Gemeenteblad van Purmerend
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Purmerend | Gemeenteblad 2026, 333838 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Purmerend | Gemeenteblad 2026, 333838 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het/De gemeenteraad van Gemeente Purmerend
gelezen de tekstinhoud van ”Omgevingsplan gemeente Purmerend” d.d. 23 juni 2026
Gelet op:
artikel 16.30 en artikel 16.23, eerste lid, Omgevingswet, die bepalen dat:
1: op de voorbereiding van een omgevingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, met dien verstande dat een ieder een zienswijze bij de gemeenteraad mag indienen omtrent het ontwerp wijzigingsbesluit;
2: de artikelen 3:43 tot en met 3:45 en afdeling 3.7 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn op een omgevingsplan;
Besluiten:
"Omgevingsplan gemeente Purmerend" opgenomen in Bijlage A wordt vastgesteld.
Het ontwerp wijzigingsbesluit met ingang van maandag 27 juli 2026 gedurende een termijn van zes weken, tot en met maandag 7 september 2026 ter inzage ter inzage te leggen voor zienswijzen.
Te verklaren dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld aangezien uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling zoals opgenomen in Bijlage A. is gebleken dat er geen sprake is van belangrijke negatieve milieueffecten.
Aldus vastgesteld door Gemeente Purmerend, 23 juni 2026
Aldus vastgesteld in de vergadering d.d. 23 juni 2026
Purmerend, college van burgemeester en wethouders
de secretaris,
M.H. van der Weit
de burgemeester,
E. van Selm
A
Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van dit omgevingsplan wordt op de volgende wijze gemeten:
de afstand vanaf het straatpeil tot aan het laagste punt van het bouwwerk;
de afstand vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen;
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. En welke overschreden kunnen worden door ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 2.5 m.
de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak;
gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is;
waarden die in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt:
afstanden loodrecht;
hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en
maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 2,50,5 m buiten beschouwing blijven;
de oppervlakte, gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; en
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit omgevingsplan.
Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
B
Artikel 4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels van deze paragraaf gelden in het werkingsgebied 'woongebied - bestaand'.
C
Artikel 4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het gebiedstype 'Woongebied - bestaand' gelden specifiek de normen opgenomen in:
D
Artikel 4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Alleen de volgende activiteitengebruiksactiviteiten zijn toegestaan, mits voldaan wordt aan de bijbehorende regels:
afdeling 5.3.65.3.7 Kantooractiviteit:
artikel 5.455.92 functie op locatie;
afdeling 5.3.75.3.8 Maatschappelijke activiteiten:
artikel 5.515.100 functie op locatie A;
afdeling 5.3.105.3.11 Sportactiviteiten:
artikel 5.665.116 functie op locatie A;
afdeling 5.3.115.3.12 Woonactiviteiten;
afdeling 5.3.125.3.13 Benutten van de fysieke leefomgeving;
artikel 5.1015.152 vergunningplicht: het oprichten en in werking hebben van een energieopslagsysteem;
artikel 5.1085.163 functie op locatie: openbare ruimte; en
afdeling 5.3.135.3.14 Gebruik van bouwwerken.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn de volgende gebruiksactiviteiten niet toegestaan:
IPPC-installaties;
MER-(beoordelingsplichtige) activiteiten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit;
activiteiten die in aanzienlijke mate geluid produceren als bedoeld in artikel 5.78b, eerste lid Bkl;
activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving onder B en D;
prostitutie of het exploiteren van een seksinrichting; en
het gebruiken van woningen ten behoeve van huisvesting korter dan 4 maanden of vakantieverhuur.
E
Artikel 4.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het verrichten van bouwactiviteiten wordt voldaan aan:
afdeling 5.4.1 Bouwactiviteiten:
paragraaf 5.4.1.1 Algemene bepalingen over bouwactiviteiten;
paragraaf 5.4.1.2 Hoofdgebouwen A;
paragraaf 5.4.1.65.4.1.7 Bijbehorende bouwwerken;
paragraaf 5.4.1.75.4.1.8 Bouwwerken;
paragraaf 5.4.1.85.4.1.9 Drijvende bouwwerken;
paragraaf 5.4.1.105.4.1.11 Bouwen in een geluidaandachtsgebied;
paragraaf 5.4.1.145.4.1.15 Eisen aan bouwwerken; en
afdeling 5.4.2 Slopen van bouwwerken.
F
Artikel 4.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
G
Artikel 4.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het gebiedstype 'Woongebied - ontwikkelgebied' gelden specifiek de normen opgenomen in:
H
Artikel 4.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Alleen de volgende activiteiten zijn toegestaan, mits voldaan wordt aan de bijbehorende regels:
afdeling 5.3.75.3.8 Maatschappelijke activiteiten:
artikel 5.525.101 functie op locatie B;
afdeling 5.3.115.3.12 Woonactiviteiten;
afdeling 5.3.125.3.13 Benutten van de fysieke leefomgeving;
artikel 5.1015.152 vergunningplicht: het oprichten en in werking hebben van een energieopslagsysteem;
artikel 5.1085.163 functie op locatie: openbare ruimte; en
afdeling 5.3.135.3.14 Gebruik van bouwwerken.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn de volgende gebruiksactiviteiten niet toegestaan:
IPPC-installaties;
MER-(beoordelingsplichtige) activiteiten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit;
activiteiten die in aanzienlijke mate geluid produceren als bedoeld in artikel 5.78b, eerste lid Bkl;
activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving onder B en D;
prostitutie of het exploiteren van een seksinrichting; en
het gebruiken van woningen ten behoeve van huisvesting korter dan 4 maanden of vakantieverhuur.
I
Artikel 4.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het verrichten van bouwactiviteiten wordt voldaan aan:
paragraaf 5.4.1.1 Algemene bepalingen over bouwactiviteiten;
paragraaf 5.4.1.3 Hoofdgebouwen B - Appartementencomplexen;
paragraaf 5.4.1.4 Hoofdgebouwen C - Grondgebonden woningen;
paragraaf 5.4.1.5 Hoofdgebouwen D - Ontwikkelgebied;
paragraaf 5.4.1.65.4.1.7 Bijbehorende bouwwerken;
paragraaf 5.4.1.75.4.1.8 Bouwwerken;
paragraaf 5.4.1.95.4.1.10 Ondergrondse bouwwerken;
paragraaf 5.4.1.105.4.1.11 Bouwen in een geluidaandachtsgebied;
paragraaf 5.4.1.145.4.1.15 Eisen aan bouwwerken; en
afdeling 5.4.2 Slopen van bouwwerken.
J
Artikel 4.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
K
Artikel 4.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
L
Artikel 4.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Alleen de volgende activiteitengebruiksactiviteiten zijn toegestaan, mits voldaan wordt aan de bijbehorende regels:
afdeling 5.3.25.3.3 Detailhandelsactiviteiten:
artikel 5.295.43 functie op locatie;
afdeling 5.3.35.3.4 Dienstverleningsactiviteiten; :
artikel 5.315.46 functie op locatie;
afdeling 5.3.45.3.5 Evenementenactiviteit:
artikel 5.33 functie op locatie;
de regels in subparagraaf 5.3.5.3 meldplicht: evenementenactiviteit; en
de regels in subparagraaf evenementenactiviteit Makado;
afdeling 5.3.55.3.6 Horeca-activiteiten:
artikel 5.395.69 functie op locatie;
afdeling 5.3.65.3.7 Kantooractiviteiten:
artikel 5.445.91 functiemenging A;
afdeling 5.3.75.3.8 Maatschappelijke activiteiten:
artikel 5.515.100 functie op locatie;
afdeling 5.3.95.3.10 Risicovolle activiteiten; :
artikel 5.645.114 functie op locatie;
afdeling 5.3.115.3.12 Woonactiviteiten;
afdeling 5.3.125.3.13 Benutten van de fysieke leefomgeving; :
artikel 5.1015.152 vergunningplicht: het oprichten en in werking hebben van een energieopslagsysteem;
artikel 5.1085.163 functie op locatie: openbare ruimte; en
afdeling 5.3.135.3.14 Gebruik van bouwwerken.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn de volgende gebruiksactiviteiten niet toegestaan:
IPPC-installaties;
MER-(beoordelingsplichtige) activiteiten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit;
activiteiten die in aanzienlijke mate geluid produceren als bedoeld in artikel 5.78b, eerste lid Bkl;
activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving onder B en D; anders dan risicovolle activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid sub g;
het bedrijfsmatig te koop aanbieden van goederen die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling, waaronder detailhandel in auto's, boten, caravans en tenten en grove bouwmaterialen;
prostitutie of het exploiteren van een seksinrichting; en
het gebruiken van woningen ten behoeve van huisvesting korter dan 4 maanden of vakantieverhuur.
M
Artikel 4.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
N
Artikel 4.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
O
Artikel 4.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het gebiedstype 'Groen en recreatie' geldt specifiek de in paragraaf 5.2.4.15.2.6.1 Parkeernormen A opgenomen normen.
P
Artikel 4.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Alleen de volgende activiteitengebruiksactiviteiten zijn toegestaan, mits voldaan wordt aan de bijbehorende regels:
afdeling 5.3.55.3.6 Horeca-activiteiten:
paragraaf 5.3.5.5 vergunningplicht horeca bij groen en recreatie;
subparagraaf 5.3.6.5.1 vergunningplicht: horeca-activiteiten in het gebiedstype groen en recreatie;
afdeling 5.3.85.3.9 Recreatieactiviteiten:
artikel 5.585.108 functiemenging A;
paragraaf 5.3.8.35.3.9.3 Functie op locatie;
afdeling 5.3.105.3.11 Sportactiviteiten:
artikel 5.665.116 functie op locatie A;
afdeling 5.3.125.3.13 Benutten van de fysieke leefomgeving; :
artikel 5.1015.152 vergunningplicht: het oprichten en in werking hebben van een energieopslagsysteem;
artikel 5.1085.163 functie op locatie: openbare ruimte; en
afdeling 5.3.135.3.14 Gebruik van bouwwerken.
In afwijking van het bepaalden in het eerste lid zijn de volgende gebruiksactiviteiten niet toegestaan:
IPPC-installaties;
MER-(beoordelingsplichtige) activiteiten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit;
activiteiten die in aanzienlijke mate geluid produceren als bedoeld in artikel 5.78b, eerste lid Bkl;
activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving onder B en D; en
prostitutie of het exploiteren van een seksinrichting.
Q
Artikel 4.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het verrichten van bouwactiviteiten wordt voldaan aan:
paragraaf 5.4.1.1 Algemene bepalingen over bouwactiviteiten;
paragraaf 5.4.1.2 Hoofdgebouwen A;
paragraaf 5.4.1.65.4.1.7 Bijbehorende bouwwerken;
paragraaf 5.4.1.75.4.1.8 Bouwwerken geen gebouw zijnde;
paragraaf 5.4.1.145.4.1.15 Eisen aan bouwwerken; en
afdeling 5.4.2 Slopen van bouwwerken.
R
Na paragraaf 4.1.4 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende:
Er is een gebiedstype 'Centrumrandzone'.
De regels van deze paragraaf gelden ter plaatse van het werkingsgebied 'centrumrandzone'.
In het gebiedstype 'centrumrandzone' gelden specifiek:
Alleen de volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan, mits voldaan wordt aan de bijbehorende regels:
Bedrijfsmatige activiteiten, zoals bedoeld in afdeling 5.3.1, mits voldaan wordt aan:
Cultuur- en ontspanningsactiviteiten, zoals bedoeld in afdeling 5.3.2, mits voldaan wordt aan:
de regels in artikel 5.36 functie op locatie: speelautomatenhal.
Detailhandelsactiviteiten, zoals bedoeld in afdeling 5.3.3, mits voldaan wordt aan:
de regels in artikel 5.41 functiemenging: detailhandelsactiviteiten algemeen;
Dienstverleningsactiviteiten, zoals bedoeld in afdeling 5.3.4, mits voldaan wordt aan:
de regels in artikel 5.45 functiemenging: dienstverleningsactiviteiten.
Evenementenactiviteiten, zoals bedoeld in afdeling 5.3.5, mits voldaan wordt aan:
Horeca-activiteiten, zoals bedoeld in afdeling 5.3.6 mits voldaan wordt aan:
de regels in artikel 5.70 functie op locatie: horeca-activiteit 1 en horeca-activiteit 2;
de regels in artikel 5.72 functie op locatie: horeca-activiteit verblijfshoreca;
de regels in artikel 5.72, functie op locatie: recreatief nachtverblijf;
de regels in subparagraaf 5.3.6.5.2 vergunningplicht: recreatief nachtverblijf;
de regels in subparagraaf 5.3.6.5.5 vergunningplicht: gebruik horecaterras.
Kantooractiviteiten, zoals bedoeld in afdeling 5.3.7, mits voldaan wordt aan:
de regels in artikel 5.92 functie op locatie: kantooractiviteit.
Maatschappelijke activiteiten, zoals bedoeld in afdeling 5.3.8, mits voldaan wordt aan:
Woonactiviteiten, mits voldaan wordt aan de regels in afdeling 5.3.12 woonactiviteiten.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn de volgende gebruiksactiviteiten niet toegestaan:
bedrijfsmatige activiteiten, zoals bedoeld in artikel 5.25 darkstores;
IPPC-installaties;
MER-(beoordelingsplichtige) activiteiten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit;
activiteiten die in aanzienlijke mate geluid produceren als bedoeld in artikel 5.78b, eerste lid Bkl;
activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving onder B en D;
het bedrijfsmatig te koop aanbieden van goederen die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling, waaronder detailhandel in auto's, boten, caravans en tenten en grove bouwmaterialen;
prostitutie of het exploiteren van een seksinrichting; en
het gebruiken van woningen ten behoeve van huisvesting korter dan 4 maanden of vakantieverhuur.
Bij het verrichten van bouwactiviteiten wordt voldaan aan:
afdeling 5.4.1 Bouwactiviteiten:
paragraaf 5.4.1.1 Algemene bepalingen over bouwactiviteiten;
paragraaf 5.4.1.6 Gebouwen E - Binnenstad Purmerend;
subparagraaf 5.4.1.8.2.3 horecaterras;
paragraaf 5.4.1.8 Bouwwerken;
paragraaf 5.4.1.15 eisen aan bouwwerken;
afdeling 5.4.2 Slopen van bouwwerken.
Er is een gebiedstype 'Kernwinkelgebied'.
De regels van deze paragraaf gelden ter plaatse van het werkingsgebied 'kernwinkelgebied'.
In het gebiedstype 'kernwinkelgebied' gelden specifiek:
Alleen de volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan, mits voldaan wordt aan de bijbehorende regels:
Bedrijfsmatige activiteiten, zoals bedoeld in paragraaf 5.3.1, mits voldaan wordt aan:
Cultuur- en ontspanningsactiviteiten, zoals bedoeld in 5.3.2, mits voldaan wordt aan:
de regels in artikel 5.37 functie op locatie: theater.
Detailhandelsactiviteiten, zoals bedoeld in 5.3.3, mits voldaan wordt aan:
Dienstverleningsactiviteiten, zoals bedoeld in 5.3.4, mits voldaan wordt aan:
de regels in artikel 5.45 functiemenging: dienstverleningsactiviteiten,
Evenementenactiviteiten, zoals bedoeld in 5.3.5, mits voldaan wordt aan:
Horeca-activiteiten, zoals bedoeld in 5.3.6 mits voldaan wordt aan:
de regels in artikel 5.68 functiemenging: horeca-activiteit 1 en horeca-activiteit 2;
de regels in artikel 5.71, functie op locatie: horeca-activiteit 4;
de regels in artikel 5.72, functie op locatie: recreatief nachtverblijf;
de regels in artikel 5.73 functie op locatie: shishalounge;
de regels in subparagraaf 5.3.6.5.2 vergunningplicht: recreatief nachtverblijf;
de regels in subparagraaf 5.3.6.5.3 vergunningplicht: horeca-activiteit 3;
de regels in subparagraaf 5.3.6.5.4 vergunningplicht: horeca-activiteit 4;
de regels in subparagraaf 5.3.6.5.5 vergunningplicht: gebruik horecaterras.
Kantooractiviteiten, zoals bedoeld in 5.3.7, mits voldaan wordt aan:
de regels in artikel 5.92 functie op locatie: kantooractiviteit.
Maatschappelijke activiteiten, zoals bedoeld in 5.3.8, mits voldaan wordt aan:
de regels in artikel 5.99, functiemenging: maatschappelijke activiteiten binnenstad.
Woonactiviteiten, mits voldaan wordt aan de regels in afdeling 5.3.12 woonactiviteiten.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn de volgende gebruiksactiviteiten niet toegestaan:
bedrijfsmatige activiteiten, zoals bedoeld in artikel 5.25 darkstores;
woonactiviteiten, zoals bedoeld in 5.3.12, voor zover uitgeoefend op de begane grondlaag van een gebouw;
IPPC-installaties;
MER-(beoordelingsplichtige) activiteiten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit;
activiteiten die in aanzienlijke mate geluid produceren als bedoeld in artikel 5.78b, eerste lid Bkl;
activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving onder B en D;
het bedrijfsmatig te koop aanbieden van goederen die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling, waaronder detailhandel in auto's, boten, caravans en tenten en grove bouwmaterialen;
prostitutie of het exploiteren van een seksinrichting; en
het gebruiken van woningen ten behoeve van huisvesting korter dan 4 maanden of vakantieverhuur.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn de volgende gebruiksactiviteiten niet toegestaan:
horeca-activiteiten, zoals bedoeld in artikel 5.65 bezorgservice, voor zover uitgeoefend binnen het werkingsgebied 'verbod horeca-activiteiten bezorgservice.
Bij het verrichten van bouwactiviteiten wordt voldaan aan:
afdeling 5.4.1 Bouwactiviteiten:
paragraaf 5.4.1.1 Algemene bepalingen over bouwactiviteiten;
paragraaf 5.4.1.6 Gebouwen E - Binnenstad Purmerend;
subparagraaf 5.4.1.8.2.3 horecaterras;
paragraaf 5.4.1.15 eisen aan bouwwerken;
afdeling 5.4.2 Slopen van bouwwerken.
S
Het opschrift van artikel 4.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
T
Het opschrift van artikel 4.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
U
Artikel 4.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het verrichten van activiteiten in het 'Brandvoorschriftengebied' wordt voldaan aan artikel 5.2155.280 brandvoorschriftengebied.
V
Het opschrift van artikel 4.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
W
Het opschrift van artikel 4.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
X
Artikel 4.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het verrichten van activiteiten in het 'Explosievoorschriftengebied' wordt voldaan aan artikel 5.2165.281 Explosievoorschriftengebied.
Y
Het opschrift van artikel 4.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Z
Het opschrift van artikel 4.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AA
Artikel 4.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Alleen de volgende activiteiten zijn toegestaan, mits voldaan wordt aan de bijbehorende regels:
artikel 5.945.145 spoorwegen: 5.955.146 functie op locatie; en
artikel 5.1055.156 openbaar vervoersstation: 5.1065.157 functie op locatie.
BB
Het opschrift van artikel 4.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CC
Het opschrift van artikel 4.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DD
Het opschrift van artikel 4.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EE
Artikel 4.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FF
Het opschrift van artikel 4.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GG
Het opschrift van artikel 4.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HH
Artikel 4.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
II
Het opschrift van artikel 4.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJ
Het opschrift van artikel 4.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KK
Artikel 4.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LL
Het opschrift van artikel 4.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MM
Het opschrift van artikel 4.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NN
Het opschrift van artikel 4.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OO
Artikel 4.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het verrichten van activiteiten wordt voldaan aan:
paragraaf 5.5.2.2 Activiteiten met betrekking tot flora in een restrictiegebied archeologie 1; en
paragraaf 5.5.3.25.5.3.2.1 Beschermen van cultureel erfgoed.
PP
Na paragraaf 4.4.1 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende:
Er is een 'Restrictiegebied archeologie 2'.
De regels van deze paragraaf gelden in het werkingsgebied 'restrictiegebied archeologie 2'.
Er is een 'Restrictiegebied archeologie 3'
De regels van deze paragraaf gelden in het werkingsgebied 'restrictiegebied archeologie 3'
Het opschrift van paragraaf 4.4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RR
Het opschrift van artikel 4.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SS
Het opschrift van artikel 4.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TT
Het opschrift van artikel 4.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UU
Artikel 4.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VV
Het opschrift van paragraaf 4.4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WW
Het opschrift van artikel 4.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XX
Het opschrift van artikel 4.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YY
Het opschrift van artikel 4.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZ
Artikel 4.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAA
Het opschrift van paragraaf 4.4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBB
Het opschrift van artikel 4.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCC
Het opschrift van artikel 4.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDD
Het opschrift van artikel 4.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEE
Artikel 4.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFF
Na afdeling 5.2.2 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
GGG
Het opschrift van afdeling 5.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHH
Het opschrift van paragraaf 5.2.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
III
Het opschrift van paragraaf 5.2.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJ
Na afdeling 5.2.3 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
KKK
Het opschrift van afdeling 5.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLL
Het opschrift van paragraaf 5.2.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMM
Het opschrift van paragraaf 5.2.4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNN
Artikel 5.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto's.
Er wordt voldaan aan het eerste lid als de in tabel 5.2.4.1 opgenomen parkeernormen in acht worden genomen, aangevuld met 0,3 parkeerplaats per functie ten behoeve van bezoekers.
|
Functie |
Type |
Eenheid |
Parkeernorm per eenheid |
|
> 40 m2 - < 120 m2 |
0,8 |
||
|
zorgwoning |
> 40 m2 - < 120 m2 max 40 m² bvo, niet-zelfstandige woonruimte |
0,3 |
|
|
starters/jongeren woning/studie met jongerencontract |
|
0,4 |
|
|
koopwoning of geliberaliseerde woning voor middenhuur |
> 40 m2 - < 65 m2 |
1,2 |
|
|
koopwoning of geliberaliseerde woning voor middenhuur |
> 65 m2 - < 120 m2 |
1,4 |
|
|
koopwoning of geliberaliseerde woning voor middenhuur |
> 80 m2 - < 150 m2 |
1,4 |
|
|
koopwoning of geliberaliseerde woning voor middenhuur |
> 150 m2 |
1,6 |
|
|
huisartsenpraktijk |
maatschappelijke activiteit |
per behandelkamer |
3,0 |
|
fysiotherapeut |
maatschappelijke activiteit |
per behandelkamer |
1,8 |
|
apotheek |
maatschappelijke activiteit |
per apotheek |
3,2 |
|
buurtcentrum |
maatschappelijke activiteit |
per 100 m2 bvo |
3,7 |
OOO
Het opschrift van paragraaf 5.2.4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPP
Het opschrift van afdeling 5.2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQ
Artikel 5.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het bouwen van woningen worden de woningbouwcategorieën gerealiseerd en in stand gehouden die zijn aangewezen in de tabel 5.2.5.1, uitgedrukt in een percentage van het totaal aantal woningen binnen het aangewezen gebied.
|
Gebied |
Sociale huurwoningen uitgedrukt in een percentage van het aantal woningen in het gebied |
Geliberaliseerde woningen voor middenhuur uitgedrukt in een percentage van het aantal woningen in het gebied |
|
|
12 % |
|
|
In samenhang met een ander project is invulling gegeven aan de 30‑30‑40 regel. De tekorten in dit plan aan sociaal en middeldure segment van het plan is gerealiseerd in Kop West. |
19 % |
|
|
42 % |
29 % |
RRR
Voor artikel 5.24 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Als bedrijfsmatige activiteit wordt aangewezen: de uitoefening van opslag-, handels-, transport-, industriële en ambachtsbedrijven.
Onder de aanwijzing in het eerste lid vallen in elk geval niet: agrarische bedrijven, detailhandel, horeca, dienstverlening, zelfstandige kantoren, een zelfbedieningsgroothandel, maatschappelijke voorzieningen, seksinrichtingen en voorzieningen op het gebied van cultuur en ontspanning.
Als bedrijfsmatige activiteit wordt aangewezen het exploiteren van bedrijfsvoering die in hoofdzaak is gericht op de verkoop en bezorging binnen zeer korte termijn (flitsbezorging) van online aangeboden producten, overwegend dagelijkse goederen, vanuit een opslagruimte, al dan niet met ondergeschikte uitstalling ten verkoop, al dan niet met een afhaalloket of afhaalbalie en die al dan niet toegankelijk is voor winkelend publiek.
SSS
Het opschrift van artikel 5.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTT
Na artikel 5.24 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
UUU
Paragraaf 5.3.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in artikel 5.24 aangewezen activiteiten worden uitsluitend verricht binnen het werkingsgebied 'bedrijfsmatige activiteit algemeen'.
De in artikel 5.245.26 aangewezen activiteit wordt alleen verricht binnen het werkingsgebied verkooppunt motorbrandstoffen met lpg.
De in artikel 5.27 aangewezen activiteiten worden uitsluitend verricht binnen het werkingsgebied 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg'.
