Gemeenteblad van Zoeterwoude
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zoeterwoude | Gemeenteblad 2026, 342284 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zoeterwoude | Gemeenteblad 2026, 342284 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Participatieverordening Zoeterwoude 2026
De gemeenteraad van de gemeente Zoeterwoude;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 26 mei 2026;
gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, de artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 van de Omgevingswet en de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit;
Hoofdstuk 2: kaders en uitgangspunten
Het doel van deze verordening is:
heldere kaders stellen voor zorgvuldige, toegankelijke en eenduidige processen van participatie waarmee belangen van inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties en de afwegingen die het bestuursorgaan moet maken in beeld komen en de verwachtingen en uitkomsten duidelijk zijn voor degenen die aan deze processen deelnemen;
Artikel 4: zorgplicht bestuursorgaan
Tijdens participatie draagt het verantwoordelijk bestuursorgaan zorg voor:
Artikel 5: participatie en de Omgevingswet
Het bestuursorgaan past bij participatie bij het vaststellen of wijzigen van de omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet, het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet of een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet, zoveel mogelijk deze verordening toe. Daarbij neemt het bestuursorgaan de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit in acht.
Participatie over omgevingsvergunningen, waarbij de initiatiefnemer aan zet is voor het organiseren van participatie, vindt plaats volgens hetgeen bepaald is in de Omgevingswet en eventuele besluiten van de gemeenteraad over verplichte participatie, zoals bedoeld in artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet.
Hoofdstuk 3: inwonersparticipatie
Artikel 6: proces van inwonersparticipatie
Het bestuursorgaan kan van de in het vierde lid bedoelde wijze van betrekken van de uitkomsten van de inwonersparticipatie afwijken, onder andere als dit sterk uiteenlopende visies opleverde, alle mogelijke betrokken belangen naar oordeel van het bestuursorgaan onvoldoende zijn meegewogen of de inwonersparticipatie leidde tot nieuwe ideeën en inzichten die op gespannen voet staan met de vooraf gestelde kaders.
Als het naar oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijk is om gedurende de inwonersparticipatie het plan daarvoor aan te passen, stelt het bestuursorgaan een vernieuwd plan vast en communiceert hierover aan ten minste degenen die aan de participatie deelnemen met een beargumenteerde onderbouwing voor de wijziging.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 juli 2026,
G.J. Buijs
de griffier
F.Q.A. van Trigt
de voorzitter
Dit is de participatieverordening van de gemeente Zoeterwoude. Vanaf 1 januari 2027 moet elke gemeente, provincie en waterschap een participatieverordening te hebben. Dit staat in de Wet versterking participatie op decentraal niveau, die sinds 2025 geldt. In de participatieverordening staat hoe de gemeente inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties betrekt bij het maken, uitvoeren en evalueren van beleid. Dit noemen we inwonersparticipatie. De participatieverordening gaat ook over hoe de gemeente meedoet aan plannen van inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisatie en hoe ze deze plannen ondersteunt. Dit noemen we overheidsparticipatie. Een bijzondere vorm van overheidsparticipatie is het uitdaagrecht. Dat betekent dat inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties een taak van de gemeente kunnen overnemen als zij dit beter of goedkoper kunnen doen.
Deze verordening is bedoeld voor iedereen die in Zoeterwoude te maken krijgt met een vorm van participatie. Inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties weten met deze verordening wat zij van de gemeente mogen verwachten. Het college van burgemeester en wethouders, de gemeenteraad en medewerkers van de gemeente gebruiken deze verordening om participatie zorgvuldig te organiseren. De participatieverordening sluit aan bij de visie op communicatie, participatie en dienstverlening die de gemeenteraad op 26 februari 2026 vaststelde.
Hoofdstuk 1: algemene bepalingen
Dit hoofdstuk omvat de definities van belangrijke begrippen. Per begrip staat uitgelegd wat we in deze verordening daaronder verstaan.
Hieronder staat een aantal definities verder toegelicht.
Het begrip gaat over het beleid van een bestuursorgaan in brede zin. Hieronder vallen ook projecten, programma’s en plannen. Bij beleid gaat het niet om het nemen van concrete besluiten of maatregelen (zoals de beslissing of iemand een vergunning krijgt), maar om het beleid waarop deze besluiten of maatregelen worden gebaseerd.
In de verordening gebruiken we op veel plekken het begrip ‘bestuursorgaan’. Daarmee bedoelen we ‘wie er in de gemeente Zoeterwoude ergens over mag beslissen’. Dat kan de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester zijn.
