Algemene plaatselijke verordening 2026

De raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 2 juni 2026;

gezien het advies van de commissie ABA-Financiën;

besluit vast te stellen de Algemene plaatselijke verordening 2026

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

  • b.

    beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  • c.

    bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;

  • d.

    bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  • e.

    bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • f.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • g.

    gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  • h.

    handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

  • i.

    motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • j.

    openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  • k.

    openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;

  • l.

    parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • m.

    rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

  • n.

    voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;

  • o.

    weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 1:2 Beslistermijn

  • 1.

    Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  • 2.

    Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning

Artikel 1:3  

[Vervallen]

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

  • 1.

    Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2.

    Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

  • 1.

    De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

  • 1.

    De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

    • a.

      ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • b.

      op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

    • c.

      de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

    • d.

      van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

    • e.

      de houder dit verzoekt.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:7 Termijnen

  • 1.

    De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  • 2.

    De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

  • 1.

    De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag of het bevoegde bestuursorgaan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      de openbare veiligheid;

    • c.

      de volksgezondheid; of

    • d.

      de bescherming van het milieu.

  • 2.

    Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

  • 1.

    Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een vorm van samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  • 2.

    Degene die op een openbare plaats:

    • a.

      aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    • b.

      aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    • c.

      zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

    is verplicht op bevel van de gemeentelijke opsporingsambtenaren en politieambtenaren van de nationale politie de weg te vervolgen of zich in de door deze persoon aangewezen richting te verwijderen.

  • 3.

    Het is verboden zich te begeven of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  • 4.

    De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.

  • 5.

    Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:2  

[Vervallen]

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  • 1.

    Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  • 2.

    De kennisgeving bevat:

    • a.

      naam en adres van degene die de betoging houdt;

    • b.

      het doel van de betoging;

    • c.

      de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    • d.

      de plaats en, voor zover van toepassing, de route;

    • e.

      voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

    • f.

      maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  • 3.

    Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  • 4.

    Schriftelijke kennisgevingen die op vrijdag na 12.00 uur, op zaterdag, zondag óf een algemeen erkende feestdag worden ingediend, worden beschouwd als ingediend op de eerstvolgende werkdag.

  • 5.

    De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:4  

[Vervallen]

Artikel 2:5  

[Vervallen]

Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

  • 1.

    Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.

  • 2.

    Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

  • 4.

    Het verbod geldt niet voor het aanbieden van drukpers om gedachten of gevoelens te openbaren als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.

  • 5.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 6.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 2:7  

[Vervallen]

Artikel 2:8  

[Vervallen]

Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen

  • 1.

    Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.

  • 2.

    De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  • 3.

    De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 4.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

 

Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen

Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    • b.

      standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    • c.

      voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

    • d.

      objecten die geplaatst worden door of namens de gemeente.

  • 3.

    Het verbod is voorts niet van toepassing op de volgende voorwerpen mits wordt voldaan aan de krachtens het vierde lid gestelde nadere regels:

    • a.

      Uitstallingen;

    • b.

      bouwobjecten;

    • c.

      plantenbakken en banken;

    • d.

      spandoeken;

    • e.

      reclameborden t.b.v. verkiezingen;

    • f.

      springkussens;

    • g.

      nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels voor de categorieën, bedoeld in het derde lid.

  • 5.

    Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

  • 6.

    In dit artikel wordt onder bevoegd bestuursorgaan verstaan het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

  • 7.

    Op de vergunningsaanvraag, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen voor categorieën waarop het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

  • 4.

    Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

    • a.

      ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

    • b.

      als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    • c.

      als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

    • d.

      als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Artikel 2:13  

[Vervallen]

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

  • 1.

    Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze:

    • a.

      te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en

    • b.

      terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.

  • 2.

    Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.

  • 3.

    Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke

[Gereserveerd]

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

[Gereserveerd]

Artikel 2:19  

[Vervallen]

Artikel 2:20  

[Vervallen]

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  • 1.

    De rechthebbende op een bouwwerk grenzend aan de openbare ruimte is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn

[Gereserveerd]

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs

[Gereserveerd]

 

Afdeling 3. Evenementen

Artikel 2:24 Definitie

  • 1.

    In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    • a.

      bioscoop- en theatervoorstellingen;

    • b.

      markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;

    • c.

      kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    • d.

      het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

    • e.

      betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    • f.

      activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39;

    • g.

      sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.

  • 2.

    Onder evenement wordt mede verstaan:

    • a.

      een herdenkingsplechtigheid;

    • b.

      een braderie;

    • c.

      een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;

    • d.

      een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    • e.

      een straatfeest of buurtbarbecue;

    • f.

      een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

  • 3.

    In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij:

    • a.

      het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen;

    • b.

      de activiteiten plaatsvinden tussen 07:00 en 23:00 uur;

    • c.

      de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en

    • d.

      slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 vierkante meter per object.

Artikel 2:25 Evenementenvergunning

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  • 2.

    Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

  • 3.

    Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 15 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

  • 4.

    De burgemeester kan binnen 10 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  • 5.

    Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 in samenhang met 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

  • 6.

    Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

  • 7.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  • 8.

    Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 2:25a Voetbalwedstrijden 3e divisie en hoger

  • 1.

    Het is verboden voor voetbalverenigingen om zonder vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te organiseren in de derde divisie of hoger in de competitie van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond.

  • 2.

    De burgemeester kan nadere voorschriften stellen bij het verstrekken van de vergunning.

  • 3.

    De vergunningsplicht voor voetbalwedstrijden geldt niet als sprake is van wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateurorganisatie.

  • 4.

    Er geldt een meldingsplicht voor wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een betaald voetbalorganisatie binnen 10 werkdagen voorafgaand aan de wedstrijd.

  • 5.

    De burgemeester kan het spelen van een voetbalwedstrijd verbieden of de wedstrijd beëindigen:

    • a.

      uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde of veiligheid;

    • b.

      als aan de vergunning verbonden of de in de kennisgeving opgelegde voorschriften niet worden nageleefd;

    • c.

      als er geen of niet tijdig melding is gedaan als bedoeld in lid 4.

Artikel 2:26 Ordeverstoring

  • 1.

    Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

  • 2.

    Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.

  • 3.

    Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

 

Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:27 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, niet zijnde een seksinrichting als bedoeld in artikel 3:1, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet dranken, rookwaren of spijzen voor gebruik ter plaatse worden verstrekt. Onder een inrichting wordt in ieder geval verstaan: een restaurant, café, waterpijp café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, kantine of clubhuis. Onder inrichting wordt tevens verstaan een hierbij behorend terras en andere aanhorigheden;

  • b.

    terras: een buiten de besloten ruimte op of aan een openbare plaats in de open lucht liggend deel van de inrichting waar bedrijfsmatig of anders dan om niet dranken of spijzen voor gebruik ter plaatse kunnen worden verstrekt;

  • c.

    barvrijwilliger: de op het gebied van sociale hygiëne gekwalificeerde persoon als bedoeld in de Alcoholwet.

  • d.

    exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) of rechtspersoon voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven;

  • e.

    leidinggevende:

    • 1°.

      de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft in een inrichting;

    • 2°.

      de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft in een inrichting;

  • f.

    paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon, als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de Alcoholwet

  • g.

    handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  • h.

    Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:

    • i.

      de gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders wonende bloed en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;

    • ii.

      de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;

    • iii.

      de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2:28 Exploitatievergunning inrichting

  • 1.

    Het is verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      een inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de exploitatie van deze inrichting ondergeschikt is aan de winkelactiviteit; of

    • b.

      bedrijfskantines en inrichtingen in zorginstellingen, musea, scholen, uitvaartcentra en kerken, voor zover aan de exploitatie van die inrichtingen geen zelfstandige betekenis toekomt en deze uitsluitend gericht is op de bezoekers/gebruikers van de instelling waar de inrichting onderdeel van uitmaakt.

  • 3.

    Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 2:28a Nadere Regels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:4 kan de burgemeester:

  • a.

    bepalen dat het exploiteren van bepaalde categorieën van inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied geheel of gedeeltelijk van de vergunningsplicht is vrijgesteld;

  • b.

    nadere regels stellen aan de onder a genoemde vrijstelling;

  • c.

    voor een bepaalde categorie inrichtingen of een bepaald gebied grenzen stellen aan de te hanteren sluitingstijden;

  • d.

    nadere regels ter zake van de in deze afdeling bedoelde vergunning vaststellen.

Artikel 2:28b Inhoud exploitatievergunning en aanhangsel vergunning

  • 1.

    De burgemeester vermeldt in een vergunning:

    • a.

      de exploitant;

    • b.

      tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;

    • c.

      de plaats waar de inrichting zich bevindt;

    • d.

      de situering en de oppervlakte van de inrichting;

    • e.

      de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden.

  • 2.

    De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden.

  • 3.

    De vergunning en het daarvan onderdeel uitmakende aanhangsel, of afschriften daarvan, zijn in de inrichting aanwezig.

Artikel 2:28c Eisen aan exploitant en leidinggevenden

  • 1.

    De exploitant(en) en de leidinggevende(n):

    • a.

      staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

    • b.

      zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en

    • c.

      hebben de leeftijd van achttien jaar bereikt.

  • 2.

    Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te houden als er in de inrichting geen op de vergunning vermelde leidinggevende, of - indien de inrichting wordt geëxploiteerd door een niet commerciële rechtspersoon - een barvrijwilliger, aanwezig is.

Artikel 2:28d Wijziging aanhangsel exploitatievergunning

  • 1.

    Het is verboden leidinggevenden, die niet vermeld staan op het aanhangsel van de exploitatievergunning van de inrichting, de algemene of onmiddellijke leiding te geven.

  • 2.

    De burgemeester kan vergunning verlenen voor het wijzigen van het aanhangsel van de exploitatievergunning waarbij leidinggevenden worden bijschrijven en/of verwijderd.

  • 3.

    De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel als de perso(o)n(en) als bedoeld in het tweede lid, niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 2:28c gestelde eisen.

Artikel 2:28e Weigeringsgronden

  • 1.

    De burgemeester weigert de vergunning als:

    • a.

      de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend omgevingsplan;

    • b.

      niet voldaan is aan de volgens artikel 2:28c voor de exploitant en leidinggevenden geldende eisen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

    • a.

      de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of

    • b.

      de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  • 3.

    Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal zijn gelegen; de aard van de inrichting; de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie en de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant en/of leidinggevenden in deze of in andere inrichtingen, alsmede hun antecedenten.

Artikel 2:28f Vervallen vergunning

Een vergunning vervalt van rechtswege, als:

  • a.

    de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden;

  • b.

    degene aan wie een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28 is verleend, de hoedanigheid van exploitant heeft verloren;

  • c.

    gedurende zes maanden, anders dan wegens overmacht, geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

Artikel 2:28g Intrekkingsgronden

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken of wijzigen als:

  • a.

    de exploitant en/of leidinggevenden de bepalingen in deze afdeling overtreden;

  • b.

    aannemelijk is dat de exploitant en/of leidinggevenden betrokken zijn, of hen ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  • c.

    de exploitant en/of leidinggevenden toestaan of gedogen dat in de inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

  • d.

    de exploitant en/of leidinggevenden zich schuldig maken aan discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of welke grond dan ook;

  • e.

    zich in of vanuit de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het (ongewijzigd) geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  • f.

    de exploitant niet langer voldoet aan de in artikel 2:28c lid 1 genoemde eisen.

Artikel 2:29 Sluitingstijd

  • 1.

    Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur.

  • 2.

    Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing tijdens de nacht van 31 december op 1 januari, mits de burgemeester minstens 14 werkdagen voor aanvang van de gewijzigde sluitingstijden op de hoogte is gebracht middels een schriftelijke melding.

  • 3.

    Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

  • 4.

    De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

  • 5.

    Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, tweede lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  • 6.

    Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

  • 7.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  • 2.

    Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2:31 Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

  • a.

    de orde te verstoren;

  • b.

    zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;

  • c.

    op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor de exploitant handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:34  

[Vervallen]

 

Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet

[Vervallen]

 

Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2:35 Definitie

In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:37  

[Vervallen]

Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

 

Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2:38a Definitie

  • 1.

    In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  • 2.

    In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2:39 Speelgelegenheden

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

    • a.

      naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid;

    • b.

      de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.

  • 4.

    Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 2:40 Kansspelautomaten

  • 1.

    In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.

  • 2.

    In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

 

Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal

  • 1.

    Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 2.

    Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 3.

    Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42 Plakken en kladden

  • 1.

    Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  • 2.

    Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    • a.

      een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    • b.

      met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  • 4.

    De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar die met opsporing is belast, op diens eerste vordering direct ter inzage af te geven.

  • 5.

    Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 6.

    Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  • 7.

    Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke.

  • 1.

    Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen

  • 1.

    Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  • 2.

    Dit verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen

  • 1.

    Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken te vervoeren of bij zich te hebben.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen

Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke

[Gereserveerd]

Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke

[Gereserveerd]

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  • 1.

    Het is verboden:

    • a.

      op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    • b.

      op een openbare plaats zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

    • c.

      op bruggen en andere kunstwerken, die in de gemeente liggen en/of in beheer, eigendom of bedieningsverantwoordelijkheid zijn van het college, te klimmen of hiervan af te springen in openbaar water.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, het Binnenvaartpolitiereglement en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik

  • 1.

    Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    • b.

      een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:49 Verboden gedrag in of bij gebouwen

  • 1.

    Het is verboden zonder redelijk doel:

    • a.

      zich in een portiek of poort op te houden;

    • b.

      in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te staan, hangen, zitten of te liggen.

  • 2.

    Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in of bij een gebouw.

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen

  • 1.

    Het is verboden messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben op door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:50b Verbod speelgoed- en nepwapen

Het is verboden op een weg of een openbare plaats die deel uit maakt van een door de burgemeester tijdelijk aangewezen gebied, een of meer speelgoed- of nepwapens te vervoeren of bij zich te hebben wanneer daardoor gevaar dreigt voor de openbare orde of veiligheid.

Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen

Het is verboden op een openbare plaats een (elektrische) fiets, (elektrische) step of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke

Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of een bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:53 Bespieden van personen

[Gereserveerd]

Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats

  • 1.

    Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden:

    • a.

      tussen zonsondergang en zonsopgang in door het college aan te wijzen gebieden;

    • b.

      in andere gevallen dan bedoeld onder a voor zover:

      • i.

        sprake is van overlast of hinder voor de omgeving;

      • ii.

        ii. er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of

      • iii.

        iii. het woon- of leefklimaat wordt aangetast.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3.

    Het verbod geldt niet:

    • a.

      voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van artikel 5:25 of het omgevingsplan is toegestaan;

    • b.

      voor woonwagens met een woonbestemming;

    • c.

      op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd;

    • d.

      op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4:19 zijn aangewezen.

Artikel 2:55  

[Vervallen]

Artikel 2:56  

[Vervallen]

Artikel 2:57 Loslopende honden

  • 1.

    Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    • a.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    • b.

      binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;

    • c.

      buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;

    • d.

      op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  • 2.

    Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  • 3.

    Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden

  • 1.

    Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  • 2.

    Als iemand zich met een hond op een openbare plaats bevindt, is diegene verplicht een daartoe geëigend hulpmiddel bij zich te hebben dat dient tot het opruimen van hondenuitwerpselen. Onder geëigend opruimmiddel wordt verstaan: een hondenpoepschep, wegwerpzakje of een plastic (brood)zakje.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden

  • 1.

    Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  • 2.

    De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond kort aangelijnd te houden. De lijn heeft een lengte van ten hoogste 1,50 meter, gemeten van hand tot halsband.

  • 3.

    De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    • a.

      vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    • b.

      door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    • c.

      zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  • 4.

    In plaats van of aanvullend op het bepaalde in lid 1 van dit artikel kan het college een gedragscursus en/of een assessmenttest bij een door de dierenpolitie erkende instantie voor die hond aan de eigenaar of houder van die hond opleggen.

  • 5.

    Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, moet een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

  • 1.

    Ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid is het verboden op door het college aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    • a.

      aanwezig te hebben;

    • b.

      aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; of

    • c.

      aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven.

  • 2.

    Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:60a Verbod op het voeren van dieren op openbare plaats of openbaar water

  • 1.

    Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water dieren te voeren.

  • 2.

