Standplaatsenbeleid Gemeente Schagen

Besluit:

  • 1.

    Het Standplaatsenbeleid Schagen 2026 vast te stellen;

  • 2.

    Het Standplaatsenbeleid 2024 gelijktijdig in te trekken;

  • 3.

    De Raadsinformatiememo Standplaatsenbeleid Schagen 2026 vast te stellen en aan te bieden aan de Raad.

1. Inleiding

De gemeente Schagen beschikt al langere tijd over regels voor standplaatsen. Het standplaatsenbeleid is in 2024 voor het laatst geactualiseerd. Sindsdien is behoefte ontstaan aan verdere verduidelijking en actualisering van het beleid, onder meer op het gebied van vergunningverlening, verdeling van schaarse rechten, veiligheid, duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit.

 

Deze beleidsregels vormen het toetsingskader voor de beoordeling van aanvragen voor een standplaatsvergunning. De beleidsregels zijn aanvullend op de bepalingen uit de Algemene plaatselijke verordening (Apv), het omgevingsplan en overige toepasselijke wet- en regelgeving.

 

Met dit beleid wordt beoogd:

 

  • rechtszekerheid te bieden aan standplaatshouders en andere belanghebbenden;

  • transparantie te bieden over vergunningverlening, toetsing en handhaving;

  • grip te houden op standplaatslocaties en het aantal standplaatsen binnen de gemeente;

  • gelijke kansen te waarborgen bij de verdeling van schaarse vergunningen;

  • een doelmatige en efficiënte afhandeling van vergunningaanvragen te bevorderen.

Daarnaast zijn de Europese Dienstenrichtlijn en de jurisprudentie over schaarse publieke rechten, waaronder het Didam-arrest, belangrijke uitgangspunten bij de actualisering van dit beleid.

 

Dit beleid vervangt de Beleidsregels standplaatsen 2024 en biedt een actueel, transparant en juridisch houdbaar kader voor het innemen, verdelen en beheren van standplaatsen binnen de gemeente Schagen.

 

2. Juridisch Kader

De Algemene plaatselijke verordening van Schagen geeft in artikel 5:18 aan dat het verboden is zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) een standplaats in te nemen of te hebben. Met het vaststellen van beleidsregels geeft het college aan hoe het de bevoegdheid om standplaatsvergunningen te verlenen zal uitvoeren. De bevoegdheid voor het vaststellen van dit beleid ligt ook bij het college. De grondslag daarvoor is gelegen in artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daarin is bepaald dat een bestuursorgaan beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. Bij de toepassing van dit beleid houdt het college tevens rekening met het geldende omgevingsplan, de Omgevingswet, de Algemene wet bestuursrecht, Alcoholwet en overige relevante wet- en regelgeving.

 

3. Doel en reikwijdte

Dit beleid regelt:

 

  • welke typen standplaatsen de gemeente kent;

  • welke locaties voor welke typen standplaatsen beschikbaar zijn;

  • de vergunningsduur en overgangsregels;

  • de toewijzings- en verdelingsprocedure inclusief objectieve criteria;

  • branchering (maximale branches per locatie, met juridische onderbouwing);

  • de afspraken over leefbaarheid, veiligheid, duurzaamheid en elektriciteit;

  • de regels voor tijdelijke verplaatsing wegens evenementen, openbare orde, brandveiligheid of werkzaamheden;

  • regels voor standplaatsen op niet-gemeentelijke grond.

Het beleid geldt voor zowel gemeentelijke grond als private grond, wanneer voor het innemen van de standplaats een standplaatsvergunning op grond van de Apv is vereist. Dit beleid laat onverlet dat een standplaats tevens moet voldoen aan de regels van het geldende omgevingsplan en andere toepasselijke wet- en regelgeving. Indien voor een standplaats naast een standplaatsvergunning ook een omgevingsvergunning vereist is, worden beide aanvragen afzonderlijk beoordeeld.

 

4. Begripsbepalingen

  • Standplaats: het plaatsen van een kraam, wagen, voertuig of ander middel ten behoeve van commerciële, ideële of overige verkoop-/dienstactiviteiten.

