Verordening jeugdhulp gemeente IJsselstein 2026

De raad van de gemeente IJsselstein;

 

gelezen het collegevoorstel van 26 mei 2026 zaaknummer 345580;

 

gelet op artikel 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1. derde lid Jeugdwet;

 

besluit vast te stellen de volgende :

 

Verordening jeugdhulp gemeente IJsselstein 2026.

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op jeugdhulp;

    • b.

      andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

    • c.

      budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder wanneer de budgethouder minderjarig of handelingsonbekwaam is;

    • d.

      budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet;

    • e.

      college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein;

    • f.

      eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, ouder(s) en diens omgeving om zelf in een oplossing voor de hulpvraag te voorzien;

    • g.

      hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

    • h.

      maatwerkvoorziening: de op de jeugdige en/of zijn ouder(s) toegesneden jeugdhulpvoorziening, als bedoeld in art. 2.9 sub a van de Jeugdwet, die door het college in natura of bij persoonsgebonden budget wordt verstrekt;

    • i.

      persoonsgebonden budget (pgb): persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de maatwerkvoorziening behoort van derden te betrekken;

    • j.

      sociaal netwerk: familieleden van de jeugdige of zijn ouder(s) tot en met bloed- en/of aanverwantschap in de derde graad en andere betrokkenen bij het gezin, niet zijnde een jeugdhulpverlener als genoemd in de Jeugdwet;

    • k.

      wet: Jeugdwet.

Hoofdstuk 2. Vormen van jeugdhulp

Artikel 2. Toegang algemene voorzieningen

  • 1.

    Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling.

  • 2.

    De inzet van een algemene voorziening is voorliggend op de inzet van een maatwerkvoorziening als die voorziening naar oordeel van het college ook toereikend is om de problemen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) op te lossen.

Artikel 3. Algemene voorzieningen

  • 1.

    De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

    • a.

      voorlichting;

    • b.

      advies en informatie;

    • c.

      lichte hulp bestaande uit: individuele ondersteuning en groepsbegeleiding.

Artikel 4. Maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    De volgende vormen van maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

    • a.

      ambulante begeleiding, waaronder:

      • i.

        individuele begeleiding

      • ii.

        systeemgerichte ambulante jeugd- en opvoedhulp;

    • b.

      groepsbegeleiding, waaronder dagbehandeling;

    • c.

      diagnostiek en/of behandeling, ook wel Jeugd-GGZ genoemd;

    • d.

      ernstige dyslexiezorg;

    • e.

      persoonlijke verzorging die géén verband houdt met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop;

    • f.

      essentiële functies, waaronder jeugdzorgplus;

    • g.

      vervoer van en naar de jeugdhulplocatie.

Hoofdstuk 3. Toegang jeugdhulp anders dan via de gemeente

Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    Als de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder verwijst en de betreffende jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is, zorgt het college voor de inzet van de jeugdhulp.

  • 2.

    De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing als bedoeld in het eerste lid aan de regels in deze verordening en de afspraken die daarover zijn gemaakt met het college in het kader van de contract- of subsidierelatie.

Artikel 6. Toegang jeugdhulp via gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting

  • 1.

    Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering.

  • 2.

    Ook zorgt het college voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) of de selectiefunctionaris van de JJI nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.

Hoofdstuk 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente

Artikel 7. Aanvraag maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een aanvraag voor jeugdhulp kan door een jeugdige of ouder, of door een ouder namens de jeugdige, schriftelijk worden ingediend bij het college.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van een aanvraag, zoals bedoeld in het eerste lid, schriftelijk.

  • 3.

    Het college wijst de jeugdige of ouder in de ontvangstbevestiging voorafgaand aan het onderzoek op:

    • a.

      de vervolgprocedure en de rechten en plichten van de inwoner daarin;

    • b.

      de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5 van de wet;

    • c.

      de mogelijkheid om gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • d.

      de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen binnen twee weken na de aanvraag.

  • 4.

    Voorafgaand aan het onderzoek vergewist het college zich van de identiteit van de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het vergewissen van de identiteit, aan de hand van een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, vindt in elk geval plaats als dit naar oordeel van het college noodzakelijk en evenredig is:

    • a.

      gelet op de zwaarte van de te bieden jeugdhulp;

    • b.

      ter voorkoming van fraude; of

    • c.

      ter controle van het wettelijk gezag van de ouder(s) of de wettelijk vertegenwoordiger over de jeugdige.

