Gemeenteblad van Voorst
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Voorst | Gemeenteblad 2026, 344128 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Voorst | Gemeenteblad 2026, 344128 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Het college van burgemeester en wethouders van Gemeente Voorst
gelezen de tekstinhoud van de ”Omgevingsvisie gemeente Voorst”
gelet op artikel 3.1 van de Omgevingswet en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht;
overwegende dat:
op grond van artikel 3.1 lid 1 van de Omgevingswet de gemeenteraad een omgevingsvisie vaststelt voor de fysieke leefomgeving;
de gemeente Voorst een omgevingsvisie heeft opgesteld, waarin de gewenste ontwikkeling van de gemeente Voorst richting 2050 is vastgelegd, onder meer op het gebied van wonen, werken, verkeer, landschap, economie, klimaat en recreatie;
deze omgevingsvisie in samenspraak met inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners en andere betrokkenen tot stand is gekomen;
in 2025 een analyse is uitgevoerd van de bestaande situatie en de voornaamste opgaven voor de toekomst, vastgelegd in het ‘Portret van de gemeente Voorst’;
op basis hiervan, en met inbreng van de samenleving, de koers richting 2050 is bepaald en uitgewerkt in een hoofdlijnennotitie met kernambities;
in mei en juni 2026 participatie heeft plaatsgevonden over de gebiedsgerichte uitwerkingen en de visiekaart;
de resultaten van deze participatie zijn betrokken bij de totstandkoming van de ontwerp omgevingsvisie, waarin gebiedsgerichte keuzes en een integrale visiekaart zijn opgenomen;
gedurende het proces van de ontwerp omgevingsvisie een omgevingseffectenscan is uitgevoerd, waarin de mogelijke milieu en omgevingseffecten van de keuzes en ambities in de omgevingsvisie en het doelbereik van het beleid kwalitatief zijn beoordeeld, en dat de bevindingen uit deze scan zijn benut bij het aanscherpen van de ontwerp omgevingsvisie;
de ontwerp omgevingsvisie een voorlopig karakter heeft en na verwerking van eventuele zienswijzen ter vaststelling zal worden aangeboden aan de gemeenteraad;
de ontwerp omgevingsvisie met de daarop betrekking hebbende stukken overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gedurende ten minste zes weken ter inzage wordt gelegd, waarbij is besloten de inzagetermijn te verlengen, aangezien deze periode deels samenvalt met de zomervakantie, zodat iedereen voldoende gelegenheid heeft om hun zienswijze kenbaar te maken;
van deze terinzagelegging kennis wordt gegeven via het Gemeenteblad en de gebruikelijke gemeentelijke publicatiekanalen;
besluit:
Het ontwerp van de "Omgevingsvisie gemeente Voorst" zoals opgenomen in Bijlage A met de daarop betrekking hebbende stukken, ter inzage te leggen voor de duur van acht weken, aangezien deze periode deels samenvalt met de zomervakantie, teneinde een ieder voldoende gelegenheid te stellen een zienswijze naar voren te brengen.
Van de terinzagelegging, de termijn voor terinzagelegging en de mogelijkheid om te reageren wordt kennis gegeven in het gemeenteblad en lokale huis-aan-huisbladen.
Aldus vastgesteld door Gemeente Voorst, 14 juli 2026
Twello, 14 juli 2026
Paula Jorritsma-Verkade
burgemeester
Lisette Wolbers-Cents
secretaris
Deze omgevingsvisie laat zien hoe gemeente Voorst eruit wil zien in 2050. De leefomgeving met de dorpen en haar buitengebied verandert en de ambities daarvoor zijn vastgelegd in deze visie. Diverse thema’s komen hierin samen, zoals wonen, economie, gezondheid, energie, landschap, klimaat en natuur. Dit document biedt houvast voor de ruimtelijke keuzes en ontwikkelingen, in samenhang met de sociale opgaven, van de komende jaren. De omgevingsvisie is samen met inwoners, stakeholders, dorpsbelangenorganisaties, ondernemers en regionale partners tot stand gekomen. Samen dragen we bij aan een prettig Voorst in 2050!
Toekomstverhaal
In 2050 is Voorst sterker dan ooit het groene hart van de stedendriehoek. Haar landelijke en dorpse identiteit is versterkt door de ontwikkelingen van de laatste jaren. De dorpen hebben groei doorgemaakt, passend bij hun schaal, waarbij ruimte voor ontmoeting een belangrijke pijler is geweest. De dorpsgemeenschappen zijn divers en samenredzaam. In het buitengebied zijn landschappelijke en historische structuren aangezet, waardoor ook de vrijetijdseconomie in Voorst is gegroeid. Rondom stations hebben ontwikkelingen plaatsgevonden met woningen en ruimte voor midden- en kleinbedrijf (MKB) en is meer ruimte ontstaan voor verschillende vormen van vervoer, zoals (deel)fietsen en deelauto’s. De aandacht voor het klimaat heeft zijn vruchten afgeworpen, met duurzame energieopwek is Voorst energieneutraal geworden. Bedrijven zijn klimaatneutraal, de agrarische sector is duurzamer geworden en, De Kar is belangrijk voor de circulaire economie van de regio door de innovatieve afvalverwerking en gerelateerde bedrijvigheid. Het water- en bodemsysteem vormde de basis bij alle ontwikkelingen.
Lees het volledige toekomstverhaal in hoofdstuk 2.
Kernambities
Als houvast voor de toekomst van Voorst zijn er drie kernambities opgesteld.
1. *Sterke kernen, goed wonen*: we bouwen aan dorpen waar iedereen zich thuis voelt.
De gemeente Voorst blijft aantrekkelijk door een evenwicht tussen sterke dorpse ontwikkeling en behoud en versterking van het landschap. Bij de bouw van 3.000 woningen is er extra aandacht voor starters en ouderen. Daardoor bestaat de bevolking in 2050 uit alle leeftijdscategorieën. Jong en oud kijken naar elkaar om. Een goede verdeling van voorzieningen en ontmoetingsplekken draagt bij aan een prettige woonomgeving. Inwoners kunnen zich samen goed redden en helpen elkaar waar nodig.
2. *Toekomstgericht werken en ondernemen*: duurzaam ondernemen is belangrijk voor een gezonde economie. De gemeente Voorst wil verder bouwen aan vier belangrijke onderdelen: vrijetijdseconomie, passend ondernemen in het landelijk gebied, ondernemende dorpen en sterk midden- en kleinbedrijf. Zo ontstaan toekomstbestendige bedrijventerreinen, dorpscentra en een sterk buitengebied met toekomstbestendige landbouwbedrijven. De bereikbaarheid is verbeterd door betere vervoersknooppunten waar verschillende vormen van vervoer samenkomen, vernieuwde stationsgebieden en veranderingen in hoe we reizen. In 2050 is de gemeente grotendeels klimaatneutraal en klimaatbestendig, dankzij lokale, door inwoners gedragen energieopwekking die in het landschap past en het landschap waar mogelijk versterkt.
3. *Landschap als drager van de leefomgeving*: we werken aan een duurzaam buitengebied en maken ons landschap nog aantrekkelijker en zorgen dat iedereen ervan kan genieten. Het landschappelijke en cultuurhistorische karakter zijn het vertrekpunt bij nieuwe ruimtelijke plannen. Binnen de gemeente is goed naar de onderscheidende gebieden en de bijbehorende kwaliteiten. Hierdoor zijn zowel de dorpen als de natuur en het landschap versterkt.
Lees meer over de kernambities in hoofdstuk 3.
Gebiedsgerichte uitwerkingen
De gemeente Voorst bestaat uit 12 dorpen en een divers buitengebied, met ieder hun eigen kwaliteiten en opgaven. Daarom zijn de kernambities vertaald in ruimtelijke keuzes voor elk deelgebied. In de omgevingsvisie worden de volgende deelgebieden onderscheiden:
Centrumdorp: Twello
Middelgrote dorpen: Klarenbeek, Terwolde, Voorst
Dorpen: Bussloo, De Vecht, Nijbroek, Posterenk, Steenenkamer, Teuge, Wilp, Wilp-Achterhoek
Werklocaties: bedrijventerreinen, De Kar en luchthaven Teuge
Groene buffer
Mozaïeklandschap
Agrarisch landschap
IJssellandschap
Lees meer over de gebiedsgerichte uitwerkingen per deelgebied in hoofdstuk 4.
Uitvoering
Met deze omgevingsvisie zetten we, samen met inwoners, ondernemers, partners en organisaties, koers richting de leefomgeving van de gemeente Voorst in 2050. De uitvoering van de ambities en keuzes in de omgevingsvisie kunnen we als gemeente niet alleen. Hierin hebben we als gemeente een rol, maar werken we ook samen met andere partijen. In de uitvoering van de omgevingsvisie beschikt de gemeente onder de omgevingsvisie over een ‘gereedschapskist’ met middelen, zoals omgevingsprogramma’s en het omgevingsplan.
Lees meer over de uitvoering van de omgevingsvisie in hoofdstuk 5.
Voorst is een groene gemeente waar mensen graag wonen, werken en ontspannen. Het buitengebied omvat een verscheidenheid aan landschappen met een rijke cultuurhistorie, waarin de rust en het groen grote kwaliteiten zijn van de gemeente Voorst. Als het groene hart van de Stedendriehoek zijn Apeldoorn, Deventer en Zutphen vlakbij. De dorpen van de gemeente scoren goed op het gebied van leefbaarheid. Lokale ondernemers profiteren van de goede bereikbaarheid en geven de gemeente economische kracht.
Ondanks deze ruimtelijke kwaliteiten staat Voorst ook voor een aantal grote maatschappelijke en ruimtelijke opgaven richting de toekomst. Zo is er een grote vraag naar passende en betaalbare woningen voor diverse doelgroepen. Ook demografische ontwikkelingen, zoals de toenemende vergrijzing, stellen eisen aan de leefomgeving, voorzieningen en samenredzaamheid. In het buitengebied moet de agrarische sector een omslag maken naar een duurzamere vorm van landbouw. Tegelijkertijd vragen ook klimaatadaptatie, waterveiligheid, natuur en recreatie om de ruimte in het buitengebied. Daarnaast is uitbreidingsruimte en ruimte voor verplaatsing nodig voor de bedrijventerreinen in de gemeente en vraagt de energietransitie ook om meer ruimte.
Om die ruimtelijke opgaven te beantwoorden, moeten er nu keuzes gemaakt worden. Het jaar 2050 lijkt nog ver weg, maar is in termen van ruimtelijke ontwikkeling heel dichtbij. Met de blik op 2050 beredeneren we terug naar de keuzes die we daarvoor in de nabije toekomst moeten maken. Hierbij vormt het beschermen van de unieke kwaliteiten van de gemeente Voorst het vertrekpunt. Op die manier is Voorst ook in 2050 een gemeente waar fijn wordt gewoond, gewerkt en gerecreëerd.

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht gegaan. De Omgevingswet gaat over de ruimte waarin mensen wonen, werken en ontspannen. In de basis is het een bundeling van een groot aantal voorgaande wetten en regelingen over de fysieke leefomgeving. En veel belangrijker nog: de wet biedt lokale overheden meer integrale afwegingsruimte in regels en beleid en dus meer mogelijkheden om in overleg te gaan over plannen en initiatieven. Onderdeel van de Omgevingswet is de verplichting voor alle Nederlandse gemeenten om voor 1 januari 2027 een omgevingsvisie op te stellen.
Een omgevingsvisie is een strategische visie op hoofdlijnen. Het is gericht op de lange termijn en geldt voor het hele grondgebied van de gemeente. Het is een integrale visie, dat betekent dat ambities en beleidsdoelen over ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, economie, natuur, water en meer worden gebundeld. De omgevingsvisie van de gemeente Voorst zet de koers voor de toekomst van de dorpen, buurten en het buitengebied. Het geeft antwoord op de vraag: wat voor gemeente wil Voorst zijn in 2050?
De omgevingsvisie van de gemeente Voorst is zelfbindend. Dit betekent dat het een afspraak is van de gemeente met zichzelf. Het is een verplichting voor de gemeente, maar (nog) niet voor inwoners of ondernemers. In beginsel heeft het geen gevolgen voor bestaande rechten, maar het vormt wel toetsingskader dat bij nieuwe initiatieven of ruimtelijke ontwikkelingen wordt toegepast. Tegelijkertijd staat de omgevingsvisie van de gemeente Voorst niet op zichzelf. Veel opgaven waar Voorst aan werkt, overstijgen gemeentegrenzen en vragen om samenwerking met buurgemeenten, de regio, de provincie, het waterschap en het Rijk. Deze omgevingsvisie is dan ook gevoed door de nationale omgevingsvisie, de omgevingsvisie van provincie Gelderland en regionale beleidsstukken. Daarnaast heeft gemeente Voorst op verschillende terreinen al beleid opgesteld, zoals het Programma Landelijk Gebied en de Ruimtelijke Toekomstvisie. Al deze documenten hebben bijgedragen aan deze omgevingsvisie. De samenhang is schematisch weergegeven in Figuur 1.

De wereld om ons heen is constant in beweging. We kunnen op voorhand niet alle ontwikkelingen en opgaven van de komende jaren in beeld hebben. Daarom is deze omgevingsvisie tot stand gekomen binnen de context van het hier en nu. Net als de wereld is de omgevingsvisie nooit af. Daarom is de omgevingsvisie geen blauwdruk, maar een dynamisch document. De doelen en ambities kunnen in de loop van tijd worden bijgesteld wanneer de situatie erom vraagt. In hoofdstuk 5 is meer te lezen over hoe de gemeente Voorst hiermee omgaat.
Deze omgevingsvisie is tot stand gekomen in verschillende fases. Voorafgaand aan de inhoudelijke start van het traject is een Plan van Aanpak opgesteld. Hierin werd vastgelegd hoe het proces werd doorlopen en wie op welk moment werd betrokken. De drie fases waarin de omgevingsvisie van de gemeente Voorst vervolgens is ontwikkeld zijn weergegeven in Figuur 2.

De eerste fase stond in het teken van het verdiepen van de opgaven en het duiden van de kwaliteiten van de leefomgeving van Voorst. Het resultaat van deze analysefase is samengevat in het 'Portret van de gemeente Voorst', een uitgangspuntennotitie waarin belangrijke vraagstukken worden benoemd waarop de omgevingsvisie antwoord diende te geven.
De uitgangspuntennotitie vormde het vertrekpunt voor de tweede fase, waarin we de ambitie en gewenste koers hebben bepaald. Om richtingen te verkennen voor de gewenste toekomst, is gebruikgemaakt van drie integrale toekomstscenario’s voor de leefomgeving van de gemeente Voorst in 2050. De toekomstscenario’s vormden gedurende deze fase het instrument voor gesprekken met de samenleving, stakeholders en ketenpartners, de ambtelijke organisatie, het college en de gemeenteraad. Met de uitkomsten daarvan is het toekomstverhaal voor Voorst in 2050 opgesteld. Dit is samen met drie kernambities vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie. Het toekomstverhaal en de drie kernambities zijn in dit document terug te vinden in hoofdstuk 2 en 3.
De hoofdlijnennotitie vormde de basis voor de laatste fase. In deze fase zijn de kernambities uit de Hoofdlijnennotitie vertaald naar een gemeentebrede visiekaart. Onderdeel hiervan was onder andere het definiëren van een passende gebiedsindeling voor gebiedsgerichte uitwerkingen. Er zijn 8 deelgebieden gedefinieerd, waarna de kernambities zijn vertaald in ruimtelijke keuzes per deelgebied. Deze keuzes zijn vervolgens besproken met de samenleving, stakeholders en ketenpartners, de ambtelijke organisatie, het college en de gemeenteraad. De gebiedsgerichte uitwerkingen vindt u in dit document terug in hoofdstuk 4.
Ten slotte is het uitvoeringshoofdstuk vormgegeven, waarin wordt beschreven hoe de gemeente Voorst in de uitvoering van de ambities uit de omgevingsvisie haar rol als gemeente, de samenwerking met andere partijen, het vernieuwde instrumentarium onder de Omgevingswet en de uitvoerbaarheid van deze plannen ziet. Meer over de uitvoering is terug te vinden in hoofdstuk 5.
Gedurende het proces van de omgevingsvisie zijn de milieu- en omgevingseffecten van de keuzes en ambities in de omgevingsvisie beoordeeld aan de hand van een Omgevingseffectenscan.
Een Omgevingseffectenscan is een kwalitatief onderzoek naar de mogelijke milieu- en omgevingseffecten en in hoeverre de keuzes in de omgevingsvisie leiden tot het behalen van de geformuleerde doelen (het doelbereik).
Daarvoor is eerst een leefomgevingsfoto opgesteld. Hierin is de ‘nulsituatie’ beschreven op het gebied van milieu- en omgevingseffecten. Het is een beoordeling van de huidige situatie en het effect van autonome ontwikkelingen. Dit is in de omgevingseffectenscan de ‘referentiesituatie’.
Op basis hiervan is de impact van het beleid van de omgevingsvisie op de milieu- en omgevingseffecten ten opzichte van de referentiesituatie beoordeeld.
Daarnaast wordt ook het doelbereik van de omgevingsvisie geanalyseerd. Dit betekent dat de gestelde ambities worden vergeleken met het beleid uit de omgevingsvisie. Zo wordt inschatting gemaakt hoe waarschijnlijk is dat de doelen uit de omgevingsvisie daadwerkelijk kunnen worden geanalyseerd.
De omgevingseffectenscan biedt waardevolle informatie met betrekking tot de milieu- en omgevingseffecten. Gedurende het proces zijn de bevindingen uit deze scan gebruikt om de omgevingsvisie aan te scherpen, bijvoorbeeld om ongewenste milieu-effecten te mitigeren of om het doelbereik te vergroten. Hierbij is een overzicht gemaakt van de Overzicht aanpassingen naar aanleiding van de omgevingseffectenscan.
Daarnaast is de omgevingseffectenscan een belangrijk document voor bestuur en politiek in de afwegingen, keuzes en besluitvorming over de omgevingsvisie.
De gemeente Voorst beschouwt de omgevingsvisie als een verhaal van ons allemaal. Daarom is er gedurende de drie fasen van het ontwikkelproces van de omgevingsvisie om input gevraagd aan belanghebbenden in Voorst. Inwoners, ondernemers, stakeholders en ketenpartners, ondernemersverenigingen, dorpsbelangenorganisaties, maatschappelijke organisaties, omliggende gemeenten en de ambtelijke organisatie zijn geconsulteerd om tot een passende visie te komen voor Voorst in 2050. Op verschillende momenten en met diverse methoden zijn deze groepen betrokken. Hun kennis is heel waardevol gebleken in het opstellen van deze omgevingsvisie. In dit hoofdstuk geven we een korte impressie van het proces. De resultaten van het participatieproces rondom het opstellen van de omgevingsvisie zijn terug te vinden in de Nota van Participatie .
In de eerste fase werden opbrengsten uit eerdere participatietrajecten gebruikt als basis voor de analyse van Voorst. Ook hebben er 3 ambtelijke groepsinterviews plaatsgevonden, waarmee nadere verdieping en duiding werd gegeven aan het Portret van Voorst. De gemeenteraad en het college werden meegenomen in de bevindingen uit deze fase.
In de tweede fase van het proces (koers bepalen) is het gesprek aangegaan met verschillende doelgroepen over de gewenste koers voor de gemeente. Tijdens de eerste Dag van Voorst op 4 november 2025 gingen circa 35 ketenpartners, ondernemersverenigingen, maatschappelijke organisaties en dorpsbelangenorganisaties in gesprek tijdens een interactief werkatelier. Aansluitend bezocht een grote groep van circa 180 inwoners en ondernemers ‘s avonds een inloopbijeenkomst, waarin ook zij hun reactie op de drie toekomstscenario’s mee hebben gegeven. Daarnaast deelden inwoners in deze fase hun mening via het invullen van twee digitale peilingen. 501 mensen gaven hun mening op vragenlijst via het inwonerpanel Voorst Spreekt en 423 mensen spraken zich uit met de online tool Swipocratie. Tot slot gingen ook leerlingen van het Zone.college in Twello tijdens een gastles met elkaar in gesprek over dilemma’s voor de fysieke leefomgeving. Ook het college en de gemeenteraad werden tijdens deze fase geïnformeerd.

In de derde fase werden de gebiedsgerichte uitwerkingen voorgelegd. Tijdens het tweede werkatelier met ketenpartners en stakeholders op 11 mei 2026 werd een korte presentatie gegeven over de concept-omgevingsvisie en haar deelgebieden aan ketenpartners, stakeholders, ondernemersverenigingen, maatschappelijke organisaties en dorpsbelangenorganisaties. Hierna gingen zij in deelgroepen uiteen om hun reactie te geven op de ruimtelijke keuzes per deelgebied. Op 2 en 3 juni vonden, ook in het kader van de tweede Dag van Voorst, respectievelijk in Terwolde en Bussloo, inloopbijeenkomsten plaats voor inwoners en ondernemers. Ook zij kregen een korte presentatie over de gebiedsgerichte uitwerkingen en konden daarna per deelgebied op een posterpaneel hun feedback geven op de voorgestelde keuzes. Daarnaast kregen zij de gelegenheid om schriftelijke reacties in te dienen, waarop in de Nota van Participatie wordt gereageerd. Ten slotte zijn ook in deze fase het college en de gemeenteraad meegenomen in de gebiedsgerichte uitwerkingen.
De gemeente Voorst zet met deze omgevingsvisie in op een toekomstbestendige leefomgeving in 2050. Als vertrekpunt hiervoor is een viertal overkoepelende leidende principes gehanteerd om ontwikkelingen en initiatieven te beoordelen. Deze afwegingsprincipes zijn niet nieuw en sluiten aan bij de doelen van de Omgevingswet en de principes die het Rijk in de Nota Ruimte voorschrijft. Ook kennen ze duidelijke raakvlakken met de waarden en sturende principes uit de Kadernota vernieuwing omgevingsvisie van de Provincie Gelderland.
Het gaat hierbij om de volgende 4 leidende principes:
Gebiedskenmerken centraal: Ruimtelijke ontwikkelingen vinden altijd plaats in een bestaande context. De kenmerken en identiteit van een gebied vormen het uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen. Daarbij gaat het zowel over de kenmerken van de fysieke leefomgeving, als over hetgeen dat de lokale samenleving karakteriseert. Het uitgangspunt is om met nieuwe ontwikkelingen voort te bouwen op dat wat er al is en hiermee de bestaande context te versterken.
Meervoudig ruimtegebruik: Ruimte is schaars en waardevol. Verschillende ruimteclaims passen niet altijd zomaar binnen de gemeentegrenzen van Voorst en niet alles kan overal. Dit daagt uit om op zoek te gaan naar manieren waarop de beschikbare ruimte zo goed en efficiënt mogelijk kan worden gebruikt. Er wordt gestreefd naar het benutten van koppelkansen, waarbinnen verschillende functies elkaar versterken. Het bewaken van een goede omgevingskwaliteit staat hierbij centraal.
Afwentelen voorkomen: De gemeente Voorst neemt verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke en maatschappelijke opgaven die nu en in de toekomst spelen. Dit vraagt ook om zorgvuldig aandacht voor eventuele negatieve effecten die ingrepen in landgebruik, op de korte én de lange termijn, met zich mee kunnen brengen. Het streven is om negatieve effecten zo veel mogelijk in te perken en problemen niet door te schuiven naar elders of naar toekomstige generaties.
Veilige en gezonde leefomgeving: In het kader van de Omgevingswet draagt de gemeente Voorst zorg voor een veilige en gezonde leefomgeving. Bij de inrichting van de fysieke leefomgeving vormt de bescherming én de bevordering van gezondheid en veiligheid een belangrijk afwegingsaspect binnen visie- en planvorming. Om gezondheid en (fysieke) veiligheid te borgen werkt de gemeente nauw samen met onze ketenpartners GGD Noord- en Oost Gelderland, de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland (VNOG) en de Omgevingsdienst Veluwe (ODV). In het vormgeven aan een veilige en gezonde leefomgeving vormen de door de ketenpartners opgestelde kernwaarden voor een veilige en gezonde leefomgeving belangrijke randvoorwaarden.
In dit eerste inleidende hoofdstuk is kort beschreven wat een omgevingsvisie is, waarom deze belangrijk is voor de toekomst van onze gemeente en met welk proces de omgevingsvisie tot stand is gekomen. Hierna volgen nog de hoofdstukken waarin het inhoudelijke deel van de omgevingsvisie wordt beschreven. In hoofdstuk 2 is het toekomstverhaal voor de gemeente Voorst geschetst. De drie strategische kernambities voor 2050 worden nader toegelicht in hoofdstuk 3, inclusief de vertaling van deze kernambities naar de gemeentebrede visiekaart. Deze kernambities zijn vervolgens in hoofdstuk 4 gebiedsgericht uitgewerkt per deelgebied. In hoofdstuk 5 wordt ten slotte beschreven hoe wij als gemeente uitvoering willen geven aan de keuzes en ambities uit de omgevingsvisie. In de bijlagen zijn achtereenvolgens de Begrippenlijst (Bijlage 1), het Portret van de gemeente Voorst, de Hoofdlijnennotitie, de Nota van Participatie, de Omgevingseffectenscan en het Overzicht aanpassingen naar aanleiding van de omgevingseffectenscan bijgevoegd.
In dit hoofdstuk schetsen we ons toekomstverhaal. Het schetst de gewenste identiteit en ambities van Voorst op de lange termijn. Wat voor gemeente willen we zijn in 2050? Door vanuit dit toekomstperspectief te schrijven, geven we een duidelijke richting aan onze keuzes en ambities.
We verplaatsen ons voor een moment naar het jaar 2050. Als we terugblikken op de afgelopen decennia en waar we nu staan, kunnen we met trots stellen dat we diverse maatschappelijke en ruimtelijke opgaven voortvarend hebben opgepakt vanuit onze kwaliteiten: een gevarieerd landschap, bijzonder cultureel erfgoed, de dorpse schaal van de kernen en een krachtige sociale samenhang. In het jaar 2050 heeft de gemeente Voorst haar positie als het *groene hart* binnen de Stedendriehoek vastgehouden en verstevigd. De gemeente Voorst heeft met succes een *balans* gevonden tussen *passende groei* en het onvoorwaardelijke behoud en de versterking van haar *landelijke en dorpse identiteit*. Het landschappelijke, agrarische en cultuurhistorische karakter vormt de absolute basis voor elke ontwikkeling die de afgelopen decennia is doorgevoerd.
Dit evenwicht, samengevat in *sterke dorpse ontwikkeling*, met behoud en versterking van het landschap, heeft ervoor gezorgd dat Voorst nog altijd een zeer aantrekkelijke gemeente is om in te wonen, werken en recreëren. De dorpen zijn levendig, en er is ruim ingezet op betaalbaar, goed en duurzaam wonen, met specifieke aandacht voor starters en senioren. Door de bouw van circa *3.000 woningen*, met de grootste ontwikkeling in centrumdorp Twello, gevolgd door Voorst, Klarenbeek en Terwolde, is de bevolkingsopbouw divers gebleven, de doorstroming gestimuleerd en neemt de gemeente Voorst haar verantwoordelijkheid in de woningbouwtaakstelling. In de overige kernen is met *proportionele in- en uitbreidingen* het dorpse karakter juist versterkt. Wonen en recreëren in het groen is populair bij verschillende doelgroepen. Het trekt onder meer jonge huishoudens aan die van buiten de regio komen. Hun komst is belangrijk voor de *sociale vitaliteit*. Investeringen op onder andere het gebied van verduurzaming en klimaatadaptatie, zowel bij nieuwbouw als in de bestaande woningvoorraad, hebben bijgedragen aan het imago van fijn en *toekomstbestendig wonen*.
De *leefbaarheid* in de gemeente is goed gewaarborgd door onder andere een duidelijke verdeling van voorzieningen. Twello vervult een *centrumfunctie* met een compleet aanbod. In de middelgrote dorpen Voorst, Klarenbeek en Terwolde is een *stevig basisniveau* behouden; denk hierbij aan zorgpunten, basisscholen, ontmoetingsplekken en waar mogelijk een supermarkt. In de overige dorpen vormen *ontmoetingsplekken* het hart van de gemeenschap, terwijl andere diensten dankzij goede verbindingen gemakkelijk bereikbaar zijn. Door actief te werken aan deze stevige *sociale basis* is de sociale samenredzaamheid in de hele gemeente versterkt. In plaats van nieuwe systemen te bouwen, zijn we de kracht van bestaande gemeenschappen en *lokaal ondernemerschap* nog meer gaan gebruiken. Door te focussen op relaties en zichtbaar te maken wat er al in de samenleving aanwezig was, ontstond een netwerk dat zichzelf nu grotendeels onderhoudt. Dit is essentieel om in alle dorpen prettig te kunnen wonen en oud(er) te worden. Door *compact* en *betaalbaar* te bouwen in de dorpen, is voldoende ruimte behouden voor groen en waterberging. Dit draagt wat direct bij aan een *klimaatrobuuste inrichting* van de openbare ruimte. Groene plekken in de dorpen en het omringende landschap nodigen uit tot ontmoeting, ontspanning en beweging. Inwoners en bezoekers komen hier graag om te genieten van de pracht van het omliggende landschap en haar rijke geschiedenis.
Op het gebied van bereikbaarheid zijn de *stationsomgevingen* in Twello, Klarenbeek en Voorst-Empe getransformeerd tot *multifunctionele vervoersknooppunten*. De mobiliteitstransitie is ingezet met een duidelijke focus op lopen, fietsen en openbaar vervoer. Hoewel de autoafhankelijkheid in het landelijke gebied wordt erkend en de overgang naar elektrificatie is gestimuleerd, zijn de dorpscentra primair ingericht voor voetgangers en fietsers, met slimme oplossingen voor minder mobiele bewoners en lokale ondernemers dankzij de aanwezigheid van *(mobiliteits)hubs*.
Economisch gezien heeft Voorst ingezet op een duurzame doorontwikkeling van vier sterke pijlers: *een sterk MKB*, *ondernemen in het landelijk gebied*, *ondernemende dorpen* en de *vrijetijdseconomie. Grootschalige (XXL) bedrijvigheid past niet in de schaal van het Voorster landschap en wordt niet gefaciliteerd. Bedrijfslocaties in het gebied De Kar hebben zich ontwikkeld tot een regionale hub voor de *circulaire economie*. De realisatie van de gemeente Voorst als groen hart vraagt om een stevig fundament. Door recreatie nadrukkelijker als economische drager te verankeren, creëren we de noodzakelijke middelen om ons groene karakter te versterken en te behouden. Een vitaal en leefbaar buitengebied betekent in de gemeente Voorst al van oudsher de aanwezigheid van een gezonde, *toekomstbestendige agrarische sector*. De sector heeft een geleidelijke, maar grondige transitie doorlopen. Anno 2050 is de landbouw grotendeels verduurzaamd. De bedrijfsmodellen zijn toekomstbestendig en bieden agrariërs een goed en stabiel inkomen. Tegelijkertijd ontzien deze modellen het watersysteem, bodem en biodiversiteit.
De gemeente is streeft ernaar in 2050 volledig *klimaatneutraal* en *klimaatbestendig* te zijn. De opwekking van duurzame energie is voornamelijk lokaal en gekoppeld aan de lokale vraag (energy hubs), waarbij landschappelijke inpassing altijd leidend is geweest met oog voor lokaal draagvlak. Het uitgangspunt is dat driekwart van de energievraag duurzaam wordt opgewekt binnen de gemeente en de overige duurzame energie wordt ingekocht. De gemeente Voorst hanteert het leidende principe dat het water- en bodemsysteem en het landschap, met zijn cultuurhistorische waarden, de *fundamentele dragers* zijn voor alle ruimtelijke ingrepen. Daarnaast geldt het principe *'Groen groeit mee'* aan de dorpsranden. Door een integrale afweging van conflicterende ruimtelijke belangen en de inrichting van zones zoals de groene buffer en het mozaïeklandschap, heeft Voorst een passende en elkaar versterkende ruimtelijke invulling gekregen, die bijvoorbeeld zowel de verstedelijkingsopgave van de regio Stedendriehoek als de Natura2000-doelen bij de IJssel dient.
Kortom, in 2050 is de gemeente Voorst een duurzame en verbonden plek waar het prettig leven is. Wij bewijzen dat welvaart, een groene en kwalitatieve omgeving en een fijne woonplek hand in hand gaan en elkaar zelfs versterken.
Om dit te bereiken, richten we ons op drie centrale en even belangrijke kernambities:
*Sterke kernen, goed wonen*: we bouwen aan dorpen waar iedereen zich thuis voelt.
*Toekomstgericht werken en ondernemen*: duurzaam ondernemen staat centraal in een gezonde economie.
*Landschap als drager van de leefomgeving*: we versterken de natuur en maken ons landschap beleefbaar voor iedereen.
Deze kernambities zijn verder uitgewerkt in hoofdstuk 3.
In Hoofdstuk 2 hebben we het toekomstverhaal voor de gemeente Voorst in 2050 geschetst. Hierin beschrijven we hoe we willen dat onze gemeente er in 2050 uitziet. Om deze visie daadwerkelijk te realiseren en een antwoord te formuleren op de opgaven die we eerder in het 'Portret van de gemeente Voorst' (september 2025) hebben benoemd, is het noodzakelijk om richtinggevende, strategische keuzes te maken.
In dit hoofdstuk zijn de drie integrale strategische kernambities uitgewerkt:
Sterke kernen, goed wonen
Toekomstgericht werken en ondernemen
Landschap als drager van de leefomgeving

