Gemeenteblad van Lingewaard
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Lingewaard | Gemeenteblad 2026, 340830 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Lingewaard | Gemeenteblad 2026, 340830 | beleidsregel |
Beleidsregels werk, inkomen en bijzondere vergoedingen Lingewaard 2026
Het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard heeft op 7 juli 2026 de Beleidsregels werk, inkomen en bijzondere vergoedingen Lingewaard 2026 vastgesteld.
Het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard heeft op 7 juli 2026 de Beleidsregels werk, inkomen en bijzondere vergoedingen 2026 vastgesteld, gelet op:
besluit vast te stellen de volgende
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In dit hoofdstuk staan regels en uitgangspunten die voor alle onderwerpen in de volgende hoofdstukken gelden.
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
Artikel 1.2 Maatwerk en hardheidsclausule
Bij de uitvoering van de beleidsregels wil het college een voorziening bieden die de betrokken inwoner nodig heeft om vooruit te komen. Daarom onderzoeken we eerst hoe de situatie van de inwoner is en wat de inwoner wil bereiken. Pas daarna kijken we of de wet en daarmee samenhangende andere regelgeving een instrument kunnen zijn om de inwoner daarbij te helpen.
Het college hanteert deze beleidsregels als richtlijn omdat zij voor de meeste situaties redelijk zijn. Als we vinden dat een besluit volgens deze regels in het geval van de aanvrager niet redelijk zou zijn en/of onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de gemeente, kunnen we van de regels afwijken. We leggen dan in de beschikking uit waarom we dat doen.
Hoofdstuk 2 Maandelijkse uitkeringen
In dit hoofdstuk staat regels die we gebruiken bij het vaststellen van uitkeringen. De regels lopen uiteen van de vaststelling van het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering en de beëindiging van de uitkering tot de terugvordering van te veel verstrekte uitkering. Als de regels ook betrekking hebben op andere uitkeringen dan bijstand vermelden we dat.
Artikel 2.2 Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Het college kan besluiten een aanvraag om algemene bijstand vóór het verstrijken van de zoektermijn (artikel 41, elfde lid, van de Wet) in behandeling te nemen wanneer omstandigheden dit noodzakelijk maken. Hiermee wordt artikel 1.4.1., tweede lid, van de Verordening nader uitgewerkt, gericht op jongeren in een kwetsbare situatie of jongeren voor wie het toepassen van de zoektermijn geen zinvolle bijdrage levert aan het doel ervan. Van dergelijke omstandigheden is in ieder geval sprake wanneer:
Artikel 2.4 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
Artikel 2.6 Lagere bijstand vanwege de woonsituatie
Als een alleenstaande inwoner voor verpleging en/of verzorging en/of behandeling tijdelijk in een inrichting verblijft en het volgens het college belangrijk is dat de inwoner na het verblijf kan terugkeren naar zijn woning, houden we de bijstandsuitkering maximaal zes maanden even hoog als die voor de opname was.
Artikel 2.10 Commerciële prijs kamerhuur of kostgang
Het college hanteert de regel dat indien er sprake is van een woning van een derde die al dan niet met individuele huurcontracten in gedeelten (kamers) wordt verhuurd, in beginsel wordt aangenomen dat er sprake is van een commerciële prijs. In dat geval is tussen de bewoners onderling geen sprake van kostendeling.
Artikel 2.12a Verrekening en vrijlating van inkomsten uit arbeid voor jongeren van 18 tot 27 jaar
Artikel 2.13 Vrijlaten van giften in individuele gevallen
Het college laat een gift met een specifieke bestemming volledig vrij als deze bedoeld is voor een duidelijk omschreven doel, zoals het betalen van een specifieke rekening, aankoop van een bepaald product of het vergoeden van een vastgestelde kostenpost. De belanghebbende toont op verzoek aan – bijvoorbeeld door een betaalbewijs, factuur, bankafschrift of korte toelichting – dat de gift ook daadwerkelijk voor dit doel is gebruikt.
Zolang het totaal van giften met een specifieke bestemming en overige giften in een kalenderjaar onder € 1200,00 blijft, bestaat geen meldingsplicht. Zodra dit totaal € 1200,00 of meer bedraagt, meldt de belanghebbende dit aan het college. Het college beoordeelt vervolgens of sprake is van een gift met een specifieke bestemming of een overige gift. Als de gift uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is, kan ook het bedrag boven € 1200,00 worden vrijgelaten.