VVV
Na paragraaf 5.3.1.3 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bedrijfsmatige activiteit zoals bedoeld in artikel 5.24 te verrichten.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 wordt alleen verleend als:
de voor het gebiedstype waar de bedrijfsmatige activiteit wordt toegevoegd geldende normen uit titel 5.2 in acht worden genomen;
de toelaatbaarheid van de bedrijfsmatige activiteit in verband met mogelijk risico binnen een aandachtsgebied wordt beschouwd;
de privacy van omwonenden niet onevenredig wordt aangetast; en
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de plattegrond van iedere verdieping van het gebouw in de huidige en beoogde situatie;
een toelichting op het beoogde gebruik van het gebouw en de gronden;
een situatietekening van de reeds aanwezige parkeerplaatsen en nieuw te realiseren parkeerplaatsen;
gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan normen genoemd in titel 5.2 Normen met betrekking tot beheer en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving.
WWW
Na afdeling 5.3.1 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Als cultuur en ontspanning-activiteit wordt aangewezen het exploiteren van locaties voor het bieden van gelegenheid aan het publiek voor het beoefenen van spel door middel van kansspelautomaten.
Als cultuur en ontspanning-activiteit wordt aangewezen het exploiteren van locaties voor het bieden van gelegenheid aan het publiek voor het bijwonen van theatervoorstellingen en andere vormen van podiumkunsten.
De in artikel 5.34 aangewezen activiteiten worden uitsluitend verricht binnen het werkingsgebied 'speelautomatenhal'.
XXX
Het opschrift van afdeling 5.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYY
Het opschrift van paragraaf 5.3.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZ
Het opschrift van artikel 5.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAA
Paragraaf 5.3.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als detailhandelsactiviteit 1algemeen wordt aangewezen het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van niet-volumineuze goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
Onder de aanwijzing in het eerste lid valt niet een detailhandelsbedrijf voor de handel in voedings- en genotmiddelen en in dagelijkse gebruiksartikelen, met een bedrijfsvloeroppervlakte van meer dan 500 m2.
Als detailhandelsactiviteit supermarkt wordt aangewezen het uitoefenen van een detailhandelsbedrijf voor de handel in voedings- en genotmiddelen en in dagelijkse gebruiksartikelen, met een bedrijfsvloeroppervlakte van meer dan 500 m2.
BBBB
Paragraaf 5.3.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in artikel 5.39 aangewezen activiteiten zijn toegestaan.
CCCC
Paragraaf 5.3.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in artikel 5.39 aangewezen activiteiten zijn alleen toegelaten binnen het werkingsgebied 'detailhandel algemeen'.
De in artikel 5.275.40 en artikel 5.28 aangewezen activiteiten zijn alleen toegelaten binnen het werkingsgebied 'detailhandelsupermarkt'.
Binnen het werkingsgebied 'detailhandelsupermarkt' wordt niet meer dan het maximale aantal supermarkten geëxploiteerd.
DDDD
Het opschrift van afdeling 5.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEE
Het opschrift van paragraaf 5.3.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFF
Het opschrift van artikel 5.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGG
Paragraaf 5.3.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in artikel 5.44 aangewezen activiteiten zijn toegestaan.
HHHH
Het opschrift van paragraaf 5.3.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIII
Artikel 5.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in artikel 5.305.44 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied 'dienstverlening'.
JJJJ
Het opschrift van afdeling 5.3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKK
Voor paragraaf 5.3.4.1 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over het aantal evenementen, de duur van het evenement of de tijden waarbinnen de evenementenactiviteit is toegestaan zoals die zijn genoemd in paragraaf 5.3.5.4.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het aantal evenementen, de duur van het evenement of de tijden waarbinnen de evenementenactiviteit is toegestaan zoals genoemd in paragraaf 5.3.5.4, mits naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders de woon- en leefomgeving van nabijgelegen woningen niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door het verrichten van evenementenactiviteiten buiten de met algemene regels toegelaten aantallen, duur of tijden.
LLLL
Het opschrift van paragraaf 5.3.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMM
Artikel 5.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNN
Na paragraaf 5.3.4.1 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
Het is verboden een evenementenactiviteit te verrichten zonder voorafgaande melding daarvan aan het bevoegd gezag;
De melding wordt uiterlijk vier weken voor de aanvang van de evenementenactiviteit ingediend;
de evenementenactiviteit moet voldoen aan de regels in paragraaf 5.3.5.4;
voor evenementenactiviteiten blijft de vergunningplicht op grond van artikel 2:25 van de 'Algemene Plaatselijke Verordening Purmerend 2021' van toepassing.
Een melding als bedoeld in artikel 5.50 bevat:
een beschrijving van de geluidsinstallaties en de te verwachte geluidsbelasting waaronder:
Gegevens van het evenement (naam, data, tijden, aantal bezoekers, locatie, dagen opbouw en afbouw)
Indien aan de orde een omschrijving van de maatregelen die worden getroffen om het geluid in de omgeving zoveel mogelijk te beperken
OOOO
Paragraaf 5.3.4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen het werkingsgebied evenementen Makado is een evenementenactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.49 toegestaan mits:
De evenementenactiviteit plaatsvindt binnen het werkingsgebied evenementen Makado;
niet meer dan 15 evenementenactiviteiten per jaar plaatsvinden;
het aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is per evenement niet meer dan 2.000 is;
de evenementenactiviteit plaatsvindt tussen 08:00 - 01:00; en
de evenementenactiviteit niet langer duurt dan 3 dagen; onder de duur van een evenement valt ook de op- en afbouw periode.
Binnen het werkingsgebied Evenementen Koemarkt is een evenementenactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.49 toegestaan mits:
De evenementenactiviteit plaatsvindt binnen het werkingsgebied Evenementen Koemarkt;
niet meer dan 20 evenementenactiviteiten per jaar plaatsvinden;
het aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is per evenement niet meer dan 10.000 is;
de evenementenactiviteit plaatsvindt tussen 08:00 - 01:00; en
de evenementenactiviteit niet langer dan 28 dagen duurt; onder de duur van een evenement valt ook de op- en afbouw periode.
in afwijking van sub e kan één evenementenactiviteit per jaar niet langer dan 30 dagen duren; onder de duur van een evenement valt ook de op- en afbouw periode.
Binnen het werkingsgebied Evenementen Kaasmarkt is een evenementenactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.49 toegestaan mits:
De evenementenactiviteit plaatsvindt binnen het werkingsgebied Evenementen Kaasmarkt;
niet meer dan 11 evenementenactiviteiten per jaar plaatsvinden;
het aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is per evenement niet meer dan 1.500 is;
de evenementenactiviteit plaatsvindt tussen 08:00 - 01:00; en
de evenementenactiviteit niet langer duurt dan 3 dagen; onder de duur van een evenement valt ook de op- en afbouw periode.
Binnen het werkingsgebied Evenementen Schapenmarkt is een evenementenactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.49 toegestaan mits:
de evenementenactiviteit plaatsvindt binnen het werkingsgebied Evenementen Schapenmarkt
niet meer dan 2 evenementenactiviteiten per jaar plaatsvinden;
het aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is per evenement niet meer dan 7.500 is;
de evenementenactiviteit plaatsvindt tussen 08:00 - 01:00; en
de evenementenactiviteit niet langer duurt dan 14 dagen; onder de duur van een evenement valt ook de op- en afbouw periode.
De regels in deze subparagraaf zijn in aanvulling op het bepaalde in subparagraaf 5.3.5.4.2, 5.3.5.4.3, 5.3.5.4.4.
Binnen het werkingsgebied Evenementen overige zone binnenstad is een evenementenactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.49 toegestaan mits:
de evenementenactiviteit plaatsvindt binnen het werkingsgebied Evenementen overige zone binnenstad;
niet meer dan 21 evenementenactiviteiten per jaar plaatsvinden;
het aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is per evenement maximaal 10.000 is;
de evenementenactiviteit plaatsvindt tussen13:00 - 23.00; en
de evenementenactiviteit niet langer duurt dan 3 dagen; onder de duur van een evenement valt ook de op- en afbouw periode.
De in artikel 5.32 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied 'evenementen' waarbij de volgende regels gelden:
PPPP
Afdeling 5.3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden over de tijden die zijn genoemd in artikel 5.365.60 tot en met 5.385.62.
Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de tijden zoals genoemd in artikel 5.365.60 tot en met artikel 5.385.62, mits naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders de woon- en leefomgeving van nabijgelegen woningen niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloedtbeïnvloed door het verrichten van horeca-activiteiten buiten de reguliere openingstijden.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
Als horeca-activiteit wordt aangewezen het exploiteren van een horecabedrijf waarbij de tijden waarop de activiteit wordt verricht overeenkomt met de tijden waarop de in dit omgevingsplan aangewezen detailhandelsactiviteiten worden verricht.:
Onder de aanwijzing in het eerste lid valt niet:
Als horeca-activiteit wordt aangewezen het exploiteren van een horecabedrijf waarbij de tijden waarop de activiteit wordt verricht tussen 07:00 en 01:00 liggen.
Onder de aanwijzing in het eerste lid valt niet:
Als horeca-activiteit wordt aangewezen het exploiteren van een horecabedrijf waarbij de tijden waarop de activiteit wordt verricht tussen 07:00 en 01:00 liggen.
Als horeca-activiteit wordt aangewezen het exploiteren van een horecabedrijf waarbij de tijden waarop de activiteit wordt verricht tussen 07:00 en 04:00 liggen.
Onder de aanwijzing in het eerste lid vallen ook ondergeschikte nevenactiviteiten die op dezelfde locatie worden verricht.
Als horeca-activiteit wordt aangewezen het exploiteren van een horecabedrijf voor recreatief nachtverblijf.
Als horeca-activiteit wordt aangewezen het aanbieden van een bezorgservice, waarbij consumpties niet ter plaatse, maar op een andere externe locatie aan de afnemer worden geleverd en genuttigd.
Als horeca-activiteit wordt aangemerkt het exploiteren van een horecabedrijf waar klanten de mogelijkheid wordt geboden om ter plaatse een waterpijp te roken.
Als horeca-activiteit wordt aangewezen het bieden van een sta- of zitgelegenheid waarbij tegen vergoeding dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.
De in artikel 5.60 en 5.61 aangewezen activiteiten zijn toegestaan.
De in artikel 5.365.60 aangewezen activiteiten zijn toegelaten in het werkingsgebied 'horeca-activiteit 1'.
De in artikel 5.60 en 5.61 aangewezen activiteiten zijn toegelaten in het werkingsgebied 'horeca-activiteit 1 en 2.
De in artikel 5.63 aangewezen activiteiten worden uitsluitend verricht binnen het werkingsgebied 'horeca-activiteit 4'.
De in artikel 5.64 aangewezen activiteit wordt uitsluitend verricht binnen het werkingsgebied 'recreatief nachtverblijf'.
De in artikel 5.66 aangewezen activiteit wordt uitsluitend verricht binnen het werkingsgebied 'shishalounges'.
Binnen het werkingsgebied 'shishalounges' wordt niet meer dan het maximale aantal shishaloungesgeëxploiteerd.
De in het eerste lid aangewezen activiteit wordt uitsluitend verricht in de eerste bouwlaag van een gebouw .
Het is verboden de in het eerste lid aangewezen activiteit uit te voeren als in hetzelfde gebouw een woonactiviteit zoals aangewezen in afdeling 5.3.12 aanwezig is.
[Red: Artikel 5.40 verplaatst van paragraaf 5.3.5.5 naar subparagraaf 5.3.6.5.1. ]
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een horeca-activiteit te verrichten in het gebiedstype groen en recreatie zoals bedoeld in afdeling 4.1.4.
[Red: Artikel 5.41 verplaatst van paragraaf 5.3.5.5 naar subparagraaf 5.3.6.5.1. ]
De vergunning als bedoeld in artikel 5.405.74 wordt alleen verleend als:
de aangevraagde activiteit onder de aanwijzing van artikel 5.365.60 valt;
de aangevraagde activiteit wordt uitgevoerd binnen het werkingsgebied 'seizoensgebonden horeca'; en
de activiteit naar aard, omvang en uitstraling past binnen het karakter van de omgeving;
de activiteiten zodanig plaatsvinden dat er sprake is van seizoensgebonden activiteiten.
de aangevraagde activiteit zodanig plaatsvindt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat; en
de activiteit een duidelijk seizoensgebonden karakter heeft, blijkend uit een beperkte exploitatieperiode per kalenderjaar en een tijdelijke inrichting of voorziening.
[Red: Artikel 5.42 verplaatst van paragraaf 5.3.5.5 naar subparagraaf 5.3.6.5.1. ]
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.405.74 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de plattegrond van iedere verdieping van het gebouw in de huidige en beoogde situatie;
een beschrijving van de aard en omvang van de horeca-activiteit, inclusief het beoogde gebruik van het gebouw en de gronden;
een toelichting op het beoogde gebruik van het gebouw en de gronden; en
een opgave van de openingstijden;
een toelichting op de periode waarin de activiteiten plaatsvinden., waaruit het seizoensgebonden karakter blijkt;
een beschrijving van de te verwachten effecten op de omgeving, waaronder geluid, bezoekersaantallen en verkeer en parkeren;
een omschrijving van de maatregelen die worden getroffen ter voorkoming of beperking van overlast;
een beschrijving van de inrichting en het gebruik van het terrein, waaronder eventuele terrassen en tijdelijke voorzieningen; en
een situatietekening of globale plattegrond.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een horeca-activiteit zoals bedoeld in artikel 5.64 te verrichten.
De vergunning als bedoeld in artikel 5.77 wordt alleen verleend als:
de aangevraagde activiteit wordt uitgevoerd binnen het werkingsgebied 'kernwinkelgebied' en 'centrumrandzone';
de activiteiten zodanig plaatsvinden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat;
de activiteit naar aard en schaal past binnen het karakter van de omgeving;
de duur van het verblijf per gebruiker is beperkt tot kortdurend recreatief gebruik; en
wordt voorzien in een passende parkeer- en verkeersafwikkeling;
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.77 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de aard en omvang van het recreatief nachtverblijf, waaronder het aantal slaapplaatsen, de maximale bezetting en de maximale verblijfdsduur;
een beschrijving van het gebruik van het gebouw en de gronden;
een beheerplan, waarin in ieder geval is opgenomen: de wijze van toezicht, een 24/7 aanspreekpunt en maatregelen ter voorkoming van overlast;
een beschrijving van de verwachten effecten op de omgeving, waaronder geluid, bezoekersstromen en verkeer;
een beschrijving van de parkeervoorzieningen en de wijze van ontsluiting;
een beschrijving van de maatregelen ter voorkoming van: geluidoverlast, afval- en zwerfafval en hinder voor omwonende; en
een globale plattegrond of situatietekening voor inzicht in gebruik.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een horeca-activiteit zoals bedoeld in artikel 5.62 te verrichten.
De vergunning als bedoeld in artikel 5.80 wordt alleen verleend als:
de aangevraagde activiteit wordt uitgevoerd binnen het werkingsgebied 'vergunningplicht horeca-activiteit 3;
de activiteiten zodanig plaatsvinden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat;
de activiteit naar aard, omvang en uitstraling past binnen het karakter van het gebied;
de openingstijden zijn beperkt tot de periode tussen 07.00 en 01.00;
wordt voorzien in een passende parkeer- en verkeersafwikkeling; en
de activiteit, mede gelet op de nachtelijke openingstijden, geen onevenredige hinder veroorzaakt door: geluid van bezoekers, gebruik van buitenruimtes en de verkeer aantrekkende werking.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.80 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een omschrijving van de aard en omvang van de horeca activiteit, inclusief: type horecabedrijf, maximale bezoekerscapaciteit, gebruik van binnen en buitenruimtes;
een opgave van de openingstijden;
een beschrijving van de te verwachten effecten op de omgeving, waaronder geluid, bezoekersstromen, verkeer en parkeren;
een omschrijving van de maatregelen die worden getroffen ter voorkoming of beperking van overlast;
een beschrijving van het gebruik van terrassen en buitenruimten;
een beschrijving van de wijze van beheer en toezicht;
een globale plattegrond of situatietekening voor inzicht in gebruik.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een horeca-activiteit zoals bedoeld in artikel 5.63 te verrichten.
De vergunning als bedoeld in artikel 5.83 wordt alleen verleend als:
de aangevraagde activiteit wordt uitgevoerd binnen het werkingsgebied 'vergunningplicht horeca-activiteit 4';
de activiteiten zodanig plaatsvinden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat;
de activiteit naar aard, omvang en uitstraling past binnen het karakter van het gebied;
de openingstijden zijn beperkt tot de periode tussen 07:00 en 04:00 uur;
wordt voorzien in een passende parkeer- en verkeersafwikkeling; en
de activiteit, mede gelet op de nachtelijke openingstijden, geen onevenredige hinder veroorzaakt door: geluid van bezoekers, gebruik van buitenruimtes en de verkeer aantrekkende werking.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.83 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een omschrijving van de aard en omvang van de horeca activiteit, inclusief: type horecabedrijf, maximale bezoekerscapaciteit, gebruik van binnen en buitenruimtes;
een opgave van de openingstijden;
een beschrijving van de te verwachten effecten op de omgeving, waaronder geluid, bezoekersstromen, verkeer en parkeren;
een omschrijving van de maatregelen die worden getroffen ter voorkoming of beperking van overlast;
een beschrijving van het gebruik van terrassen en buitenruimten;
een beschrijving van de wijze van beheer en toezicht;
een globale plattegrond of situatietekening voor inzicht in gebruik.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een horeca-activiteit zoals bedoeld in artikel 5.67 te verrichten.
Het verbod zoals bedoeld in artikel 5.86 geldt niet voor horecaterrassen die niet breder zijn dan de gevel van het gebouw waar de activiteit bij wordt verricht en die niet dieper zijn dan 3 m.
De vergunning als bedoeld in artikel 5.86 wordt alleen verleend als:
de activiteit zodanig plaatsvindt zodat er sprake is van een veilige fysieke leefomgeving, daaronder mede begrepen de verkeersveiligheid;
de activiteit zodanig plaatsvindt zodat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat;
het beheer van de infrastructuur niet onevenredig wordt geschaad;
de situering en inrichting van het terras geen belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare ruimte en infrastructuur;
het gebruik van het terras niet leidt tot onevenredige geluidhinder, waaronder stemgeluid van bezoekers;
Het college kan voorschriften verbinden aan de vergunning bedoeld in artikel 5.86 over:
QQQQ
Het opschrift van afdeling 5.3.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRR
Het opschrift van paragraaf 5.3.6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSS
Artikel 5.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als kantooractiviteit wordt aangewezen het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch of een daarmee gelijk te stellen gebied waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.
Onder de aanwijzing in het eerste lid vallen ook ondergeschikte nevenactiviteiten die op dezelfde locatie worden verricht.
TTTT
Het opschrift van paragraaf 5.3.6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUU
Artikel 5.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in artikel 5.435.90 aangewezen activiteiten zijn toegelaten.
VVVV
Het opschrift van paragraaf 5.3.6.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWW
Artikel 5.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXX
Het opschrift van afdeling 5.3.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYY
Het opschrift van paragraaf 5.3.7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZ
Het opschrift van artikel 5.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAA
Het opschrift van artikel 5.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBB
Het opschrift van artikel 5.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCC
Het opschrift van artikel 5.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDD
Het opschrift van artikel 5.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEE
Na artikel 5.50 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Als maatschappelijke activiteit wordt aangewezen het benutten van locaties voor een begraafplaats.
Onder de aanwijzing in het eerste lid vallen ook ondergeschikte nevenactiviteiten die op dezelfde locatie worden verricht.
FFFFF
Paragraaf 5.3.7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGG
Paragraaf 5.3.7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in artikel 5.475.94 tot en met artikel 5.505.97 aangewezen activiteiten worden uitsluitend verricht binnen het werkingsgebied 'maatschappelijke voorzieningen'.
De in artikel 5.485.95 en artikel 5.495.96 aangewezen activiteiten worden binnen het werkingsgebied 'maatschappelijk uitsluitend op begane grond' uitsluitend verricht op de begane grond.
De in artikel 5.98 aangewezen activiteiten worden uitsluiten verricht binnen het werkingsgebied 'begraafplaats'.
HHHHH
Het opschrift van afdeling 5.3.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIII
Het opschrift van paragraaf 5.3.8.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJ
Het opschrift van artikel 5.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKK
Het opschrift van artikel 5.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLL
Het opschrift van artikel 5.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMM
Het opschrift van artikel 5.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNN
Het opschrift van artikel 5.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOO
Het opschrift van paragraaf 5.3.8.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPP
Artikel 5.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQ
Paragraaf 5.3.8.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in artikel 5.545.104 aangewezen activiteit mag alleen worden verricht binnen het werkingsgebied 'volkstuinen'.
De in artikel 5.555.105 aangewezen activiteit mag alleen worden verricht binnen het werkingsgebied 'schooltuinen'.
De in artikel 5.565.106 aangewezen activiteit mag alleen worden verricht binnen het werkingsgebied 'heemtuinen'.
De in artikel 5.575.107 aangewezen activiteit mag alleen worden verricht binnen het werkingsgebied 'speeltuinen'.
RRRRR
Het opschrift van afdeling 5.3.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSS
Het opschrift van paragraaf 5.3.9.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTT
Het opschrift van artikel 5.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUU
Artikel 5.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in artikel 5.635.113 aangewezen activiteit wordt alleen verricht binnen het werkingsgebied 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg' waarbij de maximale doorzet van het vulpunt 499 m3 per jaar is.
VVVVV
Het opschrift van afdeling 5.3.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWW
Het opschrift van paragraaf 5.3.10.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXX
Het opschrift van artikel 5.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYY
Het opschrift van paragraaf 5.3.10.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZ
Het opschrift van paragraaf 5.3.10.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAA
Artikel 5.66 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in artikel 5.655.115 aangewezen activiteiten worden uitsluitend verricht binnen het werkingsgebied 'sportaccomodatie'.
BBBBBB
Het opschrift van afdeling 5.3.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCC
Het opschrift van paragraaf 5.3.11.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDD
Het opschrift van artikel 5.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEE
Het opschrift van artikel 5.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFF
Het opschrift van paragraaf 5.3.11.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGG
Het opschrift van subparagraaf 5.3.11.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHH
Artikel 5.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In één woning woont slechts één huishouden.
In afwijking van het eerste lid kan in één woning anders dan door één huishouden worden gewoond, als dat uit de functie of functieaanduiding blijkt.
Voor de toepassing van deze regels geldt als één huishouden ook:
Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners:
wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en
heeft een zelfstandige woonruimte ten minste 40m2 gebruiksoppervlakte in de Binnenstad en 50 m2 gebruiksoppervlakte in de rest van het ambtsgebied; en
wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
Het vierde lid geldt niet voor woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.
IIIIII
Het opschrift van subparagraaf 5.3.11.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJ
Artikel 5.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze subparagraaf gaat over het wonen in een woning en een wooneenheid.
Deze subparagraaf gaat niet over short stay en de in subparagraaf 5.3.8.15.3.9.1 aangewezen activiteiten.
Deze subparagraaf gaat niet over het wonen in een een drijvende woning zoals aangewezen in subparagraaf 5.3.11.2.45.3.12.2.4.
KKKKKK
Het opschrift van artikel 5.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLL
Het opschrift van artikel 5.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMM
Het opschrift van artikel 5.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNN
Artikel 5.74 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.735.123 wordt alleen verleend als:
de voor het gebiedstype waar de woning of wooneenheid wordt toegevoegd geldende normen uit titel 5.2 in acht worden genomen;
de toelaatbaarheid van de woningen in verband met mogelijk risico binnen een aandachtsgebied wordt beschouwd;
de privacy van omwonenden niet onevenredig wordt aangetast;
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; en
er wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht parkeren zoals bedoeld in paragraaf 5.2.4.15.2.6.1.
OOOOOO
Artikel 5.75 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.735.123 betrekking heeft op een gebied waar nog geen normen zijn toegevoegd aan titel 5.2 wordt de vergunning alleen verleend als de normen voor geluid, geur, trillingen en bodemkwaliteit zoals opgenomen in hoofdstuk 22 in acht worden genomen.
PPPPPP
Na artikel 5.75 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.123 wordt binnen het werkingsgebied 'kernwinkelgebied' alleen verleend als de activiteit niet wordt verricht op de begane grond.
QQQQQQ
Artikel 5.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.735.123 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de plattegrond van iedere verdieping van het gebouw in de huidige en beoogde situatie;
onderzoeken over de waarden die zijn gesteld in titel 5.2 danwel artikel 5.755.125;
als de woning binnen een aandachtsgebied externe veiligheid is gelegen: een advies van de Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland;
een situatietekening waaruit blijkt hoe het terrein ontsloten wordt; en
een situatietekening van de reeds aanwezige parkeerplaatsen en nieuw te realiseren parkeerplaatsen.
RRRRRR
Het opschrift van subparagraaf 5.3.11.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSS
Het opschrift van artikel 5.77 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTT
Artikel 5.78 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUU
Artikel 5.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.775.128 kan worden verleend als:
de woning in ieder geval één gezamenlijke huiskamer niet zijnde de keuken of een slaapkamer met een gebruiksoppervlakte van ten minste 18 m² conform NEN 2580 heeft;
een woning wordt omgezet tot maximaal vier kamers;
er sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor fietsen op eigen terrein; en
er wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht parkeren zoals bedoeld in paragraaf 5.2.4.15.2.6.1.