  • 5.

    Bij de beoordeling van een aanvraag om jeugdhulp stemt het college af met andere voorzieningen.

  • 6.

    In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige of zijn ouder(s), of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp aan als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dit geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na start van de hulp, vast in een beschikking.

Artikel 8. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

  • 1.

    Het college onderzoekt, na een aanvraag als bedoeld in artikel 7, eerste lid, in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk na ontvangst:

    • a.

      wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) is;

    • b.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;

    • c.

      of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen.

  • 2.

    Als sprake is van problemen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, dan onderzoekt het college achtereenvolgens:

    • a.

      welke problemen of stoornissen dat zijn;

    • b.

      welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

    • c.

      of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociaal netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden;

    • d.

      voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een algemene voorziening of maatwerkvoorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg;

    • e.

      hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s); en

    • f.

      indien van toepassing, hoe de toekenning van een maatwerkvoorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.

  • 3.

    Wanneer de jeugdige of zijn ouder(s) reeds een familiegroepsplan opgesteld hebben, betrekt het college dat bij het onderzoek.

  • 4.

    Na afronding van het onderzoek als bedoeld in dit artikel zal het college de jeugdige of zijn ouder(s) een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekken, in de vorm van een ondersteuningsplan. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd.

Artikel 9. Kwaliteitseisen toegang

  • 1.

    Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

  • 2.

    Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:

    • a.

      bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;

    • b.

      bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of

    • c.

      op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.

  • 3.

    Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via het college op zorgvuldige wijze plaatsvindt. Hieronder wordt in het bijzonder verstaan dat het college voorzieningen treft die voorkomen dat de (toekomstige) jeugdhulpaanbieder tevens het advies geeft over de toe te kennen jeugdhulp of een daarop betrekking hebbend besluit neemt.

Hoofdstuk 5. Voorwaarden maatwerkvoorzieningen

Artikel 10. Criteria maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een jeugdige of ouder(s) komen binnen de kaders van de wet en deze verordening in aanmerking voor een maatwerkvoorziening wanneer door het college of een andere wettelijke verwijzer is vastgesteld dat:

    • a.

      een maatwerkvoorziening aangewezen is gezien de aard en ernst van de hulpvraag;

    • b.

      de jeugdige zelf, of met zijn ouder(s) of andere personen uit zijn sociaal netwerk, geen afdoende oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden;

    • c.

      een algemene voorziening niet adequaat is voor de oplossing van de hulpvraag;

    • d.

      de jeugdige of de ouder(s) geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag volledig te beantwoorden.

  • 2.

    De inzet van een maatwerkvoorziening is in beginsel tijdelijk en gericht op herstel en versterking van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of diens ouder(s).

  • 3.

    Het college treft geen maatwerkvoorziening voor zover er naar haar oordeel sprake is van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.

  • 4.

    Een maatwerkvoorziening voor jeugdhulp wordt alleen toegekend als de inzet van deze voorziening naar oordeel van het college doeltreffend geacht kan worden. Om doeltreffend te zijn geldt in ieder geval dat:

    • a.

      de in te zetten voorziening bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag;

    • b.

      de in te zetten voorziening behoudens het bepaalde in artikel 2.4 tweede lid sub b van de wet – waar beschikbaar – een bewezen effectieve interventie is;

    • c.

      de in te zetten voorziening nooit een bewezen niet effectieve interventie is.

  • 5.

    Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de interventies zijn opgenomen als zijnde erkend in:

    • a.

      de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;

    • b.

      de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;

    • c.

      de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).

  • 6.

    Indien er meerdere adequate voorzieningen zijn, verstrekt het college de goedkoopst passende voorziening.

Artikel 11. Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

  • 1.

    Een maatwerkvoorziening wordt verstrekt als naar oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) ontoereikend zijn om, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere of algemene voorzieningen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).

  • 2.

    Het college neemt bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zoals bedoeld in artikel 8 tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Dit is ook het geval als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen. Dit uitgangspunt is gebaseerd op de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Uit het onderzoek kan blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) niet toereikend is, bijvoorbeeld omdat sprake is van:

    • a.

