maatwerkoplossing

..................................................................................................................................................................................................................................................................................................................

 

4. Looptijd en voorwaarden

Ingangsdatum: ...............................................................................................

Einddatum / evaluatiedatum: ............................................................................

Eventuele voorwaarden:

☐ deelname aan vervoertraining

☐ evaluatiemoment(en) (bijv. na 6 maanden / jaarlijks)

☐ meldplicht bij wijzigingen (bijv. stage, rooster, school, adres)

☐ anders, namelijk: ........................................................................................

5. Instemming ouders/verzorger(s)

Met dit formulier verklaar ik/verklaren wij dat:

wij het aanbod van de maatwerkoplossing hebben ontvangen en begrepen;

wij instemmen met de aangeboden maatwerkoplossing en de daaraan verbonden voorwaarden;

wij begrijpen dat deze maatwerkoplossing een alternatief is voor (of in plaats komt van) de reguliere vervoersvoorziening;

wij wijzigingen die van invloed kunnen zijn op het vervoer onverwijld melden bij het college.

Ja, ik/wij stemmen in met de maatwerkoplossing zoals beschreven in deze bijlage.

Nee, ik/wij stemmen niet in met de maatwerkoplossing.

(In dat geval beoordeelt het college de aanvraag op basis van de verordening en nadere regels en neemt een besluit.)

6. Ondertekening

Plaats: .................................................................................................................

Datum: .................................................................................................................

Handtekening ouder/verzorger 1

Naam:

...........................................................................................................................

Handtekening:

..........................................................................................................................

Handtekening ouder/verzorger 2 (indien van toepassing)

Naam:

...........................................................................................................................

Handtekening:

...........................................................................................................................

 

 

7. Voor interne verwerking (gemeente/RBL)

Datum aanbod maatwerkoplossing: ......................................................................

Afwegingskader toegepast (kort): ☐ ja ☐ nee

Kostenvergelijking gemaakt: ☐ ja ☐ nee

Dossierstuk opgeslagen in zaaknummer: ................................................................

Evaluatiemoment ingepland op: .................................................................................................................

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijlage 3b – Instemming maatwerkoplossing / andere passende (goedkopere) voorziening

 

Toelichting (pagina 2) – voor ouders/verzorger(s)

 

1. Wat is een maatwerkoplossing?

Soms is de standaard vervoersvoorziening (bijvoorbeeld taxi) niet de beste of niet de meest doelmatige oplossing. In dat geval kan de gemeente een maatwerkoplossing aanbieden.

Een maatwerkoplossing is een andere passende manier van vervoer, bijvoorbeeld:

(een deel) met de fiets,

(een deel) met de bus,

een opstapplaats in plaats van vervoer vanaf huis,

eigen vervoer met kilometervergoeding,

vervoertraining (bijvoorbeeld OV-training),

of een combinatie van bovenstaande.

 

De maatwerkoplossing moet passend zijn voor het kind én kan (voor de gemeente) goedkoper of kostenneutraal zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijlage 4 Benodigde gegevens per type vervoersvoorziening (artikel 6, vierde lid)

1. Algemeen

Bij iedere aanvraag voor een vervoersvoorziening worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

naam, adres en geboortedatum van de leerling;

naam en adres van de school;

het schooltype en de groep/klas;

de ingangsdatum van de aanvraag;

de gegevens van de ouders/verzorger(s);

een motivering van de aanvraag.

2. Vervoer per fiets of openbaar vervoer (zonder begeleiding)

Naast de in artikel 1 genoemde gegevens worden, indien van toepassing, de volgende gegevens verstrekt:

informatie over de reisafstand (wordt vastgesteld door het college);

een toelichting op de reisroute indien sprake is van bijzondere omstandigheden;

eventuele relevante bijzonderheden met betrekking tot de veiligheid of begaanbaarheid van de route.