VVVVVV
Artikel 5.80 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWW
Artikel 5.81 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.775.128 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de aard en het huidige gebruik van de woonruimte(n) waarop de aanvraag betrekking heeft;
één of meer tekeningen van de plattegrond op schaal van iedere verdieping van het gebouw, alsmede van de verdieping of verdiepingen waarop de aanvraag betrekking heeft, met een aanduiding van de beoogde bestemming; en
een situatietekening waaruit de situering van het gebouw ten opzichte van de in de nabijheid gelegen bouwwerken blijkt.
XXXXXX
Het opschrift van subparagraaf 5.3.11.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYY
Het opschrift van artikel 5.82 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZ
Artikel 5.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in artikel 5.825.133 aangewezen activiteit wordt alleen verricht binnen het werkingsgebied 'ligplaats'.
AAAAAAA
Het opschrift van subparagraaf 5.3.11.2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBB
Het opschrift van artikel 5.84 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCC
Het opschrift van artikel 5.85 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDD
Artikel 5.86 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEE
Het opschrift van subparagraaf 5.3.11.2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFF
Het opschrift van artikel 5.87 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGG
Het opschrift van artikel 5.88 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHH
Artikel 5.89 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIII
Het opschrift van subparagraaf 5.3.11.2.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJ
Het opschrift van artikel 5.90 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKK
Het opschrift van afdeling 5.3.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLL
Het opschrift van paragraaf 5.3.12.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMM
Het opschrift van artikel 5.91 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNN
Het opschrift van paragraaf 5.3.12.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOO
Het opschrift van subparagraaf 5.3.12.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPP
Het opschrift van artikel 5.92 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQ
Artikel 5.93 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in artikel 5.925.143 aangewezen activiteit wordt alleen verricht binnen het werkingsgebied 'gemaal'.
RRRRRRR
Het opschrift van subparagraaf 5.3.12.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSS
Het opschrift van artikel 5.94 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTT
Artikel 5.95 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in artikel 5.945.145 aangewezen activiteit wordt alleen verricht binnen het werkingsgebied 'spoorweg'.
UUUUUUU
Het opschrift van subparagraaf 5.3.12.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVV
Het opschrift van artikel 5.96 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWW
Artikel 5.97 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in artikel 5.965.147 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied 'buisleiding voor het transport van gas'.
XXXXXXX
Het opschrift van artikel 5.98 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYY
Het opschrift van subparagraaf 5.3.12.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZ
Het opschrift van artikel 5.99 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAA
Het opschrift van artikel 5.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBB
Artikel 5.101 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCC
Artikel 5.102 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.101 wordt alleen verleend als:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.152 wordt alleen verleend indien de activiteit zodanig wordt verricht dat sprake is van een aanvaardbaar niveau van veiligheid voor de fysieke leefomgeving. Daarvan is in ieder geval sprake indien het energieopslagsysteem wordt gerealiseerd en geëxploiteerd in overeenstemming met:
vloeren van bouwwerken waar accu's in geplaatst zijn, zo veel mogelijk vrij zijn van oneffenheden en gevaarlijke hellingen en voorts zo veel mogelijk vast, stabiel en stroef zijn uitgevoerd;
PGS 37-1 (de Nederlandse veiligheidsrichtlijn voor het veilig opslaan van elektriciteit in lithium-ion Energie Opslag Systemen (EOS) met een capaciteit van 20 kWh of meer); en
de ruimte zodanig is uitgevoerd dat zelfstandige stabiliteit blijvend gewaarborgd is en bestand is tegen de in de praktijk te verwachten mechanische belastingen;
PGS 37-2 (de Nederlandse veiligheidsrichtlijn voor de opslag van lithiumhoudende energiedragers).
de brandwerendheid, bepaald volgens NEN 6069, tussen het energieopslagsysteem en de begrenzing van de locatie, een ander bouwwerk, niet zijnde een energieopslagsysteem, dat tot de locatie behoort, of andere brandbare objecten ten minste 60 minuten bedraagt;
de brandwerendheid is tenminste gebaseerd op de aanwezige brandlast en bijbehorende temperaturen;
de brandwerendheid van binnendeuren ten minste gelijk is aan de wand van de ruimte waarin ze geplaatst zijn;
de buitendeuren en -kozijnen zijn uitgevoerd in de staal en/of aluminium;
de ventilatieroosters:
het dak:
Het bouwwerk altijd met een vrachtauto middels een verharde weg vrij bereikbaar is en voldoende ruimte biedt voor het uitwisselen van accu’s. De toegangsweg is uitgevoerd in elementenverharding, betonstraatsteen dan wel straatklinker. De breedte van de weg minimaal 3,5 meter te bedraagt;
de koeling in de schakel- en accuruimte van voldoende warmteafvoer is voorzien waardoor de veiligheid van de installatie als geheel niet in het geding komt.
In afwijking van het eerste lid, onder c kan de omgevingsvergunning ook worden verleend als
de brandwerendheid, bepaald volgens NEN 6069, tussen het energieopslagsysteem en de begrenzing van de locatie, een ander bouwwerk, niet zijnde een energieopslagsysteem, dat tot de locatie behoort, of andere brandbare objecten ten minste 30 minuten bedraagt, voor zover de afstand van het energieopslagsysteem tot de begrenzing van de locatie, een ander bouwwerk dat tot de locatie behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 5 m en minder dan 10 m bedraagt; of
de afstand van het energieopslagsysteem tot de begrenzing van de locatie, een ander bouwwerk dat tot de locatie behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 10 m bedraagt.
DDDDDDDD
Het opschrift van subparagraaf 5.3.12.2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEE
Het opschrift van artikel 5.103 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFF
Artikel 5.104 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in artikel 5.925.143 aangewezen activiteit wordt alleen verricht binnen het werkingsgebied 'warmwatervoorziening'.
GGGGGGGG
Het opschrift van subparagraaf 5.3.12.2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHH
Het opschrift van artikel 5.105 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIII
Artikel 5.106 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in artikel 5.1055.156 aangewezen activiteit wordt alleen verricht binnen het werkingsgebied 'openbaarvervoerstation'.
JJJJJJJJ
Na subparagraaf 5.3.12.2.6 worden twee subparagrafen ingevoegd, luidende:
Als activiteit wordt aangewezen het benutten van gebouwen en locaties voor fietsparkeergarages.
De in artikel 5.158 aangewezen activiteit is toegestaan.
Als activiteit wordt aangewezen het benutten van gebouwen en locaties voor autoparkeergarages.
De in artikel 5.160 aangewezen activiteit is toegestaan.
KKKKKKKK
Het opschrift van paragraaf 5.3.12.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLL
Het opschrift van subparagraaf 5.3.12.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMM
Het opschrift van artikel 5.107 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNN
Het opschrift van subparagraaf 5.3.12.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOO
Artikel 5.108 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen het werkingsgebied openbare ruimte zijn de activiteiten zoals bedoeld in artikel 5.1075.162 toegestaan.
PPPPPPPP
Het opschrift van afdeling 5.3.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQ
Artikel 5.109 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheidbouwveilligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
RRRRRRRR
Het opschrift van artikel 5.110 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSS
Het opschrift van artikel 5.111 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTT
Het opschrift van artikel 5.112 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUU
Het opschrift van artikel 5.113 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVV
Het opschrift van artikel 5.114 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWW
Artikel 5.115 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, behoren tot de gegevens en bescheiden, bedoeld in deze afdeling , in elk geval:
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.1175.172, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.1175.172, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.1175.172, redelijkerwijs is uit te sluiten.
XXXXXXXX
Het opschrift van artikel 5.116 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYY
Artikel 5.117 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 5.1165.171, eerste lid, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarden bedoeld in het eerste lid.
Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
ZZZZZZZZ
Artikel 5.118 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Aan een omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassing van artikel 5.1165.171, tweede lid, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het bodemgevoelige gebouw op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik wordt genomen na de bouwactiviteit, nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in datzelfde lid, zijn getroffen.
AAAAAAAAA
Artikel 5.119 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op een bodemgevoelig gebouw, als het bouwen daarvan is uitgezonderd van de vergunningplicht bedoeld in deze afdeling.
Het is verboden een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;
de dagtekening; en
bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.1175.172, eerste lid: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
BBBBBBBBB
Het opschrift van artikel 5.120 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCC
Het opschrift van artikel 5.121 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDD
Artikel 5.122 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen en in stand te laten anders dan de bebouwing genoemd in artikel 5.1215.176.
EEEEEEEEE
Artikel 5.123 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1225.177 wordt alleen verleend als:
het aangevraagde bouwwerk past in de aanwezige karakteristiek van de stedenbouwkundige context;
het bouwwerk qua bouwhoogte en opbouw in de structuur van de bebouwing op de belendende percelen past;
het bouwwerk de aanwezige straatwand respecteert;
de dakhelling en het dakvlak in goede verhouding tot de gevels staan;
de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet onevenredig worden aangetast;
bij vervangende nieuwbouw de oppervlakte maximaal 10% groter is dan het te vervangen hoofdgebouw;
voldaan wordt aan paragraaf 5.2.4.15.2.6.1 Parkeernormen A; en
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de ter plaatse gewenste omgevingskwaliteit, zoals beoordeeld volgens de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend, tenzij het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
FFFFFFFFF
Het opschrift van artikel 5.124 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGG
Het opschrift van artikel 5.125 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHH
Het opschrift van artikel 5.126 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIII
Artikel 5.127 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen het werkingsgebied 'appartementencomplex' wordt de omgevingsvergunning zoals bedoeld in 5.181 alleen verleend als:
het hoofdgebouw volledig wordt gebouwd binnen het bouwvlak appartementencomplexen;
het hoofdgebouw niet hoger is dan de maximale bouwhoogte appartementencomplexen;
het bouwvlak appartementencomplexen niet voor meer dan het maximale bebouwingspercentage appartementencomplexen is bebouwd;
het hoofdgebouw heeft een vloerpeil dat minstens 20 centimeter hoger dan het laagste punt van het straatpeil is;
voldaan wordt aan paragraaf 5.2.4.25.2.6.2 Parkeernormen B; en
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de ter plaatse gewenste omgevingskwaliteit, zoals beoordeeld volgens de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend, tenzij het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
JJJJJJJJJ
Artikel 5.128 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1265.181 wordt alleen verleend als het hoofdgebouw, voor zover gelegen binnen het werkingsgebied 'Hoogteaccent', is voorzien van een hoogteaccent dat niet hoger is dan het hoogteaccent appartementencomplexen.
KKKKKKKKK
Artikel 5.129 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De vergunning zoals bedoeld in artikel 5.1265.181 wordt alleen verleend als in het hoofdgebouw voldoende fietsparkeerplekken in individuele bergingen of gezamenlijke fietsenstallingen zijn gerealiseerd.
Er worden voldoende fietsparkeerplekken gerealiseerd indien er is voldaan aan paragraaf 5.2.4.35.2.6.3 Fietsparkeren.
LLLLLLLLL
Artikel 5.130 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMM
Artikel 5.131 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1265.181 wordt alleen verleend als het hoofdgebouw, voor zover gelegen binnen het werkingsgebied 'transparante gevel', op de eerste bouwlaag is voorzien van een transparante gevel.
NNNNNNNNN
Artikel 5.132 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOO
Het opschrift van artikel 5.133 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPP
Het opschrift van artikel 5.134 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQ
Het opschrift van artikel 5.135 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRR
Artikel 5.136 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen het werkingsgebied 'grondgebonden woningen' wordt de omgevingsvergunning zoals bedoeld in 5.1355.190 alleen verleend als:
het hoofdgebouw wordt volledig gebouwd binnen het werkingsgebied 'bouwvlak grondgebonden woningen';
de goothoogte van het hoofdgebouw niet hoger is dan de maximale goothoogte grondgebonden woningen;
de bouwhoogte van het hoofdgebouw niet hoger is dan de maximale bouwhoogte grondgebonden woningen;
het werkingsgebied 'bouwvlak grondgebonden woningen' niet meer dan het maximale bebouwingspercentage grondgebonden woningen is bebouwd;
het hoofdgebouw heeft een vloerpeil dat minstens 20 centimeter hoger dan het laagste punt van het straatpeil is;
voldaan wordt aan paragraaf 5.2.4.25.2.6.2 Parkeernormen B; en
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de ter plaatse gewenste omgevingskwaliteit, zoals beoordeeld volgens de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend, tenzij het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
SSSSSSSSS
Het opschrift van artikel 5.137 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTT
Het opschrift van artikel 5.138 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUU
Het opschrift van artikel 5.139 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVV
Artikel 5.140 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1395.194 alleen verleend als:
het hoofdgebouw wordt gebouwd binnen het bouwvlak ontwikkelgebied;
het hoofdgebouw niet hoger is dan het maximale aantal bouwlagen;
de lengte van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan maximale lengte;
de breedte van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan de lengte van het hoofdgebouw;
het hoofdgebouw een vloerpeil heeft dat minstens 20 centimeter hoger dan het laagste punt van het straatpeil is;
voldaan wordt aan paragraaf 5.2.4.15.2.6.1 Parkeernormen A;
voldaan wordt aan afdeling 5.2.55.2.7 Woningbouwcategorieën;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de ter plaatse gewenste omgevingskwaliteit, zoals beoordeeld volgens de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend, tenzij het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
WWWWWWWWW
Artikel 5.141 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1395.194 kan in afwijking van artikel 5.1405.195, aanhef en onder b ook worden verleend als niet meer dan bebouwde oppervlakte (%) van het hoofdgebouw niet hoger is dan het hoogteaccent.
XXXXXXXXX
Artikel 5.142 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1395.194 wordt alleen verleend als:
de hoofdentree van het hoofdgebouw naar straatzijde georiënteerd is; en
overige zijden van het hoofdgebouw grenzen aan openbaar toegankelijk groen of een binnentuin behorende bij het hoofdgebouw.
YYYYYYYYY
Artikel 5.143 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1395.194 wordt alleen verleend als iedere woning in het hoofdgebouw is voorzien van een buitenruimte.
Door de realisatie van een buitenruimte mag de privacy van omwonenden buiten het ontwikkelgebied woningbouw niet onevenredig wordt aangetast.
De privacy van omwonenden buiten het ontwikkelgebied woningbouw wordt niet onevenredig aangetast indien er is voldaan aan Artikel 50 Burgerlijk Wetboek Boek 5.
ZZZZZZZZZ
Artikel 5.144 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1395.194 wordt alleen verleend als in het hoofdgebouw voldoende fietsparkeerplekken in individuele bergingen of gezamenlijke fietsenstallingen zijn gerealiseerd.
Er worden voldoende fietsparkeerplekken gerealiseerd indien er is voldaan aan paragraaf 5.2.4.35.2.6.3.
AAAAAAAAAA
Artikel 5.145 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1395.194 wordt alleen verleend als er sprake is van een aanvaardbare hoeveelheid zonuren op de gevels van bestaande woningen.
Er is sprake van een aanvaardbare hoeveelheid zonuren als ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van een bestaande woning behouden blijven.
Er is geen sprake van een aanvaardbare hoeveelheid zonuren als de bouw van het nieuwe hoofdgebouw leidt tot een afname van meer dan 3 bezonningsuren per dag op de gevel van bestaande woningen.
BBBBBBBBBB
Artikel 5.146 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1395.194 wordt alleen verleend als de trillingsniveaus in trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen in het ontwikkelgebied bij een spoorweg voldoen aan de streefwaarden van de SBR richtlijn - deel B.
CCCCCCCCCC
Artikel 5.147 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1395.194 wordt alleen verleend als water dat afvloeit van nieuw toe te voegen verhard oppervlakte wordt geïnfiltreerd in de bodem, voor zover dit niet leidt tot grondwateroverlast bij omliggende percelen.
Voor zover infiltratie van water in de bodem op grond van het eerste lid niet mogelijk of wenselijk is, moet het nieuw aangebrachte verharde oppervlak worden gecompenseerd door binnen hetzelfde peilgebied 15 procent van het nieuw aangebrachte verharde oppervlak als verbreed of nieuw oppervlaktewater te graven.
Het tweede lid is niet van toepassing als er minder dan 230 m2 nieuw verhard oppervlak wordt aangebracht.
Voordat het nieuwe verharde oppervlak wordt aangelegd wordt de vereiste compensatie van nieuw oppervlaktewater gerealiseerd.
Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1395.194, wordt het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier in de gelegenheid gesteld een advies uit te brengen.
Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1395.194, wordt rekening gehouden met het advies van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier voor zover dat op grond en met inachtneming van de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is gegeven.
Het eerste tot en met het zesde lid zijn niet van toepassing indien er minder dan 25 m2 nieuw verhard oppervlak wordt aangebracht.
DDDDDDDDDD
Artikel 5.148 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een aanvraag omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1395.194 wordt alleen verleend als de realisatie van het bouwplan voorziet in voldoende klimaatadaptieve maatregelen.
Bij het nemen van klimaatadaptieve maatregelen zoals bedoeld in het eerste lid wordt rekening gehouden met het basisveiligheidsniveau dat is genoemd in paragraaf 3.1 van het Basisveiligheidsniveau klimaatbestendige nieuwbouw 3.0.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op indien het hoofdgebouw kleiner is dan 100 m2.
EEEEEEEEEE
Artikel 5.149 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf worden verbonden over artikel 5.1405.195 tot en met artikel 5.1485.203.
Met een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de eisen in artikel 5.1475.202, eerste en tweede lid.
Bij de toepassing van het tweede lid wordt het advies van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier in acht genomen.
FFFFFFFFFF
Artikel 5.150 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie;
het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de bouwhoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; en
gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan normen genoemd in titel 5.2 Normen met betrekking tot beheer en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving.
Ten behoeve van de toetsing aan de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
kleurenfoto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.
Ten behoeve van de toetsing aan de specifieke beoordelingsregels zoals opgenomen in artikel 5.1425.197 tot en met artikel 5.1485.203 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een bezonningsstudie;
een onderzoek naar trillingen van passerende treinen;
een akoestisch onderzoek;
een opgave van de toe- of afname in verhard oppervlak;
een overzicht van maatregelen ten behoeve van de compensatie van een toename in verhard oppervlak;
een risicoanalyse van de te verwachten klimaatrisico's waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan:
een overzicht van te nemen maatregelen om eventuele klimaatrisico's te voorkomen dan wel te verminderen.
GGGGGGGGGG
Na paragraaf 5.4.1.5 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, veranderen en in stand houden van gebouwen binnen het werkingsgebied 'bestaande gebouwen binnenstad'.
Het is toegestaan een gebouw binnen het werkingsgebied bestaande gebouwen binnenstad in stand te houden dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel van het omgevingsplan feitelijk aanwezig was, voor zover dat gebouw direct voor de inwerkingtreding van deze paragraaf in overeenstemming was met de op dat moment geldende regels van het omgevingsplan of een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van dat gebouw.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw te bouwen en in stand te laten anders dan de bebouwing genoemd in artikel 5.207
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.208 wordt alleen verleend als:
het aangevraagde bouwwerk past in de aanwezige karakteristiek van de stedenbouwkundige context;
het bouwwerk qua bouwhoogte en opbouw in de structuur van de bebouwing op de belendende percelen past;
het bouwwerk de aanwezige straatwand respecteert;
de dakhelling en het dakvlak in goede verhouding tot de gevels staan;
de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet onevenredig worden aangetast;
bij vervangende nieuwbouw de oppervlakte maximaal 10% groter is dan het te vervangen gebouw;
voldaan wordt aan paragraaf 5.2.6.1 Parkeernormen;
sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting in het geval sprake is van een geluidgevoelige functie, waarbij rekening wordt gehouden met de regels uit afdeling 5.2.4;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de ter plaatse gewenste omgevingskwaliteit, zoals beoordeeld volgens de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend, tenzij het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend;
de bouwactiviteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden van het gebouw of diens directe omgeving.
In aanvulling op de beoordelingsregels zoals opgenomen in artikel 5.209 wordt binnen het werkingsgebied 'grondgebied eigendom gemeente' de omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.208 alleen verleend als wordt voldaan aan de beleidsregels zoals vastgesteld in het 'Ambitiedocument Natuurinclusief bouwen en ontwerpen' van februari 2025 of diens rechtsopvolger.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een gebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie;
het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de bouwhoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; en
gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan normen genoemd in titel 5.2 Normen met betrekking tot beheer en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving.
Ten behoeve van de toetsing aan de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
kleurenfoto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.
De gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Purmerend wordt in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit;
Het college houdt bij de besluitvorming over de aanvraag rekening met het uitgebrachte advies van de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Purmerend;
Op de advisering van de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Purmerend is de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Purmerend onverkort van toepassing.
HHHHHHHHHH
Het opschrift van paragraaf 5.4.1.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIII
Het opschrift van artikel 5.151 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJ
Artikel 5.152 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken:
als het bouwwerk niet voldoet aan de algemene regels van artikel 5.1545.216;
als het bouwwerk wordt gebouwd of in stand wordt gehouden of gebruikt bij een hoofdgebouw dat is gebouwd of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning; en
als de bouwactiviteit plaatsvindt in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.
KKKKKKKKKK
Het opschrift van artikel 5.153 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLL
Het opschrift van artikel 5.154 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMM
Artikel 5.155 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1525.214 wordt alleen verleend als:
het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders een bijdrage levert aan het verbeteren van de stedenbouwkundige structuur;
de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet onevenredig worden aangetast;
voldaan wordt aan paragraaf 5.2.4.15.2.6.1 Parkeernormen A;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de ter plaatse gewenste omgevingskwaliteit, zoals beoordeeld volgens de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend, tenzij het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
NNNNNNNNNN
Het opschrift van artikel 5.156 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOO
Het opschrift van paragraaf 5.4.1.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPP
Het opschrift van subparagraaf 5.4.1.7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQ
Het opschrift van artikel 5.157 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRR
Het opschrift van artikel 5.158 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSS
Het opschrift van artikel 5.159 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTT
Het opschrift van artikel 5.160 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUU
Het opschrift van artikel 5.161 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVV
Het opschrift van artikel 5.162 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWW
Het opschrift van artikel 5.163 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXX
Het opschrift van artikel 5.164 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYY
Het opschrift van artikel 5.165 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZ
Het opschrift van artikel 5.166 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAA
Artikel 5.167 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 5.1595.221 tot en met artikel 5.1665.228.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 5.1595.221 tot en met artikel 5.1665.228.
BBBBBBBBBBB
Het opschrift van subparagraaf 5.4.1.7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCC
Het opschrift van subsubparagraaf 5.4.1.7.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDD
Het opschrift van artikel 5.168 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEE
Artikel 5.169 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFF
Het opschrift van artikel 5.170 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGG
Het opschrift van subsubparagraaf 5.4.1.7.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHH
Het opschrift van artikel 5.171 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIII
Artikel 5.172 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1715.233 wordt alleen verleend als:
het bouwwerk niet hoger is dan 40 m;
de bouw noodzakelijk is ter verbetering van de werking van een netwerk voor telecommunicatie;
er sprake is van een goede inpassing van het bouwwerk in de omgeving; en
er geen alternatieve locaties beschikbaar zijn die minder gevolgen hebben voor de ruimtelijke kwaliteit en een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
JJJJJJJJJJJ
Het opschrift van artikel 5.173 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKK
Na subsubparagraaf 5.4.1.7.2.2 wordt een subsubparagraaf ingevoegd, luidende:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bouwwerken ten behoeve van een horecaterras te bouwen.
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.236 wordt alleen verleend als:
Bij de aanvraag voor het bouwen van een horecaterras worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het horecaterras, de hoogte en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de horecagelegenheid;
gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan normen genoemd in titel 5.2 Normen met betrekking tot beheer en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving.
LLLLLLLLLLL
Het opschrift van paragraaf 5.4.1.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMM
Het opschrift van subparagraaf 5.4.1.8.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNN
Het opschrift van artikel 5.174 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOO
Het opschrift van artikel 5.175 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPP
Het opschrift van artikel 5.176 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQ
Artikel 5.177 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 5.1755.240 en 5.1765.241.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de regels in artikel 5.1755.240 en 5.1765.241.
RRRRRRRRRRR
Het opschrift van subparagraaf 5.4.1.8.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSS
Het opschrift van artikel 5.178 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTT
Artikel 5.179 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1785.243 wordt alleen verleend als:
de activiteit wordt verricht binnen het werkingsgebied ligplaats;
de lengte van het drijvende bouwwerk maximaal 24 m bedraagt;
de hoogte van het drijvende bouwwerk maximaal 6 m bedraagt, gemeten vanaf het waterpeil;
de maximale breedte van het drijvende bouwwerk maximaal 6,5 m bedraagt;
de minimale afstand tussen drijvende bouwwerken onderling minimaal 1 m bedraagt;
het drijvende bouwwerk maximaal 1 m uit de oever ligt; en
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de ter plaatse gewenste omgevingskwaliteit, zoals beoordeeld volgens de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend, tenzij het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
UUUUUUUUUUU
Het opschrift van artikel 5.180 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVV
Het opschrift van paragraaf 5.4.1.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWW
Het opschrift van subparagraaf 5.4.1.9.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXX
Het opschrift van artikel 5.181 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYY
Het opschrift van artikel 5.182 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZ
Artikel 5.183 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 5.1825.247 wordt alleen verleend als:
het ondergrondse bouwwerk binnen het werkingsgebied 'parkeervoorziening' wordt gebouwd;
het ondergrondse bouwwerk niet dieper is dan het maximale aantal ondergrondse bouwlagen.