  • Standplaatshouder: de natuurlijke of rechtspersoon die de standplaats inneemt.

  • Vaste standplaats: standplaats die voor meer dan zes maanden per jaar wordt vergund, voor één of meerdere vaste dagen in de week, voor de duur van maximaal twaalf jaar.

  • Tijdelijke standplaats: een standplaats die gedurende maximaal 6 maanden per kalenderjaar wordt ingenomen. Hieronder vallen onder meer seizoensgebonden activiteiten (zoals kerstbomen- en oliebollenverkoop), maatschappelijke activiteiten (zoals bevolkingsonderzoeken), jaarlijks terugkerende, incidentele en overige tijdelijke commerciële activiteiten.

  • Ideële standplaats: Een standplaats ten behoeve van maatschappelijke, charitatieve, educatieve, culturele of publieke doeleinden en die niet primair is gericht op de verkoop van goederen of diensten met winstoogmerk.

Persoonlijk karakter van de standplaatsvergunning

  • 1.

    Een standplaatsvergunning is strikt persoonlijk en wordt uitsluitend verleend aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon.

  • 2.

    Per locatie kan slechts één vergunning worden verleend aan dezelfde ondernemer voor dezelfde dag(en) en hetzelfde tijdstip.

  • 3.

    De vergunninghouder draagt verantwoordelijkheid voor de feitelijke exploitatie van de standplaats.

  • 4.

    De vergunninghouder mag zich bij de uitoefening van de standplaats laten vervangen door een medewerker, bedrijfsleider of andere vertegenwoordiger.

  • 5.

    De vergunninghouder blijft te allen tijde verantwoordelijk voor naleving van de vergunningvoorschriften.

  • 6.

    Het college kan verlangen dat voorafgaand aan structurele vervanging de gegevens van de vervanger worden verstrekt.

  • 7.

    Overdracht van de vergunning is niet toegestaan. Het college kan op aanvraag toestemming verlenen voor voortzetting van de vergunning binnen de resterende looptijd bij overlijden van de vergunninghouder of bij aantoonbare bedrijfsopvolging door een echtgenoot, geregistreerd partner, kind of werknemer.

5. Standplaatslocaties en classificatie

Conform het Didam-arrest en jurisprudentie is vereist dat de gemeente transparant vooraf vastlegt welke locaties beschikbaar zijn en voor welke typen standplaatsen. Wijzigingen in standplaatslocaties of classificaties worden gepubliceerd via het digitale standplaatsen-dashboard op de gemeentelijke website. Dit dashboard geldt als het actuele en kenbare overzicht. Bij elke herziening van het standplaatsenbeleid wordt de meest actuele standplaatslocaties in het beleid opgenomen. Bij tussentijdse substantiële wijzigingen worden vergunninghouders actief geïnformeerd.

 

De gemeente Schagen onderscheidt de volgende locaties en classificaties.

5.1 Vaste standplaatsen

  • Winkelpleintje Keinsmerweg

  • Dorpsstraat t.h.v. nr. 154

  • Veluweweg t.h.v. nr. 16 - 18

  • Dorpsstraat t.h.v. nr. 9C

  • Dorpsstraat 38

  • Parkeerterrein Veersloot

  • Nieuwstraat

  • Vomar-gebied Langestraat

  • Plein 1945

  • Iepenlaan/Platanenweg/Wilgenlaan

  • Groeneweg

  • -

    ’t Zand

  • -

    Warmenhuizen

  • -

    Waarland

  • -

    Sint Maarten

  • -

    Tuitjenhorn

  • -

    Dirkshorn

  • -

    Schagen

  • -

    Schagen

  • -

    Petten

  • -

    Schagen

  • -

    Schagen

5.2 Tijdelijke standplaatsen (maximaal 6 maanden per kalenderjaar)

De volgende locaties zijn aangewezen voor tijdelijke standplaatsen.