De gemeente Voorst blijft aantrekkelijk door een evenwicht tussen sterke dorpse ontwikkeling en behoud van het landschap. Door de bouw van 3.000 woningen is in 2050 de bevolkingsopbouw divers gebleven en de sociale vitaliteit versterkt, met specifieke aandacht voor starters en senioren. De leefbaarheid is gewaarborgd door onder andere een goede verdeling van voorzieningen en ontmoetingsplekken, wat de sociale samenredzaamheid vergroot.
Ons centrale uitgangspunt blijft het behouden van *verstedelijking in balans*: sterke dorpse ontwikkeling, met behoud en versterking van het landschap. Bij groei ligt in eerste instantie de focus op inbreiding en verdichting. In het geval van uitbreiding zetten we nadrukkelijk in op het *‘Groen groeit mee’-principe*. Dit houdt in dat bij een nieuwe uitbreiding niet alleen wordt bijgebouwd, maar er ook direct geïnvesteerd wordt in het verbeteren, uitbreiden en vergroten van de kwaliteit van het groen, onder andere in het kader van het werken aan doelen vanuit de Natuurherstelwet. Zo zorgen we ervoor dat woningbouw hand in hand gaat met versterking van het landschap, cultuurhistorie en de biodiversiteit in datzelfde of een nabijgelegen gebied. Zo gaat groei hand in hand met landschapsversterking. We streven naar voldoende kwalitatief groen en zetten er op in dat landschappelijke en natuurlijke waarden niet afnemen bij uitbreidingen, maar juist meegroeien en worden versterkt met de woningbouw en/of economische ontwikkelingen. Bij inbreiding zetten we zoveel mogelijk in op behoud van groen en investeren we in de kwaliteit van het (aanwezige) groen gecombineerd met de waterbergingsopgave.
Om een aantrekkelijke woongemeente te blijven zetten we *groei* expliciet in als een strategisch middel om de leefbaarheid en de sociale cohesie in onze dorpen te behouden. Ons doel is om hiermee de draagkracht van cruciale voorzieningen zoals zorg, onderwijs en ontmoetingsplekken te versterken en het lokale verenigingsleven en de gemeenschapskracht te ondersteunen. Daarnaast leveren we op deze manier onze bijdrage aan de regionale verstedelijkingsopgave en bevorderen we met het oog op de vergrijzing[1] een diverse bevolkingsopbouw in onze gemeenschap.
We streven naar een gemiddelde jaarlijkse *bevolkingsgroei van circa 1%*, wat neerkomt op ongeveer 6.000 nieuwe inwoners tussen 2030 en 2050. Om dit te realiseren, bouwen we *3.000 extra woningen na 2030*. Hierbij bouwen we niet alleen voor de lokale behoefte, maar willen we ook actief huishoudens van buitenaf aantrekken. Groei is voor ons geen doel op zich, maar een middel om in onze dorpen de leefbaarheid, gemeenschapskracht en de draagkracht voor voorzieningen te versterken. Omdat we niet precies weten hoe de toekomstige woonbehoefte zich ontwikkelt, monitoren we dit actief en programmeren we adaptief. Dit stelt ons in staat om te variëren met nu als doel 3.000 nieuwe woningen[2] in die periode.
We willen in onze gemeente een goed en gevarieerd *aanbod van voorzieningen*. Daarbij kijken we goed naar wat past bij de omvang en het karakter van elke plek. Daarom werken we met een *getrapte aanpak*.
We concentreren een *compleet niveau aan voorzieningen* in *centrumdorp* Twello, met een focus op maatschappelijke voorzieningen, cultuur, detailhandel, dienstverlening, onderwijs, zorg en horeca. Ook kijken we hiervoor over onze gemeentegrenzen en versterken we de huidige verbindingen met de omliggende steden Apeldoorn, Deventer en Zutphen. Zo blijven de stedelijke gemakken dichtbij.
De kernen Voorst, Klarenbeek en Terwolde zien we als *middelgrote dorpen* met een *basisniveau aan voorzieningen*. Deze indeling komt tot stand op basis van het huidige voorzieningenniveau, de nabijheid van een station (in het geval van Voorst-Empe en Klarenbeek) en een evenwichtige spreiding van het voorzieningenniveau over de gemeente, waarbij Klarenbeek en Voorst aan de zuidkant en Terwolde aan de noordkant van de gemeente dienen als voorzieningenhart.). In deze middelgrote dorpen zetten we in op een ontmoetingsplek, een zorgpunt, (basis)onderwijs en waar mogelijk een winkel voor (dagelijkse) boodschappen.
In de *dorpen* Wilp, Teuge, Nijbroek, Bussloo, De Vecht, Wilp-Achterhoek, Posterenk, Steenenkamer stellen we de aanwezigheid van een *ontmoetingsplek* (in welke vorm dan ook) voorop. We werken op deze manier actief aan een stevige sociale basis in de hele gemeente; dit is een cruciale randvoorwaarde om in alle dorpen prettig te wonen en oud(er) te kunnen worden.
We hanteren eveneens een proportionele strategie voor *woningbouw*, waarbij de grootste groei plaatsvindt in Twello, gevolgd door Klarenbeek, Voorst en Terwolde, passend bij de huidige omvang en voorzieningenniveau. Ons doel hierbij is het realiseren van een gevarieerd woningaanbod. In de overige dorpen kiezen we voor beperkte en kleinschalige inbreiding of uitbreiding en voorzien we proportionele uitbreidingsmogelijkheden die passen bij het *dorpse karakter*, de schaal, identiteit en kwaliteit van de kernen.
Nieuwbouw en uitbreiding van de woningvoorraad richten zich voornamelijk op de behoeften van starters, senioren en andere 1- tot 2- persoonshuishoudens. Hiermee stimuleren we *doorstroming* op de woningmarkt en bedienen we de volledige wooncarrière binnen onze gemeentegrenzen. Het toevoegen van betaalbare en compacte *woonoplossingen* is hiervoor noodzakelijk. Woningbouw voor ouderen wordt zoveel mogelijk nabij voorzieningen in de kernen gerealiseerd. Om voldoende ruimte voor groen met een klimaatadaptieve functie te behouden, kiezen we in de dorpen vaker voor compacte en gestapelde bouw.
We bieden daarnaast ruimte voor de vestiging van gezinnen en jonge huishoudens en creëren zo kansen voor *terugkeerders*. Dit is belangrijk om de bevolkingsopbouw divers te houden en draagkracht voor voorzieningen te waarborgen.
De *stationsomgevingen* in de gemeente staan voor een belangrijke doorontwikkeling, aangezien ze essentiële knooppunten vormen in ons mobiliteitsnetwerk. We zien kansen om met de ontwikkelingen van de stations de verbindingen met de regio per openbaar vervoer te verstevigen en daarmee een aantrekkelijk alternatief te bieden voor autogebruik. Hiermee wordt bestaande infrastructuur beter benut.
Nieuwe woningen en woonwijken worden zo *klimaatrobuust* mogelijk ingericht om de weerbaarheid tegen extreme weersomstandigheden te waarborgen. We vangen hier meer water op, zetten meer in op*vergroening* voor het versterken van biodiversiteit en het tegengaan van hittestress. Ook bewaken en versterken we bestaande *groenblauwe verbindingen* tussen de dorpen en het landelijk gebied. Wezetten maximaal in op klimaatrobuust en duurzaam bouwen en zien kansen in de combinatie met de productie van biobased materialen en drinkwaterbesparende maatregelen.
We werken stapsgewijs verder toe naar een *klimaatneutrale, klimaatbestendige en aardgasvrije gebouwde omgeving*. Tegen 2050 zijn alle woningen volledig aardgasvrij. In samenwerking met inwoners, corporaties en andere partners investeren we fors in isolatie, waarbij het gebruik van biobased materialen gestaag toeneemt. Daarnaast vindt er herstructurering plaats in bestaande woonwijken; door in te zetten op compactere bouw wordt de beschikbare ruimte optimaal benut.
We streven naar een gezonde *balans* tussen wonen en bedrijvigheid in onze dorpen en buurten. Concreet betekent een toename in het aantal inwoners ook een toename in het aantal banen. Met deze balans hebben we specifieke aandacht voor een *veilige en gezonde leefomgeving*. We zetten ons in voor het verbeteren van milieukwaliteit (lucht-, water- en bodemkwaliteit en het beperken van overlast) en het garanderen van omgevingsveiligheid. We volgen daarbij de geldende normen, maar verkennen aanvullende eisen voor een veiligere en gezondere leefomgeving. De gemeente Voorst blijft daarbij het verbod op particuliere houtstook bij windstil weer handhaven. Hiermee blijven we inzetten op een *gezonde luchtkwaliteit* voor al onze inwoners.
Om woonkwaliteit én ruimte voor bedrijvigheid te borgen, zetten we in op *meervoudig ruimtegebruik*. We zien op bepaalde plekken kansen voor het mengen van functies, zoals *publieksvriendelijke bedrijvigheid* gepaard met wonen en (maatschappelijke) voorzieningen. Bij maatschappelijke voorzieningen zetten we in op optimaal gebruik: *multifunctioneel gebruik* van deze gebouwen is daarbij een belangrijk doel.
We koesteren en versterken het *cultureel erfgoed* dat onze gemeenschap en geschiedenis representeert. Erfgoed is een van de kernkwaliteiten van de gemeente en bepaalt mede de leefbaarheid, herkenbaarheid en kwaliteit van de omgeving. Dit betreft zowel gebouwd erfgoed (monumenten), landschappelijke kwaliteiten, archeologische waarden als immaterieel erfgoed. We zetten ons in om de diversiteit aan erfgoedwaarden die we als gemeente rijk zijn, zichtbaar en beleefbaar te maken. We zoeken daarbij naar een gezonde balans tussen gebruik en behoud. Erfgoed vormt de basis bij ruimtelijke ontwikkelingen en kan interessante oplossingen bieden voor (maatschappelijke) opgaven in bredere zin.
[1] We zijn ons ervan bewust dat dubbele vergrijzing een structurele demografische ontwikkeling is die hoofdzakelijk wordt bepaald door de verhouding tussen geboortecijfers en levensverwachting. Extra woningbouw kan de effecten hiervan verzachten, maar de fundamentele trend niet ombuigen.
[2] Hiermee wordt de eerder gehanteerde bovengrens (zie: Opbrengst contourenschets 2050 gemeenteraad Voorst) van 4.000 woningen naar beneden bijgesteld, aangezien deze niet langer passend wordt geacht binnen de gemeentelijke ambities.
De gemeente Voorst zet in op een doorontwikkeling van de vier economische pijlers: vrijetijdseconomie, ondernemen in het landelijk gebied, ondernemende dorpen en sterk MKB. Dit leidt tot toekomstbestendige bedrijventerreinen, centrumgebieden en landelijk gebied met volhoudbare agrarische bedrijven. De bereikbaarheid verbetert dankzij multifunctionele vervoersknooppunten, de ontwikkeling van de stationsgebieden en een mobiliteitstransitie. In 2050 is de gemeente grotendeels klimaatneutraal en klimaatbestendig, onder andere door lokale energieopwekking met behoud en versterking van landschappelijke inpassing en lokaal draagvlak.
We bieden ruimte voor een sterke lokale economie met veel werkgelegenheid. We zetten ons in voor een prettig werkklimaat, waarbij de focus niet alleen ligt op economische groei, maar ook aandacht uitgaat naar het genereren van maatschappelijke meerwaarde. Door middel van *herstructurering*, *intensivering* en *uitbreiding* creëren we verspreid over de gemeente voldoende *ontwikkelruimte* voor het lokaal MKB, waarmee we het behoud van werkgelegenheid binnen de gemeentegrenzen waarborgen. We zetten in op het beschermen van ruimte voor bedrijvigheid, in het bijzonder bestaande bedrijfsruimte met hogere milieucategorieën. We geven vorm aan de extra ruimtevraag door middel van herstructurering en uitbreiding van bedrijventerreinen, met een focus op revitalisering van ‘t Belt en Nijverheid, uitbreiding van Engelenburg(-West), doorontwikkeling van het gebied De Kar en doorontwikkeling van Luchthaven Teuge.
In het gebied De Kar bieden we in het bijzonder ruimte voor de *circulaire economie*. We zien mogelijkheden om het gebied door te ontwikkelen tot belangrijke plek in de regio voor bedrijven die zich bezighouden met hergebruik van materialen en grondstoffen. Voor Luchthaven Teuge geldt een inzet op *luchtvaartgebonden bedrijvigheid*, innovatie, educatie en recreatie, die gepaard gaat met aandacht voor de ruimtevraag vanuit de (bovenlokale) maatschappelijke functie van het vliegveld op het gebied van zorg en veiligheid. Bij huisvesting van nieuwe bedrijvigheid is een relatie met lokale werkgelegenheid randvoorwaardelijk. We staan afwijzend tegenover de vestiging van grootschalige (XXL) bedrijvigheid, omdat dit niet past bij onze Voorster identiteit en karakteristieke en historische landschap. We staan voor een *duidelijke overgang* tussen het bebouwd gebied en het buitengebied. Dit betekent onder andere ook dat we het landschap rondom de A1 versterken met een mix van open en gesloten landschapselementen.
Voor het lokaal MKB op *solitaire locaties* vormt maatwerk het uitgangspunt. In de dorpen of in de directe nabijheid van de dorpen zien we mogelijkheden om bedrijven in lichtere milieucategorieën te koppelen aan woningbouwontwikkelingen. In het buitengebied kan *duurzame ontwikkeling* van solitaire bedrijvigheid mogelijk een alternatief verdienmodel vormen in het geval van vrijkomende agrarische bebouwing. De ruimtelijke mogelijkheden voor solitaire bedrijvigheid verschillen binnen de gemeente, bijvoorbeeld op het gebied van landschapskwaliteit. . Er wordt zorgvuldig gekeken of en zo ja welk type bedrijvigheid passend is in welk deel van de gemeente en wordt waar nodig per deelgebied in gedifferentieerd. Daarbij blijft de positie van de agrarische bedrijvigheid een belangrijke rol spelen in de lokale economie van het buitengebied. In de gebiedsgerichte uitwerking in hoofdstuk 4 wordt hieraan per deelgebied een eerste duiding gegeven. In een volgende fase wordt dit nader uitgewerkt.
We streven naar *toekomstbestendige werklocaties* die goed zijn ingebed in hun directe omgeving. Herstructurering, intensivering en uitbreiding gaan gepaard met heldere *ontwikkelkaders* op het gebied van klimaatadaptatie, de energietransitie, waterzekerheid en investeringen in de ruimtelijke kwaliteit. We stimuleren bedrijven actief om te investeren in de *verduurzaming* van hun productieprocessen. Bij het toevoegen van bedrijvigheid gaat nadrukkelijk aandacht uit naar de nodige maatregelen op het gebied van meervoudig ruimtegebruik, *bereikbaarheid* voor personen- en goederenvervoer (voor goederenvervoer én woon-werkverkeer) en het beperken van nadelige effecten op lokale en regionale verkeerssituaties.
We zien kansen voor de ontwikkeling van de *stationsomgevingen*. In de omgeving van de stations, binnen en nabij de dorpen, bieden we ruimte voor functiemenging van wonen en werken, voorzieningen en andere geschikte functies zoals recreatie.
We zetten in op de *mobiliteitstransitie* richting het gebruik van schonere en duurzame vervoermiddelen. Hierbij hanteren we het *STOMP-principe* (*S*tappen, *T*rappen, *O*penbaar vervoer, *M*obility-as-Service, *P*rivéauto) door prioriteit te geven aan duurzame verplaatsingswijzen zoals lopen, fietsen en openbaar vervoer, voordat de auto in beeld komt. Door de juiste voorzieningen en de benodigde ruimte voor alternatieve vervoerswijzen te realiseren en te verbeteren, zetten we in op het vergroten van de aantrekkingskracht van alternatieven voor autogebruik. Zo zetten we onder andere stevig in op de doorontwikkeling van *snelfietsroutes* en een goede *ontsluiting* van nieuwe woon- en werkgebieden per fiets en met het openbaar vervoer. In het bijzonder binnen de dorpen ligt onze focus op voetganger en fietser en zetten we in op goede OV-bereikbaarheid. Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen verkennen we gebiedsgericht mogelijkheden voor de (door)ontwikkeling van *autoluwe zones* en meer flexibele omgang met parkeernormen. Bij gebiedsontwikkelingen blijven we aandacht houden voor passende oplossingen voor zaken zoals bevoorrading, logistiek en bereikbaarheid voor hulpdiensten en mindervalide inwoners.
Gezien de omvang van het landelijk gebied blijven we ook het belang van de *autobereikbaarheid* voor onze gemeente onderkennen. Hiertoe treffen we de nodige voorzieningen voor duurzaam autogebruik. Daarbij houden we zo veel mogelijk rekening met voorzieningen voor innovatieve vervoerswijzen, zoals de elektrificatie van auto’s, voorzieningen voor *deelmobiliteit* en verder in de toekomst mogelijk ook zelfrijdende voertuigen. Naast de stationsgebieden zetten we in nabijheid van werklocaties en bij plekken waar men zich verzamelt voor recreatie, zoals bij Bussloo en luchthaven Teuge, in op de ontwikkeling van *vervoersknooppunten* waar verschillende vervoerswijzen samenkomen, passend bij de maat en schaal van onze gemeente.
We zetten ons in voor compacte, leefbare *dorpsharten* waar ruimte voor detailhandel en voorzieningen samenkomen met mogelijkheden voor ontmoeting en verblijf. Voor het centrum van Twello, dat met haar aanbod een belangrijke en meer bovenlokale functie heeft voor de nabijgelegen dorpen, ligt onze focus op een levendig, onderscheidend en duurzaam centrum met een dorps karakter. Om het hoofd te bieden aan diverse opgaven en kansen te benutten, wordt momenteel gewerkt aan een ambitiedocument voor het centrum van Twello. Daar zetten we in op een toekomstbestendig, vitaal centrum met ruimte voor transformatie (wonen, winkels en werken), verbeterde routing en slim ruimtegebruik met behoud en ontwikkeling van noodzakelijke (collectieve) parkeervoorzieningen. Ook voor de middelgrote dorpen Voorst, Klarenbeek en Terwolde geldt dit streven waar winkelen en ontmoeten samenkomen. Met investeringen in vergroening dragen we in de dorpscentra bij aan de *verblijfskwaliteit* en anticiperen we tegelijkertijd op het veranderende klimaat.
We benutten kansen om in te spelen op de groeiende vraag naar (buiten)recreatie met *versterking* van de *lokale recreatieve sector* en *routenetwerk*. In regionaal verband zien we kansen om onze recreatieve potentie als uitloopgebied voor de steden verder te benutten en daarmee gelijktijdig bij te dragen aan een betere ruimtelijke en regionale spreiding van bezoekers. Zo willen we onder andere bijdragen aan de verlichting van de recreatiedruk op de Veluwe. We richten ons primair op instandhouding en uitbreiding van het bestaande aanbod aan hoogwaardige *dag- en verblijfsrecreatie*. In de (directe) nabijheid van recreatieve trekkers (zoals recreatieplas Bussloo en Luchthaven Teuge) bieden we mogelijkheden aan recreatieve ontwikkelingen die aansluiten bij de identiteit van de gemeente Voorst. In het landelijk gebied hebben we als doel om zowel op de landgoederen als daartussen de *belevingswaarde* van het landschap en de cultuurhistorie te vergroten. We streven naar een vrijetijdseconomie die de sector versterkt en tegelijkertijd lokale meerwaarde oplevert voor inwoners.
De gemeente Voorst werkt aan een duurzame toekomst. We werken toe naar een *klimaatneutrale en klimaatbestendige* gemeente in 2050. In het Regionaal Programma Energievoorziening hebben we afgesproken dat we op het gebied van *energievoorziening* bijdragen aan het regionale doel om uiterlijk in 2035 1,07 TWh aan duurzame energie op te wekken. In de gemeente Voorst kiezen we voor een mix van zon en wind met een maximale hoogte van 25 meter. Het uitgangspunt is dat in 2050 75% van de energievraag duurzaam wordt opgewekt binnen de gemeente en de overige duurzame energie wordt geïmporteerd vanuit andere delen van Nederland. We zetten onder meer in op de *warmtetransitie* door alle woningen en andere gebouwen uiterlijk in 2050 aardgasvrij te maken. Zowel in de openbare ruimte als ondergronds houden we rekening met de groeiende ruimtevraag voor voorzieningen die horen bij de energie- en warmtetransitie. Denk bijvoorbeeld aan voldoende ondergrondse ruimte voor kabels en leidingen, bovengrondse ruimte voor energieopwekking (bijvoorbeeld wijkwarmtepompen, biovergistingsinstallaties) opslag (bijvoorbeeld accu’s en warmtebuffers) en distributie (bijvoorbeeld verdeelstations). De luchtkwaliteit van onze gemeente verbetert door deze inzet op duurzame energiebronnen. Daarnaast komt ook de toename van elektrisch rijden de luchtkwaliteit ten goede. Ten slotte stimuleren we ook de transitie naar een *circulaire economie* door kringlopen te sluiten en afvalstromen als grondstoffen te hergebruiken.
We spannen ons in voor een *toekomstbestendig energiesysteem* waarbij de opwekking van duurzame energie zoveel mogelijk doelgericht is en aan de lokale vraag gekoppeld wordt. We zetten in op de (door)ontwikkeling van *lokale energy hubs*, waar energie lokaal wordt opgewekt, opgeslagen, verdeeld en gebruikt. Lopende initiatieven op het gebied van de ontwikkeling van Smart Energy Hubs faciliteren we. Gepaard met de lokale en regionale inzet op een groei in het aantal woningen en bedrijvigheid, is het noodzakelijk om richting 2050 ook nieuwe clusters voor duurzame energie te verkennen. Lokale *energiecoöperaties* kunnen hier een belangrijke rol in spelen en er wordt ingezet op financiële participatie. Zorgvuldige inpassing en omgang met het landschap is een belangrijke randvoorwaarde. Waar initiatieven zich voordoen, bieden we ruimte voor kleinschalige collectieve projecten voor energieopwekking. Door de energieopwekkking te koppelen aan lokale energy hubs kan netcongestie verminderd worden.
Het landschappelijke en cultuurhistorische karakter vormt de basis voor elke ruimtelijke ontwikkeling die we doorvoeren. Door een integrale afweging van conflicterende belangen en de inrichting van specifieke zones, krijgt Voorst een passende invulling die zowel de dorpse ontwikkeling als de natuur- en landschapsdoelen dient. De uitgangspunten uit het Programma Landelijk Gebied vormen hierbij een belangrijke basis.
De logica van het *bodem- en watersysteem* vormt de basis voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent enerzijds dat het huidige (agrarische) landgebruik in de toekomst beter wordt afgestemd op de *natuurlijke condities*, zoals het type bodem (zand of klei) en de hoogteligging. Anderzijds schept dit ook condities voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen: de logica van het bodem- en watersysteem vormt hierbij altijd het vertrekpunt. Dit betekent concreet dat bij voorkeur wordt gebouwd op de hogere gronden in de gemeente, waar het risico op wateroverlast het laagst is. Dit betekent ook dat niet wordt gebouwd in de uiterwaarden en terughoudend wordt omgegaan met bebouwing in beekdalen en nattere gebieden zoals polder Nijbroek en De Vecht.
Bij herontwikkeling inde bestaande kernen zorgen wij voor *hemelwaterberging* en waar mogelijk *hemelwaterinfiltratie*. Daarnaast voorzien wij elke uitbreiding en inbreiding van voldoende waterberging om overlast te voorkomen en het grondwater aan te vullen. Het afkoppelen van regenwater zorgt ervoor dat er minder rioolwater in het oppervlaktewater komt bij heftige regenval. Dit leidt tot minder geuroverlast en een betere waterkwaliteit. Dit geldt zowel voor de watergangen als de IJssel waar het afvalwater uiteindelijk op geloosd wordt. Ook wordt vuilwater zonder regen beter gezuiverd door rioolwaterzuiveringsinstallaties.
We zetten in op *systeemherstel* van het natuurlijke bodem- en watersysteem. Dit betekent onder andere het vergroten van de *sponswerking* van het landschap. Daartoe zetten we op de hoger gelegen, zandige delen in op het beter vasthouden en laten infiltreren van water. Dit vergroot in deze gebieden de *waterbeschikbaarheid* voor zowel de natuur als de landbouw en beperkt daarmee de verdroging. Ook in de lagergelegen delen, zoals de beekdalen, langs de weteringen en in de polder, wordt ingezet op het tegengaan van verdroging. Dit betekent het inzetten op vertraagd afvoeren, waar mogelijk verhogen van de grondwaterstanden om de naleveringscapaciteit (de mate van beschikbaarheid van water ten tijde van droogte) van de bodem te vergroten en het zoveel mogelijk sluiten van waterkringlopen. Tegelijkertijd wordt in deze gebieden ook ingezet op het zoeken van extra ruimte voor wateropvang en effectieve afvoer om wateroverlast tijdens piekbuien te voorkomen.
Ook de kwaliteit van het landschap en de *cultuurhistorie* zijn bepalend voor ruimtelijke ingrepen. Dit vereist dat er speciale aandacht wordt besteed aan archeologische waarden en de landschappelijke inpassing van de verschillende ruimtelijke ontwikkelingen, bijvoorbeeld als het gaat om de inpassing van duurzame energie, nieuwe landgoederen en transformaties van Vrijkomende Agrarische Bedrijfsgebouwen (VABs). Bij VAB-transformaties zetten we in op ontwikkelingen die de landschappelijke kwaliteit versterken. Voor de invulling van agrarische bebouwing werken we daarbij toe naar Rood voor Groen beleid met een duidelijke *gebiedsgerichte zonering* zoals gehanteerd in de gebiedsgerichte uitwerkingen in hoofdstuk 4. Hiermee ontstaat helderheid over welke functies waar passend zijn en onder welke voorwaarden. Ook wordt per specifieke locatie goed gekeken naar het samengaan van bestaande en nieuwe functies: op basis hiervan kan maatwerk worden toegepast.
We gaan zorgvuldig om met de *natuur* in onze gemeente en zetten in op het behoud, herstel en de uitbreiding van onze *biodiversiteit*. Dit betekent dat we het bestaande groen beschermen, bijvoorbeeld in en rond onze beschermde natuurgebieden en weidevogelgebieden, kansen creëren voor nieuwe natuur en onze inwoners en ondernemers actief betrekken bij het versterken van de lokale en regionale ecologische kwaliteiten. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn waar mogelijk *natuurinclusief* en de negatieve impact op de biodiversiteit wordt zo veel mogelijk beperkt of waar nodig gecompenseerd.
We zorgen ervoor dat landbouw en natuur goed samengaan. Agrariërs in onze gemeente produceren voedsel en zijn tegelijkertijd belangrijke beheerders van ons landschap. Er wordt ingezet op een *duurzame agrarische sector* met *toekomstbestendige bedrijfsmodellen* die agrariërs enerzijds van een goed, stabiel inkomen voorzien en anderzijds ook duurzaam zijn voor water, bodem en biodiversiteit en toewerken naar klimaatneutraliteit en klimaatbestendigheid. Dit kan betekenen dat sommige agrariërs in de toekomst anders ondernemen dan zij vandaag de dag doen en soms (deels) hun geld verdienen met *alternatieve verdienmodellen* zoals recreatie of middels vergoeding voor ecosysteemdiensten als landschapsbeheer en onderhoud. Hiervoor zien wij in het bijzonder kansen rond onze beschermde natuurgebieden, in weidevogelgebieden en in de Groene Ontwikkelingszones zoals vastgelegd in de omgevingsverordening van de provincie Gelderland. Ook zien we kansen voor uitbreiding van de teelt van biobased bouwmaterialen, gekoppeld aan onze woningbouwopgave.
Voor het landelijk gebied streven we, op basis van het *Programma Landelijk Gebied*, naar Voorst als groene hart van de IJsselvallei. Om dit te bewerkstelligen hanteren we de 10 uitgangspunten uit het PLG en hebben we alle ‘*smaken van groen*’ nodig: van landbouw tot natuur en alles daartussenin. De balans tussen deze smaken van groen verschilt in verschillende zones binnen de gemeente.
Op strategische plekken tussen de dorpen en steden, de dorpen onderling, langs de IJssel en langs de beken en weteringen, ontstaat de *groene buffer*. In deze zone liggen de huidige landgoederen en leggen we de nadruk op de natuur. Hier zetten we in op het verbeteren en beter verbinden van de bestaande natuur door middel van kwalitatieve groenblauwe dooradering. Dit moet eraan bijdragen dat de landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en de dorpen niet aan elkaar groeien. In deze zone zijn (natuurinclusieve) agrarische activiteiten passend wanneer die bijdragen aan de ecologische en landschappelijke kwaliteiten van deze zone. Daarnaast is kleinschalige (natuur)recreatie, bijvoorbeeld in de vorm van natuurkampeerterreinen, passend in deze zone. Ten slotte zijn ook vernieuwende woonvormen gekoppeld met een substantiële toename van groen hier passend. Gezien de stedelijke druk uit omliggende steden op (delen van) dit gebied, focust de gemeente na de totstandkoming van de omgevingsvisie verder op dit gebied en wordt de mogelijke ontwikkeling van een *(regionaal) landschapspark* onderzocht.
In het noorden en zuiden van de gemeente ligt het *agrarisch landschap*, waar de nadruk ligt op de productieve, toekomstbestendige landbouw. Ook in deze gebieden maakt de agrarische sector een verduurzamingsslag door waarbij de landbouw en voedselproductie de boventoon blijven voeren. Hier ontstaat een aantrekkelijk agrarisch cultuurlandschap van weides, akkers en erven in combinatie met landschappelijke en cultuurhistorische elementen zoals natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bloemrijke akkerlanden, heggen en hagen (groenblauwe dooradering).
In het *mozaïeklandschap* komen cultuurhistorie, recreatie, wonen, landbouw, landschap en natuur samen. Ze vormen een gelijkwaardig evenwicht waarbij de kwaliteiten, de sfeer en het type functies en grondgebruik van een historisch landgoed de inspiratie zijn.. De zone biedt ruimte voor verschillende vormen van landbouw en nieuwe, passende bedrijfsfuncties als B&B’s en andere (kleinschalige) verblijfsrecreatie en (nieuwe) woonvormen. Binnen nieuwe landgoederen is ruimte voor (nieuwe) vormen van wonen en duurzaam ondernemerschap passend in het landelijk gebied, altijd gecombineerd met groen (conform het Rood voor Groen beleid). Gezien de stedelijke druk uit omliggende steden op dit gebied, focust de gemeente na de totstandkoming van de omgevingsvisie verder op dit gebied en wordt de mogelijke ontwikkeling van een *(regionaal) landschapspark* onderzocht.
In de *dorpsranden* wordt ingezet op geleidelijke, aantrekkelijke overgangen tussen wonen, (verblijfs)recreatie, natuur en landbouw. Er wordt ingezet op vergroening, ruimte voor ommetjes, speelgelegenheden, moestuinen, kleinschalige wooninitiatieven en extensief agrarisch gebruik.
Bij uitbreidingen aan de dorpsranden en in het landelijk gebied met vrijkomende agrarische erven geldt het leidende principe *’Groen groeit mee’*. Op deze manier willen we waarborgen dat er voldoende kwalitatief groen wordt toegevoegd. Hierbij vormen aantrekkelijke dorpsentrees een belangrijk aandachtspunt.
Ook in het bestaand bebouwd gebied zetten we in op onze ambitie als het groene hart en zorgen we voor *voldoende kwalitatief groen*, zowel in de woonwijken als in de recreatiegebieden en op de bedrijventerreinen. Hierbij zetten we in op een combinatie van doelen: een goede beeldkwaliteit, voldoende ecologische waarde en voldoende waterberging en verkoeling om hittestress tegen te gaan.
Er wordt invulling gegeven aan de benodigde *ruimte voor de IJssel* door deze voor te bereiden op toekomstig hoog- en laagwater. Dit betekent concreet de geplande *hoogwatergeul* nabij Deventer, tussen Twello en Steenenkamer door.
De uiterwaarden langs de IJssel maken tevens deel uit van *Natura2000-gebied* Rijntakken. In en rondom dit gebied wordt daarom ingezet op het behoud en herstel van de natuurwaarden. Dit betekent onder andere inzet op reductie van de stikstofdepositie in de nabije omgeving. Op het gebied van de belevingswaarde van de IJssel, zien we in de uiterwaarden in principe alleen mogelijkheden voor natuurinclusieve, extensieve vormen van recreatie. Een zorgvuldige balans tussen natuurwaarden en (door)ontwikkeling van rust en reuring staat hier centraal.
Vanuit de *Kaderrichtlijn Water (KRW)* blijven we samen met het waterschap werken aan het verbeteren van de ecologische en chemische waterkwaliteit van de KRW-oppervlaktewaterlichamen.
Zoetwater van een goede kwaliteit wordt steeds schaarser. We gaan zorgvuldig om met de kwaliteit van het grondwater in zijn algemeenheid, maar zeker ook binnen de beschermingszone van het *waterwingebied* Twello en de reserveringsgebieden voor drinkwaterwinning uit oeverwater in de Wilpse, Nijenbeekse en Voorsterklei.
We streven naar het sluiten van *waterkringlopen* door hergebruik van lokaal restwater te stimuleren. Hiermee voorkomen we dat er in de toekomst een tekort ontstaat aan kwalitatief proces- en gietwater voor onze agrarische ondernemers en het mkb.