Structurele of periodieke bijdragen van derden voor algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan (zoals huur, zorgverzekering, boodschappen of nutsvoorzieningen) worden beschouwd als kostenbesparend. Deze bijdragen tellen niet mee als inkomen of vermogen, zolang het totaal van deze bijdragen, giften met een specifieke bestemming en overige giften samen minder dan €1200,00 per kalenderjaar bedraagt. Bij overschrijding beoordeelt het college per situatie of het meerdere als middel bij de bijstandverlening wordt betrokken.
Artikel 2.14 Vaststellen vermogen
Artikel 2.15 Gebruik bevoegdheid
Het college herziet of trekt een toekenningsbesluit in met toepassing van artikel 54, derde en vierde lid van de Wet en de artikelen 17, derde en vierde lid van de IOAW en IOAZ, en vordert ten onrechte verleende bijstand of uitkering terug met toepassing van artikel 58 tot en met 60 van de wet en de artikelen 25 tot en met 31 van de IOAW en IOAZ, tenzij sprake is van omstandigheden als bedoeld in dit artikel waarbij geheel of gedeeltelijk van herziening, intrekking of terugvordering wordt afgezien.
Bij een restantvordering lager dan € 250,00, kan het college afzien van verdere invordering als, gelet op doelmatige invordering, de te verwachten opbrengst niet in redelijke verhouding staat tot de kosten en er geen andere openstaande vorderingen zijn, tenzij sprake is van een vordering wegens schending van de inlichtingenplicht.
In dit hoofdstuk staan regels over werk en over het aanbieden van hulp om aan het werk te komen en te blijven.
Artikel 3.1 Mantelzorg en op geld gewaardeerde arbeid
Wanneer mantelzorg van invloed is op het nakomen van participatieverplichtingen, betrekt het college dit bij de individuele beoordeling. Hierbij worden de aard, omvang en zwaarte van de zorgtaken, alsook de draagkracht en draaglast van de mantelzorger meegewogen. Op basis hiervan wordt bepaald in welke mate participatieverplichtingen kunnen worden opgelegd of aangepast.
De toets wordt in beginsel binnen acht weken na aanvraag van de bijstand afgenomen. De inwoner wordt binnen acht weken na afname schriftelijk geïnformeerd over het resultaat en over het bestaan van het redelijk vermoeden dat de taal onvoldoende wordt beheerst (artikel 18b, tweede en vierde lid van de Wet).
Het niet of onvoldoende meewerken aan de taaltoets kan gevolgen hebben voor de bijstand of andere arbeidsverplichtingen, op grond van artikel 18b van de Wet en artikel 7.1.6. van de verordening sociaal domein. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot verlaging van de bijstand of andere passende maatregelen zoals re-integratie of participatie.
Hoofdstuk 4 Bijzondere vergoedingen
Dit hoofdstuk gaat over de bijzondere vergoedingen, waaronder bijzondere bijstand, waarmee het college inwoners ondersteunt bij noodzakelijke kosten die zij zelf niet kunnen betalen én bij voorzieningen die bijdragen aan het actief en gezond meedoen in de samenleving. Als we het in dit hoofdstuk over bijstand hebben bedoelen we de bijzondere bijstand volgens artikel 35 van de wet. Wat er in de wet staat over bijstand en de uitleg die rechters daaraan geven, gaat altijd boven wat er in deze beleidsregels staat.
Artikel 4.1 Draagkracht uit inkomen en vermogen
Voor de berekening van het inkomen volgens dit hoofdstuk vergelijken we inkomsten inclusief vakantietoeslag altijd met de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag en inkomsten zonder vakantietoeslag met de norm zonder vakantietoeslag. Bij een combinatie van inclusief en exclusief rekenen we één van beide om.
In afwijking van het vierde lid stellen we de draagkracht vast op het inkomen boven 100% van de toepasselijke bijstandsnorm bij:
Onder de toepasselijke bijstandsnorm wordt verstaan de norm op grond van de Participatiewet die voor betrokkene geldt, met inbegrip van de kostendelersnorm indien van toepassing.