      (een) geobjectiveerde beperking(en) om noodzakelijke hulp te bieden;

    • b.

      een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden;

    • c.

      een jeugdige van vijf jaar en ouder waarvoor 24 uur per dag toezicht nodig is ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel en er (nog) geen aanspraak gemaakt kan worden op een andere voorziening, waaronder de Wet langdurige zorg (Wlz);

    • d.

      overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht van de ouder(s) of van het sociaal netwerk totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

  • 3.

    Bij de beoordeling van de overbelasting bedoeld in het tweede lid onder d, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:

    • a.

      de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;

    • b.

      de duur van de inzet;

    • c.

      de planbaarheid van de hulp;

    • d.

      de benodigde ondersteuningsintensiteit;

    • e.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

    • f.

      de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.

Artikel 12. Vervoer

  • 1.

    Een vervoersvoorziening wordt – voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid – alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt, mits niet vanuit een andere regeling of instanties vergoed.

  • 2.

    Uitgangspunt is dat ouder(s) in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor het (regelen van) vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Het college beoordeelt de reikwijdte van de eigen mogelijkheden conform de afwegingsfactoren genoemd in artikel 11.

  • 3.

    Van een medische noodzaak is sprake wanneer de jeugdige door zijn psychische, lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking niet in staat is om gebruik te maken van alternatieve wijzen van vervoer, ook niet met begeleiding.

  • 4.

    Van beperkingen in de zelfredzaamheid is sprake wanneer:

    • a.

      de leeftijd van de jeugdige het niet toelaat zelfstandig te reizen, waarbij wordt aangenomen dat jeugdigen tot en met 8 jaar in ieder geval niet zelfstandig kunnen reizen;

    • b.

      er genoegzaam is aangetoond dat ouder(s) of andere personen uit het sociaal netwerk niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor de begeleiding en het vervoer;

    • c.

      er sprake is van ernstige gedragsproblematiek die het reizen onmogelijk maakt of andere redenen van niet-medische aard die het zelfstandig of onder begeleiding reizen onmogelijk maken;

    • d.

      de afstand voor de kortste enkele reis volgens de ANWB-routeplanner naar jeugdhulplocatie minimaal 6 kilometer bedraagt.

  • 5.

    Indien naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een maatwerkvoorziening waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.

Artikel 13. Ernstige dyslexiezorg

  • 1.

    Het college zorgt voor de beschikbaarheid van ernstige dyslexiezorg, bestaande uit:

    • a.

      diagnostiek bij een vermoeden van ernstige dyslexie;

    • b.

      behandeling van ernstige dyslexie.

  • 2.

    Een jeugdige komt in aanmerking voor diagnostiek of behandeling van ernstige dyslexie, indien aan de criteria van het huidige het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling vastgesteld door het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie wordt voldaan, en:

    • a.

      de jeugdige zeven jaar of ouder is, maar de leeftijd van 13 jaar nog niet heeft bereikt en op het primair onderwijs (basisonderwijs) is ingeschreven; en

    • b.

      de basisschool de stappen doorlopen heeft zoals beschreven in het in het tweede lid genoemde protocol en daarbij is voldaan aan de landelijke criteria voor vergoede dyslexiezorg aan leerlingen met ernstige dyslexie.

  • 3.

    De toegang tot diagnostiek en behandeling van ernstige dyslexie wordt beoordeeld door een door het college aanwezen deskundige (poortwachter).

Hoofdstuk 6. Beschikking

Artikel 14. Inhoud beschikking

  • 1.

    Het college beslist binnen acht weken op een aanvraag maatwerkvoorziening zoals bedoeld in artikel 7 van deze verordening.

  • 2.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt opgenomen of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval opgenomen:

    • a.

      wat de te verstrekken maatwerkvoorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en

    • c.

      indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 4.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval opgenomen:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

    • e.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en

    • f.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 5.

    Het ondersteuningsplan, zoals bedoeld in artikel 8 van deze verordening, maakt in zijn geheel deel uit van de beschikking.

Hoofdstuk 7. Persoonsgebonden budget

Artikel 15. Het persoonsgebonden budget

  • 1.

    Als de jeugdige of zijn ouder(s) zich in het gesprek zoals bedoeld in artikel 8 gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de maatwerkvoorziening die het college via de gecontracteerde jeugdhulpaanbieder beschikbaar stelt niet passend achten en een pgb wensen, dan moeten zij in aanvulling op het ondersteuningsplan een pgb-plan opstellen.