We zijn een veelzijdige gemeente, bestaand uit veel verschillende dorpen en een gevarieerd buitengebied. Wat op de ene plek werkt, vraagt elders om een andere oplossing. Daarom vertalen we onze visie en ambities in dit hoofdstuk naar keuzes per deelgebied.
We maken daarbij onderscheid in de volgende deelgebieden:
centrumdorp(Twello)
middelgrote dorpen (Klarenbeek, Terwolde, Voorst)
dorpen (Bussloo, De Vecht, Nijbroek, Posterenk, Steenenkamer, Teuge, Wilp, Wilp-Achterhoek)
werklocaties (bedrijventerreinen, De Kar en luchthaven Teuge)

Twello is de vitale, centrale kern en het primaire voorzieningenhart van de gemeente. Het is een centrumdorp met een groen karakter dat de brug slaat tussen de stedelijke dynamiek van de Stedendriehoek en de rust van het omliggende landelijke gebied. Het centrum van Twello kenmerkt zich door een breed aanbod aan horeca en detailhandel, waar zowel landelijke ketens als lokale speciaalzaken te vinden zijn. Het vervult daarmee een sterke centrumfunctie voor de andere dorpen in de gemeente. De stationsomgeving dient als een mobiliteitsknooppunt en een belangrijke entree tot het dorp. In de woonwijken van Twello komen historische linten en nieuwe uitbreidingen samen in leefbare wijken met een hoge leefkwaliteit. Deze wijken kenmerken zich door een grote diversiteit aan ruim opgezette woonmilieus afgewisseld met aantrekkelijke groene ontmoetingsplekken en maatschappelijke functies.
Gebiedsspecifieke keuzes voor het deelgebied:
We kiezen voor een *leefbare* en *vitale woonomgeving* waarin het dorpse karakter en de *menselijke maat* centraal staan. We koesteren de historische gelaagdheid en de verbinding met het omliggende landschap als basis voor nieuwe ontwikkelingen. Voor Twello betekent dit het versterken van de centrumfunctie met een *hoogwaardig voorzieningenniveau*, waarbij de dorpse sfeer behouden blijft door een zorgvuldige balans tussen verstedelijking en groen. De historisch waardevolle bebouwing en groenstructuren vormen hierbij de rustpunten die de identiteit van Twello bewaken.
De *cultuurhistorische kwaliteiten* en *erfgoedwaarden* van Twello vormen de basis voor een goede omgevingskwaliteit. Zorgvuldige inpassing van deze waarden vormt daarom het vertrekpunt bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent in Twello onder andere een goede bescherming van historische structuren, monumenten en andere cultuurhistorische bebouwing. Bij alle ontwikkelingen in en rond het centrum is het van belang om zorgvuldig om te gaan met de *historische waarden*. Denk aan het gebied rondom de Dorpsstraat, Duistervoorde en een deel van de Rijksstraatweg. Dit gebied bepaalt in hoge mate de identiteit en herkenbaarheid van Twello en verdient bescherming. Nieuwe ontwikkelingen sluiten hier qua schaal, uitstraling en functie op aan, zodat het karakter van het dorp behouden blijft.
Het centrum van Twello vormt het *levendige hart* van het dorp en is bij uitstek de plek voor ontmoeting en reuring: met ruimte voor detailhandel, horeca en commerciële dienstverlening. Het centrum vervult daarmee een belangrijke sociale en economische functie voor Twello en de omliggende kernen. Tegelijkertijd biedt het centrum ook kansen om het aantal woningen te vergroten, met name door herontwikkeling en verdichting op passende locaties. Het toevoegen van woningen in het centrum draagt bij aan een sterker voorzieningenniveau, meer levendigheid en een efficiënter gebruik van de ruimte. Hierbij zijn het bieden goede wandel- en fietsvoorzieningen, bereikbaarheid met het openbaar vervoer, stallingsmogelijkheden voor de fiets en goed ingepaste parkeerfaciliteiten randvoorwaardelijk, zodat de bereikbaarheid voor bewoners, bezoekers en ondernemers goed blijft.
Binnen onze totale woningbouwambitie neemt Twello als centrumdorp een duidelijke rol in. We bieden ruimte voor *groei* van het dorp en benutten kansen voor *grotere woningbouwontwikkelingen* die aansluiten bij het karakter van Twello als dorpse kern met stedelijke gemakken in de buurt. We kiezen voor een *divers woningbouwprogramma* met verschillende typen woningen: groot en klein, voor jong en oud en voor elke portemonnee. Daarbij bieden we ruimte voor de lokale woonbehoefte, maar ook bijvoorbeeld voor terugkeerders met in het bijzonder aandacht voor *betaalbaarheid*. Voor woningbouwlocaties in en rond het centrum van Twello zetten we in op compacte, gestapelde bouw. Dit sluit aan bij de betaalbaarheidsopgave voor jongeren en jongvolwassenen. Daarnaast draagt de realisatie van gestapelde bouw bij aan de doorstroming van ouderen, mede vanwege de gewenste nabijheid van voorzieningen.
In Twello landen ongeveer *1.500 woningen* van de totale woningbouwambitie in de gemeente tot 2050. We zien mogelijkheden om ongeveer een derde van deze woningen door inbreiding in en rond het centrum te realiseren. De overige twee derde wordt door middel van uitbreiding gerealiseerd.
Op de korte termijn richten we ons op *inbreidingslocaties* in en rondom het centrum en het stationsgebied van Twello. Bij ruimtelijke ontwikkelingen rondom het spoor hebben we aandacht voor de gevoeligheid van nieuwe functies op het gebied van fysieke veiligheid en geluidsoverlast van treinverkeer. Daarnaast wordt gewerkt aan de *uitbreidingslocatie Twello-Noord*, waarmee invulling wordt gegeven aan de urgente woningbehoefte.
Op de lange termijn is een aanvullende uitbreiding noodzakelijk om te kunnen voorzien in het gevraagde programma van circa 1.500 woningen in Twello. Aan de *zuid- en oostzijde van Twello* zijn daarom zoekgebieden opgenomen voor dit uitbreidingsvraagstuk. In deze zoekgebieden vindt een brede afweging plaats van mogelijke functies, passend bij de lange termijnontwikkeling van het gebied.
We streven bij uitbreidingen altijd naar zorgvuldige afronding van de dorpsranden, het bewaken en versterken van de overgang naar het landelijk gebied en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit.
Bij *dorpsuitbreidingen* hanteren wij het *’Groen Groeit Mee’* principe met onder andere de *3‑30‑300 regel*. Dit betekent dat de ontwikkeling van een hoogwaardig blauw-groen netwerk een integraal en prioritair onderdeel is van een woningbouwontwikkeling. Zo bouwen we niet alleen huizen, maar realiseren we een vitale leefomgeving waarin biodiversiteit, waterberging, verkoeling en recreatieve uitloop vanaf het begin wordt verweven in het plan.
We zetten ons in om de bestaande woningvoorraad, zowel koop- als huurwoningen, *toekomstbestendig* en *klimaatrobuust* te maken. We ondersteunen woningeigenaren om maatregelen te treffen op het gebied van verduurzaming, het afkoppelen van regenwater en het vergroenen van de leefomgeving. Ook kijken we naar de mogelijkheden om de bestaande woningvoorraad beter te benutten (woningdelen, woningsplitsen). Een soortenmanagementplan moet ervoor zorgen dat gebouwbewonende diersoorten beschermd worden, ondanks ruimtelijke ontwikkelingen zoals isolatie, renovatie en woningbouw. Gebiedsgericht investeren we samen met verschillende partners aan het *aardgasvrij* maken van de woonwijken. Hoe we verder vormgeven aan de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving werken we uit in ons warmteprogramma.
We zetten in op het ontwikkelen van een *toekomstbestendig (maatschappelijk) voorzieningenaanbod*. Daarbij kiezen we voor aanpasbare *multifunctionele locaties* waar onderwijs, zorg, sport, cultuur en welzijn bij elkaar kunnen komen. Zo werken we aan een hoogwaardig en rendabel aanbod dat meebeweegt met demografische ontwikkelingen. We positioneren deze voorzieningen bij voorkeur op locaties die sociale cohesie en *ontmoeting* bevorderen. Vanuit dit perspectief werken we de komende jaren onder andere aan sport- en maatschappelijke voorzieningen.
We bieden in Twello mogelijkheden voor *solitaire bedrijfslocaties*. We zien mogelijkheden om *functiemenging* toe te passen bij bedrijven in lichtere categorieën, zoals maatschappelijke, licht commerciële en/of sportfuncties en deze te combineren met bijvoorbeeld nieuwe woningbouwontwikkelingen. We kijken altijd op basis van de specifieke locatie welk type bedrijvigheid passend is. In Twello zijn voor dit type ontwikkelingen vooral mogelijkheden door middel van inbreiding. Omdat dit leidt tot verdichting van het bestaand bebouwd gebied, zoeken wij naar de mogelijkheden voor passende vergroening.
Bij toekomstige ontwikkelingen is het behoud en de versterking van het groen en de groene verbindingen van groot belang.
Met gerichte investeringen op het gebied van *vergroening* creëren we aangename plekken voor verblijf, verminderen we hittestress, creëren we mogelijkheden voor waterberging en is de buitenruimte beter voorbereid op het veranderend klimaat.
Het omliggende landelijk gebied vervult voor Twello een belangrijke rol als uitloopgebied voor *dagelijkse ommetjes* en landschapsbeleving. We zetten ons in om met het aanleggen van nieuwe routes de bestaande wandel- en fietsroutes in en rond Twello beter op elkaar te laten aansluiten. Dit vergroot niet alleen de toegankelijkheid, maar ook de aantrekkingskracht van de buitenruimte voor zowel inwoners als bezoekers.
Hierbij gaat specifiek aandacht uit naar de *groene relatie* van Twello met de Fliert, evenals voor de groenstructuur die Hackfort Veenhuis verbindt met Het Holthuis. Het Fliertdal vormt hierbij een harde grens voor verdere verstedelijking en fungeert als waardevol landschappelijk en ecologisch gebied. Dit landschap draagt bij aan de identiteit van Twello en biedt ruimte voor natuur, water en extensieve recreatie.
We kiezen voor de opwaardering en doorontwikkeling van de *stationsomgeving* van Twello tot *mobiliteitsknooppunt*. Hier kan men gemakkelijk en snel overstappen tussen de trein, (elektrische) fiets, busvervoer en auto. We zorgen voor voldoende stallingsmogelijkheden voor de fiets in combinatie met mogelijkheden voor deelmobiliteit bij het station. Ook wordt er ingezet op voldoende parkeergelegenheid voor het aanbod van (elektrische) deelauto’s en privé-auto’s in de buurt van het station. Bij het opwaarderen van de stationsomgeving hebben we ook aandacht voor de *verblijfskwaliteit* van het gebied als entree van het centrum van Twello.
In Twello kiezen we voor het behouden en versterken van de *verkeersveiligheid* en *bereikbaarheid*. Dit doen we door het *STOMP-principe* (*S*tappen, *T*rappen, *O*penbaar vervoer, *M*obility-as-Service, *P*rivéauto) als leidend afwegingskader te gebruiken binnen ontwerpopgaven. Met dit principe stellen we bij de inrichting van de openbare ruimte en nieuwe gebiedsontwikkelingen de mens centraal in plaats van de auto, waardoor meer ruimte ontstaat voor gezonde en *duurzame verplaatsingen*. Op deze manier maken we de openbare ruimte veiliger, versterken we de *verblijfskwaliteit* en verlichten we de druk op wegen. Met het (her)inrichten van de openbare ruimte ontwerpen we eerst voor de voetganger en de fietser, pas daarna voor het openbaar vervoer en andere mobiliteitstoepassingen, en tot slot voor de auto. Dit moet leiden tot veilige, aangename en toegankelijke verbindingen voor alle vervoersvormen die de woonwijken verbinden met voorzieningen, het station en werklocaties. Het draagt bij aan een betere verkeersveiligheid en leefbaarheid, juist ook wanneer verkeersstromen door bijvoorbeeld een groeiend inwonertal of ruimtelijke ontwikkelingen toenemen. Voor verplaatsingen waarvoor het openbaar vervoer minder passend is, zetten we doelgericht in op deelmobiliteit en vraaggestuurde vervoersvormen zoals de belbus en de regiotaxi. Ook autobereikbaarheid blijft in Twello een integraal onderdeel binnen de ontwerpopgave, maar dient niet meer als vertrekpunt. Met het Verkeersplan Twello 2025 – 2040 dragen we met concrete maatregelen bij aan veilige oplossingen voor bestaande knelpunten en verbeteren we voor alle manieren van verplaatsen de bereikbaarheid en doorstroming in Twello.
De openbare ruimte in Twello moet uitnodigen tot ontmoeting, ontspanning en beweging. De openbare ruimte wordt bij voorkeur groen en natuurlijk ingericht en levert een actieve bijdrage aan klimaatadaptatie, bijvoorbeeld door wateropvang en het tegengaan van hittestress. We zetten ons in voor *schone lucht* en voldoende *groene verblijfsruimtes* met eenvoudige sport- speel- en beweegvoorzieningen. In het bijzonder geldt de ambitie om de *verblijfskwaliteit* van het Dorpsplein en het Marktplein te versterken, bijvoorbeeld door middel van de weekmarkt op het Marktplein en door de omgeving rondom de kerk te verlevendigen. Door meer ruimte te geven aan groen, zitgelegenheden en verblijf, kunnen deze pleinen zich verder ontwikkelen tot aantrekkelijke ontmoetingsplekken voor inwoners en bezoekers. Dit draagt bij aan een uitnodigend dorpscentrum waar het prettig is om te verblijven, te winkelen en elkaar te ontmoeten.
We streven naar een *natuurinclusieve*, *klimaatbestendige*, kwalitatieve en veilige openbare ruimte, met voldoende en divers groen dat werkt als een spons bij hevige regenval, de biodiversiteit versterkt en hittestress verlaagt.
Dit betekent in Twello dat we bestaande groenstructuren, zoals de Twellosebeek, de Hondsgrift, de Fliert, het Spiegelbos, de Schapenweide en de groene zone tussen het gemeentehuis en Achter 't Holthuis beschermen en versterken. Daarnaast zetten we waar mogelijk in op het uitbreiden van onze *groenstructuur*, onder andere in het kader van het werken aan doelen vanuit de Natuurherstelwet.
We beheren het fysieke groen in onze gemeente op een zodanige wijze dat de *ecologische kringloop* gerespecteerd wordt. Hierbij vormen leefbaarheid, duurzaamheid en biodiversiteit de centrale uitgangspunten.
We koppelen *hemelwater* af bij herinrichting, grootschalig rioolonderhoud, nieuwbouw, grootschalige verbouwingen en het aanbrengen van grotere oppervlakten verharding. We kiezen hierbij bij voorkeur voor zichtbaar water, bijvoorbeeld in wadi's. Ook stimuleren we particulieren om regenwater af te koppelen.
In de zuidelijke wijken van Twello is het plaatselijk lastig om regenwater te infiltreren. Hier werken we op termijn toe naar het *afvoeren* van het regenwater richting het oppervlaktewater. In de overige wijken streven we naar *infiltratie* van regenwater in de ondergrond. Wij streven ernaar om schade en overlast op openbaar terrein en doorgaande wegen zoveel mogelijk tegen te gaan, maar we kunnen dit niet altijd voorkomen.
We werken aan het verbeteren van de *waterkwaliteit van het oppervlaktewater*, zoals de Twellose Beek. Dat doen we in samenwerking met Waterschap Vallei & Veluwe en Omgevingsdienst Veluwe.
We beheren de openbare ruimte in Twello als een samenhangend systeem, waarbij kwaliteit, klimaatadaptatie, veiligheid en gebruik centraal staan, zodat het dorp ook bij groei aantrekkelijk en leefbaar blijft. Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen sturen we op een toekomstbestendige en *beheerbare openbare ruimte*, waarbij kwaliteit, *onderhoud* en lifecyclekosten vanaf het begin worden meegewogen.

