Gemeenteblad van Hendrik-Ido-Ambacht
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hendrik-Ido-Ambacht | Gemeenteblad 2026, 333977 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hendrik-Ido-Ambacht | Gemeenteblad 2026, 333977 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Algemene plaatselijke verordening 2026
Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning
Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.
Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, niet zijnde een seksinrichting als bedoeld in artikel 3:1, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet dranken, rookwaren of spijzen voor gebruik ter plaatse worden verstrekt. Onder een inrichting wordt in ieder geval verstaan: een restaurant, café, waterpijp café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, kantine of clubhuis. Onder inrichting wordt tevens verstaan een hierbij behorend terras en andere aanhorigheden;
Artikel 2:28 Exploitatievergunning inrichting
Het eerste lid geldt niet voor:
bedrijfskantines en inrichtingen in zorginstellingen, musea, scholen, uitvaartcentra en kerken, voor zover aan de exploitatie van die inrichtingen geen zelfstandige betekenis toekomt en deze uitsluitend gericht is op de bezoekers/gebruikers van de instelling waar de inrichting onderdeel van uitmaakt.
Artikel 2:28e Weigeringsgronden
Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal zijn gelegen; de aard van de inrichting; de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie en de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant en/of leidinggevenden in deze of in andere inrichtingen, alsmede hun antecedenten.
Artikel 2:28g Intrekkingsgronden
In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken of wijzigen als:
aannemelijk is dat de exploitant en/of leidinggevenden betrokken zijn, of hen ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
zich in of vanuit de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het (ongewijzigd) geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor de exploitant handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
Dit verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:50b Verbod speelgoed- en nepwapen
Het is verboden op een weg of een openbare plaats die deel uit maakt van een door de burgemeester tijdelijk aangewezen gebied, een of meer speelgoed- of nepwapens te vervoeren of bij zich te hebben wanneer daardoor gevaar dreigt voor de openbare orde of veiligheid.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen
Het is verboden op een openbare plaats een (elektrische) fiets, (elektrische) step of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke
Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of een bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
Ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid is het verboden op door het college aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
Afdeling 9. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register. Het Digitaal Opkopersregister (DOR) geldt hierbij in ieder geval als een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register. In het register vermeldt de handelaar onverwijld:
Afdeling 10. Consumentenvuurwerk
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door de burgemeester aangewezen groepen van personen op een door de burgemeester aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:26. 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73, 2:74, 2:74a en 5:34 van de vigerende Algemene plaatselijke verordening groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Dit geldt ook voor de in het aangewezen gebied gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod als bedoeld in dat lid is gegeven en die binnen zes maanden na eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
Artikel 2:80 Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen
De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn besluit op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf, het perceel of perceelsgedeelte of de ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.
Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt:
bij een aanvraag om een vergunning wordt naast het aanvraagformulier ook een bedrijfsplan overlegd, waarin in ieder geval staat beschreven welke bedrijfsmatige activiteiten worden ontplooid, op welke wijze de bedrijfsactiviteiten worden gefinancierd en op welke wijze wordt voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord, het woon- en leefklimaat wordt aangetast of er anderszins ondermijning wordt veroorzaakt.
Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met het verbod uit het tweede lid van deze bepaling wordt uitgeoefend of als een van de situaties als bedoeld in het zesde lid, sub a tot en met k, van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. .
De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning als het bedrijf aan de vereisten voldoet.
In afwijking van het tweede lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.
Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf
Artikel 3:4 Concentratie seksinrichtingen
Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard.
Artikel 3:5 Beperking aantal vergunningen voor seksinrichtingen
Het bevoegde bestuursorgaan kan een maximum stellen aan het totaal aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend.
Een vergunning wordt geweigerd als:
er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostitué(e)s betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:
voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;
Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden
De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.
Artikel 3:11 Verlenging vergunning
Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:5, 3:6 tot en met 3:8 en 3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden.
Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf
Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:
Paragraaf 3.2 Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostitué(e)s
De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.
Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf
Artikel 3:19 Straatprostitutie
Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, zich op te houden met het kennelijke doel prostitutie of het verrichten van seksuele handelingen in het kader van prostitutie.
Artikel 3:20 Handhaving straatprostitutie
Een politieambtenaar of toezichthouder kan een persoon die zich op een krachtens artikel 3:19, tweede lid, aangewezen weg bevindt, in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, het voorkomen of beperken van overlast, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid van prostitué(e)s of klanten bevelen zich onmiddellijk in een door hem aangegeven richting te verwijderen.
Afdeling 4. Overige bepalingen
Artikel 3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.
Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting
In deze afdeling wordt verstaan onder:
inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten
Het is een inrichting toegestaan op maximaal vijf dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal vijf dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
Artikel 4:5 Onversterkte muziek
Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:
de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet
Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Het is verboden gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte.
Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen
Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats de natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen
Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.
Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen
In dit artikel wordt onder een (wens)ballon verstaan: een ballon die door middel van hete lucht afkomstig van vuur dan wel door middel van helium of andere gassen in de lucht wordt gebracht en mede door de wind door de lucht wordt verplaatst. Hieronder wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, geluksballon of een andere daarmee vergelijkbare ballon.
Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden
Artikel 4:12 Herplant-/instandhoudingsplicht
Als een beschermde houtopstand, waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.
Als een beschermde houtopstand, waarop het verbod tot vellen van toepassing is, in het voortbestaan ernstig worden bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:
Artikel 4:12a Bestrijding van boomziekten
Als zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, als hij daartoe door burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:
Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:
Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen
In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod
Artikel 5:4 Defecte voertuigen
Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving
Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet, dit voor zover dit niet tot overlast of hinder leidt;
Artikel 5:18a Nadere regels standplaatsvergunning
In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:4 kan het college nadere regels stellen ter zake van de vergunning zoals bedoeld in artikel 5:18 eerste lid en over het gebruik van de standplaats.
Artikel 5:18b Weigeringsgronden
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:
Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende
Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college een standplaats wordt of is ingenomen.
Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken
Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.
Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken
Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.
Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.
Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Hoofdstuk 6. Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 6:3 Binnentreden woningen
Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
Aldus vastgesteld door de raad van gemeente Hendrik-Ido-Ambacht in de openbare vergadering van 6 juli 2026.
De griffier,
J.G. Honcoop-van der Wulp
De voorzitter,
P. van der Giessen
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
In dit artikel worden begrippen uitgelegd die op verschillende plekken in de APV terugkomen. In veel gevallen sluit de APV aan bij landelijke wetgeving, zodat de uitleg van de begrippen eenduidig en actueel blijven. Over enkele definities is het volgende te zeggen.
Hier wordt aangesloten bij de Omgevingswet. Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat aanvragen behandelt en toezicht houdt. Wanneer wordt gesproken van een bevoegd bestuursorgaan, wordt specifiek het college of de burgemeester bedoeld.
De APV volgt de definities uit de Omgevingswet. Zo hoeft niet steeds te worden vastgesteld wat een bouwwerk of gebouw is.
Hiermee wordt specifiek commerciële reclame bedoeld. Met reclame wordt bedoeld ‘iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten’. Handelsreclame valt niet onder vrijheid van meningsuiting zoals bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, en dus kan hiervoor een vergunningsplicht gelden.
Hiermee wordt bedoeld water dat feitelijk voor iedereen toegankelijk is.
Hierbij wordt aangesloten bij de Wet openbare manifestaties (hierna: Wom). Het moet gaan om een plaats die krachtens bestemming of gebruik openstaat voor publiek. Voorbeelden zijn openbare wegen, plantsoenen, parken, en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages. Er dient in ieder geval geen sprake te zijn van een ‘beperking’ om een plaats te betreden, zoals het moeten betalen voor toegang. Ook moet de plaats niet gebonden zijn aan een bepaald doel. Om deze reden zijn bijvoorbeeld het openbare zwembad, kerken, restaurants en de hal van het gemeentehuis geen openbare plaats.
Hier wordt de definitie gevolgd uit het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Parkeren is het laten stilstaan van een voertuig voor langere tijd dan wat nodig is voor het onmiddellijk in- of uitstappen of laden en lossen.
Hier wordt aangesloten bij het RVV 1990. Voertuigen zijn fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Kleine wagens als kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen vallen niet onder deze definitie, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen.
Hierbij wordt de definitie uit de Wegenverkeerswet1994 gevolgd. Het gaat om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Hiertoe behoren ook trottoirs, voetpaden, voetgangersgebieden, rijwielpaden en parkeerplaatsen of -terreinen.
De APV hanteert een beslistermijn van acht weken, wat aansluit bij de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit is voor de meeste aanvragen voldoende. Complexere aanvragen, waarbij meerdere adviezen moeten worden ingenomen, kunnen éénmaal met acht weken worden verlengd.
Voor omgevingsvergunningen gelden de termijnen uit de Omgevingswet zelf.
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden, voor zover deze nodig zijn voor het belang waarvoor de vergunning is ingesteld.
Niet naleving van voorschriften kan leiden tot wijziging of intrekking van de vergunning (zie artikel 1:6).
Omdat niet naleving als verplichting is geformuleerd, kan zowel bestuursdwang als straf (artikel 6:1) worden toegepast.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als deze alleen of vooral is verleend vanwege de kwalificaties of eigenschappen van de aanvrager, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag. De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de Alcoholwetvergunning. In de Alcoholwet staat dat iemand voor het krijgen van een vergunning bepaalde diploma’s moet hebben gehaald. Ook de standplaatsvergunning is persoonsgebonden, omdat ambulante handel een persoonlijk karakter heeft en de standplaatsvergunning schaars is.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
In dit artikel staat de bevoegdheid om in bepaalde gevallen een vergunning te wijzigen of in te trekken. Het is een “kan”-bepaling, wat betekent dat altijd een belangenafweging moet worden gemaakt. Als een bestuursorgaan een vergunning of ontheffing wil intrekken of wijzigen, moet de belanghebbende altijd de gelegenheid krijgen een zienswijze te geven (artikel 4:9 Awb).
Een vergunning of ontheffing geldt in beginsel voor onbepaalde tijd, tenzij:
de tijdsbeperking noodzakelijk is om dwingende redenen van algemeen belang: dit zijn onder andere de openbare veiligheid en het milieu, maar sommige vergunningen lenen zich naar hun aard ook alleen voor verlening voor bepaalde tijd (bijvoorbeeld een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling,
Dit artikel bevat de algemene gronden om een vergunning te weigeren, zoals bescherming van openbare orde, veiligheid, gezondheid, leefomgeving en milieu.