 

  • Nieuwstraat 10A (permanent) en 10B (tijdelijk 1-1-27)

  • Gedempte Gracht 14

  • Westerweg 2 (Eigen terrein)

  • Witte Paal/Parkeerterrein Gamma (Eigen terrein)

  • Wilgenlaan 1A

  • Oostwal 21

  • Willem ’t Hartplein 7

  • Sportweg 5

  • Dorpsstraat 106

  • Dorpsplein

  • Parkeerterrein Voordijk

  • Strandslag 17

  • Cornelius de Vriesweg nr. 8 (Eigen terrein)

  • Parkeerplaats Duinweg

  • -

    Schagen

  • -

    Schagen

  • -

    Schagen

  • -

    Schagen

  • -

    Schagen

  • -

    Tuitjenhorn

  • -

    ’t Zand

  • -

    Petten

  • -

    Warmenhuizen

  • -

    Callantsoog

  • -

    Callantsoog

  • -

    Petten

  • -

    Dirkshorn

  • -

    Groote Keeten

5.3 Ideële standplaatsen

Ideële standplaatsen worden niet als schaars aangemerkt. Voor ideële activiteiten worden geen vaste locaties aangewezen. Het college beoordeelt per aanvraag of de locatie geschikt is, geen onevenredige hinder ontstaat, geen strijd bestaat met evenementen of openbare orde.

5.4 Nieuwe initiatieven

Een verzoek tot aanwijzing van een nieuwe standplaatslocatie kan door een belanghebbende worden ingediend bij het college. Het college beoordeelt of de voorgestelde locatie en activiteit vanuit ruimtelijk, verkeerskundig, maatschappelijk en beleidsmatig oogpunt wenselijk zijn.

 

Indien het college besluit een nieuwe locatie aan te wijzen, wordt deze toegevoegd aan de lijst van aangewezen standplaatslocaties en openbaar bekendgemaakt. Indien de locatie wordt toegevoegd aan de lijst van de artikelen 5.1 en 5.2, wordt de locatie vervolgens overeenkomstig hoofdstuk 8 opengesteld voor mededinging.

 

6. Vergunningen en duur

Standplaatsvergunningen zijn zogenoemde schaarse rechten. Schaarse rechten zijn relevant omdat bestuursorganen deze (bijvoorbeeld een standplaatsvergunning) verdelen: het verlenen van een recht aan de één betekent in omstandigheden van schaarste het niet-verlenen van dat recht aan een ander. Schaarse rechten zijn het onderwerp van recente ontwikkelingen in Europese wetgeving (Dienstenrichtlijn) en Europese en nationale jurisprudentie.

 

Uit de jurisprudentie blijkt dat bestuursorganen die schaarse besluiten verdelen ruimte moeten geven voor mededinging aan gegadigden, door het transparantiebeginsel in acht te nemen. Om gelijke kansen te realiseren moet het bestuursorgaan een passende mate van openbaarheid verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdelingsprocedure, het aanvraagtijdvak en de toe te passen criteria.

 

Volgens zowel Europese als nationale wet- en regelgeving is het niet toegestaan om schaarse vergunningen te verlenen voor onbepaalde tijd. Dit betekent dat schaarse vergunningen altijd voor bepaalde tijd moeten worden verleend. De lijn in de Europese regelgeving en jurisprudentie is dat de schaarse vergunningen voor een passende duur worden verleend. Een passende duur is gekoppeld aan de gemiddelde terugverdientijd voor de investering inclusief een redelijk rendement, oftewel ongeveer 9-11 jaar.1

6.1 Maximale duur

De maximale vergunningsduur bedraagt 12 jaar voor vaste en tijdelijke standplaatsen. Voor jaarlijks terugkerende (seizoens)activiteiten, zoals de verkoop van oliebollen of kerstbomen, bedraagt de vergunningsduur maximaal vijf jaar.

 

Voor nieuwe initiatieven bedoeld onder 5.4 kan het college een vergunning verlenen voor maximaal één jaar. Na evaluatie kan worden besloten de vergunning te verlengen, de locatie aan te wijzen als reguliere standplaatslocatie of de activiteit te beëindigen.

6.2 Bestaande vergunningen

  • Lopende vergunningen met een einddatum blijven geldig tot die datum.

  • Bestaande vergunningen voor onbepaalde tijd worden binnen een redelijke overgangstermijn herzien overeenkomstig dit beleid.