De berekende totale draagkracht geldt voor een jaar (een periode van twaalf maanden), gerekend vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag gedaan is. Als er geen draagkracht is en het inkomen naar verwachting niet zal veranderen, kan deze vaststelling worden verlengd tot maximaal 36 maanden. Deze verlenging wordt alleen toegepast bij periodieke bijzondere bijstand. Denk aan terugkerende kosten zoals bewindvoering, beschermingsbewind, mentorschap, curatele.
Indien de tegemoetkoming niet (aantoonbaar) is besteed aan het doel waarvoor deze is toegekend of de gestelde voorwaarden niet zijn nageleefd, kan het college de tegemoetkoming geheel of gedeeltelijk herzien en (terug)vorderen. Bij leenbijstand kan het college de lening (versneld) opeisen. Het college past hierbij proportionaliteit toe en houdt rekening met de individuele omstandigheden.
Bij het uitbetalen van tegemoetkomingen kiest het college welke manier van uitbetalen het beste is. We willen het liefste dat elke inwoner zelfstandig de regie over zijn leven voert en zelf zijn geld beheert. Als het nodig is kijken we of de inwoner ondersteuning kan krijgen door hulp bij het beheer en de besteding. Het is ook mogelijk om gespreid uit te betalen. Tenslotte kunnen we de inwoner ook volledig ontzorgen door rechtstreeks te betalen aan een aanbieder/leverancier.
Artikel 4.6 Rechtsbijstand/ griffierecht
Als een inwoner in een gerechtelijke procedure gebruik maakt van een door de overheid betaalde advocaat of mediator op grond van de Wet op de rechtsbijstand, komen de betalen eigen bijdrage, de kantoorkosten en het griffierecht in aanmerking voor bijzondere bijstand. Voor de hoogte van de bijzondere bijstand wordt altijd rekening gehouden met de korting die toegepast wordt na advies bij Het Juridisch Loket (www.juridischloket.nl). Dat gebeurt ook als de inwoner ervoor kiest om rechtstreeks contact met een advocaat op te nemen.
Artikel 4.8 Verblijfsvergunning
Er is één uitzondering mogelijk: als het gaat om een hereniging van een erkende vluchteling met zijn gezinsleden en daardoor het recht op gezinsleven volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens uitgeoefend kan worden, kan bijzondere bijstand worden verleend voor de vergunning van de gezinsleden.
Artikel 4.9 Verhuizing en woninginrichting
Kosten van verhuizing en woninginrichting moet de inwoner zelf betalen. Alleen bij bijzondere omstandigheden kan bijzondere bijstand worden verleend. Dit is het geval wanneer sprake is van een noodzakelijke verhuizing die niet redelijkerwijs voorzienbaar was en waarvoor geen mogelijkheid bestond om te reserveren. Ook inwoners die zich vanuit opvang of asielopvang in de gemeente vestigen, kunnen voor bijzondere bijstand in aanmerking komen.
Als een inwoner gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar heeft geleefd van een inkomen op of rond de toepasselijke bijstandsnorm, wordt aangenomen dat er geen reserveringsruimte was voor duurzame gebruiksgoederen. Deze veronderstelling ziet uitsluitend op het ontbreken van reserveringsruimte en heeft geen invloed op de beoordeling van de draagkracht op grond van artikel 4.1. Bij de beoordeling van de noodzakelijke kosten wordt uitgegaan van een goedkoopst adequate en duurzame oplossing, waarbij rekening wordt gehouden met de beschikbaarheid en bruikbaarheid van tweedehands of circulaire goederen.
Bij vervanging van duurzame gebruiksgoederen beoordeelt het college of reparatie een goedkoper en adequaat alternatief is. Daarbij houdt het college rekening met de ouderdom en staat van het gebruiksgoed, de verwachte resterende levensduur, de kosten van reparatie en de kosten van vervanging. Voor duurzame gebruiksgoederen hanteert het college als uitgangspunt een afschrijvingstermijn van tien jaar, gerekend vanaf de datum van aanschaf. Binnen deze termijn wordt in beginsel geen bijzondere bijstand of bijzondere vergoeding verstrekt voor vervanging van hetzelfde gebruiksgoed, tenzij bijzondere individuele omstandigheden een andere beoordeling rechtvaardigen. Bij tweedehands gebruiksgoederen houdt het college rekening met de ouderdom, staat en verwachte resterende levensduur van het gebruiksgoed. Richtprijzen en levensduurindicaties van het Nibud kunnen ondersteunend bij de beoordeling worden betrokken.