  • 2.

    In het pgb-plan is in ieder geval opgenomen:

    • a.

      de motivering waarom zorg in natura niet passend is en een persoonsgebonden budget gewenst is;

    • b.

      welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;

    • c.

      de voorgenomen uitvoerder van de maatwerkvoorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;

    • d.

      op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;

    • e.

      de kosten, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief, van de uitvoering;

    • f.

      de motivering ten aanzien van de pgb-vaardigheid aan de hand van de punten genoemd in artikel 18 van deze verordening.

  • 3.

    Het college beoordeelt of de in te kopen maatwerkvoorziening die de jeugdige of zijn ouder(s) met een pgb wensen in te kopen van goede kwaliteit, veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is.

Artikel 16. Verstrekken van het persoonsgebonden budget

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb als:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouder(s) zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de maatwerkvoorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend achten;

    • b.

      uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid, met inachtneming van artikel 18, blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en

    • c.

      naar het oordeel van het college, met inachtneming van artikel 19, is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de maatwerkvoorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.

  • 2.

    Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet als de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag:

    • a.

      fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;

    • b.

      betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;

    • c.

      veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf;

    • d.

      op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd.

  • 3.

    De uitvoerder van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht, is niet tevens de wettelijke vertegenwoordiger van de budgethouder noch heeft deze een financiële relatie met de budgethouder, tenzij:

    • a.

      dit gezien de situatie van de jeugdige, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden;

    • b.

      de uitvoerder van de hulp en ontvanger van het budget een ouder is van de jeugdige voor wie het pgb is verstrekt.

  • 4.

    Het college weigert een persoonsgebonden budget in overeenstemming met artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet als:

    • a.

      de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening; of

    • b.

      het college eerder toepassing heeft gegeven aan de gronden opgenomen in artikel 29, tweede lid, onder a, d of f.

Artikel 17. Onderscheid formele en informele hulp persoonsgebonden budget

  • 1.

    Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of

  • 2.

    Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.

  • 3.

    Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp, omdat zij onderdeel uitmaken van het sociaal netwerk.

  • 4.

    Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, of b en/of lid 2, is sprake van informele hulp.

Artikel 18. Pgb-vaardigheid

  • 1.

    Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen moet de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:

    • a.

      een duidelijk beeld hebben van de hulpvraag;

    • b.

      op de hoogte zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze weten te vinden;

    • c.

      in staat zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

    • d.

      voldoende vaardig zijn om te communiceren met de gemeenten, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de hulpverleners;

    • e.

      in staat zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een hulpverlener te kiezen;

    • f.

      in staat zijn om afspraken te maken en vast te leggen en dit te kunnen verantwoorden aan het college;

    • g.

      in staat zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

    • h.

      in staat zijn de inzet van hulpverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;

    • i.

      in staat zijn om als werk- of opdrachtgever de hulpverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en

    • j.

      voldoende kennis hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.

  • 2.

    Het college acht dat er bij de budgetbeheerder sprake kan zijn van een onvermogen tot goed beheer van een pgb in de volgende gevallen:

    • a.

      problematische schuldenproblematiek;

    • b.

      ernstige verslavingsproblematiek;

    • c.

      aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

    • d.

      een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

    • e.

      een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

    • f.

      een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

    • g.

      het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;

    • h.

      twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid;

    • i.

      gebleken overbelasting.

Artikel 19. Kwaliteitseisen maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget

  • 1.

    Ter waarborging van de kwaliteit van de in te kopen maatwerkvoorziening voldoet de uitvoerder van zowel de formele als de informele jeugdhulp aan de volgende eisen:

    • a.

      beschikt over een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG);

    • b.

      beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;

    • c.

      houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;

    • d.

      is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;

    • e.

      werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;

    • f.

      voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;

    • g.

      stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s);

    • h.

      stemt de hulp af op andere voorzieningen, algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken;

    • i.

      respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;

    • j.

      neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;

    • k.

      meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij verlening van jeugdhulp aan het college;

    • l.

      werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid;

    • m.

      is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.

  • 2.

    Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen maatwerkvoorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:

    • a.

      hetgeen is bepaald in artikel 17, eerste lid;

    • b.

      handelt in overeenstemming met de professionele standaard;

    • c.

      werkt op basis van een hulpverleningsplan;

    • d.

      werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;

    • e.

      hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en

    • f.

      stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.

  • 3.

    Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als de inzet van een formele jeugdhulpaanbieder noodzakelijk is volgens het afwegingskader voor verantwoorde werktoedeling zoals opgenomen in het Kwaliteitskader Jeugd.

Artikel 20. Hoogte van het persoonsgebonden budget

  • 1.

    De hoogte van het pgb:

    • a.

      is toereikend om de benodigde hulp van derden te betrekken; en

    • b.

      wordt vastgesteld aan de hand van een pgb-plan dat door de jeugdige of zijn ouder(s) is opgesteld; en

    • c.

      is nooit hoger dan de kosten voor dezelfde of gelijkwaardige beschikbare voorziening in natura. Als de jeugdige of zijn ouder(s) een duurdere voorziening willen inkopen, dan zijn de meerkosten voor hun eigen rekening.

  • 2.

    Indien het pgb is gebaseerd op een bedrag per uur, dagdeel of etmaal, wordt onderscheid gemaakt tussen ondersteuning geleverd door professionele organisaties, zelfstandig ondernemers en het informele netwerk:

    • a.

      Het tarief voor een professionele organisatie bedraagt maximaal de kostprijs van de goedkoopste passende voorziening in zorg in natura.

    • b.

      Het tarief voor een zelfstandig ondernemer bedraagt maximaal 75 % van de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in zorg in natura, tenzij aannemelijk is dat dit percentage niet toereikend is om de zorg in te kopen; dan kan maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening worden vergoed;

    • c.

      Voor ondersteuning uit het informele netwerk is het tarief gelijk aan het wettelijk minimumloon, inclusief vakantiebijslag. De actuele bedragen worden opgenomen in nadere regels.

  • 3.

    Voor de genoemde tarieven in lid 2 geldt dat deze in die zin toereikend zijn dat de budgethouder binnen dit budget de bij wet verplichte werkgeverslasten kan afdragen.

  • 4.

    In afwijking van het genoemde in lid 2 sub c geldt er in het geval van logeeropvang door een hulp uit het sociaal netwerk, als bedoeld in artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet, een tegemoetkoming van € 60,- per etmaal, met een maximum van € 141,- per kalendermaand.

Artikel 21. Kosten die zijn uitgesloten

De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb:

  • a.

    Kosten voor bemiddeling.

  • b.

    Kosten voor coördinatie.

  • c.

    Kosten voor crisishulp/crisisopvang.

  • d.

    Kosten voor een vrij besteedbaar bedrag en vrijwilligersvergoeding.

  • e.

    Kosten voor het voeren van een pgb-administratie.

  • f.

    Kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering.

  • g.

    Kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers.

  • h.

    Kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb.

  • i.

    Zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Jeugdwet valt.

  • j.

    Zorg en ondersteuning (door aanbieders) buiten EER-landen.

Hoofdstuk 8. Afstemming met andere voorzieningen

Artikel 22. Overgang naar volwassenheid

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat voor jeugdigen die de leeftijd van 18 jaar bereiken, en ook na hun 18e jaar een hulpvraag hebben tijdig afstemming plaatsvindt welke andere voorzieningen benodigd zijn.

  • 2.

    De afstemming genoemd in lid 1 vindt in principe plaats vanaf 16,5 jaar, doch uiterlijk 6 maanden voor hun 18e verjaardag.

  • 3.

    Voor verlengde jeugdhulp geldt dat:

    • a.

      dit alleen van toepassing is als er geen vergelijkbare voorziening beschikbaar is onder een andere wet dan de Jeugdwet;

    • b.

      de hulp ingezet moet zijn voor de 18e verjaardag of het moet voor de 18e verjaardag zijn bepaald dat de hulp ingezet moet worden na het uitgevoerde onderzoek, als bedoeld in artikel 8 van deze verordening. Daarbij geldt ook dat er sprake kan zijn van verlengde jeugdhulp als er binnen een half jaar na de 18e verjaardag wordt geconstateerd dat hulp die voor de 18e verjaardag is beëindigd, toch nodig blijkt te zijn;

    • c.