Als een aanvraag zó laat wordt ingediend dat een zorgvuldige beoordeling niet meer mogelijk is vóór de aangevraagde datum, kan deze worden geweigerd. Dit voorkomt onuitvoerbare beoordelingen en geeft duidelijkheid aan de aanvrager.
Hoofdstuk 2: Openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Deze afdeling bevat bepalingen die noodzakelijk zijn om de openbare orde op openbare plaatsen te waarborgen en om het gebruik van de openbare ruimte te reguleren. De gemeente moet kunnen optreden wanneer gedragingen leiden tot verstoring van de openbare orde of onveilige situaties.
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
Het verbod op samenscholing is gebaseerd op artikel 186 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr). Binnen het bestuursrecht heeft de burgemeester vanuit artikel 172 Gemeentewet de bevoegdheid gekregen een samenscholingsverbod in te stellen en hierop te handhaven.
Samenscholing houdt in dat een groep personen bij elkaar komen en de openbare orde verstoren of dreigen te verstoren. Onder dit gedrag valt ook geluidsoverlast, intimidatie, vervuiling en vernieling. Het verbod ziet dus echt op overlastsituaties of dreiging daarvan, en niet op het slechts bij elkaar staan van een groep mensen. Het is een zwaar middel om als burgemeester in te zetten, waarvoor afstemming nodig is met het Openbaar Ministerie en de politie. Een goede dossiervorming is daarom belangrijk. Dit kan bestaan uit bijvoorbeeld meldingen vanuit de omgeving en bestuurlijke rapportages vanuit de politie.
Het inzetten van een samenscholingsverbod moet proportioneel en subsidiair zijn. Het verbod moet dus evenredig zijn tot het doel (het terugdringen en voorkomen van overlast), en voor het inzetten van het samenscholingsverbod moeten andere, lichtere maatregelen zijn getroffen die niet het gewenste effect hebben gehad. Bovendien mag de maatregel niet langer duren dan nodig wordt geacht.
Gezien het zware karakter van de maatregel is het belangrijk dat kaders worden gevormd om zowel aan de gemeenteraad als inwoners duidelijk te maken in welke situaties het samenscholingsverbod kan worden ingezet, wat het verbod inhoudt, hoe lang het duurt, en wanneer de duur van het verbod mag worden verlengd. Na vaststelling van deze APV zal daarom gewerkt worden aan het vaststellen van beleidsregels.
Een bevel van een politieambtenaar om zich te verwijderen moet worden opgevolgd. Dit is noodzakelijk om in te kunnen grijpen bij (dreigende) ongeregeldheden of het belemmeren van hulpdiensten. Niet naleving is strafbaar via artikel 6:1 van deze APV.
Samenscholingen die zijn aan te merken als betoging of religieuze of levensbeschouwelijke samenkomst vallen onder de Wom en zijn daarom uitgezonderd van dit artikel.
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
Dit artikel sluit aan bij de Wom, welke een landelijk uniform kader biedt voor betogingen, vergaderingen en religieuze samenkomsten op openbare plaatsen. Het doel is niet om deze grondrechten te beperken, maar om de betogingen in goede banen te leiden.
Er is sprake van een betoging als er een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en erop uit is een mening uit te dragen.
In de Wom wordt de gemeenteraad vrijgelaten in het stellen van regels over het tijdstip van de kennisgeving voor een betoging of manifestatie. Wel gaat de wetgever uit van een zo kort mogelijke termijn, zoals 24 of 48 uur. Veel van de Nederlandse gemeenten heeft een kennisgevingstermijn van 48 uur. Ook internationaalrechtelijke organisaties bevelen aan een niet te lange kennisgevingstermijn te hanteren. Een termijn van 48 uren wordt genoemd als een redelijke termijn. Om deze reden is in Hendrik-Ido-Ambacht ook gekozen voor een kennisgevingstermijn van 48 uur, zodat vanuit de gemeentelijke organisatie voldoende tijd overblijft om eventuele voorbereidingen te treffen.
De Algemene termijnenwet is buiten toepassing verklaard om te voorkomen dat kennisgevingen die in het weekend of na 12.00 uur worden gedaan tot administratieve knelpunten leiden.
Te strikt vasthouden aan de kennisgevingstermijn verhoudt zich slecht tot de grondwettelijk en verdragsrechtelijk beschermde betogingsvrijheid. De burgemeester kan daarom in bijzondere omstandigheden – bijvoorbeeld bij spontane manifestaties – afwijken van de kennisgevingstermijn.
Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
Folderen en flyeren in het openbaar is toegestaan, tenzij het college bepaalde locaties, of specifieke dagen en tijden, heeft aangewezen waar dit verboden is, bijvoorbeeld omdat dit overlastgevend zal zijn. Deze bevoegdheid is gebaseerd op artikel 160, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet. Het verbod mag echter niet zo ver gaan dat de vrijheid van meningsuiting wordt beperkt.
Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen
De activiteiten die in dit artikel genoemd worden, worden in artikel 2:24, eerste lid, onder f uitgezonderd van de definitie van evenementen.
Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of een openbare plaats
Dit artikel geeft de gemeente de mogelijkheid op te treden tegen voorwerpen op de weg die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Hierbij kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden, containers of fietsparkeervoorzieningen.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Dit artikel voorkomt dat wegen in de gemeente beschadigd raken en zo minder bruikbaar of veilig zijn. Ook ziet het op het beschermen van objecten die onder de weg liggen, zoals leidingen en kabels.
In het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg
Het aanleggen of wijzigen van een uitweg is vergunningplichtig via de Omgevingswet. Deze bepaling blijft in de APV staan totdat deze is overgebracht naar het omgevingsplan.
Dit artikel bestrijdt het ‘zwerfkarrenprobleem’ door winkeleigenaren te verplichten achtergelaten winkelwagentjes te verwijderen en van een herkenningsteken te voorzien. Sinds niet elke winkel meer gebruik maakt van het systeem dat een kar alleen gebruikt kan worden met een muntje, komen er weer veel meldingen binnen van achtergelaten winkelwagentjes op de parkeerplaats. Om de verantwoordelijkheid niet alleen bij de winkeleigenaren te leggen, wordt ook een verbodsartikel toegevoegd voor de consument die zijn winkelwagentje achterlaat.
Belangrijk om hierbij op te merken is dat dit artikel een ‘instrument’ is tegen overlast en dus alleen wordt gebruikt als handhaving nodig is. Handhavers kunnen met dit artikel een verantwoordelijkheid opleggen aan zowel winkeliers als winkelpubliek om de openbare ruimte netjes te houden en hen nodig aanspreken wanneer sprake is van structurele overlast.
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Dit artikel is in een eerdere APV-wijziging geschrapt en is in de herziening in 2026 teruggebracht. Dit naar aanleiding van een toename van meldingen over bomen en beplanting die het uitzicht belemmeren en zo gevaarlijke situaties creëren in het verkeer. Binnen het verkeer moet niet alleen worden gedacht aan fietsers of bestuurders van motorvoertuigen, maar ook een verminderd uitzicht voor bijvoorbeeld overstekende voetgangers. Op grond van dit artikel kan het college een last onder bestuursdwang gebruiken om de bomen of beplanting te laten verwijderen of te snoeien.
In dit artikel is er voor gekozen ieder voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak als evenement te beschouwen, op enkele uitzonderingen na die in het eerste lid worden opgesomd. In veel gevallen gaat het om activiteiten die op andere plekken in de APV een eigen bepaling hebben of in landelijke wetgeving uitgewerkt zijn.
Dit lid noemt activiteiten die wél worden beschouwd als evenementen.
Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt dit als evenement genoemd.
Een braderie is van korte duur en komt met bepaalde regelmaat terug. Om die reden kan de activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden beschouwd. Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement.
Het houden van optochten, zoals Sinterklaasoptochten, die niet bedoeld zijn voor het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, vallen niet onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting.
Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een evenement. Besloten feesten vakken niet onder de reikwijdte van het artikel. Belangrijk is om vast te stellen wanneer sprake is van een “besloten feest”. Dit kan enigszins afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval, maar vooral dient te worden gekeken of van tevoren al vaststaat wie op het feest aanwezig zullen zijn. In geval van een bedrijfsfeest waar wordt gewerkt met een lijst van uitgenodigde gasten, is er sprake van een besloten feest. Een feest met een besloten karakter – dus geen vrije toegang – maar waarvoor wordt geadverteerd en toegang mogelijk is door de aankoop van een toegangskaart, is geen besloten feest,
Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist. Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 zijn op grond van artikel 10, eerste lid, van de WVW 1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148 van de WVW 1994 bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend.
Op grond van artikel 2:25 geldt voor andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een vergunningplicht. Dit zijn bijvoorbeeld ‘vossenjachten’, droppings en dergelijke.
Een straatfeest en een buurtbarbecue vallen ook onder het begrip evenement. Wanneer aan de voorwaarden van het derde lid wordt voldaan, kan gesproken worden van een klein evenement en is geen vergunning vereist. Hiervoor geldt wel een meldingsplicht (zie artikel 2:25).
Voor het organiseren van kleine eendaagse evenementen zoals het straatfeest of de buurtbarbecue is om administratieve lasten te verminderen gekozen voor een meldingsplicht. In het derde lid is een klein evenement daarom gedefinieerd. Er moet aan alle voorwaarden worden voldaan.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning
Voor middelgrote en grote evenementen is een vergunning noodzakelijk vanwege risico’s voor openbare orde, veiligheid, gezondheid, verkeersdoorstroming en milieu. Een melding volstaat bij kleine, vooraf afgebakende activiteiten.
Voor kleine evenementen volstaat een meldingsplicht. Het blijft verboden om zonder melding zo’n evenement zoals het straatfeest of de buurtbarbecue te houden, zodat de gemeente kan optreden als zonder deze melding een klein evenement wordt georganiseerd.
Er kan aanleiding zijn om het organiseren van een klein evenement te verbieden. Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
Voor wedstrijden met voertuigen op of aan de weg is in de WVW 1994 een regeling getroffen. Daarom zijn deze in dit lid uitgezonderd. Op grond van artikel 10 van de WVW 1994 is een wedstrijd met voertuigen verboden, tenzij daarvoor ontheffing is verleend op grond van artikel 148 van de WVW 1994. Als de wegen waarvoor ontheffing wordt gevraagd alle in één gemeente liggen, is het college bevoegd om de ontheffing te verlenen.
