Gemeenteblad van Son en Breugel
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Son en Breugel | Gemeenteblad 2026, 343984 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Son en Breugel | Gemeenteblad 2026, 343984 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening op het burgerinitiatief gemeente Son en Breugel 2026
In deze verordening wordt onder een burgerinitiatief verstaan: een verzoek van een initiatiefgerechtigde aan de gemeenteraad om een onderwerp of een voorstel te agenderen.
Initiatiefgerechtigd zijn alle ingezetenen van de gemeente Son en Breugel die kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad, alsmede ingezetenen van 16 jaar en ouder die met uitzondering van hun leeftijd voldoen aan de vereisten voor het kiesrecht voor de leden van de gemeenteraad.
De raad agendeert een geldig burgerinitiatief voor zijn eerstvolgende vergadering na de datum van indiening van het initiatief, met dien verstande dat ten minste twee weken zijn gelegen tussen de dag van indiening van het burgerinitiatief en de dag van de raadsvergadering waarin het burgerinitiatief wordt geagendeerd.
Aldus besloten in zijn openbare vergadering van 9 juli 2026.
De raad voornoemd,
De griffier,
Johan Janssen
De voorzitter,
Suzanne Otters-Bruijnen
In het door de VNG beschikbaar gestelde Model Bepalingen burgerinitiatief zijn twee alternatieve begripsomschrijvingen opgenomen voor de invulling van de term “burgerinitiatief”.
De eerste gaat er van uit dat een burger bij dit middel alleen concrete voorstellen kan indienen bij de gemeenteraad. Een voorbeeld hiervan is het voorstel om de winkels op bepaalde zondagen open op te stellen.
Het tweede alternatief is ruimer. Deze biedt de mogelijkheid dat burgers een onderwerp aan de gemeenteraad aandragen, zonder dat hierbij een concreet voorstel is gevoegd. Te denken valt hier aan de wens om over de problematiek in een bepaalde wijk in de raad te discussiëren.
In deze verordening is gekozen voor het tweede alternatief. Dit biedt ruimere mogelijkheden voor de inwoner om een onderwerp aan te kaarten. Bovendien laat deze omschrijving de mogelijkheid onverlet om tóch een concreet en uitgewerkt voorstel in te dienen.
Het begrip “burgerinitiatief” heeft zowel betrekking op het initiële verzoek om een onderwerp te agenderen als op het onderwerp of het voorstel zelf.
Uit dit artikel volgt dat de gemeenteraad een burgerinitiatief op de agenda van een raadsvergadering moet plaatsen indien er sprake is van een geldig verzoek, ingediend door een initiatiefgerechtigde.
Van een geldig verzoek is sprake als (a) het verzoek door ten minste 25 initiatiefgerechtigden wordt ondersteund, en (b) aan de in artikel 5 gestelde procedurele voorwaarden wordt voldaan. In artikel 3 wordt nader omschreven wanneer een persoon initiatiefgerechtigd is.
De geldigheid wordt getoetst door de griffie.
Over het vereiste dat het verzoek door ten minste 25 initiatiefgerechtigden wordt ondersteund kan het volgende worden opgemerkt. Het burgerinitiatief biedt burgers de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de agenda van de gemeenteraad. Het is daarom een inbreuk op het uitgangspunt dat de raad zijn eigen agenda vaststelt. Dit is alleen gerechtvaardigd als het burgerinitiatief ook daadwerkelijk door een bepaald gedeelte van de bevolking wordt gedragen. Het benodigde aantal is eerder al op 25 gesteld, dat is met deze actualisatie onveranderd.
Als er sprake is van een geldig verzoek, dan is de volgende stap dat de gemeenteraad moet besluiten over de ontvankelijkheid van het burgerinitiatief. De criteria voor de ontvankelijkheid staan in artikel 4 benoemd.
Het ligt voor de hand het initiatiefrecht toe te kennen aan kiesgerechtigden voor de gemeenteraadsverkiezingen, vanuit de gedachte dat het burgerinitiatief een instrument is om inwoners bij de besluitvorming van de raad te betrekken en die te beïnvloeden. Wie kiesgerechtigd is, is vastgelegd in artikel B 3 van de Kieswet.
Het is, aldus eerdergenoemde Handreiking, ook te overwegen om de categorie initiatiefgerechtigden uit te breiden door de leeftijd ten opzichte van de kiesgerechtigde leeftijd te verlagen naar bijvoorbeeld zestien jaar. Jongeren kunnen op deze wijze betrokken worden bij de gemeentelijke politiek. Voor de toetsing of aan de vereisten voor initiatiefgerechtigdheid is voldaan, is het moment van indiening van het verzoek bepalend. Het verzoek vindt immers formeel op dat moment plaats. Om te kunnen onderzoeken of op dat moment wordt voldaan aan de vereisten, zijn verschillende gegevens nodig. Welke dat zijn wordt geregeld in artikel 5.
De raad hecht er aan ook jongeren in de gelegenheid te stellen gebruik te maken van de mogelijkheden die het burgerinitiatief biedt. Omdat wel een leeftijd bereikt dient te zijn waarop men in zijn algemeenheid geacht kan worden voldoende beoordelings- en afwegingsvermogen te bezitten, is in de verordening uitgegaan van de minimumleeftijd van 16 jaar.
De beperkingen die dit artikel stelt aan de inhoud van een burgerinitiatief vloeien vooral voort uit doelmatigheidsoverwegingen.
Het is bijvoorbeeld weinig efficiënt om de raad te belasten met de beraadslaging over een onderwerp waarover de raad uiteindelijk geen beslissende bevoegdheid heeft. Een ander argument voor deze uitzondering is, dat de afstand tussen burger en bestuur alleen maar zou worden vergroot als de burger na het doorlopen van de burgerinitiatiefprocedure te horen krijgt dat de raad niets met het burgerinitiatief kan doen, omdat hij er niet over gaat.