AAAAAAAAAAAA
Het opschrift van paragraaf 5.4.1.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBB
Het opschrift van artikel 5.184 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCC
Het opschrift van artikel 5.185 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDD
Artikel 5.186 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning die is bedoeld in artikel 5.1855.250 kan worden verleend als:
geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;
de overschrijding van de waarde standaardwaarde zoveel mogelijk wordt beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen die financieel doelmatig zijn en waartegen geen overwegende bestaan van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan;
het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de toepasselijke grenswaarde; en
het gecumuleerde geluid en het gezamenlijke geluid aanvaardbaar zijn.
EEEEEEEEEEEE
Artikel 5.187 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het het bouwen en veranderen van geluidgevoelige gebouwen en het wijzigen van gebruik naar geluidgevoelige gebouwen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een geluidonderzoek waaruit blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan de waarden, bedoeld in paragraaf 5.2.3.15.2.4.1 en 5.2.3.25.2.4.2; en
een overzicht van de voorzieningen die worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a, worden overschreden.
FFFFFFFFFFFF
Het opschrift van paragraaf 5.4.1.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGG
Het opschrift van artikel 5.188 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHH
Het opschrift van artikel 5.189 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIII
Het opschrift van artikel 5.190 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJ
Artikel 5.191 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bouwactiviteiten te verrichten die niet voldoen aan de regels in artikel 5.1905.255
Het eerste lid is niet van toepassing op een bouwwerk die op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit artikel rechtmatig aanwezig is of is toegestaan op grond van een omgevingsvergunning die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van dit artikel.
KKKKKKKKKKKK
Artikel 5.192 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning die is bedoeld in artikel 5.1915.256 wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft gelet op de oogmerken in artikel 5.1885.253.
LLLLLLLLLLLL
Het opschrift van artikel 5.193 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMM
Het opschrift van paragraaf 5.4.1.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNN
Het opschrift van artikel 5.194 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOO
Het opschrift van artikel 5.195 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPP
Het opschrift van artikel 5.196 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQ
Artikel 5.197 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bouwactiviteiten te verrichten die niet voldoen aan de regels in artikel 5.1965.261
Het eerste lid is niet van toepassing op een bouwwerk die op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit artikel rechtmatig aanwezig is of is toegestaan op grond van een omgevingsvergunning die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van dit artikel.
RRRRRRRRRRRR
Artikel 5.198 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning die is bedoeld in artikel 5.1975.262 wordt alleen verleend als:
het te bouwen bouwwerk geen kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw is;
het toe te laten bouwwerk de veiligheid van de buisleiding niet schaadt. Burgemeester en wethouders betrekken hierbij het schriftelijk advies van de leidingbeheerder;
het te bouwen bouwwerk, gelet op de oogmerken van artikel 5.1945.259, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van het gastransportnet.
SSSSSSSSSSSS
Het opschrift van artikel 5.199 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTT
Het opschrift van paragraaf 5.4.1.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUU
Het opschrift van artikel 5.200 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVV
Het opschrift van artikel 5.201 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWW
Artikel 5.202 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXX
Artikel 5.203 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning bouwactiviteiten te verrichten die niet voldoen aan artikel 5.2025.267.
Het eerste lid is niet van toepassing op een bouwwerk die op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit artikel rechtmatig aanwezig is of is toegestaan op grond van een omgevingsvergunning die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van dit artikel.
YYYYYYYYYYYY
Artikel 5.204 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning die is bedoeld in artikel 5.2035.268 wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft gelet op de oogmerken in artikel 5.2005.265.
ZZZZZZZZZZZZ
Het opschrift van artikel 5.205 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAA
Het opschrift van paragraaf 5.4.1.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBB
Het opschrift van subparagraaf 5.4.1.14.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCC
Het opschrift van artikel 5.206 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDD
Het opschrift van artikel 5.207 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEE
Het opschrift van artikel 5.208 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFF
Het opschrift van artikel 5.209 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGG
Het opschrift van artikel 5.210 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHH
Het opschrift van artikel 5.211 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIII
Het opschrift van artikel 5.212 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJ
Artikel 5.213 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
Het eerste lid is niet van toepassing:
op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;
een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
De afstand tussen een opstalplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of als deze niet aanwezig is een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de voorgeschreven hoogte en breedte als bedoeld in artikel 5.2125.277, derde lid vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
KKKKKKKKKKKKK
Artikel 5.214 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden over artikel 5.2115.276 tot en met artikel 5.2135.278.
Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de eisen gesteld in artikel 5.2115.276 tot en met artikel 5.2135.278 mits dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de veiligheid.
Bij de toepassing van het tweede lid wordt de Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland in de gelegenheid gesteld een advies uit te brengen en dit advies wordt in acht genomen.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
LLLLLLLLLLLLL
Het opschrift van subparagraaf 5.4.1.14.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMM
Het opschrift van artikel 5.215 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNN
Het opschrift van artikel 5.216 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOO
Het opschrift van artikel 5.217 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPP
Het opschrift van artikel 5.218 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQ
Het opschrift van artikel 5.219 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRR
Na paragraaf 5.4.2.1 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van sloopactiviteiten binnen het werkingsgebied 'sloopverbod'.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten binnen het werkingsgebied ‘sloopverbod centrum Purmerend’, tenzij:
De omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 5.287, wordt alleen geweigerd als de sloopactiviteit leidt tot een onevenredige aantasting van de oogmerken zoals genoemd in artikel 5.286.
De gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Purmerend wordt in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit;
Het college houdt bij de besluitvorming over de aanvraag rekening met het uitgebrachte advies van de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Purmerend;
Op de advisering van de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Purmerend is de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Purmerend onverkort van toepassing.
Aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van de oogmerken zoals genoemd in 5.286.
SSSSSSSSSSSSS
Het opschrift van artikel 5.220 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTT
Het opschrift van artikel 5.221 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUU
Het opschrift van artikel 5.222 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVV
Het opschrift van artikel 5.223 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWW
Het opschrift van artikel 5.224 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXX
Artikel 5.225 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de in artikel 5.2235.294 activiteiten te verrichten.
Het verbod geldt niet als de activiteit wordt verricht door of in opdracht van de beheerder van het onderdeel van de fysieke leefomgeving waarvoor het beperkingengebied is aangewezen in verband met de oogmerken uit artikel 5.2245.295.
YYYYYYYYYYYYY
Artikel 5.226 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als door het verrichten van de activiteit de oogmerken als bedoeld in artikel 5.2245.295 niet onevenredig worden geschaad.
ZZZZZZZZZZZZZ
Het opschrift van artikel 5.227 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAA
Het opschrift van artikel 5.228 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBB
Het opschrift van artikel 5.229 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCC
Artikel 5.230 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de aangewezen activiteit te verrichten.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de aangewezen activiteit te verrichten alsverbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:
het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van maximaal 50 cm onder het bestaande maaiveld;
het werkzaamheden in de bodem betreft over een oppervlakte tot ten hoogste 500 m2;
het archeologisch erfgoed zodanig zal worden behandeld dat conservering in de bodem is gewaarborgd;
e
de werken en /of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
DDDDDDDDDDDDDD
Artikel 5.231 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEEE
Het opschrift van artikel 5.232 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFF
Na paragraaf 5.5.2.2 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende:
Als activiteit wordt aangewezen het aanleggen van bos of boomgaard, of het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op beschermen van cultureel erfgoed in verband met archeologische waarden.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de aangewezen activiteit te verrichten.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:
het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld;
het werkzaamheden in de bodem betreft over een oppervlakte tot ten hoogste 100 m2;
het archeologisch erfgoed zodanig zal worden behandeld dat conservering in de bodem is gewaarborgd;
de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als door het verrichten van de activiteit de oogmerken als bedoeld in artikel 5.300 niet onevenredig worden geschaad.
Als activiteit wordt aangewezen het aanleggen van bos of boomgaard, of het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op beschermen van cultureel erfgoed in verband met archeologische waarden.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de aangewezen activiteit te verrichten.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:
het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld;
het werkzaamheden in de bodem betreft over een oppervlakte tot ten hoogste 30 m2;
het archeologisch erfgoed zodanig zal worden behandeld dat conservering in de bodem is gewaarborgd;
de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als door het verrichten van de activiteit de oogmerken als bedoeld in artikel 5.300 niet onevenredig worden geschaad.
GGGGGGGGGGGGGG
Het opschrift van artikel 5.233 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHH
Het opschrift van artikel 5.234 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIII
Artikel 5.235 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJ
Artikel 5.236 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende activiteiten zijn toegestaan:
activiteiten die al in uitvoering waren voor inwerkingtreding van dit plan; en
activiteiten die door of in opdracht van de beheerder van het betreffende onderdeel van de fysieke leefomgeving worden verricht in verband met de oogmerken genoemd in artikel 5.2345.315 .
KKKKKKKKKKKKKK
Artikel 5.237 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning activiteiten te verrichten, anders dan genoemd in artikel 5.2365.317.
LLLLLLLLLLLLLL
Artikel 5.238 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de oogmerken als bedoeld in artikel 5.2345.315 niet worden geschaad.
MMMMMMMMMMMMMM
Het opschrift van artikel 5.239 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNN
Na paragraaf 5.5.3.1 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten:
het ophogen van de bodem met meer dan 50 cm;
grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
het verlagen van het waterpeil;
het tot stand brengen dan wel in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
het aanleggen, verbreden of verharde van wegen, voet-, ruiter of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppverlakteverhardingen;
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op beschermen van cultureel erfgoed in verband met archeologische waarden.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de aangewezen activiteit te verrichten.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:
het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van maximaal 50 cm onder het bestaande maaiveld;
het werkzaamheden in de bodem betreft over een oppervlakte tot ten hoogste 500 m2;
het archeologisch erfgoed zodanig zal worden behandeld dat conservering in de bodem is gewaarborgd;
de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als door het verrichten van de activiteit de oogmerken als bedoeld in artikel 5.322 niet onevenredig worden geschaad.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten:
het ophogen van de bodem met meer dan 50 cm;
grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
het verlagen van het waterpeil;
het tot stand brengen dan wel in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
het aanleggen, verbreden of verharde van wegen, voet-, ruiter of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppverlakteverhardingen;
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op beschermen van cultureel erfgoed in verband met archeologische waarden.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de aangewezen activiteit te verrichten.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:
het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld;
het werkzaamheden in de bodem betreft over een oppervlakte tot ten hoogste 100 m2;
het archeologisch erfgoed zodanig zal worden behandeld dat conservering in de bodem is gewaarborgd;
de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als door het verrichten van de activiteit de oogmerken als bedoeld in artikel 5.327 niet onevenredig worden geschaad.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten:
het ophogen van de bodem met meer dan 50 cm;
grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
het verlagen van het waterpeil;
het tot stand brengen dan wel in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
het aanleggen, verbreden of verharde van wegen, voet-, ruiter of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppverlakteverhardingen;
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op beschermen van cultureel erfgoed in verband met archeologische waarden.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de aangewezen activiteit te verrichten.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:
het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld;
het werkzaamheden in de bodem betreft over een oppervlakte tot ten hoogste 30 m2;
het archeologisch erfgoed zodanig zal worden behandeld dat conservering in de bodem is gewaarborgd;
de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als door het verrichten van de activiteit de oogmerken als bedoeld in artikel 5.332 niet onevenredig worden geschaad.
OOOOOOOOOOOOOO
Paragraaf 5.5.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten:
het ophogen van de bodem met meer dan 50 cm;
grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
het verlagen van het waterpeil;
het tot stand brengen dan wel in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
het aanleggen, verbreden of verharde van wegen, voet-, ruiter of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppverlakteverhardingen;
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op beschermen van cultureel erfgoed in verband met archeologische waarden.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de aangewezen activiteit te verrichten als:
het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld;
het werkzaamheden in de bodem betreft over een oppervlakte tot ten hoogste 500 m2;
het archeologisch erfgoed zodanig zal worden behandeld dat conservering in de bodem is gewaarborgd;
e werken en /of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als door het verrichten van de activiteit de oogmerken als bedoeld in artikel 5.241 niet onevenredig worden geschaad.
[Vervallen]
PPPPPPPPPPPPPP
Het opschrift van artikel 5.245 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQ
Het opschrift van artikel 5.246 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRR
Het opschrift van artikel 5.247 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSS
Artikel 5.248 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de in artikel 5.2455.336 aangewezen activiteiten te verrichten.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor activiteiten die door of in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht.
TTTTTTTTTTTTTT
Artikel 5.249 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.2485.339 wordt alleen verleend als de oogmerken als bedoeld in artikel 5.2465.337 niet onevenredig worden geschaad.
UUUUUUUUUUUUUU
Het opschrift van artikel 5.250 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVV
Artikel 6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvangshuurprijs voor een sociale huurwoning is niet hoger dan het bedrag dat is bepaald in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag.
De aanvangshuurprijs voor een geliberaliseerde woning voor middenhuur bedraagt ten minste het bedrag dat is bepaald door toepassing van artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag en ten hoogste € 1.260,101.306,10 (prijspeil 20252026).
De in het tweede lid genoemde hoogste aanvangshuurprijs voor geliberaliseerde woningen voor middenhuur wordt ieder opeenvolgend kalenderjaar vastgesteld op 140% van het bedrag dat is bepaald door toepassing van artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag.
Gedurende de instandhoudinstermijn zoals genoemd in artikel 6.7, eerste lid blijft de huurprijs van een sociale huurwoning onder het bedrag zoals dit is genoemd in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag.
Gedurende de instandhoudingstermijn zoals genoemd in artikel 6.7, tweede lid blijft de huurprijs van een geliberaliseerde woning voor middenhuur binnen de bandbreedte zoals die is genoemd in het tweede en derde lid van dit artikel.
Het vierde lid van dit artikel is niet van toepassing indien, met inachtneming van artikel 252a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, een huurverhoging wordt toegepast voor huishoudens met een inkomen boven 1,5 keer het bruto modaal inkomen.
WWWWWWWWWWWWWW
Artikel 6.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen een werkingsgebied zoals genoemd in tabel 6.2.1.1 wordt een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die betrekking heeft op een woning alleen verleend als die aanvraag bijdraagt aan het realiseren van de woningbouwcategorieën zoals opgenomen in deze tabel.
|
Werkingsgebied |
Sociale huurwoningen uitgedrukt in een percentage van het aantal woningen in het gebied |
Geliberaliseerde woningen voor middenhuur uitgedrukt in een percentage van het aantal woningen in het gebied |
|
|
12 % |
|
|
In samenhang met een andere project is invulling gegeven aan de 30‑30‑40 regel. De tekorten in dit plan aan sociaal en middeldure segment van het plan is gerealiseerd in Kop West. |
19 % |
|
|
42 % |
29 % |
XXXXXXXXXXXXXX
Artikel 6.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Doelgroep voor sociale huurwoningen zijn:
Doelgroep voor middeldure huurwoningen zijn huishoudens met een inkomen tot ten hoogste 1,5 keer het bruto modaal inkomen.
Het bedrag in het eerste lid wordt jaarlijks aangepast conform artikel 16 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015.
YYYYYYYYYYYYYY
Artikel 8.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er is een register woningen Register Woningen waarin alle bestaande woningen en wooneenheden zijn opgenomen.
Het register woningen is opgenomen in bijlage III bij dit omgevingsplan.
ZZZZZZZZZZZZZZ
Het opschrift van hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAA
Het opschrift van hoofdstuk 10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBB
Het opschrift van hoofdstuk 11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCC
Het opschrift van hoofdstuk 12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDD
Het opschrift van hoofdstuk 13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEEEE
Het opschrift van hoofdstuk 14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFF
Het opschrift van hoofdstuk 15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGG
Het opschrift van hoofdstuk 16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHH
Het opschrift van hoofdstuk 17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIII
Het opschrift van hoofdstuk 18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJ
Het opschrift van hoofdstuk 19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKK
Hoofdstuk 20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van sloopactiviteiten van stolpen binnen het werkingsgebied Ambtsgebied Gemeente Purmerend
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een karakteristieke stolp geheel of gedeeltelijk te slopen. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten binnen het werkingsgebied ‘sloopverbod centrum Purmerend’, tenzij:
Ten behoeve van gewoon onderhoud en herstel
Van inpandige delen van een karakteristiek bouwwerk die niet medebepalend zijn voor het uiterlijk van het karakteristiek bouwwerk
Ten behoeve van het uitvoeren van destructief onderzoek dat nodig is voor de instandhouding van een karakteristiek bouwwerk; of
Die noodzakelijk is ter voorkoming van instortingsgevaar, waarbij de veiligheid van personen of beschadiging van omliggende bebouwing acuut dreigt en andere maatregelen het instortingsgevaar niet kunnen voorkomen.
De omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 20.3, wordt alleen geweigerd als de sloopactiviteit leidt tot een onevenredige aantasting van de oogmerken zoals genoemd in artikel 20.2 en het Stolpenbeleid Purmerend.
De gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Purmerend wordt in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit;
Het college houdt bij de besluitvorming over de aanvraag rekening met het uitgebrachte advies van de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Purmerend;
Op de advisering van de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Purmerend is de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Purmerend onverkort van toepassing.
Aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van de oogmerken zoals genoemd in 20.2.
LLLLLLLLLLLLLLL
Hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen het werkingsgebied 'binnenstad Purmerend' is de bepaling uit artikel 22.199, eerste lid onder a betreffende het afvoeren van afgezogen dampen en gassen naar de buitenlucht niet van toepassing.
MMMMMMMMMMMMMMM
Het opschrift van artikel 23.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNN
Na artikel 23.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Het is toegestaan bouwwerken binnen het werkingsgebied 'bestaande gebouwen binnenstad' in stand te houden die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel van het omgevingsplan feitelijk aanwezig waren, voor zover die bouwwerken direct voor de inwerkingtreding van dit artikel in overeenstemming waren met de op dat moment geldende regels van het omgevingsplan of een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van dat bouwwerk.
Een bouwwerk dat op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot
in stand worden gehouden, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden;
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde staat in stand worden gehouden, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
Het overgangsrecht in het tweede lid is ook van toepassing op een bouwwerk dat in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden bij of krachtens het omgevingsplan.
Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip dat een wijziging van het omgevingsplan in werking is getreden, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de voorheen geldende regels over bouwwerken in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.
OOOOOOOOOOOOOOO
Het opschrift van artikel 23.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPP
Na artikel 23.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
QQQQQQQQQQQQQQQ
Na afdeling 23.2 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Het bepaalde in artikel 21.1 dat de bepaling uit artikel 22.199, eerste lid onder a betreffende het afvoeren van afgezogen dampen en gassen naar de buitenlucht niet van toepassing is, geldt niet voor activiteiten die rechtmatig worden verricht voor inwerkingtreding van dat artikel.
RRRRRRRRRRRRRRR
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm0439/2025/17fe702d78634e17bc39833f4201452f/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/232d70c2dc0c4b3e8114a0a62b7f09fc/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2026/5698c09ee65a47d58e2cdd85c0d27014/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/3284c099979e4251b4e52a4ce983d692/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/504e7526ef6c4bc8a2072b24b0417242/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/51b0df5e7dd5413da4ade99fcbef2815/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2026/d2548345f3fb40f2a6efb479ff6edec6/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/5692d413ad02446cb9b96607b08e305c/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/b7d85c92396c4865b51367dbb4ae8ef3/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/9188376cd8c8452a85dd18c090351b9e/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/c741aa5924174a868447f0a985ac0d49/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/1331418d0b3042dd92057566c5ebf5e2/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/2ad404c0351f42d1af34c5cd28787cb3/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/58e888afbaab4a8db8e48c6fb8c448e0/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/58e888afbaab4a8db8e48c6fb8c448e0/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/a22c953f3c0e4384afd0d46cf7569237/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/c3fac99de3364a15afb3ad948bc7e76a/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/c3fac99de3364a15afb3ad948bc7e76a/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/62d38862f6ac43a797151586b6e6cb0a/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/4a4d6522b04e450b9546db00870e6439/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/f0689d1b42f24c4c949c4296a4e0f211/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/1331418d0b3042dd92057566c5ebf5e2/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/17703d39520f4375a6b8436cdc483658/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2026/a5418fb6dc0d44298f7eca8d27c58690/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/e521444609ac4262b6134e7f92dde2e8/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/a22c953f3c0e4384afd0d46cf7569237/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/54cc3d66c22145d28b172f7ba82a4434/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/616437b54023404c8ffd1187535e8fe0/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/a2192a7fb016425f99871e1f56ab85fc/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/fff85285eac14ad78e9dc28bba60e6ac/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/e151529cb281414596798b20d286ecbd/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/0a37b057217d43f39d5b7b3c54c48eed/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/af0c1e9e28b34489b558f418744237c9/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2026/175a2ddb0add497da44f298555c3d614/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/d2f5d3d8d94941ab963b6cc57d0ddf4d/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/70e92468eac44811a5527f1459ffeddc/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/921d9346b9734f8f8952266cc79e4227/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/16de96fef6ce4f3a843509bac6dd07c8/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/4d7937f3f9cf4931a347dcce149ef4ae/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/9de191b3576046b3bcc29de4d51790bc/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/2f89b2b04e5e4f339c9cb9779868d14d/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/52d65928433a461db6dd17168429b227/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2026/1e9cf361f5bb45bd85cea35fe24510b4/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/c3ab48ca85674ebb9c90c730cf764a34/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/68ecd5003a82401fac673829c6157ccf/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/9c2bd1108c4443ab8ab29f50b6723a49/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/d394b9d9d70b4b298913d3d954121d36/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/2aa1a8469a6843cab1d1e3ea60bba97b/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/405dbc2f4f404f1ea41b29f560f8045b/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/33a575f571f6483a89bce6a796350e1d/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/977bfb3dcd54452480dfe09856170222/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/bbce250129a84fe38bd914cd7b409b42/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/2c6b88a84b8247e39500148b149713f7/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/762f148e90a146f2b74690a3c12c1619/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/df1a0771653943cfb73f5ab9c33dad76/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/d78db87d8ec84be58a0bd585db394685/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2026/fbfbd2cec9c6492f99c9fa72c790c335/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/70db791990e04cf793fa52b06806d05a/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/70db791990e04cf793fa52b06806d05a/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/3a3d5d1cbc9c4e479aa696bc5c0d7aad/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/2b03a3067a2d476281149d5839faa859/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/d762258b32ad40b8b6843cd557335bf9/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/d5b2fc2979714ebabfc4ee8d936118db/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/73e09fb0169e4e5fb8021e575a521525/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/9cb052f66ecf4063afb5daebfc0c2b8a/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/3e19198384fc402a95cf04fd138667cf/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/d9c8971233a84ba2ade1fdcd7b8fad04/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/c74722b2c62c40cab6474c7b4201214e/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/4a79f299e282483f9afb2da87b7481e4/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/515f15d1d93445cb86dc74e590e05cbd/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/515f15d1d93445cb86dc74e590e05cbd/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/05c63166164e4b749e3d7d4d4a925991/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/d42b7bf94663445590536e5884608ddb/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2026/15dcb03e7aac4e0799c94442a1af756d/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/43b55f190ea144db937721505b7be759/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/43b55f190ea144db937721505b7be759/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/762f148e90a146f2b74690a3c12c1619/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/df1a0771653943cfb73f5ab9c33dad76/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/46fe5ccbbb8b49eea490552fad163b9a/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/ba2f49620fc64eb3bb50a4b7ec4e22c6/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/bb3e5f2e00b84bc38fc54e1de1f53b86/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/c1452a856d224dca8e501d3133ed4891/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/45f6de57f5aa4ee4b6bd15c9a6df2ff5/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/48544199f53744dbbd40ff1ddedb2ed0/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/6900759b15f84d42b8c96c4d728e387b/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/6900759b15f84d42b8c96c4d728e387b/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/781f29eb8c5d47089bc02de9545feec7/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/781f29eb8c5d47089bc02de9545feec7/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/1fa659d366314298bafb50292d58e0df/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/1fa659d366314298bafb50292d58e0df/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/a6e046c6ec8c4013bc0dbf54ccae59f0/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/7b6cec14f68045899cbcfd2f4dadc809/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2026/786019a776604dee9ea3a4f3f61694ee/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/2c7b2ec2b0904bebb11ac549e30dc11f/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/d05d41fc12e844a0b3c22ab426158291/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/b04c3ad0238a4f6990167f48c212e874/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/898963b47da04685a0be9daa48d936d0/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/29e979ee57f64c118c295c47b6036f40/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/7ddfc951b0c44adea94e04d519d48747/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/d8877f0978c148d28078553bb0c467c6/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/29ae8893a6a84f5fb0c2591bdc456af5/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2026/ac78c6f2883c4b96a8be9c875539bb61/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/0abde80ec77647f6a4b05c3ecb8b7495/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/bf8285aff10d4b7cb881a92c98a12c51/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/c6c7a38ae82147ceb77549602eedcc8b/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2026/ee865b1d0f0e4e0ca62f8cecf0bd6a91/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/4f05a8c83a654e3fab766a20920ed883/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/a3b7cb7e423d4ab68d4d7317960ae6ab/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/5d9a146f244f43c8a3b701be1ac0a662/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/0b827a1ec4804a30a0cd33dcd261da72/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2026/7e8a7502b7994bc78d36cb0c9b5f732c/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/24c6d9f667d9404cae5ff7929dfca9b3/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/24f2de9804894e96a9b51eee2a4286f1/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/1c7af83e7ce34230bcce95d691a19537/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/574c6cf1ca7a49eeb9b491e3fa13d85d/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/9d69a09036fb45feac664a80c4755168/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/4f90b6d2698c4a6e9420443239118158/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/4f90b6d2698c4a6e9420443239118158/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2025/4290c104f65e4b2b87bf5336aad0219c/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/7087a31cef1849e2aad9584cfbcbff90/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/1d05d91397054cf4ac1262252d88fd7f/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/26f5934c458a44de963da0cdde2b80fb/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/b36ec9d6bf2c40af96c6249b0fc957e3/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/4817c5d058e84114886bd52ccf75b2a3/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2025/e533b0c42e6544b4a2d6d773b23c1dcc/nld@2025‑12‑30;08295847
SSSSSSSSSSSSSSS
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van dit omgevingsplan wordt verstaan onder:
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
het bieden van de ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf voor één of enkele nachten en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben, waarbij het nachtverblijf niet beschikt over een eigen kookvoorziening;
beroeps- of bedrijfsactiviteit waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend;
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen, niet hoger is dan 3,30 meter en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor toegelaten activiteiten geschikt is of geschikt te maken is;
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
huurwoning met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste het bedrag zoals bepaald in artikel 6.2, tweede lid.
gebouw waarbij meerdere woningen, al dan niet in combinatie met (één of meerdere) niet-woonfuncties, zich boven elkaar op één bouwperceel bevinden;
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
gebouw waarbij één woning, bestaande uit één of meerdere bouwlagen, zich op één bouwperceel bevindt;
voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid;
persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen;
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
een plek voor het aanleggen van een drijvend bouwwerk waarbij de duur van het aanleggen een permanent karakter heeft;
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
ondergeschikte delen aan een gebouw zoals trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen, warmtepompen en airco's en andere ondergeschikte dakopbouwen;
woonruimte die geen eigen toegang heeft en die niet door een huishouden kan worden bewoond zonder gebruik te maken van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, zoals een keuken en sanitaire voorzieningen;
openbare weg als bedoeld in de Wegenwet;
parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
huurwoningen met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a van de Wet op de huurtoeslag;
voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
een naar de weg of het openbaar gebied gekeerde bouwgrens gevormd door de denkbeeldige lijn in het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw;
bij percelen op de hoek van straten/paden geldt dat langs beide straten/paden een voorgevelrooilijn is gelegen;
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
activiteit inhoudende de bewoning van een woonruimte;
een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
elke eenheid in een woongebouw die ontworpen of aangepast is om afzonderlijk te worden gebruikt en die minstens over de volgende woonvoorzieningen beschikt: een woonruimte in combinatie met een toilet, een douche of bad en een keuken of kitchenette;
besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden, met inbegrip van een woonwagenstandplaats en de ligplaats voor een drijvend bouwwerk;
een voor bewoning bestemd gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en dat is geplaatst op een woonwagenstandplaats;
een aangewezen plaats voor de stalling van een woonwagen en de daarbij bijbehorende bouwwerken;
woonruimte die een eigen toegang heeft en die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte.
het zich beschikbaar stellen voor seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.