Bij inwonersparticipatie neemt de gemeente het initiatief om inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties om hun mening te vragen of mee te laten doen bij het maken van plannen.
Onder maatschappelijke organisaties vallen organisaties die als doel hebben om een actieve bijdrage aan de samenleving in de gemeente te leveren, ongeacht de rechtsvorm waarin deze zijn georganiseerd. Er kan bij maatschappelijke organisaties onder meer worden gedacht aan lokale verenigingen of stichtingen, woongroepen, buurtpreventieteams, vrijwilligersorganisaties, buurtcomités en inwonerscollectieven. In deze verordening ligt de nadruk op maatschappelijke organisaties met een lokale binding. Het gaat om organisaties die een actieve bijdrage leveren aan onze lokale samenleving. Deze definitie sluit aan bij de Gemeentewet, artikel 150, lid 3. Daarin staat dat maatschappelijke organisaties ook gebruik mogen maken van het uitdaagrecht.
Bij overheidsparticipatie nemen inwoners, maatschappelijke organisaties of ondernemers het initiatief om de gemeente bij hun plan te betrekken. Ze kunnen de gemeente bijvoorbeeld vragen om hun plan te ondersteunen of om hieraan mee te doen. Dit begrip is de tegenhanger van het begrip inwonersparticipatie.
Deze verordening gaat over inwonersparticipatie, overheidsparticipatie en het uitdaagrecht. Al deze vormen samen noemen we ‘participatie’. Daarmee bedoelen we dat het in principe niet uitmaakt wie het initiatief neemt: de gemeente of inwoners. De samenwerking staat voorop.
Voor de definitie van uitdaagrecht is aangesloten bij artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet. Op grond daarvan kunnen inwoners en maatschappelijke organisaties een verzoek doen om taken van de gemeente over te nemen.
Hoofdstuk 2: kaders en uitgangspunten
Dit hoofdstuk bevat de kaders en uitgangspunten die voor alle vormen van participatie gelden. Daarmee bedoelen we zowel inwonersparticipatie, waaronder ook inspraak, overheidsparticipatie en het uitdaagrecht.
In dit artikel staat het doel van deze verordening. Het belangrijkste doel is om houvast te bieden bij de samenwerking tussen de gemeente en inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties.
Een belangrijke voorwaarde voor een goede samenwerking is dat duidelijk is wat partijen over en weer van elkaar mogen verwachten en dat zij bewuste keuzes maken ten aanzien van het doel en de vorm van participatie. De verordening biedt een kader bij het maken van die keuzes. Daarnaast is het doel van de verordening om te regelen hoe de gemeente inwoners betrekt (inwonersparticipatie), hoe de gemeente plannen van inwoners ondersteunt (overheidsparticipatie) en hoe het uitdaagrecht kan worden toegepast.
In dit artikel staat wanneer inwonersparticipatie wel of niet mogelijk is. In het eerste lid staat dat het verantwoordelijk bestuursorgaan van de gemeente zelf besluit wanneer participatie wordt toegepast. Dat geldt voor inwonersparticipatie, overheidsparticipatie en het uitdaagrecht.
In sommige gevallen is participatie niet passend. Daarom staat in het tweede en derde lid van dit artikel een aantal uitzonderingen. Het tweede lid gaat over situaties waarin participatie in ieder geval niet passend is. In het derde lid staan situaties waarin het bestuursorgaan per geval kan bepalen of participatie inderdaad niet passend is. In die gevallen maakt het bestuursorgaan een afweging van belangen en bepaalt het welke belangen het zwaarst wegen. Het vierde lid van het artikel geeft aan dat het bestuursorgaan het maken van een uitzondering duidelijk moet motiveren, zodat hier terughoudend mee wordt omgegaan.
Artikel 4: zorgplicht bestuursorgaan
Als gemeente vinden we het belangrijk dat participatie zorgvuldig en duidelijk gebeurt. Artikel 4 gaat over een aantal dingen waar het bestuursorgaan voor moet zorgen bij participatie. Zo geven we als gemeente duidelijkheid over hoe een proces van participatie werkt, hoe men mee kan doen en hoe de gemeente omgaat met de opbrengsten.
Artikel 5: participatie en de Omgevingswet
De Omgevingswet gaat over hoe we onze leefomgeving gebruiken en inrichten. Het gaat bijvoorbeeld over waar gebouwd mag worden en hoe we de natuur beschermen. In de Omgevingswet staan ook regels over participatie. In dit artikel staat hoe de participatieverordening aansluit op de regels over participatie in de Omgevingswet.