    Dit verbod geldt niet:

    • a.

      voor personen die dieren voeren in opdracht van de beheerder van de openbare plaats of het openbaar water;

    • b.

      voor een persoon die zijn gezelschapsdier(en) voert;

    • c.

      ten aanzien van door het college aan te wijzen categorieën van gevallen;

    • d.

      in door het college aan te wijzen gebieden.

Artikel 2:61  

[Vervallen]

Artikel 2:62 Loslopend vee

[Gereserveerd]

Artikel 2:63 Duiven

[Gereserveerd]

Artikel 2:64 Bijen

[Gereserveerd]

Artikel 2:65 Bedelarij

Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

 

Afdeling 9. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2:66 Definitie

In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  • 1.

    De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register. Het Digitaal Opkopersregister (DOR) geldt hierbij in ieder geval als een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register. In het register vermeldt de handelaar onverwijld:

    • a.

      het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    • b.

      de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    • c.

      een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

    • d.

      de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

    • e.

      de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  • 2.

    De burgemeester kan vrijstelling verlenen van de in het eerste lid genoemde verplichtingen.

  • 3.

    Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor die persoon handelend persoon is verplicht:

  • a.

    de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    • dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    • van een verandering van de onder a, 1º, bedoelde adressen;

    • dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    • dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  • b.

    de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  • c.

    aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  • d.

    een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf werkdagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:69  

[Vervallen]

Artikel 2:70  

[Vervallen]

 

Afdeling 10. Consumentenvuurwerk

Artikel 2:71 Definitie

In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

  • 1.

    Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.

  • 2.

    Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  • 1.

    Het is in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college aangewezen plaats.

  • 2.

    Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  • 3.

    De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:73a Carbidschieten

  • 1.

    Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in de periode van 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.

 

Afdeling 11. Drugsoverlast

Artikel 2:74 Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.

 

Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester

Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door de burgemeester aangewezen groepen van personen op een door de burgemeester aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:26. 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73, 2:74, 2:74a en 5:34 van de vigerende Algemene plaatselijke verordening groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Dit geldt ook voor de in het aangewezen gebied gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.

Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen

  • 1.

    De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste en flexibele camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  • 2.

    De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid ook op de volgende plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn:

    • a.

      parkeergarages en parkeerterreinen;

    • b.

      bedrijfsterreinen;

    • c.

      winkelcentra.

Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen

  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  • 2.

    Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod als bedoeld in dat lid is gegeven en die binnen zes maanden na eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  • 3.

    De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid gegeven opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.

Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  • 1.

    Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  • 2.

    De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

    • a.

      geluid- of geurhinder;

    • b.

      hinder van dieren;

    • c.

      hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    • d.

      overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    • e.

      intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:80 Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen

  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:30, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

  • 3.

    De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn besluit op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf, het perceel of perceelsgedeelte of de ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.

  • 4.

    Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het derde lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  • 5.

    Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester.

  • 6.

    De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

  • 1.

    In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a.

      bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28 of 3:3;

    • b.

      beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit;

    • c.

      exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.

  • 2.

    De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is.

  • 3.

    Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

    • a.

      als de leefbaarheid of openbare orde in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    • b.

      als de exploitant of beheerder onder curatele of bewind staat, is ontzet uit de ouderlijke macht of voogdij of in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    • c.

      als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    • d.

      als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    • e.

      als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    • f.

      als de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer;

    • g.

      als er een eerdere vergunning voor de exploitatie van het bedrijf is ingetrokken of het bedrijf met toepassing van artikel 2.35A van deze verordening dan wel van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten;

    • h.

      als de wijze van bedrijfsvoering daartoe aanleiding geeft;

    • i.

      als er niet wordt voldaan aan de specifieke voorwaarden die in het aanwijzingsbesluit zijn opgenomen.

  • 5.

    De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt:

    • a.

      voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd;

    • b.

      de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder;

    • c.

      het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    • d.

      het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    • e.

      indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant en beheerder;

    • f.

      voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    • g.

      een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;

    • h.

      bij een aanvraag om een vergunning wordt naast het aanvraagformulier ook een bedrijfsplan overlegd, waarin in ieder geval staat beschreven welke bedrijfsmatige activiteiten worden ontplooid, op welke wijze de bedrijfsactiviteiten worden gefinancierd en op welke wijze wordt voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord, het woon- en leefklimaat wordt aangetast of er anderszins ondermijning wordt veroorzaakt.

    • i.

      een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder.

  • 6.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen als:

    • a.

      door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of

    • b.

      door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of

    • c.

      de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of

    • d.

      de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

    • e.

      de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of

    • f.

      er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of

    • g.

      er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of

    • h.

      de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of

    • i.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of

    • j.

      de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan.

    • k.

      de exploitant of beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt.

  • 7.

    Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met het verbod uit het tweede lid van deze bepaling wordt uitgeoefend of als een van de situaties als bedoeld in het zesde lid, sub a tot en met k, van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. .

  • 8.

    De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf.

  • 9.

    Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  • 10.

    Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zevende lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

  • 11.

    De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  • 12.

    De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning als het bedrijf aan de vereisten voldoet.

  • 13.

    Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

  • 14.

    De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

  • 15.

    In afwijking van het tweede lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

  • 16.

    Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 3:1 Afbakening

De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel 3:2 Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostitué(e) onder de aandacht van het publiek brengt;

  • b.

    beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;

  • c.

    bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;

  • d.

    escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostitué(e);

  • e.

    exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend;

  • f.

    klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostitué(e) aangeboden seksuele diensten;

  • g.

    prostitué(e): degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

  • h.

    prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

  • i.

    prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;

  • j.

    raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostitué(e) die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats;

  • k.

    seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling;

  • l.

    seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;

  • m.

    werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht.

Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf

Artikel 3:3 Vergunning

  • 1.

    Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.

  • 2.

    Het bevoegde bestuursorgaan kan een seksinrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd voor publiek of algeheel gesloten verklaren, als het seksbedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning dan wel een van de in artikel 3:9, tweede lid onder f, g en h, genoemde situaties zich voor doet.

  • 3.

    Het bevoegde bestuursorgaan draagt zorg voor een onpartijdige en transparante verlening van beschikbare vergunningen.

  • 4.

    Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.

  • 5.

    Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

  • 6.

    Een vergunning kan mede voor een seksinrichting worden verleend.

  • 7.

    De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld.

Artikel 3:4 Concentratie seksinrichtingen

Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard.

Artikel 3:5 Beperking aantal vergunningen voor seksinrichtingen

Het bevoegde bestuursorgaan kan een maximum stellen aan het totaal aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend.

Artikel 3:6 Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag om vergunning wordt ingediend middels een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier.

  • 2.

    Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    • a.

      de persoonsgegevens van de exploitant;

    • b.

      het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    • c.

      of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;

    • d.

      het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

    • e.

      het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;

    • f.

      het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

    • g.

      een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant;

    • h.

      voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;

    • i.

      een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;

    • j.

      bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;

    • k.

      voor zover van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;

    • l.

      voor zover van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding.

Artikel 3:7 Weigeringsgronden

  • 1.

    Een vergunning wordt geweigerd als:

    • a.

      de exploitant of de beheerder onder curatele staat;

    • b.

      de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

    • c.

      de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

    • d.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    • e.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

    • f.

      er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostitué(e)s betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;

    • g.

      de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

    • h.

      de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      • 1°.

        bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;

      • 2°.

        de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

      • 3°.

        artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

      • 4°.

        de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 in samenhang met 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      • 5°.

        de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of

      • 6°.

        de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

    • i.

      een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al is bereikt;

    • j.

      de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.

  • 2.

    Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt gelijkgesteld:

    • a.

      een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

    • b.

      betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of een onherroepelijk geworden strafbeschikking als artikel 76, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.

  • 3.

    De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  • 4.

    Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

  • 5.

    Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:

    • a.

      voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;

    • b.

      als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;

    • c.

      als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;

    • d.

      als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostitué(e)s of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;

    • e.

      als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid;

    • f.

      als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven;

    • g.

      als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.

Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning

  • 1.

    De vergunning vermeldt in ieder geval:

    • a.

      de naam van de exploitant;

    • b.

      voor zover van toepassing, die van de beheerder;

    • c.

      voor welke activiteit de vergunning is verleend;

    • d.

      het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

    • e.

      het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

    • f.

      voor zover van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;

    • g.

      de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;

    • h.

      voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning;

    • i.

      het nummer van de vergunning.

  • 2.

    De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.

Artikel 3:9 Intrekkingsgronden

  • 1.

    De vergunning wordt ingetrokken als:

    • a.

      de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

    • b.

      de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

    • c.

      is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14, tweede lid, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;

    • d.

      zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;

    • e.

      zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h;

    • f.

      de vergunninghouder dat verzoekt;

    • g.

      de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.

  • 2.

    De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als:

    • a.

      is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

    • b.

      in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

    • c.

      een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;

    • d.

      is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;

    • e.

      is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;

    • f.

      zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostitué(e)s of klanten;

    • g.

      de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;

    • h.

      er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

    • i.

      gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden

De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.

Artikel 3:11 Verlenging vergunning

  • 1.

    Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:5, 3:6 tot en met 3:8 en 3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden.

  • 2.

    Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten.

 

Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf

Paragraaf 3.1 Regels voor alle seksbedrijven

Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang

  • 1.

    Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 01.00 en 06.00 op maandag tot en met vrijdag en op zaterdag en zondag tussen 02.00 en 06.00 uur tenzij bij vergunning anders is bepaald.

  • 2.

    Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten moet zijn voor bezoekers.

  • 3.

    Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.

Artikel 3:13 Adverteren

Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:

  • a.

    geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;

  • b.

    vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a; en

  • c.

    als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostitué(e)s die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.

Paragraaf 3.2 Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostitué(e)s

Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostitué(e)s

  • 1.

    Prostitutie vindt uitsluitend plaats door een prostitué(e) die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.

  • 2.

    Het is een exploitant verboden een prostitué(e) voor of bij zich te laten werken die:

    • a.

      nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

    • b.

      in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.

  • 3.

    Het is een prostitué(e) verboden:

    • a.

      te handelen in strijd met het eerste lid;

    • b.

      werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

Artikel 3:15 Bedrijfsplan

  • 1.

    Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft:

    • a.

      op het gebied van hygiëne;

    • b.

      ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostitué(e)s;

    • c.

      ter bescherming van de gezondheid van de klanten;

    • d.

      ter voorkoming van strafbare feiten.

  • 2.

    De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat:

    • a.

      de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is;

    • b.

      inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostitué(e)s;

    • c.

      in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;

    • d.

      in de werkruimten voor de prostitué(e)s een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;

    • e.

      de prostitué(e) zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;

    • f.

      de prostitué(e) niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;

    • g.

      de prostitué(e) vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;

    • h.

      de prostitué(e) klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft;

    • i.

      de prostitué(e) kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;

    • j.

      aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;

    • k.

      de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostitué(e) voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;

    • l.

      de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostitué(e) kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;

    • m.

      de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostitué(e) niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;

    • n.

      de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostitué(e)s informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostitué(e) wil stoppen met haar werk in de prostitutie;

    • o.

      de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.

  • 3.

    Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.

  • 4.

    De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.

  • 5.

    De rechten voor prostitué(e)s, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostitué(e) die werkzaam is voor of bij de exploitant.

  • 6.

    In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostitué(e) klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.

Artikel 3:16 Minimale verhuurperiode werkruimte

[Gereserveerd]

Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf

  • 1.

    De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.

  • 2.

    De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat:

    • a.

      de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostitué(e)s redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;

    • b.

      er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval;

      • 1°.

        de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostitué(e)s;

      • 2°.

        de verhuuradministratie;

      • 3°.

        met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostitué(e)s, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:15, tweede lid, onder k;

      • 4°.

        de werkroosters van de beheerders;

    • c.

      de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;

    • d.

      medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;

    • e.

      onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;

    • f.

      onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur;

    • g.

      gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.

Paragraaf 3.3 Raam- en straatprostitutie

Artikel 3:18 Raamprostitutie

Het is een prostitué(e) verboden:

  • a.

    zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en

  • b.

    passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden.

Artikel 3:19 Straatprostitutie

Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, zich op te houden met het kennelijke doel prostitutie of het verrichten van seksuele handelingen in het kader van prostitutie.

Artikel 3:20 Handhaving straatprostitutie

  • 1.

    Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:19, eerste lid, kan door een politieambtenaar of toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  • 2.

    Een politieambtenaar of toezichthouder kan een persoon die zich op een krachtens artikel 3:19, tweede lid, aangewezen weg bevindt, in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, het voorkomen of beperken van overlast, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid van prostitué(e)s of klanten bevelen zich onmiddellijk in een door hem aangegeven richting te verwijderen.

  • 3.

    Met het oog op de in het tweede lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven een bevel geven zich gedurende een aantal maanden niet op te houden op krachtens artikel 3:19, tweede lid, aangewezen wegen.

  • 4.

    De burgemeester beperkt het in het derde lid bedoelde bevel, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene noodzakelijk oordeelt.

 

Afdeling 4. Overige bepalingen

Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten

  • 1.

    Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostitué(e) van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

  • 2.

    Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostitué(e).

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.

Artikel 3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

  • 1.

    Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting

Artikel 4:1 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • b.

    collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • c.

    gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • d.

    gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • e.

    houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • f.

    incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • g.

    inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • h.

    onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

  • 1.

    De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 2.

    De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 3.

    In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente.

  • 4.

    Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  • 5.

    Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  • 6.

    Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A) etmaalwaarde, gemeten voor de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 7.

    De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en inclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 8.

    Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 01:00 uur beëindigd.

Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten

  • 1.

    Het is een inrichting toegestaan op maximaal vijf dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  • 2.

    Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal vijf dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  • 3.

    Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

  • 4.

    De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  • 5.

    De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  • 6.

    Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 70 dB(A) etmaalwaarde, gemeten voor de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 7.

    De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en inclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 8.

    Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 01:00 uur beëindigd.

  • 9.

    De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

  • 10.

    Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:4  

[Vervallen]

Artikel 4:5 Onversterkte muziek

  • 1.

    Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    • a.

      de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    • b.

      de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    • c.

      de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet

    • d.

      bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

  • 2.

    Tabel

     

    7.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 7.00 uur

    LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

    LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3.

    Voor de duur van vier uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

  • 4.

    Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek is dit artikel niet van toepassing.

  • 5.

    Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3.

Artikel 4:5a Traditioneel schieten

[Gereserveerd]

Artikel 4:5b Geluidhinder in de openlucht

[Gereserveerd]

Artikel 4:5c Geluidhinder door dieren

  • 1.

    Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing is.

Artikel 4:6 Overige geluidhinder

  • 1.

    Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:6a Mosquito

  • 1.

    Onder mosquito wordt verstaan een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

  • 2.

    In afwijking van artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

  • 3.

    De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.

  • 4.

    Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.

  • 5.

    Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste twaalf maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen.

 

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:7 Straatvegen

Het is verboden gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte.

Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats de natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen

  • 1.

    In dit artikel wordt onder een (wens)ballon verstaan: een ballon die door middel van hete lucht afkomstig van vuur dan wel door middel van helium of andere gassen in de lucht wordt gebracht en mede door de wind door de lucht wordt verplaatst. Hieronder wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, geluksballon of een andere daarmee vergelijkbare ballon.

  • 2.

    Het is verboden om ballonnen op te laten in de open lucht. Het is tevens verboden het oplaten van ballonnen in de open lucht te organiseren.

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

  • 4.

    Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op:

    • a.

      ballonnen waarbij de richting en/of hoogte door menselijk ingrijpen wordt bepaald en

    • b.

      ballonnen, die noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld meteorologische of andere wetenschappelijke waarnemingen.

  • 5.

    In aanvulling op artikel 1:3, eerste lid, van deze verordening is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

 

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4:10 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    houtopstand: één (of meerdere) houtig, opgaand gewas, zowel levend als afgestorven met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam.

  • b.

    beschermde houtopstand: een houtopstand die is vastgelegd op de Groene Kaart.

  • c.

    Groene Kaart: kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstanden.

  • d.

    dunning: velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd

  • e.

    vellen, rooien, kappen, verplanten of het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

  • f.

    rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van de houtopstand;

  • g.

    kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand;

  • h.

    kandelaberen: het terugsnoeien van de kroon tot een hoofdstam met takstompen;

  • i.

    bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming;

  • j.

    bomen effect analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting.

Artikel 4:10a Groene kaart

  • 1.