Door de meldingsplicht voor kleine evenementen niet van toepassing te verklaren op daartoe aangewezen categorieën full-contact vechtsportwedstrijden of -gala’s, geldt voor deze evenementen altijd een vergunningplicht op grond van het eerste lid. Aanvragers moeten aan verschillende voorwaarden voldoen, zoals voor VIP-tafels, alcoholschenking, leeftijdsgrenzen en toezicht van een erkende bond (zijnde de FOG, sectie Ringcontactsporten). Ook is het mogelijk om vergunningaanvragen te onderwerpen aan een Bibob-toets, waarbij screening plaatsvindt van de organisatie, financiering en zakenrelaties.
De organisator van of aanvrager van een vergunning voor een full-contact vechtsportevenement is verantwoordelijk voor een goede gang van zaken tijdens het evenement en voor een ordelijk verloop ervan, zowel in het gebouw als in de directe omgeving daarvan. De voorwaarde over het levensgedrag wordt gesteld om te kunnen toetsen of de organisator of de aanvrager van de vergunning op grond van zijn levensgedrag kan worden geacht aan deze verantwoordelijkheid te voldoen. De voorwaarde ziet alleen op de organisator(en) of de aanvrager van de vergunning, dat wil zeggen degene voor wiens rekening en risico het evenement wordt georganiseerd.
Informatiebron voor de burgemeester kunnen politie- of strafvorderlijke gegevens zijn. Op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet politiegegevens kan de politie aan de burgemeester politiegegevens verstrekken voor zover hij deze behoeft in het kader van de handhaving van de openbare orde. En op grond van artikel 39f, eerste lid, onder b en d, en tweede lid, onder a, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens kan het college van procureur-generaals aan de burgemeester strafvorderlijke gegevens verstrekken voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang in het kader van het handhaven van de orde en veiligheid en het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing. De burgemeester weigert de vergunning als de levensgedragtoets negatief uitvalt.
Kleinere evenementen zijn al vergunningsvrij. Deze vergunning ziet op grotere evenementen en full-contact vechtsportevenementen. Daarbij is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. van de Awb wordt derhalve van toepassing uitgezonderd.
Artikel 2:25a Voetbalwedstrijden 3e divisie en hoger
Dit artikel is een aanvulling op artikel 2:25 en geldt voor alle voetbalclubs binnen Hendrik-Ido-Ambacht. Voetbalwedstrijden in deze competitie kunnen een risico vormen voor verstoring van de openbare orde en veiligheid. Wanneer de vergunning wordt verleend, is dit een doorlopende vergunning. Soms worden buiten de competitie wedstrijden georganiseerd tegen betaald voetbalclubs als voorbereiding op de competitie, voor benefietredenen of jubilea. In deze gevallen geldt een meldingsplicht.
Dit artikel richt zich op bezoekers van evenementen en verbiedt gedragingen die de orde verstoren. De bepaling biedt een aanvullende grondslag naast strafrechtelijke bepalingen.
Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Dit artikel bevat definities die specifiek zijn voor deze afdeling. Het doel is de reikwijdte van de bepalingen duidelijk af te bakenen en interpretatieverschillen te voorkomen.
Wat betreft de definitie van een inrichting kan nog worden opgemerkt dat een afhaalzaak hier niet onder valt. Er worden hier etenswaren verkocht die direct voor consumptie geschikt zijn, maar deze kunnen niet ter plekke worden geconsumeerd. Het gaat hier om onder meer pizzabakkers, sushi- of shoarmazaken die alleen maaltijden op bestelling thuis afleveren of waar de maaltijden kunnen worden afgehaald. Dit type bedrijven vallen onder de Winkeltijdenwet en de lokale Winkeltijdenverordening. Voor deze zaken is dus geen horeca-exploitatievergunning nodig. Wel is het afhankelijk van de lokale Winkeltijdenverordening of ze op zon- en feestdagen open kunnen zijn en of ze op doordeweekse dagen om 22.00 uur moeten sluiten.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichtingen
De exploitatievergunning wordt verleend door de burgemeester. Dat volgt uit artikel 174 Gemeentewet: de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover die zien op toezicht op voor het publiek openstaande gebouwen.
Voor een aantal kleinschalige openbare inrichtingen waar geen alcohol wordt geschonken en waar de openbare orde evident niet in het geding is, is geen vergunning vereist (bijv. tearooms, ontbijthoekjes, ijssalons, bedrijfskantines/-restaurants). Dit voorkomt onnodige regeldruk bij lichte horecavormen.
De lex silencio positivo is uitgesloten wegens dwingende redenen van algemeen belang. Het is onwenselijk dat (met name) horeca-inrichtingen of vrijstellingen zonder inhoudelijke toets “van rechtswege” kunnen ontstaan, gezien belangen als openbare orde en milieu.
Artikel 2:28b Inhoud exploitatievergunning en aanhangsel vergunning
Dit artikel regelt dat de vergunning en het aanhangsel afzonderlijk worden afgegeven. Hierdoor kan bij wijziging van een leidinggevende alleen het aanhangsel worden aangepast, zonder de hele vergunning opnieuw te moeten vervangen.
Artikel 2:28d Wijziging aanhangsel exploitatievergunning
Dit artikel maakt het mogelijk dat bij een wijziging van een leidinggevende slechts een aanvraag wordt gedaan voor wijziging van het aanhangsel. Daarmee wordt voorkomen dat de volledige vergunning opnieuw moet worden verleend, met bijbehorende bezwaar- en beroepsmogelijkheden over de hele vergunning.
Artikel 2:28e Weigeringsgronden
Als het omgevingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat, ligt het niet voor de hand om wel een exploitatievergunning te verlenen. Er kan immers toch geen gebruik van worden gemaakt wegens strijd met het omgevingsplan. Strijd met het omgevingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Dit betekent dat de burgemeester hier niet van kan afwijken. Hij heeft wel beoordelingsruimte in het toetsen aan het omgevingsplan.
Omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 voor de horeca ruim zijn geformuleerd, is onder a bepaald dat het om de openbare orde gaat en om het woon- en leefklimaat. Ook is slecht levensgedrag van de exploitant of leidinggevende een weigeringsgrond.
Dit artikel bevat de sluitingsregeling, met onderscheid tussen werkdagen en weekeinde. Grondslag is artikel 149 Gemeentewet. De sluitingsregeling ziet op de gedeelten waar de horecawerkzaamheden plaatsvinden; een terras op trottoir hoort bij de inrichting, een bovenwoning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten en verenigingsgebouwen kunnen als inrichting gelden.
Bij winkels met een horecagedeelte geldt voor de horeca dezelfde sluitingstijd als voor de winkel, om te voorkomen dat horeca-activiteiten na winkelsluiting worden voortgezet. Anders zou er geen sprake meer zijn van horeca die ondergeschikt is aan de overige bedrijfsvoering.
Een inrichting kan daarnaast vergunningplichtig zijn op grond van milieuregelgeving (zoals Wet milieubeheer/Activiteitenbesluit). Via die kaders kunnen ook voorschriften worden gesteld ter voorkoming van indirecte gevolgen van de inrichting.
Hoewel het vaak om een overzichtelijk besluit gaat, is een stilzwijgende ontheffing onwenselijk voor omwonenden en andere ondernemers. Daarom is de lex silencio positivo uitgesloten.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting
Op grond van artikel 174 Gemeentewet kan de burgemeester tijdelijk afwijkende sluitingsuren opleggen of tijdelijk sluiten, in het belang van openbare orde, veiligheid of gezondheid, of wegens bijzondere omstandigheden (zoals feestdagen). De bevoegdheid kan gelden voor één inrichting, meerdere of zelfs alle horecabedrijven, maar is steeds tijdelijk van aard.
Om strijd met de Opiumwet te voorkomen, is het tweede lid toegevoegd.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen
Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren. Het verbod richt zich primair op de bezoekers van het horecabedrijf.
Ook dit verbod richt zich tot (potentiële) bezoekers. Wie met toestemming van de exploitant binnen is terwijl de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt dit artikel. Zonder toestemming kan ook sprake zijn van lokaalvredebreuk (art. 138 WvSr). In de exploitatievergunning wordt overigens ook als voorschrift opgenomen dat de exploitant na sluitingstijd geen bezoekers meer in de inrichting aanwezig mag hebben.
Het gestelde onder c richt zich tot de exploitant.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen
Dit artikel ziet op het tegengaan van (met name) heling in horeca. In sommige cafés wordt gestolen goed verhandeld. Het artikel sluit aan bij het verbod op kleinhandel in art. 14 Alcoholwet (dat vooral verkoophandelingen betreft), maar is breder opgezet voor de exploitant. Omdat het verbod zich richt op de exploitant (en niet op de handelaar), is het gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet; de strafsanctie volgt uit artikel 154 Gemeentewet
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
Het begrip ‘openbare inrichting’ (art. 2:27) kan ook zien op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn (bijv. besloten sociëteiten/verenigingen). In die gevallen is gelet op artikel 174 Gemeentewet niet de burgemeester maar het college bevoegd. De tekst is daarop in overeenstemming gebracht.
Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Deze afdeling is niet opgenomen in de APV, omdat de raad hiervoor een aparte verordening heeft vastgesteld.
Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Het begrip inrichting sluit aan bij artikel 438 Wetboek van Strafrecht. Het gaat om het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan personen en om het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van een terrein voor nachtverblijf of het plaatsen van kampeermiddelen en dergelijke.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie
Dit artikel beoogt dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezige nachtverblijf- en kampeerinrichtingen. De kennisgeving ondersteunt toezicht en maakt het mogelijk sneller te handelen bij signalen of incidenten.
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
Op grond van artikel 438 Wetboek van Strafrecht is een ondernemer die een hotel of pension drijft verplicht een nachtregister bij te houden. Dit APV-artikel sluit daarop aan door de gast te verplichten mee te werken en de benodigde gegevens te verstrekken. Bij het opvragen van gegevens wordt aangesloten bij het uitgangspunt van de AVG: er worden alleen gegevens gevraagd die artikel 438 WvSr noemt (niet méér dan noodzakelijk).