TTTTTTTTTTTTTTT
Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm0439/2025/c6cd8a19ab7f4cabb2340a85d976e88d/nld@2025‑12‑30;08295847
/join/id/regdata/gm0439/2026/9a7d48710b27496abf67b6ee6cc59fc4/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/8a2d680f76d0462ba624a1ee6d119f57/nld@2026‑07‑09;10201230
/join/id/regdata/gm0439/2026/8fe1eaf9d1cf4caabf4b29137ff23dfc/nld@2026‑07‑09;10201230
UUUUUUUUUUUUUUU
Voor sectie ' (begripsbepalingen)' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
In dit artikel zijn de in de regels opgenomen waarden overeenkomstig met de bepalingen over de wijze van meten zoals vastgesteld in het voormalige Besluit omgevingsrecht (gebaseerd op Artikel 22.24 bruidsschat – Omgevingsplan gemeente Purmerend)
VVVVVVVVVVVVVVV
Na sectie ' (begripsbepalingen)' worden 31 secties ingevoegd, luidende:
Dit artikel geeft invulling aan artikel 1.3 van de Omgevingswet. Daarin is bepaald dat de wet is gericht op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen daarvan. De in dit artikel opgenomen onderdelen a tot en met k concretiseren deze doelstelling voor het omgevingsplan. Daarnaast is het omgevingsplan gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hiermee wordt beoogd een goede balans te bereiken tussen de verschillende belangen in de fysieke leefomgeving.
Met dit artikel wordt het gebied Centrumrandzone geïntroduceerd.
Met dit artikel wordt het gebied Centrumrandzone aangewezen.
Dit artikel verwijst naar de geldende normen in hoofdstuk 5, waarin de inhoudelijke regels zijn opgenomen die van toepassing zijn voor deze gebiedsaanwijzing.
Dit artikel bevat een verwijzing naar de regels van de gebruiksactiviteiten in hoofdstuk 5, waarin de inhoudelijke regels staan die gelden voor deze gebiedsaanwijzing.
Dit artikel bevat een verwijzing naar de regels van de bouwactiviteiten in hoofdstuk 5, waarin de inhoudelijke regels staan die gelden voor deze gebiedsaanwijzing.
Dit artikel verwijst naar de regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden in hoofdstuk 5, waarin de inhoudelijke regels zijn opgenomen die gelden voor deze gebiedsaanwijzing.
Met dit artikel wordt het gebied Kernwinkelgebied geïntroduceerd.
Met dit artikel wordt het gebied Kernwinkelgebied aangewezen.
Dit artikel verwijst naar de geldende normen in hoofdstuk 5, waarin de inhoudelijke regels zijn opgenomen die van toepassing zijn voor deze gebiedsaanwijzing.
Dit artikel bevat een verwijzing naar de regels van de gebruiksactiviteiten in hoofdstuk 5, waarin de inhoudelijke regels staan die gelden voor deze gebiedsaanwijzing.
Dit artikel bevat een verwijzing naar de regels van de bouwactiviteiten in hoofdstuk 5, waarin de inhoudelijke regels staan die gelden voor deze gebiedsaanwijzing.
Dit artikel verwijst naar de regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden in hoofdstuk 5, waarin de inhoudelijke regels zijn opgenomen die gelden voor deze gebiedsaanwijzing.
In artikel 5.130, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houdt met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In dat kader kan de gemeente regels stellen ter bescherming van archeologische waarden.
Met dit artikel wordt het gebied aangewezen waar mogelijk archeologische resten in de bodem aanwezig zijn. Deze aanwijzing vormt de basis voor het stellen van nadere regels ter bescherming van deze waarden.
Dit artikel regelt de begrenzing van het werkingsgebied ‘restrictiegebied archeologie 1’. Binnen deze begrenzing gelden de regels die zijn gericht op de bescherming van mogelijke archeologische waarden.
Als een locatie onder meerdere gebiedsaanwijzingen valt, dan gelden er mogelijk verschillende regels tegelijk. Dit artikel bepaalt dat de regels uit deze paragraaf voorgaan boven de regels uit die andere (overlappende) gebieden.
Dit artikel bevat een verwijzing naar de regels in hoofdstuk 5, waarin de inhoudelijke regels staan die gelden voor deze gebiedsaanwijzing.
In artikel 5.130, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houdt met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In dat kader kan de gemeente regels stellen ter bescherming van archeologische waarden.
Met dit artikel wordt het gebied aangewezen waar mogelijk archeologische resten in de bodem aanwezig zijn. Deze aanwijzing vormt de basis voor het stellen van nadere regels ter bescherming van deze waarden.
Dit artikel regelt de begrenzing van het werkingsgebied ‘restrictiegebied archeologie 2’. Binnen deze begrenzing gelden de regels die zijn gericht op de bescherming van mogelijke archeologische waarden.
Als een locatie onder meerdere gebiedsaanwijzingen valt, dan gelden er mogelijk verschillende regels tegelijk. Dit artikel bepaalt dat de regels uit deze paragraaf voorgaan boven de regels uit die andere (overlappende) gebieden.
Dit artikel bevat een verwijzing naar de regels in hoofdstuk 5, waarin de inhoudelijke regels staan die gelden voor deze gebiedsaanwijzing.
Dit artikel wijst het gebied aan als restrictiegebied waterstaat – waterkering. Met deze aanwijzing wordt beoogd de waterkerende functie van het gebied te beschermen.
Dit artikel legt de begrenzing van het werkingsgebied vast. Binnen deze begrenzing gelden de regels die gericht zijn op het beschermen en in stand houden van de waterkering en de bijbehorende waterstaatkundige belangen.
Dit artikel regelt dat de regels van deze paragraaf voorgaan op regels uit andere, overlappende gebiedsaanwijzingen. Hiermee wordt geborgd dat de belangen van waterveiligheid en de bescherming van de waterkering voor gaan bij samenloop van regels.
Dit artikel bevat een verwijzing naar de regels in hoofdstuk 5, waarin de inhoudelijke regels staan die gelden voor deze gebiedsaanwijzing.
Dit artikel wijst het gebied aan als ‘restrictiegebied ecologische verbindingszone’. Met deze aanwijzing wordt beoogd de ecologische functie van het gebied te beschermen en te versterken. Het gaat om zones die van belang zijn voor de verbinding tussen natuurgebieden en het functioneren van flora en fauna.
Dit artikel legt de begrenzing van het werkingsgebied vast. Binnen deze begrenzing gelden de regels die gericht zijn op het beschermen en behouden van de ecologische verbindingszone.
Dit artikel regelt dat de regels van deze paragraaf voorgaan op regels uit andere, overlappende gebiedsaanwijzingen. Hiermee wordt geborgd dat de bescherming van de ecologische verbindingszone zwaarder weegt bij samenloop van regels.
Dit artikel bevat een verwijzing naar de regels in hoofdstuk 5, waarin de inhoudelijke regels staan die gelden voor deze gebiedsaanwijzing.
De regels van de hoofstukken 1 tot en met 8 zijn gericht tot degene die de activiteit verricht waarop die regels betrekking hebben. Diegene moet zorg dragen voor de naleving van de regels die voor de activiteit gelden. Voor meer informatie wordt verwezen naar Paragraaf 2.3 over de normadressaat van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal. Dit artikel is gebaseerd op Artikel 22.43 van de bruidsschat.
De genoemde oogmerken zien op concrete belangen die spelen bij deze activiteiten. Oogmerken helpen om te bepalen welke activiteiten van invloed zijn op het al dan niet behalen van specifieke doelen en om te bepalen wat voor type regel over die activiteit gesteld zou moeten worden. Oogmerken werken ook door in de beoordeling van gelijkwaardige maatregelen, als de initiatiefnemer daarvoor instemming vraagt (Artikel 4.7 Omgevingswet). Verder fungeren de oogmerken als kader voor maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften.
WWWWWWWWWWWWWWW
Na sectie ' (specifieke zorgplicht parkeren)' worden drie secties ingevoegd, luidende:
Dit artikel bepaalt dat de regels over fietsparkeren van toepassing zijn op het bebouwen en gebruiken van gronden. Hiermee wordt geborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen en functiewijzigingen aandacht wordt besteed aan voldoende fietsparkeerplaatsen.
Dit artikel verplicht tot het realiseren van voldoende fietsparkeerplaatsen op eigen terrein. De benodigde capaciteit wordt bepaald aan de hand van de in de tabel opgenomen normen, die zijn afgestemd op de gebruiksoppervlakte van woningen. Hiermee wordt voorzien in een passende parkeervoorziening voor fietsen en wordt voorkomen dat de openbare ruimte onnodig wordt belast.
Dit artikel biedt de mogelijkheid om via maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften nadere eisen te stellen of af te wijken van de standaardnormen. Afwijking is mogelijk indien op andere wijze wordt voorzien in voldoende fietsparkeerplaatsen of indien toepassing van de norm door bijzondere omstandigheden niet doelmatig is. Hiermee wordt flexibiliteit geboden om in specifieke situaties maatwerk toe te passen.
XXXXXXXXXXXXXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende paragraaf gaat over het toevoegen van woningen of wooneenheden. Deze paragraaf gaat niet over short stay, vakantieverhuur of soortgelijke activiteiten en is niet van toepassing op woonschepen zoals aangewezen in artikel 5.825.133.
BBBBBBBBBBBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bepaalt een aantal voorwaarden aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor het omzetten naar onzelfstandige woonruimte zoals bedoeld in artikel 5.775.128.
GGGGGGGGGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel benoemd de gegevens en bescheiden die bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het omzetten naar onzelfstandige woonruimte zoals bedoeld in artikel 5.775.128 worden overgelegd.
HHHHHHHHHHHHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen het werkingsgebied 'ligplaats' is het alleen toegestaan om een woonscheep te bewonen dat wordt omschreven in artikel 5.825.133. Andere vormen van wonen zijn op deze locatie niet toegestaan. Dit specifieke gebruik van de locatie is vastgelegd om ervoor te zorgen dat het wonen dat daar plaatsvindt, in overeenstemming is met het bestemde doel van het gebied en om eventuele conflicten met andere functies te voorkomen.
JJJJJJJJJJJJJJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel is de bevoegdheid opgenomen om maatwerkvoorschriften te stellen over de algemene regels voor het uitoefenen beroep en bedrijf aan huis zoals genoemd in artikel 5.855.136.
MMMMMMMMMMMMMMMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is ongewijzigd overgenomen uit artikel 1, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt huisvesting in verband met mantelzorg altijd als functioneel verbonden met het hoofdgebouw aangemerkt.
Daarmee wordt bewerkstelligd dat een bijgebouw dat of een aan- of uitbouw die wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg vanwege de expliciet bepaalde functionele verbondenheid met het hoofdgebouw, ook moet worden aangemerkt als een functioneel verbonden bouwwerk en daarmee als bijbehorend bouwwerk als bedoeld in dit omgevingsplan. Daarmee wordt het mogelijk het bijgebouw of de aan- of uitbouw op de grondslag van artikel 5.1405.195, aanhef en onder a, van dit omgevingsplan vergunningvrij te bouwen. In de praktijk blijkt de vraag wel eens te ontstaan of er bij de toewijzing van een eigen huisnummer aan een bij een woning aanwezige mantelzorgvoorziening, nog sprake kan zijn van een bijbehorend bouwwerk. Het al dan niet toekennen van een afzonderlijk huisnummer is echter niet van belang voor de uitleg van deze bepaling.
PPPPPPPPPPPPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit document vormt de motivering bij de omgevingsplanwijziging voor het gebied Binnenstad. Met deze wijziging wordt het tijdelijk deel van het Omgevingsplan voor de binnenstad van Purmerend omgezet naar het ‘omgevingsplan nieuwe stijl’ van de gemeente Purmerend.
De bestaande bestemmingsplannen zijn daarbij deels beleidsneutraal overgenomen. Voor sommige onderdelen geldt echter dat de inwerkingtreding van de Omgevingswet of nieuwe beleidsinzichten aanleiding hebben gegeven om bestaande regels op een andere wijze op te nemen in het omgevingsplan. Daarnaast zijn enkele bestaande verordeningen geïntegreerd in de planregels.
In deze motivering wordt de omgevingsplanwijziging voor de binnenstad van Purmerend onderbouwd en toegelicht in het licht van de ruimtelijke aanvaardbaarheid.
De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden. De wet regelt dat er direct na inwerkingtreding geen instrumenten meer bestaan die zijn gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In plaats daarvan worden van rechtswege alle bestemmingsplannen (plus bepaalde overige ruimtelijke besluiten en enkele verordeningen) samen één omgevingsplan. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet start de zogeheten ‘transitiefase’. Tijdens de transitiefase hoeft het omgevingsplan nog niet alle regels over de fysieke leefomgeving te bevatten en aan alle wettelijke eisen te voldoen. Deze transitiefase gebruiken gemeentes om hun omgevingsplan op hun eigen manier op te bouwen. Dat kan in stappen, bijvoorbeeld gebiedsgewijs of themagewijs, waarbij steeds een ‘deel van het omgevingsplan’ (wijziging van het omgevingsplan) wordt vastgesteld dat onderdeel wordt van het gemeentelijke omgevingsplan. Deze transitiefase duurt tot en met 2032.
Met dit wijzigingsbesluit stelt de gemeente Purmerend de tweede wijziging van het omgevingsplan van rechtswege vast. Het gaat hierbij om het gebied dat de binnenstad beslaat. Tijdens en na de transitiefase wordt het omgevingsplan verder aangescherpt en uitgebreid.
Er is gekozen voor een omgevingsplanwijziging voor de binnenstad omdat de gemeente Purmerend, op basis van de voor het gebied opgestelde visie[1] en het programma[2], een nieuwe benadering wil hanteren om de achteruitgang van de binnenstad tegen te gaan. Uit deze visie volgen strategische keuzes die als randvoorwaarden dienen om de ontwikkelingsdynamiek in de binnenstad te stimuleren. De wijziging van het omgevingsplan zorgt ervoor dat deze keuzes snel worden verankerd, zodat (nieuwbouw)aanvragen beter aansluiten op de gewenste ontwikkeling van de binnenstad.
Daarnaast heeft de gemeenteraad van Purmerend op 10 juni 2025 voorbeschermingsregels vastgesteld om te voorkomen dat de functie “winkel” op de begane grond wordt omgezet naar “wonen”. Met de omgevingsplanwijziging worden deze regels uit dit voorbereidingsbesluit vastgelegd in het omgevingsplan.
Met deze omgevingsplanwijziging voor de binnenstad van Purmerend wordt een belangrijke stap gezet in de verdere implementatie van de Omgevingswet. Volgens deze wet bevat het omgevingsplan regels over activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving. Dit is een bredere doelstelling dan onder het voorheen geldende recht voor bestemmingsplannen. Hierdoor kan het omgevingsplan over veel meer onderwerpen gaan en biedt het meer ruimte voor integrale afwegingen.
De wijziging betreft een omzetting van de regels uit de bestaande bestemmingsplannen die gelden voor het gebied Binnenstad naar de nieuwe systematiek van de Omgevingswet. Deze omzetting vindt grotendeels beleidsneutraal plaats: de bestaande mogelijkheden blijven in grote lijnen behouden, maar de regels zijn herzien en herschreven conform de nieuwe terminologie. Dit vergroot de bruikbaarheid, toegankelijkheid en eenduidigheid van het juridisch kader. Een belangrijk aspect is de samenvoeging van versnipperde kaders tot één integraal en toekomstbestendig omgevingsplan waarin actueel gemeentelijk beleid is verwerkt.
Hoewel deze aanpassing grotendeels technisch van aard is, vormt zij tegelijkertijd een strategisch instrument voor de uitvoering van het Programma Binnenstad Purmerend. In dit programma heeft de gemeente haar visie op de binnenstad geformuleerd, met als doel achteruitgang te voorkomen en de binnenstad te versterken als aantrekkelijke plek om te wonen, werken en verblijven. Er liggen kansen voor groei en de visie geeft richting aan de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkelingen. Door beleidsdoelen uit de visie te verankeren in het omgevingsplan, wordt geborgd dat nieuwe initiatieven bijdragen aan deze ambities.
Bestendiging visie en ontwikkelrichting
Om ervoor te zorgen dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan de visie, worden in deze omgevingsplanwijziging belangrijke keuzes juridisch vastgelegd. Deze keuzes scheppen randvoorwaarden voor nieuwe ontwikkelingen in de binnenstad en zorgen ervoor dat aanvragen niet strijdig zijn met de langetermijnkoers. De belangrijkste kaders zijn:
Uitsluitend de huidige kaders wat betreft maximale bouwhoogtes behouden, waarbij de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid vanuit het bestemmingsplan “Binnenstad 2010” voor het toevoegen van bouwlagen op hoofdgebouwen en andere gebouwen buiten deze kaders vallen;
Bestaande kwaliteitsnormen voor wonen bestendigen;
Eisen aan transformatiegebieden uit het Programma Binnenstad verankeren in omgevingsplan; en
Normen uit het Voorbereidingsbesluit koppelen aan publieksgerichte gebieden.
Een bijzonder aandachtspunt in de visie betreft de ontwikkeling van de Schapenmarkt en het Bolwerk. Hier wordt ruimte gezien voor een nieuw beeldbepalend gebouw. Hoewel deze ontwikkeling nu niet in de omgevingsplanwijziging is opgenomen, wordt deze niet belemmerd. Realisatie is mogelijk via een aparte planologische procedure. De huidige wijziging vormt dus geen belemmering voor toekomstige ontwikkelingen in de stad.
Voorbereidingsbesluit en overgangsrecht
Voor het kernwinkelgebied van de binnenstad geldt een voorbereidingsbesluit dat ongewenste gebruikswijzigingen, zoals het realiseren van woningen in plinten, tijdelijk verbiedt. Dit besluit is op 20 april 2023 vastgesteld en is met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 automatisch verlengd. Door het overgangsrecht vervalt het besluit per 1 juli 2025.
Omdat de omgevingsplanwijziging niet vóór die datum is vastgesteld, is er een nieuw voorbereidingsbesluit genomen. Hiermee wordt voorkomen dat er ongewenste ontwikkelingen plaatsvinden in de tussenliggende periode. Hoewel de Omgevingswet geen expliciete bepaling bevat over herhaalde voorbereidingsbesluiten, biedt de toelichting bij de wet voldoende ruimte om dit gemotiveerd te doen, mits de focus ligt op de inhoud en voortgang van het toekomstige omgevingsplan. Op 10 juni 2025 heeft het college het voorbereidingsbesluit opnieuw vastgesteld. De voorbeschermingsregels treden in werking op 1 juli 2025 en vervallen van rechtswege na anderhalf jaar of eerder, zodra de omgevingsplanwijziging van kracht wordt.
Kortom: Deze wijziging van het omgevingsplan voor de binnenstad van Purmerend is tweeledig van aard. Enerzijds betreft het een technische en beleidsneutrale omzetting van bestaande regelgeving naar het nieuwe juridische stelsel van de Omgevingswet. Anderzijds vormt het een inhoudelijk en strategisch instrument om de toekomstvisie voor de binnenstad daadwerkelijk te realiseren. Het plan biedt daarmee een basis voor een duurzame, levendige en toekomstgerichte binnenstad waarin ruimte is voor behoud én vernieuwing.
Dit wijzigingsbesluit betreft een omgevingsplanwijziging van de gemeente Purmerend, provincie Noord Holland. Specifiek ziet het gebied van de wijziging van de binnenstad van Purmerend (zie afbeelding 1.1.) Het plangebied ligt in het westen van Purmerend. Het wordt aan de noordzijde begrensd door de zuidelijke oevers van de Where, de Beemsterringvaart en de Overwhere, aan de westzijde door de oostelijke oevers van het Noordhollands Kanaal en door de oevers ten zuiden van de singel aan de Nieuwegracht en ten oosten van de singel aan de Plantsoengracht.
Overgang transitiefase
Dit wijzigingsbesluit betreft een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege zoals dat op 1 januari 2024 is ontstaan. Het betreft een volledige herziening van de volgende voormalige bestemmingsplannen, die deel uitmaken van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Purmerend:
|
Bestemmingsplan |
Vastgesteld |
Status |
|
Omgevingsplan Purmerend |
|
In werking vanaf 11/2/25 |
|
Deel Kop West 2023 |
20 / 04 / 2023 |
Beheersverordening |
|
Vijfhoek 2021 |
23 / 09 / 2021 |
Geheel onherroepelijk |
|
Gedempte Where 1 |
25 / 03 / 2021 |
Geheel onherroepelijk |
|
Parapluplan parkeernormen Purmerend |
28 / 02 / 2019 |
Geheel onherroepelijk |
|
Binnenstad Markthal 2017 |
22 / 02 / 2017 |
Geheel onherroepelijk |
|
Westerstraat 2 - 2017 |
21 / 12 / 2017 |
Geheel onherroepelijk |
|
Gedempte Singelgracht 27 – 2017 |
13 / 06 / 2-17 |
Geheel onherroepelijk |
|
Deel Kop van West 2014 |
29 / 01 / 2015 |
Geheel onherroepelijk |
|
Wijzigingsplan Hoornsebuurt 2012 |
25 / 10 / 2013 |
Geheel onherroepelijk |
|
Deel Overwhere – Zuid 2012 |
27 / 06 / 2013 |
Geheel onherroepelijk |
|
Deel Vijfhoek en Hazepolder |
30 / 05 / 2013 |
Geheel onherroepelijk |
|
Deel Herinrichting Tramplein 2013 |
30 / 05 / 2013 |
Geheel onherroepelijk |
|
De Gors e.o. 2010 |
21 / 10 / 2010 |
Geheel onherroepelijk |
|
Reparatie Binnenstad 2010 – Hoogstraat 1 / Zuidersteeg 6 2012 |
30 / 05 / 2013 |
Geheel onherroepelijk |
|
Neckerdijk |
08 / 10 / 2012 |
Geheel onherroepelijk |
|
Binnenstad 2010 |
07 / 07 / 2011 |
Deels onherroepelijk |
|
Slotplein e.o. 1977 |
19 / 08 / 1977 |
Deels onherroepelijk |
Met deze omgevingsplanwijziging is een nieuw juridisch planologisch kader opgesteld waarin de bovenstaande bestemmingsplannen zijn verwerkt. Het instrument van het omgevingsplan is omvangrijker en dynamischer dan de bestemmingsplannen onder de Wet ruimtelijke ordening. De regels uit de bestemmingsplannen zijn als zodanig dan ook niet één op één overgenomen in het omgevingsplan, maar met het omgevingsplan wordt wel gezorgd dat wat nu mogelijk is, ook mogelijk blijft. Op sommige onderdelen is het oude juridisch planologisch kader aangevuld met regels uit nieuwe wetgeving of bestaande verordeningen.