    Het bevoegd gezag heeft de Groene Kaart vastgesteld. De kaart bevat beschermwaardige bomen (waardevolle bomen en bomen in de hoofdstructuur).

  • 2.

    De kaart bevat minimaal een visualisatie van de houtopstanden.

  • 3.

    De eigenaar van een beschermde houtopstand is verplicht het bevoegd gezag onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van:

    • a.

      het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een beschermde houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende beschikking.

    • b.

      de dreiging dat de beschermde houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan.

Artikel 4:10b Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beschermde houtopstand te vellen of te doen vellen.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      een beschermde houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantengezondheidswet;

    • b.

      het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • c.

      het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • d.

      dode bomen;

    • e.

      gemeentelijke bomen met een veiligheidsrisico.

Artikel 4:10c Aanvraag/procedure

  • 1.

    Een omgevingsvergunning wordt aangevraagd door of namens degene die krachtens zakelijk recht of publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de beschermde houtopstand te beschikken.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning wordt gemotiveerd aangevraagd met verwijzing naar de redengevende beschrijving van de beschermde houtopstand op de Groene Kaart.

Artikel 4:11 Criteria

  • 1.

    Het bevoegd gezag kan de aanvraag voor een omgevingsvergunning om te vellen weigeren dan wel onder voorschriften verlenen.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde houtopstand kan worden verleend als:

    • a.

      een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang niet opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand;

    • b.

      naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade;

    • c.

      noodzakelijk infrastructureel werk uitgevoerd moet worden op de locatie van de beschermde houtopstand;

    • d.

      sprake is van dunning;

    • e.

      groentechnisch renovatieplan werkzaamheden worden verricht ter verjonging en verbetering van de betreffende boomstructuur;

    • f.

      sprake is van een noodtoestand of andere uitzonderlijke situaties;

    • g.

      sprake is van zwaarwegende overlast.

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan de eigenaar van de houtopstand verplichten tot direct vellen, als sprake is van acuut gevaar of vergelijkbaar spoedeisend belang.

Artikel 4:11a Intrekking of wijziging

  • 1.

    De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd:

    • a.

      als onjuiste of onvolledige gegevens ter verkrijging van de omgevingsvergunning zijn verstrekt;

    • b.

      als het, na het verlenen van de omgevingsvergunning, op grond van verandering van inzichten of omstandigheden na verlening, wijziging of intrekking, noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de omgevingsvergunning is vereist;

    • c.

      als van de omgevingsvergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of als deze termijn ontbreekt, binnen een redelijke termijn.

Artikel 4:11b Bijzondere voorschriften

  • 1.

    Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  • 2.

    In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 3.

    Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren tot het opstellen en overleggen van een Bomen Effect Analyse, in geval van bouw of aanleg van werken nabij te behouden bomen.

Artikel 4:12 Herplant-/instandhoudingsplicht

  • 1.

    Als een beschermde houtopstand, waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

  • 2.

    Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 3.

    Als een beschermde houtopstand, waarop het verbod tot vellen van toepassing is, in het voortbestaan ernstig worden bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

    • a.

      overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen;

    • b.

      een bomen effect analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag.

Artikel 4:12a Bestrijding van boomziekten

  • 1.

    Als zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, als hij daartoe door burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    • a.

      de boom te vellen;

    • b.

      conform richtlijnen van de gemeente de gevelde boom direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  • 2.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, als het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

 

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

  • 1.

    Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    • a.

      onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    • b.

      bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    • c.

      kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    • d.

      mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  • 2.

    Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:14  

[Vervallen]

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  • 1.

    Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 4:16  

[Vervallen]

 

Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4:17 Definitie

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  • 1.

    Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

    • a.

      natuur en landschap; of

    • b.

      een stadsgezicht.

Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen

  • 1.

    Artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  • 2.

    Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid.

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod

Artikel 5:1  

[Vervallen]

Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

  • 1.

    Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    • a.

      het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

    • b.

      het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 2.

    Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

    • b.

      voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

  • 3.

    Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    • a.

      drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  • 4.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 5.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

  • 1.

    Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  • 2.

    Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  • 3.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    • a.

      langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben;

    • b.

      op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

  • 4.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren :

    • a.

      binnen de bebouwde kom;

    • b.

      op de weg buiten de bebouwde kom bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt gedaan;

    • c.

      op de weg buiten de bebouwde kom waar dit naar oordeel van het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2.

    Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid ook geldt voor plaatsen buiten de bebouwde kom.

  • 3.

    Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid niet geldt.

  • 4.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

  • 5.

    Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  • 6.

    Het college kan van de in het eerste gestelde verbod ontheffing verlenen voor:

    • a.

      voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare werken en bij bouwwerkzaamheden, voor zover ze in de onmiddellijke nabijheid van het werk worden geparkeerd;

    • b.

      chauffeurs die een schriftelijke medische verklaring overleggen, waaruit blijkt dat betrokkene niet van een speciaal daartoe aangewezen parkeerterrein gebruik kan maken en ook vaststaat dat betrokkene zonder ontheffing in moeilijkheden zou komen;

    • c.

      rijdende winkels;

    • d.

      wagens van kermis-, circus- en andere exploitanten van evenementen;

    • e.

      wagens van bedrijven die in het geval van ongevallen in het wegverkeer terstond moeten kunnen uitrukken;

    • f.

      voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor bijzondere transporten;

    • g.

      koeriersdiensten;

    • h.

      gehandicaptenvoertuigen;

    • i.

      voertuigen die werkzaamheden voor de gemeente uitvoeren.

  • 7.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

[Gereserveerd]

Artikel 5:10  

[Vervallen]

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  • 1.

    Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

  • 2.

    Dit verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      de weg;

    • b.

      voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;

    • c.

      voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 5:12 Overlast van (elektrische) fietsen of bromfietsen

  • 1.

    Het is verboden om (elektrische) fietsen of bromfietsen onbeheerd achter te laten op locaties die door het college zijn aangewezen. Dit ter bescherming van het straatbeeld, ter voorkoming of beëindiging van overlast en om schade aan de openbare gezondheid te voorkomen.

  • 2.

    Het is verboden fietsen of bromfietsen langer dan zeven dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking te laten staan op een openbare plaats.

 

Afdeling 2. Collecteren

Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  • 2.

    Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  • 3.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden:

    • a.

      in besloten kring;

    • b.

      door een instelling die is ingedeeld in het door het college vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften plaatsvindt;

    • c.

      door een instelling met een CBF-keurmerk, mits zij ten minste 14 dagen vooraf een melding doen van de vrije periode op het CBF collecterooster waar de instelling gebruik van wil maken.

  • 4.

    Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

 

Afdeling 3. Venten

Artikel 5:14 Definitie

  • 1.

    In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de openlucht gelegen plaats of aan huis.

  • 2.

    Onder venten wordt niet verstaan:

    • a.

      het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    • b.

      het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22;

    • c.

      het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel 5:15 Ventverbod

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college te venten.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet, dit voor zover dit niet tot overlast of hinder leidt;

  • 3.

    In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:

    • a.

      als spreiding nodig wordt geacht in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of hinder;

    • b.

      in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;

    • c.

      als degene die de vergunning aanvraagt geen bewijs van inschrijving in het Handelsregister kan overleggen of een vergelijkbaar buitenlands equivalent daarvan.

    • d.

      als degene die de vergunning aanvraagt namens een ander bedrijf, vereniging, organisatie of stichting vent en daarvan geen bewijs van machtiging kan overleggen.

  • 4.

    Het is verboden te venten op zondagen op maandag tot en met zaterdag tussen 21.00 uur en 09.00 uur.

  • 5.

    Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 5:16  

[Vervallen]

 

Afdeling 4. Standplaatsen

Artikel 5:17 Definities

  • 1.

    In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  • 2.

    In deze afdeling wordt onder vaste standplaats verstaan een door de gemeente aangewezen locatie die gedurende het gehele jaar voor maximaal twee dagen per week mag worden ingenomen door een vergunninghouder.

  • 3.

    In deze afdeling wordt onder tijdelijke standplaats verstaan een door de gemeente aangewezen standplaatslocatie die slechts gedurende een bepaalde periode per jaar voor een maximum van drie maanden wordt ingenomen voor de verkoop van bijvoorbeeld seizoensgebonden waren en goederen.

  • 4.

    In deze afdeling wordt onder incidentele standplaats verstaan een standplaats op een locatie die in de gemeente kan worden ingenomen voor maximaal zes dagen per kalenderjaar door dezelfde vergunninghouder.

  • 5.

    Onder standplaats wordt niet verstaan:

    • a.

      een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    • b.

      een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van deze verordening.

Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  • 2.

    Hendrik-Ido-Ambacht kent de volgende soorten standplaatsen:

    • a.

      vaste standplaats;

    • b.

      tijdelijke standplaats

    • c.

      incidentele standplaats.

  • 3.

    Het college wijst locaties aan voor het innemen van een vaste of tijdelijke standplaats.

  • 4.

    Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

  • 5.

    De vergunning is niet overdraagbaar, de standplaats moet persoonlijk door de vergunninghouder ingenomen worden.

  • 6.

    De vergunning voor een vaste standplaats wordt verleend voor vijftien jaar en voor maximaal twee dagen per week.

  • 7.

    De vergunning voor een tijdelijke standplaats wordt verstrekt voor maximaal drie aaneengesloten maanden.

  • 8.

    Per persoon wordt niet meer dan één tijdelijke standplaats verleend.

  • 9.

    De vergunning voor incidentele standplaatsen wordt verstrekt voor maximaal zes dagen per kalenderjaar door dezelfde vergunninghouder.

  • 10.

    Lid 9 van dit artikel is niet van toepassing voor het innemen van een standplaats voor gezondheidsonderzoek en wetenschap.

Artikel 5:18a Nadere regels standplaatsvergunning

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:4 kan het college nadere regels stellen ter zake van de vergunning zoals bedoeld in artikel 5:18 eerste lid en over het gebruik van de standplaats.

Artikel 5:18b Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:

  • a.

    de standplaats, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand;

  • b.

    een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang; of

  • c.

    het college kan de vergunning weigeren wegens strijd met een geldend omgevingsplan.

Artikel 5:18c Overgangsrecht

  • 1.

    Besluiten op grond van eerdere versies van deze verordening op het gebied van standplaatsen blijven na inwerkingtreding van deze verordening gelden, totdat het college deze ambtshalve heeft gewijzigd of ingetrokken.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 worden alle verstrekte vergunningen ingetrokken of gewijzigd die:

    • a.

      verleend zijn voor onbepaalde tijd;

    • b.

      verleend zijn voor een duur langer of korter dan de vergunningstermijn zoals bepaald in artikel 5:18, zesde lid.

  • 3.

    De vergunningen die ingetrokken zijn conform lid 2 van dit artikel worden door het college vervangen met een nieuwe vergunning voor de duur van vijftien jaar, conform artikel 5:18, zesde lid, met een overgangstermijn van vijf jaar.

Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college een standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen

  • 1.

    Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

  • 2.

    De weigeringsgrond van artikel 5:18b, aanhef en onder a is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5.21  

[Vervallen]

 

Afdeling 5. Snuffelmarkten

Artikel 5:22 Definitie

  • 1.

    In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen.

  • 2.

    Onder snuffelmarkt wordt niet verstaan:

    • a.

      een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    • b.

      een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.

  • 3.

    De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.

 

Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken

Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

  • 1.

    Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  • 2.

    Degene die van plan is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

  • 3.

    De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

  • 4.

    Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen

  • 1.

    Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

  • 2.

    Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

    • a.

      nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente;

    • b.

      beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.

  • 4.

    Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 5.

    De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Artikel 5:26  

[Vervallen]

Artikel 5:27  

[Vervallen]

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken

  • 1.

    Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:30 Veiligheid op het water

  • 1.

    Het is aan een ieder die zich in het openbaar water bevindt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen

  • 1.

    Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  • 2.

    Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

 

Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5:32 Crossterreinen

  • 1.

    Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets:

    • a.

      te crossen buiten wedstrijdverband;

    • b.

      een wedstrijd of een ter voorbereiding van een wedstrijd zijnde trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen; of

    • c.

      een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    • a.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    • c.

      de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden

  • 1.

    Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met reen motorvoertuig, een bromfiets, een (elektrische) fiets, een (elektrische) step of een paard.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    • a.

      het voorkomen van overlast;

    • b.

      de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    • c.

      de veiligheid van het publiek.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:

    • a.

      ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4.

    Het verbod is voorts niet van toepassing:

    • a.

      op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

    • b.

      binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.

  • 5.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

 

Afdeling 8. Vuurverbod

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  • 1.

    Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2.

    Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden.

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  • 5.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

 

Afdeling 9. Asverstrooiing

Artikel 5:35 Definitie

In deze afdeling wordt onder incidentele asverstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:36 Verboden plaatsen

  • 1.

    Incidentele asverstrooiing is verboden op:

    • a.

      verharde delen van de weg;

    • b.

      gemeentelijke begraafplaatsen; en

    • c.

      kinderspeelplaatsen, zwemstranden en ligweides.

  • 2.

    Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

  • 3.

    Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a.

  • 4.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 5:37 Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Hoofdstuk 6. Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6:1 Sanctiebepaling

  • 1.

    Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

  • 2.

    In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 en 2:11 als sprake is van een omgevingsvergunningsplichtige activiteit en artikel 4:10b.

Artikel 6:2 Toezichthouders

  • 1.

    Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast:

    • a.

      de gemeentelijke opsporingsambtenaren; en

    • b.

      politieambtenaren van de nationale politie.

  • 2.

    Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

Artikel 6:3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening

  • 1.

    De Algemene plaatselijke verordening 2022 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Deze Algemene plaatselijke verordening 2026 treedt in werking op het moment van bekendmaking.

Artikel 6:5 Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 6:6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening 2026.

Aldus vastgesteld door de raad van gemeente Hendrik-Ido-Ambacht in de openbare vergadering van 6 juli 2026.

De griffier,

J.G. Honcoop-van der Wulp

De voorzitter,

P. van der Giessen

Toelichting

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1:1 Definities

In dit artikel worden begrippen uitgelegd die op verschillende plekken in de APV terugkomen. In veel gevallen sluit de APV aan bij landelijke wetgeving, zodat de uitleg van de begrippen eenduidig en actueel blijven. Over enkele definities is het volgende te zeggen.

 

Bevoegd gezag

 

Hier wordt aangesloten bij de Omgevingswet. Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat aanvragen behandelt en toezicht houdt. Wanneer wordt gesproken van een bevoegd bestuursorgaan, wordt specifiek het college of de burgemeester bedoeld.

 

Bouwwerk / gebouw

 

De APV volgt de definities uit de Omgevingswet. Zo hoeft niet steeds te worden vastgesteld wat een bouwwerk of gebouw is.

 

Handelsreclame

 

Hiermee wordt specifiek commerciële reclame bedoeld. Met reclame wordt bedoeld ‘iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten’. Handelsreclame valt niet onder vrijheid van meningsuiting zoals bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, en dus kan hiervoor een vergunningsplicht gelden.

 

Openbaar water

 

Hiermee wordt bedoeld water dat feitelijk voor iedereen toegankelijk is.

 

Openbare plaats

 

Hierbij wordt aangesloten bij de Wet openbare manifestaties (hierna: Wom). Het moet gaan om een plaats die krachtens bestemming of gebruik openstaat voor publiek. Voorbeelden zijn openbare wegen, plantsoenen, parken, en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages. Er dient in ieder geval geen sprake te zijn van een ‘beperking’ om een plaats te betreden, zoals het moeten betalen voor toegang. Ook moet de plaats niet gebonden zijn aan een bepaald doel. Om deze reden zijn bijvoorbeeld het openbare zwembad, kerken, restaurants en de hal van het gemeentehuis geen openbare plaats.

 

Parkeren

 

Hier wordt de definitie gevolgd uit het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Parkeren is het laten stilstaan van een voertuig voor langere tijd dan wat nodig is voor het onmiddellijk in- of uitstappen of laden en lossen.

 

Voertuig

 

Hier wordt aangesloten bij het RVV 1990. Voertuigen zijn fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Kleine wagens als kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen vallen niet onder deze definitie, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen.

 

Weg

 

Hierbij wordt de definitie uit de Wegenverkeerswet1994 gevolgd. Het gaat om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Hiertoe behoren ook trottoirs, voetpaden, voetgangersgebieden, rijwielpaden en parkeerplaatsen of -terreinen.