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
In de Wet op de Kansspelen (hierna: Wok) is een uitputtende regeling neergelegd voor de kansspelen bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Deze restcategorie van speelgelegenheden voor behendigheidsspelen wordt hier bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waarop de Wok geen betrekking heeft.
In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wok zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
Artikel 2:39 Speelgelegenheden
Voor het exploiteren van een speelgelegenheid waarop de Wok niet van toepassing is, geldt een vergunningplicht. Deze vergunningplicht heeft als doel het beschermen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat. De reikwijdte is daarmee bewust beperkt tot de categorie speelgelegenheden die niet al door de Wok wordt geregeld.
Een vergunning van rechtswege is hier onwenselijk. De vergunning beoogt bescherming van met name de openbare orde, en daarnaast speelt het tegengaan van gokverslaving een rol. Daarom is paragraaf 4.1.3.3 Awb (lex silencio positivo) uitgezonderd wegens dwingende redenen van algemeen belang, zoals openbare orde en volksgezondheid.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten
Dit artikel werkt artikel 30c, tweede lid, Wok uit. De gemeenteraad stelt bij verordening vast voor hoeveel kansspelautomaten per hoog- en laagdrempelige inrichting een aanwezigheidsvergunning kan worden verleend. Voor hoogdrempelige inrichtingen geldt een maximum van twee kansspelautomaten. In laagdrempelige inrichtingen zijn ze helemaal niet toegestaan. Kansspelautomaten zijn speelautomaten die geen behendigheidsautomaat zijn (zoals een flipperkast), maar gokkasten waarbij geld kan worden gewonnen en behendigheid doorgaans geen rol speelt.
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
De burgemeester kan op grond van artikel 174a Gemeentewet woningen, niet‑publiek toegankelijke lokalen of bijbehorende erven sluiten bij (drugs)overlast. Omdat de Gemeentewet de rechtsgevolgen van de sluiting niet uitwerkt, regelt de APV het verbod om een gesloten pand te betreden (met sanctiemogelijkheid bij overtreding).
Dit lid sluit aan bij artikel 13b Opiumwet (bestuursdwang bij drugsverkoop/-aanwezigheid). Ook hier geldt dat de APV het betredingsverbod regelt om overtreding te kunnen sanctioneren.
Het derde lid voorkomt dat het verbod te absoluut is: betreden kan noodzakelijk zijn wegens dringende redenen.
Artikel 2:42 Plakken en kladden
Dit lid bevat een absoluut verbod op bekladden en bekrassen. Het gaat niet om meningsuitingen, maar om vandalisme.
Aanplakbiljetten kunnen een middel van meningsuiting zijn. Daarom verbiedt dit artikel niet “meningsuiting als zodanig”, maar beperkt het waar en hoe mag worden geplakt. Zo wordt geen ongeoorloofde inbreuk gemaakt op artikel 7 Grondwet.
Voor een beperking op plakken geldt als voorwaarde dat de gemeente voldoende plakplaatsen beschikbaar stelt. Het college kan aanplakborden aanwijzen en nadere regels stellen. Bij onvoldoende plakplaatsen kan strijd ontstaan met grondrechten (de richtlijn is 1 plakbord/-zuil per 10.000 inwoners).
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke
Dit artikel versterkt artikel 2:42 door ook het bij zich hebben van plak- en kladmaterialen onder omstandigheden aan te pakken. Het tweede lid biedt een rechtvaardigingsgrond als aannemelijk is dat de spullen niet bedoeld waren voor verboden plakken/kladden.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken.
Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen
Dit artikel verbiedt het vervoeren van voor (winkel)diefstal geprepareerde tassen of voorwerpen op of nabij winkelgebieden. Lid 2 bevat een afbakening: het verbod geldt niet als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat geen intentie bestaat om winkeldiefstal te plegen.
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
Met dit artikel kan worden opgetreden tegen onnodige hinder of overlast op openbare plaatsen. Het is een praktische aanvulling op strafrechtelijke bepalingen over baldadigheid, omdat die vaak strakker zijn geformuleerd dan wat in het dagelijks gebruik als overlast wordt ervaren.
Specifiek is een verbod opgenomen voor het klimmen op bruggen en andere kunstwerken of het hiervan afspringen in het water. In de zomer wordt vaak overlast gemeld van jongeren die vanaf bruggen het water inspringen als vorm van recreatie. Dit levert niet alleen geluidsoverlast en afval op, maar er wordt ook melding gemaakt dat de jongeren voorbijgangers lastigvallen en op steigers en tuinen van langs het water liggende woningen klimmen. Handhaving hierop is zonder artikel in de APV lastig. De politie kijkt namelijk vooral naar gevaarzetting en het waterschap kampt met capaciteitsproblemen in de handhaving. Artikelen in de APV over hinderlijke ophouden in openbaar water vallen niet binnen het domein van gemeentelijke boa’s, waardoor zij hier ook niet op kunnen handhaven. De toevoeging van dit onderdeel aan het artikel maakt dat de boa’s wel een handhavingsgrondslag hebben om overlast in deze vorm aan te pakken.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
Het college kan een gebied aanwijzen waar het verboden is alcohol te nuttigen of aangebroken alcoholhoudende verpakkingen bij zich te hebben. Het verbod geldt niet voor horecaterrassen of evenementen waar op grond van artikel 35 Alcoholwet toestemming is verleend om alcohol te verstrekken. Sinds de Alcoholwet is alcoholgebruik voor jongeren onder de 18 al landelijk verboden; daarom richt dit verbod zich op personen van 18 jaar en ouder.
Bij dit artikel moet worden opgemerkt dat er sprake moet zijn van een duidelijk omschreven aangewezen gebied, zoals bijvoorbeeld een uitgaansgebied of een park waar regelmatig overlast wordt veroorzaakt. Het is niet mogelijk het gehele grondgebied van de gemeente aan te wijzen. Er moet een concrete aanleiding zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt. Een gebied kan worden aangewezen als gerechtvaardigde vrees bestaat voor aantasting van de openbare orde, of de openbare orde is al aangetast.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen
Op basis van artikel 2:49 kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast bij of in gebouwen worden opgetreden. Voor de verdere toelichting wordt aangesloten bij de uitleg van artikel 2:47.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Dit artikel dient het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In dit artikel wordt het woord ‘ruimte’ gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip ‘weg’.
Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen
Het wapenbezit in het algemeen en gebruik van steekwapens in het bijzonder is fors toegenomen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid door het bij zich hebben (dragen) van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt te verbieden. Het artikel is een aanvulling op de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) en verbiedt het bij zich hebben van andere dan in de Wwm aangeduide messen of van voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, maar waarbij nog geen sprake is van een situatie waarin, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze voorwerpen worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Hierdoor kan aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de veiligheid bevorderd.
Dit lid waarborgt dat messen en voorwerpen die zijn ingepakt, bijvoorbeeld omdat deze in een winkel zijn aangeschaft en nog in de verpakking zitten, niet onder het verbod vallen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid, maar aanschaf van bijvoorbeeld een keukenmes moet mogelijk blijven. Het moet dan wel zodanig zijn verpakt dat het niet onmiddellijk kan worden aangewend.
De Wwm gaat voor: als sprake is van een situatie die onder artikel 2 Wwm valt, dan regelt de Wwm.
Artikel 2:50b Verbod speelgoed- en nepwapen
Dit artikel heeft dezelfde strekking als artikel 2:50a, maar dan in de situaties dat het gaat om een speelgoed- of nepwapen., omdat dit eveneens gevoelens van onveiligheid en risico op ordeverstoring kan veroorzaken.
Artikel 2:51 Neerzetten van voertuigen
Het artikel ziet op overlast door het neerzetten van voertuigen (breed opgevat, zodat ook bijvoorbeeld (elektrische) steps eronder vallen). Denk aan voertuigen tegen gevels of op plekken waar de eigenaar dit niet wil of waar de toegang tot een gebouw wordt gehinderd.
Artikel 2:52 Overlast van voertuigen op markt en kermisterrein en dergelijke
Op basis van verkeersregels (RVV) kunnen weggebruikers om verkeersredenen worden geweerd, maar dit artikel ziet op een ander motief: voorkomen van hinder in mensenmenigten. Het college kan terreinen aanwijzen die tijdens markt/kermis als “voor voertuigen verboden” gelden, mits dit voor bezoekers kenbaar is. Het tweede lid bevat uitzonderingen, bijvoorbeeld voor voertuigen die noodzakelijk zijn voor werkzaamheden of dringende redenen (zoals markt-/kermiswagens en hulpdiensten).
Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats
Regelmatig ontvangt de gemeente meldingen van o.a. campers, caravans en busjes in de openbare ruimte waar personen in overnachten. Dit verloedert niet alleen de gemeente, maar kan ook hinder, overlast, brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico’s voor de volksgezondheid met zich meebrengen. Er wordt daarom in de APV een verbod opgenomen om tussen zonsondergang en zonsopgang op een openbare plaats te overnachten. Ook geldt het verbod wanneer het gebruik als slaapplaats leidt tot overlast/hinder, gevaar of aantasting van het woon- en leefklimaat.
Bij toezicht en handhaving is proportionaliteit belangrijk. Vaak kan worden volstaan met een waarschuwing; beboeten van dakloze personen is niet altijd zinvol. Het artikel kan in de praktijk ook dienen als “stok achter de deur” voor toeleiding naar ondersteuning of opvang. Het college kan ontheffing verlenen in bijzondere gevallen (bijv. overnachten in voertuig door aanbieders van een evenement). Lid 3 bevat afbakening: voor ligplaatsen met vaartuigen/woonboten, woonwagens met woonbestemming en nachtverblijf op kampeerterreinen of aangewezen kampeerplaatsen gelden aparte regels.
Artikel 2:57 Loslopende honden
Dit artikel beperkt het loslopen van honden in aangewezen gebieden en verplicht identificatie (halsband of ander middel) zodat de eigenaar/houder kan worden vastgesteld. Het doel is voorkoming van overlast, met nadruk op verkeersveiligheid, hinder, schade, verontreiniging en dierenwelzijn. Er zijn situaties waarin een strikt aanlijngebod niet passend is, zoals bij blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden; daarvoor is een voorziening opgenomen. Verder maakt lid 1, onder c, het mogelijk ook buiten de bebouwde kom plaatsen aan te wijzen waar aanlijnen verplicht is.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
Hondenuitwerpselen leveren gezondheidsrisico’s en ergernis op. In de praktijk is handhaving lastig, omdat op heterdaad moet worden gezien dat uitwerpselen niet worden opgeruimd. De aanpak is daarom deels preventief. Een verplichting om opruimmiddelen bij zich te hebben is beter controleerbaar. Lid 2 bevat een uitzondering voor geleidehonden en sociale hulphonden.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
Dit artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident – wanneer strafrechtelijk optreden niet passend wordt geacht – een gebod op te leggen zoals muilkorven of kort aanlijnen. Omdat landelijk geen definitie van muilkorf meer is opgenomen, bevat dit artikel een definitie. Overtreding is strafbaar via artikel 6:1.