  • Standplaatshouders worden hierover schriftelijk geïnformeerd.

7. Branchering (branches per locatie)

 

7.1 Uitgangspunt

Per locatie geldt een maximumaantal branches om een divers en leefbaar aanbod te garanderen en overconcentratie te voorkomen. Branchering wordt uitsluitend toegepast vanuit ruimtelijke ordening, veiligheid, gezondheid, leefbaarheid en het voorkomen van hinder (zoals geur, geluid en verkeersdruk). Branchering is niet bedoeld als economische regulering of concurrentiebeperking.

 

7.2 Juridische context

De toepassing van branchering bij standplaatsen is juridisch toegestaan indien deze is gebaseerd op dwingende redenen van algemeen belang, zoals leefbaarheid, openbare orde, volksgezondheid, veiligheid en het voorkomen van ruimtelijke en milieuhinder.

 

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State2 volgt dat gemeenten in het kader van hun regulerende bevoegdheden voorwaarden mogen stellen aan het gebruik van de openbare ruimte, mits deze voorwaarden niet zijn gericht op economische ordening, objectief, transparant, vooraf kenbaar en proportioneel zijn.

 

Branchering en frequentiebeperking worden in dit beleid uitsluitend toegepast vanuit het oogpunt van ruimtelijke balans, leefbaarheid, verkeersveiligheid en het voorkomen van overconcentratie van gelijksoortige activiteiten binnen een dorpskern of verzorgingsgebied.

 

Indien een bepaalde branche reeds structureel (bijvoorbeeld wekelijks of meerdere malen per week) op een locatie of binnen een dorpskern aanwezig is, kan het college het maximumaantal standplaatsen binnen een branche beperken indien dit noodzakelijk is vanuit leefbaarheid, verkeersveiligheid, ruimtelijke kwaliteit of het voorkomen van hinder. Deze beperking is niet gericht op economische bescherming van bestaande ondernemers, maar op het voorkomen van ruimtelijke overbelasting, geur- en verkeershinder en een onevenwichtige spreiding van functies in de openbare ruimte.

 

Economische concurrentieverhoudingen vormen geen weigeringsgrond. De aanwezigheid van een winkel of andere ondernemer met een vergelijkbaar assortiment in de nabijheid van een standplaatslocatie is op zichzelf geen reden om een vergunning te weigeren.

 

De in dit beleid opgenomen branchering is uitsluitend gebaseerd op ruimtelijke, veiligheids- en leefbaarheidsaspecten en sluit daarmee aan bij de Europese Dienstenrichtlijn en nationale jurisprudentie, waaronder het Didam-arrest, waarin het belang van gelijke kansen en transparante procedures bij de verdeling van schaarse publieke rechten is bevestigd.

7.3 Systematiek

  • Onder een branche wordt verstaan: verkoop of dienstverlening met een vergelijkbaar productaanbod en een vergelijkbare mate van ruimtelijke, geur- of geluidshinder.

  • Het college stelt de branchering per locatie vast (vis – snacks/frites – kip – ijs – bloemen/planten – noten – brood/banket – maaltijden/internationele keuken – overig).

  • De categorie ‘overig’ is uitsluitend bedoeld voor nieuwe of afwijkende concepten die niet eenduidig onder de aangewezen branches vallen.

  • Per standplaatslocatie kan het college een maximum vaststellen voor het aantal toegestane branches.

  • Indien een branche reeds structureel aanwezig is op een locatie of binnen een dorpskern, kan het college besluiten om aanvragen voor diezelfde branche voor andere dagen of tijdstippen te weigeren zonder toepassing van de vergelijkende selectieprocedure uit artikel 8.

  • Toelating binnen de categorie ‘overig’ leidt niet automatisch tot uitbreiding of aanpassing van de aangewezen branches en schept geen precedentwerking.

8. Toewijzing en verdelingsprocedure

 

8.1 Procedure

  • Vrijkomende standplaatslocaties worden vanaf drie maanden voordat de locatie beschikbaar komt, gepubliceerd via het digitale standplaatsen-dashboard van de gemeente Schagen: www.schagen.nl/standplaats.