 

Artikel 1:2 Beslistermijn

 

De APV hanteert een beslistermijn van acht weken, wat aansluit bij de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit is voor de meeste aanvragen voldoende. Complexere aanvragen, waarbij meerdere adviezen moeten worden ingenomen, kunnen éénmaal met acht weken worden verlengd.

Voor omgevingsvergunningen gelden de termijnen uit de Omgevingswet zelf.

 

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

 

Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden, voor zover deze nodig zijn voor het belang waarvoor de vergunning is ingesteld.

Niet naleving van voorschriften kan leiden tot wijziging of intrekking van de vergunning (zie artikel 1:6).

Omdat niet naleving als verplichting is geformuleerd, kan zowel bestuursdwang als straf (artikel 6:1) worden toegepast.

 

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

 

Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als deze alleen of vooral is verleend vanwege de kwalificaties of eigenschappen van de aanvrager, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag. De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de Alcoholwetvergunning. In de Alcoholwet staat dat iemand voor het krijgen van een vergunning bepaalde diploma’s moet hebben gehaald. Ook de standplaatsvergunning is persoonsgebonden, omdat ambulante handel een persoonlijk karakter heeft en de standplaatsvergunning schaars is.

 

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

 

In dit artikel staat de bevoegdheid om in bepaalde gevallen een vergunning te wijzigen of in te trekken. Het is een “kan”-bepaling, wat betekent dat altijd een belangenafweging moet worden gemaakt. Als een bestuursorgaan een vergunning of ontheffing wil intrekken of wijzigen, moet de belanghebbende altijd de gelegenheid krijgen een zienswijze te geven (artikel 4:9 Awb).

 

Artikel 1:7 Termijnen

 

Een vergunning of ontheffing geldt in beginsel voor onbepaalde tijd, tenzij:

 

  • -

    sprake van een schaarse vergunning: hierbij moet regelmatig een open en eerlijke herverdeling plaatsvinden, zodat nieuwe aanbieders gelijke kansen hebben;

  • -

    de tijdsbeperking noodzakelijk is om dwingende redenen van algemeen belang: dit zijn onder andere de openbare veiligheid en het milieu, maar sommige vergunningen lenen zich naar hun aard ook alleen voor verlening voor bepaalde tijd (bijvoorbeeld een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling,

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

 

Dit artikel bevat de algemene gronden om een vergunning te weigeren, zoals bescherming van openbare orde, veiligheid, gezondheid, leefomgeving en milieu.

 

Tweede lid

 

Als een aanvraag zó laat wordt ingediend dat een zorgvuldige beoordeling niet meer mogelijk is vóór de aangevraagde datum, kan deze worden geweigerd. Dit voorkomt onuitvoerbare beoordelingen en geeft duidelijkheid aan de aanvrager.

 

Hoofdstuk 2: Openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en milieu

 

Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden

 

Algemeen

 

Deze afdeling bevat bepalingen die noodzakelijk zijn om de openbare orde op openbare plaatsen te waarborgen en om het gebruik van de openbare ruimte te reguleren. De gemeente moet kunnen optreden wanneer gedragingen leiden tot verstoring van de openbare orde of onveilige situaties.

 

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

 

Eerste lid

 

Het verbod op samenscholing is gebaseerd op artikel 186 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr). Binnen het bestuursrecht heeft de burgemeester vanuit artikel 172 Gemeentewet de bevoegdheid gekregen een samenscholingsverbod in te stellen en hierop te handhaven.

 

Samenscholing houdt in dat een groep personen bij elkaar komen en de openbare orde verstoren of dreigen te verstoren. Onder dit gedrag valt ook geluidsoverlast, intimidatie, vervuiling en vernieling. Het verbod ziet dus echt op overlastsituaties of dreiging daarvan, en niet op het slechts bij elkaar staan van een groep mensen. Het is een zwaar middel om als burgemeester in te zetten, waarvoor afstemming nodig is met het Openbaar Ministerie en de politie. Een goede dossiervorming is daarom belangrijk. Dit kan bestaan uit bijvoorbeeld meldingen vanuit de omgeving en bestuurlijke rapportages vanuit de politie.

 

Het inzetten van een samenscholingsverbod moet proportioneel en subsidiair zijn. Het verbod moet dus evenredig zijn tot het doel (het terugdringen en voorkomen van overlast), en voor het inzetten van het samenscholingsverbod moeten andere, lichtere maatregelen zijn getroffen die niet het gewenste effect hebben gehad. Bovendien mag de maatregel niet langer duren dan nodig wordt geacht.

 

Gezien het zware karakter van de maatregel is het belangrijk dat kaders worden gevormd om zowel aan de gemeenteraad als inwoners duidelijk te maken in welke situaties het samenscholingsverbod kan worden ingezet, wat het verbod inhoudt, hoe lang het duurt, en wanneer de duur van het verbod mag worden verlengd. Na vaststelling van deze APV zal daarom gewerkt worden aan het vaststellen van beleidsregels.

 

Tweede lid

 

Een bevel van een politieambtenaar om zich te verwijderen moet worden opgevolgd. Dit is noodzakelijk om in te kunnen grijpen bij (dreigende) ongeregeldheden of het belemmeren van hulpdiensten. Niet naleving is strafbaar via artikel 6:1 van deze APV.

 

Vijfde lid

 

Samenscholingen die zijn aan te merken als betoging of religieuze of levensbeschouwelijke samenkomst vallen onder de Wom en zijn daarom uitgezonderd van dit artikel.

 

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

 

Algemeen

 

Dit artikel sluit aan bij de Wom, welke een landelijk uniform kader biedt voor betogingen, vergaderingen en religieuze samenkomsten op openbare plaatsen. Het doel is niet om deze grondrechten te beperken, maar om de betogingen in goede banen te leiden.

 

Eerste lid

 

Er is sprake van een betoging als er een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en erop uit is een mening uit te dragen.

 

In de Wom wordt de gemeenteraad vrijgelaten in het stellen van regels over het tijdstip van de kennisgeving voor een betoging of manifestatie. Wel gaat de wetgever uit van een zo kort mogelijke termijn, zoals 24 of 48 uur. Veel van de Nederlandse gemeenten heeft een kennisgevingstermijn van 48 uur. Ook internationaalrechtelijke organisaties bevelen aan een niet te lange kennisgevingstermijn te hanteren. Een termijn van 48 uren wordt genoemd als een redelijke termijn. Om deze reden is in Hendrik-Ido-Ambacht ook gekozen voor een kennisgevingstermijn van 48 uur, zodat vanuit de gemeentelijke organisatie voldoende tijd overblijft om eventuele voorbereidingen te treffen.

 

Vierde lid

 

De Algemene termijnenwet is buiten toepassing verklaard om te voorkomen dat kennisgevingen die in het weekend of na 12.00 uur worden gedaan tot administratieve knelpunten leiden.

 

Vijfde lid

 

Te strikt vasthouden aan de kennisgevingstermijn verhoudt zich slecht tot de grondwettelijk en verdragsrechtelijk beschermde betogingsvrijheid. De burgemeester kan daarom in bijzondere omstandigheden – bijvoorbeeld bij spontane manifestaties – afwijken van de kennisgevingstermijn.

 

Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

 

Folderen en flyeren in het openbaar is toegestaan, tenzij het college bepaalde locaties, of specifieke dagen en tijden, heeft aangewezen waar dit verboden is, bijvoorbeeld omdat dit overlastgevend zal zijn. Deze bevoegdheid is gebaseerd op artikel 160, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet. Het verbod mag echter niet zo ver gaan dat de vrijheid van meningsuiting wordt beperkt.

 

Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen

 

De activiteiten die in dit artikel genoemd worden, worden in artikel 2:24, eerste lid, onder f uitgezonderd van de definitie van evenementen.

 

Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen

 

Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of een openbare plaats

 

Dit artikel geeft de gemeente de mogelijkheid op te treden tegen voorwerpen op de weg die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Hierbij kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden, containers of fietsparkeervoorzieningen.

 

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

 

Eerste lid

 

Dit artikel voorkomt dat wegen in de gemeente beschadigd raken en zo minder bruikbaar of veilig zijn. Ook ziet het op het beschermen van objecten die onder de weg liggen, zoals leidingen en kabels.

 

In het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.

 

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg

 

Algemeen

 

Het aanleggen of wijzigen van een uitweg is vergunningplichtig via de Omgevingswet. Deze bepaling blijft in de APV staan totdat deze is overgebracht naar het omgevingsplan.

 

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

 

Dit artikel bestrijdt het ‘zwerfkarrenprobleem’ door winkeleigenaren te verplichten achtergelaten winkelwagentjes te verwijderen en van een herkenningsteken te voorzien. Sinds niet elke winkel meer gebruik maakt van het systeem dat een kar alleen gebruikt kan worden met een muntje, komen er weer veel meldingen binnen van achtergelaten winkelwagentjes op de parkeerplaats. Om de verantwoordelijkheid niet alleen bij de winkeleigenaren te leggen, wordt ook een verbodsartikel toegevoegd voor de consument die zijn winkelwagentje achterlaat.

 

Belangrijk om hierbij op te merken is dat dit artikel een ‘instrument’ is tegen overlast en dus alleen wordt gebruikt als handhaving nodig is. Handhavers kunnen met dit artikel een verantwoordelijkheid opleggen aan zowel winkeliers als winkelpubliek om de openbare ruimte netjes te houden en hen nodig aanspreken wanneer sprake is van structurele overlast.

 

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

 

Dit artikel is in een eerdere APV-wijziging geschrapt en is in de herziening in 2026 teruggebracht. Dit naar aanleiding van een toename van meldingen over bomen en beplanting die het uitzicht belemmeren en zo gevaarlijke situaties creëren in het verkeer. Binnen het verkeer moet niet alleen worden gedacht aan fietsers of bestuurders van motorvoertuigen, maar ook een verminderd uitzicht voor bijvoorbeeld overstekende voetgangers. Op grond van dit artikel kan het college een last onder bestuursdwang gebruiken om de bomen of beplanting te laten verwijderen of te snoeien.

 

Afdeling 3. Evenementen

 

Artikel 2:24 Definities

 

Eerste lid

 

In dit artikel is er voor gekozen ieder voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak als evenement te beschouwen, op enkele uitzonderingen na die in het eerste lid worden opgesomd. In veel gevallen gaat het om activiteiten die op andere plekken in de APV een eigen bepaling hebben of in landelijke wetgeving uitgewerkt zijn.

 

Tweede lid

 

Dit lid noemt activiteiten die wél worden beschouwd als evenementen.

 

Herdenkingsplechtigheid

Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt dit als evenement genoemd.

 

Braderie

 

Een braderie is van korte duur en komt met bepaalde regelmaat terug. Om die reden kan de activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden beschouwd. Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement.

 

Optochten

 

Het houden van optochten, zoals Sinterklaasoptochten, die niet bedoeld zijn voor het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, vallen niet onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting.

 

Feest, muziek

 

Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een evenement. Besloten feesten vakken niet onder de reikwijdte van het artikel. Belangrijk is om vast te stellen wanneer sprake is van een “besloten feest”. Dit kan enigszins afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval, maar vooral dient te worden gekeken of van tevoren al vaststaat wie op het feest aanwezig zullen zijn. In geval van een bedrijfsfeest waar wordt gewerkt met een lijst van uitgenodigde gasten, is er sprake van een besloten feest. Een feest met een besloten karakter – dus geen vrije toegang – maar waarvoor wordt geadverteerd en toegang mogelijk is door de aankoop van een toegangskaart, is geen besloten feest,

 

Wedstrijd op of aan de weg

 

Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist. Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 zijn op grond van artikel 10, eerste lid, van de WVW 1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148 van de WVW 1994 bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend.

 

Op grond van artikel 2:25 geldt voor andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een vergunningplicht. Dit zijn bijvoorbeeld ‘vossenjachten’, droppings en dergelijke.

 

Straatfeest of buurtbarbecue

 

Een straatfeest en een buurtbarbecue vallen ook onder het begrip evenement. Wanneer aan de voorwaarden van het derde lid wordt voldaan, kan gesproken worden van een klein evenement en is geen vergunning vereist. Hiervoor geldt wel een meldingsplicht (zie artikel 2:25).

 

Derde lid

 

Voor het organiseren van kleine eendaagse evenementen zoals het straatfeest of de buurtbarbecue is om administratieve lasten te verminderen gekozen voor een meldingsplicht. In het derde lid is een klein evenement daarom gedefinieerd. Er moet aan alle voorwaarden worden voldaan.

 

Artikel 2:25 Evenementenvergunning

 

Algemeen

 

Voor middelgrote en grote evenementen is een vergunning noodzakelijk vanwege risico’s voor openbare orde, veiligheid, gezondheid, verkeersdoorstroming en milieu. Een melding volstaat bij kleine, vooraf afgebakende activiteiten.

 

Derde lid

 

Voor kleine evenementen volstaat een meldingsplicht. Het blijft verboden om zonder melding zo’n evenement zoals het straatfeest of de buurtbarbecue te houden, zodat de gemeente kan optreden als zonder deze melding een klein evenement wordt georganiseerd.

 

Vierde lid

 

Er kan aanleiding zijn om het organiseren van een klein evenement te verbieden. Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

 

Vijfde lid

 

Voor wedstrijden met voertuigen op of aan de weg is in de WVW 1994 een regeling getroffen. Daarom zijn deze in dit lid uitgezonderd. Op grond van artikel 10 van de WVW 1994 is een wedstrijd met voertuigen verboden, tenzij daarvoor ontheffing is verleend op grond van artikel 148 van de WVW 1994. Als de wegen waarvoor ontheffing wordt gevraagd alle in één gemeente liggen, is het college bevoegd om de ontheffing te verlenen.

 

Zesde lid

 

Door de meldingsplicht voor kleine evenementen niet van toepassing te verklaren op daartoe aangewezen categorieën full-contact vechtsportwedstrijden of -gala’s, geldt voor deze evenementen altijd een vergunningplicht op grond van het eerste lid. Aanvragers moeten aan verschillende voorwaarden voldoen, zoals voor VIP-tafels, alcoholschenking, leeftijdsgrenzen en toezicht van een erkende bond (zijnde de FOG, sectie Ringcontactsporten). Ook is het mogelijk om vergunningaanvragen te onderwerpen aan een Bibob-toets, waarbij screening plaatsvindt van de organisatie, financiering en zakenrelaties.

 

Zevende lid

 

De organisator van of aanvrager van een vergunning voor een full-contact vechtsportevenement is verantwoordelijk voor een goede gang van zaken tijdens het evenement en voor een ordelijk verloop ervan, zowel in het gebouw als in de directe omgeving daarvan. De voorwaarde over het levensgedrag wordt gesteld om te kunnen toetsen of de organisator of de aanvrager van de vergunning op grond van zijn levensgedrag kan worden geacht aan deze verantwoordelijkheid te voldoen. De voorwaarde ziet alleen op de organisator(en) of de aanvrager van de vergunning, dat wil zeggen degene voor wiens rekening en risico het evenement wordt georganiseerd.

 

Informatiebron voor de burgemeester kunnen politie- of strafvorderlijke gegevens zijn. Op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet politiegegevens kan de politie aan de burgemeester politiegegevens verstrekken voor zover hij deze behoeft in het kader van de handhaving van de openbare orde. En op grond van artikel 39f, eerste lid, onder b en d, en tweede lid, onder a, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens kan het college van procureur-generaals aan de burgemeester strafvorderlijke gegevens verstrekken voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang in het kader van het handhaven van de orde en veiligheid en het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing. De burgemeester weigert de vergunning als de levensgedragtoets negatief uitvalt.

 

Achtste lid

Kleinere evenementen zijn al vergunningsvrij. Deze vergunning ziet op grotere evenementen en full-contact vechtsportevenementen. Daarbij is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. van de Awb wordt derhalve van toepassing uitgezonderd.

 

Artikel 2:25a Voetbalwedstrijden 3e divisie en hoger

 

Dit artikel is een aanvulling op artikel 2:25 en geldt voor alle voetbalclubs binnen Hendrik-Ido-Ambacht. Voetbalwedstrijden in deze competitie kunnen een risico vormen voor verstoring van de openbare orde en veiligheid. Wanneer de vergunning wordt verleend, is dit een doorlopende vergunning. Soms worden buiten de competitie wedstrijden georganiseerd tegen betaald voetbalclubs als voorbereiding op de competitie, voor benefietredenen of jubilea. In deze gevallen geldt een meldingsplicht.