Deze omgevingsplanwijziging is een gebiedsgerichte wijziging. Dit betekent dat veel onderdelen van het omgevingsplan van rechtswege worden omgezet naar het nieuwe deel. Bij het opstellen van de regels wordt de structuur van het ‘omgevingsplan nieuwe stijl’ van Purmerend aangehouden. In het gebied wordt gebruik gemaakt van verschillende gebiedstypen, werkingsgebieden en restrictiegebieden.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn diverse regels die voorheen op landelijk niveau werden geregeld, overgegaan naar gemeenten. Deze set regels wordt ‘de bruidsschat’ genoemd. Iedere gemeente in Nederland kan (tot op zekere hoogte) zelf bepalen wat ze met deze regels doet. Totdat hierover keuzes zijn gemaakt, staan deze regels in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan.
Bij de voorliggende omgevingsplanwijziging van de gemeente Purmerend voor het project Purmerend Binnenstad is ervoor gekozen om in grote lijnen aan te sluiten bij de regels uit de bruidsschat, zoals die door het Rijk zijn meegegeven bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze regels vormen een generiek basispakket voor milieubescherming, dat in veel gevallen passend is voor de lokale situatie.
Voor de binnenstad van Purmerend is echter op een aantal onderdelen gekozen voor maatwerk. Zo zijn er specifieke regels opgenomen voor geluidhinder als gevolg van bedrijfsmatige activiteiten. In een compacte, gemengd stedelijke omgeving zoals de binnenstad is het noodzakelijk om zorgvuldig om te gaan met geluid om de leefkwaliteit voor bewoners te waarborgen én tegelijkertijd ruimte te bieden voor levendigheid en economische activiteiten.
Daarom is in het omgevingsplan voor deze aspecten afgeweken van de standaardregels uit de bruidsschat en zijn gebied specifieke kaders vastgesteld die beter aansluiten bij de aard en functie van de binnenstad.
De opzet en het vervolg van deze motivering is als volgt. In hoofdstuk 2 vindt de beschrijving plaats van wat we regelen met deze omgevingsplanwijziging, waarbij de huidige en toekomstige situatie wordt beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleid van de verschillende overheidsorganen waar rekening mee gehouden dient te worden met deze omgevingsplanwijziging. In hoofdstuk 4 wordt beschreven hoe we de omgevingsplanwijziging hebben opgesteld, wat gaan we regelen en wat juist niet. In hoofdstuk 5 worden de verschillende milieuaspecten beoordeeld. Er wordt vervolgens afgesloten met een conclusie.
Purmerend heeft een rijke ontstaansgeschiedenis als historische marktstad. De stad heeft zich ontwikkeld tot een moderne stad met een herkenbare binnenstad.
Oorspronkelijk was Purmerend een kleine marktstad met een centrale functie in de regio. Het diende als handelscentrum voor de omliggende droogmakerijen en dorpen in Noord-Holland. Handelaren en boeren uit de omgeving brachten hun producten naar Purmerend, wat leidde tot de oprichting van bekende markten zoals de Koemarkt, Schapenmarkt en Kaasmarkt.
Tot het midden van de 20e eeuw bleef de omvang van Purmerend grotendeels beperkt tot de binnenstad, die werd omringd door singels en waterwegen. Toegang tot de stad verliep via poorten en bruggen, wat de binnenstad een karakteristieke, afgebakende structuur gaf. Deze historische kenmerken zijn nog steeds zichtbaar in de stad, met monumentale panden en een kleinschalige bebouwing.Vanaf 1960 onderging Purmerend een enorme groei. Als groeikern van Amsterdam trok de stad veel nieuwe bewoners aan, wat resulteerde in een snelle stadsuitbreiding en wijkontwikkeling. In 2022 bereikte de gemeente Purmerend, mede door de fusie met Beemster, een bevolking van meer dan 90.000 inwoners. Hierdoor veranderde de verhouding tussen bewoners en bezoekers: waar de binnenstad voorheen vooral afhankelijk was van bezoekers uit de regio, is het nu ook een belangrijk ontmoetingspunt voor de eigen stadsbewoners.
De historische binnenstad speelt vandaag de dag een cruciale rol in het behoud van de identiteit van Purmerend. Hoewel de stad sterk is gemoderniseerd, blijft de binnenstad een plek waar de geschiedenis voelbaar is en waar mensen elkaar ontmoeten. Dit benadrukt het belang van de binnenstad als cultureel en sociaal hart van de stad.
De binnenstad van Purmerend vormt het historische en culturele hart van de stad en is van oudsher het centrum van handel, ontmoeting en stedelijk leven. Het gebied kenmerkt zich door een compacte, fijnmazige structuur met een mix van monumentale bebouwing, winkelstraten, horeca, maatschappelijke voorzieningen en woonfuncties. De Koemarkt, als centraal plein, speelt daarin een sleutelrol als ontmoetingsplek en evenementenlocatie.
De binnenstad is een levendige en dynamische wijk met een grote diversiteit aan gebruikers en functies. Er wonen relatief weinig gezinnen, maar juist veel alleenstaanden, ouderen en jongeren. De woonvoorraad bestaat voornamelijk uit appartementen, vaak in het middeldure huur- of koopsegment, afgewisseld met sociale huur. Het karakter van de binnenstad is stedelijk en gemengd: wonen, werken, winkelen en verblijven komen hier samen in een relatief klein gebied.
De bereikbaarheid van het gebied is goed, met het station Purmerend op loopafstand en diverse busverbindingen met Amsterdam en omliggende kernen. Tegelijkertijd staat de binnenstad onder druk: de leefkwaliteit wordt beïnvloed door ruimtedruk, verstedelijking en veranderend winkelgedrag.
De binnenstad voorziet primair in stedelijke functies: detailhandel, horeca, cultuur en stedelijk wonen. Tegelijk is er steeds meer aandacht voor vergroening, klimaatadaptatie en het versterken van de verblijfskwaliteit. Het is een gebied in transitie, waar de balans tussen economische vitaliteit, woonkwaliteit en leefbaarheid voortdurend opnieuw wordt gezocht en vormgegeven.
De ruimtelijke hoofdstructuur van de binnenstad van Purmerend wordt gevormd door vier nauw verweven ruimtelijke identiteiten: het kerngebied, de schil, het Koemarktgebied en de centrumring. Deze gebieden weerspiegelen niet alleen de huidige ruimtelijke indeling, maar ook de historische ontwikkeling van de stad.
Het kerngebied vormt het oudste deel van de binnenstad en heeft de grootste economische dynamiek, met een sterke nadruk op detailhandel. Dit gebied is grotendeels in de middeleeuwen ontstaan en behoudt nog steeds zijn historische stratenpatroon, met de Kaasmarkt als centraal punt. Hier is een fijnmazig netwerk van smalle straatjes en steegjes, die grotendeels autovrij zijn en enkel toegankelijk voor bevoorradingsverkeer.
De schil, die de binnenstad aan de noord-, zuid- en westzijde omringt, heeft overwegend een woonfunctie, met enkele aanvullende functies. Dit gebied werd vanaf de 19e en 20e eeuw verder bebouwd, waarbij de historische vestingwerken werden omgevormd tot parken en singels. Vooral de Plantsoengracht en de Nieuwegracht vormen waardevolle groene gebieden, gekenmerkt door grote bomen en statige bebouwing.
Het Koemarktgebied, gelegen aan de oostkant van het kerngebied, heeft zich sinds de 16e en 17e eeuw ontwikkeld en is tegenwoordig het levendige horecacentrum van de binnenstad. De Koemarkt functioneert als een belangrijk stadsplein, waar evenementen plaatsvinden en terrassen een ontmoetingsplek bieden.
De centrumring omgeeft zowel het kerngebied als het Koemarktgebied en fungeert als een overgangszone tussen de binnenstad en de rest van Purmerend. Langs deze ring bevinden zich diverse economische functies, die een mix vormen tussen wonen, werken en commerciële activiteiten.
Groen- en waterstructuur
De groen- en waterstructuur van de binnenstad wordt voornamelijk bepaald door de historische singels en parken langs de randen van het plangebied. De oude vestingwerken, die in de 19e eeuw tot parken werden omgevormd, vormen nog steeds een belangrijke landschappelijke kwaliteit. Met name de Plantsoengracht en de Nieuwegracht hebben een sfeervol en statig karakter.
Wegenstructuur
Het historische stratenpatroon uit de middeleeuwen is in het kerngebied nog goed zichtbaar. De Kaasmarkt vormt het centrale punt van een assenkruis, bestaande uit de Peperstraat en Hoogstraat (noord-zuid) en de Padjedijk en Breedstraat/Dubbele Buurt (west-oost). Binnen dit assenkruis bevindt zich een netwerk van smalle straatjes en steegjes, dat grotendeels autovrij is en een sterke voetgangersfunctie heeft.
De centrumring en omliggende ontsluitingswegen zorgen voor de bereikbaarheid van de binnenstad. De verkeersfunctie van deze ring is dominant, waardoor de verbindingen tussen de binnenstad en omliggende groen- en waterstructuren beperkt zijn. Dit vormt een van de ruimtelijke uitdagingen voor de toekomst.
Op 22 december 2022 heeft de gemeente het programma binnenstad vastgesteld. In hoofdstuk 3 wordt hier een nadere toelichting op gegeven. Dit programma heeft als doel de binnenstad te ontwikkelen tot een sfeervol, gastvrij en levendig centrum waar wonen, winkelen, horeca, cultuur en evenementen samenkomen. De nadruk ligt op ontmoeting en het versterken van de identiteit van de binnenstad.
De visie wordt uitgewerkt in drie kernstappen:
Ontmoeting en beleving – De binnenstad als "huiskamer" van de stad, met aantrekkelijke ontmoetingsplekken en openbare ruimte.
Versterking van de historische structuur – Herstel en uitbouw van de singelstructuur om ruimtelijke kwaliteit en samenhang te vergroten.
Divers en levendig aanbod – Gericht behoud van winkelgebieden en transformatie naar wonen/werken waar passend, om het centrum aantrekkelijk en dynamisch te houden.
Belangrijke speerpunten zijn onder meer:
In de vorige paragraaf is ingegaan op de gemeentelijke visie en ambitie voor de binnenstad van Purmerend. Deze ambities zijn met voorliggende omgevingsplanwijziging vertaald naar juridisch bindende regels. In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze deze vertaling heeft plaatsgevonden.
De omgevingsplanwijziging is gebaseerd op het uitgangspunt dat ruimtelijke ambities alleen effectief zijn wanneer deze worden geconcretiseerd in gebiedsspecifieke regels. Daarom is gewerkt met werkingsgebieden, zoals het kernwinkelgebied en de centrumrandzone. Per gebiedstype is een eigen systematiek van toegestane activiteiten, voorwaarden en normen opgesteld, passend bij de gewenste ontwikkelrichting. Het programma binnenstad vormt hierbij het inhoudelijke vertrekpunt.
Binnen deze systematiek wordt onderscheid gemaakt tussen:
functiemenging: activiteiten die generiek zijn toegestaan binnen een gebied;
functie op locatie: activiteiten die uitsluitend op specifieke, aangewezen locaties zijn toegestaan;
vergunningsplichtige activiteiten: activiteiten die alleen zijn toegestaan na een individuele beoordeling via een omgevingsvergunning.
Kernwinkelgebied
Voor het kernwinkelgebied is de ambitie gericht op het behouden en versterken van een levendig, aantrekkelijk en toekomstbestendig stadscentrum. Deze ambitie is juridisch vertaald door een brede set aan activiteiten toe te staan, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen functiemenging, functie op locatie en vergunningplichtige activiteiten.
Binnen het kernwinkelgebied zijn diverse activiteiten in beginsel toegestaan onder functiemenging. Het gaat hierbij onder meer om detailhandel, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen en horeca-activiteiten in categorie 1 en 2. Door deze activiteiten generiek toe te staan, wordt flexibiliteit geboden aan ondernemers en wordt de levendigheid en dynamiek van het gebied ondersteund.
Daarnaast zijn bepaalde functies uitsluitend toegestaan op specifiek aangewezen locaties (functie op locatie). Dit geldt onder andere voor supermarkten, kantoren en specifieke vormen van horeca, zoals recreatief nachtverblijf en shishalounges. Voor horeca-activiteiten in categorie 3 en 4 is de bestaande situatie vastgelegd via functie op locatie. Dit betekent dat deze zwaardere horecacategorieën alleen zijn toegestaan op de locaties waar zij reeds aanwezig zijn.
Voor nieuwe ontwikkelingen met een grotere ruimtelijke impact geldt een vergunningplicht. Dit is onder andere van toepassing op nieuwe horeca-activiteiten in categorie 3 en 4, recreatief nachtverblijf en bepaalde bedrijfsmatige activiteiten. Hiermee kan per initiatief worden beoordeeld of de activiteit passend is binnen de omgeving, geen onevenredige hinder veroorzaakt en aansluit bij het gewenste profiel van het kernwinkelgebied.
Evenementen zijn toegestaan binnen de binnenstad. Daarbij is onderscheid gemaakt naar specifieke locaties, zoals de Koemarkt, Schapenmarkt, de Kaasmarkt en de overige binnenstad. Voor deze gebieden gelden afzonderlijke regels en een meldplicht, waarbij onder meer wordt gestuurd op duur, bezoekersaantallen entijdstippen.
Tot slot is, ter bescherming van de levendigheid van het kernwinkelgebied, wonen op de begane grond uitgesloten. Hiermee blijft de plint beschikbaar voor publieksgerichte functies en wordt het functioneren van het kernwinkelgebied als verblijfs- en winkelgebied geborgd.
Centrumrandzone
De centrumrandzone vormt de overgang tussen het kernwinkelgebied en de omliggende woonwijken. De ambitie voor dit gebied is gericht op een gemengd stedelijk milieu, met ruimte voor bestaande functies en een geleidelijke ontwikkeling naar een sterker woonkarakter.
Deze ambitie is juridisch vertaald door een evenwichtige toepassing van functiemenging, functie op locatie en vergunningplichten.
Binnen de centrumrandzone zijn diverse activiteiten toegestaan, waarbij een belangrijk deel via functiemenging mogelijk is gemaakt. Dit betreft onder andere detailhandel, dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen. Ook wonen is toegestaan, waarmee wordt aangesloten bij het gemengde karakter van het gebied en ruimte wordt geboden voor verdere ontwikkeling richting een woonmilieu.
Daarnaast zijn specifieke functies uitsluitend toegestaan op aangewezen locaties (functie op locatie), in overeenstemming met de bestaande situatie. Dit geldt onder meer voor:
bedrijfsmatige activiteiten;
verkooppunten voor motorbrandstoffen zonder LPG;
speelautomatenhallen;
kantoren;
begraafplaatsen;
en horeca-activiteiten, waaronder horeca categorie 1 en 2, verblijfsgerichte horeca en recreatief nachtverblijf.
Door deze functies te koppelen aan specifieke locaties wordt geborgd dat zij alleen voorkomen waar zij ruimtelijk inpasbaar zijn en passen binnen de structuur van het gebied.
Voor een aantal activiteiten geldt aanvullend een vergunningplicht. Dit betreft onder andere:
(bepaalde) bedrijfsmatige activiteiten;
recreatief nachtverblijf;
het gebruik van horecaterrassen;
en evenementen in de overige binnenstadzone.
De vergunningplicht maakt het mogelijk om per initiatief te beoordelen of de activiteit passend is binnen de omgeving en geen onevenredige aantasting veroorzaakt van het woon- en leefklimaat.
In tegenstelling tot het kernwinkelgebied is wonen in de centrumrandzone nadrukkelijk onderdeel van het toegestane gebruik en wordt dit niet beperkt tot hogere bouwlagen. Hiermee wordt de gewenste ontwikkeling naar een meer woongeoriënteerd gebied ondersteund.
Tot slot zijn bepaalde functies niet toegestaan binnen dit gebied, zoals vormen van detailhandel of gebruiksvormen die vanwege hun aard, schaal of ruimtelijke uitstraling niet passen binnen het beoogde gemengde en geleidelijk woongerichte karakter van de centrumrandzone.
Groen en recreatie
Voor het gebiedstype groen en recreatie is de ambitie gericht op het behouden en versterken van groene kwaliteiten en recreatief gebruik, met ruimte voor ontspanning, beweging en natuur.
Bouw- en milieuaspecten
Ten aanzien van bouw- en sloopactiviteiten is rekening gehouden met de bestaande stedelijke structuur. De regels bieden ruimte voor ontwikkeling, maar stellen voorwaarden aan ingrepen en beschermen waar nodig bestaande kwaliteiten.
Het parkeerbeleid is juridisch geborgd door middel van parkeernormen gebaseerd op de gemeentelijke nota, zodat de bereikbaarheid van zowel het kernwinkelgebied als de centrumrandzone wordt gewaarborgd.
Voor milieuthema’s, in het bijzonder geluid, zijn aanvullende regels opgenomen. Zo gelden aangepaste normen voor bedrijfsmatige activiteiten, waarbij wordt gemeten op 10 meter van de perceelsgrens. Hiermee wordt een balans gevonden tussen stedelijke dynamiek en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Met deze omgevingsplanwijziging wordt een belangrijke stap gezet in het opstellen van het gemeente brede omgevingsplan ‘nieuwe stijl’. Het is de tweede wijziging van het omgevingsplan dat op 1 januari 2024, bij de inwerkingtreding van de omgevingswet, is ontstaan. Concreet houdt dit in dat het tijdelijke deel van het omgevingsplan, dat grotendeels gebaseerd is op oude bestemmingsplannen, voor het gebied Purmerend Binnenstad zijn overzet naar het omgevingsplan ‘nieuwe stijl’. Daarbij zijn de uitgangspunten van het programma Binnenstad juridisch vertaald naar concrete regels.
Kader
De Omgevingswet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s):
Omgevingsbesluit: hierin staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, procedures, handhaving en uitvoering evenals over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): dit besluit bevat algemene rijksregels over diverse activiteiten in de fysieke leefomgeving. In het Bal staat ook of voor die activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is. Het Bal is direct gericht op burgers en/of bedrijven.
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl): dit besluit bevat algemene rijksregels met name over de veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast bevat het Bbl rijksregels over de staat en het gebruik van een bouwwerk en over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Het Bbl is vooral gericht op burgers en/of bedrijven.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl): dit besluit bevat regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor provincies, waterschappen en gemeenten en bevat eisen over de inhoud van onder andere verordeningen en omgevingsplannen. Voor deze omgevingsplanwijziging moet worden nagegaan welke regels uit het Bkl relevant zijn voor de voorgenomen ontwikkeling en een doorvertaling verdienen in de planregels.
Toetsing omgevingsplanwijzing
In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een groot aantal instructieregels opgenomen. Aan deze instructieregels moet worden voldaan. De meest relevante instructieregel betreft de regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit valt onder meer uiteen in:
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de waterbelangen;
het beschermen van de gezondheid en van het milieu;
het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed;
het behoud van ruimte voor toekomstige functies;
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.
In onderstaande tabel zijn de voor deze wijziging van toepassing zijnde thema's waarover in het Bkl instructieregels staan opgenomen. In tabel 3.1 is per thema aangegeven in welke paragraaf van deze motivering hier nader op in is gegaan.
|
Thema |
Paragraaf Bkl |
Relevant? |
Paragraaf Motivering |
|
Omgevingsveiligheid |
Ja |
5.8 |
|
|
Waterbelangen |
Ja |
5.7 |
|
|
Luchtkwaliteit |
Ja |
5.4 |
|
|
Geluid door activiteiten |
Ja |
5.3 |
|
|
Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen |
Ja |
5.9 |
|
|
Bodemkwaliteit |
5.1.4.5 |
Ja |
5.6 |
|
Geur |
Ja |
5 |
|
|
Ladder voor duurzame verstedelijking |
Ja |
|
|
|
Cultureel erfgoed en werelderfgoed |
Ja |
5.13 |
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Kader
In de nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Hierin geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.
De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
Duurzaam economisch groeipotentieel;
Sterke en gezonde steden en regio's;
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietalafwegingsprincipes geformuleerd:
Toetsing omgevingsplanwijzing
De omgevingsplanwijziging voor de binnenstad van Purmerend past binnen de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), omdat zij aansluit op meerdere centrale beleidsprincipes van de NOVI.
Flexibel ruimtegebruik en maatwerk in functietoelating dragen bij aan een veerkrachtige binnenstad die zich kan aanpassen aan nieuwe maatschappelijke opgaven. Door de sloopregeling en behoud van karakteristieke bebouwing wordt zorgvuldig omgegaan met de bestaande gebouwde omgeving.
Daarnaast bevat het plan regels die de economische vitaliteit van de binnenstad ondersteunen. Door ruimte te scheppen voor een goede balans tussen wonen, werken en recreëren, wordt een aantrekkelijke en dynamische binnenstad gecreëerd. Dit versterkt niet alleen de lokale economie, maar maakt de stad ook aantrekkelijk voor innovatieve bedrijven en start-ups, in lijn met de NOVI-prioriteit voor duurzaam economisch groeipotentieel.
Ook draagt het plan bij aan het realiseren van een sterke en gezonde stad. Door regels op te nemen die de kwaliteit van de openbare ruimte en de groenvoorzieningen verbeteren, wordt de sociale samenhang versterkt en de gezondheid van inwoners bevorderd. Dit draagt bij aan een leefbare en inclusieve stad, volledig in lijn met de NOVI-ambitie voor gezonde steden en regio’s.
Tot slot legt de omgevingsplanwijziging de basis voor een goede verbinding tussen de stad en het omliggende landelijk gebied. Door het ontwikkelen van een duurzame stadsinfrastructuur die aansluit op het buitengebied, draagt het plan bij aan de toekomstbestendige ontwikkeling van zowel de stad als het omringende landschap.
De omgevingsplanwijziging voor Purmerend voldoet aan de afwegingsprincipes van de NOVI. Het stelt de ruimtelijke regels vast die een integrale benadering mogelijk maken, waarin bescherming en ontwikkeling hand in hand gaan. Dit draagt bij aan een evenwichtige en duurzame toekomst voor Purmerend en haar omgeving, volledig in lijn met de langetermijndoelen van de NOVI.
3.1.2 Waterbeleid
Kader
Op 18 maart 2022 is het Nationaal Water Programma 2022-2027(NWP) vastgesteld. Dit programma, een uitwerking van de NOVI, bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De drie hoofdambities van het NWP zijn:
Een veilige en klimaatbestendige delta;
Een concurrerende, duurzame en circulaire delta;
Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met het bodem- en watersysteem. Opgaven voor klimaatadaptatie, water en scheepvaart moeten een integraal onderdeel zijn van alle ruimtelijke ingrepen. Het is hiervoor belangrijk dat adviezen uit de watertoets worden overgenomen in de ontwikkeling van plannen.
Toetsing omgevingsplanwijzing
De omgevingsplanwijziging voor de binnenstad van Purmerend stelt ruimtelijke regels vast die actief bijdragen aan de doelstellingen van het Nationaal Water Programma (NWP).
Binnen het plangebied is een restrictiegebied Waterstaat – waterkering opgenomen. Deze regeling is overgenomen uit het voormalige bestemmingsplan en sluit daarmee aan bij het bestaande juridische kader. Door deze regeling te continueren, blijft het gebied onderhevig aan specifieke gebruiksbeperkingen ten behoeve van de bescherming van primaire en regionale waterkeringen. Dit waarborgt de veiligheid van achterliggende gebieden tegen overstromingen en ondersteunt de doelstelling van het NWP om Nederland te ontwikkelen als een veilige en klimaatbestendige delta. Door de bescherming van deze waterstaatswerken blijft robuust en toekomstgericht waterbeheer gewaarborgd.
Daarnaast draagt de omgevingsplanwijziging bij aan de bescherming van de bestaande groenstructuren in het gebied. Specifieke delen van het plangebied zijn aangewezen als gebieden waar niet gebouwd mag worden, behoudens voor nutsvoorzieningen. Dit voorkomt verdere verharding van de openbare ruimte en zorgt ervoor dat deze groene zones behouden blijven. De instandhouding van deze groene netwerken bevordert de stedelijke biodiversiteit, verbetert de lucht- en waterkwaliteit en ondersteunt de klimaatadaptatie.
De omgevingsplanwijziging draagt op meerdere niveaus bij aan de uitvoering van het Nationaal Water Programma. Het plan waarborgt de bescherming van waterkeringen, versterkt het stedelijk groenblauwe netwerk en bevordert een klimaatbestendige en gezonde stedelijke omgeving.
Conclusie
Het plan past binnen de doelstelling en het beleid van het Rijk.
Kader
De Omgevingsvisie NH2050 is het strategische langetermijnbeleid van de provincie Noord-Holland, gericht op het waarborgen van een balans tussen economische groei en leefbaarheid. Deze visie, vastgesteld op 19 november 2018, biedt een integrale benadering voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving tot 2050.