      (individuele) begeleiding na het 18e levensjaar behoort tot de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), behalve:

      • i.

        als het gaat om hulp die voor 2015 onder de Wet op de jeugdzorg viel, bijvoorbeeld pedagogische gezinsbegeleiding, opvoedondersteuning of vaardigheidstrainingen.

      • ii.

        bij (individuele) begeleiding die samenvalt met verblijf vanuit de wet.

  • 4.

    Het college zorgt ervoor dat jeugdige en zijn ouder(s) zoals bedoeld in lid 1 gewezen worden op de consequenties dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder een andere voorziening valt, waarbij het college zich inspant voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.

  • 5.

    Voor pleegzorg en verblijf in een gezinshuis geldt dat dit verblijf, zolang de jeugdige dit wenst, kan worden voortgezet tot in ieder geval het 21e levensjaar. Hierna wordt een aanvraag beoordeeld via de criteria uit lid 3.

Artikel 23. Gezondheidszorg en langdurige zorg

  • 1.

    Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel e van de wet en artikel 5 van deze verordening, plaatsvindt.

  • 2.

    Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die in behandeling zijn en de leeftijd van 18 jaar bereiken. Er moet dan sprake zijn van de reële verwachting dat deze zorg na de 18e verjaardag door zal lopen en daarmee onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wlz komen te vallen. Ook worden er afspraken gemaakt hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat in de gevallen bedoeld in het eerste lid de jeugdige of zijn ouder(s) worden gewezen op de consequentie dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder de Zvw valt, en spant zich in voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.

  • 4.

    Het college zorgt ervoor dat de jeugdige of zijn ouder(s) ondersteund worden richting het CIZ, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wlz.

  • 5.

    Indien de jeugdige of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het CIZ, is het college niet gehouden een maatwerkvoorziening toe te kennen op grond van deze verordening.

  • 6.

    Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor ouder(s) of jeugdigen op grond van de Wlz of Zvw waar dit raakvlak heeft met de gestelde jeugdhulpvraag.

Artikel 24. Gecertificeerde instellingen

  • 1.

    Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over:

    • a.

      het overleg over de aangewezen jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 1 van de wet,

    • b.

      het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;

    • c.

      de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt;

    • d.

      wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een persoonsgebonden budget kan zijn namens de jeugdige of zijn ouder(s);

    • e.

      hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet dient te worden.

  • 2.

    Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het tweede lid vast in een protocol als bedoeld in artikel 3.5 lid 3 van de wet.

Artikel 25. Voorschoolse voorziening en onderwijs

  • 1.

    Er is een wettelijke afstemmingsverplichting voor onderwijs en jeugdhulp om de plannen op elkaar af te stemmen. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen en ondersteuning tijdens onderwijs worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige of zijn ouder(s).

  • 2.

    Voor ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, kan geen maatwerkvoorziening worden verstrekt.

  • 3.

    Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de wet of de Wet passend onderwijs, dan rust op het college de verplichting om in samenwerking met het onderwijs met behulp van het ondersteuningsplan en het ontwikkelperspectiefplan (OPP) tot een passende oplossing te komen voor de hulpvraag.

  • 4.

    Zonder aanwezigheid van een OPP kan er door het college (nog) geen besluit genomen worden over het bieden van jeugdhulp in het onderwijs.

  • 5.

    Het college stemt de samenwerking van onderwijs en door gemeenten gefinancierde jeugdhulp af met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs in het Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO).

Artikel 26. Maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Het college zorgt voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor de jeugdige of zijn ouder(s) op grond van de Wmo.

  • 2.

    Het college zorgt ervoor dat wanneer de begeleiding van een jeugdige na het 18e jaar voortgezet moet worden onder de Wmo de continuïteit gewaarborgd wordt.

Artikel 27. Werk en inkomen

Het college zorgt er samen met de jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen voor dat financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig worden gesignaleerd. Waar nodig helpen zij de jeugdige of zijn ouder(s) de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen te krijgen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, armoedevoorzieningen, en het kindpakket – om deze belemmeringen weg te nemen.

Hoofdstuk 9. Opschorten, herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik

Artikel 28. Opschorten betaling uit het pgb

  • 1.

    Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste van 13 weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4 eerste lid, onder a, d of e van de wet.

  • 2.

    Indien de jeugdige langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname.

  • 3.

    Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 29. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering

  • 1.