 

Artikel 2:26 Ordeverstoring

 

Dit artikel richt zich op bezoekers van evenementen en verbiedt gedragingen die de orde verstoren. De bepaling biedt een aanvullende grondslag naast strafrechtelijke bepalingen.

 

Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen

 

Artikel 2:27 Definities

 

Dit artikel bevat definities die specifiek zijn voor deze afdeling. Het doel is de reikwijdte van de bepalingen duidelijk af te bakenen en interpretatieverschillen te voorkomen.

 

Wat betreft de definitie van een inrichting kan nog worden opgemerkt dat een afhaalzaak hier niet onder valt. Er worden hier etenswaren verkocht die direct voor consumptie geschikt zijn, maar deze kunnen niet ter plekke worden geconsumeerd. Het gaat hier om onder meer pizzabakkers, sushi- of shoarmazaken die alleen maaltijden op bestelling thuis afleveren of waar de maaltijden kunnen worden afgehaald. Dit type bedrijven vallen onder de Winkeltijdenwet en de lokale Winkeltijdenverordening. Voor deze zaken is dus geen horeca-exploitatievergunning nodig. Wel is het afhankelijk van de lokale Winkeltijdenverordening of ze op zon- en feestdagen open kunnen zijn en of ze op doordeweekse dagen om 22.00 uur moeten sluiten.

 

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichtingen

 

Eerste lid

 

De exploitatievergunning wordt verleend door de burgemeester. Dat volgt uit artikel 174 Gemeentewet: de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover die zien op toezicht op voor het publiek openstaande gebouwen.

 

Tweede lid

 

Voor een aantal kleinschalige openbare inrichtingen waar geen alcohol wordt geschonken en waar de openbare orde evident niet in het geding is, is geen vergunning vereist (bijv. tearooms, ontbijthoekjes, ijssalons, bedrijfskantines/-restaurants). Dit voorkomt onnodige regeldruk bij lichte horecavormen.

 

Derde lid

 

De lex silencio positivo is uitgesloten wegens dwingende redenen van algemeen belang. Het is onwenselijk dat (met name) horeca-inrichtingen of vrijstellingen zonder inhoudelijke toets “van rechtswege” kunnen ontstaan, gezien belangen als openbare orde en milieu.

 

Artikel 2:28b Inhoud exploitatievergunning en aanhangsel vergunning

 

Dit artikel regelt dat de vergunning en het aanhangsel afzonderlijk worden afgegeven. Hierdoor kan bij wijziging van een leidinggevende alleen het aanhangsel worden aangepast, zonder de hele vergunning opnieuw te moeten vervangen.

 

Artikel 2:28d Wijziging aanhangsel exploitatievergunning

 

Dit artikel maakt het mogelijk dat bij een wijziging van een leidinggevende slechts een aanvraag wordt gedaan voor wijziging van het aanhangsel. Daarmee wordt voorkomen dat de volledige vergunning opnieuw moet worden verleend, met bijbehorende bezwaar- en beroepsmogelijkheden over de hele vergunning.

 

Artikel 2:28e Weigeringsgronden

 

Eerste lid

 

Als het omgevingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat, ligt het niet voor de hand om wel een exploitatievergunning te verlenen. Er kan immers toch geen gebruik van worden gemaakt wegens strijd met het omgevingsplan. Strijd met het omgevingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Dit betekent dat de burgemeester hier niet van kan afwijken. Hij heeft wel beoordelingsruimte in het toetsen aan het omgevingsplan.

 

Tweede lid

 

Omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 voor de horeca ruim zijn geformuleerd, is onder a bepaald dat het om de openbare orde gaat en om het woon- en leefklimaat. Ook is slecht levensgedrag van de exploitant of leidinggevende een weigeringsgrond.

 

Artikel 2:29 Sluitingstijd

 

Eerste lid

 

Dit artikel bevat de sluitingsregeling, met onderscheid tussen werkdagen en weekeinde. Grondslag is artikel 149 Gemeentewet. De sluitingsregeling ziet op de gedeelten waar de horecawerkzaamheden plaatsvinden; een terras op trottoir hoort bij de inrichting, een bovenwoning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten en verenigingsgebouwen kunnen als inrichting gelden.

 

Vijfde lid

 

Bij winkels met een horecagedeelte geldt voor de horeca dezelfde sluitingstijd als voor de winkel, om te voorkomen dat horeca-activiteiten na winkelsluiting worden voortgezet. Anders zou er geen sprake meer zijn van horeca die ondergeschikt is aan de overige bedrijfsvoering.

 

Zesde lid

 

Een inrichting kan daarnaast vergunningplichtig zijn op grond van milieuregelgeving (zoals Wet milieubeheer/Activiteitenbesluit). Via die kaders kunnen ook voorschriften worden gesteld ter voorkoming van indirecte gevolgen van de inrichting.

 

Zevende lid

 

Hoewel het vaak om een overzichtelijk besluit gaat, is een stilzwijgende ontheffing onwenselijk voor omwonenden en andere ondernemers. Daarom is de lex silencio positivo uitgesloten.

 

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting

 

Eerste lid

 

Op grond van artikel 174 Gemeentewet kan de burgemeester tijdelijk afwijkende sluitingsuren opleggen of tijdelijk sluiten, in het belang van openbare orde, veiligheid of gezondheid, of wegens bijzondere omstandigheden (zoals feestdagen). De bevoegdheid kan gelden voor één inrichting, meerdere of zelfs alle horecabedrijven, maar is steeds tijdelijk van aard.

 

Tweede lid

 

Om strijd met de Opiumwet te voorkomen, is het tweede lid toegevoegd.

 

Artikel 2:31 Verboden gedragingen

 

Onder a

 

Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren. Het verbod richt zich primair op de bezoekers van het horecabedrijf.

 

Onder b

 

Ook dit verbod richt zich tot (potentiële) bezoekers. Wie met toestemming van de exploitant binnen is terwijl de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt dit artikel. Zonder toestemming kan ook sprake zijn van lokaalvredebreuk (art. 138 WvSr). In de exploitatievergunning wordt overigens ook als voorschrift opgenomen dat de exploitant na sluitingstijd geen bezoekers meer in de inrichting aanwezig mag hebben.

 

Onder c

 

Het gestelde onder c richt zich tot de exploitant.

 

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen

 

Dit artikel ziet op het tegengaan van (met name) heling in horeca. In sommige cafés wordt gestolen goed verhandeld. Het artikel sluit aan bij het verbod op kleinhandel in art. 14 Alcoholwet (dat vooral verkoophandelingen betreft), maar is breder opgezet voor de exploitant. Omdat het verbod zich richt op de exploitant (en niet op de handelaar), is het gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet; de strafsanctie volgt uit artikel 154 Gemeentewet

 

Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan

 

Het begrip ‘openbare inrichting’ (art. 2:27) kan ook zien op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn (bijv. besloten sociëteiten/verenigingen). In die gevallen is gelet op artikel 174 Gemeentewet niet de burgemeester maar het college bevoegd. De tekst is daarop in overeenstemming gebracht.

 

Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet

 

Deze afdeling is niet opgenomen in de APV, omdat de raad hiervoor een aparte verordening heeft vastgesteld.

 

Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

 

Artikel 2:35 Definitie

 

Inrichting

 

Het begrip inrichting sluit aan bij artikel 438 Wetboek van Strafrecht. Het gaat om het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan personen en om het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van een terrein voor nachtverblijf of het plaatsen van kampeermiddelen en dergelijke.

 

Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie

 

Dit artikel beoogt dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezige nachtverblijf- en kampeerinrichtingen. De kennisgeving ondersteunt toezicht en maakt het mogelijk sneller te handelen bij signalen of incidenten.

 

Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister

 

Op grond van artikel 438 Wetboek van Strafrecht is een ondernemer die een hotel of pension drijft verplicht een nachtregister bij te houden. Dit APV-artikel sluit daarop aan door de gast te verplichten mee te werken en de benodigde gegevens te verstrekken. Bij het opvragen van gegevens wordt aangesloten bij het uitgangspunt van de AVG: er worden alleen gegevens gevraagd die artikel 438 WvSr noemt (niet méér dan noodzakelijk).

 

Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden

 

Artikel 2:38a Definities

 

Eerste lid

 

In de Wet op de Kansspelen (hierna: Wok) is een uitputtende regeling neergelegd voor de kansspelen bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Deze restcategorie van speelgelegenheden voor behendigheidsspelen wordt hier bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waarop de Wok geen betrekking heeft.

 

Tweede lid

 

In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wok zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

 

Artikel 2:39 Speelgelegenheden

 

Eerste, tweede en derde lid

 

Voor het exploiteren van een speelgelegenheid waarop de Wok niet van toepassing is, geldt een vergunningplicht. Deze vergunningplicht heeft als doel het beschermen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat. De reikwijdte is daarmee bewust beperkt tot de categorie speelgelegenheden die niet al door de Wok wordt geregeld.

 

Vierde lid

 

Een vergunning van rechtswege is hier onwenselijk. De vergunning beoogt bescherming van met name de openbare orde, en daarnaast speelt het tegengaan van gokverslaving een rol. Daarom is paragraaf 4.1.3.3 Awb (lex silencio positivo) uitgezonderd wegens dwingende redenen van algemeen belang, zoals openbare orde en volksgezondheid.

 

Artikel 2:40 Kansspelautomaten

 

Dit artikel werkt artikel 30c, tweede lid, Wok uit. De gemeenteraad stelt bij verordening vast voor hoeveel kansspelautomaten per hoog- en laagdrempelige inrichting een aanwezigheidsvergunning kan worden verleend. Voor hoogdrempelige inrichtingen geldt een maximum van twee kansspelautomaten. In laagdrempelige inrichtingen zijn ze helemaal niet toegestaan. Kansspelautomaten zijn speelautomaten die geen behendigheidsautomaat zijn (zoals een flipperkast), maar gokkasten waarbij geld kan worden gewonnen en behendigheid doorgaans geen rol speelt.

 

Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade

 

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal

 

Eerste lid

 

De burgemeester kan op grond van artikel 174a Gemeentewet woningen, niet‑publiek toegankelijke lokalen of bijbehorende erven sluiten bij (drugs)overlast. Omdat de Gemeentewet de rechtsgevolgen van de sluiting niet uitwerkt, regelt de APV het verbod om een gesloten pand te betreden (met sanctiemogelijkheid bij overtreding).

 

Tweede lid

 

Dit lid sluit aan bij artikel 13b Opiumwet (bestuursdwang bij drugsverkoop/-aanwezigheid). Ook hier geldt dat de APV het betredingsverbod regelt om overtreding te kunnen sanctioneren.

 

Derde lid

 

Het derde lid voorkomt dat het verbod te absoluut is: betreden kan noodzakelijk zijn wegens dringende redenen.

 

Artikel 2:42 Plakken en kladden

 

Eerste lid

 

Dit lid bevat een absoluut verbod op bekladden en bekrassen. Het gaat niet om meningsuitingen, maar om vandalisme.

 

Tweede lid

 

Aanplakbiljetten kunnen een middel van meningsuiting zijn. Daarom verbiedt dit artikel niet “meningsuiting als zodanig”, maar beperkt het waar en hoe mag worden geplakt. Zo wordt geen ongeoorloofde inbreuk gemaakt op artikel 7 Grondwet.

 

Vijfde en zevende lid

 

Voor een beperking op plakken geldt als voorwaarde dat de gemeente voldoende plakplaatsen beschikbaar stelt. Het college kan aanplakborden aanwijzen en nadere regels stellen. Bij onvoldoende plakplaatsen kan strijd ontstaan met grondrechten (de richtlijn is 1 plakbord/-zuil per 10.000 inwoners).

 

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke

 

Dit artikel versterkt artikel 2:42 door ook het bij zich hebben van plak- en kladmaterialen onder omstandigheden aan te pakken. Het tweede lid biedt een rechtvaardigingsgrond als aannemelijk is dat de spullen niet bedoeld waren voor verboden plakken/kladden.

 

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen

 

Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken.

 

Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen

 

Dit artikel verbiedt het vervoeren van voor (winkel)diefstal geprepareerde tassen of voorwerpen op of nabij winkelgebieden. Lid 2 bevat een afbakening: het verbod geldt niet als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat geen intentie bestaat om winkeldiefstal te plegen.

 

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

 

Met dit artikel kan worden opgetreden tegen onnodige hinder of overlast op openbare plaatsen. Het is een praktische aanvulling op strafrechtelijke bepalingen over baldadigheid, omdat die vaak strakker zijn geformuleerd dan wat in het dagelijks gebruik als overlast wordt ervaren.

 

Specifiek is een verbod opgenomen voor het klimmen op bruggen en andere kunstwerken of het hiervan afspringen in het water. In de zomer wordt vaak overlast gemeld van jongeren die vanaf bruggen het water inspringen als vorm van recreatie. Dit levert niet alleen geluidsoverlast en afval op, maar er wordt ook melding gemaakt dat de jongeren voorbijgangers lastigvallen en op steigers en tuinen van langs het water liggende woningen klimmen. Handhaving hierop is zonder artikel in de APV lastig. De politie kijkt namelijk vooral naar gevaarzetting en het waterschap kampt met capaciteitsproblemen in de handhaving. Artikelen in de APV over hinderlijke ophouden in openbaar water vallen niet binnen het domein van gemeentelijke boa’s, waardoor zij hier ook niet op kunnen handhaven. De toevoeging van dit onderdeel aan het artikel maakt dat de boa’s wel een handhavingsgrondslag hebben om overlast in deze vorm aan te pakken.

 

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik

 

Het college kan een gebied aanwijzen waar het verboden is alcohol te nuttigen of aangebroken alcoholhoudende verpakkingen bij zich te hebben. Het verbod geldt niet voor horecaterrassen of evenementen waar op grond van artikel 35 Alcoholwet toestemming is verleend om alcohol te verstrekken. Sinds de Alcoholwet is alcoholgebruik voor jongeren onder de 18 al landelijk verboden; daarom richt dit verbod zich op personen van 18 jaar en ouder.

 

Bij dit artikel moet worden opgemerkt dat er sprake moet zijn van een duidelijk omschreven aangewezen gebied, zoals bijvoorbeeld een uitgaansgebied of een park waar regelmatig overlast wordt veroorzaakt. Het is niet mogelijk het gehele grondgebied van de gemeente aan te wijzen. Er moet een concrete aanleiding zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt. Een gebied kan worden aangewezen als gerechtvaardigde vrees bestaat voor aantasting van de openbare orde, of de openbare orde is al aangetast.

 

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen

 

Op basis van artikel 2:49 kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast bij of in gebouwen worden opgetreden. Voor de verdere toelichting wordt aangesloten bij de uitleg van artikel 2:47.

 

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

 

Dit artikel dient het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In dit artikel wordt het woord ‘ruimte’ gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip ‘weg’.

 

Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen

 

Algemeen

 

Het wapenbezit in het algemeen en gebruik van steekwapens in het bijzonder is fors toegenomen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid door het bij zich hebben (dragen) van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt te verbieden. Het artikel is een aanvulling op de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) en verbiedt het bij zich hebben van andere dan in de Wwm aangeduide messen of van voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, maar waarbij nog geen sprake is van een situatie waarin, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze voorwerpen worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Hierdoor kan aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de veiligheid bevorderd.

 

Tweede lid

 

Dit lid waarborgt dat messen en voorwerpen die zijn ingepakt, bijvoorbeeld omdat deze in een winkel zijn aangeschaft en nog in de verpakking zitten, niet onder het verbod vallen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid, maar aanschaf van bijvoorbeeld een keukenmes moet mogelijk blijven. Het moet dan wel zodanig zijn verpakt dat het niet onmiddellijk kan worden aangewend.

 

Derde lid

 

De Wwm gaat voor: als sprake is van een situatie die onder artikel 2 Wwm valt, dan regelt de Wwm.

 

Artikel 2:50b Verbod speelgoed- en nepwapen

 

Dit artikel heeft dezelfde strekking als artikel 2:50a, maar dan in de situaties dat het gaat om een speelgoed- of nepwapen., omdat dit eveneens gevoelens van onveiligheid en risico op ordeverstoring kan veroorzaken.