Kenschets van deelgebied
De middelgrote dorpen Klarenbeek[3], Terwolde en Voorst zijn vitale kernen met een eigen identiteit. Zij delen de rol van sociaal ankerpunt waar basisvoorzieningen voor het dagelijks leven zijn. Binnen deze middelgrote dorpen bestaat een relatief hoge mate van zelfredzaamheid dankzij lokale voorzieningen als winkels voor dagelijkse boodschappen, basisonderwijs en een sterk noaberschap en verenigingsleven rondom de dorpshuizen en sport. In Klarenbeek en Voorst (Voorst-Empe) vormen ook de stations belangrijke voorzieningen voor hun inwoners en het buitengebied.

Gebiedsspecifieke keuzes voor het deelgebied:
We kiezen voor *leefbare* en *vitale woonomgeving* waarin het authentieke dorpse karakter en de *menselijke maat* centraal staan. We koesteren de historische gelaagdheid en de verbinding met het omliggende landschap als basis voor nieuwe ontwikkelingen. Voor de middelgrote dorpen omarmen we in ieder middelgroot dorp de specifieke kwaliteiten.
In *Klarenbeek* vormde De Kopermolen het industriële startpunt voor het ontstaan van het dorp in een eeuwenoud agrarisch cultuurlandschap. Met de nabijgelegen landgoederen ontstond een functionele en economische verwevenheid. Mede door de aanleg van de spoorhalte ontwikkelde de kern zich verder tot een lintdorp in kleinschalig landschap met vooral arbeiderswoningen. Er ontbreekt een statige dorpsstructuur. Het dorp is in het verdelen opgebouwd uit twee delen, een katholiek oosten (gemeente Voorst) en een protestants westen (gemeente Apeldoorn). Deze twee dorpsdelen zijn grotendeels naar elkaar toegegroeid en worden nog enigzins gescheiden door de Groote Wetering in het noorden en de sportvelden in het zuiden. Hier ligt ook de scheiding tussen de twee gemeenten.
In *Voorst* ontwikkelde het dorp zich op de terrasrand met de uiterwaarden van de Voorster Klei. Vanaf de monumentale kerk ontstonden uitwaaierende historische bebouwingslinten. De aanwezigheid van herenhuizen en buitenplaatsen, met bijbehorende lanen, zichtlijnen, tuinen en agrarische gronden, bepaalde het ruimtelijk raamwerk van het dorp. Het dorpsleven was sterk verweven met het landgoedbeheer, pachtboerderijen en landbouw. Deze ontstaansgeschiedenis heeft geleid tot een herkenbare, compacte dorpsstructuur met een statige en groene uitstraling.
De basis voor de dorpsontwikkeling van *Terwolde* vond plaats rondom de kerk, gelegen op de hoge oeverwal. Het dorp was nauw verbonden met het agrarische gebruik van de IJsselvallei met vooral veel fruitteelt, wat nu nog zichtbaar is in de ruimtelijke opzet en de sterke samenhang met het landschap. Rondom het dorp bevinden zich statige erven en IJsselhoeven. De bebouwing volgde hogere gronden en dijken, waardoor Terwolde een langgerekt, open karakter kreeg met sterke zichtrelaties naar het omliggende (IJssel)landschap. Op de stroomrug is een uitloper van de landgoederenzone binnen de gemeente Voorst nog zichtbaar met het beeldbepalend landgoed De Matanze, gelegen tussen de dijk en het dorp.
De *cultuurhistorische kwaliteiten* en *erfgoedwaarden* van de middelgrote dorpen vormen de basis voor een goede omgevingskwaliteit. Deze waarden vormen daarom het vertrekpunt bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent in de middelgrote dorpen een zorgvuldige bescherming van waardevolle historische structuren, landgoederen, monumenten, boerderijen en overige historische (lint)bebouwing.
We bieden de mogelijkheid voor een *passende groei* van de middelgrote dorpen Klarenbeek, Terwolde en Voorst. Hierbij draagt woningbouw bij aan het beantwoorden van de lokale behoefte, maar biedt het ook kansen voor terugkeerders met in het bijzonder aandacht voor *betaalbaarheid*. We investeren in een passend aanbod dat aansluit bij de eigen identiteit en het karakter van de drie middelgrote dorpen. We zien hierbij met name kansen om woningbouw gericht in te zetten om te komen tot een meer *evenwichtig woningaanbod* waarbij er aandacht is voor een mix van doelgroepen, woningtypologieën en prijsklassen. We kiezen daarom voor een divers woningbouwprogramma, met in het bijzonder aandacht voor *betaalbaarheid* en meer mogelijkheden voor compactere woonruimtes voor kleinere huishoudens. Op het gebied van wonen en zorg zien we in de drie middelgrote dorpen een opgave in het vergroten van het woonaanbod voor ouderen met en zonder een zorgvraag. Dit vertaalt zich naar een inzet op het vergroten van het aanbod aan geclusterde woningen. Voor de intensievere zorgvragers kiezen we op basis van de woonzorgvisie (naast Twello) met name voor Voorst als middelgroot dorp waar woningen voor deze groep worden geconcentreerd.
In de middelgrote dorpen landen in totaal ongeveer *750 woningen* van de totale woningbouwopgave. In het toevoegen van nieuwe woningen richten we ons in de eerste instantie op het benutten van ruimte binnen de huidige dorpscontouren, maar we zijn ons er ook van bewust dat dit niet voldoende gaat zijn om invulling te geven aan de woningbouwbehoefte. Wat betreft uitbreiding zijn in Terwolde verschillende mogelijkheden, waaronder de noord- en zuidzijde. We houden rekening met de bodem- en wateromstandigheden. In Voorst en Klarenbeek zien we op de langere termijn vooral in de *stationsomgevingen* kansen voor eventuele uitbreidingen gezien de potentieel goede bereikbaarheid en de kansen die dit mogelijk biedt voor de instandhouding van deze treinstations. Op de kortere termijn wordt hier de mogelijke uitbreiding Voorst-West onderzocht. We streven bij uitbreidingen altijd naar zorgvuldige afronding van de dorpsranden, het bewaken en versterken van de overgang naar het landelijk gebied en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit.
Bij *dorpsuitbreidingen* hanteren wij het *’Groen Groeit Mee’* principe met onder andere de *3‑30‑300 regel*. Dit betekent dat de ontwikkeling van een hoogwaardig blauw-groen netwerk een integraal en prioritair onderdeel is van een woningbouwontwikkeling. Zo bouwen we niet alleen huizen, maar realiseren we een vitale leefomgeving waarin biodiversiteit, waterberging, verkoeling en recreatieve uitloop vanaf het begin wordt verweven in het plan.
We stimuleren gebouweigenaren maatregelen te treffen die bijdragen aan het *verduurzamen* en *klimaatrobuust* maken van de bestaande woningvoorraad. Ook kijken we naar de mogelijkheden om de bestaande woningvoorraad beter te benutten (woningdelen, woningsplitsen). Een soortenmanagementplan moet ervoor zorgen dat gebouwbewonende diersoorten beschermd worden, ondanks ruimtelijke ontwikkelingen zoals isolatie, renovatie en woningbouw. Gebiedsgericht investeren we samen met verschillende partners aan het *aardgasvrij* maken van de woonwijken. Hoe we verder vormgeven aan de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving werken we uit in ons warmteprogramma.
We zetten in op het behouden en versterken van een basisniveau aan *(maatschappelijke) voorzieningen*. Dit betekent een inzet op een laagdrempelige ontmoetingsplek, een zorgpunt, basisonderwijs en waar mogelijk een winkel voor dagelijkse boodschappen. De draagkracht uit de maatschappij om deze voorzieningen in stand te houden vormt hierbij het uitgangspunt. Waar haalbaar en wenselijk zetten we in op *multifunctionele locaties* waar bijvoorbeeld het zorgpunt, basisonderwijs, sportvoorziening en de ontmoetingsplek worden geclusterd.
We bieden in de middelgrote dorpen mogelijkheden voor *solitaire bedrijfslocaties*. We zien mogelijkheden om *functiemenging* toe te passen bij bedrijven in lichtere categorieën, zoals maatschappelijke, licht commerciële en/of sportfuncties en deze te combineren met bijvoorbeeld nieuwe woningbouwontwikkelingen. We kijken altijd op basis van de locatie welk type bedrijvigheid passend is. Bij deze ontwikkelingen passen we in de middelgrote dorpen het *’Groen Groeit Mee’* principe toe.
We kiezen voor de opwaardering en doorontwikkeling van de *stationsomgevingen* van Klarenbeek (in samenwerking met de gemeente Apeldoorn) en Voorst-Empe (in samenwerking met de gemeente Brummen) tot lokale *mobiliteitsknooppunten*. Hier kan men gemakkelijk en snel kan overstappen tussen de trein, (elektrische) fiets, busvervoer en auto. We zorgen voor voldoende stallingsmogelijkheden voor de fiets, in combinatie met mogelijkheden voor deelmobiliteit bij het station. Ook wordt er ingezet op voldoende parkeergelegenheid voor het aanbod van (elektrische) deelauto’s en privéauto's bij het station. We bieden ruimte voor functiemenging van wonen en werken (in lagere milieucategorieën), voorzieningen en recreatie nabij de stationsgebieden. Dit wordt nader uitgewerkt in een omgevingsprogramma.
In de middelgrote dorpen kiezen we voor het behouden en versterken van de verkeersveiligheid en bereikbaarheid. Dit doen we door het *STOMP-principe* (*S*tappen, *T*rappen, *O*penbaar vervoer, *M*obility-as-Service, *P*rivéauto) als leidend principe te gebruiken binnen ontwerpopgaven. Hiermee stellen we bij de inrichting van de openbare ruimte en nieuwe gebiedsontwikkelingen de mens centraal in plaats van de auto, waardoor meer ruimte ontstaat voor gezonde en *duurzame verplaatsingen*. Op deze manier maken we de openbare ruimte veiliger, versterken we de *verblijfskwaliteit* en verlichten we de druk op wegen. Met het (her)inrichten van de openbare ruimte ontwerpen we eerst voor de voetganger en de fietser, pas daarna voor het openbaar vervoer en andere mobiliteitstoepassingen, en tot slot voor de auto. Dit moet leiden tot veilige, aangename en toegankelijke verbindingen voor alle vervoersvormen die de woonwijken verbinden met de voorzieningen en omliggende kernen. Het draagt bij aan een betere verkeersveiligheid en leefbaarheid, juist ook wanneer verkeersstromen door bijvoorbeeld een groeiend inwonertal of ruimtelijke ontwikkelingen toenemen. Voor verplaatsingen waarvoor het openbaar vervoer minder passend is, zetten we doelgericht in op deelmobiliteit en vraaggestuurde vervoersvormen zoals de belbus en de regiotaxi. Ook autobereikbaarheid blijft in de drie middelgrote dorpen een integraal onderdeel binnen de ontwerpopgave, maar dient niet meer als vertrekpunt.
In Klarenbeek, Terwolde en Voorst richten we de openbare ruimte in als *ontmoetingsplek* voor het dagelijks leven. De schaal is overzichtelijk en dichtbij, waardoor de nadruk ligt op herkenbare, centrale plekken waar ontmoeten, ontspannen en bewegen samen komen.
We zetten ons in voor *schone lucht* en voldoende *groene verblijfsruimtes* met eenvoudige sport-, speel- en beweegvoorzieningen. Deze plekken zijn passend bij de identiteit van de middelgrote dorpen, hebben een natuurlijke uitstraling en dragen waar mogelijk bij aan klimaatadaptatie.
Vanuit de kernen sluiten *wandel- en fietsverbindingen* aan op het omliggende landelijk gebied en regionale routes. Zo worden de middelgrote goed verbonden met hun omgeving en wordt het buitengebied actief gebruikt voor recreatie en ontspanning.
We streven naar een *natuurinclusieve*, *klimaatbestendige*, kwalitatieve en veilige openbare ruimte, met voldoende en divers groen dat werkt als een spons bij hevige regenval, de biodiversiteit versterkt en hittestress verlaagt.
Dit betekent in de middelgrote dorpen met name dat we inzetten op meer *fijnmazig groen*, bijvoorbeeld gekoppeld aan ontmoetingsplekken. We zetten waar mogelijk in op het uitbreiden van deze *groenstructuur*, onder andere in het kader van het werken aan doelen vanuit de Natuurherstelwet, en het verbinden van groen binnen de kom met groen buiten de kom.
We beheren het groen in onze gemeente op een zodanige wijze dat de *ecologische kringloop* gerespecteerd wordt. Hierbij vormen leefbaarheid, duurzaamheid en biodiversiteit de centrale uitgangspunten.
We koppelen *hemelwater* af bij herinrichting, grootschalig rioolonderhoud, nieuwbouw, grootschalige verbouwingen en het aanbrengen van grotere oppervlakten verharding. We kiezen hierbij bij voorkeur voor zichtbaar water, bijvoorbeeld in wadi's. Ook stimuleren we particulieren om regenwater af te koppelen.
In de middelgrote dorpen streven we naar *infiltratie* van regenwater in de ondergrond. Wij streven ernaar om schade en overlast op openbaar terrein en doorgaande wegen zoveel mogelijk tegen te gaan, maar we kunnen dit niet altijd voorkomen.
Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen sturen we op een toekomstbestendige en *beheerbare openbare ruimte*, waarbij kwaliteit, *onderhoud* en lifecyclekosten vanaf het begin worden meegewogen.

[3] Het dorp Klarenbeek valt naast de gemeente Voorst ook onder de gemeente Apeldoorn. In de uitvoering van onze gebiedsspecifieke keuzes hebben we aandacht voor nauwe samenwerking en aansluiting bij de ambities van de gemeente Apeldoorn voor Klarenbeek.
Kenschets van deelgebied
De dorpen van de gemeente Voorst, Bussloo, De Vecht, Nijbroek, Posterenk, Steenenkamer, Teuge, Wilp en Wilp-Achterhoek, zijn kleiner van formaat, maar vormen het fijnmazige sociale weefsel van het buitengebied. Waar Twello en de middelgrote dorpen een rol hebben in het voorzieningenniveau van de gemeente, zijn de dorpen karaktervolle identiteitsdragers met een sterke relatie met het omliggende landschap. De kracht van deze dorpen ligt niet in de kwantiteit van voorzieningen, maar in de kwaliteit van de leefomgeving en de sociale cohesie (noaberschap). De dorpshuizen, verenigingen en lokale evenementen dragen bij aan de kloppende dorpsharten en vormen het fundament voor dit noaberschap. In de dorpen is het rustig, ruim en groen wonen in hechte gemeenschappen.


Gebiedsspecifieke keuzes voor het deelgebied:
We kiezen voor een *leefbare* en *vitale woonomgeving* waarin het authentieke dorpse karakter en de *menselijke maat* centraal staan. We koesteren de historische gelaagdheid en de verbinding met het omliggende landschap als basis voor nieuwe ontwikkelingen. Voor de dorpen betekent dit het bewaken van *het groen en de rust*, het sterke noaberschap en de verwevenheid met het buitengebied. De beleving wordt hier bepaald door karakteristieke doorzichten naar het landschap en een kleinschalige bebouwingsstructuur van veelal historische linten.
De *cultuurhistorische kwaliteiten* en *erfgoedwaarden* van de dorpen vormen de basis voor een goede omgevingskwaliteit. Deze waarden vormen daarom het vertrekpunt bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent voor de dorpen onder andere een zorgvuldige bescherming van de landgoederen en buitenplaatsen nabij de dorpen, historische dorpskernen en de veelheid aan monumenten en andere cultuurhistorische bebouwing.
In de dorpen bieden we voldoende ruimte om te voorzien in de lokale woonbehoefte, passend bij de identiteit van het gebied. Hierbij zoeken we nadrukkelijk aansluiting op de veranderende woonbehoeften en zetten we in op de ontwikkeling van kleinere en *levensloopbestendige woningen* voor jongeren en senioren. Vanwege het karakter en de maat en schaal van de dorpen staan we hier open voor *collectieve wooninitiatieven*.
In de woningbouwopgave sluiten we aan bij de kwantitatieve én kwalitatieve groeibehoefte per dorp met in het bijzonder aandacht voor *betaalbaarheid*. Dit betekent dat in de dorpen ongeveer *250 tot 750 woningen* landen van de totale woningbouwopgave in de gemeente tot 2050. Dit kan ook betekenen dat in het ene dorp meer groei plaatsvindt richting 2050 dan in het andere, op basis van het karakter, de behoeften en woningbouwinitiatieven. In het toevoegen van nieuwe woningen richten we ons in de eerste instantie op het benutten van ruimte binnen de huidige dorpscontouren. Daarbij gaat nadrukkelijk ook aandacht uit naar mogelijkheden in bestaand vastgoed, zoals transformatie, slimme verkaveling of woningsplitsing. In dorpen waar de inbreidingsmogelijkheden beperkt zijn, zien we in bepaalde gevallen kansen voor kleinschalige *uitbreiding* aan de dorpsranden. We streven bij uitbreidingen altijd naar zorgvuldige afronding van de dorpsranden, het bewaken en versterken van de overgang naar het landelijk gebied en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Op kortere termijn wordt in ieder geval de uitbreiding aan de noordzijde van Wilp-Achterhoek onderzocht. Voor elke woningbouwontwikkeling geldt dat de draagkracht van het bodem- en watersysteem op locatie bepalend is voor de beschikbare ontwikkelruimte. In de gebieden die kwetsbaar zijn voor overstroming, (grond)wateroverlast en/of inklinking zetten we in op het zo veel mogelijk beperken van woningbouw.
Bij *dorpsuitbreidingen* hanteren altijd het *’Groen Groeit Mee’* met onder andere de *3‑30‑300 regel*. Dit betekent dat de ontwikkeling van een hoogwaardig blauw-groen netwerk een integraal en prioritair onderdeel is van een woningbouwontwikkeling. Zo bouwen we niet alleen huizen, maar realiseren we een vitale leefomgeving waarin biodiversiteit, waterberging, verkoeling en recreatieve uitloop vanaf het begin wordt verweven in het plan.
We stimuleren gebouweigenaren maatregelen te treffen die bijdragen aan het *verduurzamen* en *klimaatrobuust* maken van de bestaande woningvoorraad. Ook kijken we naar de mogelijkheden om de bestaande woningvoorraad beter te benutten (woningdelen, woningsplitsen). Een soortenmanagementplan zorgt ervoor dat gebouwbewonende diersoorten beschermd worden, ondanks ruimtelijke ontwikkelingen zoals isolatie, renovatie en woningbouw. Gebiedsgericht investeren we samen met verschillende partners aan het *aardgasvrij* maken van de woonwijken. Hoe we verder vormgeven aan de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving werken we uit in ons warmteprogramma.
We investeren in onderlinge verbondenheid en *samenredzaamheid* door laagdrempelige ontmoeting te stimuleren. In ieder dorp zetten we daartoe in op leefbare dorpsharten met behoud van een *eigen ontmoetingsplek*. Bij voorkeur gaat dit om een inpandig trefpunt met ruimte voor multifunctioneel gebruik, zoals een dorpshuis of gemeenschapsruimte. De draagkracht uit de maatschappij om deze voorzieningen in stand te houden vormt hierbij het uitgangspunt.
We zetten in op een getrapt voorzieningenniveau. Dat betekent in de dorpen dat we ons voor maatschappelijke voorzieningen anders dan de eigen ontmoetingsplek richten op een goede *bereikbaarheid* van het voorzieningenaanbod vanuit de dorpen naar Twello, Klarenbeek, Terwolde en Voorst en de nabijgelegen gemeenten Apeldoorn en Deventer. Het liefst behouden we de bestaande voorzieningen in de dorpen, maar we zien ook dat hiervoor in de toekomst mogelijk niet voldoende draagkracht is door huishoudensverdunning. We zetten we bij nieuwe ontwikkelingen verder in op *multifunctioneel gebruik* van bestaande locaties, *gedeelde of mobiele voorzieningen* en goede bereikbaarheid van het voorzieningenaanbod.
In de dorpen passen we voor *solitaire bedrijfslocaties* maatwerk toe. We kijken altijd op basis van de specifieke locatie of (en zo ja welk type) bedrijvigheid passend is.
In de dorpen kiezen we voor het behouden en versterken van de verkeersveiligheid en bereikbaarheid. Dit doen we door het *STOMP-principe* (*S*tappen, *T*rappen, *O*penbaar vervoer, *M*obility-as-Service, *P*rivéauto) als leidend afwegingskader te gebruiken binnen ontwerpopgaven. Met dit principe stellen we bij de inrichting van de openbare ruimte en nieuwe gebiedsontwikkelingen de mens centraal in plaats van de auto, waardoor meer ruimte ontstaat voor gezonde en *duurzame verplaatsingen*. Op deze manier maken we de openbare ruimte veiliger, versterken we de *verblijfskwaliteit* en verlichten we de druk op wegen. Met het (her)inrichten van de openbare ruimte ontwerpen we eerst voor de voetganger en de fietser, pas daarna voor het openbaar vervoer en andere mobiliteitstoepassingen, en tot slot voor de auto. Dit moet leiden tot veilige, aangename en toegankelijke verbindingen voor alle vervoersvormen die woningen verbinden met de voorzieningen en omliggende kernen. Het draagt bij aan een betere verkeersveiligheid en leefbaarheid, juist ook wanneer verkeersstromen door bijvoorbeeld een groeiend inwonertal of ruimtelijke ontwikkelingen toenemen. Voor verplaatsingen waarvoor het openbaar vervoer minder passend is, zetten we doelgericht in op deelmobiliteit en vraaggestuurde vervoersvormen zoals de belbus en de regiotaxi. Ook autobereikbaarheid blijft in de dorpen een integraal onderdeel binnen de ontwerpopgave, maar dient niet meer als vertrekpunt.
In de dorpen staat een gezonde, uitnodigende openbare ruimte dicht bij huis centraal. De focus ligt op kleinschalige ontmoetingsplekken, groene dorpsranden en veilige routes om te wandelen en te fietsen.
We zetten ons in voor *schone lucht* en voldoende *groene verblijfsruimtes* met eenvoudige sport- speel- en beweegvoorzieningen.
We stimuleren *informele ontmoeting* en beweging door eenvoudige, goed onderhouden voorzieningen in een groene, natuurlijke inrichting. De openbare ruimte wordt benut om bij te dragen aan leefbaarheid en klimaatadaptatie, passend bij de schaal van de kern.
Het *landelijk gebied* vormt een vanzelfsprekend onderdeel van de leefomgeving. Door goede verbindingen met bestaande (recreatieve) paden en routes blijven de kernen aantrekkelijk als woonplek en goed verbonden met het omliggende landschap.
We streven naar een *natuurinclusieve*, *klimaatbestendige*, kwalitatieve en veilige openbare ruimte, met voldoende en divers groen dat werkt als een spons bij hevige regenval, de biodiversiteit versterkt en hittestress verlaagt.
Dit betekent in de dorpen met name dat we inzetten op meer *fijnmazig groen*, bijvoorbeeld gekoppeld aan ontmoetingsplekken. We zetten waar mogelijk in op het uitbreiden van deze *groenstructuur*, onder andere in het kader van het werken aan doelen vanuit de Natuurherstelwet, en het te verbinden met groen buiten de kom.
We beheren het fysieke groen in onze gemeente op een zodanige wijze dat de *ecologische kringloop* gerespecteerd wordt. Hierbij vormen leefbaarheid, duurzaamheid en biodiversiteit de centrale uitgangspunten.
We koppelen *hemelwater* af bij herinrichting, grootschalig rioolonderhoud, nieuwbouw, grootschalige verbouwingen en het aanbrengen van grotere oppervlakten verharding. We kiezen hierbij bij voorkeur voor zichtbaar water, bijvoorbeeld in wadi's. Ook stimuleren we particulieren om regenwater af te koppelen.
In de dorpen Bussloo, Posteren, Steenenkamer, Teuge, Wilp en Wilp-Achterhoek streven we naar *infiltratie* van regenwater in de ondergrond. In De Vecht en Nijbroek is de ondergrond minder geschikt voor infiltratie en zorgen we voor (oppervlakkige berging) en het *afvoeren* van het regenwater richting het oppervlaktewater. Wij streven ernaar om schade en overlast op openbaar terrein en doorgaande wegen zoveel mogelijk tegen te gaan, maar we kunnen dit niet altijd voorkomen.
Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen sturen we op een toekomstbestendige en *beheerbare openbare ruimte*, waarbij kwaliteit, *onderhoud* en lifecyclekosten vanaf het begin worden meegewogen.