  • Bij de bekendmaking wordt vermeld: de locatie, de beschikbare periode en de eventuele branchering.

  • Geïnteresseerden kunnen zich vanaf de datum van publicatie binnen twee weken via de website aanmelden voor de vrijgekomen standplaatslocatie.

  • Aanmeldingen die zijn ingediend buiten de termijn van twee weken worden buiten behandeling gelaten.

  • Aanmeldingen worden ingediend via een door het college vastgesteld aanmeldingsformulier. Een aanmelding bevat in ieder geval gegevens over de aanvrager, de gewenste locatie, de gewenste exploitatieperiode, de aard van de activiteiten en de afmetingen van de standplaats. Het college kan aanvullende gegevens verlangen.

  • Indien meerdere aanmeldingen voor dezelfde locatie: vergelijkende selectie op basis van de selectiecriteria in 8.2 en de daaraan toebedeelde punten.

  • Na afronding van de verdelingsprocedure dient de geselecteerde gegadigde binnen twee weken na de toewijzing een volledige vergunningaanvraag in. Het college neemt de aanvraag in behandeling en beoordeelt deze aanvraag aan de hand van de Apv, dit beleid en overige relevante wet- en regelgeving.

8.2 Selectiecriteria (objectief en toetsbaar)

Objectieve criteria zijn:

 

  • 1.

    Ruimtelijke en technische geschiktheid van de standplaatswagen; (20 punten)

    Beoordeeld wordt in hoeverre de standplaatswagen past binnen de beschikbare ruimte, geen belemmering vormt voor verkeer en voldoet aan geldende ruimtelijke randvoorwaarden. Daarbij wordt mede beoordeeld of de standplaatswagen, kraam of verkoopinrichting verzorgd oogt en qua uitstraling passend is binnen de omgeving en de ruimtelijke kwaliteit van de locatie.

  • 2.

    Geluid en geur (incl. apparatuur); (15 punten)

    Mate waarin geluid en geur worden beperkt, inclusief gebruik van stille apparatuur en effectieve ontgeuringsmaatregelen.

  • 3.

    Brandveiligheid; (15 punten)

    Voldoen aan brandveiligheidseisen, waaronder minimale afstand van 5 meter tot gevels en veilige opstelling van installaties.

  • 4.

    Duurzaamheid (15 punten)

    Gebruik van duurzame energiebronnen, beperking van afval, emissies, aggregaten en houtskool.

  • 5.

    Leefbaarheid & hinderbeperking; (15 punten)

    Maatregelen om overlast voor omwonenden te beperken, waaronder openingstijden, positionering en omgang met bezoekersstromen.

  • 6.

    Netheid & bedrijfsvoering; (10 punten)

    Plan voor schoonhouden van de standplaats en directe omgeving, inclusief afvalafvoer en gladheidsbestrijding.

  • 7.

    Handhavingshistorie (gemeente Schagen); (10 punten)

    Beoordeeld wordt of binnen de gemeente Schagen sprake is geweest van onherroepelijke handhavingssancties. Bij ernstige of herhaalde overtredingen kunnen punten worden afgetrokken of kan de aanvraag buiten beschouwing worden gelaten. Handhavingshistorie wordt uitsluitend betrokken voor zover deze betrekking heeft op onherroepelijke sancties binnen de gemeente Schagen. Deze informatie wordt niet onderling gedeeld tussen ondernemers, maar leidt tot een toets ‘voldoet / voldoet niet’.

8.3 Beoordelingscommissie

  • Een ambtelijke beoordelingscommissie bestaande uit diverse afdelingen kent per criterium punten toe.

  • De puntentoekenning per criterium wordt vooraf inzichtelijk gemaakt in een beoordelingskader dat wordt gepubliceerd via het digitale standplaatsendashboard.

  • Per criterium wordt beschreven welke objectieve indicatoren leiden tot een hogere of lagere score.

  • Indien twee of meer aanvragen een gelijke totaalscore behalen, vindt toewijzing plaats door middel van loting.

  • De beoordelingscommissie brengt een gemotiveerd advies uit.