 

 

Artikel 2:51 Neerzetten van voertuigen

 

Het artikel ziet op overlast door het neerzetten van voertuigen (breed opgevat, zodat ook bijvoorbeeld (elektrische) steps eronder vallen). Denk aan voertuigen tegen gevels of op plekken waar de eigenaar dit niet wil of waar de toegang tot een gebouw wordt gehinderd.

 

Artikel 2:52 Overlast van voertuigen op markt en kermisterrein en dergelijke

 

Op basis van verkeersregels (RVV) kunnen weggebruikers om verkeersredenen worden geweerd, maar dit artikel ziet op een ander motief: voorkomen van hinder in mensenmenigten. Het college kan terreinen aanwijzen die tijdens markt/kermis als “voor voertuigen verboden” gelden, mits dit voor bezoekers kenbaar is. Het tweede lid bevat uitzonderingen, bijvoorbeeld voor voertuigen die noodzakelijk zijn voor werkzaamheden of dringende redenen (zoals markt-/kermiswagens en hulpdiensten).

 

Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats

 

Regelmatig ontvangt de gemeente meldingen van o.a. campers, caravans en busjes in de openbare ruimte waar personen in overnachten. Dit verloedert niet alleen de gemeente, maar kan ook hinder, overlast, brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico’s voor de volksgezondheid met zich meebrengen. Er wordt daarom in de APV een verbod opgenomen om tussen zonsondergang en zonsopgang op een openbare plaats te overnachten. Ook geldt het verbod wanneer het gebruik als slaapplaats leidt tot overlast/hinder, gevaar of aantasting van het woon- en leefklimaat.

 

Bij toezicht en handhaving is proportionaliteit belangrijk. Vaak kan worden volstaan met een waarschuwing; beboeten van dakloze personen is niet altijd zinvol. Het artikel kan in de praktijk ook dienen als “stok achter de deur” voor toeleiding naar ondersteuning of opvang. Het college kan ontheffing verlenen in bijzondere gevallen (bijv. overnachten in voertuig door aanbieders van een evenement). Lid 3 bevat afbakening: voor ligplaatsen met vaartuigen/woonboten, woonwagens met woonbestemming en nachtverblijf op kampeerterreinen of aangewezen kampeerplaatsen gelden aparte regels.

 

Artikel 2:57 Loslopende honden

 

Dit artikel beperkt het loslopen van honden in aangewezen gebieden en verplicht identificatie (halsband of ander middel) zodat de eigenaar/houder kan worden vastgesteld. Het doel is voorkoming van overlast, met nadruk op verkeersveiligheid, hinder, schade, verontreiniging en dierenwelzijn. Er zijn situaties waarin een strikt aanlijngebod niet passend is, zoals bij blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden; daarvoor is een voorziening opgenomen. Verder maakt lid 1, onder c, het mogelijk ook buiten de bebouwde kom plaatsen aan te wijzen waar aanlijnen verplicht is.

 

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden

 

Hondenuitwerpselen leveren gezondheidsrisico’s en ergernis op. In de praktijk is handhaving lastig, omdat op heterdaad moet worden gezien dat uitwerpselen niet worden opgeruimd. De aanpak is daarom deels preventief. Een verplichting om opruimmiddelen bij zich te hebben is beter controleerbaar. Lid 2 bevat een uitzondering voor geleidehonden en sociale hulphonden.

 

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden

 

Dit artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident – wanneer strafrechtelijk optreden niet passend wordt geacht – een gebod op te leggen zoals muilkorven of kort aanlijnen. Omdat landelijk geen definitie van muilkorf meer is opgenomen, bevat dit artikel een definitie. Overtreding is strafbaar via artikel 6:1.

 

Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

 

Door de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer” wordt de afbakening met milieuregelgeving vastgelegd. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het houden van bepaalde dieren overlast of volksgezondheidsrisico’s veroorzaakt en kan daarbij nadere regels stellen. Dat laatste is delegatie van verordenende bevoegdheid (art. 156 Gemeentewet).

 

Artikel 2:60a Verbod op voeren van dieren op openbare plaats of openbaar water

 

Eerste lid

 

Dit artikel verbiedt het voeren van dieren (zoals eenden, ganzen en duiven) op openbare plaatsen of openbaar water. Voedselresten trekken ratten en andere plaagdieren aan en kunnen leiden tot gezondheidsproblemen en schade aan eigendommen en infrastructuur. Daarnaast kan mensenvoedsel schadelijk zijn voor dieren en zorgen resten voor vervuiling van water.

 

Tweede lid

 

In het tweede lid worden enkele uitzonderingen opgenomen, waaronder voor personen die dieren voeren in opdracht van de beheerder van de openbare plaats of openbaar water. Ook is het voor bijvoorbeeld hondeneigenaren niet verboden om de hond te voeren met een brokje. Daarnaast kan het college categorieën aanwijzen waar het verbod niet geldt.

 

Artikel 2:65 Bedelarij

 

Bedelarij kan de openbare orde raken als het agressief of hinderlijk gebeurt (aanraken, intimideren, versperren, volgen). Sinds de strafbaarstelling uit het WvSr is verdwenen, is optreden lastiger; de wetgever heeft wel ruimte gelaten voor gemeentelijke regulering bij ordeverstoring. Op grond van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt als daar een overlastsituatie ontstaat. Straatmuziek met een verzoek om bijdrage valt niet onder dit artikel maar onder artikel 2:9. Verkoop van daklozenkranten valt er evenmin onder, omdat dit niet aan een vergunning kan worden verbonden vanwege de vrijheid van meningsuiting.

 

Een volledig verbod op bedelarij is niet mogelijk sinds een uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens, waarin werd geoordeeld dat de menselijke waardigheid wordt aangetast als iemand niet beschikt over voldoende bestaansmiddelen. Bedelarij valt volgens het hof onder het recht op eerbiediging van het privéleven.

 

Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen

 

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

 

Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (‘alle’ goederen). Momenteel wordt in de Tweede Kamer een wetsvoorstel behandeld waarmee het DOR verplicht wordt gesteld als register (zie Kamerstukken II 2021/22, 36036, nr. 2 (voorstel van wet) en Kamerstukken II 2021/22, 36036, nr. 3 (memorie van toelichting). In de praktijk werken al 180 gemeenten met het DOR, waaronder Hendrik-Ido-Ambacht. In het artikel wordt alvast voorgesorteerd op toekomstige wetgeving.

 

Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd.

 

Derde lid

 

Hier wordt de lex silencio positivo van toepassing verklaard op de ontheffing van het tweede lid. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van één tot alle verplichtingen in dit artikel. Doorgaans zal daarvoor een praktische reden zijn. Bovendien lijdt de ondernemer doorgaans geen grote schade wanneer er per abuis een vrijstelling van rechtswege ontstaat en die wordt teruggedraaid.

 

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 437ter, eerste lid, WvSr en bevat voorschriften die het gevaar voor heling moeten voorkomen.

 

Afdeling 10. Consumentenvuurwerk

 

In de Wet veilige jaarwisseling is een landelijk verbod op het bezit en afsteken van consumentenvuurwerk opgenomen. De wet is nog niet in werking getreden, waardoor nog weinig duidelijk is over hoe deze wet invloed heeft op de bepalingen in de APV. Zolang de VNG hier nog geen uitspraken over heeft gedaan, blijven de artikelen in hun huidige vorm bestaan.

 

Afdeling 11. Drugsoverlast

 

Artikel 2:74 Drugshandel op straat

 

De Opiumwet is landelijke wetgeving en regels al de strafbaarheid en bestuurlijke bevoegdheden rondom drugs. Er wordt echter geen aandacht besteed aan overlast die het gevolg is van drugshandel op straat. Dit artikel biedt daarom een gemeentelijke grondslag om hiertegen op te treden.

 

Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik

 

Openlijk drugsgebruik kan op bepaalde plekken leiden tot hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid. Dit artikel biedt een grondslag om daartegen op te treden in de publieke ruimte.

 

Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester

 

Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding

 

Dit artikel is gebaseerd op artikel 154a Gemeentewet. Het geeft de burgemeester de bevoegdheid om bij grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een aangewezen plaats. Vervoer naar de plaats van ophouding valt daar ook onder. Voorbeelden van grootschalige ordeverstoringen zijn risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit de hand lopende demonstraties en krakersrellen. Voor toepassing is een verordeningsgrondslag vereist waarin de raad de burgemeester deze bevoegdheid geeft voor groepsgewijze niet-naleving van concrete voorschriften. Artikel 2:75 voorziet hierin.

 

Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden

 

Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad de burgemeester de bevoegdheid geven gebieden aan te wijzen waar de officier van justitie de controlebevoegdheden uit de Wet wapens en munitie kan laten uitoefenen (onderzoek vervoermiddelen, onderzoek kleding en openen van verpakkingen).

 

De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat sprake is van verstoring van de openbare orde door wapens, of ernstige vrees daarvoor. De aanwijzing moet niet langer duren en niet groter zijn dan strikt noodzakelijk. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale driehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • -

    feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan;

  • -

    zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het individuele belang van de burgers (privacy);

  • -

    subsidiariteit en proportionaliteit;

  • -

    breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van leefbaarheid en veiligheid.

Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen

 

Op grond van artikel 151c Gemeentewet kan de raad de burgemeester bevoegd maken cameratoezicht toe te passen op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde. De raad kan bepalen op welke plaatsen dit kan en wat de maximale duur is.

 

Het plaatsen van camera’s is een zware maatregel. Het Openbaar Ministerie wenst daarom dat aan de inzet van cameratoezicht een deugdelijke motivering ten grondslag ligt, waarbij de principes van subsidiariteit en proportionaliteit zijn gewaarborgd. Er dient vooral aangetoond te worden welke overlast wordt ervaren en dat dit in zodanige mate ernstig is dat er cameratoezicht wordt gewenst. Om aan de motiveringseis van het OM te voldoen, worden na vaststelling van deze APV beleidsregels opgesteld waarin wordt vastgelegd onder welke specifieke omstandigheden cameratoezicht wordt ingezet, hoe de belangenafweging tussen veiligheid en privacy plaatsvindt en hoe de evaluatie van de camera-inzet wordt vormgegeven.

 

Artikel 2:78 Gebiedsontzegging

 

Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid een gebiedsontzegging op te leggen bij (ernstige vrees voor) openbare ordeverstoring of overlastgevend gedrag. Het gaat vaak om personen die strafbare feiten of ordeverstorende handelingen verrichten en doorgaans al eerder bestuurlijk zijn gewaarschuwd. Als zowel de APV als artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet (lichte bevelsbevoegdheid) toegepast kan worden, gaat dit APV‑artikel voor.

 

Een gebiedsontzegging lijkt in zekere zin op een samenscholingsverbod. Het verschil ziet er vooral op dat een gebiedsontzegging wordt opgelegd aan een specifieke persoon of groep personen, terwijl een samenscholingsverbod meer algemene strekking heeft.

 

Voorwaarden

 

Voor het toepassen van een openbare ordemaatregel, zoals een gebiedsontzegging, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan.

 

  • -

    Het situatievereiste: er moet sprake zijn van omstandigheden die tot ingrijpen ter handhaving van de openbare orde kunnen noodzaken.

  • -

    Het doelcriterium: de maatregel moet zijn gericht op het beëindigen of voorkomen van (verdere) ordeverstoringen of overlast of het beperken van de gevolgen daarvan.

  • -

    Het toepassen van de bevoegdheid kan alleen ten tijde van een (dreigende) ordeverstoring.

  • -

    De duur van deze concrete maatregel moet direct gekoppeld zijn aan de situatie dat er gevaar dreigt voor de openbare orde. Hierdoor kan de duur van de maatregel niet onevenredig lang zijn.

  • -

    Bij de toepassing van de maatregel mag niet worden afgeweken van wettelijke voorschriften.

  • -

    Subsidiariteit en proportionaliteit: er is geen minder zwaar middel voorhanden en het opleggen van een tijdelijk verbod moet in verhouding staan tot de te bestrijden problematiek of het te bereiken doel.

Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

 

Eerste lid

 

Dit lid bevat een zorgplicht: een bewoner moet zich zo gedragen dat omwonenden geen ernstige hinder ondervinden. Bij ernstige en herhaaldelijke hinder kan niet alleen niet alleen de huurder, maar ook de verhuurder worden aangesproken. Dit voorkomt dat bijvoorbeeld woningcorporaties geen verantwoordelijkheid nemen voor hun huurders en hun gedrag.

 

Tweede lid

 

Dit lid regelt in welke gevallen de burgemeester in ieder geval een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom kan opleggen. Het artikel noemt de dwangsom niet apart omdat die bevoegdheid al volgt uit de Awb in samenhang met artikel 125 Gemeentewet. Welke herstelsanctie passend is, wordt per situatie afgewogen. Dit wordt verder uitgewerkt in beleidsregels. De last kan bestaan uit concrete gedragsaanwijzingen.

 

Artikel 2:80 Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen

 

Eerste lid

 

De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of het daarbij behorende erf sluiten als overlast, verstoring van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat dreigt. Artikel 2:81 bevat daarnaast een aanvullende sluitingsbevoegdheid voor situaties waarin een vergunningplicht geldt.

 

Dit artikel kan onder meer worden gebruikt als:

 

  • in of vanuit een publiek toegankelijk pand strafbare feiten plaatsvinden die de openbare orde of het woon- en leefklimaat nadelig beïnvloeden;

  • ondernemers van (dienstverlenende) bedrijven zoals garages, autoverhuurders, uitzendbureaus of winkels overlast (blijven) veroorzaken, strafbare feiten plegen of deze faciliteren/gedogen/toestaan.

Daarnaast kan de burgemeester hiermee optreden tegen een illegaal gokpand (zonder toestemming op grond van de Wok). Bij een dergelijk pand is sprake van aantasting van de openbare orde in ruime zin. Als het pand echter (mede) als woning wordt gebruikt, kan sluiting niet op grond van dit artikel, maar via artikel 174a Gemeentewet.

 

Tweede lid

 

Het artikel is een aanvulling op de bevoegdheden van de burgemeester om op grond van de APV (artikel 2:30) of artikel 13b van de Opiumwet overlastgevende inrichtingen, zoals horecabedrijven en seksinrichtingen, of woningen op grond van artikel 174a Gemeentewet te sluiten.

 

Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

 

Algemeen

 

Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor een verbod geldt om deze zonder vergunning uit te oefenen. Hij kan deze bevoegdheid inzetten als dat nodig is om verstoring van de openbare orde of nadelige beïnvloeding van de leefbaarheid tegen te gaan, als die wordt veroorzaakt door een onveilig en malafide ondernemersklimaat vanuit een gebouw, een branche of in een gebied. Daarom wordt het ook wel de ‘ondermijningsvergunning’ genoemd.

 

Op het moment van vaststellen van deze APV zijn er nog geen categorieën aangewezen waarop een dergelijke vergunningsplicht geldt. Als dit op een later moment wel wordt gedaan, moet hierop beleid worden opgesteld. Er dient goed te worden gemotiveerd waarom een vergunningplicht in de aan te wijzen gevallen nodig wordt geacht in de aanpak van ondermijning.

 

Tweede lid

 

De burgemeester kan met het aanwijzingsbesluit in dit lid nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De burgemeester wijst een bedrijfsmatige activiteit en gebouw of gebied uitsluitend aan als naar zijn oordeel de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Belangrijk is dat concrete incidenten niet altijd nodig zijn: een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven als een branche, gebouw of gebied extra aandacht vraagt om de situatie te verbeteren.

 

Derde lid

 

In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw of gebied zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Dit maakt het ook mogelijk om deze vergunningplichtige branches te screenen door middel van een Bibob-toets.

 

Zesde lid

 

De algemene intrekkings- of wijzigingsgronden staan vermeld in artikel 1:6. In het zesde lid staan de specifieke intrekkings- en wijzigingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet. Als de exploitant zijn verplichtingen uit het artikel of de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken.

 

Zevende lid

 

Artikel 2:80 biedt de mogelijkheid overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten. Artikel 2:81 bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid wanneer sprake is van een vergunningplicht. Het toetsingskader voor sluiting is anders dan voor een vergunning. Als een sluiting op grond van artikel 2:80 in dezelfde situatie leidt tot het aanwijzen als vergunningplichtig, gevolgd door een weigering van de vergunning, dient de burgemeester ervoor te waken dat het oordeel over de vergunning niet vermengd raakt met het oordeel over de sluiting.