Wanneer het bestuursorgaan zelf participatie organiseert bij onderdelen van de Omgevingswet (zoals de omgevingsvisie, het omgevingsplan of een programma), dan houdt het bestuursorgaan zich zoveel mogelijk aan de uitgangspunten uit deze participatieverordening. Met ‘zoveel mogelijk’ bedoelen we dat de verordening het uitgangspunt is, maar dat de Omgevingswet soms andere of extra stappen verplicht stelt – zoals de mogelijkheid van beroeps- en bezwaarprocedures. In die gevallen is de Omgevingswet leidend.
Onder de Omgevingswet is de gemeente niet meer als enige verantwoordelijk voor participatie. Ook initiatiefnemers die een omgevingsvergunning aanvragen, moeten zelf participatie organiseren. Een voorbeeld hiervan is een projectontwikkelaar die nieuwe woningen wil bouwen. De participatieverordening gaat niet over deze vorm van participatie. Dat staat in het tweede lid.
De gemeenteraad kan in sommige situaties bepalen dat participatie verplicht is, maar kan niet verplichten dat initiatiefnemers participatie op een bepaalde manier vormgeven. Het college geeft wel een handreiking aan deze initiatiefnemers. Deze handreiking helpt hen bij het organiseren van participatie en legt uit wat de gemeente van hen verwacht. Dat staat in het derde lid.
Hoofdstuk 3: inwonersparticipatie
Dit hoofdstuk bevat de spelregels die gelden bij inwonerparticipatie. Het regelt de manier waarop de gemeente inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties betrekt bij het maken, uitvoeren en evalueren van beleid.
Artikel 6: proces van inwonersparticipatie
Dit artikel legt uit hoe de gemeente een proces van inwonersparticipatie inricht. Het is belangrijk om goed na te denken over de het ontwerp van een proces. Zo wordt het proces duidelijk, toegankelijk en waardevol voor inwoners en andere belanghebbenden. Dit artikel helpt bij het maken van die keuzes.
Het eerste lid gaat over inspraak. Dit is een speciale vorm van participatie. De regels hiervoor staan in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In sommige situaties is inspraak verplicht. Een bestuursorgaan kan er ook vrijwillig voor kiezen om inspraak te gebruiken als participatievorm. Let op: dit lid gaat niet over inwoners die in een raadsvergadering iets zeggen. Dat wordt ook 'inspreken’ genoemd, maar dat is iets anders.
Het tweede, derde en vierde lid gaan over het plan voor participatie. In dit plan staan alle belangrijke keuzes voor het participatietraject. In het derde lid, onderdelen a tot en met i, staat welke onderwerpen in het participatieplan moeten worden opgenomen. Hoe deze onderdelen precies worden ingevuld, verschilt per traject, en soms zelfs per fase. Het participatieplan brengt de belangrijkste beslissingen en voorwaarden in beeld en zorgt voor duidelijkheid. Het bestuursorgaan kiest in het participatieplan ook hoe de resultaten van het traject worden gebruikt in de uiteindelijke besluitvorming. De keuzes die hiervoor mogelijk zijn, staan in lid vier. Lid zes beschrijft wanneer hiervan mag worden afgeweken.
Tijdens een traject kan het nodig zijn om de aanpak bij te stellen. Lid zeven geeft het bestuursorgaan die mogelijkheid. Het bestuursorgaan moet zo'n wijziging wel duidelijk uitleggen aan alle betrokkenen bij het traject.
Artikel 7: ondersteuning bij inwonersparticipatie
Als gemeente vinden we het belangrijk dat iedereen kan meedoen met participatie. Soms is daar extra ondersteuning voor nodig, bijvoorbeeld als het gaat om (de toegankelijkheid van) de ruimte waarin een bijeenkomst wordt georganiseerd of om de manier waarop we informatie delen. In dit artikel staat dat het college zorgdraagt voor deze ondersteuning, voor zover dat mogelijk is. Niet alles kan immers altijd.
Artikel 8: uitkomsten inwonersparticipatie
Inwoners en andere belanghebbenden die meedoen aan een participatietraject steken daar tijd en energie in. Daarom is het belangrijk om duidelijk terug te koppelen wat er met hun inbreng gebeurt. Dit artikel legt uit hoe dat gebeurt.