Kenschets van deelgebied
De werklocaties in de gemeente Voorst vormen een belangrijk onderdeel van de economie in de regio. Waar de dorpen primair gericht zijn op wonen en leefbaarheid, vormen bedrijventerreinen als Nijverheid & ’t Belt, Engelenburg en Terwolde, de plekken waar ondernemerschap, productie en werkgelegenheid samenkomen. De terreinen zijn hoofdzakelijk ingericht op een sterk MKB en (familie)bedrijven met een sterke regionale binding. Gebied De Kar en Luchthaven Teuge nemen een onderscheidende positie in. In het gebied bij De Kar komt veel samen: het ligt op de grens met de gemeente Apeldoorn, er wordt gewoond, er is bedrijvigheid en er is een afvalverwerkingslocatie van Attero. Luchthaven Teuge is een werklocatie met een dynamische mix van luchtvaartgebonden bedrijvigheid, innovatie,educatie,recreatie en toerisme, met daarbij de (bovenlokale) maatschappelijke functie van het vliegveld op het gebied van zorg en veiligheid. Nijverheid & ‘t Belt en bedrijventerrein Terwolde kenmerken zich hoofdzakelijk door maakbedrijven en handel. Engelenburg heeft een gemengd karakter met hoogwaardige moderne bedrijfsruimten.
Gebiedsspecifieke keuzes voor het deelgebied:
Om in lijn met de regionale afspraken de benodigde ontwikkelruimte voor bedrijven te voorzien, in lijn met de regionale afspraken, zetten we in samenwerking met het bedrijfsleven actief in op *behoud*, *toekomstbestendige herstructurering*, *inbreiding* en *(geleidelijke) uitbreiding* van de werklocaties. Per werklocatie kiezen we daarbij voor een ander accent, aansluitend op het bestaande karakter en de ruimtelijke en functionele mogelijkheden:
Op *bedrijventerrein Engelenburg* liggen mogelijkheden om de huidige ruimte efficiënter te benutten. Hierbij vormt met name de netcongestie een opgave. We breiden Engelenburg uit met circa 15 hectare bedrijventerrein en bieden daarmee ruimte voor maak- en productiebedrijven en onze lokale ondernemers. We voeren regie op de ontwikkeling om betaalbare bedrijfsruimte aan te bieden en in te zetten op een groen bedrijventerrein. We zien hier kansen voor openbaar vervoer en deelmobiliteit in combinatie met een duurzame mobiliteitshub met bijvoorbeeld collectief parkeren. Om als gemeente regie te voeren op duurzame doorontwikkeling van dit gebied, hebben we het wettelijk voorkeursrecht gevestigd. Om als gemeente regie te voeren op duurzame doorontwikkeling van dit gebied, hebben we het wettelijk voorkeursrecht gevestigd.
Voor de *bedrijventerreinen Nijverheid & ‘t Belt* ligt de primaire focus op het bieden van een toekomstbestendig ondernemersklimaat voor reeds gevestigde bedrijven en een betere passende maat en schaal van bedrijvigheid nabij de woonwijken. We kiezen we voor gerichte revitalisering, herstructurering en - voor een klein deel van ‘t Belt - gedeeltelijke transformatie naar woningbouw en mengbare (bedrijfs)functies.
Op *bedrijventerrein Terwolde* blijven we ruimte bieden aan het lokaal MKB en leggen we de focus voornamelijk op het vasthouden van de huidige ruimte voor reeds gevestigde bedrijven. We voorzien hier vooralsnog geen ruimte voor uitbreiding. Wel kijken we bij initiatieven actief mee naar mogelijkheden om binnen de bestaande contouren te verdichten en/of intensiveren.
In het gebied bij *De Kar* komen veel belangen samen: wonen, werken, natuur en landschap. We bieden beperkte ontwikkelmogelijkheden in het gebied voor lokale bedrijven en onderscheidende bedrijvigheid op het gebied van circulariteit en duurzaamheid. Het uitgangspunt daarbij is dat de bedrijfsontwikkeling gepaard gaat met een investering in het landschap en de natuur met een groene zone tussen het werk- en het woongebied. Het natuurbeleid van de provincie is daarbij leidend (Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelzone). Er wordt daarnaast ruimte gemaakt voor een duurzame mobiliteitshub. Vanwege de ligging, de doorontwikkeling van elektrisch rijden en de afname van fossiele brandstoffen, voorzien we hier extra kansen voor innovatieve mobiliteitsoplossingen. Dit is verder uitgewerkt in Gebiedsvisie De Kar.
Voor *Luchthaven Teuge* geldt een inzet op *luchtvaartgebonden bedrijvigheid*, innovatie, educatie en recreatie, die gepaard gaat met aandacht voor de ruimtevraag vanuit de (bovenlokale) maatschappelijke functie van het vliegveld op het gebied van zorg en veiligheid en met oog voor emissiereductie, de energietransitie en het beperken van negatieve omgevingseffecten. eDoor middel van herstructurering, inbreiding van het bestaande luchthaventerrein en uitbreiding op Teuge-West streven we daarbij naar uitbreiding van de bedrijfsruimte van circa 6 hectare met aandacht voor landschappelijke inpassing. Ook liggen hier kansen voor de doorontwikkeling van een Smart Energy Hub en de koppeling daarvan met een mobiliteitshub op het gebied van bijvoorbeeld collectief parkeren en laadinfrastructuur. Het ontwikkelplan voor de luchthaven en de verschillende functies en belangen die hier bijeenkomen, wordt nader uitgewerkt in het gebiedsgericht omgevingsprogramma Luchthaven Teuge.
Vanuit ons streven naar zorgvuldig ruimtegebruik, grijpen we kansen voor het *optimaliseren* van ruimtegebruik op de bestaande bedrijventerreinen graag aan. Hiertoe verkennen we samen met het bedrijfsleven en andere partners gebiedsgericht de mogelijkheden voor *intensivering* en *efficiënter ruimtegebruik*.
Bij ontwikkelingen op de bedrijventerreinen zetten we in op een slimme omgang met planologische mogelijkheden wat betreft het bouwvlak, bouwhoogte en beschikbare milieuruimte en het beter benutten van extensieve of braakliggende kavels.
Het principe *’de juiste functie op de juiste plek’* biedt op bedrijventerreinen verplaatsingsmogelijkheden voor betere benutting. Ook zien we in enkele gevallen kansen voor het benutten van schuifruimte tussen verschillende bedrijfslocaties binnen de gemeente. Zo kan de ontwikkeling van Engelenburg-West ruimte bieden voor bedrijfsverplaatsingen ten behoeve van de gedeeltelijke transformatie van ‘t Belt, de clustering van solitaire bedrijfslocaties en het optimaal benutten van de milieuruimte. We gaan zorgvuldig om met de schaarse, bestaande bedrijfsruimte voor hogere milieucategorieën (3.1 en hoger). Om de beschikbare milieuruimte zo efficiënt mogelijk te gebruiken willen we op deze locaties geen bedrijvigheid uit lagere milieucategorieën (1 en 2).
We zetten ons in voor de verduurzaming van de energievoorziening en het aanpakken van opgaven rondom netcongestie. Voor de verschillende werklocaties is het streven dat de benodigde energie zoveel mogelijk zelf *duurzaam opgewekt* en *opgeslagen* wordt, bijvoorbeeld via het optimaal benutten van bedrijfsdaken voor zonnepanelen. We ondersteunen *Smart Energy Hub* initiatieven waarbinnen uitwisseling tussen opwek, opslag en verbruik mogelijk gemaakt wordt. Samen met het aanwezige bedrijfsleven zetten we in op (door)ontwikkeling van deze lokale hubs. Binnen de geldende kaders op het gebied van veiligheid en gezondheid bieden we bedrijven ook experimenteerruimte op het gebied van alternatieve energie- en warmtebronnen, opslag en transport zoals groene waterstof.
We borgen en verbeteren de *bereikbaarheid* van werklocaties voor zowel woon-werkverkeer als goederenvervoer. Daarmee ondersteunen we de economische functie van deze gebieden en dragen we bij aan een veilige, aantrekkelijke en duurzame werkomgeving. Mobiliteitskeuzes maken we gebiedsgericht, passend bij de ligging, functie en schaal van het gebied.
Voor werklocaties en bedrijventerreinen behouden en versterken we de verkeersveiligheid en bereikbaarheid door het *STOMP-principe* te gebruiken als leidend afwegingskader bij (her)inrichtingen en gebiedsontwikkelingen. Dit betekent dat we bij het ontwerp van de openbare ruimte eerst uitgaan van de voetganger en fietser, daarna van openbaar vervoer en deelmobiliteit, en tot slot van de auto. Op deze manier willen we bijdragen aan veilige, aangename en toegankelijke verbindingen met de woonwijken, tussen de werklocaties onderling en de hoofdwegenstructuur. Het draagt bij aan een betere verkeersveiligheid en leefbaarheid, juist ook wanneer verkeersstromen door bijvoorbeeld een groeiend inwonertal of ruimtelijke ontwikkelingen toenemen. (Vracht)autobereikbaarheid blijft daarbij belangrijk, maar vormt niet langer vanzelfsprekend het vertrekpunt.
We stellen als doel om de werklocaties en bedrijventerreinen via hoogwaardige fietsinfrastructuur te verbinden met regionale *(snel)fietsroutes*. Waar niet anders mogelijk combineren we deze routes binnen de kom met andere vervoersstromen zoals de auto.
We zetten in op de realisatie van één of meerdere *mobiliteitshubs*. Deze voorzieningen dienen als centraal knooppunt waar verschillende vormen van vervoer samenkomen, zoals fietsvoorzieningen, openbaar vervoer en deelmobiliteit. Indien passend combineren we dit met collectief parkeren en laadvoorzieningen. Door deze te bundelen op strategische locaties worden duurzame reizen aantrekkelijker voor werknemers en bezoekers, verminderen we autogebruik op en rondom bedrijventerreinen en dragen we bij aan de verkeersveiligheid en bereikbaarheid van bedrijven.
We streven naar een goede *omgevingskwaliteit* en besteden nadrukkelijk aandacht aan hittestress, biodiversiteit, wateropvang, landschap, cultuurhistorie en recreatie.
Hiertoe kiezen we voor het *vergroenen* van de bedrijventerreinen. We zoeken ruimte voor een samenhangende groenblauwe dooradering die in balans is met de economische ontwikkelingen. Dit doen we op de bestaande bedrijventerreinen en we geven hiervoor bij uitbreidingen en (her)ontwikkelingen duidelijke kaders mee.
Tevens zetten we dit in om de overgangen tussen woongebieden en werklocaties te verzachten en de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. Dit combineren we waar mogelijk met het toevoegen van (recreatieve) fiets- en wandelverbindingen.
We koppelen *hemelwater* af bij herinrichting, grootschalig rioolonderhoud, nieuwbouw, grootschalige verbouwingen en het aanbrengen van grotere oppervlakten verharding. We kiezen hierbij bij voorkeur voor zichtbaar water, bijvoorbeeld in wadi's. Ook stimuleren we bestaande bedrijven om regenwater af te koppelen.
Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen sturen we op een toekomstbestendige en *beheerbare openbare ruimte*, waarbij kwaliteit, *onderhoud* en lifecyclekosten vanaf het begin worden meegewogen.
We spannen ons in voor een *gezonde en veilige leefomgeving* op de werklocaties én voor naastgelegen functies zoals woningen. Onevenredige belasting door bedrijvigheid, bijvoorbeeld op het gebied van verkeer, geluid of geur willen we vermijden. We zetten ons daarnaast in voor de sociale veiligheid op en rond onze werklocaties. We streven ernaar dat het toevoegen van bedrijvigheid altijd in balans is met het zoveel mogelijk beperken van de milieubelasting, negatieve gezondheidseffecten en externe veiligheidsrisico’s. Het landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid vormen hierbij het uitgangspunt.
We bevorderen de *samenwerking* en *kennisuitwisseling* tussen de ondernemers op de bedrijventerreinen en binnen de gemeente, bijvoorbeeld op het gebied van innovatie, verduurzaming en circulariteit. We nemen hier als gemeente een faciliterende rol in om regionale uitwisseling tussen bedrijven, (regionale) onderwijsinstellingen en maatschappelijke instellingen te versterken.

Kenschets van deelgebied
De groene buffer vormt een duidelijke bufferzone tussen de steden en dorpen en de dorpen onderling. Het is een landschappelijk waardevol gebied dat voorkomt dat de verschillende dorpen binnen en buiten de gemeente op termijn aan elkaar groeien en hierdoor hun eigen identiteit verliezen. Het vervult daarnaast een belangrijke rol in overgangsgebied van de flanken van de Veluwe naar de lage IJsselvallei en het Voorster deel van de ecologische schakel tussen deze beschermde natuurgebieden. Het beschikt over diverse monumentale landgoederen en buitenplaatsen, zoals Landgoed Beekzicht, Landgoed De Poll en Landgoed Hunderen, waardoor in de groene buffer een grote rijkdom aan aardkundige en cultuurhistorische kwaliteiten aanwezig zijn. Het is een afwisselend landschap met landhuizen met parken en pachtboerderijen, beken, weteringen en landbouwgronden dooraderd met houtwallen, singels, bossen, lanen en diverse (kleinere) natuurgebieden zoals de Kraaigraaf en het Appense Bos. Ook de directe omgeving van diverse beken en weteringen behoort tot de groene bufferzone. De natuurgebieden en de groenblauwe dooradering, in zowel west-oost als zuid-noord richting, vormen de groene ruggengraat van de gemeente.

Gebiedsspecifieke keuzes voor het deelgebied:
We kiezen in de groene buffer, in lijn met ons Programma Landelijk Gebied, voor de *natuur* als voornaamste drager van het gebied. Zo beschermen we de landschappelijke kwaliteiten van het gebied, voorkomen we dat dorpen aan elkaar groeien en creëren we een aantrekkelijk uitloopgebied voor onze dorpen. Het versterken van landschap en natuur in de groene buffer door het aanleggen van missende verbindingen in dit groenblauwe netwerk vormt een belangrijke opgave in de groene buffer. Dit is een gebiedsopgave die altijd hand in hand met het agrarische gebruik van de groene buffer. Daarbij wordt wel ingezet op het *extensiveren* van de agrarische activiteiten zodat deze passen bij de ecologische en landschappelijke kwaliteiten, zoals natuurinclusieve en biobased landbouw of, met name in de dorpsranden, voedselbossen. Gezien de stedelijke druk uit omliggende steden op (delen van) de groene buffer wordt daarnaast de mogelijke ontwikkeling van een *(regionaal) landschapspark* onderzocht.
In de ontwikkeling van het gebied vormt het behouden en versterken van de *cultuurhistorische* en *landschappelijke waarden* een belangrijk uitgangspunt. De landgoederen met haar monumentale lanen en zichtlijnen, (park)bossen, landhuizen en pachtboerderijen evenals de weteringen en beken en de afwisseling van jonge bossen, houtsingels en erfbeplantingen maken de groene buffer tot een aantrekkelijk, afwisselend landschap voor mens en dier. Ontwikkelingen in het gebied, waaronder ook de natuurontwikkeling, dienen een aantoonbare bijdrage te leveren aan deze cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten en zijn in lijn met het bodem- en watersysteem.
We koesteren onze agrariërs als producenten van gezond voedsel en als *beheerders* van het landschap. Van oudsher vervullen zij een belangrijke rol in de instandhouding van het cultuurhistorische landschap van de vele *landgoederen* in het gebied. Veel agrariërs in het gebied zijn nog altijd pachter van agrarische grond op een van de landgoederen. Dit *pachtmodel* biedt kansen om de samenwerking tussen de landgoedeigenaren en de agrariërs te versterken en zo gezamenlijk te werken aan de doelstellingen van het landgoed, bijvoorbeeld inzet op voedselbossen of *natuurinclusieve, duurzame landbouw*. De gemeente wil hier graag een faciliterende rol in spelen om te onderzoeken hoe gekomen kan worden tot *toekomstbestendige agrarische verdienmodellen*, bijvoorbeeld in de vorm van *langdurige beheercontracten*. Deze verdienmodellen zorgen enerzijds voor een eerlijk inkomen voor de boer. Anderzijds dragen ze bij aan het instandhouden of vergroten van de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten en het versterken van het natuurlijke bodem- en watersysteem van de landgoederen en daarbuiten. We verkennen daarnaast met partijen als Waterschap Vallei en Veluwe en drinkwaterbedrijf Vitens of in de toekomst de financiering van natuur- en waterbeheer door de agrariër mogelijk is. Daarnaast ondersteunen we initiatieven vanuit agrariërs en inwoners die bijdragen aan deze doelen.
We zetten ons in om de *ecologische verbindingen* in de groene buffer te versterken, als schakel tussen de IJssel en de Veluwe.
Binnen de groene buffer leggen we waar mogelijk de koppeling met de gebieden binnen het *Gelders Natuur Netwerk* en de *Groene Ontwikkelingszones* van de provincie Gelderland. Hier liggen kansen om zowel de ambities van de gemeente als de doelen van de provincie te verwezenlijken. Zo werken we samen aan een aaneengesloten natuurnetwerk. Dit netwerk kan bestaan uit zowel nieuwe natuur en natuurinclusieve landbouw als groenblauwe dooradering (bijvoorbeeld in het kader van de groenblauwe hoofdstructuur van de regio Stedendriehoek).
We zien daarnaast onze beken en weteringen als *groenblauwe ruggengraat* van de gemeente en als kansrijke, robuuste ecologische verbindingen. Langs deze wateren zetten we in op het vergroten van de natuurwaarden. Dit doen we bijvoorbeeld door het aanleggen van natte natuur (‘plas-dras’) en *natuurvriendelijke oevers* en het extensiveren van de landbouw in de directe nabijheid van deze watergangen. Hiervoor zoeken we nadrukkelijk de samenwerking op met het waterschap, buurgemeenten, natuurorganisaties,, grondeigenaren en belanghebbenden.
We werken in het gebied aan het versterken van het *natuurlijke bodem- en watersysteem*.
Dat betekent dat we streven naar de *juiste functie op de juiste plek* op basis van dit bodem- en watersysteem, zowel voor de landbouw, natuur en wonen als andere functies in het gebied.
We zetten in op het verbeteren van de *infiltratie* van water in het gebied, met name op de hogere delen. In de beken, weteringen en de lagere delen in het gebied zetten we in op het *vertraagd afvoeren* van water. Dit sluit onder andere aan op de opgave vanuit het waterschap om in de broekgebieden het water langer vast te houden. Zo vergroten we de *waterbeschikbaarheid* in drogere periodes voor zowel de natuur als de landbouw in het gebied.
We reserveren ruimte voor de uitbreiding en mogelijke verdubbeling van de capaciteit van het *waterwingebied* in Twello. Dit wordt momenteel verkend door drinkwaterbedrijf Vitens. Bij deze opschaling is het voorkomen van verdroging voor de lokale landbouw en natuur een belangrijke randvoorwaarde. Negatieve effecten moeten indien nodig zo veel mogelijk technisch worden gecompenseerd. Binnen de beschermingszones rond de winning blijven strenge regels gelden voor risicovolle activiteiten om het grondwater ook in de toekomst schoon te houden. We kiezen in het gebied voor een multifunctionele inrichting, waarbij waterwinning hand in hand gaat met bijvoorbeeld natuurinclusieve landbouw en de ecologische verbindingszone langs de Terwoldse Wetering.
Om in de toekomst te voorzien in voldoende drinkwater, zijn voor de langere termijn (2040) de Wilpse, Nijenbeekse en delen van de Voorsterklei als kwetsbaar reserveringsgebied voor oeverwaterwinning aangewezen door de Provincie Gelderland. Dit is een strategisch reserveringsgebied voor *drinkwaterwinning*. In deze reserveringsgebieden gelden beschermingsbepalingen om de bodemintegriteit te behouden en verontreiniging te voorkomen. Om die reden staan we ontwikkelingen die mogelijk strijdig zijn met deze toekomstige drinkwaterwinning niet toe.
We werken in het kader van de Kader Richtlijn Water (KRW) samen met Waterschap Vallei en Veluwe aan het verbeteren van de waterkwaliteit in de *KRW-watergangen* in onze gemeente.
We zetten in op het behouden en verbeteren van een *gezonde, veerkrachtige bodem*, onder andere door bodemverdichting te voorkomen en natuurlijke bodemstructuren te versterken, zodat het gebied beter bestand is tegen droogte en piekbuien.
We werken mee aan maatregelen ten behoeve van de *waterveiligheid* van onze gemeente en daarbuiten. Dit betekent dat invulling gegeven wordt aan de benodigde *ruimte voor de IJssel*.
In dit kader ligt (onder andere) in de groene buffer tussen Twello en Steenenkamer een ruimtereservering van het Rijk vanwege het onderzoek naar de *hoogwatergeul Deventer-Twello*. Binnen dit gebied gelden daarom diverse restricties vanuit Rijkswaterstaat: zo mogen er geen kapitaalintensieve ontwikkelingen plaatsvinden. Om het risico op verdroging in de omgeving tegen te gaan, streven wij ernaar dat een eventuele geul groen wordt ingericht (in plaats van met open water) en dat dit gepaard gaat met een kwaliteitsimpuls van het landschap. We vinden het belangrijk om onze cultuurhistorische- en natuurwaarde te behouden, waar mogelijk te versterken en de impact voor inwoners te beperken.
We kiezen voor het vergroten van de *recreatieve potentie* van het gebied. Gezien de natuurwaarden zien we hier met name kansen voor *extensieve recreatie* die hiermee goed samengaat. Dit betekent onder andere de inzet op het verbeteren en waar nodig uitbreiden van *wandel- en fietsroutes*. Ook zien we in het gebied kansen voor *agrotoerisme*, bijvoorbeeld in de vorm van kleinschalige natuur- of boerencampings. We werken dit verder uit in een omgevingsprogramma.
We blijven in dit gebied de aanwezige *recreatieve potentie* benutten, met oog voor de balans tussen *rust en reuring*.
De landhuizen en landgoederen in het gebied zijn veelal particulier bezit. We blijven eigenaren stimuleren om in het kader van de Natuurschoonwet de landgoederen zoveel mogelijk *open* te (blijven) *stellen*. We denken hierbij graag mee met eigenaren over slimme routes die bezoekers in de gelegenheid stellen om te genieten van landgoed zonder dat dit ten koste gaat van de privacy en voor verstoring van de natuur zorgt. We zetten daarnaast in op het beter uitdragen van het verhaal van de landgoederen, het beleefbaar maken van het erfgoed en het toevoegen van meer informatievoorzieningen over de historie, architectuur en het landschap.
We kiezen voor het verbeteren en uitbreiden van de *wandel- en fietsroutes* tussen de groene buffer en de dorpen.
We ondersteunen de verdere *openstelling* van landhuizen en bijgebouwen voor kleinschalige (recreatieve en culturele) functies als schakel in het recreatieve netwerk. Voorbeelden hiervan zijn landgoedwinkels waar lokale producten worden verkocht, kleinschalige verblijfsrecreatie in bijgebouwen van het landgoed of zorg- en educatiefuncties. Dit kan tevens een welkome bijdrage leveren aan het verbreden van het *verdienmodel van landgoederen* en daarmee aan de duurzame instandhouding ervan.
We werken bovenstaande keuzes verder uit in een programma.
In de dorpsranden geven we de *overgangen* tussen wonen, natuur en landbouw vorm. We kiezen hier voor vergroening, waterberging en een focus op *dagelijkse recreatie* voor de eigen inwoners, met ruimte voor ommetjes, speelgelegenheid, voedselbossen, moestuinen en kleinschalige wooninitiatieven. Het vormt de verbinding tussen de dorpen en de groene buffer als *recreatief uitloopgebied* vanuit de dorpen. Daarom geldt ook hier dat wordt ingezet op goede wandel- en fietsroutes.
We hanteren in de groene buffer het *STOMP-principe* als leidend afwegingskader binnen ontwerpopgaven. Het draagt bij aan een betere verkeersveiligheid en leefbaarheid, juist ook wanneer verkeersstromen door bijvoorbeeld een groeiend inwonertal of ruimtelijke ontwikkelingen toenemen. Dit betekent niet dat we de auto weren, maar dat we met het wegen ontwerpen de vraag stellen welke vervoersvormen hier het beste passen. Dit kan leiden tot maatregelen waardoor niet alle vervoersstromen van alle wegen gebruik kunnen maken. We stimuleren *wandelen en fietsen* vooral vanuit recreatieve en korte functionele verplaatsingen. We werken aan een samenhangend wandel- en fietsnetwerk waar we inzetten op goede, veilige en aantrekkelijke wandel- en fietsverbindingen tussen dorpen, kernen en het landschap. Daarbij sluiten we waar mogelijk aan op regionale routes en recreatieve netwerken, waarbij we de samenwerking opzoeken met buurgemeenten en de provincie. We proberen deze opgave waar mogelijk en wenselijk te combineren met *landschappelijke versterking*. Om fietsen verder te stimuleren, onderzoeken we of en op welke manier we verlichting kunnen toepassen op hoofdfietsroutes in het buitengebied. Tegelijkertijd zoeken we naar een passende invulling van *openbaar vervoer* en *vraaggestuurd vervoer* (zoals buurtbussen, een belbus of regiotaxi) om de verbinding tussen het landelijk gebied en de dorpen, middelgrote dorpen, Twello en regionale voorzieningen te versterken. De auto blijft in het buitengebied een onmisbaar vervoersmiddel, onder meer voor dagelijkse verplaatsingen, landbouwverkeer, zorg, ondernemerschap en nood- en hulpdiensten. We erkennen deze afhankelijkheid en borgen een basiskwaliteit van het wegennet, waarbij veiligheid, toegankelijkheid en betrouwbaarheid voor alle gebruikers centraal staan. Wegen blijven ondergeschikt aan het landschap, sluiten aan op bestaande structuren en krijgen een sobere maar passende inrichting.
De groene buffer kent een *mix van verkeersstromen*: landbouwvoertuigen, auto’s, fietsers en wandelaars. Daarvan is veel woon-werkverkeer en voor het bereiken van (landbouw)percelen, maar ook voor een groot deel recreatief verkeer. We zien dat het buitengebied gebruikt wordt als een sneller alternatief (*sluipverkeer*) voor de provinciale wegen. Hogere intensiteiten en verkeerssnelheden dragen bij aan verkeersonveilige situaties voor kwetsbare verkeersdeelnemers, en doen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteit. Om de verkeersveiligheid op deze wegen te borgen en te verbeteren, zetten we in op:
Een *herkenbare inrichting* van wegen passend bij het gebruik en karakter van het gebied. Waar mogelijk en wenselijk vullen we deze aan met accenten, zoals visuele vernauwingen of het aanbrengen van meer groen;
*Snelheidsremmende maatregelen* waar nodig. Met het realiseren van snelheidsremmende maatregelen houden we rekening met nabije bebouwing en ontsluiting van (landbouw)percelen. We onderzoeken alternatieve maatregelen die snelheid effectief minderen en tegelijkertijd het landbouwverkeer zo min mogelijk hinderen;
*Duidelijke overgangen* tussen verblijfsgebieden, recreatieve routes en ontsluitingswegen waar verkeersstromen elkaar kruisen.
Extra aandacht voor *landbouwvoertuigen*. Dit doen we door met de inrichting van wegen goed rekening te houden met de maatvoering en comfort voor landbouwvoertuigen. We willen met rijroutes en de inrichting conflicten tussen landbouwverkeer en recreatief verkeer zoveel mogelijk voorkomen.
In de groene buffer zijn we terughoudend met *grondopstellingen met zonne-energie* toe in verband met de hoge cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten. Energieproductie op daken van stallen en passend op of bij het boerenerf is in beginsel mogelijk. Daarnaast worden in het kader van het Regionaal Programma Energievoorziening van de regio Stedendriehoek verkend of (aanvullende) alternatieve energiebronnen kansrijk zijn.
We bieden mogelijkheden voor (her)ontwikkeling van leegstaande agrarische gebouwen en de ontwikkelingen in het kader van ons *Rood voor Groen beleid*. Momenteel loopt een groot aantal pilots waarin met de aanleg van nieuwe natuur ‘punten’ kunnen worden verworven ten behoeve van het bouwen van één of meerdere woningen. In de groene buffer zien we vooral kansen om dit te laten bijdragen aan de beoogde ecologische verbindingen, nieuwe natuur, versterking van het landcshap en/of ontwikkelingen op basis van een nieuw ‘landgoedmodel’ waarbij wordt ingezet op herstel van verdwenen landschapselementen zoals historische lanen, vijverpartijen en oude beeklopen. Het is een mogelijk instrument om de cultuurhistorische kwaliteiten van de groene buffer te behouden en versterken en de *landgoedsfeer* te verbreden en verankeren in de 21e eeuw. Het gaat hierbij om kleinschalige, hoogwaardige woonerven met kleinere woningen in combinatie met een robuust, publiek toegankelijk natuur- en waternetwerk. Zo draagt de transformatie naar een ‘landgoedmodel’ niet alleen bij aan de landschappelijke kwaliteit, maar ook aan de recreatieve potentie en het *natuurlijke bodem- en watersysteem*.
We gaan in de groene buffer zeer zorgvuldig om met het toevoegen of uitbreiden van *solitaire bedrijfslocaties*. We staan dit in principe alleen toe wanneer de activiteiten ondergeschikt blijven aan de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten en de natuurwaarden in het gebied.
In de groene buffer liggen diverse bosrijke gebieden. *Natuurbranden* kunnen hier een reëel risico vormen. In deze gebieden hebben we daarom aandacht voor zowel preventieve maatregelen als beheersmaatregelen om zo het risico op een natuurbrand te beperken en/of te voorkomen. Hierbij werken wij waar nodig samen met VNOG.