 

Twaalfde lid

 

De vergunninghouder moet relevante wijzigingen melden. Dit is nodig om zicht te houden op veranderingen die van invloed kunnen zijn op de vergunning. Als er geen belemmeringen zijn, kan een gewijzigde vergunning worden verleend.

 

Vijftiende lid

 

Voor nieuwe exploitanten geldt de vergunningplicht onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit.. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen en/of op een andere locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt.

 

Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken. Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken. Voor zittende exploitanten geldt een termijn van drie maanden om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet, dan handelen zij in strijd met het verbod. Als een aanvraag binnen die periode wordt geweigerd of een vergunning wordt ingetrokken, is vanaf dat moment sprake van overtreding en kan de burgemeester direct handhaven.

 

Zestiende lid

 

De openbare orde en veiligheid vormen de reden om van een lex silencio positivo af te zien.

 

Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen

 

In Hendrik-Ido-Ambacht wordt prostitutie op dit moment niet toegestaan in het omgevingsplan. De regels blijven desondanks in de APV opgenomen, zodat de gemeente beschikt over een actueel juridisch kader voor het geval het omgevingsplan of beleid wijzigt en/of handhavend optreden nodig is bij ongewenste activiteiten. Als dat beleid wijzigt, zal ook deze toelichting worden aangevuld met de artikelen die om nadere toelichting vragen.

 

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

 

Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting

 

Artikel 4:1 Definities

 

Algemeen

 

Deze afdeling sluit aan bij milieuregelgeving voor situaties waarin (voorheen) via het Activiteitenbesluit en de Wet milieubeheer ruimte bestond om gemeentelijk te sturen op festiviteiten (geluid) en sportverlichting. Begrippen die aan die regelgeving zijn ontleend, worden gebruikt in dezelfde betekenis als vlak vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet

 

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

 

Eerste lid

 

Het college kan dagen aanwijzen als collectieve festiviteit (bijv. kermis/carnaval), waardoor bepaalde geluidsnormen voor inrichtingen op die dagen niet (volledig) gelden. Uitgangspunt blijft: hinder zoveel mogelijk beperken; de vrijstelling geldt alleen voor zover naleving redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

 

Tweede lid

 

Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Het college kan collectieve festiviteiten aanwijzen waarbij deze beperkingen niet gelden. Dit is vooral relevant voor sportverenigingen bij bijzondere activiteiten, dus wanneer de verenigingen buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie.

 

Derde lid

 

De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De vaststelling van deze gebieden dient plaats te vinden in een apart besluit waarop bezwaar en beroep volgens de Awb mogelijk is. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt tijdens carnaval, kermissen of culturele, sport- en recreatieve manifestaties.

 

Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten

 

Eerste lid

 

Voor incidentele festiviteiten regelt de APV hoeveel dagen/dagdelen per jaar een inrichting gebruik kan maken van vrijstelling van geluidsnormen na melding. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is.

 

Tweede lid

 

Ook voor incidenteel gebruik van sportverlichting kan worden afgeweken binnen het wettelijk maximum (12 dagen/dagdelen). Daarbij blijft de algemene zorgplicht gelden; enige hinder kan aanvaardbaar zijn, maar niet onbeperkt.

 

Zesde tot en met het tiende lid

 

Het college kan aan incidentele festiviteiten voorwaarden verbinden om geluidhinder te beperken; de systematiek sluit aan bij die van collectieve festiviteiten.

 

Artikel 4:5 Onversterkte muziek

 

Dit artikel biedt ruimte voor hobbymatig oefenen van onversterkte muziek (bijv. amateurgezelschappen) door een beperkte uitzondering op geluidsniveaus toe te staan. Het gaat nadrukkelijk om oefenen zonder publiek; optredens en festiviteiten vallen hier niet onder. Daarnaast zijn enkele categorieën geluid uitgezonderd (o.a. oproep tot godsdienst/levensovertuiging en bepaalde militaire tradities).

 

Artikel 4:5c Geluidhinder door dieren

 

In dit artikel is in het eerste lid de zinsbede ‘buiten een inrichting’ opgenomen. Er geldt een uitzondering voor de gevallen waarin de bepaling een regeling geeft voor activiteiten waarop ook de Wet milieubeheer ziet. Gebeurt dit niet, dan loopt de bepaling het risico onverbindend verklaard te worden.

 

Artikel 4:6 Overige geluidhinder

 

In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wom, het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in het derde lid.

 

Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Het kan gaan om uiteenlopende bronnen, zoals tijdelijke evenementen in de buitenlucht, reclamespeakers, achtergrondmuziek in winkelstraten, recreatietoestellen, bouwmachines, knalapparatuur tegen vogels en “lawaaiige hobby’s”. Beoordeling is altijd casuïstisch: een zekere mate van hinder hoort bij het maatschappelijk leven, maar excessen kunnen worden aangepakt; ontheffing is mogelijk met voorschriften.

 

Artikel 4:6a Mosquito

 

Een mosquito veroorzaakt een hoge pieptoon die vooral door jongeren hoorbaar is en kan worden ingezet tegen overlast door hangjongeren. Het middel is effectief maar ingrijpend; daarom is een apart artikel opgenomen in plaats van een “ontheffingconstructie” onder 4:6.

 

Tweede lid

 

De burgemeester kan besluiten een Mosquito op te hangen op openbare plaatsen als dit noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde. De mosquito is een ingrijpend middel, er moet daarom een evenwichtige verhouding bestaan tussen het doel en het middel (proportionaliteit) en het doel, de handhaving van de openbare orde, kon niet op een minder ingrijpende wijze worden bereikt (subsidiariteit). Mede vanwege de omstreden status van de mosquito verdient het de voorkeur om een apart artikel in de APV op te nemen, en dat niet, zoals ook wel gebeurt, de gemeente zichzelf een ontheffing verleent van het artikel 4:6.

 

Derde lid

 

In het kader van het eerbiedingen van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM) dient de aanwezigheid van de mosquito bekend en zichtbaar te worden gemaakt.

 

Vierde lid

 

Vanwege het ingrijpende karakter van de mosquito is terughoudendheid geboden bij het gebruik daarvan. De mosquito dient alleen te worden gebruikt op tijdstippen waarop de overlast daadwerkelijk optreedt. De moderne mosquito’s kunnen handmatig worden ingeschakeld wanneer iemand overlast ervaart, en schakelen na 15 minuten weer uit.

 

Zesde lid

 

Terughoudendheid van het gebruik van de mosquito kan worden bereikt door een beperkte periode vast te stellen dat deze wordt ingezet. Na de plaatsing kan worden geëvalueerd of de mosquito het gewenste effect heeft bereikt en kan worden besloten de duur te verlangen.

 

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

 

Artikel 4:7 Straatvegen

 

Dit is een verkeersbeperkende bepaling met een ander motief dan verkeersveiligheid (o.a. reiniging/uiterlijk aanzien). De raad kan dergelijke regels stellen zolang het verkeersstelsel niet wordt doorkruist.

 

Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen

 

Dit artikel (wildplassen) spreekt voor zich: het voorkomt vervuiling en overlast.

 

Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

 

Deze bepaling is overgenomen uit vervallen onderdelen van de bouwverordening en ziet vooral op de omgeving (niet het bouwwerk zelf). Daarom is gekozen voor opname in de APV.

 

Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen

 

Dit artikel is opgenomen naar aanleiding van het Actieplan Duurzaamheid 2019-2022, waarin de actie werd gesteld dat er een verbod zou komen voor het oplaten van ballonnen.

 

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden

 

Artikel 4:10a Groene kaart

 

De gemeente Hendrik-Ido-Ambacht heeft op de zogenoemde Groene Kaart bomen vastgesteld die beschermwaardig zijn. Deze bomen worden beschermd door de APV.

 

Artikel 4:10b Kapverbod

 

De gemeente Hendrik-Ido-Ambacht wil het huidige bomenbestand behouden. Dat betekent dat er het liefst niet gekapt wordt. Het eerste lid van dit artikel legt daarom een kapverbod op. In Hendrik-Ido-Ambacht is gekozen voor een verbod op het vellen van de houtopstanden die op de Groene kaart staan. Het vellen van de houtopstand is alleen met een omgevingsvergunning mogelijk. In het tweede lid worden enkele uitzonderingen genoemd

 

Met de tweede wijziging van het omgevingsplan zal het kapverbod uit de APV vervallen en gaat het samen met de Groene Kaart over naar het omgevingsplan.

 

Artikel 4:11 Criteria

 

In dit artikel worden criteria genoemd waaraan voldaan moet worden voor een omgevingsvergunning op het kapverbod wordt gegeven. Het zijn los van elkaar staande criteria, dus als aan één wordt voldaan kan de vergunning worden verleend.

 

Artikel 4:11b Bijzondere voorschriften

 

Dit artikel geeft het college de mogelijkheid bij het verlenen van een omgevingsvergunning de voorwaarde te stellen dat binnen een bepaalde termijn moet worden herplant. Daarnaast kan het verplicht stellen van een Bomen Effect Analyse deel uitmaken van de ontheffing. Een BEA is een analyse die de effecten van bouw- of aanlegwerkzaamheden op de omgeving, en met name op aanwezige bomen, in kaart brengt. Dit is belangrijk om de impact van de werkzaamheden op de bomen te minimaliseren en om te zorgen voor een verantwoorde omgang met de bestaande bomen.

 

Artikel 4:12 Herplant-/instandhoudingsplicht

 

Spreekt voor zich: borgt dat bij velling of schade herplant/instandhouding kan worden afgedwongen.

 

Artikel 4:12a Bestrijding van boomziekten

 

Biedt mogelijkheden om verspreiding van boomziekten te voorkomen en zo het bomenbestand te beschermen.

 

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

 

Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

 

Dit artikel biedt een basis om ontoelaatbare opslag (vanuit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid) tegen te gaan. Hierbij kan worden gedacht aan opslag van bromfietsen en caravans en dergelijke, en landbouwproducten. Het college kan plaatsen aanwijzen waar opslag verboden is of aan regels is gebonden. Het artikel geldt niet voor opslag binnen een inrichting; milieuwetgeving gaan dan voor. Deze bepaling ziet ook niet op handelingen die plaatsvinden op de ‘weg’ in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Hiervoor bestaan andere bepalingen binnen de APV. De

 

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

 

Dit artikel verbiedt reclame die het verkeer in gevaar brengt of omwonenden hindert of overlast bezorgt. Voor een reclame van enige omvang of betekenis is doorgaans een bouwvergunning nodig, waardoor al aan de welstand kan worden getoetst .Een algemene vergunningplicht voor alle reclame is daarom niet nodig. Dit artikel is bedoeld voor de relatief beperkte categorie “hinderlijk/gevaarlijk” die anders tussen wal en schip kan vallen

 

Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen

 

Artikel 4:17 Definitie

 

In de definitie gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen, kampeerwagen en caravan.

 

Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

 

Spreekt voor zich: regelt het verbod/voorwaarden voor recreatief overnachten buiten aangewezen kampeerterreinen om overlast en ongewenste situaties te voorkomen.

 

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

 

Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod

 

Algemeen

 

De bepalingen in deze afdeling zijn bedoeld om excessieve vormen van parkeren aan te pakken. Het gaat niet om “normaal parkeren”, maar om parkeren dat buitensporig is (bijv. door aard van het voertuig, het doel of het aantal voertuigen) of dat om andere redenen onaanvaardbaar is, zoals aantasting van openbare orde/veiligheid, uiterlijk aanzien, uitzichtbelemmering of stankoverlast.

 

Bij diverse verboden is een ontheffing mogelijk wanneer parkeren anders redelijkerwijs niet uitvoerbaar is.

 

Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

 

Eerste lid

 

Dit lid is breder gemaakt zodat ook rijschoolhouders en taxiondernemers onder “verhuren” vallen, omdat ook hun voertuigpark tot excessief gebruik van de weg kan leiden. Daarmee kan worden opgetreden als de weg feitelijk als bedrijfsstalling wordt gebruikt.

 

Tweede lid

 

De term “vergen” (in plaats van “duren”) is gekozen om bewijsproblemen te beperken: “vergen” biedt een objectievere maatstaf bij de vraag of werkzaamheden meer dan een uur in beslag nemen.

 

Derde lid, onder a

 

Doel is optreden tegen autohandelaren/garages/verhuurders die de weg structureel gebruiken als stallingsruimte voor bedrijfsvoertuigen (of voertuigen die hun zijn toevertrouwd). Er is geprobeerd de bepaling zo te formuleren dat bewijs zo goed mogelijk leverbaar blijft. De grens “drie of meer voertuigen” helpt daarbij. Tegelijk blijft het parkeren van privévoertuigen van exploitant/gezinsleden mogelijk.

 

Derde lid, onder b

 

Dit ziet specifiek op reparatie- en sloopwerkzaamheden aan voertuigen op de weg in het kader van bedrijfsmatig handelen, omdat dit vaak leidt tot klachten over geluid en verontreiniging (en in mindere mate over parkeerruimte).

 

Vierde lid

 

Ontheffing is bedoeld voor uitzonderingsgevallen waarin de exploitant feitelijk geen alternatief heeft (bijv. een bestaand bedrijf zonder reële mogelijkheid om stallingsruimte op eigen terrein of nabij te realiseren). Aan ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden (plaats, tijd, maximum aantal voertuigen).

 

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

 

Eén voertuig “te koop” op de openbare weg levert meestal geen probleem op. Het wordt pas een exces als voertuigen in grotere aantallen worden uitgestald: dat tast het uiterlijk aanzien aan, trekt kooplustigen aan (overlast) en legt beslag op schaarse parkeerruimte.

 

Derde lid

 

Omdat geïmproviseerde “automarkten” veel overlast kunnen veroorzaken, is de lex silencio positivo uitgesloten: een stilzwijgende toestemming is hier onwenselijk.

 

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

 

Het komt wel eens voor dat niet-rijklare voertuigen op de weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van dit soort voertuigen heeft deze meestal gekocht om na weken of zelfs maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Als hij hier niet in slaagt, wordt het voertuig op de weg achtergelaten, waar het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn.

 

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

Anders dan de niet-rijklare voertuigen die bij het gedurende een lange tijd parkeren een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Het richt zich dus niet specifiek op de eigenaar of bestuurder van het voertuig, maar ook op eventuele andere belanghebbenden.

 

Wrakken worden verwijderd aan de hand van de Procedure wrakken en onbeheerde objecten van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht.

 

Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen

 

Eerste lid, aanhef

 

Door “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” valt een brede categorie voertuigen/aanhangwagens onder dit artikel: het gaat om objecten die niet “dagelijks” als vervoermiddel worden gebruikt.

 

Eerste lid, onder a

 

Gericht tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van o.a. caravans, campers, aanhangwagens, keetwagens e.d. Er staat bewust “plaatsen of hebben” in plaats van “parkeren”, zodat ontwijking door telkens enkele centimeters verplaatsen niet werkt. Het verbod geldt binnen de hele bebouwde kom; verplaatsen naar een andere straat doorbreekt de termijn niet.

 

Eerste lid, onder b

 

Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het laten staan van caravans en dergelijke elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een ‘eigenlijk’ parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg in de zin van de WVW 1994.

 

Vierde lid

 

Een ontheffing wordt alleen verleend als een in beginsel ongewenste handeling bij hoge uitzondering toch moet worden toegestaan. Doorgaans is daarvoor dan een noodzaak of een zeer dwingende reden. Het college heeft hier dus een vrij overzichtelijke afweging te maken, en er is geen reden waarom dit besluit niet tijdig kan worden genomen. Om die reden is er in de APV voor gekozen om de lex silencio positivo van toepassing te verklaren.

 

Artikel 5:7 Reclamevoertuigen

 

Eerste lid

 

Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Onder handelsreclame in de zin van dit artikel valt niet de vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden namelijk niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel.

 

Het excessieve is vooral gelegen in het in relatie tussen het tekort aan parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente.

 

Derde lid

 

In dit geval is ervoor gekozen de lex silencio positivo van toepassing te verklaren. Het gaat hier om een ontheffing, niet om een reguliere vergunning. Een ontheffing wordt alleen verleend als een in beginsel ongewenste handeling bij hoge uitzondering toch moet worden toegestaan. Doorgaans is daarvoor dan een noodzaak of een zeer dwingende reden. Dit zal met een reclamevoertuig niet snel aan de orde zijn. Het toekennen of afwijzen van een aanvraag om deze ontheffing zal geen complexe afweging vergen.