9. Leefbaarheid, veiligheid en technische eisen

 

9.1 Schoonhouden / gladheidsbestrijding

  • Standplaatshouders zijn verantwoordelijk voor het schoonhouden van de standplaats en de directe omgeving daarvan. Onder directe omgeving wordt verstaan een straal van ten minste 10 meter rondom de standplaats, voor zover de vervuiling redelijkerwijs aan de exploitatie van de standplaats kan worden toegerekend. Onder het schoonhouden wordt in ieder geval verstaan:

    • o

      afval,

    • o

      vetresten,

    • o

      olie,

    • o

      gladheidsbestrijding: de standplaatshouder draagt zorg voor een veilige en toegankelijke standplaats en houdt de directe loopruimte naar en rondom de standplaats vrij van obstakels en, voor zover redelijkerwijs mogelijk, van gladheid.

9.2 Elektriciteit

  • De gemeente verstrekt geen gratis stroom.

  • Op standplaatslocaties waar een gemeentelijke stroomvoorziening aanwezig is, kan het college het elektriciteitsverbruik schatten op basis van het opgegeven vermogen van de gebruikte apparatuur, de gebruiksduur en het aantal exploitatiedagen. Het college kan bepalen dat een tussenmeter wordt geplaatst indien dit noodzakelijk wordt geacht voor een juiste verrekening van de energiekosten.

  • Nieuwe standplaatslocaties worden niet aangewezen voordat een stroomvoorziening beschikbaar is.

9.3 Warmte, geur en veiligheid

  • Ontgeuringsinstallaties of andere geurbeperkende maatregelen kunnen worden voorgeschreven indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van geurhinder.

  • Warme bereidingen zijn niet toegestaan binnen 5 meter van gebouwen. Gasinstallaties, frituurinstallaties en andere warmtebronnen dienen daarnaast te voldoen aan de geldende brandveiligheidsvoorschriften en keuringseisen.

  • Gasinstallaties, frituurinstallaties en andere warmtebronnen dienen te voldoen aan de geldende veiligheidsvoorschriften en keuringseisen.

  • Indien op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of andere milieuregelgeving een melding, vergunning of andere toestemming vereist is, is de vergunninghouder verantwoordelijk voor het voldoen aan deze verplichtingen.

De vergunninghouder dient gedurende de gehele looptijd van de vergunning adequaat verzekerd te zijn tegen wettelijke aansprakelijkheid voor schade aan derden.

 

Indien gebruik wordt gemaakt van elektrische installaties, gasinstallaties, aggregaten of bak- en braadapparatuur dient tevens een passende bedrijfs- en inventarisverzekering aanwezig te zijn. Het college kan verzoeken een geldig verzekeringsbewijs te overleggen.

9.4 Weigerings- en intrekkingsgronden

Naast de gronden in de Apv (o.a. art. 1:6, 1:8 en 5:18) kan een vergunning worden geweigerd of ingetrokken indien:

 

  • De standplaats in strijd is met het geldende omgevingsplan en de benodigde planologische toestemming ontbreekt;

  • structureel niet wordt voldaan aan de eisen uit dit beleid;

  • betalingsverplichtingen (zoals elektriciteit) niet worden nagekomen;

  • ernstige of herhaalde overtredingen plaatsvinden die de leefbaarheid of veiligheid aantasten;

  • geen geldige aansprakelijkheidsverzekering aanwezig is indien deze op grond van dit beleid verplicht is gesteld;

  • van vergunninghouders wordt verwacht dat zij de vergunde standplaats regelmatig innemen. Indien gedurende een aaneengesloten periode van 2 maanden geen gebruik wordt gemaakt van de vergunning zonder geldige reden, kan het college overgaan tot heroverweging of intrekking van de vergunning.

9.5 Vervallen van standplaatslocaties

Indien een standplaatslocatie definitief vervalt door herinrichting, bouw of zwaarwegende publieke belangen, wordt, indien mogelijk, een alternatieve locatie aangeboden. Indien geen alternatief beschikbaar is, bestaat geen automatisch recht op schadevergoeding.

9.6 Toezicht en handhaving

De vergunninghouder is verplicht medewerking te verlenen aan toezicht op de naleving van de vergunningvoorschriften en dit beleid. Bij overtreding kan het college handhavend optreden overeenkomstig de Apv en de Algemene wet bestuursrecht.