In de visie zijn vijf kernbewegingen geformuleerd die richting geven aan toekomstige ontwikkelingen:
Dynamisch Schiereiland: Benutten van de unieke ligging van Noord-Holland te midden van water, met aandacht voor kustverdediging, toerisme, recreatie en natuurwaarden.
Metropool in Ontwikkeling: De Metropoolregio Amsterdam verder laten functioneren als één samenhangende stad, met focus op stedelijke verdichting en infrastructuur.
Sterke Kernen, Sterke Regio's: Versterken van centrumgemeenten om de vitaliteit van de omliggende regio's te bevorderen.
Nieuwe Energie: Stimuleren van de energietransitie en benutten van economische kansen die hieruit voortvloeien.
Gezonde Leefomgeving: Waarborgen van een basiskwaliteit van de leefomgeving in de gehele provincie, met aandacht voor klimaatadaptatie en natuurinclusieve ontwikkeling.
Toetsing omgevingsplanwijzing
De omgevingsplanwijziging voor de binnenstad van Purmerend stelt regels die bijdragen aan de doelstellingen van de Omgevingsvisie NH2050, waarin een balans tussen economische groei en leefbaarheid centraal staat.
Door middel van vastgelegde regels maakt het plan stedelijke verdichting mogelijk en faciliteert het verbeteringen aan de regionale infrastructuur. Dit versterkt niet alleen de binnenstad van Purmerend, maar ook de vitaliteit van de omliggende regio’s, waarmee het bijdraagt aan de groei van de Metropoolregio Amsterdam.
Daarnaast stelt het omgevingsplan regels die het bouwen en verharden in het openbaar gebied beperken, waardoor groene zones niet zomaar verhard kunnen worden. Deze maatregelen bevorderen klimaatadaptatie door de stad beter bestand te maken tegen extreme weersomstandigheden, de waterafvoer te verbeteren en hittestress te verminderen. Tegelijkertijd dragen ze bij aan meer biodiversiteit en een hogere leefkwaliteit voor bewoners.
Samengevat legt de omgevingsplanwijziging de ruimtelijke kaders vast die nodig zijn om de binnenstad van Purmerend te versterken en tegelijkertijd een gezonde, klimaatbestendige en natuurinclusieve leefomgeving te realiseren, in lijn met de ambities van de Omgevingsvisie NH2050.
3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening NH2022
Kader
De Omgevingsverordening NH2022 is een integrale set regels van de provincie Noord-Holland die betrekking heeft op de fysieke leefomgeving. Deze verordening, die op 1 januari 2024 in werking is getreden, bundelt bestaande provinciale regelgeving op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water.
De Omgevingsverordening NH2022 is opgesteld met het oog op duurzame ontwikkeling, het bevorderen van de bewoonbaarheid van de provincie en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. De verordening streeft naar een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, waarbij ook de intrinsieke waarde van de natuur wordt erkend. Daarnaast richt de verordening zich op het behoud en herstel van biodiversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om te voorzien in maatschappelijke behoeften.
Toetsing omgevingsplanwijziging
In afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening NH2022 zijn de instructieregels opgenomen waaraan omgevingsplannen moeten voldoen. Voor voorliggende omgevingsplanwijziging zijn enkel de volgende instructieregels van belang:
Paragraaf 6.2.2 Stedelijke functies
Subparagraaf 6.2.2.1 Regionale afstemming
Een omgevingsplan kan alleen voorzien in nieuwe stedelijke functies wanneer deze passen binnen de afspraken die regionaal zijn vastgelegd. Deze afspraken zijn gemaakt om een evenwichtige en toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling in de regio te waarborgen. Zij vormen het kader waarbinnen gemeenten moeten handelen om versnippering van functies, overaanbod en ongewenste concurrentie tussen locaties te voorkomen.
Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt aangesloten bij deze regionale uitgangspunten. De aanpassing is erop gericht om de bestaande stedelijke functies in de binnenstad van Purmerend juridisch-planologisch te verankeren. Daarmee wordt voorkomen dat deze functies verdwijnen of ongewenst worden verdrongen. Tegelijkertijd wordt ruimte geboden voor ontwikkelingen die bijdragen aan de versterking van de binnenstad, mits deze passen binnen de bestaande stedelijke structuur en gebruiksmogelijkheden.
In paragraaf 3.3 van deze motivering is expliciet getoetst aan het regionale beleid. Uit deze toetsing blijkt dat de wijziging in overeenstemming is met de gemaakte afspraken. Er is geen sprake van nieuwe grootschalige stedelijke functies die de regionale verhoudingen kunnen verstoren, en ook wordt geen extra ruimte gecreëerd voor functies die elders in de regio reeds zijn geclusterd.
De wijziging sluit daarmee aan bij het regionale beleid en voldoet aan de instructieregels die hieruit voortvloeien.
Paragraaf 6.2.8 Klimaatadaptatie
Wanneer er nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk worden gemaakt met een omgevingsplan dient er een risicoanalyse uitgevoerd te worden op het gebied van klimaatverandering. Daarbij wordt gekeken naar risico’s zoals wateroverlast, overstroming, hitte, droogte, verlies van biodiversiteit en de waterkwaliteit. Als er risico’s worden geconstateerd, worden in het omgevingsplan maatregelen opgenomen om deze te beperken. Deze maatregelen voldoen aan het basisveiligheidsniveau voor klimaatbestendige nieuwbouw. Bij kleine of specifieke ontwikkelingen mag hiervan worden afgeweken, mits zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met dit basisniveau. Zo draagt het plan bij aan een veilige, klimaatbestendige en leefbare omgeving.
Met voorgenomen omgevingsplanwijziging worden geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt.
3.2.4 Detailhandelsbeleid Noord-Holland 2025 – 2033
Kader
De provincie Noord-Holland ziet detailhandel als een essentieel onderdeel van vitale, leefbare en economisch sterke kernen. In het beleid voor 2025–2033 staat het versterken van de brede welvaart centraal, waarbij duurzaamheid, economische vitaliteit en sociale inclusiviteit leidend zijn. Winkelgebieden zijn hierbij niet enkel plekken om te winkelen, maar vervullen ook een sociale en maatschappelijke functie. Ze vormen het hart van stad, dorp en wijk.
Om deze doelen te bereiken kiest de provincie voor een regisseursrol: ze stelt de kaders en stimuleert regionale samenwerking tussen gemeenten, regio’s en marktpartijen. Deze rol komt voort uit het besef dat winkelontwikkelingen vaak niet binnen de grenzen van één gemeente blijven, en dat afstemming noodzakelijk is om versnippering, leegstand of overaanbod te voorkomen.
Een aantal concrete beleidsdoelen vormt de kern van het beleid. Allereerst wordt ingezet op clustering van winkels in bestaande winkel- en centrumgebieden. Nieuwe solitaire winkelvestigingen zijn in principe niet toegestaan, tenzij sprake is van duidelijke noodzaak, zoals een supermarkt in een nieuwe woonwijk waar anders geen voorziening binnen bereik is. Zo blijft de structuur compact en overzichtelijk, en wordt onnodige leegstand voorkomen.
Een tweede belangrijke doelstelling is het behoud en de versterking van vitale centrumgebieden. Hier wordt ruimte geboden aan marktontwikkelingen, maar altijd met het oog op bereikbaarheid, duurzaamheid en aantrekkelijkheid.
De provincie zet zich daarnaast in voor het behouden van een fijnmazige structuur van dagelijkse voorzieningen, vooral in kleinere kernen en wijken.
Wat betreft perifere winkelgebieden (PDV-locaties) zoals woonboulevards, blijft het beleid strikt. Deze gebieden zijn uitsluitend bedoeld voor winkels in volumineuze goederen zoals meubels, tuincentra of bouwmarkten. Reguliere winkels, supermarkten of discounters horen hier niet thuis.
Om deze beleidsdoelen te realiseren heeft de provincie verschillende instrumenten tot haar beschikking. Zo zijn er de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening, waarin de kaders zijn vastgelegd waar gemeenten zich aan moeten houden bij nieuwe detailhandelsinitiatieven. Voor alle plannen die buiten bestaande winkelgebieden vallen, of een groot oppervlak hebben, is toetsing door de Adviescommissie Detailhandel Noord-Holland verplicht.
Daarnaast spelen de regionale detailhandelsvisies een belangrijke rol. Purmerend valt binnen de regio Zaanstreek-Waterland, en moet samen met buurgemeenten zoals Edam-Volendam en Wormerland afstemmen over de gewenste winkelstructuur. In deze visies wordt onder andere vastgelegd welke centra versterkt moeten worden en waar ruimte is voor ontwikkeling of juist krimp.
Toetsing omgevingsplanwijzing
Voorliggende omgevingsplanwijziging voor de binnenstad van Purmerend sluit op meerdere manieren aan bij het provinciale detailhandelsbeleid. Het provinciale beleid stelt dat centrumgebieden, en in het bijzonder hoofdwinkelgebieden, prioriteit krijgen in het behoud en de versterking van de vitale detailhandelsstructuur. De voorgestelde omgevingsplanwijziging bewaakt deze rol door in het kernwinkelgebied nieuwe woningen op de begane grond uit te sluiten. Dit bevordert een actieve plint, verhoogt de publieksinteractie en versterkt de economische functie van het centrum. Daarnaast wordt er juist meer ruimte geboden aan publieksgerichte functies. Dit sluit aan op de wens van de provincie om centrum gebieden multifunctioneel en toekomstbestendig te maken. De provincie onderkent de functie van grote binnensteden zoals die van Purmerend als belangrijke trekpleisters met bovenregionale aantrekkingskracht. Het plan voorziet hierin door ruimte te geven aan diverse economische functies, mits passend in schaal en karakter.
De centrumrandzone fungeert als schakel tussen de drukke binnenstad en rustige woonwijken. De provincie benadrukt in haar beleid het belang van gemengde gebieden en geleidelijke transformaties waarbij onder andere ruimte is voor wonen. De omgevingsplanwijzing sluit hierop aan door wonen generiek toe te staan in dit gebied. De Provincie ondersteunt de transformatie van winkels naar wonen in niet toekomstbestendige gebieden waarbij het economisch perspectief en de leef kwaliteit centraal staan.
De provincie stelt dat winkelgebieden steeds vaker onderdeel worden van een breder verblijfsgebied waar wonen, werken en recreatie samenkomen. Het plan om de Centrumrandzone stapsgewijs te laten transformeren en in te richten als flexibel, multifunctioneel gebied sluit hier op aan. In de gehele binnenstad van Purmerend is perifere detailhandel (het bedrijfsmatig te koop aanbieden van goederen die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling, waaronder detailhandel in auto's, boten, caravans en tenten en grove bouwmaterialen) niet toegestaan.
Conclusie
Voorgenomen omgevingsplanwijziging is in lijn met het provinciale beleid.
3.3.1 Metropoolregio Amsterdam
Kader
De gemeente Purmerend is onderdeel van de Metropoolregio Amsterdam (MRA). De MRA is een samenwerkingsverband van de provincies Noord-Holland en Flevoland, 30 gemeenten en de vervoersregio Amsterdam.
De MRA-agenda 2025 – 2028 is de strategische leidraad voor de samenwerking binnen de Metropoolregio Amsterdam (MRA) en is op 18 december 2024 vastgesteld. Deze agenda is opgebouwd rond acht kernambities die gericht zijn op het versterken van de brede welvaart in de regio. De acht ambities zijn:
Klimaatneutrale en circulaire regio in 2050: Het streven is om de regio tegen 2050 klimaatneutraal en circulair te maken.
Versterken van de (digitale concurrentie- en innovatiekracht: Er wordt ingezet op het bevorderen van innovatie en het versteken van de concurrentiepositie, met bijzondere aandacht voor digitale ontwikkeling.
Verminderen van tekorten op de arbeidsmarkt en bieden van toekomstbestendig werk: Er wordt gewerkt aan het aanpakken van arbeidsmarktkrapte en het creëren van werkgelegenheid die aansluit bij de toekomstige behoeften.
Voldoende, passende, bereikbare en toekomstbestendige werklocaties: Er wordt gezorgd voor voldoende en goed bereikbare werklocaties die toekomstbestendig zijn.
Leefbare steden en dorpen met voldoende, betaalbare, bereikbare en toekomstbestendige woningen: Er wordt gewerkt aan het realiseren van voldoende en betaalbare woningen in een gezonde leefomgeving.
Behoud en versterking van de kwaliteit van landschap en cultuurhistorisch erfgoed: Er wordt ingezet op het behoud en de versterking van het landschap en het cultureel erfgoed.
Bijdragen aan de leefkwaliteit van inwoners door (inter)nationaal toerisme en recreatiemogelijkheden: Er wordt gewerkt aan het ontwikkelen van toerisme en recreatie die bijdragen aan de leefkwaliteit van de inwoners.
Toekomstbestendige en betaalbare mobiliteit en verduurzaming van logistiek en internationale connectiviteit: Er wordt ingezet op het realiseren van toekomstbestendige en betaalbare mobiliteit en het verduurzamen van logistiek en internationale connectiviteit.
Toetsing omgevingsplanwijzing
De omgevingsplanwijziging voor de binnenstad van Purmerend sluit op verschillende manieren aan bij de strategische ambities van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) zoals vastgelegd in de agenda 2025–2028.
Het plan bevordert klimaatbestendigheid door het beschermen van groenstructuren en het waterbeheer te verbeteren. Hiermee wordt ingezet op een duurzame en klimaatadaptieve inrichting die bijdraagt aan de transitie naar een klimaatneutrale en circulaire regio. Hoewel de planwijziging zich primair richt op ruimtelijke en milieukundige aspecten, ondersteunt het creëren van een gezonde en toekomstbestendige leefomgeving indirect een aantrekkelijk vestigingsklimaat, wat innovatie en concurrentiekracht in de regio stimuleert. Door het behouden van een gezonde leefomgeving en het waarborgen van voldoende infrastructuur kunnen bedrijven en werknemers zich in Purmerend blijven vestigen, wat bijdraagt aan het regionale arbeidsmarktperspectief. De planwijziging zorgt voor een heldere ruimtelijke structuur en beschermt bestaande economische functies, terwijl tegelijkertijd duurzame ontwikkelmogelijkheden worden geboden, zodat de binnenstad toekomstbestendig blijft. Het plan ondersteunt een integrale ruimtelijke ordening die aansluit bij duurzame mobiliteitsoplossingen en bereikbaarheid, waarmee het bijdraagt aan het realiseren van toekomstbestendige mobiliteit binnen de regio.
De omgevingsplanwijziging in Purmerend is in lijn met de MRA-agenda 2025–2028 omdat het zorgt voor een klimaatbestendige, duurzame en gezonde leefomgeving die de brede welvaart versterkt. Het plan draagt bij aan het regionale streven naar duurzaamheid, leefkwaliteit, werkgelegenheid en ruimtelijke kwaliteit, waarmee het een waardevolle bijdrage levert aan de gezamenlijke regionale ambities.
3.3.2 Regionaal detailhandelsvisie Zaanstreek-Waterland
Kader
In februari 2022 hebben de gemeente Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland, Wormerland en Zaanstad de Regionale Detailhandelsvisie Zaanstreek-Waterland, vastgesteld. De visie richt zich op de volgende kernpunten:
Compleet en fijnmazig winkelaanbod: De regio streeft ernaar een breed scala aan winkels te bieden, zodat zowel inwoners als bezoekers hun dagelijkse als niet-dagelijkse boodschappen lokaal kunnen doen. Dit omvat een goed voorzieningenniveau in zowel grote als kleinere (dorps)kernen.
Versterking van de centrumgebieden: Er is specifieke aandacht voor de centrumgebieden van Purmerend en Zaandam. Deze gebieden verschillen in sfeer en vullen elkaar aan, zonder directe concurrentie. Het doel is om deze centra te versterken en aantrekkelijk te houden voor bezoekers.
Kwaliteit van winkelgebieden in kleinere kernen: Er wordt ingezet op het behoud en de versterking van winkelgebieden in kleinere (dorps)kernen, die een belangrijke maatschappelijke ontmoetingsfunctie vervullen. Het clusteren en versterken van detailhandel in deze gebieden staat centraal.
Verbinding met toerisme: De regio wil toeristische iconen zoals de Zaanse Schans, de Dijk van Volendam en pittoreske dorpen met veel groen en water koppelen aan winkelgebieden. Dit moet zorgen voor een divers aanbod en een langer verblijf van toeristen in de regio.
Deze visie is opgesteld om de detailhandel in de regio Zaanstreek-Waterland de komende vijf jaar te versterken en toekomstbestendig te maken.
Toetsing omgevingsplanwijziging
De omgevingsplanwijziging voor de binnenstad van Purmerend, gebaseerd op het programma voor de binnenstad, stelt regels die de realisatie van ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken en daarmee direct bijdragen aan de ambities van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) Agenda 2025-2028 en de Regionale Detailhandelsvisie Zaanstreek-Waterland.
Met de in het plan vastgelegde regels wordt de aanleg van voldoende groene ruimtes mogelijk gemaakt. Dit is essentieel voor klimaatadaptatie en draagt bij aan een verbeterde leefkwaliteit in de binnenstad. Daarnaast stelt het plan regels die de versterking van het centrumgebied faciliteren, waardoor de binnenstad aantrekkelijker en economisch vitaler wordt.
Om de winkelstructuur toekomstbestendig te maken, worden in het plan specifieke regels vastgelegd die zorgen voor een compleet en gevarieerd winkelaanbod in de binnenstad. Dit sluit aan bij de doelstellingen van de Regionale Detailhandelsvisie en draagt bij aan een levendige en goed functionerende stad.
Door deze ruimtelijke kaders te stellen, legt de omgevingsplanwijziging de basis voor een gezonde, aantrekkelijke en goed bereikbare binnenstad, die niet alleen de lokale economie versterkt, maar ook de leefbaarheid vergroot en bijdraagt aan de bredere strategische doelen van de regio. Binnen de gehele binnenstad is perifere detailhandel (het bedrijfsmatig te koop aanbieden van goederen die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling, waaronder detailhandel in auto's, boten, caravans en tenten en grove bouwmaterialen) niet toegestaan.
Kader
Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) is verantwoordelijk voor het beheer van waterveiligheid, waterkwaliteit en de afvoer van afvalwater in Noord-Holland boven het Noordzeekanaal.
In de Deltavisie hebben HHNK, gemeenten, belangenorganisaties, burgers en de provincie gezamenlijk keuzes gemaakt voor de thema's waterveiligheid, wateroverlast en voldoende schoon, zoet water.
Deze visie is vertaald in het Waterplan 2022-2027. Het Waterplan HHNK (WBP6), vastgesteld op 15 december 2021, bevat het beleid op hoofdlijnen voor het waterbeheer in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier voor de periode 2022-2027. De watertoets is het instrument waarmee het Hoogheemraadschap toezicht houdt op behartiging van de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het beleid is om op te schuiven van toetsen van plannen naar samenwerken en meedenken aan de voorkant. De insteek is dat water een leidend principe is voor de ruimtelijke ordening, zonder de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen uit het oog te verliezen. Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Ook onder de Omgevingswet is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer 'weging van het waterbelang'. De watertoets moet uitwijzen of er belangen van het Hoogheemraadschap in het geding zijn. In divisie 5.6 wordt een verantwoording van het meewegen van het waterbelang gegeven. Hier worden ook de uitkomsten van de watertoets vermeld.
Daarnaast heeft HHNK het Vergunningen-, toezicht- en handhavingsbeleid 2025-2029 vastgesteld, waarin wordt beschreven welke doelen binnen de beleidsperiode worden behaald en welke strategie daarvoor wordt gebruikt.
Verder heeft HHNK de Waterschapsverordening 2026 vastgesteld, die per 1 januari 2026 in werking is getreden en de regels bevat die HHNK hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken.
Ten slotte heeft HHNK de Subsidieregeling poldermolens Hollands Noorderkwartier vastgesteld, waarmee het hoogheemraadschap de instandhouding van poldermolens als watererfgoed wil bevorderen door het verstrekken van subsidies voor onderhoudsactiviteiten van derden die daaraan bijdragen.
Onderzoek
In paragraaf 5.7 wordt beschreven hoe deze omgevingsplanwijziging bijdraagt aan de doelstellingen van het hoogheemraadschap.
Conclusie
Het plan past binnen de doelstelling en het beleid van de regio.
3.4.1 Omgevingsvisie Purmerend
Kader
De Omgevingsvisie Purmerend 1.0, vastgesteld op 30 november 2023, is een samenstelling van bestaande beleidsdocumenten die dienen als basis voor het gemeentelijk handelen met betrekking tot de fysieke leefomgeving.
Deze visie bestaat uit drie onderdelen:
De Koers: Dit is de langetermijnvisie voor de toekomst van Purmerend.
Thematisch Beleid: Beleid per onderwerp, zoals groen, wonen, erfgoed en mobiliteit, dat geldt voor de gehele gemeente.
Gebiedsbeleid: Specifiek beleid voor bepaalde gebieden binnen de gemeente, waarin keuzes worden gemaakt bij tegenstrijdige belangen.
De Omgevingsvisie 1.0 vormt het startpunt voor de ontwikkeling van een meer integrale en gebiedsdekkende Omgevingsvisie Purmerend 2.0, die onder het regime van de Omgevingswet zal worden opgesteld.
Het doel van deze visie is om de kwaliteiten van de leefomgeving in Purmerend te verbeteren en te beschermen, en om richting te geven aan de toekomstige ontwikkelingen binnen de gemeente.
Toetsing wijziging omgevingsplan
Om verdere invulling te geven aan de ambities uit de Omgevingsvisie van de gemeente Purmerend, is een specifiek programma voor de binnenstad opgesteld: het Programma Binnenstad Purmerend. Dit programma bevat concrete doelstellingen, prioriteiten en uitvoeringsrichtingen voor het versterken van de ruimtelijke, economische en sociale kwaliteit van het centrumgebied. Het vormt daarmee een belangrijke schakel tussen de strategische visie en de feitelijke uitvoering in de praktijk.
De nu voorliggende omgevingsplanwijziging sluit direct aan op de inhoud en uitgangspunten van dit programma. In paragraaf 3.4.2 is uiteengezet op welke wijze deze wijziging in lijn is met het programma Binnenstad.
Doordat het programma is gebaseerd op de uitgangspunten van de Omgevingsvisie, en deze planwijziging weer in het verlengde ligt van het programma, kan worden geconcludeerd dat de wijziging past binnen het bredere beleid van de gemeente. Zo wordt op een samenhangende manier gewerkt aan de toekomstbestendige ontwikkeling van de binnenstad.
3.4.2 Programma Binnenstad Purmerend
Kader
Op 22 december 2022 is het Programma Binnenstad Purmerend vastgesteld. Dit programma heeft als doel de binnenstad te transformeren tot een sfeervol, gastvrij en levendig centrum waar winkelen, horeca, cultuur, evenementen, ondernemen en wonen samenkomen. Centraal staat het bevorderen van ontmoetingen en het versterken van de identiteit van de binnenstad.
De visie wordt uitgewerkt in drie kernstappen:
Een aansprekend verhaal en ontmoetingsplekken
De binnenstad wordt gepositioneerd als de "huiskamer" van Purmerend en de regio. Dit betekent dat het een plek moet zijn waar inwoners en bezoekers elkaar ontmoeten, genieten van lokale producten en cultuur beleven. Ontmoetingsplekken en een aantrekkelijke openbare ruimte spelen hierin een sleutelrol.
Behoud en versterking van de historische (singel)structuur
De historische kern van de stad wordt gezien als een belangrijke drager van ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent dat er wordt ingezet op het herstellen en versterken van de historische singelstructuur, met als doel de binnenstad beter te verbinden en aantrekkelijker te maken.
Een levendig en divers publieksgericht circuit
De binnenstad moet een plek zijn met een breed aanbod aan winkels, horeca, cultuur en andere voorzieningen. Dit wordt bereikt door strategische keuzes over waar winkelstraten behouden blijven en waar transformatie naar woon- en werkfuncties mogelijk is. De transformatie wordt zorgvuldig gestuurd om de levendigheid en aantrekkelijkheid van de binnenstad te behouden.
Belangrijke speerpunten:
Groene stadsboulevards: Verbetering van bepaalde wegen tot groene, aantrekkelijke straten die de binnenstad verbinden met omliggende gebieden.
Een verbonden Singelpark: Het creëren van een groen recreatiegebied langs het water.
Nieuwe ontwikkelingen op de Schapenmarkt: Een beeldbepalend gebouw met een moderne invulling draagt bij aan de dynamiek van het centrum.
Deze visie legt de basis voor een aantrekkelijke en duurzame binnenstad die inspeelt op de behoeften van zowel inwoners als bezoekers. De uitvoering ervan zal in de komende jaren plaatsvinden in samenwerking met diverse partijen, waaronder gemeente, ondernemers en bewoners.
Toetsing wijziging omgevingsplan
De omgevingsplanwijziging voor de binnenstad van Purmerend geeft uitvoering aan het Programma Binnenstad en legt de ruimtelijke regels vast die nodig zijn om de visie en doelstellingen van zowel het programma als de Omgevingsvisie Purmerend 1.0 te realiseren. Daarmee wordt direct bijgedragen aan de ambitie om de binnenstad te transformeren tot een sfeervol, gastvrij en levendig centrum.