 

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

 

Eerste lid

 

Deze bepaling beoogt mogelijkheden te geven om aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente of buitensporig gebruik van de weg door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote voertuigen kan immers een ernstige aantasting van het dorps- of landschapsschoon betekenen. Bijvoorbeeld vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft.

 

Vierde lid

 

De werking van het verbod is beperkt tot avond/nacht, weekenden en feestdagen: een verbod tijdens werkdagen overdag zou handel en industrie te zwaar kunnen raken. Wel kan overdag een probleem ontstaan als grote voertuigen de weg versperren (bijv. voor hulpdiensten); daarvoor is ontheffing in specifieke gevallen relevant.

 

Vijfde lid

 

Dit artikellid maakt het mogelijk dat ook campers, caravans en kampeerwagens die door hun afmetingen onder het verbod van het eerste lid of het tweede lid zouden vallen, toch voor maximaal drie dagen op de weg geparkeerd mogen blijven staan. Zij vallen nog steeds onder artikel 5:6.

 

Zesde lid

 

Dit lid kent aan het college de bevoegdheid toe ter zake van de in het eerste lid omschreven verbod een ontheffing te verlenen. Hiermee kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.

 

Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken. Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven – ongeacht de aard – kunnen worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing. Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.

 

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

 

Eerste lid

 

Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van voertuigen.

 

Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken en dergelijke, die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen.

 

Er is bewust gekozen voor de bestanddelen “te doen of te laten staan” in plaats van “te parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid veroorzaakt.

 

Tweede lid

 

Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen in gebruik bij de politie, de brandweer of de gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.

 

Artikel 5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen

 

Eerste lid

 

In de praktijk wordt regelmatig overlast ervaren van fietsen en bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij winkelcentra. Vooropstaat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn.

 

Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

 

Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang.

 

Tweede lid

 

In het tweede lid wordt de periode dat fietsen en bromfietsen op een aangewezen plaats mogen staan beperkt. Hiermee wordt beoogd weesfietsen aan te pakken; fietsen die in de openbare ruimte worden geparkeerd zonder de intentie deze nog verder te gebruiken. De termijn is gesteld op zeven achtereenvolgende dagen, om zo de hinder en overlast voor buurtbewoners zo beperkt mogelijk te houden, maar de eigenaar van de fiets nog wel de kans te geven zijn fiets weer in gebruik te nemen.

 

Afdeling 2. Collecteren

 

Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving

 

Eerste lid

 

Voor het houden van een openbare inzameling of werving is een vergunning van het college nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten (te onderscheiden van de machtigingsformulieren en inschrijvingen via een tablet die bij wervingsactiviteiten worden gebruikt) of de inzameling van goederen. Bij inzameling van goederen kan worden gedacht aan het leveren van een bijdrage aan een voedselpakket. De bijdrage kan bestaan uit een gift in geld, maar ook uit het doneren van (vooraf bepaalde) gekochte producten. Ook wervingsactiviteiten (‘direct dialogue’) vallen onder de verbodsbepaling. De instellingen die leden of donateurs werven, moeten uiteraard aan dezelfde voorwaarden voldoen als de opdrachtgevende organisaties zelf.

 

Tweede lid

 

In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning is vereist, indien bij een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Deze wijze van collecteren valt niet onder de bescherming van artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting).

 

Derde lid, onder a

 

Allereerst is voor een inzameling die in besloten kring wordt gehouden geen vergunning nodig. De uitdrukking ‘in besloten kring’ veronderstelt een zekere bekendheid tussen de inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt. Er moet wel sprake zijn van een nauwere band dan alleen het gemeenschappelijke lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat er ook een zekere gemeenschappelijke bekendheid is.

 

Derde lid, onder b

 

De gemeente kan ervoor kiezen instellingen aan te wijzen waarvoor de verbodsbepaling niet geldt. Het college stelt daartoe een collecte- en wervingsrooster vast dat is ontleend aan het door het CBF gepubliceerde collecterooster en wervingsrooster. Omdat aan het CBF geen wetgevende bevoegdheid toekomt, moet het college het collecte- en wervingsrooster vaststellen. Het college kan aan de vrijstelling van de vergunningplicht voorwaarden verbinden. Daarbij kan men denken aan verplichte legitimatie voor de geldinzamelaars, het verplicht melden van de opbrengst bij de gemeente en het niet toestaan van collecteren op de zondag. Als het college geen collecte- en wervingsrooster vaststelt, geldt de vrijstelling van de vergunningplicht niet.

 

Derde lid, onder c

 

Wanneer het college geen collecte- en wervingsrooster heeft vastgesteld, geldt alsnog een vrijstelling voor instellingen met een CBF-keurmerk. Voor hen geldt wel een meldingsplicht als zij gebruik willen maken van een vrije periode op het CBF-collecterooster.

 

Afdeling 3. Venten

 

Artikel 5:14 Definitie

 

Venten (= ambulante handel) onderscheidt zich van collecteren en standplaatsen. Kern: de venter is in beweging en biedt vanaf wisselende plaatsen aan. Het onderscheid met collecteren zit in de reële contraprestatie: bij venten wordt een vast bedrag gevraagd voor goederen/diensten; bij collecteren gaat het om een (donatie‑achtige) bijdrage voor een liefdadig/ideëel doel

 

Artikel 5:15 Ventverbod

 

Het aanwijzen van gebieden en tijden schept helderheid: op die plaatsen en momenten mag niet worden gevent. Daarbuiten wel. Het college heeft verschillende gronden voor zijn gebiedsaanwijzingen, zoals overlast (waarschijnlijk verreweg de meest voorkomende grond), of verkeersveiligheid. Door in lid 1 “in het belang van de openbare orde” toe te voegen is de grondslag voor het aanwijzen van gebieden, of dagen en uren beperkt tot de openbare orde.

 

Mocht de openbare orde daadwerkelijk worden verstoord, dan kan de burgemeester ingrijpen op basis van diens openbare orde bevoegdheden uit de Gemeentewet.

 

Vijfde lid

 

Er is voor gekozen de lex silencio positivo, die ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet geldt, van toepassing uit te zonderen. De vrijheid van meningsuiting is een zaak van belang, en het zou niet wenselijk zijn als de overheid hier door niet te beslissen de zaak in het onzekere zou laten.

 

Afdeling 4. Standplaatsen

 

Artikel 5:17 Definitie

 

Artikel 5:17 bevat een definitie en voorziet ook in uitzonderingen. Het gaat bij een standplaats om het te koop aanbieden van goederen of diensten vanaf een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met goederen of diensten. Bij het venten met goederen of diensten wordt er immers vanuit gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen of diensten vanaf een andere plaats in de openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de standplaatshouder niet.

 

Vijfde lid

 

Het innemen van een standplaats op een markt, ingesteld op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet, valt niet onder het begrip standplaats . Degene die op een dergelijke markt een standplaats wil innemen, zal zich moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Deze zijn in veel gemeenten in een marktverordening neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt is niet nodig, omdat snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en standplaatsen worden ingenomen in de open lucht.

 

Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25 van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing zijn.

 

Artikel 5:18 Standplaatsvergunning

 

Vergunningplicht spreekt voor zich: hiermee kan de gemeente sturen op orde, veiligheid en het straatbeeld.

 

Artikel 5:18a Nadere regels standplaatsvergunning

 

Aan de hand van de motieven, genoemd in artikel 1:8, kan het college beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan.

 

Artikel 5:18b Weigeringsgronden

 

Onder a

 

De weigeringsgrond met betrekking tot redelijke eisen van welstand kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bij voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen.

 

Onder c

 

Naast de APV‑motieven geldt het omgevingsplan als zelfstandige toets: bij elke aanvraag moet worden bekeken of de standplaats past binnen de planregels.

 

Artikel 5:18c Overgangsrecht

 

Dit artikel voorkomt dat houders van een standplaatsvergunning door inwerkingtreding van de nieuwe APV hun vergunning kwijtraken, totdat het college besluit deze te wijzigen of in te trekken.

 

Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende

 

Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die zonder vergunning een standplaats inneemt, maar ook tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.

 

Artikel 5:22 Definitie

 

De laatste tijd komt het in steeds meer plaatsen voor dat particulieren markten organiseren in grote (doorgaans leegstaande) gebouwen. Hoofdzakelijk worden daar ‘ongeregelde’ zaken verkocht. Bij ‘ongeregelde’ zaken kan met name worden gedacht aan incourante goederen, dat wil zeggen goederen, die in de regel niet meer langs normale handelskanalen het publiek bereiken, zoals bij voorbeeld beschadigde artikelen, artikelen die uit de mode zijn, restanten en zaken van een te liquideren onderneming.

 

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt

 

De aard van de goederen en de omstandigheden rondom een snuffelmarkt kunnen een uitstralende werking hebben buiten het gebouw. Het houden van een snuffelmarkt is dan ook verboden als de openbare orde dreigt te worden aangetast en overlast (milieu in de zin van de Dienstenrichtlijn) te verwachten is. In het belang van deze motieven kan een vergunningplicht worden gehanteerd. Gaat het om grote snuffelmarkten die regelmatig gehouden worden met gevaar voor aantasting van de openbare orde en overlast, dan doet de gemeente er verstandig aan om een vergunningstelsel te hebben. Er is dan voldaan aan het noodzaak- en proportionaliteitsvereiste. Op grond van dezelfde motieven kan het aantal snuffelmarkten worden beperkt.

 

Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken

 

Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

 

Dit artikel heeft een aanvullend karakter naast andere wetgeving; voor waterveiligheid bestaan ook strafrechtelijke bepalingen, maar de APV kan aanvullende regels stellen voor hinderlijke/gevaarlijke voorwerpen.

 

Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen

 

Eerste en tweede lid

 

Uitgangspunt van de APV-bepalingen over ligplaatsen is dat het in beginsel is toegestaan met een vaartuig een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen binnen de gemeente, tenzij de plaats deel uitmaakt van door het college aangewezen openbaar water (eerste lid). Er geldt slechts een verbod om een ligplaats in te nemen in strijd met de nadere regels van het college op grond van het tweede lid, onder a (delegatie van regelgeving door de raad op grond van artikel 156 van de Gemeentewet). Krachtens het tweede lid, onder b, van artikel 5:25 heeft het college ook de mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal gelimiteerd worden.

 

Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om bijvoorbeeld aan vaartuigen die gedurende langere tijd een ligplaats willen innemen of hebben, eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn.

 

Vierde lid

 

Naast de algemene regels die krachtens het tweede lid kunnen worden uitgevaardigd, kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een individuele eigenaar van een vaartuig nog nadere aanwijzingen te geven. Het vierde lid biedt daarvoor de grondslag.

 

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken

 

De APV-bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeenten.

 

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen

 

Verbiedt misbruik/onklaar maken van reddingsmiddelen, zodat ze beschikbaar blijven voor noodsituaties.

 

Artikel 5:30 Veiligheid op het water

 

Aanvulling op het BPR: dat richt zich op schippers, terwijl dit artikel breder ziet op veiligheidssituaties op/aan openbaar water

 

Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

 

Artikel 5:32 Crossterreinen

 

Het college kan regels stellen voor crossterreinen, zoals dagen/uren, leden, veiligheidsnormen, verzekering, minimumleeftijd en toezicht. De toelichting noemt ook aansluiting bij aanwijzingen van KNAC/KNMV/MON.

 

Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden

 

Richt zich op klachten over motorcrossen (geluid, schade flora/fauna, verstoring wild) en ook op ruiters en (mountain)bikers die paden verlaten. Hoofdregel is een algeheel verbod voor motorvoertuigen, (e-)(brom)fietsen, (e-)steps en paarden in natuurgebieden; het college kan uitzonderingsgebieden aanwijzen en gebruiksregels stellen.

 

Afdeling 8. Vuurverbod

 

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

 

Artikel 5:34, tweede lid, biedt de mogelijkheid om – naast de ontheffing op grond van de Wm – een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van openbare orde en veiligheid worden geregeld. Er ligt dus een ander motief ten grondslag aan de APV dan aan de Wm. Tevens wordt het college de mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. De weigeringsgronden worden genoemd in het vierde lid.

 

In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het eerste lid. Hierbij zijn de volgende punten van belang. In de eerste plaats valt verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor koken, bakken en braden, niet onder het nieuwe regime van de Wm. Er is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven. De aanhef van het tweede lid biedt dus een handvat om handhavend op te treden.

 

De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Het eerste lid regelt namelijk het aanleggen, stoken of het hebben van vuur, maar in de genoemde uitzonderingsgevallen is er geen sprake van het verbranden van afvalstoffen. De gemeentelijke wetgever regelt dus een bepaalde materie (verbranden) vanuit eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het voorkomen van overlast of hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die niet of nog niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen).

 

Afdeling 9. Asverstrooiing

 

Artikel 5:35 Definitie

 

Sluit aan bij de Wet op de lijkbezorging: verstrooiing kan op een permanent bestemd terrein (crematorium/plaats van bijzetting) of op open zee.

 

Artikel 5:36 Verboden plaatsen

 

Variant 1

 

Asverstrooiing is met name ongewenst op verharde delen (stoep/straat/plein) waar as niet in de bodem kan worden opgenomen en kan verwaaien. De begraafplaats wordt expliciet genoemd als locatie waar incidentele verstrooiing beheerproblemen kan geven.

 

Vierde lid

 

Omdat dit soort ontheffingen zeldzaam zijn en vaak emotioneel beladen, is snelle besluitvorming wenselijk; daarom is de lex silencio positivo van toepassing.

 

Artikel 5:37 Hinder of overlast

 

Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as die na de activiteit wordt achtergelaten.

 

Voorbeelden zijn verstrooiing bij wind richting publiek, of verstrooiing vanaf een gebouw/balkon. Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de lijkbezorging af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen hinder oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing.

 

Hoofdstuk 6. Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 6:1 Sanctiebepaling

 

Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Artikel 6:1, eerste en tweede lid, regelt dat het niet-naleven van de in de APV genoemde voorschriften of beperkingen die aan een vergunning of een ontheffing zijn verbonden een strafbaar feit oplevert.

 

Artikel 6:2 Toezichthouders

 

Dit artikel wijst toezichthouders aan. Toezicht is geregeld in hoofdstuk 5 Awb; toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met toezicht (art. 5:11 Awb). Door aanwijzing in de APV kunnen zij de bestuursrechtelijke toezichtbevoegdheden uit de Awb inzetten. Politieambtenaren zijn niet “automatisch” toezichthouder op grond van de Politiewet 2012. Zij zijn alleen toezichthouder als zij bij of krachtens een bijzondere wet als zodanig zijn aangewezen. De algemene taakomschrijving van de politie is daarvoor onvoldoende.

 

Artikel 6:3 Binnentreden woningen

 

Algemeen

 

Toezichthouders mogen op grond van art. 5:15 Awb plaatsen betreden, maar woningen genieten extra bescherming: zonder toestemming van de bewoner is binnentreden niet toegestaan, vanwege het huisrecht (art. 12 Grondwet).

 

Wettelijke grondslag bevoegdheid

 

Het toekennen van de bevoegdheid om zonder toestemming een woning binnen te treden én het aanwijzen van personen die dit mogen, moet bij of krachtens de wet gebeuren. Artikel 149a Gemeentewet biedt de raad de mogelijkheid om bij verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder toestemming, voor zover dat nodig is voor handhaving van openbare orde/veiligheid of bescherming van leven/gezondheid. Dit artikel maakt van die bevoegdheid gebruik. Voor sommige APV‑situaties kan de binnentredingsbevoegdheid ook rechtstreeks uit een bijzondere wet volgen; dit artikel is dan aanvullend waar die bijzondere wet niet voorziet.

 

Artikel 6:5 Overgangsbepaling

 

De overgangsbepaling regelt of bestaande vergunningen, ontheffingen e.d. hun rechtskracht behouden na inwerkingtreding van de nieuwe APV. Dit voorkomt dat bestaande rechtsposities “wegvallen” door een nieuwe verordening. Aanvragen die nog lopen en zijn ingediend onder de oude APV, worden beoordeeld volgens de nieuwe APV (toetsing ex nunc), conform de Awb‑systematiek.

 

Op bezwaren tegen besluiten die onder het oude recht zijn genomen, wordt beslist onder de nieuwe APV, met één belangrijke waarborg: de bezwaarde mag door bezwaar niet in een slechtere positie komen dan onder het oude recht (verbod van reformatio in peius).

Naar boven