    Degene aan wie krachtens deze verordening een maatwerkvoorziening is verstrekt, is verplicht zo spoedig mogelijk aan het college mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet langer op de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb;

    • e.

      de jeugdige langer dan 12 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; of

    • f.

      de jeugdige of zijn ouder(s) de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

  • 3.

    Als het college een besluit op grond van het tweede lid, onderdeel a of f heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten maatwerkvoorziening.

  • 4.

    Een besluit kan ingetrokken worden, wanneer de jeugdhulpaanbieder niet binnen drie maanden na het afgeven van het besluit gestart is met de zorg of als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen drie maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 30. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet

  • 1.

    Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoording over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet dan wel deze verordening.

  • 3.

    De toezichthoudende ambtenaren zijn, voor zover voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is en in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot inzage van het dossier.

  • 4.

    Het college kan kaders stellen voor zijn werkwijze middels een handhavingskader.

  • 5.

    Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

Hoofdstuk 10. Kwaliteit jeugdhulpaanbieders

Artikel 31. Kwaliteitseisen jeugdhulpaanbieders

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat minimaal de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten met de jeugdhulpaanbieders.

  • 2.

    De jeugdhulpaanbieder zorgt ervoor dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen.

  • 3.

    Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning.

Artikel 32. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

  • 1.

    Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen:

    • a.

      kosten van beroepskrachten (cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden);

    • b.

      cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;

    • c.

      overheadkosten;

    • d.

      kosten voor indexering.

  • 2.

    Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouder(s) en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.

  • 4.

    Het college waarborgt dat bij de inkoop van jeugdhulp rekening wordt gehouden met zorgvuldigheidseisen die de continuïteit en beschikbaarheid van zorg ten goede komen.

Artikel 33. Incidenten, calamiteiten en geweld

  • 1.

    De jeugdhulpaanbieder dient te handelen conform de regels en afspraken die gelden voor:

    • a.

      de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en

    • b.

      het gebruik van de Verwijsindex Risicojongeren (VIR); en

    • c.

      de door de overheid aangewezen verantwoordingsmethode van besteding van specifieke uitkeringen.

  • 2.

    Jeugdhulpaanbieders rapporteren periodiek incidenten volgens de afspraken in het Incidentenprotocol en het bepaalde in artikel 4.1.8 lid 2 van de wet.

Hoofdstuk 11. Klachten, inspraak en medezeggenschap

Artikel 34. Klachtregeling

  • 1.

    Het college behandelt klachten overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Awb.

  • 2.

    Het college ziet erop toe dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen een klachtenregeling hebben die voldoet aan de wet.

  • 3.

    Het college heeft de bevoegdheid om op verzoek van de betrokkene in aanvulling op de klachtenregeling van de jeugdhulpaanbieder een klacht te behandelen.

Artikel 35. Betrekken inwoners bij ontwikkelen beleid

  • 1.

    Het college stelt de jeugdige of zijn ouder(s) en vertegenwoordigers van cliëntengroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordening en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 2.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

Hoofdstuk 12. Overige bepalingen en slotbepalingen

Artikel 36. Evaluatie

  • 1.

    Het door het college gevoerde beleid wordt tenminste eenmaal per vier jaar geëvalueerd, tenzij wetgeving hier eerder aanleiding toe geeft.

  • 2.

    Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, wordt de verordening aangepast. Het college zendt hiertoe telkens na vier jaar na inwerkingtreding van de verordening aan de raad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 37. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2022 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Voorzieningen die zijn toegekend op grond van de in lid 1 genoemde verordening blijven gelden tot dat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend op grond van de in lid 1 genoemde verordening en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4.

    Op bezwaarschriften gericht tegen besluiten op grond van de in lid 1 genoemde verordening wordt beslist met toepassing van die verordening.

  • 5.

    Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2022 te herzien:

    • a.

      op de gronden, vermeld in artikel 26 van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2022;

    • b.

      indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen;

    • c.

      indien de ouder(s) of jeugdige wensen te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm;

    • d.

      indien de jeugdhulpaanbieder niet langer gecontracteerd is door het college.

  • 6.

    Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2022 terug te vorderen op de in deze verordening genoemde gronden.

Artikel 38. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking daarvan.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente IJsselstein 2026.

Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 juli 2026.

De griffier,

Arnout J.O. van Kooij MMC

De voorzitter,

Ester Weststeijn

Naar boven