3. Vervoer per fiets of openbaar vervoer met begeleiding

Naast de in artikel 1 en 2 genoemde gegevens worden de volgende gegevens verstrekt:

een motivering waaruit blijkt dat de leerling niet zelfstandig kan reizen;

een toelichting op de noodzaak van begeleiding;

informatie over de beschikbaarheid van begeleiding door ouders/verzorger(s) of het sociaal netwerk;

indien beschikbaar: relevante informatie van de school of het samenwerkingsverband passend onderwijs.

4. Aangepast vervoer

Naast de in artikel 1 genoemde gegevens worden de volgende gegevens verstrekt:

een motivering waaruit blijkt dat de leerling niet zelfstandig en ook niet onder begeleiding kan reizen;

een onderbouwing van de beperking in relatie tot het reizen naar school;

indien beschikbaar:

het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP);

een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) of plaatsingsbesluit;

informatie van de school of het samenwerkingsverband passend onderwijs;

relevante informatie van betrokken hulpverlening.

5. Eigen vervoer

Naast de in artikel 1 genoemde gegevens worden de volgende gegevens verstrekt:

een verzoek tot vergoeding van eigen vervoer;

een motivering voor de inzet van eigen vervoer;

de benodigde gegevens voor uitbetaling van de vergoeding.

6. Stagevervoer

Naast de in artikel 1 genoemde gegevens worden de volgende gegevens verstrekt:

een verklaring van de school waaruit blijkt dat de stage onderdeel uitmaakt van het onderwijsprogramma;

het adres van de stageplaats;

de stagedagen en -tijden;

een motivering waaruit blijkt dat vervoer noodzakelijk is.

7. Weekend- en vakantievervoer

Naast de in artikel 1 genoemde gegevens worden de volgende gegevens verstrekt:

een verklaring van het internaat, pleeggezin of de instelling waaruit het verblijf blijkt;

een onderbouwing dat het verblijf samenhangt met het volgen van onderwijs;

het adres van het verblijf en het adres van de ouders/verzorger(s);

de frequentie van het vervoer.

8. Aanvullende gegevens

Het college kan aanvullende gegevens opvragen indien dit noodzakelijk is voor de beoordeling van de aanvraag.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijlage 5 – Draagkrachttabel (art. 24 verordening)

Gezamenlijk verzamelinkomen ouders/verzorger(s)

Draagkrachtafhankelijke bijdrage per leerling per schooljaar

€ 0 tot en met € 33.750

Nihil

Meer dan € 33.750 tot en met € 40.250

€ 150

Meer dan € 40.250 tot en met € 46.750

€ 645

Meer dan € 46.750 tot en met € 53.250

€ 1.205

Meer dan € 53.250 tot en met € 60.750

€ 1.770

Meer dan € 60.750 tot en met € 67.250

€ 2.370

Meer dan € 67.250

Voor elke extra € 5.000 inkomen: vermeerdering met € 595

Uitvoeringsregels:

  • Deze tabel geldt voor schooljaar 2026/2027 en is gebaseerd op de door de VNG gepubliceerde normbedragen leerlingenvervoer 2026/2027.

  • De inkomensgrens voor schooljaar 2026/2027 bedraagt € 33.750.

  • Het inkomen wordt vastgesteld aan de hand van het verzamelinkomen van de ouders/verzorger(s) in het peiljaar, op basis van een inkomensverklaring van de Belastingdienst of andere door het college geaccepteerde bewijsstukken.

  • De draagkrachtafhankelijke bijdrage geldt per leerling per schooljaar en kan worden toegepast indien de afstand tussen de woning of opstapplaats en de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 kilometer bedraagt.

  • Bij meerdere kinderen geldt de bijdrage per leerling.

  • Bij een structurele terugval in inkomen kan herziening plaatsvinden op aanvraag, overeenkomstig artikel 13 van deze nadere regels en artikel 26 van de verordening.

  • De bedragen worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig artikel 24 van de verordening. Het college maakt de voor het betreffende schooljaar geldende bedragen jaarlijks bekend.

Naar boven