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
Door de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer” wordt de afbakening met milieuregelgeving vastgelegd. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het houden van bepaalde dieren overlast of volksgezondheidsrisico’s veroorzaakt en kan daarbij nadere regels stellen. Dat laatste is delegatie van verordenende bevoegdheid (art. 156 Gemeentewet).
Artikel 2:60a Verbod op voeren van dieren op openbare plaats of openbaar water
Dit artikel verbiedt het voeren van dieren (zoals eenden, ganzen en duiven) op openbare plaatsen of openbaar water. Voedselresten trekken ratten en andere plaagdieren aan en kunnen leiden tot gezondheidsproblemen en schade aan eigendommen en infrastructuur. Daarnaast kan mensenvoedsel schadelijk zijn voor dieren en zorgen resten voor vervuiling van water.
In het tweede lid worden enkele uitzonderingen opgenomen, waaronder voor personen die dieren voeren in opdracht van de beheerder van de openbare plaats of openbaar water. Ook is het voor bijvoorbeeld hondeneigenaren niet verboden om de hond te voeren met een brokje. Daarnaast kan het college categorieën aanwijzen waar het verbod niet geldt.
Bedelarij kan de openbare orde raken als het agressief of hinderlijk gebeurt (aanraken, intimideren, versperren, volgen). Sinds de strafbaarstelling uit het WvSr is verdwenen, is optreden lastiger; de wetgever heeft wel ruimte gelaten voor gemeentelijke regulering bij ordeverstoring. Op grond van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt als daar een overlastsituatie ontstaat. Straatmuziek met een verzoek om bijdrage valt niet onder dit artikel maar onder artikel 2:9. Verkoop van daklozenkranten valt er evenmin onder, omdat dit niet aan een vergunning kan worden verbonden vanwege de vrijheid van meningsuiting.
Een volledig verbod op bedelarij is niet mogelijk sinds een uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens, waarin werd geoordeeld dat de menselijke waardigheid wordt aangetast als iemand niet beschikt over voldoende bestaansmiddelen. Bedelarij valt volgens het hof onder het recht op eerbiediging van het privéleven.
Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (‘alle’ goederen). Momenteel wordt in de Tweede Kamer een wetsvoorstel behandeld waarmee het DOR verplicht wordt gesteld als register (zie Kamerstukken II 2021/22, 36036, nr. 2 (voorstel van wet) en Kamerstukken II 2021/22, 36036, nr. 3 (memorie van toelichting). In de praktijk werken al 180 gemeenten met het DOR, waaronder Hendrik-Ido-Ambacht. In het artikel wordt alvast voorgesorteerd op toekomstige wetgeving.
Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd.
Hier wordt de lex silencio positivo van toepassing verklaard op de ontheffing van het tweede lid. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van één tot alle verplichtingen in dit artikel. Doorgaans zal daarvoor een praktische reden zijn. Bovendien lijdt de ondernemer doorgaans geen grote schade wanneer er per abuis een vrijstelling van rechtswege ontstaat en die wordt teruggedraaid.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
Deze bepaling is gebaseerd op artikel 437ter, eerste lid, WvSr en bevat voorschriften die het gevaar voor heling moeten voorkomen.
Afdeling 10. Consumentenvuurwerk
In de Wet veilige jaarwisseling is een landelijk verbod op het bezit en afsteken van consumentenvuurwerk opgenomen. De wet is nog niet in werking getreden, waardoor nog weinig duidelijk is over hoe deze wet invloed heeft op de bepalingen in de APV. Zolang de VNG hier nog geen uitspraken over heeft gedaan, blijven de artikelen in hun huidige vorm bestaan.
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
De Opiumwet is landelijke wetgeving en regels al de strafbaarheid en bestuurlijke bevoegdheden rondom drugs. Er wordt echter geen aandacht besteed aan overlast die het gevolg is van drugshandel op straat. Dit artikel biedt daarom een gemeentelijke grondslag om hiertegen op te treden.
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
Openlijk drugsgebruik kan op bepaalde plekken leiden tot hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid. Dit artikel biedt een grondslag om daartegen op te treden in de publieke ruimte.
Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
Dit artikel is gebaseerd op artikel 154a Gemeentewet. Het geeft de burgemeester de bevoegdheid om bij grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een aangewezen plaats. Vervoer naar de plaats van ophouding valt daar ook onder. Voorbeelden van grootschalige ordeverstoringen zijn risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit de hand lopende demonstraties en krakersrellen. Voor toepassing is een verordeningsgrondslag vereist waarin de raad de burgemeester deze bevoegdheid geeft voor groepsgewijze niet-naleving van concrete voorschriften. Artikel 2:75 voorziet hierin.
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden
Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad de burgemeester de bevoegdheid geven gebieden aan te wijzen waar de officier van justitie de controlebevoegdheden uit de Wet wapens en munitie kan laten uitoefenen (onderzoek vervoermiddelen, onderzoek kleding en openen van verpakkingen).
De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat sprake is van verstoring van de openbare orde door wapens, of ernstige vrees daarvoor. De aanwijzing moet niet langer duren en niet groter zijn dan strikt noodzakelijk. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale driehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
Op grond van artikel 151c Gemeentewet kan de raad de burgemeester bevoegd maken cameratoezicht toe te passen op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde. De raad kan bepalen op welke plaatsen dit kan en wat de maximale duur is.
Het plaatsen van camera’s is een zware maatregel. Het Openbaar Ministerie wenst daarom dat aan de inzet van cameratoezicht een deugdelijke motivering ten grondslag ligt, waarbij de principes van subsidiariteit en proportionaliteit zijn gewaarborgd. Er dient vooral aangetoond te worden welke overlast wordt ervaren en dat dit in zodanige mate ernstig is dat er cameratoezicht wordt gewenst. Om aan de motiveringseis van het OM te voldoen, worden na vaststelling van deze APV beleidsregels opgesteld waarin wordt vastgelegd onder welke specifieke omstandigheden cameratoezicht wordt ingezet, hoe de belangenafweging tussen veiligheid en privacy plaatsvindt en hoe de evaluatie van de camera-inzet wordt vormgegeven.
Artikel 2:78 Gebiedsontzegging
Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid een gebiedsontzegging op te leggen bij (ernstige vrees voor) openbare ordeverstoring of overlastgevend gedrag. Het gaat vaak om personen die strafbare feiten of ordeverstorende handelingen verrichten en doorgaans al eerder bestuurlijk zijn gewaarschuwd. Als zowel de APV als artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet (lichte bevelsbevoegdheid) toegepast kan worden, gaat dit APV‑artikel voor.
Een gebiedsontzegging lijkt in zekere zin op een samenscholingsverbod. Het verschil ziet er vooral op dat een gebiedsontzegging wordt opgelegd aan een specifieke persoon of groep personen, terwijl een samenscholingsverbod meer algemene strekking heeft.
Voor het toepassen van een openbare ordemaatregel, zoals een gebiedsontzegging, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan.
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
Dit lid bevat een zorgplicht: een bewoner moet zich zo gedragen dat omwonenden geen ernstige hinder ondervinden. Bij ernstige en herhaaldelijke hinder kan niet alleen niet alleen de huurder, maar ook de verhuurder worden aangesproken. Dit voorkomt dat bijvoorbeeld woningcorporaties geen verantwoordelijkheid nemen voor hun huurders en hun gedrag.
Dit lid regelt in welke gevallen de burgemeester in ieder geval een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom kan opleggen. Het artikel noemt de dwangsom niet apart omdat die bevoegdheid al volgt uit de Awb in samenhang met artikel 125 Gemeentewet. Welke herstelsanctie passend is, wordt per situatie afgewogen. Dit wordt verder uitgewerkt in beleidsregels. De last kan bestaan uit concrete gedragsaanwijzingen.
Artikel 2:80 Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen
De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of het daarbij behorende erf sluiten als overlast, verstoring van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat dreigt. Artikel 2:81 bevat daarnaast een aanvullende sluitingsbevoegdheid voor situaties waarin een vergunningplicht geldt.
Dit artikel kan onder meer worden gebruikt als:
Daarnaast kan de burgemeester hiermee optreden tegen een illegaal gokpand (zonder toestemming op grond van de Wok). Bij een dergelijk pand is sprake van aantasting van de openbare orde in ruime zin. Als het pand echter (mede) als woning wordt gebruikt, kan sluiting niet op grond van dit artikel, maar via artikel 174a Gemeentewet.
Het artikel is een aanvulling op de bevoegdheden van de burgemeester om op grond van de APV (artikel 2:30) of artikel 13b van de Opiumwet overlastgevende inrichtingen, zoals horecabedrijven en seksinrichtingen, of woningen op grond van artikel 174a Gemeentewet te sluiten.
Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor een verbod geldt om deze zonder vergunning uit te oefenen. Hij kan deze bevoegdheid inzetten als dat nodig is om verstoring van de openbare orde of nadelige beïnvloeding van de leefbaarheid tegen te gaan, als die wordt veroorzaakt door een onveilig en malafide ondernemersklimaat vanuit een gebouw, een branche of in een gebied. Daarom wordt het ook wel de ‘ondermijningsvergunning’ genoemd.
Op het moment van vaststellen van deze APV zijn er nog geen categorieën aangewezen waarop een dergelijke vergunningsplicht geldt. Als dit op een later moment wel wordt gedaan, moet hierop beleid worden opgesteld. Er dient goed te worden gemotiveerd waarom een vergunningplicht in de aan te wijzen gevallen nodig wordt geacht in de aanpak van ondermijning.
De burgemeester kan met het aanwijzingsbesluit in dit lid nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De burgemeester wijst een bedrijfsmatige activiteit en gebouw of gebied uitsluitend aan als naar zijn oordeel de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Belangrijk is dat concrete incidenten niet altijd nodig zijn: een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven als een branche, gebouw of gebied extra aandacht vraagt om de situatie te verbeteren.