In het eerste lid staat dat alle deelnemers aan het participatietraject altijd horen wat er met hun inbreng is gedaan, binnen een vooraf bepaalde termijn. Hierbij heeft een individuele reactie de voorkeur, tenzij het passender is om op alle inbreng tegelijkertijd te reageren. Het tweede lid geeft aan wat er minimaal naar de betrokken deelnemers moet worden teruggekoppeld, namelijk: hoe het proces is verlopen, wat er is opgehaald, wat de gemeente met de inbreng heeft gedaan en hoe men terugkijkt op het proces. Het derde lid legt uit dat het bestuursorgaan de deelnemers (en de gemeenteraad) op de hoogte brengt als het uiteindelijk op een andere manier met de inbreng omgaat dan eerder was aangegeven. De deelnemers horen dan hoe er wel met hun inbreng wordt omgegaan en waarom er een andere keuze is gemaakt.
Hoofdstuk 4: overheidsparticipatie
Dit hoofdstuk bevat de spelregels voor overheidsparticipatie. Het regelt hoe de gemeente meedoet aan plannen van inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisatie en hoe ze deze plannen ondersteunt.
Artikel 9: verzoek om overheidsparticipatie
Dit artikel legt uit hoe het proces van overheidsparticipatie begint. In het eerste lid staat dat inwoners, maatschappelijke organisaties of ondernemers die een plan hebben een verzoek om overheidsparticipatie kunnen indienen. Zij sturen hun verzoek altijd aan het college, ongeacht welk bestuursorgaan bevoegd is. Dit zorgt ervoor dat het indienen van een verzoek makkelijk is en dat verzoeken op een centrale plek ontvangen worden.
In het tweede lid staat welke informatie minimaal moet worden meegestuurd met het verzoek. Hierdoor wordt duidelijk:
Hoe deze onderdelen worden ingevuld, kan per idee verschillen. Als het nodig is, kan het college om meer informatie vragen.
Artikel 10: ondersteuning indiener verzoek overheidsparticipatie
Zie de toelichting bij artikel 7.
Artikel 11: beoordeling verzoek overheidsparticipatie
Het college ontvangt alle verzoeken om overheidsparticipatie. Daarna stuurt het college het verzoek door naar het bestuursorgaan dat hierover mag beslissen. Het bestuursorgaan beslist zelf of het verzoek wordt toegekend. In een aantal situaties is overheidsparticipatie niet passend en wenselijk. Die situaties taan in het derde lid. Een voorbeeld is wanneer het verzoek in strijd is met beleid dat de gemeente eerder heeft vastgesteld.
In het artikel staat ook binnen welke termijn het bestuursorgaan moet reageren op het verzoek. Dit is de inhoudelijke reactie op het verzoek, zodat de indiener weet of het verzoek wel of niet wordt toegekend. Daarbij is het belangrijk dat altijd wordt geprobeerd om zo snel mogelijk te reageren. Het bestuursorgaan moet deze keuze goed uitleggen en deze openbaar maken.
Artikel 12: uitvoering overheidsparticipatie
Dit artikel gaat over het uitvoeren van overheidsparticipatie. Dit betekent dat inwoners of andere partijen samenwerken met de gemeente. Het bestuursorgaan en de initiatiefnemer maken samen afspraken over wat overheidsparticipatie precies inhoudt. Ze spreken af wat beide partijen willen bereiken en hoelang de samenwerking duurt. Ook maken ze afspraken over het budget en hoe dit wordt betaald.
De ondersteuning door het bestuursorgaan is een belangrijk onderdeel van overheidsparticipatie. Daarom is het belangrijk om duidelijke afspraken te maken over wat deze ondersteuning precies inhoudt. Dat verschilt per plan. Daarnaast wordt vooraf afgesproken wat er gebeurt als er problemen ontstaan in de samenwerking. Tot slot wordt ook vooraf vastgelegd hoe de samenwerking later wordt geëvalueerd.
Het uitdaagrecht is een specifieke vorm van overheidsparticipatie. Het geeft inwoners, maatschappelijke organisaties en ondernemers de mogelijkheid om een taak van de gemeente over te nemen als zij denken dat zij dit beter of goedkoper kunnen doen. Dit hoofdstuk bevat de spelregels voor het uitdaagrecht.
Artikel 13: verzoek om toepassing uitdaagrecht
Dit artikel legt uit hoe het proces van het uitdaagrecht werkt. Het artikel beschrijft welke informatie nodig is om zo’n verzoek goed te kunnen beoordelen.