Kenschets van deelgebied
Het mozaïeklandschap is centraal gelegen in de gemeente tussen en rond de dorpen Twello, Voorst, Klarenbeek, Wilp en Teuge. In het gebied komen wonen, werken en ontspannen van oudsher samen. In delen van het gebied liggen (voormalige) landgoederen en buitenplaatsen. Hier zijn de structuren van deze landgoederen en buitenplaatsen nog beperkt zichtbaar. Een voorbeeld van een voormalig landgoed is Landgoed Bussloo, waarvan het landhuis in de twintigste eeuw werd gesloopt. Op delen van de gronden van het landgoed is tegenwoordig Recreatiegebied Bussloo gelegen. In het mozaïeklandschap liggen kansen om de cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteiten te vergroten en zo de recreatieve kwaliteiten van het gebied te versterken. In combinatie met de aanwezige landbouw en ondernemingen in het gebied ontstaat een divers mozaïek dat op basis van het Rood voor Groen beleid kansen biedt voor ontwikkelingen bijvoorbeeld op basis van een nieuw ‘landgoedmodel’, woonvormen, diverse vormen van duurzame voedselproductie,(recreatief) ondernemerschap en ontspanning.
Gebiedsspecifieke keuzes voor het deelgebied:
We kiezen in het mozaïeklandschap, gezien de historische waarde en potentie van het gebied, voor *cultuurhistorie*, *ruimtelijke kwaliteit* en *landschap* als voornaamste dragers. We zetten erop in dat duurzame landbouw, recreatie, wonen, werken en andere gewenste functies hier een vanzelfsprekende plaats vinden in de landschappelijke logica.
In de ontwikkeling van het gebied vormt het behoud en versterken van de *cultuurhistorische* en *landschappelijke waarden* een belangrijk uitgangspunt. Het gaat hierbij met name om het versterken van de ‘landgoedsfeer’ van het mozaïeklandschap, door in te zetten op ruimtelijke ontwikkelingen van hoge kwaliteit en met een goede mix van hoogwaardige functies. Ontwikkelingen in het gebied, waaronder ook natuurontwikkeling, dienen een aantoonbare bijdrage te leveren aan deze cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteit. Gezien de stedelijke druk uit omliggende steden op (delen van) het mozaïeklandschap wordt ook de mogelijke ontwikkeling van een *(regionaal) landschapspark* onderzocht.
We koesteren onze agrariërs als producenten van gezond voedsel en *beheerders* van het landschap en zetten ons in om landschaps- en natuurbeheer een volwaardig onderdeel van het bedrijfsmodel te maken. We zetten ons in voor *toekomstbestendige agrarische verdienmodellen*, bijvoorbeeld in de vorm van *langdurige beheercontracten*. We verkennen met partijen als Waterschap Vallei en Veluwe en drinkwaterbedrijf Vitens of in de toekomst de financiering van natuur- en waterbeheer door de agrariër mogelijk is. Daarnaast ondersteunen we initiatieven vanuit agrariërs en inwoners die bijdragen aan deze doelen.
We werken in het gebied aan het versterken van het *natuurlijke bodem- en watersysteem*.
Dat betekent dat we streven naar de *juiste functie op de juiste plek* op basis van dit bodem- en watersysteem, zowel voor de landbouw, natuur als andere functies in het gebied.
We zetten in op het verbeteren van de *infiltratie* van water in het gebied, met name op de hogere delen.
We werken in het kader van de Kader Richtlijn Water (KRW) samen met Waterschap Vallei en Veluwe aan het verbeteren van de waterkwaliteit in de *KRW-watergangen* in onze gemeente.
We zetten in op het behouden en verbeteren van een *gezonde, veerkrachtige bodem*, onder andere door bodemverdichting te voorkomen en natuurlijke bodemstructuren te versterken, zodat het gebied beter bestand is tegen droogte en piekbuien.
We kiezen in dit gebied voor het vergroten van de aanwezige *recreatieve potentie*, met oog voor de balans tussen *rust en reuring*.
We werken rond *recreatiegebied Bussloo* aan een betere versmelting van het gebied met de historische allure van de aangrenzende landgoederen. Dit betekent onder andere een hoogwaardige inrichting van de randen, het investeren in de kwaliteit van de voorzieningen, een betere spreiding van rust en reuring in het gebied en een betere verankering met de omgeving.
We kiezen voor de (door)ontwikkeling van een *recreatieve ontvangstlocatie* bij recreatiegebied Bussloo waar (de verkeersstromen van) intensievere vormen van recreatie beter bij elkaar worden gebracht, in samenwerking met de Veluwe Alliantie. Het dient in de toekomst als informatievoorziening en als centrale entree en startpunt voor recreatieve routes verder het mozaïeklandschap in. Het is goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Men kan hier overstappen op andere vervoersvormen en het gebied te voet of per fiets verder verkennen. Hiervoor werken we samen met Leisurelands en andere ondernemers in het gebied.
We zetten in op het verbeteren en uitbreiden van de *wandel- en fietsroutes* tussen het mozaïeklandschap en de dorpen.
We werken bovenstaande keuzes uit in het gebiedsgerichte omgevingsprogramma Middengebied.
We hanteren in het mozaïeklandschap het *STOMP-principe* als leidend afwegingskader binnen ontwerpopgaven. Het draagt bij aan een betere verkeersveiligheid en leefbaarheid, ook wanneer verkeersstromen door bijvoorbeeld een groeiend inwonertal of ruimtelijke ontwikkelingen toenemen. Dit betekent niet dat we de auto weren, maar dat we met het wegen ontwerpen de vraag stellen welke vervoersvormen hier het beste passen. Dit kan leiden tot maatregelen waardoor niet alle vervoersstromen van alle wegen gebruik kunnen maken. We stimuleren *wandelen en fietsen* vooral vanuit recreatieve en korte functionele verplaatsingen. We werken aan een samenhangend wandel- en fietsnetwerk waar we inzetten op goede, veilige en aantrekkelijke wandel- en fietsverbindingen tussen dorpen, kernen en het landschap. Daarbij sluiten we waar mogelijk aan op regionale routes en recreatieve netwerken, waarbij we de samenwerking opzoeken met buurgemeenten en de provincie. We proberen deze opgave waar mogelijk en wenselijk te combineren met *landschappelijke versterking*. Om fietsen verder te stimuleren, onderzoeken we of en op welke manier we verlichting kunnen toepassen op hoofdfietsroutes in het buitengebied. Tegelijkertijd zoeken we naar een passende invulling van *openbaar vervoer en vraaggestuurd vervoer* (zoals buurtbussen, een belbus of regiotaxi) om de verbinding tussen het landelijk gebied en de dorpen, middelgrote dorpen, Twello en regionale voorzieningen te versterken. De auto blijft in het buitengebied een onmisbaar vervoersmiddel, onder meer voor dagelijkse verplaatsingen, landbouwverkeer, zorg, ondernemerschap en nood- en hulpdiensten. We erkennen deze afhankelijkheid en borgen een basiskwaliteit van het wegennet, waarbij veiligheid, toegankelijkheid en betrouwbaarheid voor alle gebruikers centraal staan. Wegen blijven ondergeschikt aan het landschap, sluiten aan op bestaande structuren en krijgen een sobere maar passende inrichting.
Het mozaïeklandschap kent een *mix van verkeersstromen*: landbouwvoertuigen, auto’s, fietsers en wandelaars. Daarvan is veel woon-werkverkeer en voor het bereiken van (landbouw)percelen, maar ook voor een groot deel recreatief verkeer. We zien dat het buitengebied gebruikt wordt als een sneller alternatief (*sluipverkeer*) voor de provinciale wegen. Hogere intensiteiten en verkeerssnelheden dragen bij aan verkeersonveilige situaties voor kwetsbare verkeersdeelnemers, en doen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteit. Om de verkeersveiligheid op deze wegen te borgen en te verbeteren, zetten we in op:
Een *herkenbare inrichting* van wegen passend bij het gebruik en karakter van het gebied. Waar mogelijk en wenselijk vullen we deze aan met accenten, zoals visuele vernauwingen of het aanbrengen van meer groen;
*Snelheidsremmende maatregelen* waar nodig. Met het realiseren van snelheidsremmende maatregelen houden we rekening met nabije bebouwing en ontsluiting van (landbouw)percelen. We onderzoeken alternatieve maatregelen die snelheid effectief minderen en tegelijkertijd het landbouwverkeer zo min mogelijk hinderen;
*Duidelijke overgangen* tussen verblijfsgebieden, recreatieve routes en ontsluitingswegen waar verkeersstromen elkaar kruisen.
Extra aandacht voor *landbouwvoertuigen*. Dit doen we door met de inrichting van wegen goed rekening te houden met de maatvoering en comfort voor landbouwvoertuigen. We willen met rijroutes en de inrichting conflicten tussen landbouwverkeer en recreatief verkeer zoveel mogelijk voorkomen.
De productie van *duurzame energie* in de vorm van *grondopstellingen met zonne-energie* biedt kansen in het gebied als alternatief verdienmodel voor (extensiverende) agrariërs en als bijdrage aan de energieopgave binnen de gemeente. Hierbij geldt als belangrijke voorwaarde dat er een goede *landschappelijke* en *cultuurhistorische inpassing* plaatsvindt en het geen afbreuk doet aan de ambities om in het gebied de ‘landgoedsfeer’ te versterken. Bij dergelijke initiatieven wordt daarnaast gestreefd naar *meervoudig ruimtegebruik*, minimaal 50% *lokaal eigendom* en slimme energiesystemen waarbij opwek, opslag en lokale afname goed op elkaar afgestemd zijn. Daarnaast worden in het kader van het Regionaal Programma Energievoorziening van de regio Stedendriehoek verkend of (aanvullende) alternatieve energiebronnen kansrijk zijn.
We bieden mogelijkheden voor (her)ontwikkeling van leegstaande agrarische gebouwen en ontwikkelingen in het kader van ons *Rood voor Groen beleid*. Momenteel loopt een aantal pilots waarin met de aanleg van nieuwe natuur ‘punten’ kunnen worden verworven ten behoeve van het bouwen van één of meerdere woningen. In het mozaïeklandschap zien we vooral kansen voor ontwikkelingen op basis van een nieuw ‘landgoedmodel’ en het herstel van verdwenen landschapselementen. Het is een mogelijk instrument om hoogwaardig te ontwikkelen en de cultuurhistorische kwaliteiten van het mozaïeklandschap verder te versterken en de *landgoedsfeer* te verbreden en verankeren in de 21e eeuw. Het gaat hierbij om kleinschalige, hoogwaardige woonerven met kleinere woningen in combinatie met een robuust, publiek toegankelijk natuur- en waternetwerk. Zo draagt de transformatie naar een ‘landgoedmodel’ niet alleen bij aan de landschappelijke kwaliteit, maar ook aan de recreatieve potentie en het *natuurlijke bodem- en watersysteem*.
We zien in het mozaïeklandschap onder voorwaarden kansen voor met het toestaan van *solitaire bedrijfslocaties*. We werken dit nog verder uit in het gebiedsgerichte omgevingsprogramma Middengebied.
In het mozaïeklandschap liggen enkele bosrijke gebieden. *Natuurbranden* kunnen hier een reëel risico vormen. In deze gebieden hebben we daarom aandacht voor zowel preventieve maatregelen als beheersmaatregelen om zo het risico op een natuurbrand te beperken en/of te voorkomen. Hierbij werken wij waar nodig samen met VNOG.

Kenschets van deelgebied
Het agrarisch landschap van de gemeente bestaat uit meerdere onderscheidende landschapstypen waar agrarische productie de boventoon voert. Deze gebieden liggen verspreid over de gemeente: Polder Nijbroek, de oeverwal rond Terwolde en het kampenlandschap ten westen van Voorst.
Polder Nijbroek bevindt zich aan de noordzijde van de gemeente rond het dorp Nijbroek. Het is een kenmerkend strak, rationeel en open middeleeuws slagenlandschap. Het kenmerkt zich door weidse uitzichten, karakteristieke groenblauwe landschapselementen, kaarsrechte weteringen, lange percelen en monumentale boerderijen die langs de rechte wegenstructuur liggen. Het is een functioneel productielandschap dat hoofdzakelijk wordt gedomineerd door de melkveehouderij. Het is een van nature nat gebied, dat wordt ontwaterd door de vele sloten en weteringen. De weteringen voeren het water tijdens natte periodes af richting het gemaal Veluwe bij Wapenveld. In drogere periodes kan water juist het gebied ingelaten worden bij gemaal Terwolde en vastgehouden middels stuwen. De oeverwal aan de oostzijde van het gebied, waar onder andere Terwolde op is gelegen, is een hoger gelegen rug. Hoewel ook hier de landbouw de boventoon voert, heeft dit gebied een duidelijk ander karakter dan Polder Nijbroek. Het landschap is hier sinds de vroege middeleeuwen onregelmatig verkaveld en kleinschalig en heeft een divers palet aan grasland, akkerbouw en karakteristieke boomgaarden. Langs de Bandijk ligt een cultuurhistorisch kralensnoer van monumentale boerenerven.
Aan de zuidkant van de gemeente, ten westen van Voorst en ten zuiden van Klarenbeek, ligt een productief kampenlandschap dat zich kenmerkt door een structuur van onregelmatige percelen en een kleinschalig, besloten karakter met houtwallen en heggen van hoge landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Melkveehouderijen en gemengde bedrijven wisselen hier elkaar af.
Gebiedsspecifieke keuzes voor het deelgebied:
We kiezen in het agrarisch landschap voor de *landbouw* als voornaamste drager van het gebied. Het accent ligt hier op *toekomstbestendige voedselproductie* in een aantrekkelijk, agrarisch cultuurlandschap.
In de ontwikkeling van het gebied vormt het behoud en versterken van de *landschappelijke* en *cultuurhistorische waarden* een belangrijk uitgangspunt.
In Polder Nijbroek wordt ingezet op het behoud van de weidse openheid, lange en diepe percelen, het terugbrengen van kleinschalige landschapselementen passend bij de middeleeuwse polder, de karakteristieke positionering van bebouwing, de herkenbare rechte lijnen van de weteringen en ontsluitingswegen en het waar mogelijk vernatten voor weidevogels. Ook de karakteristieke historische smalle verkaveling (de slagen) en de bebouwingslinten dienen niet te worden doorbroken.
De oeverwal rond Terwolde kenmerkt zich juist door het kleinschalige, rijke reliëf. De te behouden en beschermen kwaliteiten van het gebied zijn:
Het kampenlandschap ten westen van Voorst kenmerkt zich door een coulissenlandschap van historische boerenerven en een besloten, groen karakter. In het gebied wordt ingezet op het behouden en versterken van dit karakter, bijvoorbeeld door middel van het herstellen van historische erven en houtwallen en heggen.
We koesteren in dit gebied het *agrarische productielandschap*. De productie van voedsel voert hier de boventoon. We bieden agrariërs in het gebied de ruimte om te werken aan een meer toekomstbestendig, duurzaam buitengebied. We ondersteunen het verbreden van verdienmodellen en *innovatie* en experimenten om de milieu-impact te verlagen, maar kijken hierbij wel hoe dit zich verhoudt tot de landbouw in de omgeving. Zo mogen aanvullende verdienmodellen in beginsel geen belemmeringen opleveren voor de agrarische productie in het gebied.
We zetten ons in dit gebied in om het cultuurlandschap aantrekkelijker te maken door het versterken van de *groenblauwe dooradering* en *agrarisch natuur- en landschapsbeheer*. Voorbeelden hiervan zijn natuurvriendelijke watergangen, bloemrijke akkerranden, heggen en hagen toe te voegen. Deze landschapselementen kennen een gebiedseigen invulling in Polder Nijbroek, de oeverwal bij Terwolde en het kampenlandschap bij Voorst, zodat ze goed samengaan met het cultuurhistorische karakter en de agrarische productie in het gebied. Tegelijkertijd bewerkstelligen ze een fijnmazig groen netwerk dat de gebiedseigen natuurwaarden in de verschillende gebieden versterkt.
We werken in het gebied samen met Waterschap Vallei en Veluwe aan het versterken van het *natuurlijke bodem- en watersysteem*.
Dat betekent dat we streven naar de *juiste functie op de juiste plek* op basis van dit bodem- en watersysteem, zowel voor de landbouw als voor andere functies in het gebied.
Dat betekent dat we op de hoger gelegen oeverwal en in het kampenlandschap bij Voorst inzetten op het vasthouden van water en onderzoeken we samen met Waterschap Vallei en Veluwe of de *grondwaterstand* verhoogd kan worden in de zomerperioden.
In Polder Nijbroek zetten we in op het *vertraagd afvoeren* van water via de sloten en weteringen. Zo vergroten we de *waterbeschikbaarheid* voor in drogere periodes voor zowel de natuur als de landbouw in het gebied.
We werken in het kader van de Kader Richtlijn Water (KRW) samen met Waterschap Vallei en Veluwe aan het verbeteren van de waterkwaliteit in de *KRW-watergangen* in onze gemeente.
We zetten in op het behouden en verbeteren van een *gezonde, veerkrachtige bodem*, onder andere door bodemverdichting te voorkomen en natuurlijke bodemstructuren te versterken, zodat het gebied beter bestand is tegen droogte en piekbuien.
We werken mee aan maatregelen ten behoeve van de *waterveiligheid* van onze gemeente en daarbuiten. Dit betekent dat invulling gegeven wordt aan de benodigde *ruimte voor de IJssel*. In dit kader ligt (onder andere) in het agrarisch landschap tussen Twello en Steenenkamer een ruimtereservering van het Rijk vanwege het onderzoek naar de *hoogwatergeul Deventer-Twello*. Binnen dit gebied gelden daarom diverse restricties vanuit Rijkswaterstaat: zo mogen er geen kapitaalintensieve ontwikkelingen plaatsvinden. Om het risico op verdroging in de omgeving tegen te gaan, streven wij ernaar dat een eventuele geul groen wordt ingericht (in plaats van met open water) en dat dit gepaard gaat met een kwaliteitsimpuls van het landschap. We vinden het belangrijk om onze cultuurhistorische- en natuurwaarde te behouden, waar mogelijk te versterken en de impact voor inwoners te beperken.
We faciliteren in het agrarisch landschap recreatie die goed samen gaat met de landbouwactiviteiten. Met name op de oeverwal, langs de *Bandijk*, zien we kansen om de *wandel- en fietsroutes* te behouden en versterken en verbindingen te leggen naar de natuur in de uiterwaarden of juist via klompenpaden Polder Nijbroek in of naar gemaal Terwolde. Ook in het kampenlandschap bij Voorst zien we kansen voor nieuwe routes. Recreatieve functies in het gebied dienen goed samen te gaan met het agrarisch gebruik, bijvoorbeeld in de vorm van B&B’s op boerenerven.
We hanteren in het agrarisch landschap het *STOMP-principe* als leidend afwegingskader binnen ontwerpopgaven. Het draagt bij aan een betere verkeersveiligheid en leefbaarheid, ook wanneer verkeersstromen door bijvoorbeeld een groeiend inwonertal of ruimtelijke ontwikkelingen toenemen. Dit betekent niet dat we de auto weren, maar dat we met het wegen ontwerpen de vraag stellen welke vervoersvormen hier het beste passen. Dit kan leiden tot maatregelen waardoor niet alle vervoersstromen van alle wegen gebruik kunnen maken. We stimuleren *wandelen en fietsen* vooral vanuit recreatieve en korte functionele verplaatsingen. We werken aan een samenhangend wandel- en fietsnetwerk waar we inzetten op goede, veilige en aantrekkelijke wandel- en fietsverbindingen tussen dorpen, kernen en het landschap. Daarbij sluiten we waar mogelijk aan op regionale routes en recreatieve netwerken, waarbij we de samenwerking opzoeken met buurgemeenten en de provincie. We proberen deze opgave waar mogelijk en wenselijk te combineren met *landschappelijke versterking*. Om fietsen verder te stimuleren, onderzoeken we of en op welke manier we verlichting kunnen toepassen op hoofdfietsroutes in het buitengebied. Tegelijkertijd zoeken we naar een passende invulling van *openbaar vervoer en vraaggestuurd vervoer* (zoals buurtbussen, een belbus of regiotaxi) om de verbinding tussen het landelijk gebied en de dorpen, middelgrote dorpen, Twello en regionale voorzieningen te versterken. De auto blijft in het buitengebied een onmisbaar vervoersmiddel, onder meer voor dagelijkse verplaatsingen, landbouwverkeer, zorg, ondernemerschap en nood- en hulpdiensten. We erkennen deze afhankelijkheid en borgen een basiskwaliteit van het wegennet, waarbij veiligheid, toegankelijkheid en betrouwbaarheid voor alle gebruikers centraal staan. Wegen blijven ondergeschikt aan het landschap, sluiten aan op bestaande structuren en krijgen een sobere maar passende inrichting.
Het agrarisch landschap kent een *mix van verkeersstromen*: landbouwvoertuigen, auto’s, fietsers en wandelaars. Daarvan is veel woon-werkverkeer en voor het bereiken van (landbouw)percelen, maar ook voor een groot deel recreatief verkeer. We zien dat het buitengebied gebruikt wordt als een sneller alternatief (*sluipverkeer*) voor de provinciale wegen. Hogere intensiteiten en verkeerssnelheden dragen bij aan verkeersonveilige situaties voor kwetsbare verkeersdeelnemers, en doen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteit. Om de verkeersveiligheid op deze wegen te borgen en te verbeteren, zetten we in op:
Een *herkenbare inrichting* van wegen passend bij het gebruik en karakter van het gebied. Waar mogelijk en wenselijk vullen we deze aan met accenten, zoals visuele vernauwingen of het aanbrengen van meer groen;
*Snelheidsremmende maatregelen* waar nodig. Met het realiseren van snelheidsremmende maatregelen houden we rekening met nabije bebouwing en ontsluiting van (landbouw)percelen. We onderzoeken alternatieve maatregelen die snelheid effectief minderen en tegelijkertijd het landbouwverkeer zo min mogelijk hinderen;
*Duidelijke overgangen* tussen verblijfsgebieden, recreatieve routes en ontsluitingswegen waar verkeersstromen elkaar kruisen.
Extra aandacht voor *landbouwvoertuigen*. Dit doen we door met de inrichting van wegen goed rekening te houden met de maatvoering en comfort voor landbouwvoertuigen. We willen met rijroutes en de inrichting conflicten tussen landbouwverkeer en recreatief verkeer zoveel mogelijk voorkomen.
In het agrarisch landschap zijn we terughoudend met *grondopstellingen met zonne-energie*, in verband met de keuze voor de landbouw als voornaamste drager van dit gebied en de wens om de grond beschikbaar te houden voor agrarische productie. Energieproductie op daken van stallen en passend op of bij het boerenerf is in beginsel mogelijk. Daarnaast worden in het kader van het Regionaal Programma Energievoorziening van de regio Stedendriehoek verkend of (aanvullende) alternatieve energiebronnen kansrijk zijn.
We zijn terughoudend met het toevoegen van nieuwe bebouwing in relatief natte gebieden en passen bij initiatieven hiervoor *maatwerk* toe.
We bieden mogelijkheden voor (her)ontwikkeling van leegstaande agrarische gebouwen. We werken in dit kader aan ons *Rood voor Groen beleid*. Momenteel loopt een aantal pilots waarin met de aanleg van nieuwe natuur ‘punten’ kunnen worden verworven ten behoeve van het bouwen van één of meerdere woningen. Deze woonfunctie mag in beginsel geen belemmeringen opleveren voor de agrarische productie in het gebied. In het agrarisch landschap zien we hiervoor vooral kansen voor vormen van natuur die goed samengaan met het agrarisch gebruik. In Polder Nijbroek zijn daarom natuurvriendelijke oevers,bloemrijke akkerranden en kleinschalige landschapselementen kansrijke invullingen. Op de oeverwal en in het kampenlandschap zijn bijvoorbeeld aanleg of herstel van cultuurhistorische erven, heggen, hagen en houtwallen passend.
We zijn in het agrarisch landschap terughoudend met het toevoegen of uitbreiden van *solitaire bedrijfslocaties*. We staan dit in principe alleen toe wanneer de activiteiten goed samengaan met het agrarisch gebruik van het gebied.