9.7 Terrassen en Alcohol

Het ter plaatse nuttigen van consumpties is uitsluitend toegestaan indien dit onderdeel uitmaakt van de verleende vergunning. Het plaatsen van tafels, stoelen, statafels of andere voorzieningen ten behoeve van verblijf van bezoekers is uitsluitend toegestaan met toestemming van het college. Het college kan nadere voorschriften stellen ter voorkoming van hinder, verkeersonveilige situaties en onevenredig gebruik van de openbare ruimte.

Het verstrekken van alcoholhoudende dranken is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan de Alcoholwet en de daarvoor vereiste vergunningen of ontheffingen zijn verleend.

 

10. Tijdelijke verplaatsing van standplaatsen

 

10.1 Redenen

  • Evenementen inclusief op- en afbouw, tenzij er een afspraak wordt gemaakt met de organisator van het betreffende evenement en er ruimte is om te blijven staan.

  • Brandveiligheid / openbare orde.

  • Tijdelijke werkzaamheden in de openbare ruimte (zoals kabelwerk, wegonderhoud of reconstructies)

  • Structurele herinrichting of herontwikkeling van de openbare ruimte (zoals herprofilering, herinrichting van pleinen of gebiedsontwikkeling)

10.2 Afspraken

  • Bij tijdelijke verplaatsing vindt tijdig overleg plaats met de betrokken standplaatshouder.

  • Het college maakt per situatie een zorgvuldige belangenafweging, waarbij zowel het publieke belang als het belang van de vergunninghouder wordt betrokken.

  • Indien redelijkerwijs mogelijk wordt een passende alternatieve locatie aangeboden.

  • Een alternatieve locatie wordt aangemerkt als passend indien:

    • o

      Deze zich in de nabijheid van de oorspronkelijke standplaatslocatie bevindt;

    • o

      Voldoende fysieke ruimte aanwezig is voor een veilige opstelling;

    • o

      Technische voorzieningen (zoals elektriciteit) beschikbaar of realiseerbaar zijn;

    • o

      Geen onevenredige hinder voor verkeer, omwonenden of ondernemers ontstaat.

  • Indien redelijkerwijs geen passende alternatieve locatie beschikbaar is, bestaat geen recht op schadevergoeding of vervangende exploitatiemogelijkheid.

11. Standplaatsen op niet-gemeentelijke grond

Voor standplaatsen op niet-gemeentelijke grond kan een standplaatsvergunning vereist zijn indien sprake is van een voor publiek toegankelijke verkoop- of dienstverlening vanaf een vaste of mobiele voorziening. De aanvrager dient aan te tonen dat de eigenaar van de betreffende grond toestemming heeft verleend voor het gebruik van de locatie als standplaats. Voor alle standplaatsen, ongeacht of deze zich bevinden op gemeentelijke of niet-gemeentelijke grond, geldt dat moet worden voldaan aan het geldende omgevingsplan en overige toepasselijke wet- en regelgeving. Indien daarnaast een omgevingsvergunning of andere toestemming vereist is, dient de aanvrager hier zelf zorg voor te dragen. Per aanvraag beoordeelt het college welke vergunningen en toestemmingen noodzakelijk zijn.

 

12. Overgangsrecht

Op aanvragen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van dit beleid en waarop nog niet is beslist, wordt dit beleid toegepast.

 

Voor bestaande vergunningen geldt het overgangsrecht zoals opgenomen in artikel 6.2.

 

13. Slotbepalingen

Dit standplaatsenbeleid treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij bekend is gemaakt. Het standplaatsenbeleid 2024 wordt gelijktijdig ingetrokken.


1

SEO Economisch Onderzoek, herijking 2024: 8-11 jaar.

2

Zie o.a. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927 (regulering gebruik openbare ruimte ter bescherming van leefbaarheid en veiligheid); Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2062 (toelaatbaarheid van beperkingen ter voorkoming van ruimtelijke en milieuhinder); Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374 (vereiste van objectieve, transparante en evenredige beleidscriteria).

Naar boven