In het tweede lid staat welke onderwerpen een initiatiefnemer moet opnemen in zijn verzoek. Dit is nodig zodat duidelijk is:
De initiatiefnemer moet ook laten zien dat hij de taak op een goede en verantwoorde manier kan uitvoeren. De manier waarop deze onderdelen worden ingevuld, verschilt per initiatief. Dit artikel zorgt er dus voor dat elk verzoek duidelijk, compleet en eerlijk beoordeeld kan worden.
Artikel 15: beoordeling verzoek om toepassing uitdaagrecht
Net als bij overheidsparticipatie ontvangt het college alle verzoeken om toepassing van het uitdaagrecht. Het college stuurt het verzoek door naar het bestuursorgaan dat hierover mag beslissen. Het bestuursorgaan beslist zelf of het verzoek wordt toegekend. In een aantal situaties is overheidsparticipatie niet passend en wenselijk. Die situaties staan in het derde lid. Een voorbeeld is wanneer de gemeente de enige is die een taak mag uitvoeren. Het uitdaagrecht kan alleen worden toegepast als dit niet meer dan een bepaald bedrag kost. Dat staat in lid 3, sub c.
De gemeente voert niet alle taken zelf uit, maar geeft soms bedrijven een opdracht om iets voor de gemeente uit te voeren. Er zijn regels over hoe de gemeente bepaalt welk bedrijf welke taak mag uitvoeren. Deze regels staan in het inkoop- en aanbestedingsbeleid van de gemeente en in de Aanbestedingswet 2012. Het uitdaagrecht gaat niet tegen deze regels in. Als een bedrijf bijvoorbeeld een opdracht van de gemeente niet krijgt, dan kan het bedrijf niet alsnog proberen om deze opdracht te krijgen door te vragen om toepassing van het uitdaagrecht. Het toepassen van het uitdaagrecht kan ook geen lopende contracten tussen de gemeente en een organisatie verbreken.
In het artikel staat ook binnen welke termijn het bestuursorgaan moet reageren op het verzoek. Dit is de inhoudelijke reactie op het verzoek, zodat de indiener weet of het verzoek wel of niet wordt toegekend. Daarbij is het belangrijk dat altijd wordt geprobeerd om zo snel mogelijk te reageren. Het bestuursorgaan moet deze keuze goed uitleggen en deze openbaar maken.
Artikel 16: uitvoering uitdaagrecht
Dit artikel gaat over hoe de samenwerking wordt geregeld wanneer inwoners of andere partijen een taak van de gemeente overnemen via het uitdaagrecht. Het uitdaagrecht kan alleen goed werken als er duidelijke afspraken worden gemaakt. Dit artikel beschrijft welke afspraken nodig zijn, zodat zowel de initiatiefnemer als de gemeente weten wat zij van elkaar kunnen verwachten.
Het bestuursorgaan en de initiatiefnemer spreken samen af wat het uitdaagrecht in dit geval precies betekent, hoelang de uitvoering duurt en welk budget nodig is en hoe dit wordt betaald. Deze afspraken zorgen ervoor dat de taak op een goede en verantwoorde manier kan worden uitgevoerd. Daarnaast worden vooraf afspraken gemaakt over hoe het contact tussen de gemeente en initiatiefnemer verloopt en wat er gebeurt als er problemen of knelpunten ontstaan tijdens de uitvoering van het uitdaagrecht.
Dit voorkomt misverstanden en helpt om samen goede oplossingen te vinden. Tot slot spreken beide partijen af hoe er wordt geëvalueerd. Zo kan worden bekeken wat goed ging, wat beter kan en wat dit betekent voor toekomstige toepassingen van het uitdaagrecht.
Artikel 17: evaluatie en monitoring
Bij alle vormen van participatie is het essentieel om te blijven leren, zodat participatie steeds verder kan verbeteren. Daarom staat in dit artikel dat het college de participatieverordening elke twee jaar evalueert en de gemeenteraad hierover informeert. Het college moet in ieder geval informatie geven over hoe vaak en in welke vorm inwonersparticipatie is toegepast, hoeveel verzoeken er voor overheidsparticipatie en uitdaagrecht zijn ingediend, afgewezen en toegewezen en hoeveel dit heeft gekost. Ook moet het college aangeven wat er bekend is over hoe deelnemers en indieners van verzoeken participatie hebben ervaren. Daarnaast moet het college noemen wat er goed ging en wat er beter kon en een voorstel doen om hiermee aan de slag te gaan.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-342284.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.