Kenschets van deelgebied
Het ijssellandschap omvat het buitendijkse gebied van de gemeente: de uiterwaarden en de rivier. Het is van oudsher een dynamisch gebied waar waterveiligheid, natuur en agrarisch medegebruik centraal staan. Het gebied geniet voor een aanzienlijk deel een Natura2000-beschermingsstatus en is primair ingericht op de (tijdelijke) doorstroming en berging van water uit de IJssel.Het gebied wordt beschermd door de Beleidslijn Grote Rivieren. Tegelijkertijd bevinden zich hier goede landbouwgronden en kenmerkt het landschap zich door een combinatie van open uiterwaarden met grote melkveebedrijven en graslanden omzoomd door hagen, (KRW)nevengeulen, groenblauwe ader de Oude IJssel en natte natuur die van grote waarde zijn voor de biodiversiteit. De eeuwenoude IJsseldynamiek heeft geleid tot een cultuurhistorisch interessant en reliëfrijk landschap. Het is daarnaast een aantrekkelijke recreatieve trekker, met publiekstrekkers als Ruïne de Nijenbeek,de Wilpse Klei en recreatieve voorzieningen als het Dommerholtsveer tussen Wilp en Gorssel. Ten oosten van Voorst heeft in het kader van Ruimte voor de Rivier in de Voorsterklei een dijkverlegging en aanleg van een geul plaatsgevonden. Het gebied zorgt sindsdien niet alleen voor het vergroten van de waterveiligheid, maar is ook een aantrekkelijk gebied geworden met dynamische riviernatuur en nieuwe recreatieve verbindingen. De Voorsterklei wordt verder gekenmerkt door imposante IJsselhoeven op terpen in een oud cultuurlandschap waarin groenstructuren als hagen belangrijke structuurdragers zijn. Ten oosten van Wilp is de uiterwaard tussen de Wilpse Dijk en de zomerkade een stuk groter en kent het een ander karakter dan in de rest van de gemeente. Hier is een waardevol kleinschalig cultuurlandschap ontstaan met veelal monumentale boerderijen op hogere terpen. Het wordt gekenmerkt door een afwisseling van onregelmatige percelen met grote melkveebedrijven, grasland, akkerbouw, en boomgaarden doorkruist met houtwallen. Ten noorden van Steenenkamer zijn de uiterwaarden smaller en veelal in gebruik als grasland. Ten noorden van Terwolde ligt recreatiepark De Scherpenhof in de uiterwaarden.
Gebiedsspecifieke keuzes voor het deelgebied:
We kiezen in de eerste plaats voor *waterveiligheid* en in de tweede plaats voor de *natuur* als voornaamste dragers voor het gebied. Dit gaat in het IJssellandschap, hand in hand met *landbouw* die past bij de natuur- en waterveiligheidsdoelen.
We zetten in op een zorgvuldige bescherming van de natuurwaarden van de uiterwaarden en de IJssel, die voor een groot deel onder zowel het *Natura2000-gebied Rijntakken* als het Gelders Natuur Netwerk vallen.
Vanuit zowel Europese, nationale als provinciale wetgeving zijn diverse doelen gesteld voor het behoud en de versterking van de natuurkwaliteiten. In samenwerking met de provincie, Staatsbosbeheer en andere instanties dragen wij bij aan het behoud, herstel en ontwikkeling van deze natuurwaarden.
In de *weidevogelgebieden* zetten we in op het beschermen en versterken van de weidevogelpopulaties. We zetten in op een robuust, open en aaneengesloten leefgebied en optimaal waterbeheer, zoals ‘plas-dras’-gebieden. We ondersteunen in dit kader de transitie naar natuurinclusieve landbouw, waarbij bijvoorbeeld aangepast maaibeheer de standaard vormt. Om de noodzakelijke rust tijdens het broedseizoen te waarborgen, wordt in de weidevogelgebieden een strikte recreatiezonering en gerichte maatregelen toegepast om verstoring te minimaliseren.
De *Groene Ontwikkelingszones* in het IJssellandschap zetten we waar mogelijk in als buffer rond het kwetsbare Natura2000-gebied en als uitbreiding van het areaal voor de weidevogelpopulaties in het gebied.
Ook bieden we de ruimte voor maatregelen en werken we waar nodig samen met Rijkswaterstaat ten behoeve van de waterkwaliteit in het kader van de *Kader Richtlijn Water*.
We stimuleren agrariërs in het gebied om te werken aan een meer *toekomstbestendige uiterwaarden* met duurzame landbouw die aansluiten bij de natuurwaarden en waarbij de impact op het beschermde Natura2000-gebied wordt geminimaliseerd. We stimuleren activiteiten die passen bij de ecologische en landschappelijke kwaliteiten in het gebied. Het vergroten van de natuurwaarden in het gebied vormt een gebiedsopgave. We zetten ons als gemeente daarom in om met de betrokken partners in deze zone *integrale gebiedsprocessen* te ondersteunen en te onderzoeken of bijvoorbeeld gekomen kan worden tot *langdurige beheercontracten*. Zo komen we samen met alle belanghebbenden tot een plan waar de doelen en wensen voor het IJssellandschap elkaar zoveel mogelijk versterken en de *leefbaarheid* ten goede komen.
We werken in het gebied aan het versterken van het *natuurlijke bodem- en watersysteem*.
Dat betekent dat we streven naar de *juiste functie op de juiste plek* op basis van dit bodem- en watersysteem, zowel voor de landbouw, natuur als andere functies in het gebied.
In de uiterwaarden zetten we in op het *vertraagd afvoeren* van water. Zo vergroten we de *waterbeschikbaarheid* voor in drogere periodes voor zowel de natuur als de landbouw in het gebied. Ook onderzoeken wij samen met onze partners of de geulen verdrogend gewerkt hebben om hiervan te leren voor de toekomst.
We zetten in op het behouden en verbeteren van een *gezonde, veerkrachtige bodem*, onder andere door bodemverdichting te voorkomen en natuurlijke bodemstructuren te versterken, zodat het gebied beter bestand is tegen droogte en piekbuien.
We werken mee aan maatregelen ten behoeve van de *waterveiligheid* van onze gemeente en daarbuiten. Dit betekent dat invulling gegeven wordt aan de benodigde *ruimte voor de IJssel*.
In dit kader ligt (onder andere) in het IJssellandschap tussen Twello en Steenenkamer een ruimtereservering van het Rijk vanwege het onderzoek naar de *hoogwatergeul Deventer-Twello*. Binnen dit gebied gelden daarom diverse restricties vanuit Rijkswaterstaat: zo mogen er geen kapitaalintensieve ontwikkelingen plaatsvinden. Om het risico op verdroging in de omgeving tegen te gaan, streven wij ernaar dat een eventuele geul groen wordt ingericht (in plaats van met open water) en dat dit gepaard gaat met een kwaliteitsimpuls van het landschap. We vinden het belangrijk om onze cultuurhistorische- en natuurwaarden te behouden, waar mogelijk te versterken en de impact voor inwoners te beperken.
Om in de toekomst te voorzien in voldoende drinkwater, zijn voor de langere termijn (2040) de Wilpse, Nijenbeekse en Voorsterklei als kwetsbaar reserveringsgebied voor oeverwaterwinning aangewezen door de Provincie Gelderland. Dit is een strategisch reserveringsgebied voor *drinkwaterwinning*. In deze reserveringsgebieden gelden beschermingsbepalingen om de bodemintegriteit te behouden en verontreiniging te voorkomen. Om die reden staan we ontwikkelingen die mogelijk strijdig zijn met deze toekomstige drinkwaterwinning niet toe.
We blijven in de toekomst waar mogelijk ruimte bieden aan *extensief recreatief medegebruik* van het IJssellandschap. Hierbij is het belangrijk dat het recreatief gebruik goed samengaat met de natuurwaarden,de waterveiligheid en het agrarisch gebruik. Op diverse plekken in het gebied zijn waterveiligheid en natuur nauw verbonden met *cultuurhistorie en recreatie*, zoals bij Ruïne de Nijenbeek, De Kribbe en het pontje over de IJssel. Ook voor *natuurbeleving en educatie* is het een belangrijk gebied om te wandelen op de klompenpaden, vogels te spotten en te ontspannen. We koesteren deze extensieve functies, maar zijn terughoudend met intensievere recreatieve functies zoals verblijfsrecreatie. Daarnaast zetten we in op het verbeteren en waar nodig uitbreiden van *wandel- en fietsroutes*. De draagkracht van het natuurlijk systeem vormt in dit gebied altijd het belangrijkste uitgangspunt: recreatie dient altijd te passen binnen de doelstellingen voor natuur en landschap.
Wij streven naar een toekomstbestendig en *vitaal recreatiepark* bij De Scherpenhof nabij Terwolde. Dit betekent hoogwaardige verblijfsrecreatie, een waardevolle rol in de lokale economie en een logische (visuele en functionele) verhouding tot zowel de historische Bandijk als de IJssel en de natuur in de uiterwaarden. Dit betekent ook dat we op het recreatiepark geen permanente bewoning toestaan.
We hanteren in het IJssellandschap het *STOMP-principe* als leidend afwegingskader binnen ontwerpopgaven. Het draagt bij aan een betere verkeersveiligheid en leefbaarheid, ook wanneer verkeersstromen door bijvoorbeeld een groeiend inwonertal of ruimtelijke ontwikkelingen toenemen. Dit betekent niet dat we de auto weren, maar dat we met het wegen ontwerpen de vraag stellen welke vervoersvormen hier het beste passen. Dit kan leiden tot maatregelen waardoor niet alle vervoersstromen van alle wegen gebruik kunnen maken. We stimuleren *wandelen en fietsen* vooral vanuit recreatieve en korte functionele verplaatsingen. We werken aan een samenhangend wandel- en fietsnetwerk waar we inzetten op goede, veilige en aantrekkelijke wandel- en fietsverbindingen tussen dorpen, kernen en het landschap. Daarbij sluiten we waar mogelijk aan op regionale routes en recreatieve netwerken, waarbij we de samenwerking opzoeken met buurgemeenten en de provincie. We proberen deze opgave waar mogelijk en wenselijk te combineren met *landschappelijke versterking*, bijvoorbeeld door de aanleg van ooibossen, heggen en solitaire bomen Om fietsen verder te stimuleren, onderzoeken we of en op welke manier we verlichting kunnen toepassen op hoofdfietsroutes in het buitengebied. Tegelijkertijd zoeken we naar een passende invulling van *openbaar vervoer en vraaggestuurd vervoer* (zoals buurtbussen, een belbus of regiotaxi) om de verbinding tussen het landelijk gebied en de dorpen, middelgrote dorpen, Twello en regionale voorzieningen te versterken. De auto blijft in het buitengebied een onmisbaar vervoersmiddel, onder meer voor dagelijkse verplaatsingen, landbouwverkeer, zorg, ondernemerschap en nood- en hulpdiensten. We erkennen deze afhankelijkheid en borgen een basiskwaliteit van het wegennet, waarbij veiligheid, toegankelijkheid en betrouwbaarheid voor alle gebruikers centraal staan. Wegen blijven ondergeschikt aan het landschap, sluiten aan op bestaande structuren en krijgen een sobere maar passende inrichting.
Het IJssellandschap kent een *mix van verkeersstromen*: landbouwvoertuigen, auto’s, fietsers en wandelaars. Daarvan is veel woon-werkverkeer en voor het bereiken van (landbouw)percelen, maar ook voor een groot deel recreatief verkeer. We zien dat het buitengebied gebruikt wordt als een sneller alternatief (*sluipverkeer*) voor de provinciale wegen. Hogere intensiteiten en verkeerssnelheden dragen bij aan verkeersonveilige situaties voor kwetsbare verkeersdeelnemers, en doen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteit. Om de verkeersveiligheid op deze wegen te borgen en te verbeteren, zetten we in op:
Een *herkenbare inrichting* van wegen passend bij het gebruik en karakter van het gebied. Waar mogelijk en wenselijk vullen we deze aan met accenten, zoals visuele vernauwingen of het aanbrengen van meer groen;
*Snelheidsremmende maatregelen* waar nodig. Met het realiseren van snelheidsremmende maatregelen houden we rekening met nabije bebouwing en ontsluiting van (landbouw)percelen. We onderzoeken alternatieve maatregelen die snelheid effectief minderen en tegelijkertijd het landbouwverkeer zo min mogelijk hinderen;
*Duidelijke overgangen* tussen verblijfsgebieden, recreatieve routes en ontsluitingswegen waar verkeersstromen elkaar kruisen.
Extra aandacht voor *landbouwvoertuigen*. Dit doen we door met de inrichting van wegen goed rekening te houden met de maatvoering en comfort voor landbouwvoertuigen.We willen met rijroutes en de inrichting conflicten tussen landbouwverkeer en recreatief verkeer zoveel mogelijk voorkomen.
In het buitendijkse gebied van het IJssellandschap staan we geen extra *grondopstellingen met zonne-energie* toe in verband met het hoge overstromingsrisico. Energieproductie op daken van stallen en passend op of bij het boerenerf is in beginsel mogelijk. Andere energieoplossingen, bijvoorbeeld warmte uit de IJssel, zijn mogelijk met een goede landschappelijke inpassing en het geen belemmering vormt voor de natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en waterveiligheid. Daarnaast worden in het kader van het Regionaal Programma Energievoorziening van de regio Stedendriehoek verkend of (aanvullende) alternatieve energiebronnen kansrijk zijn.
Gezien het relatief hoge *overstromingsrisico* in het buitendijkse gebied van het IJssellandschap staan we, in lijn met landelijk beleid, buiten de nu toegestane mogelijkheden, geen nieuwe bebouwing toe. Bestaande bebouwing buiten deze terpen mag gehandhaafd blijven, maar de verantwoordelijkheid voor eventuele maatregelen op gebouw- en erfniveau ten behoeve van de waterveiligheid vallen onder de verantwoordelijkheid van de eigenaar.
We zijn terughoudend bij het bieden van mogelijkheden voor (her)ontwikkeling van leegstaande agrarische gebouwen. We passen hierbij de Beleidslijn Grote Rivieren toe.Voor nieuwe woningen geldt een ‘nee, tenzij’ principe, waarbij we alleen kunnen toestaan wat nu per recht al mag. We staan in dit gebied geen *niet-agrarische bedrijvigheid* toe in leegstaande agrarische gebouwen. We werken dit nog verder uit in ons Rood voor Groen beleid en betrekken hierbij de beperkingen vanuit de Beleidslijn Grote Rivieren.
We voegen in het IJssellandschap geen *solitaire bedrijfslocaties* toe, met het oog op de natuurwaarden en de waterveiligheid in het gebied.

Met deze omgevingsvisie zetten we, samen met inwoners, ondernemers, partners en organisaties, koers richting de leefomgeving van de gemeente Voorst in 2050. We hebben in beeld gebracht welke kansen en opgaven we zien voor 2050, en hoe we hier op korte en langere termijn op willen anticiperen.
De uitvoering van de ambities en keuzes in de omgevingsvisie kunnen we als gemeente niet alleen. We zijn ons ervan bewust dat we voor veel vraagstukken afhankelijk zijn van samenwerking met anderen. Dit hoofdstuk beschrijft onze rol als gemeente, de samenwerking met andere partijen, het vernieuwde instrumentarium onder de Omgevingswet en de uitvoerbaarheid van onze plannen.

De fysieke leefomgeving ontwikkelen we samen met onze inwoners. De omgevingsvisie is daarom opgesteld met uitgebreide participatie met de samenleving. Met deze omgevingsvisie nodigen we inwoners, ondernemers, partners en mede-overheden uit om gezamenlijk de geformuleerde ambities tot uitvoering te brengen. Wij willen als gemeente volop ruimte creëren voor initiatieven die bijdragen aan een duurzame leefomgeving en de ambities zoals geformuleerd in deze omgevingsvisie. Hierbij hanteren we een proactieve houding waarbij mogelijkheden, vertrouwen en samenwerking centraal staan. We streven hierbij zoveel mogelijk naar een ‘ja, mits’-aanpak in plaats van een ‘nee, tenzij’-benadering, maar zijn ook helder over wat op bepaalde plekken niet kan. De omgevingsvisie is hierbij het centrale afwegingskader.
De omgevingsvisie verduidelijkt wat wij als gemeente meewegen in ons gemeentelijk beleid en onze beslissingen. Op de besluitvorming over lopende initiatieven die passen binnen het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan gemeente Voorst, heeft deze visie geen directe gevolgen. Nieuwe ontwikkelingen worden wel getoetst aan de hand van deze omgevingsvisie, de drie kernambities en de vier leidende principes. We bieden hierbij ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en nodigen initiatiefnemers uit om met hun plannen actief bij te dragen aan de gestelde ambities.
Bij een nieuw initiatief of ontwikkeling stellen we onszelf en de initiatiefnemer daartoe de volgende drie vragen:
Draagt de ontwikkeling of het initiatief bij aan de geformuleerde leidende principes, kernambities en de keuzes in de gebiedsgerichte uitwerkingen? En in welke mate?
Is er sprake van een negatieve en/of positieve impact op de (historische) kwaliteiten van de fysieke leefomgeving?
In welke mate wordt de ontwikkeling of het initiatief gedragen door de directe omgeving en wat zijn daarvoor de redenen?
Samenwerking in de regio
Veel van de ruimtelijke en maatschappelijke opgaven die op ons afkomen, overstijgen onze gemeentegrenzen. Regionale afstemming en samenwerking met buurgemeenten zijn daarom van groot belang. De gemeente Voorst is onderdeel van de regio Stedendriehoek, een samenwerkingsverband met de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Heerde, Lochem en Zutphen. Binnen de regio Stedendriehoek vervult de gemeente Voorst een grote rol als het groene hart. De landschappelijke kwaliteit, het groene karakter en de recreatieve waarden van onze gemeente bieden een onmisbare meerwaarde voor de hele regio. Andersom maken onze inwoners gebruik van de voorzieningen in de steden om ons heen. In de toekomst neemt de regionale samenwerking naar verwachting verder toe. Als gemeente zetten we daarop in op het voortzetten van het vervullen van onze rol binnen de regio en de constructieve samenwerking. In regionale samenwerkingsprocessen brengen we actief de belangen van onze inwoners, bedrijven en organisaties in.
Samenwerking met ketenpartners
Onder de Omgevingswet is de samenwerking tussen gemeenten en andere overheden geïntensiveerd. We vinden het van groot belang om bij de totstandkoming van beleid en regelgeving van andere overheden vroegtijdig mee te kunnen denken. Bij conflicterende visies van andere overheden wordt vroegtijdig het gesprek aangegaan. Tegelijkertijd hebben we als gemeente de rol om bij te dragen of invulling te geven aan ontwikkelingen ‘van bovenaf’. We kunnen hier naar de lokale context invulling aan geven. Deze positieve samenwerking zetten we in de toekomst graag voort.
Faciliteren waar mogelijk, regie waar nodig
Als gemeente Voorst vinden we het belangrijk om ruimte te bieden aan initiatieven van onderop, om zo de betrokkenheid en medeverantwoordelijkheid van onze inwoners en ondernemers te stimuleren. We zien een sterke betrokkenheid en willen die graag inzetten bij het bouwen aan onze toekomstige leefomgeving. Hiervoor werken we graag constructief samen met onze inwoners en bijvoorbeeld de dorpsbelangenorganisaties. Bij het bouwen aan die toekomstbestendige leefomgeving zullen we daarom een faciliterende of verbindende rol aannemen, waarbij we partijen bijstaan met onze kennis wanneer dit gevraagd of nodig is. Tegelijkertijd dragen wij als overheid de verantwoordelijkheid voor het algemeen belang. Bij (complexe) opgaven met een grote maatschappelijke impact pakken wij als gemeente waar nodig een sturende of regisserende rol. Bij ontwikkelingen waarin wij als gemeente een meer sturende of initiërende rol hebben, communiceren wij vooraf helder over onze doelen en ambities en welke ruimte er is voor inwoners om mee te denken aan de hand van onze participatieladder.

De omgevingsvisie is een dynamisch document. De wereld om ons heen is immers voortdurend in beweging en maatschappelijke ontwikkelingen volgen elkaar in hoog tempo op. Dit betekent niet dat we de visie continu bijstellen, maar wel dat we de ruimte hebben om mee te bewegen wanneer grote, structurele veranderingen daarom vragen en dat we periodiek evalueren.
We geven uitvoering aan de doelen en ambities de omgevingsvisie door de gerichte inzet van verschillende instrumenten. De Omgevingswet biedt hiervoor een stevige basis met vier kerninstrumenten, elk met een eigen rol. Naast de omgevingsvisie zijn dit de omgevingsprogramma’s, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning. We lichten deze instrumenten hieronder nader toe.

Omgevingsprogramma’s
Een omgevingsprogramma is een uitvoerend beleidsinstrument dat het college van burgemeester en wethouders vaststelt. Hierin worden de globale beleidslijnen uit de omgevingsvisie uitgewerkt tot concrete maatregelen voor bescherming, beheer, gebruik en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Het beschrijft welke middelen nodig zijn en hoe (de doelmatigheid van) de maatregelen wordt geëvalueerd en gemonitord. We maken hierbij onderscheid tussen de wettelijk verplichte programma's (in het geval van de gemeente Voorst het volkshuisvestingsprogramma en het warmteprogramma) en vrijwillige omgevingsprogramma's. Omgevingsprogramma’s kunnen thema- of gebiedsgericht kunnen zijn.
Door de overstap naar deze omgevingsprogramma's ontstaat er minder beleidsversnippering, meer overzichtelijkheid en een betere koppeling tussen visie, uitvoering en monitoring. Thema's raken vaak meerdere domeinen, wat een constructieve, integrale samenwerking binnen de gemeente Voorst verlangt.
De gemeente Voorst inventariseert al het bestaand beleid dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving. Dit bestaande beleid wordt, naast de verplichte omgevingsprogramma’s, zoveel mogelijk ondergebracht in thematische omgevingsprogramma’s. Momenteel voorziet de gemeente Voorst in ieder geval drie thematische omgevingsprogramma’s die voortvloeien uit de drie kernambities van de omgevingsvisie (zie hoofdstuk 3). Hiermee wordt de transitie van de huidige werkwijze naar de toekomstige werkwijze gevisualiseerd. Daarnaast kunnen ook gebiedsgerichte omgevingsprogramma’s worden uitgewerkt, bijvoorbeeld omdat in specifieke gebieden onderscheidende opgaven of ontwikkelingen spelen. Op dit moment wordt gewerkt aan het gebiedsgerichte omgevingsprogramma voor Luchthaven Teuge. Daarnaast voorziet de gemeente in ieder geval een gebiedsgericht omgevingsprogramma voor het Middengebied, Engelenburg West en Twello Centrum.