Voor inwoners die voor het eerst zelfstandig gaan wonen wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor verhuizing of woninginrichting, omdat deze kosten voorzienbaar zijn. Inwoners die uitstromen vanuit opvang of asielopvang, kunnen hiervan worden uitgezonderd. Beoordeling vindt plaats per individueel geval.
Artikel 4.10 Reiskosten/vervoer
Reiskosten worden in beginsel aangemerkt als algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en komen voor rekening van de inwoner. De bijstandsnorm bevat een vervoerscomponent waaruit regulier vervoer, waaronder woon-schoolverkeer, geacht wordt te worden bekostigd. De inwoner wordt geacht hiervoor te reserveren.
Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor noodzakelijke reiskosten indien en voor zover deze kosten, gelet op de individuele omstandigheden, niet uit het inkomen en/of vermogen en/of een voorliggende voorziening kunnen worden voldaan. Voor zover een voorliggende voorziening bestaat, zoals ziekenvervoer op grond van de Zorgverzekeringswet of leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, wordt geen bijzondere bijstand verleend. Bijzondere bijstand kan in elk geval worden overwogen bij:
De hoogte van de bijzondere bijstand voor reiskosten wordt bepaald op basis van de goedkoopst adequate wijze van vervoer. Het college hanteert daarbij als uitgangspunt de volgorde: fiets, openbaar vervoer en indien noodzakelijk eigen vervoer. Bij gebruik van een privéauto wordt de tegemoetkoming berekend volgens de onbelaste kilometervergoeding (2026: € 0,23 per kilometer).
Voor afstanden tot 10 kilometer beschouwt het college een (tweedehands) fiets als passend vervoermiddel. Als een inwoner niet of niet voldoende heeft kunnen reserveren voor de aanschaf van een (tweedehands) fiets, kan eenmalig bijzondere bijstand worden verleend tot maximaal 60% van het Nibud-normbedrag voor een gewone fiets.
Voor woon-schoolverkeer van minderjarige scholieren bij afstanden van meer dan 10 kilometer blijft de fiets uitgangspunt. Indien het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving geen passende oplossing biedt, kan het college bijzondere bijstand voor openbaar vervoer verstrekken wanneer sprake is van een objectieve noodzaak, waaronder:
Comfort, tijdswinst of gebruikelijkheid in de omgeving vormen geen reden voor bijzondere bijstand.
Artikel 4.13 Collectieve aanvullende ziektekostenverzekering
Het nemen van een aanvullende verzekering is een vrije keuze en de verzekering kan niet worden gezien als een voorliggende voorziening in de zin van de Wet. Wel volgen wij de uitspraken van rechters: medische kosten worden passend en voldoende vergoed vanuit de voorliggende voorzieningen Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Voor medische kosten die de wetgever bewust buiten de Zvw en Wlz heeft gelaten, kan geen beroep op bijzondere bijstand worden gedaan.
Is de kale huur hoger dan de maximale rekenhuur die wordt gebruikt voor de berekening van de huurtoeslag (zoals vastgesteld voor het betreffende jaar), dan wordt de bijzondere bijstand verhoogd met het deel van de werkelijke kosten boven deze rekenhuur. De bijzondere bijstand wordt in dat geval toegekend voor maximaal 12 maanden. De inwoner krijgt daarbij de verplichting om zich in te spannen voor het vinden van een meer passende en betaalbare woning. Zodra de inwoner een goedkopere woning heeft kunnen accepteren, eindigt de bijzondere bijstand. Indien de inwoner voldoende inspanning heeft geleverd maar geen passende woning heeft kunnen vinden, kan de toekenning met maximaal 12 maanden worden verlengd.
Voor eigenaren wordt de woonkostentoeslag overeenkomstig de huurtoeslag bepaald. Als woonkosten tellen onder andere hypotheekrente (geen aflossing), erfpachtcanon en zo nodig VVE-bijdragen voor instandhouding/onderhoud gemeenschappelijke delen. Hypotheekrenteaftrek (fiscaal voordeel) wordt verdisconteerd in de te vergoeden woonkosten en/of de draagkracht.