In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw of gebied zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Dit maakt het ook mogelijk om deze vergunningplichtige branches te screenen door middel van een Bibob-toets.
De algemene intrekkings- of wijzigingsgronden staan vermeld in artikel 1:6. In het zesde lid staan de specifieke intrekkings- en wijzigingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet. Als de exploitant zijn verplichtingen uit het artikel of de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken.
Artikel 2:80 biedt de mogelijkheid overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten. Artikel 2:81 bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid wanneer sprake is van een vergunningplicht. Het toetsingskader voor sluiting is anders dan voor een vergunning. Als een sluiting op grond van artikel 2:80 in dezelfde situatie leidt tot het aanwijzen als vergunningplichtig, gevolgd door een weigering van de vergunning, dient de burgemeester ervoor te waken dat het oordeel over de vergunning niet vermengd raakt met het oordeel over de sluiting.
De vergunninghouder moet relevante wijzigingen melden. Dit is nodig om zicht te houden op veranderingen die van invloed kunnen zijn op de vergunning. Als er geen belemmeringen zijn, kan een gewijzigde vergunning worden verleend.
Voor nieuwe exploitanten geldt de vergunningplicht onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit.. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen en/of op een andere locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt.
Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken. Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken. Voor zittende exploitanten geldt een termijn van drie maanden om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet, dan handelen zij in strijd met het verbod. Als een aanvraag binnen die periode wordt geweigerd of een vergunning wordt ingetrokken, is vanaf dat moment sprake van overtreding en kan de burgemeester direct handhaven.
De openbare orde en veiligheid vormen de reden om van een lex silencio positivo af te zien.
Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
In Hendrik-Ido-Ambacht wordt prostitutie op dit moment niet toegestaan in het omgevingsplan. De regels blijven desondanks in de APV opgenomen, zodat de gemeente beschikt over een actueel juridisch kader voor het geval het omgevingsplan of beleid wijzigt en/of handhavend optreden nodig is bij ongewenste activiteiten. Als dat beleid wijzigt, zal ook deze toelichting worden aangevuld met de artikelen die om nadere toelichting vragen.
Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting
Deze afdeling sluit aan bij milieuregelgeving voor situaties waarin (voorheen) via het Activiteitenbesluit en de Wet milieubeheer ruimte bestond om gemeentelijk te sturen op festiviteiten (geluid) en sportverlichting. Begrippen die aan die regelgeving zijn ontleend, worden gebruikt in dezelfde betekenis als vlak vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
Het college kan dagen aanwijzen als collectieve festiviteit (bijv. kermis/carnaval), waardoor bepaalde geluidsnormen voor inrichtingen op die dagen niet (volledig) gelden. Uitgangspunt blijft: hinder zoveel mogelijk beperken; de vrijstelling geldt alleen voor zover naleving redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Het college kan collectieve festiviteiten aanwijzen waarbij deze beperkingen niet gelden. Dit is vooral relevant voor sportverenigingen bij bijzondere activiteiten, dus wanneer de verenigingen buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie.
De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De vaststelling van deze gebieden dient plaats te vinden in een apart besluit waarop bezwaar en beroep volgens de Awb mogelijk is. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt tijdens carnaval, kermissen of culturele, sport- en recreatieve manifestaties.
Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten
Voor incidentele festiviteiten regelt de APV hoeveel dagen/dagdelen per jaar een inrichting gebruik kan maken van vrijstelling van geluidsnormen na melding. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is.
Ook voor incidenteel gebruik van sportverlichting kan worden afgeweken binnen het wettelijk maximum (12 dagen/dagdelen). Daarbij blijft de algemene zorgplicht gelden; enige hinder kan aanvaardbaar zijn, maar niet onbeperkt.
Zesde tot en met het tiende lid
Het college kan aan incidentele festiviteiten voorwaarden verbinden om geluidhinder te beperken; de systematiek sluit aan bij die van collectieve festiviteiten.
Artikel 4:5 Onversterkte muziek
Dit artikel biedt ruimte voor hobbymatig oefenen van onversterkte muziek (bijv. amateurgezelschappen) door een beperkte uitzondering op geluidsniveaus toe te staan. Het gaat nadrukkelijk om oefenen zonder publiek; optredens en festiviteiten vallen hier niet onder. Daarnaast zijn enkele categorieën geluid uitgezonderd (o.a. oproep tot godsdienst/levensovertuiging en bepaalde militaire tradities).
Artikel 4:5c Geluidhinder door dieren
In dit artikel is in het eerste lid de zinsbede ‘buiten een inrichting’ opgenomen. Er geldt een uitzondering voor de gevallen waarin de bepaling een regeling geeft voor activiteiten waarop ook de Wet milieubeheer ziet. Gebeurt dit niet, dan loopt de bepaling het risico onverbindend verklaard te worden.
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wom, het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in het derde lid.
Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Het kan gaan om uiteenlopende bronnen, zoals tijdelijke evenementen in de buitenlucht, reclamespeakers, achtergrondmuziek in winkelstraten, recreatietoestellen, bouwmachines, knalapparatuur tegen vogels en “lawaaiige hobby’s”. Beoordeling is altijd casuïstisch: een zekere mate van hinder hoort bij het maatschappelijk leven, maar excessen kunnen worden aangepakt; ontheffing is mogelijk met voorschriften.
Een mosquito veroorzaakt een hoge pieptoon die vooral door jongeren hoorbaar is en kan worden ingezet tegen overlast door hangjongeren. Het middel is effectief maar ingrijpend; daarom is een apart artikel opgenomen in plaats van een “ontheffingconstructie” onder 4:6.
De burgemeester kan besluiten een Mosquito op te hangen op openbare plaatsen als dit noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde. De mosquito is een ingrijpend middel, er moet daarom een evenwichtige verhouding bestaan tussen het doel en het middel (proportionaliteit) en het doel, de handhaving van de openbare orde, kon niet op een minder ingrijpende wijze worden bereikt (subsidiariteit). Mede vanwege de omstreden status van de mosquito verdient het de voorkeur om een apart artikel in de APV op te nemen, en dat niet, zoals ook wel gebeurt, de gemeente zichzelf een ontheffing verleent van het artikel 4:6.
In het kader van het eerbiedingen van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM) dient de aanwezigheid van de mosquito bekend en zichtbaar te worden gemaakt.
Vanwege het ingrijpende karakter van de mosquito is terughoudendheid geboden bij het gebruik daarvan. De mosquito dient alleen te worden gebruikt op tijdstippen waarop de overlast daadwerkelijk optreedt. De moderne mosquito’s kunnen handmatig worden ingeschakeld wanneer iemand overlast ervaart, en schakelen na 15 minuten weer uit.
Terughoudendheid van het gebruik van de mosquito kan worden bereikt door een beperkte periode vast te stellen dat deze wordt ingezet. Na de plaatsing kan worden geëvalueerd of de mosquito het gewenste effect heeft bereikt en kan worden besloten de duur te verlangen.
Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Dit is een verkeersbeperkende bepaling met een ander motief dan verkeersveiligheid (o.a. reiniging/uiterlijk aanzien). De raad kan dergelijke regels stellen zolang het verkeersstelsel niet wordt doorkruist.
Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen
Dit artikel (wildplassen) spreekt voor zich: het voorkomt vervuiling en overlast.
Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen
Deze bepaling is overgenomen uit vervallen onderdelen van de bouwverordening en ziet vooral op de omgeving (niet het bouwwerk zelf). Daarom is gekozen voor opname in de APV.
Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen
Dit artikel is opgenomen naar aanleiding van het Actieplan Duurzaamheid 2019-2022, waarin de actie werd gesteld dat er een verbod zou komen voor het oplaten van ballonnen.
Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden
De gemeente Hendrik-Ido-Ambacht heeft op de zogenoemde Groene Kaart bomen vastgesteld die beschermwaardig zijn. Deze bomen worden beschermd door de APV.
De gemeente Hendrik-Ido-Ambacht wil het huidige bomenbestand behouden. Dat betekent dat er het liefst niet gekapt wordt. Het eerste lid van dit artikel legt daarom een kapverbod op. In Hendrik-Ido-Ambacht is gekozen voor een verbod op het vellen van de houtopstanden die op de Groene kaart staan. Het vellen van de houtopstand is alleen met een omgevingsvergunning mogelijk. In het tweede lid worden enkele uitzonderingen genoemd
Met de tweede wijziging van het omgevingsplan zal het kapverbod uit de APV vervallen en gaat het samen met de Groene Kaart over naar het omgevingsplan.
In dit artikel worden criteria genoemd waaraan voldaan moet worden voor een omgevingsvergunning op het kapverbod wordt gegeven. Het zijn los van elkaar staande criteria, dus als aan één wordt voldaan kan de vergunning worden verleend.
Artikel 4:11b Bijzondere voorschriften
Dit artikel geeft het college de mogelijkheid bij het verlenen van een omgevingsvergunning de voorwaarde te stellen dat binnen een bepaalde termijn moet worden herplant. Daarnaast kan het verplicht stellen van een Bomen Effect Analyse deel uitmaken van de ontheffing. Een BEA is een analyse die de effecten van bouw- of aanlegwerkzaamheden op de omgeving, en met name op aanwezige bomen, in kaart brengt. Dit is belangrijk om de impact van de werkzaamheden op de bomen te minimaliseren en om te zorgen voor een verantwoorde omgang met de bestaande bomen.
Artikel 4:12 Herplant-/instandhoudingsplicht
Spreekt voor zich: borgt dat bij velling of schade herplant/instandhouding kan worden afgedwongen.
Artikel 4:12a Bestrijding van boomziekten
Biedt mogelijkheden om verspreiding van boomziekten te voorkomen en zo het bomenbestand te beschermen.
Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
Dit artikel biedt een basis om ontoelaatbare opslag (vanuit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid) tegen te gaan. Hierbij kan worden gedacht aan opslag van bromfietsen en caravans en dergelijke, en landbouwproducten. Het college kan plaatsen aanwijzen waar opslag verboden is of aan regels is gebonden. Het artikel geldt niet voor opslag binnen een inrichting; milieuwetgeving gaan dan voor. Deze bepaling ziet ook niet op handelingen die plaatsvinden op de ‘weg’ in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Hiervoor bestaan andere bepalingen binnen de APV. De
Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
Dit artikel verbiedt reclame die het verkeer in gevaar brengt of omwonenden hindert of overlast bezorgt. Voor een reclame van enige omvang of betekenis is doorgaans een bouwvergunning nodig, waardoor al aan de welstand kan worden getoetst .Een algemene vergunningplicht voor alle reclame is daarom niet nodig. Dit artikel is bedoeld voor de relatief beperkte categorie “hinderlijk/gevaarlijk” die anders tussen wal en schip kan vallen
Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen
In de definitie gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen, kampeerwagen en caravan.
Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
Spreekt voor zich: regelt het verbod/voorwaarden voor recreatief overnachten buiten aangewezen kampeerterreinen om overlast en ongewenste situaties te voorkomen.
Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod
De bepalingen in deze afdeling zijn bedoeld om excessieve vormen van parkeren aan te pakken. Het gaat niet om “normaal parkeren”, maar om parkeren dat buitensporig is (bijv. door aard van het voertuig, het doel of het aantal voertuigen) of dat om andere redenen onaanvaardbaar is, zoals aantasting van openbare orde/veiligheid, uiterlijk aanzien, uitzichtbelemmering of stankoverlast.
Bij diverse verboden is een ontheffing mogelijk wanneer parkeren anders redelijkerwijs niet uitvoerbaar is.
Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke
Dit lid is breder gemaakt zodat ook rijschoolhouders en taxiondernemers onder “verhuren” vallen, omdat ook hun voertuigpark tot excessief gebruik van de weg kan leiden. Daarmee kan worden opgetreden als de weg feitelijk als bedrijfsstalling wordt gebruikt.
De term “vergen” (in plaats van “duren”) is gekozen om bewijsproblemen te beperken: “vergen” biedt een objectievere maatstaf bij de vraag of werkzaamheden meer dan een uur in beslag nemen.
Doel is optreden tegen autohandelaren/garages/verhuurders die de weg structureel gebruiken als stallingsruimte voor bedrijfsvoertuigen (of voertuigen die hun zijn toevertrouwd). Er is geprobeerd de bepaling zo te formuleren dat bewijs zo goed mogelijk leverbaar blijft. De grens “drie of meer voertuigen” helpt daarbij. Tegelijk blijft het parkeren van privévoertuigen van exploitant/gezinsleden mogelijk.
Dit ziet specifiek op reparatie- en sloopwerkzaamheden aan voertuigen op de weg in het kader van bedrijfsmatig handelen, omdat dit vaak leidt tot klachten over geluid en verontreiniging (en in mindere mate over parkeerruimte).
Ontheffing is bedoeld voor uitzonderingsgevallen waarin de exploitant feitelijk geen alternatief heeft (bijv. een bestaand bedrijf zonder reële mogelijkheid om stallingsruimte op eigen terrein of nabij te realiseren). Aan ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden (plaats, tijd, maximum aantal voertuigen).
Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen
Eén voertuig “te koop” op de openbare weg levert meestal geen probleem op. Het wordt pas een exces als voertuigen in grotere aantallen worden uitgestald: dat tast het uiterlijk aanzien aan, trekt kooplustigen aan (overlast) en legt beslag op schaarse parkeerruimte.
Omdat geïmproviseerde “automarkten” veel overlast kunnen veroorzaken, is de lex silencio positivo uitgesloten: een stilzwijgende toestemming is hier onwenselijk.
Artikel 5:4 Defecte voertuigen
Het komt wel eens voor dat niet-rijklare voertuigen op de weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van dit soort voertuigen heeft deze meestal gekocht om na weken of zelfs maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Als hij hier niet in slaagt, wordt het voertuig op de weg achtergelaten, waar het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn.
Anders dan de niet-rijklare voertuigen die bij het gedurende een lange tijd parkeren een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Het richt zich dus niet specifiek op de eigenaar of bestuurder van het voertuig, maar ook op eventuele andere belanghebbenden.
Wrakken worden verwijderd aan de hand van de Procedure wrakken en onbeheerde objecten van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht.
Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen
Door “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” valt een brede categorie voertuigen/aanhangwagens onder dit artikel: het gaat om objecten die niet “dagelijks” als vervoermiddel worden gebruikt.
Gericht tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van o.a. caravans, campers, aanhangwagens, keetwagens e.d. Er staat bewust “plaatsen of hebben” in plaats van “parkeren”, zodat ontwijking door telkens enkele centimeters verplaatsen niet werkt. Het verbod geldt binnen de hele bebouwde kom; verplaatsen naar een andere straat doorbreekt de termijn niet.
Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het laten staan van caravans en dergelijke elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een ‘eigenlijk’ parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg in de zin van de WVW 1994.
Een ontheffing wordt alleen verleend als een in beginsel ongewenste handeling bij hoge uitzondering toch moet worden toegestaan. Doorgaans is daarvoor dan een noodzaak of een zeer dwingende reden. Het college heeft hier dus een vrij overzichtelijke afweging te maken, en er is geen reden waarom dit besluit niet tijdig kan worden genomen. Om die reden is er in de APV voor gekozen om de lex silencio positivo van toepassing te verklaren.
Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Onder handelsreclame in de zin van dit artikel valt niet de vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden namelijk niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel.
Het excessieve is vooral gelegen in het in relatie tussen het tekort aan parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente.
In dit geval is ervoor gekozen de lex silencio positivo van toepassing te verklaren. Het gaat hier om een ontheffing, niet om een reguliere vergunning. Een ontheffing wordt alleen verleend als een in beginsel ongewenste handeling bij hoge uitzondering toch moet worden toegestaan. Doorgaans is daarvoor dan een noodzaak of een zeer dwingende reden. Dit zal met een reclamevoertuig niet snel aan de orde zijn. Het toekennen of afwijzen van een aanvraag om deze ontheffing zal geen complexe afweging vergen.
Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen
Deze bepaling beoogt mogelijkheden te geven om aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente of buitensporig gebruik van de weg door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote voertuigen kan immers een ernstige aantasting van het dorps- of landschapsschoon betekenen. Bijvoorbeeld vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft.
De werking van het verbod is beperkt tot avond/nacht, weekenden en feestdagen: een verbod tijdens werkdagen overdag zou handel en industrie te zwaar kunnen raken. Wel kan overdag een probleem ontstaan als grote voertuigen de weg versperren (bijv. voor hulpdiensten); daarvoor is ontheffing in specifieke gevallen relevant.
Dit artikellid maakt het mogelijk dat ook campers, caravans en kampeerwagens die door hun afmetingen onder het verbod van het eerste lid of het tweede lid zouden vallen, toch voor maximaal drie dagen op de weg geparkeerd mogen blijven staan. Zij vallen nog steeds onder artikel 5:6.
Dit lid kent aan het college de bevoegdheid toe ter zake van de in het eerste lid omschreven verbod een ontheffing te verlenen. Hiermee kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.
Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken. Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven – ongeacht de aard – kunnen worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing. Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.
Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van voertuigen.
Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken en dergelijke, die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen.
Er is bewust gekozen voor de bestanddelen “te doen of te laten staan” in plaats van “te parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid veroorzaakt.
Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen in gebruik bij de politie, de brandweer of de gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.
Artikel 5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen
In de praktijk wordt regelmatig overlast ervaren van fietsen en bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij winkelcentra. Vooropstaat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn.
Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang.
In het tweede lid wordt de periode dat fietsen en bromfietsen op een aangewezen plaats mogen staan beperkt. Hiermee wordt beoogd weesfietsen aan te pakken; fietsen die in de openbare ruimte worden geparkeerd zonder de intentie deze nog verder te gebruiken. De termijn is gesteld op zeven achtereenvolgende dagen, om zo de hinder en overlast voor buurtbewoners zo beperkt mogelijk te houden, maar de eigenaar van de fiets nog wel de kans te geven zijn fiets weer in gebruik te nemen.
Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving
Voor het houden van een openbare inzameling of werving is een vergunning van het college nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten (te onderscheiden van de machtigingsformulieren en inschrijvingen via een tablet die bij wervingsactiviteiten worden gebruikt) of de inzameling van goederen. Bij inzameling van goederen kan worden gedacht aan het leveren van een bijdrage aan een voedselpakket. De bijdrage kan bestaan uit een gift in geld, maar ook uit het doneren van (vooraf bepaalde) gekochte producten. Ook wervingsactiviteiten (‘direct dialogue’) vallen onder de verbodsbepaling. De instellingen die leden of donateurs werven, moeten uiteraard aan dezelfde voorwaarden voldoen als de opdrachtgevende organisaties zelf.
In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning is vereist, indien bij een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Deze wijze van collecteren valt niet onder de bescherming van artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting).
Allereerst is voor een inzameling die in besloten kring wordt gehouden geen vergunning nodig. De uitdrukking ‘in besloten kring’ veronderstelt een zekere bekendheid tussen de inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt. Er moet wel sprake zijn van een nauwere band dan alleen het gemeenschappelijke lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat er ook een zekere gemeenschappelijke bekendheid is.
De gemeente kan ervoor kiezen instellingen aan te wijzen waarvoor de verbodsbepaling niet geldt. Het college stelt daartoe een collecte- en wervingsrooster vast dat is ontleend aan het door het CBF gepubliceerde collecterooster en wervingsrooster. Omdat aan het CBF geen wetgevende bevoegdheid toekomt, moet het college het collecte- en wervingsrooster vaststellen. Het college kan aan de vrijstelling van de vergunningplicht voorwaarden verbinden. Daarbij kan men denken aan verplichte legitimatie voor de geldinzamelaars, het verplicht melden van de opbrengst bij de gemeente en het niet toestaan van collecteren op de zondag. Als het college geen collecte- en wervingsrooster vaststelt, geldt de vrijstelling van de vergunningplicht niet.
Wanneer het college geen collecte- en wervingsrooster heeft vastgesteld, geldt alsnog een vrijstelling voor instellingen met een CBF-keurmerk. Voor hen geldt wel een meldingsplicht als zij gebruik willen maken van een vrije periode op het CBF-collecterooster.