Omgevingsplan en omgevingsvergunning
De juridische verankering van onze beleidsdoelen vindt uiteindelijk plaats in het omgevingsplan gemeente Voorst. Terwijl de omgevingsvisie en omgevingsprogramma's zelfbindend zijn voor de gemeente, bevat het omgevingsplan de concrete regels en voorschriften die bindend zijn voor inwoners en initiatiefnemers. Initiatiefnemers die met de fysieke leefomgeving aan de slag willen, hebben in veel gevallen een omgevingsvergunning nodig. In het gemeentelijke omgevingsplan leggen we vast voor welke activiteiten een omgevingsvergunning is vereist of waarvoor enkel een melding is vereist. Een wijziging van het omgevingsplan blijft primair een bevoegdheid van de gemeenteraad.
Monitoring en evaluatie
Deze omgevingsvisie is een dynamisch document dat moet meebewegen met de actualiteit. We evalueren de omgevingsvisie periodiek – in ieder geval elke vier jaar – om te borgen dat de strategische hoofdlijnen nog kloppen. Daarnaast kunnen (grootschalige) maatschappelijke trends, onvoorziene omstandigheden of ingrijpende wetswijzigingen aanleiding zijn om de visie al eerder te herijken. De daadwerkelijke, gedetailleerde monitoring van de gestelde doelen vindt plaats op het niveau van de omgevingsprogramma's. Daarnaast voeden de praktijksignalen en trends uit Vergunningen, Toezicht en Handhaving (VTH) de doorontwikkeling van deze visie. Door de omgevingsprogramma's te integreren in de P&C-cyclus (Planning & Control), blijft de gemeenteraad structureel op de hoogte van de uitvoering en kunnen we effectief bijsturen waar nodig.
De omvang van de gemeentelijke opgaven en ambities die we in deze visie beschrijven is groot. Het geheel aan aanpassingen, maatregelen, beheer en de inrichting van de openbare ruimte om onze fysieke leefomgeving klaar te maken voor de toekomst is kostbaar.
Sommige investeringen zijn direct toe te rekenen aan specifieke plannen en daardoor rechtstreeks verhaalbaar, terwijl andere kosten een bredere basis hebben en over meerdere projecten verhaald moeten worden. Daarnaast zijn er investeringen die zich lastig laten meten langs de meetlat van direct profijt en proportionaliteit, maar die wel van grote toegevoegde waarde zijn voor de gehele gemeente. De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken en maatregelen die bij een (ruimtelijke) ontwikkeling horen, proportioneel te verhalen op de initiatiefnemers die profiteren van de aanleg van deze openbare voorzieningen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het realiseren van openbare groen- of parkeervoorzieningen of aan gebiedsoverstijgende (bovenplanse) infrastructurele of landschappelijke maatregelen die het projectgebied overstijgen, maar waar de ontwikkeling wel profijt van heeft. De wet biedt hiervoor een duidelijke wettelijke grondslag via een (anterieure) overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer, bijvoorbeeld bij woningbouwprojecten of bedrijventerreinen.
Naast dit verplichte kostenverhaal biedt de Omgevingswet de gemeente ook de mogelijkheid om financiële bijdragen te vragen voor ruimtelijke ontwikkelingen. Deze bijdragen kunnen op basis van de wet (artikelen 13.22 en 13.23) privaatrechtelijk worden overeengekomen of publiekrechtelijk in het omgevingsplan worden vastgelegd. Dit instrumentarium zetten we onder andere in voor de verevening bij onvoldoende betaalbare woningbouw, conform het Kader Volkshuisvesting gemeente Voorst 2026/2027 dat in maart 2026 door de gemeenteraad werd vastgesteld en wordt uitgewerkt in het nog op te stellen volkshuisvestingsprogramma, dat op zijn beurt verbonden is aan het thematische omgevingsprogramma behorend bij kernambitie 1.
De gemeente Voorst gaat het verhalen van kosten en financiële bijdragen opnemen in een programma. Hierin wordt vastgelegd wat de uitgangspunten voor kostenverhaal zijn en de wijze waarop de kosten verhaald worden op initiatiefnemers van activiteiten en op welke wijze de gemeente financiële bijdragen gaat vragen. Het krijgt de status van programma, één van de kerninstrumenten van de Omgevingswet. De Omgevingswet bepaalt dat zowel een omgevingsvisie als een programma de juridische basis kunnen vormen voor kostenverhaal. Zolang dit programma nog niet gereed is, vormen deze omgevingsvisie en onze Nota Grondbeleid (2024) de juridische basis.
3‑30‑300 regel
De 3‑30‑300 regel is een vuistregel voor het groen inrichten van (uitbreidingen van) steden en dorpen. Het is bedacht om de leefomgeving gezonder, koeler en mentaal prettiger te maken. De ‘3’ in de regel refereert aan dat vanuit elk huis, elke werkplek en elke school minstens 3 bomen te zien moeten zijn. De ‘30’ in de regel refereert aan dat minimaal 30% van de omgeving bedekt moet zijn met boomkronen voor schaduw en verkoeling. De ‘300’ in de regel refereert aan dat iedereen op maximaal 300 meter afstand (ongeveer 5 minuten lopen) van een aantrekkelijk park of bruikbare groenstrook moet wonen.
Agrarisch natuurbeheer
Beheer van landbouwgrond door agrariërs op een manier die ook natuur- en landschapswaarden in stand houdt of versterkt.
Autoluw
Wanneer er in een bepaald gebied relatief weinig gemotoriseerd verkeer (zoals auto’s en motoren) is, en er op straat meer ruimte is voor fietsers en voetgangers.
Bebouwingslint
Uitgestrekt gebied van woningen en boerderijen die als een lint langs een weg zijn gelegen.
Beekdal
Dalvormig, laaggelegen gebied dat is gevormd door een meanderende beek. Het omvat de beek zelf, de omliggende vlakte en de hellingen. Het beekdal wordt gevormd door het water dat langzaam door de bodem sijpelt uit hoger gelegen gebieden, richting de beek.
Beleefbaarheid
Hoe prettig en aantrekkelijk een plek of omgeving is om te ervaren met de zintuigen. Het omvat hoe je een plek ziet, hoort, ruikt en voelt, en of het uitnodigt om er te zijn en te verblijven.
Biobased materialen
Bouwmaterialen gemaakt van plantaardig, dierlijk materiaal of schimmel- en bacteriemateriaal die ecologisch verantwoord geteeld, geoogst, gebruikt en hergebruikt worden.
Biodiversiteit
Alle verschillende soorten van leven (dieren en planten) die we op aarde hebben. Een hoge biodiversiteit betekent dat er in een gebied veel verschillende soorten dieren en planten leven.
Bodem- en watersysteem
Alles wat te maken heeft met de ondergrond en waterhuishouding in een gebied die samen vormen hoe het landschap eruitziet en wat mensen ermee kunnen doen, bijvoorbeeld als het gaat om woningbouw, landbouw of natuur beschermen. Het gaat om de samenhang tussen grondsoort, grondwater en waterlopen.
Buitenplaats
Landhuis of kasteel met bijgebouwen en een park of tuin.
Circulaire economie
Een economisch systeem dat is ontworpen om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren.
Collectieve parkeervoorziening
Een parkeerplaats die gezamenlijk gebruikt wordt door meerdere personen, zoals bewoners van een appartementencomplex, woonwijk of buurt.
Cultuurhistorie
Het geheel van sporen, objecten en structuren in het landschap en de bebouwde omgeving die het verhaal vertellen van de historische ontwikkeling van een gebied.
Deelmobiliteit
Het systeem waarbij personen uit verschillende huishoudens een voertuig delen.
Demografische ontwikkelingen
Veranderingen in de kenmerken van de bevolking van een gebied, zoals het aantal geboorten, migratie, leeftijdsopbouw en gezinssamenstelling.
Detailhandel
De verkoop van goederen en diensten aan de consument voor persoonlijk gebruik, rechtstreeks vanuit een winkel, via internet of andere kanalen.
Doorstroming
Doorstroming op de woningmarkt verwijst naar het verhuizen van mensen die al een woning hebben naar een andere woning. Dit is vooral van toepassing op senioren, die door door te stromen van grote woningen naar kleinere, levensloopbestendige woningen plaats kunnen maken op de woningmarkt.
Draagvlak
De mate van instemming, acceptatie, actieve betrokkenheid en steun vanuit de samenleving (inwoners, bedrijven, organisaties en belanghebbenden) voor een bepaald plan.
Ecologie
De studie van ecosystemen. Bestudeerd de relatie en interactie tussen levende organismen en hun omgeving.
Ecosysteemdiensten
De voordelen en producten die mensen uit de natuur en ecosystemen halen en die cruciaal zijn voor het menselijk welzijn en de economie.
Energiecoöperatie
Een vereniging van burgers, inwoners en/of bedrijven die samen een duurzaam energieproject (zoals zonneparken, windturbines) opzetten, beheren en/of gezamenlijk investeren in en werken aan energiebesparing en de warmtetransitie in hun wijk of kern.
Energy hub
Een lokale samenwerking tussen meerdere partijen op het gebied van energie, bijvoorbeeld bedrijven op een bedrijventerrein, die gezamenlijk energie opwekken, opslaan, uitwisselen en verbruiken. In een energy hub worden opwek en gebruik van duurzame energie op elkaar afgestemd, waardoor er minder druk komt op het elektriciteitsnet.
Erfgoed (materieel/immaterieel)
Dit omvat alle materiële en immateriële sporen, objecten en structuren uit het verleden die de geschiedenis, identiteit en het karakter van de gemeente vertellen.
Extensivering
Het minder intensief maken van de landbouw. Dit betekent het verminderen van de inzet van productiemiddelen per eenheid grond, zoals kunstmest, bestrijdingsmiddelen en/of het houden van minder vee per hectare.
Externe veiligheid (omgevingsveiligheid)
Externe veiligheid/omgevingsveiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen.
Fijnmazig
Een structuur of netwerk met een hoge dichtheid aan verbindingen, korte afstanden tussen knooppunten en een grote mate van gedetailleerdheid.
Functiemenging
Het combineren van verschillende functies (zoals wonen, werken, winkelen, recreatie) binnen een gebouw of een gebied.
Fysieke leefomgeving
De ruimte waarin we leven, wonen, werken, reizen en recreëren. De fysieke leefomgeving bestaat uit bouwwerken, infrastructuur, water, maar bijvoorbeeld ook bodem en ondergrond, lucht, natuur, landbouw, landschappen en cultureel erfgoed.
Geclusterd
Gegroepeerd of bij elkaar geplaatst. In de context van voorzieningen, betekent dit dat bijvoorbeeld de huisarts, apotheek en tandarts dicht bij elkaar zijn.
Gezonde leefomgeving
De inrichting van de leefomgeving waarin mensen wonen, werken en recreëren heeft invloed op hun gezondheid. Een gezonde leefomgeving is een leef- en werkomgeving die als prettig wordt ervaren, die uitnodigt tot gezond gedrag en waar de druk op de gezondheid (vanwege bijvoorbeeld geluid, klimaat, lucht of infecties) zo laag mogelijk is.
Groenblauwe structuren / dooradering (GBDA)
Het netwerk van natuurlijke elementen in het landschap, bestaande uit ‘groene’ elementen (zoals bomen, bermen en heggen) en ‘blauwe’ elementen (zoals beken en sloten).
Groen groeit mee
Principe dat voorschrijft dat er bij een uitbreiding niet alleen wordt bijgebouwd, maar ook direct geïnvesteerd wordt in het verbeteren, uitbreiden en vergroten van de kwaliteit van het groen.
Herstructurering
Het aanpassen en vernieuwen van verouderde locaties en gebieden, zodat deze beter functioneren en meer aansluiten bij huidige eisen op het gebied van wonen, werken, mobiliteit en duurzaamheid.
Hittestress
De negatieve invloed van langdurig hoge temperaturen (vaak in combinatie met hoge luchtvochtigheid) op de gezondheid en het welzijn van mensen, dieren en planten.
Hoogwatergeul
Een extra, doorgaans droge zijtak van een rivier die bij extreem hoge waterstanden een deel van het rivierwater afvoert om overstromingen elders te voorkomen.
Houtsingel/Houtwal
Een langgerekte strook of rij van bomen en struiken die direct in de grond (houtsingel) of op een aarden wal (houtwal) is gepland. Vaak bedoeld als erfafscheiding tussen weilanden. Zowel vanuit historisch als ecologisch oogpunt zijn dit waardevolle structuren in het landschap.
Inbreiding
Het toevoegen van nieuwe woningen of andere gebouwen binnen de bestaande bebouwde omgeving, in plaats van in het buitengebied.
Infiltratie
Het natuurlijke proces waarbij (regen)water in de bodem wegzakt en het grondwater aanvult, in plaats van bovengronds weg te stromen
Kerninstrumenten Omgevingswet
De Omgevingswet heeft zes kerninstrumenten aangewezen die kunnen of moeten worden gebruikt, waaronder de omgevingsvisie (verplicht), een omgevingsprogramma of het omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan).
Ketenpartners
Partijen waarmee de gemeente vaak samenwerkt tijdens besluitvormingstrajecten, zoals andere overheden en lokale belangenbehartigers.
Kleinschalige woningbouw
Het bouwen van een klein aantal woningen op een plek, zoals een rij van woningen.
Klimaatadaptatie
Het aanpassen van de omgeving om zo voorbereid te zijn op de gevolgen van klimaatverandering, zoals droge perioden, extreme regenbuien en hete zomerdagen.
Klimaatbestendig
Voorbereid zijn op de gevolgen van klimaatverandering, zoals droge perioden, extreme regenbuien en hete zomerdagen.
Klimaatneutraal/CO2-neutraal
Klimaatneutraal/CO2-neutraal betekent dat er een evenwicht is tussen de CO2-uitstoot en de opname van CO2 uit de atmosfeer. Een klimaatneutrale of CO2-neutrale gemeente betekent dat de gemeente streeft naar een situatie waarin activiteiten binnen de gemeente geen negatieve invloed meer hebben op het klimaat. Dit houdt in dat de uitstoot van broeikasgassen, zoals CO2, methaan en lachgas, zoveel mogelijk wordt verminderd en dat de resterende uitstoot wordt gecompenseerd.
Koppelkans
Situatie waarin een (beleids)keuze in één keer doelen voor meerdere thema’s kan verwezenlijken, bijvoorbeeld op het gebied van zowel natuur, landschappelijke kwaliteit en water.
Kader Richtlijn Water (KRW)
De Europese wetgeving die lidstaten verplicht om te zorgen voor chemisch schoon en ecologisch gezond grond- en oppervlaktewater, zodat het een goed leefgebied is voor planten en dieren en geschikt is voor drinkwater.
Kwaliteitsimpuls
Één of meer gebeurtenissen en/of handelingen die ervoor zorgen dat de kwaliteit van een gebied of voorziening sterk verbetert.
Landgoedmodel
Een typisch Voorster inspiratiebron voor de combinatie van functies in het groen is het landgoed. In de gemeente zijn diverse historische landgoederen te vinden. Een landgoed heeft van oudsher een combinatie van functies binnen een samenhangende structuur. Er wordt gewoond, er wordt gewerkt, er is landbouw en er is natuur; nut en schoonheid gaan hand in hand. Waar nodig helpen de verschillende onderdelen elkaar (financieel) een handje. Dit model kan een passende benadering zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen in de 21e eeuw, bijvoorbeeld in de groene buffer of het mozaïeklandschap.
Landschapselementen
De fysieke en herkenbare onderdelen van een landschap die gezamenlijk de unieke structuur en het karakter van een gebied bepalen. Ze kunnen zowel natuurlijk zijn als door de mens gemaakt.
Leefbaarheid
De mate waarin een bepaald gebied aantrekkelijk is om in te wonen en te leven. Daarbij gaat het zowel om fysieke kenmerken als om sociale kenmerken van het gebied.
Levensloopbestendig(e woning)
Levensloopbestendige woningen zijn zelfstandige woningen die geschikt zijn (of eenvoudig geschikt te maken) voor bewoning tot op hoge leeftijd, ook in geval van fysieke handicap of chronische ziekten van bewoners. Een levensloopbestendige woning voldoet aan de eisen van Woonkeur.
Logistiek (knooppunt)
Een centrale locatie waar goederenstromen samenkomen, worden overgeslagen en verder vervoerd. Het is een cruciaal punt in het netwerk van transport en handel.
Maakbedrijven
Bedrijven die zich bezighouden met de productie van goederen door het verwerken van grondstoffen en materialen tot nieuwe producten.
Meervoudig ruimtegebruik
Meervoudig ruimtegebruik betekent dat eenzelfde stuk grond of gebouw voor verschillende doelen tegelijkertijd of na elkaar wordt gebruikt. Dit kan helpen om ruimte efficiënter te benutten en verschillende functies te combineren.
Milieu-effecten
De gevolgen van verschillende bronnen op lucht, water en bodem, natuur en landschap.
MKB
MKB staat voor midden- en kleinbedrijf. Dit verwijst doorgaans naar bedrijven met minder dan 250 werknemers.
Mobiliteitshub
Een centrale plek waar verschillende vormen van vervoer samenkomen, waardoor reizigers makkelijk kunnen overstappen van het ene naar het andere vervoermiddel. Denk hierbij aan een combinatie van trein, bus, deelauto’s en (deel)fietsen op één locatie.
Mozaïeklandschap
Gevarieerd landschap bestaande uit een afwisseling van agrarische percelen, bosgebied, heide en landschapselementen zoals singels en houtwallen.
Natura 2000-gebieden
Een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Het is ingesteld om de meest waardevolle en bedreigde soorten en leefgebieden in Europa te beschermen en te behouden.
Natuurinclusief
Zodanige vormgeving/inrichting van een omgeving, gebouw of proces dat het bijdraagt aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden.
Natuurinclusieve landbouw
Een vorm van landbouw die de natuurlijke omgeving niet alleen minimaal belast, maar ook actief inzet en versterkt in het productieproces. Het doel is om voedselproductie te combineren met een positieve bijdrage aan het landschap, de biodiversiteit en de waterkwaliteit.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.
Netcongestie
Een situatie op het elektriciteitsnet waarbij de vraag naar of het aanbod van elektriciteit groter is dan de capaciteit van het netwerk. Dit kan leiden tot beperkingen in de teruglevering van opgewekte energie (zoals zonnestroom) of in de afname van elektriciteit, waardoor nieuwe aansluitingen of uitbreidingen vertraging oplopen.
Noaberschap
Een cultuurhistorisch begrip uit Oost-Nederland dat verwijst naar een diepgewortelde traditie van burenhulp, gemeenschapszin en sociale cohesie in landelijke gebieden.
Omgevingsplan
Een plan vanuit de gemeente waarin regels voor de leefomgeving bij elkaar komen. Voorheen heette dit het bestemmingsplan. Het plan beschrijft wat wel en niet is toegestaan op een bepaalde plek voor verschillende thema’s zoals wonen, natuur, verkeer, industrie.
Omgevingsprogramma
Een uitvoeringsplan van de gemeente om specifieke doelen uit de omgevingsvisie te bereiken. Het beschrijft concrete acties, projecten en/of maatregelen, en wie daarvoor verantwoordelijk is.
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid is het voorkomen, beperken en bestrijden van de nadelige gevolgen van incidenten met gevaarlijke stoffen. Dit betekent dat de regio, vaak in samenwerking met gemeenten en de provincie, advies geeft, inspecties uitvoert en de bestrijding van dergelijke incidenten voorbereidt.
Ontmoetingsplek
Locaties waar inwoners en organisaties elkaar (spontaan) kunnen treffen. Dit kan gaan om plekken in de openbare ruimte, maar gaat ook over gebouwen die ruimte bieden aan bijeenkomsten en activiteiten.
Ontsluiting
De manier waarop een plek met een weg is verbonden met de rest van de omgeving.
Pachtmodel
Een juridische en financiële constructie waarbij de eigenaar van (vaak agrarische) grond of vastgoed het gebruik ervan voor een langere periode en tegen een vaste vergoeding overdraagt aan een gebruiker, zonder dat het eigendom verschuift
Participatie
Het actief betrekken van belanghebbenden bij de totstandkoming van een visie of projectplan.
Positionering
De unieke en strategische plek die de gemeente inneemt ten opzichte van haar omgeving, zoals de regio en de provincie.
Rood voor Groen beleid
Een regeling waarmee eigenaren van overtollige agrarische bebouwing in het buitengebied mogen slopen in ruil voor de bouw van een woning (rood) en een flinke investering in landschap, natuur of cultuurhistorie (groen).
Ruimtelijke kwaliteit
Ruimtelijke kwaliteit is de balans tussen de gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde van een leefomgeving, en wordt gekenmerkt door functionaliteit, esthetiek, duurzaamheid, culturele identiteit en efficiënt ruimtegebruik. De kwaliteit van een gebied wordt bepaald door de mate waarin de inrichting voldoet aan de behoeften en waarden van verschillende belanghebbenden en toekomstige generaties.
Samenredzaamheid
Het versterken van de onafhankelijkheid van professionele zorginstellingen door het ontvangen en verstrekken van zorg en steun uit de gemeenschap (buren, familie).
Snelfietsroute
Een fietspad dat speciaal is aangelegd om snel en comfortabel langere afstanden te fietsen, vaak met weinig oponthoud. Deze routes zijn meestal breder en hebben minder kruisingen met autoverkeer dan gewone fietspaden.
Sociale basis
Het geheel van informele sociale verbanden (buurten, groepen, verenigingen, netwerken, gezinnen) van mensen, aangevuld en ondersteund vanuit de lokale overheid, organisaties, diensten en voorzieningen. Zij maken het mogelijk dat inwoners de mogelijkheden hebben om te participeren in sociale relaties op een manier die hun welzijn, capaciteiten en individueel potentieel verbetert. In de sociale basis gaat het om het versterken van eigenaarschap, zeggenschap en eigen regie van inwoners.
Solitaire bedrijfslocatie
Een enkel, losstaand bedrijf dat buiten een officieel bedrijventerrein ligt, vaak in het buitengebied of in een woonwijk.
Sponswerking
Het vermogen van de bodem en vegetatie om water op te nemen en tijdelijk vast te houden na een regenval. Dit helpt om de afvoer van water te vertragen, de grondwaterstand aan te vullen en de kans op wateroverlast te verminderen.
Sluipverkeer
Verkeersstromen die een alternatieve lokale route zoeken als het (te) druk is op snelwegen of belangrijke regionale wegen.
Sociale cohesie
Mate waarin inwoners verbondenheid ervaren en zich medeverantwoordelijk voelen voor het welzijn van de gemeenschap.
Stikstofdepositie
Het op de grond of in het water neerkomen van stikstofdeeltjes uit de lucht.
STOMP-principe
STOMP staat voor Stappen (lopen), Trappen (fietsen), Openbaar vervoer (bus, trein, tram, metro), MaaS (deelvervoer, zoals deelauto’s of deelscooters) en Privé-auto (je eigen auto). Het doel van het STOMP-principe is om prioriteit te geven aan manieren waarop mensen zich duurzaam verplaatsen, zoals lopen, fietsen en openbaar vervoer, voordat de auto in beeld komt.
Stuw
Sluizen of schotten in watergangen waarmee het waterpeil kunstmatig wordt geregeld om water langer vast te houden in droge periodes of juist af te voeren bij wateroverlast.
Terpen
Kunstmatig opgeworpen heuvels in het landschap die van oudsher zijn gebouwd om bewoners, vee en gebouwen te beschermen tegen hoogwater en overstromingen.
Toekomstbestendig
Maatregelen, structuren of systemen die zijn ingericht om op lange termijn (richting 2050 en verder) te kunnen blijven functioneren en waarde te behouden, ondanks verwachte veranderingen in de maatschappij, het klimaat en de economie.
Toetsingskader
Een overzicht van regels, criteria en richtlijnen die worden gebruikt om iets te beoordelen, in het geval van de omgevingsvisie bijvoorbeeld voor een vergunning. Het helpt om op een eerlijke en duidelijke manier vast te stellen of aan bepaalde eisen wordt voldaan.
Transformatie
Een nieuwe invulling geven aan een gebied of een gebouw met bestaande functie(s), bijvoorbeeld van kantoor naar woning.
Transitie
Structurele verandering die het resultaat is van op elkaar inwerkende en elkaar versterkende ontwikkelingen.
Uitbreiding
Het bouwen van gebouwen zoals woningen, bedrijfsruimtes of voorzieningen aan de randen van een stad of dorp, op een plek die eerst een andere, onbebouwde functie had.
Uitloopgebied
Natuurrijk gebied gelegen nabij een stedelijk gebied.
Veerkrachtig
Veerkrachtig in de context van een samenleving betekent dat een gemeenschap in staat is om veranderingen of problemen, zoals rampen of economische omstandigheden, op te vangen, zich daarna weer te herstellen en aan te passen en elkaar daarbij te helpen.
Verblijfsrecreatie
Vorm van recreatie waarbij een overnachting plaatsvindt, bijvoorbeeld in een hotel of op een camping.
Verdichting
Het verhogen van het aantal woningen of andere stedelijke functies binnen bestaand bebouwd gebied.
Verduurzaming
Het geheel van maatregelen en processen dat gericht is op het verminderen van de negatieve impact van menselijke activiteiten op het milieu en de samenleving, met als doel het welzijn voor de huidige en toekomstige generaties te waarborgen.
Verkaveling
De manier waarop land is opgedeeld in kleinere, afzonderlijke percelen. Deze structuur is een direct gevolg van de wijze waarop het gebied in het verleden is ontgonnen en in gebruik is genomen.
Vergrijzing
Een demografische ontwikkeling waarbij het aandeel oudere mensen (meestal 65 jaar en ouder) in de totale bevolking toeneemt. Dit wordt veroorzaakt door een combinatie van een hogere levensverwachting en dalende geboortecijfers.
Vergroening
Het proces van het toevoegen, verbeteren of herstellen van groen (planten, bomen, parken, groene daken en gevels) in de bebouwde omgeving, in het landschap en op andere oppervlakken.
Verstedelijking
Het proces waarbij het stedelijk gebied zich uitbreidt als gevolg van bevolkingsgroei en veranderingen in levenspatronen. Om deze ontwikkeling in goede banen te leiden, is een samenhangende benadering nodig met aandacht voor zaken zoals woningbouw, economie, mobiliteit, groen, energie, voorzieningen en leefbaarheid.
Voorkeursrecht
Wanneer de overheid voorkeursrecht heeft gevestigd, betekent dit dat zij het eerste recht heeft om een onroerende zaak (zoals grond of een gebouw) te kopen als de eigenaar besluit deze te verkopen. Dit geeft die partij de kans om de aankoop te doen voordat anderen een bod kunnen uitbrengen en maakt het bijvoorbeeld mogelijk om de benodigde grond te verwerven bij het bouwen van een nieuwe woonwijk.
Voorzieningen
Voorzieningen zijn alle zaken waar je gebruik van kunt maken in een stad of dorp. Denk aan onderwijs, medische zorg, winkels, sport of ontspanning. Er zijn verschillende soorten voorzieningen, openbare voorzieningen, bijzondere voorzieningen en maatschappelijke voorzieningen.
Vrijkomende agrarische bebouwing (VAB)
Bij vrijkomende agrarische bebouwing gaat het om een grote hoeveelheid landelijke bedrijfsruimten (stallen, loodsen, e.d.) die leeg komen te staan.
Verweven(heid)
Sterk met elkaar in verband staan.
Wadi
Een groen, begroeid en verlaagd gebied in de openbare ruimte dat bij hevige regenval tijdelijk water opvangt en dit langzaam in de bodem laat zakken om het riool te ontlasten.
Waterberging
Het tijdelijk opvangen van (regen)water in de bodem, sloten, beekjes rivieren, meren, plassen en overige waterbergingsgebieden.
Warmtetransitie
De grootschalige, stapsgewijze overgang van aardgas en andere fossiele brandstoffen naar duurzame, aardgasvrije warmtevoorzieningen voor de verwarming van woningen en gebouwen.
Waterwingebied
Een wettelijk beschermd gebied waar grond- of oppervlaktewater wordt gewonnen en behandeld om te dienen als drinkwater. Het is een cruciaal gebied voor de openbare drinkwatervoorziening.
Waterveiligheid
De bescherming van mensen, dieren, gebouwen en infrastructuur tegen overstromingen en wateroverlast.
Weteringen
Brede, door de mens gegraven of sterk aangepaste watergangen die specifiek bedoeld zijn om overtollig water uit laagliggende (polder)gebieden snel en efficiënt af te voeren naar grotere rivieren of kanalen.
Woningsplitsing
Het juridisch en bouwkundig opdelen van een enkele bestaande woning (meestal een groot woonhuis) in twee of meer zelfstandige, kleinere woningen.
Woningvoorraad
Het totaal aan zowel koop- als huurwoningen die voor bewoning geschikt zijn in een gemeente.
Woonmilieu
De sociale, culturele en fysieke kenmerken van de omgeving waarin gewoond wordt. Het omvat de samenhang tussen de woning, de buurt en de openbare ruimte. Hieronder vallen bijvoorbeeld de kwaliteit van de woning, de dichtheid van woningen en de aanwezigheid van voorzieningen en groen.
Zelfredzaamheid
Het vermogen van inwoners om zelfstandig de dagelijkse taken uit te voeren, hun eigen leven in te richten en zo min mogelijk afhankelijk te zijn van professionele zorg of maatschappelijke ondersteuning.
3‑30‑300 regel
3 vanuit ieder huis moet zicht zijn op drie bomen, 30 in elke wijk moet een bladerdek van tenminste dertig procent zijn, 300 hooguit driehonderd meter van elke woning bevindt zich een park of plantsoen met bomen.
/join/id/regdata/gm0285/2026/466f81471d954cf28fdc1d1b7935fe0e/nld@2026‑07‑15;10515627
/join/id/regdata/gm0285/2026/aa80062067f24f53a118ff01d8cfa171/nld@2026‑07‑15;10515627
/join/id/regdata/gm0285/2026/07d13d6859bb49dc9d9ffd7bedccf3e9/nld@2026‑07‑15;10515627
/join/id/regdata/gm0285/2026/c1218acb0d454829bddee8f8d194f85c/nld@2026‑07‑15;10515627
/join/id/regdata/gm0285/2026/c9009bac308a440d94515e2ae157fc82/nld@2026‑07‑15;10515627
/join/id/regdata/gm0285/2026/2465229f457f4c04a90deb014234f245/nld@2026‑07‑15;10515627
/join/id/regdata/gm0285/2026/17285359389c4764b863b4aa4d4f630a/nld@2026‑07‑15;10515627
/join/id/regdata/gm0285/2026/86b94a601927401fac197fd71f368ade/nld@2026‑07‑15;10515627
/join/id/regdata/gm0285/2026/68ea05109b7442b08162022da5860a30/nld@2026‑07‑15;10515627
/join/id/regdata/gm0285/2026/2051413c2487421aa251ab9b83b40fda/nld@2026‑07‑15;10515627
/join/id/regdata/gm0285/2026/28731dc87bcf497bbd322e572cfb34bf/nld@2026‑07‑15;10515627
/join/id/regdata/gm0285/2026/0267c07a5b32457495335db13544106b/nld@2026‑07‑15;10515627
/join/id/regdata/gm0285/2026/24f747bedda742e7ace5e59afbf87cfb/nld@2026‑07‑15;10515627
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-344128.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.