Bij zelfstandigen kunnen de inkomsten sterk wisselen. Om te voorkomen dat de woonkostentoeslag daardoor onnodig fluctueert, kan het college uitgaan van een representatief gemiddeld jaarinkomen of een voorlopige draagkrachtberekening. Nadat het definitieve inkomen over het boekjaar bekend is, kan het college de woonkostentoeslag herzien op basis van het werkelijke inkomen.
Artikel 4.18 Aanvullend levensonderhoud jongvolwassenen in een instelling
Indien de jongere geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:
kan het college bijzondere bijstand verlenen voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud op grond van artikel 35 van de Wet. De hoogte van deze bijstand wordt gemaximeerd op de inrichtingsnorm zoals bedoeld in artikel 23 van de Wet, inclusief de verhoging als genoemd in het tweede lid van dat artikel.
Omdat jongeren die in een instelling verblijven geen recht hebben op algemene bijstand (artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van de Wet), kan voor deze doelgroep geen toepassing worden gegeven aan de ophoging van artikel 20, derde lid, van de Wet. Voor hen is uitsluitend bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Wet mogelijk, tot maximaal de inrichtingsnorm als bedoeld in artikel 23 van de Wet.
Artikel 4.19 Aanvullende bijzondere bijstand voor AMV’s
Een alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV) van 18, 19 of 20 jaar kan aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud ontvangen wanneer geen of een ontoereikende voorliggende voorziening beschikbaar is als bedoeld in artikel 15 van de Wet en de AMV niet kan terugvallen op ouderlijk onderhoud.
Voor een AMV die na zijn 18e verjaardag verblijft in een woonvoorziening onder verantwoordelijkheid van Nidos, vult het college de jongerennorm aan tot maximaal de norm voor een alleenstaande van 21 jaar en ouder (inclusief vakantietoeslag). Zolang de AMV geen zelfstandige woonlasten heeft, wordt daarop een forfaitaire woonkostencorrectie van € 600 per maand in mindering gebracht. Deze correctie is gebaseerd op de gemiddelde maandelijkse woonlasten voor jongeren en wordt jaarlijks geïndexeerd.
Artikel 4.20 Alleenstaande ouders
De alleenstaande ouder, die algemene bijstand ontvangt en van de Belastingdienst in het kindgebonden budget geen alleenstaande-ouderkop (artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget) ontvangt omdat:
een co-oudersituatie bestaat waarin het kind/ de kinderen op het adres van de andere co-ouder ingeschreven is/ zijn, de andere co-ouder het kindgebonden budget ontvangt en een regeling van de kosten tussen beide ouders niet mogelijk is, heeft recht op bijzondere bijstand ter hoogte van het bedrag van artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget, omgerekend naar een bedrag per maand.
Bij co-ouderschap wordt de bijzondere bijstand vastgesteld naar rato van het aantal dagen per week waarop de ouder feitelijk als alleenstaande ouder fungeert, afgezet tegen een volledige week van zeven dagen. Deze berekening heeft uitsluitend betrekking op de hoogte van de bijzondere bijstand en staat los van de draagkracht- en vermogensbeoordeling.
De inwoner kan een aanvraag indienen via de website: www.meedoeninlingewaard.nl
Het puntentegoed kan worden gebruikt voor aankopen via de webwinkel op www.meedoeninlingewaard.nl. Punten kunnen niet worden omgezet in geld en vervallen op 31 december van het betreffende kalenderjaar.
Het kindpakket kan worden aangevraagd via de website: www.meedoeninlingewaard.nl
Voor elk kind is een puntensaldo van 600 per jaar beschikbaar, te besteden via de webwinkel op website: www.meedoeninlingewaard.nl. De besteding moet gebeuren vóór 31 december van het betreffende jaar.
In dit hoofdstuk staat wanneer de regels ingaan en welke oude regels er worden ingetrokken. Verder staat er een regeling voor de situatie dat een inwoner volgens de oude regels een gunstiger besluit zou krijgen.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden lopende verstrekkingen van bijzondere bijstand, waaronder die aan jongeren als bedoeld in artikel 2.5, per 1 augustus 2026 beëindigd en omgezet in algemene bijstand op grond van artikel 20 van de wet. De hoogte en de resterende duur van de algemene bijstand sluiten aan bij de toegekende bijzondere bijstand.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-340830.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.