Venten (= ambulante handel) onderscheidt zich van collecteren en standplaatsen. Kern: de venter is in beweging en biedt vanaf wisselende plaatsen aan. Het onderscheid met collecteren zit in de reële contraprestatie: bij venten wordt een vast bedrag gevraagd voor goederen/diensten; bij collecteren gaat het om een (donatie‑achtige) bijdrage voor een liefdadig/ideëel doel
Het aanwijzen van gebieden en tijden schept helderheid: op die plaatsen en momenten mag niet worden gevent. Daarbuiten wel. Het college heeft verschillende gronden voor zijn gebiedsaanwijzingen, zoals overlast (waarschijnlijk verreweg de meest voorkomende grond), of verkeersveiligheid. Door in lid 1 “in het belang van de openbare orde” toe te voegen is de grondslag voor het aanwijzen van gebieden, of dagen en uren beperkt tot de openbare orde.
Mocht de openbare orde daadwerkelijk worden verstoord, dan kan de burgemeester ingrijpen op basis van diens openbare orde bevoegdheden uit de Gemeentewet.
Er is voor gekozen de lex silencio positivo, die ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet geldt, van toepassing uit te zonderen. De vrijheid van meningsuiting is een zaak van belang, en het zou niet wenselijk zijn als de overheid hier door niet te beslissen de zaak in het onzekere zou laten.
Artikel 5:17 bevat een definitie en voorziet ook in uitzonderingen. Het gaat bij een standplaats om het te koop aanbieden van goederen of diensten vanaf een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met goederen of diensten. Bij het venten met goederen of diensten wordt er immers vanuit gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen of diensten vanaf een andere plaats in de openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de standplaatshouder niet.
Het innemen van een standplaats op een markt, ingesteld op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet, valt niet onder het begrip standplaats . Degene die op een dergelijke markt een standplaats wil innemen, zal zich moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Deze zijn in veel gemeenten in een marktverordening neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt is niet nodig, omdat snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en standplaatsen worden ingenomen in de open lucht.
Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25 van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing zijn.
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning
Vergunningplicht spreekt voor zich: hiermee kan de gemeente sturen op orde, veiligheid en het straatbeeld.
Artikel 5:18a Nadere regels standplaatsvergunning
Aan de hand van de motieven, genoemd in artikel 1:8, kan het college beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan.
Artikel 5:18b Weigeringsgronden
De weigeringsgrond met betrekking tot redelijke eisen van welstand kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bij voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen.
Naast de APV‑motieven geldt het omgevingsplan als zelfstandige toets: bij elke aanvraag moet worden bekeken of de standplaats past binnen de planregels.
Dit artikel voorkomt dat houders van een standplaatsvergunning door inwerkingtreding van de nieuwe APV hun vergunning kwijtraken, totdat het college besluit deze te wijzigen of in te trekken.
Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende
Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die zonder vergunning een standplaats inneemt, maar ook tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.
De laatste tijd komt het in steeds meer plaatsen voor dat particulieren markten organiseren in grote (doorgaans leegstaande) gebouwen. Hoofdzakelijk worden daar ‘ongeregelde’ zaken verkocht. Bij ‘ongeregelde’ zaken kan met name worden gedacht aan incourante goederen, dat wil zeggen goederen, die in de regel niet meer langs normale handelskanalen het publiek bereiken, zoals bij voorbeeld beschadigde artikelen, artikelen die uit de mode zijn, restanten en zaken van een te liquideren onderneming.
Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt
De aard van de goederen en de omstandigheden rondom een snuffelmarkt kunnen een uitstralende werking hebben buiten het gebouw. Het houden van een snuffelmarkt is dan ook verboden als de openbare orde dreigt te worden aangetast en overlast (milieu in de zin van de Dienstenrichtlijn) te verwachten is. In het belang van deze motieven kan een vergunningplicht worden gehanteerd. Gaat het om grote snuffelmarkten die regelmatig gehouden worden met gevaar voor aantasting van de openbare orde en overlast, dan doet de gemeente er verstandig aan om een vergunningstelsel te hebben. Er is dan voldaan aan het noodzaak- en proportionaliteitsvereiste. Op grond van dezelfde motieven kan het aantal snuffelmarkten worden beperkt.
Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken
Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
Dit artikel heeft een aanvullend karakter naast andere wetgeving; voor waterveiligheid bestaan ook strafrechtelijke bepalingen, maar de APV kan aanvullende regels stellen voor hinderlijke/gevaarlijke voorwerpen.
Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen
Uitgangspunt van de APV-bepalingen over ligplaatsen is dat het in beginsel is toegestaan met een vaartuig een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen binnen de gemeente, tenzij de plaats deel uitmaakt van door het college aangewezen openbaar water (eerste lid). Er geldt slechts een verbod om een ligplaats in te nemen in strijd met de nadere regels van het college op grond van het tweede lid, onder a (delegatie van regelgeving door de raad op grond van artikel 156 van de Gemeentewet). Krachtens het tweede lid, onder b, van artikel 5:25 heeft het college ook de mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal gelimiteerd worden.
Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om bijvoorbeeld aan vaartuigen die gedurende langere tijd een ligplaats willen innemen of hebben, eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn.
Naast de algemene regels die krachtens het tweede lid kunnen worden uitgevaardigd, kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een individuele eigenaar van een vaartuig nog nadere aanwijzingen te geven. Het vierde lid biedt daarvoor de grondslag.
Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken
De APV-bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeenten.
Verbiedt misbruik/onklaar maken van reddingsmiddelen, zodat ze beschikbaar blijven voor noodsituaties.
Artikel 5:30 Veiligheid op het water
Aanvulling op het BPR: dat richt zich op schippers, terwijl dit artikel breder ziet op veiligheidssituaties op/aan openbaar water
Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Het college kan regels stellen voor crossterreinen, zoals dagen/uren, leden, veiligheidsnormen, verzekering, minimumleeftijd en toezicht. De toelichting noemt ook aansluiting bij aanwijzingen van KNAC/KNMV/MON.
Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden
Richt zich op klachten over motorcrossen (geluid, schade flora/fauna, verstoring wild) en ook op ruiters en (mountain)bikers die paden verlaten. Hoofdregel is een algeheel verbod voor motorvoertuigen, (e-)(brom)fietsen, (e-)steps en paarden in natuurgebieden; het college kan uitzonderingsgebieden aanwijzen en gebruiksregels stellen.
Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
Artikel 5:34, tweede lid, biedt de mogelijkheid om – naast de ontheffing op grond van de Wm – een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van openbare orde en veiligheid worden geregeld. Er ligt dus een ander motief ten grondslag aan de APV dan aan de Wm. Tevens wordt het college de mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. De weigeringsgronden worden genoemd in het vierde lid.
In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het eerste lid. Hierbij zijn de volgende punten van belang. In de eerste plaats valt verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor koken, bakken en braden, niet onder het nieuwe regime van de Wm. Er is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven. De aanhef van het tweede lid biedt dus een handvat om handhavend op te treden.
De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Het eerste lid regelt namelijk het aanleggen, stoken of het hebben van vuur, maar in de genoemde uitzonderingsgevallen is er geen sprake van het verbranden van afvalstoffen. De gemeentelijke wetgever regelt dus een bepaalde materie (verbranden) vanuit eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het voorkomen van overlast of hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die niet of nog niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen).
Sluit aan bij de Wet op de lijkbezorging: verstrooiing kan op een permanent bestemd terrein (crematorium/plaats van bijzetting) of op open zee.
Artikel 5:36 Verboden plaatsen
Asverstrooiing is met name ongewenst op verharde delen (stoep/straat/plein) waar as niet in de bodem kan worden opgenomen en kan verwaaien. De begraafplaats wordt expliciet genoemd als locatie waar incidentele verstrooiing beheerproblemen kan geven.
Omdat dit soort ontheffingen zeldzaam zijn en vaak emotioneel beladen, is snelle besluitvorming wenselijk; daarom is de lex silencio positivo van toepassing.
Artikel 5:37 Hinder of overlast
Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as die na de activiteit wordt achtergelaten.
Voorbeelden zijn verstrooiing bij wind richting publiek, of verstrooiing vanaf een gebouw/balkon. Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de lijkbezorging af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen hinder oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing.
Hoofdstuk 6. Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen
Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Artikel 6:1, eerste en tweede lid, regelt dat het niet-naleven van de in de APV genoemde voorschriften of beperkingen die aan een vergunning of een ontheffing zijn verbonden een strafbaar feit oplevert.
Dit artikel wijst toezichthouders aan. Toezicht is geregeld in hoofdstuk 5 Awb; toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met toezicht (art. 5:11 Awb). Door aanwijzing in de APV kunnen zij de bestuursrechtelijke toezichtbevoegdheden uit de Awb inzetten. Politieambtenaren zijn niet “automatisch” toezichthouder op grond van de Politiewet 2012. Zij zijn alleen toezichthouder als zij bij of krachtens een bijzondere wet als zodanig zijn aangewezen. De algemene taakomschrijving van de politie is daarvoor onvoldoende.
Artikel 6:3 Binnentreden woningen
Toezichthouders mogen op grond van art. 5:15 Awb plaatsen betreden, maar woningen genieten extra bescherming: zonder toestemming van de bewoner is binnentreden niet toegestaan, vanwege het huisrecht (art. 12 Grondwet).
Wettelijke grondslag bevoegdheid
Het toekennen van de bevoegdheid om zonder toestemming een woning binnen te treden én het aanwijzen van personen die dit mogen, moet bij of krachtens de wet gebeuren. Artikel 149a Gemeentewet biedt de raad de mogelijkheid om bij verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder toestemming, voor zover dat nodig is voor handhaving van openbare orde/veiligheid of bescherming van leven/gezondheid. Dit artikel maakt van die bevoegdheid gebruik. Voor sommige APV‑situaties kan de binnentredingsbevoegdheid ook rechtstreeks uit een bijzondere wet volgen; dit artikel is dan aanvullend waar die bijzondere wet niet voorziet.
De overgangsbepaling regelt of bestaande vergunningen, ontheffingen e.d. hun rechtskracht behouden na inwerkingtreding van de nieuwe APV. Dit voorkomt dat bestaande rechtsposities “wegvallen” door een nieuwe verordening. Aanvragen die nog lopen en zijn ingediend onder de oude APV, worden beoordeeld volgens de nieuwe APV (toetsing ex nunc), conform de Awb‑systematiek.
Op bezwaren tegen besluiten die onder het oude recht zijn genomen, wordt beslist onder de nieuwe APV, met één belangrijke waarborg: de bezwaarde mag door bezwaar niet in een slechtere positie komen dan onder het oude recht (verbod van reformatio in peius).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-333977.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.