Een vraag over gemeentelijk beleid kan ook geen onderwerp van een burgerinitiatief zijn. Voor dit soort vragen staan de inwoner andere wegen open, zoals het (mee)spreekrecht in een beeld- of oordeelsvormende vergadering. Ook moet voorkomen worden dat het burgerinitiatief andere procedures zoals de bezwaar- of de klachtprocedure doorkruist. Met het oog hierop wordt bepaald dat het burgerinitiatief geen bezwaar tegen een genomen besluit of een klacht over een gedraging van het gemeentebestuur kan inhouden. Hiervoor heeft de inwoner andere wegen.
Tot slot is het evenmin de bedoeling dat zaken die recent nog in de raad aan de orde zijn geweest opnieuw onderwerp van bespreking worden als gevolg van een burgerinitiatief. Dit zou de besluitvorming in de raad te zeer kunnen frustreren. Daarbij kan de raad zelf bepalen welke termijn hij daarvoor geschikt acht.
In de verordening is gekozen voor een termijn van 12 maanden. Deze termijn wordt door de raad tevens afdoende geacht om eventueel oneigenlijk gebruik van de mogelijkheden (bijvoorbeeld het maandelijks indienen van een verzoek over hetzelfde onderwerp) te voorkomen. Er kan een uitzondering gemaakt worden als een burgerinitiatief zwaarwegende informatie bevat die ten tijde van de eerdere besluitvorming niet beschikbaar was én die informatie tot een ander oordeel kan leiden.
Het ligt het voor de hand om het burgerinitiatief bij de voorzitter van de raad te laten indienen. Aan het verzoek zal een aantal minimumvereisten gesteld moeten worden.
Het is uit praktische overwegingen zoals uniformiteit, overzichtelijkheid en duidelijkheid raadzaam indiening van een burgerinitiatief plaats te laten vinden door middel van een standaardformulier voor burgerinitiatieven. Op dit formulier zal de verzoeker naast het voorstel plus toelichting, in ieder geval zijn personalia en die van zijn plaatsvervanger moeten aangeven.
Ook de initiatiefgerechtigden die het verzoek ondersteunen zullen uiteraard vermeld moeten worden. Om fraude met namen te voorkomen kan naar personalia gevraagd worden als adressen en geboortedata. Op grond van deze gegevens kan de gemeente onderzoeken of het verzoek de steun van voldoende daartoe gerechtigde personen heeft.
Gelet op het vorenstaande heeft de raad twee standaardformulieren vastgesteld, die (als bijlagen) onderdeel uitmaken van de verordening.
De inwoner moet erop kunnen vertrouwen dat de raad zijn voorstel spoedig toetst aan de vereisten en een besluit neemt over de behandeling. Hierin voorziet het eerste lid. Het gaat erom een termijn te kiezen die niet te lang is, maar ook niet zo kort dat ze onvoldoende is om het voorstel te kunnen controleren. Verzoeken waarover de raad niet bevoegd is, kan de raad doorzenden naar het college. Dat zal met name gebeuren als het college wél bevoegd is.
In het vierde lid is géén algemene termijn opgenomen waarbinnen een ontvankelijk burgerinitiatief op de raadsagenda zal worden geplaatst. De vereiste voorbereidingstijd kan immers van geval tot geval verschillen. Vandaar dat is bepaald dat de raad, bij ontvankelijkheid van het burgerinitiatief, tevens bepaalt in welke type sessie – en zo nodig op welke termijn – het burgerinitiatief verder zal worden behandeld.
In het vierde lid is tevens bepaald dat als het burgerinitiatief ontvankelijk is, in dezelfde vergadering waarin over de ontvankelijkheid wordt besloten de raad in 1 termijn over het onderwerp debatteert. Het doel hiervan is om de initiatiefnemer alvast een indruk te geven over hoe het burgerinitiatief ontvangen wordt én om helder te krijgen welk vervolgproces het best passend is. Bij deze bespreking worden nadrukkelijk van de raadsleden géén bindende uitspaken verwacht. Ter voorkoming van misverstanden dient bij de bespreking uitdrukkelijk op de status hiervan gewezen te worden.
Met het vijfde tot en met achtste lid worden vooral waarborgen gecreëerd voor transparantie bij de afhandeling van een burgerinitiatief door de raad. Op grond van het achtste lid wordt de verzoeker altijd schriftelijk meegedeeld wat er met het ingediende burgerinitiatief gebeurt. Het gaat daarbij zowel om de toezending van het besluit over de ontvankelijkheid als een eventueel later inhoudelijk besluit op het burgerinitiatief zelf. Als het burgerinitiatief door de raad wordt afgewezen (niet ontvankelijk), dan is er sprake van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep op de rechter openstaan. Besluit de raad het burgerinitiatief voor een sessie te agenderen, dan is er sprake van een voorbereidingsbeslissing die niet vatbaar is voor bezwaar of beroep (artikel 6:3 Awb).
Afhankelijk van de inhoud van de beslissing op het burgerinitiatief zelf, zal er sprake zijn van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht die vatbaar is voor bezwaar en beroep. Zo zal bijvoorbeeld bezwaar en beroep openstaan als de raad naar aanleiding van het burgerinitiatief besluit een subsidie toe te kennen voor een bepaald project.
Een ander voorbeeld is het besluit om een verordening op bepaalde punten aan te passen.
Tegen een dergelijk besluit staan geen bezwaar en beroep bij de rechter open (artikel 8:2 Awb).
Met de inwerkingtreding van de nieuwe verordening komt de tot dan geldende verordening rond burgerinitiatiefvoorstellen te vervallen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-343984.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.