Het omgevingsplan stelt regels die de herinrichting en versterking van de historische (singel)structuur mogelijk maken. Door kaders te bieden voor bijvoorbeeld bouwhoogtes, erfgoedbescherming en inrichting van de openbare ruimte, wordt gewaarborgd dat de ruimtelijke kwaliteit van de binnenstad behouden blijft en wordt versterkt.
Daarnaast bevat het plan regels voor de winkelgebieden. Hiermee wordt gestuurd op een evenwichtige verdeling tussen retail, horeca, cultuur, wonen en werken, in lijn met de ambitie om een levendig en divers publieksgericht circuit te realiseren. Deze ruimtelijke kaders dragen bij aan een toekomstbestendige binnenstad waarin functiemenging wordt gefaciliteerd en de economische vitaliteit behouden blijft.
Door deze ruimtelijke regels vast te leggen, zorgt de omgevingsplanwijziging ervoor dat de binnenstad zich kan ontwikkelen volgens de koers die is uitgezet in het Programma Binnenstad en de Omgevingsvisie Purmerend 1.0.
3.4.3 Dagelijkse voorzieningenstructuur
Kader
De gemeente Purmerend heeft een toekomstgericht beleidskader opgesteld voor de structuur van dagelijkse voorzieningen zoals winkels en wijkcentra. Op basis van een analyse van de huidige situatie is een nieuw opgebouwde structuur ontwikkeld die aansluit bij de wijkindeling en voorziet in een betekenisvol centrum in iedere wijk of dorp. Dit draagt bij aan de ambitie van Purmerend als "10-minutenstad", waarbij alle basisvoorzieningen binnen tien minuten bereikbaar zijn.
De nieuwe structuur bestaat grotendeels uit bestaande winkelgebieden, aangevuld met enkele nieuwe elementen. Nieuwe initiatieven worden bij voorkeur binnen deze structuur ontwikkeld om onnodige concurrentie tussen centra te voorkomen en om samenwerking te bevorderen.
Opbouw van de nieuwe structuur:
Centrumgebied Purmerend:
Bestaat straks uit de binnenstad, het Waterlandkwartier, De Gorselaar en Wagenweg/Hoornselaan. Dit centrumgebied wordt het kloppend hart van Purmerend, mede door woningbouw en de ontwikkeling van multifunctionele centra (zoals supermarkten, woningen en parkeervoorzieningen). De Gorselaar verandert van een wijkvoorziening in een binnenstedelijk centrum, gericht op voetgangers en fietsers.
Grote wijkcentra
De grote wijkwinkelcentra (Weidevenne, Meerland, Gildeplein en Overwhere) vormen het hart van hun wijk en bieden ruimte aan twee supermarkten, aanvullend dagelijks aanbod en beperkt recreatief winkelaanbod. Ze kunnen worden uitgebreid met horeca, maatschappelijke voorzieningen, werkplekken en woningen. Groei van het winkelgebied vindt bij voorkeur plaats binnen bestaande bebouwing. Multimodale bereikbaarheid (auto, fiets, OV) is cruciaal voor hun toekomstbestendige functie.
Alle centra behouden hun huidige rol, maar met name Gildeplein heeft behoefte aan optimalisatie, zeker gezien de groei in de Oostflank. Verbeterde autobereikbaarheid en eventuele uitbreiding buiten de huidige grenzen kunnen hierbij helpen.
Qua omvang:
Supermarkten: ca. 1.200–2.000 m² wvo per centrum
Aanvullend aanbod: ca. 1.500–2.500 m² wvo
Totale commerciële ruimte: ca. 4.000–6.000 m² wvo
Kleine wijkcentra (ca. 7.500 inwoners):
De drie bestaande kleine wijkcentra (De Gors, Wormerplein, Makado) hebben een boodschappenfunctie voor de directe omgeving, met ruimte voor één supermarkt en aanvullend dagelijks aanbod. Opschaling naar grote wijkcentra is uitgesloten, maar modernisering en multifunctionaliteit (zoals diensten, horeca en maatschappelijke functies) zijn wel mogelijk. Optimalisatie moet in balans zijn met de rest van de voorzieningenstructuur.
Het toekomstige kleine wijkcentrum in Oostflank vormt een uitzondering: hier geldt een ingroeimodel, met flexibiliteit voor mogelijke uitbreiding naar groot wijkcentrum afhankelijk van de woningbouw. Tijdelijke supermarktvoorzieningen worden niet uitgesloten om bewoners tijdig van aanbod te voorzien.
Indicatieve omvang:
Supermarkt: ca. 1.000–1.500 m² wvo
Aanvullend aanbod: ca. 1.500–2.000 m² wvo
Totale commerciële ruimte: ca. 2.500–3.500 m² wvo
Dorpscentra
De dorpscentra van Middenbeemster en Zuidoostbeemster krijgen een lokale functie als hart van het dorp, gericht op het dorp zelf en de omliggende plattelandsomgeving.
Middenbeemster behoudt in principe zijn huidige functie en omvang. Uitbreiding van het aanbod is pas aan de orde bij toenemend draagvlak. De supermarkt mag beperkt geoptimaliseerd worden, passend bij het dorpse karakter.
Zuidoostbeemster krijgt een nieuw klein dorpscluster met een kleine supermarkt (ca. 800–1.000 m² wvo) en beperkt aanvullend aanbod.
Burg. D. Kooimanweg
Het winkelgebied rond de Burg. D. Kooimanweg blijft bestaan als een bijzonder cluster met een (boven)lokale functie, mede dankzij de gevestigde XL-supermarkt. Behoud van de huidige functie staat centraal, maar er is ruimte voor optimalisatie van beide supermarkten, passend bij de verzorgende functie én bij de geplande woningbouw in de omgeving.
Bij herontwikkeling gelden strikte randvoorwaarden, met name rond parkeren: grote maaiveldparkeerplaatsen zijn ongewenst. Nieuwe commerciële functies moeten goed worden ingepast in de verdichte, woongerichte omgeving, met parkeren in gebouwde voorzieningen.
Buiten de voorzieningenstructuur
In Purmerend zijn er nauwelijks reguliere winkels buiten de dagelijkse voorzieningenstructuur en geen solitaire supermarkten. Bestaande winkels buiten de structuur mogen blijven via een uitsterfbeleid: voortzetting is toegestaan, maar nieuwe initiatieven worden geweerd. Nieuwe detailhandel of supermarktontwikkelingen buiten de bestaande structuur zijn niet gewenst, omdat ze de gewenste voorzieningenstructuur kunnen ondermijnen.
Uitzondering: kleinschalige, op gemak gerichte supermarkten zijn mogelijk in specifieke gebieden met hoge functiedichtheid en veel verblijfsmensen, mits >750 meter van bestaande voorzieningen. Dit geldt concreet alleen voor de Campusontwikkeling op De Koog, waar een beperkt metrage (max. 750 m² totaal, 500 m² per unit) is toegestaan, zolang het complementair is aan het bestaande aanbod en geen afbreuk doet aan het beleid.
Het toetsingskader is opgesteld om nieuwe detailhandelsinitiatieven te toetsen op hun bijdrage aan de gewenste toekomstige voorzieningenstructuur, die bestaat uit grote en kleine wijkwinkelcentra, dorpscentra en het cluster aan de Burg. D. Kooimanweg.
Toetsingskader en uitwerking
Belangrijkste beleidslijnen:
Detailhandel wordt alleen toegestaan binnen de gewenste structuur, inclusief twee nieuwe clusters (dorpshart Zuidoostbeemster en wijkcentrum Oostflank).
Geen medewerking aan nieuwe winkelclusters of solitaire detailhandel (zoals losse supermarkten).
Toevoeging van niet-detailhandelsfuncties (zoals horeca, zorg, sport, diensten) is wél mogelijk ter versterking van het 'hart van de wijk'.
Toetsingskader:
Initiatieven moeten passen binnen de functie en positie van het cluster.
Past het initiatief niet binnen het bestemmingsplan, dan is onafhankelijk onderzoek verplicht (behoefte aantonen, geen negatieve impact op structuur).
Regionale afstemming is nodig voor grotere initiatieven (>1.500 m² wvo).
Supermarkten:
Grote wijkcentra: 2 supermarkten van max. 2.000 m² wvo elk.
Kleine wijkcentra: 1 supermarkt van max. 1.500 m² wvo.
Vrijgekomen ruimte door sluiting van kleinere winkels mag gebruikt worden voor uitbreiding van supermarkten binnen de vastgestelde maxima.
Geen functiesprong toegestaan (bv. van wijkverzorgend naar regionaal cluster).
In krimpende centra mag winkelruimte omgezet worden naar maatschappelijke functies.
Specifieke locatie:
In het nieuwe centrumgebied mag de supermarkt uit het Waterlandkwartier verplaatst worden (zonder extra meters).
De kleinere supermarkt aan de Hoornselaan/Wagenweg mag beperkt uitbreiden (max. 450 m² wvo).
Toetsing wijziging omgevingsplan
De omgevingsplanwijziging voor de binnenstad van Purmerend draagt bij aan de effectuering van het beleidskader voor dagelijkse voorzieningen door de ruimte te bieden voor commerciële functies binnen de bestaande structuur van de binnenstad. Deze wijziging stelt voorzieningen in staat om zich te vestigen zonder dat er nieuwe, conflictueuze winkelclusters ontstaan die de bestaande voorzieningenstructuur zouden ondermijnen. Het beleid richt zich op een toekomstbestendige ontwikkeling van Purmerend als een "10-minutenstad", waarbij de focus ligt op het versterken van bestaande winkelgebieden en het optimaliseren van de rol van deze gebieden als hart van de wijk.
Met de omgevingsplanwijziging wordt de mogelijkheid gecreëerd om commercieel aanbod toe te voegen binnen de grenzen van de binnenstad, terwijl tegelijkertijd het toevoegen van niet-detailhandelfuncties verder wordt ingeperkt. Niet-detailhandelfuncties, zoals horeca, worden echter wel mogelijk gemaakt, zodat de vitaliteit van de binnenstad wordt versterkt en deze een bredere functie kan vervullen als het centrum van de wijk. Met de omgevingsplanwijziging wordt het toevoegen van woningen binnen het winkelgebied verder ingeperkt. Het beleid zorgt ervoor dat nieuwe initiatieven passen bij de functie en positie van het bestaande commerciële cluster.
Als een nieuw initiatief niet binnen het omgevingsplan past, wordt een onafhankelijke toetsing vereist om te beoordelen of er een uitzondering kan worden gemaakt, waarbij een zorgvuldige afweging wordt gemaakt of het initiatief geen negatieve impact heeft op de bestaande structuur. Dit biedt de gemeente de mogelijkheid om initiatiefnemers de ruimte te geven, zolang hun plannen bijdragen aan het versterken van de bestaande structuur en niet leiden tot overbodige concurrentie of de verstoring van de balans tussen verschillende centra.
Daarnaast is er een speciale regeling voor supermarkten, waarbij het bestaande aantal supermarkten binnen de binnenstad wordt gereguleerd. De wijziging zorgt ervoor dat het commerciële aanbod binnen de binnenstad goed aansluit bij de ambities van het beleidskader, terwijl het tegelijkertijd voorkomt dat er een overaanbod van bepaalde functies ontstaat.
Kortom, deze omgevingsplanwijziging sluit aan bij het beleid van de gemeente Purmerend door commerciële functies binnen de bestaande structuur van de binnenstad mogelijk te maken, zonder dat dit ten koste gaat van de bredere visie van een goed afgewogen en duurzame stadsontwikkeling.
3.4.4 Gemeentelijk woningbouwbeleid
3.4.4.1 Woon(zorg)visie Purmerend
Kader
De gemeente Purmerend staat de komende jaren voor grote uitdagingen op het gebied van wonen, welzijn en zorg. Door de groei van de bevolking en de populariteit van Purmerend als woonplek is de druk op de woningmarkt groot. Vooral jongeren, starters, gezinnen met een middeninkomen en mensen met een zorg- of urgentie-indicatie hebben moeite om een passende en betaalbare woning te vinden. Tegelijkertijd neemt de vergrijzing toe, waardoor steeds meer ouderen langer zelfstandig willen en moeten blijven wonen, vaak met passende zorg of ondersteuning. Ook stijgt het aantal kwetsbare inwoners en mensen dat eenzaamheid ervaart, wat extra vraagt om een sterke sociale infrastructuur en leefbare wijken.
Om richting te geven aan deze ontwikkelingen heeft Purmerend een woon(zorg)visie opgesteld die de koers bepaalt tot 2030, met een doorkijk naar 2040. De visie is gebaseerd op gesprekken met inwoners, woningcorporaties, zorg- en welzijnsorganisaties en andere partners. De kern van de visie rust op drie pijlers.
Pijler 1: Voldoende, passende en betaalbare woningen
De eerste pijler gaat over het vergroten van de woningvoorraad, met nadruk op betaalbaarheid en variatie. Purmerend heeft te maken met een groot tekort aan woningen, vooral voor jongeren, starters, gezinnen met een middeninkomen en mensen die afhankelijk zijn van sociale huur. Daarom wordt ingezet op het versnellen van woningbouw en het creëren van een gevarieerd aanbod: van kleine studio’s en eengezinswoningen tot zorggeschikte en levensloopbestendige woningen. Daarbij is de verdeling belangrijk: er moet niet alleen genoeg gebouwd worden, maar ook op een manier die aansluit bij de verschillende doelgroepen en inkomensgroepen. Innovatieve woonvormen zoals hofjes, meergeneratiewoningen en collectieve woonprojecten krijgen hierbij ook aandacht.
Pijler 2: Zelfstandig wonen met ondersteuning indien nodig
De tweede pijler draait om het bevorderen van zelfstandig wonen, ook voor mensen die ondersteuning of zorg nodig hebben. Door de vergrijzing neemt de groep ouderen toe die langer thuis blijft wonen. Tegelijkertijd zijn er inwoners met een beperking, psychiatrische problematiek of andere zorgvragen die passende woonruimte en begeleiding nodig hebben. Het doel is dat iedereen in Purmerend zo lang mogelijk in de eigen woning en wijk kan blijven wonen, met passende ondersteuning en zorg in de buurt. Hiervoor zet de gemeente in op geclusterde woonvormen, de inzet van sociale netwerken, en voorzieningen dichtbij zoals wijkteams, ontmoetingsruimtes en zorgsteunpunten. Ook innovatie in de zorg speelt een belangrijke rol.
Pijler 3: Leefbare wijken en dorpen met een eigen karakter
De derde pijler benadrukt het belang van sterke, sociale en aantrekkelijke wijken en dorpen. Wonen gaat niet alleen over een huis, maar ook over de leefomgeving en de mensen eromheen. Purmerend kent een grote diversiteit aan wijken en dorpen, elk met hun eigen identiteit. De gemeente wil die eigenheid behouden en versterken, terwijl tegelijkertijd aandacht wordt besteed aan sociale cohesie en gemeenschapszin. In sommige wijken staat de leefbaarheid onder druk door een concentratie van kwetsbare bewoners of eenzijdige woningvoorraad. Hier is extra investering nodig in voorzieningen, ontmoetingsplekken en sociale ondersteuning. Het doel is dat bewoners zich verbonden voelen met hun buurt, elkaar ontmoeten en ondersteunen, en samen bijdragen aan een leefbare, veilige en gezonde woonomgeving.
De visie vertaalt deze pijlers naar concrete ambities en opgaven. Voorbeelden zijn: het versnellen van woningbouw, meer aandacht voor betaalbare woningen voor jongeren en gezinnen, het ontwikkelen van nieuwe woonzorgvormen en het versterken van voorzieningen die ontmoeting en laagdrempelige hulp mogelijk maken. Ook wordt ingezet op geclusterde woonvormen, het beter benutten van de bestaande woningvoorraad en het ontwikkelen van een divers woningaanbod in zowel de stad als de dorpen.
Het uiteindelijke doel is dat inwoners van Purmerend, jong en oud, kwetsbaar en zelfredzaam, prettig kunnen wonen en leven in wijken en dorpen die duurzaam, sociaal en toekomstbestendig zijn.
Toetsing wijziging omgevingsplan
De Woon(zorg)visie Purmerend 2025 – 2030 zet terk in op het realiseren van voldoende, passende en betaalbare woningen, het bevorderen van zelfstandig wonen en het creëren van leefbare wijken en buurten. Deze omgevingsplanwijziging ondersteunt deze doelen.
Met deze omgevingsplanwijziging wordt er meer ruimte geboden voor meer en gevarieerde woningbouw. In de centrumrrandzone wordt het toevoegen van woningen expliciet mogelijk gemaakt, ook op de begane grond. Dit sluit aan bij de visie om de woningvoorraad uit te breiden en beter aan te laten sluiten bij de behoefte van jongeren, starters en ouderen. Namelijk woningen realiseren dichtbij voorzieningen. Door functiemenging en transformatie naar woonmilieus toe te staan wordt bijgedragen aan de ambitie om meer binnenstedelijk te wonen, zoals in de woon(zorg)visie wordt benoemd.
Binnen de centrumrandzone en het kernwinkelgebied blijven maatschappelijke functies toegestaan. daarmee ontstaat ruimte voor voorzieningen die zorg en ondersteuning dichtbij de inwoners brengen, wat past bij het streven naar langer zelfstandig wonen met de juiste ondersteuning.
Door functies zoals horeca, dienstverlening en maatschappelijke activiteiten zorgvuldig te reguleren, wordt de balans tussen levendigheid en woonkwaliteit bewaakt. Specifieke regels voor evenementen en een vergunningplicht voor nieuwe bedrijvigheid zorgen ervoor dat nieuwe woningen in de binnenstad kunnen worden toegevoegd zonder dat dit ten koste gaat van een goed woon- en leefklimaat.
Door de mogelijkheid te creëren dat de centrumrandzones op termijn volledig kan ‘verkleuren’ naar een woonmilieu, wordt een toekomstgerichte transformatie in gang gezet die aansluit bij de groeiende vraag naar woningen.
3.4.4.2 Huisvestingsverordening Purmerend
Kader
In Purmerend geldt de ‘huisvestingsverordening Purmerend 2021’. De huisvestingsverordening is opgesteld op basis van de Huisvestingswet 2014 en geeft regels over de verdeling van woonruimte (hoofdstuk 2) en regels over onttrekking, samenvoeging, omzetting en woningvorming (hoofdstuk 3). De oogmerken van de Huisvestingswet zien enerzijds op woonruimteverdeling (waarbij geen relatie is met onderwerpen uit de Omgevingswet) en anderzijds op voorraadbeheer. Tot 1 januari 2024 mochten instrumenten m.b.t voorraadbeheer alleen gehanteerd worden als sprake was van schaarste. En als daarvan sprake was, dan kon er ook gestuurd worden op leefbaarheid. Het gaat daarbij dan wel om de leefbaarheid van de openbare ruimte. Na 1 januari 2024 kan er ook rechtstreeks gestuurd worden op leefbaarheid van de openbare ruimte.
Op basis van de (eerdere versie van de) Huisvestingsverordening zijn ook Beleidsregels Huisvestingverordening gemeente Purmerend 2018 vastgesteld. Deze beleidsregels geven een uitwerking van de regels voor onttrekking, samenvoeging, omzetting en woningvorming. Daarnaast gelden Nadere regels met eisen over geluid en kwaliteit als weigeringsgrond voor woningvorming en omzetting en Nadere regels bij hoofdstuk 2 over woonruimteverdeling. Ook zijn er Nadere regels Verdeling en volgordebepaling woonwagenstandplaatsen Purmerend.
Overlap met Omgevingswet
Bij de wijziging van de Huisvestingswet naar aanleiding van de evaluatie van de herziene Huisvestingswet 2014 heeft de regering aangegeven dat er sprake is van een zekere overlap met de Omgevingswet, en dat het op termijn de bedoeling is de Huisvestingswet te integreren met de Omgevingswet. Volkshuisvesting is door het wetsvoorstel ‘instrumenten woningbouw’ ook onderdeel van de doelstelling van de Omgevingswet en dus ook het omgevingsplan (artikel 1.3. jo. 2.1. Omgevingswet). In de kamerstukken wordt onder meer expliciet gesteld dat “de genoemde problematiek van bijvoorbeeld de parkeerdruk of geluidsoverlast in principe vallen onder het bereik van de ruimtelijke ordening, bouwregelgeving en straks de Omgevingswet”.
Toetsing wijziging omgevingsplan
De binnenstad van Purmerend vervult een veelzijdige rol als economisch, cultureel en sociaal hart van de stad. Wonen is hierin een essentiële, maar ook kwetsbare functie. Om de binnenstad levendig, aantrekkelijk en toekomstbestendig te houden, nemen wij in het omgevingsplan specifieke regels op die bijdragen aan een zorgvuldige en evenwichtige woonontwikkeling.
Allereerst wordt ingezet op het versterken van de woonfunctie in de schil van de binnenstad, bijvoorbeeld langs het water en nabij het nieuwe Singelpark. Hier ontstaat ruimte voor woningen die aansluiten bij de behoeften van verschillende doelgroepen, zoals ouderen en jongeren. Kleinschalige en passende woonvormen, zoals zorgwoningen en woon-zorgcomplexen, worden gestimuleerd, zodat inwoners zo lang mogelijk zelfstandig in de binnenstad kunnen blijven wonen.
Om het historische karakter en de compactheid van de binnenstad te waarborgen, hanteren wij regels die ongebreidelde woningbouw voorkomen. Grootschalige ontwikkelingen en hoogbouw worden uitgesloten.
Binnen het kernwinkelgebied is het behoud van een levendige plint met winkel- en publieksfuncties op de begane grond essentieel voor het functioneren van het centrum. Daarom is het realiseren van woningen op de begane grond hier uitgesloten. Tegelijkertijd wordt via een vergunningplicht wel ruimte geboden om nieuwe woningen op verdiepingen toe te voegen, mits dit past binnen de ruimtelijke en functionele kaders van het gebied.
In de centrumrandzone is meer flexibiliteit gewenst. Hier zijn nieuwe woningen toegestaan, omdat dit gebied in de toekomst kan transformeren naar een gemengd woonmilieu. Door dit toe te staan, wordt ingespeeld op veranderende ruimtelijke behoeften en wordt een duurzame verdichting van de stad mogelijk gemaakt, in lijn met het gemeentelijk beleid.
Door deze uitgangspunten op te nemen in de regels van het omgevingsplan, waarborgen wij een evenwichtige en kwalitatief hoogwaardige woonontwikkeling, die recht doet aan zowel de historische identiteit als de moderne dynamiek van de binnenstad van Purmerend.
3.4.5 Beleid op het gebied van verkeer
3.4.5.1 Mobiliteitsplan Purmerend 2022
Kader
Op 22 december 2022 heeft de gemeenteraad het Mobiliteitsplan Purmerend vastgesteld. Dit plan beschrijft de beleidsuitgangspunten aangaande mobiliteit waar Purmerend de komende jaren naar toe zal werken, hieraan gekoppeld is een maatregelenpakket. Een van deze maatregelen is het opstellen van een parkeerbeleid. Naar verwachting zal dit beleid zich richten op een proactieve aanpak voor het reguleren van parkeren en het beperken van straatparkeren op diverse plekken in en rondom het centrumgebied. In het Mobiliteitsplan is aangegeven dat onderdelen van dit beleid kunnen worden het stellen van een lage parkeernorm op straat bij nieuwbouw en/of toepassen van een nulvergunningenregeling. De vrijgekomen ruimte moet dan benut worden voor kwaliteit van de openbare ruimte. Ook wordt gedacht aan het verlagen van het aantal beschikbare vergunningen voor bewoners, bijvoorbeeld door bij verhuizingen geen vergunning meer af te geven voor parkeren op straat.
Toetsing wijziging omgevingsplan
Dit beleid heeft niet direct invloed op de omgevingsplanwijziging voor de binnenstad.
3.4.5.2 Nota parkeernormen gemeente Purmerend 2016
Kader
In 2016 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen gemeente Purmerend 2016 vastgesteld. Deze nota bevat de parkeernormen bij nieuwe ontwikkelingen. De nota maakt de toepassing van de parkeernormen inzichtelijker, zodat het duidelijk is welke normen gehanteerd worden bij een bouwaanvraag. Hiervoor wordt een stappenplan aangewend. Tevens bevat de nota een digitale rekentool waarmee de parkeerbehoefte van een bouwproject berekend kan worden. In deze paragraaf moet worden aangegeven hoe groot de parkeerbehoefte is en op welke manier hieraan voldaan wordt. Deze nota is bij besluit van de raad op 11 november 2021 op een aantal punten aangepast.
Toetsing wijziging omgevingsplan
Naast het verbeteren van de doorstroming, waar de gemeente zelf verantwoordelijk voor is, wordt ook de parkeervoorziening in de binnenstad geregeld. Het omgevingsplan stelt eisen aan het realiseren en behouden van voldoende parkeerplaatsen, waarbij een balans wordt gezocht tussen autobezit, gebruik en ruimtelijke kwaliteit.
Concreet gelden parkeernormen A, met een zorgplicht voor initiatiefnemers van bouw- en gebruiksactiviteiten om te zorgen voor voldoende parkeergelegenheid. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning kan een maatwerk- of vergunningvoorschrift worden gesteld, waarbij de “Nota Parkeernormen Purmerend 2016” of een opvolgend beleidsdocument als uitgangspunt dient. Deze bepalingen zijn tevens onderdeel van de vergunningplicht voor bouwactiviteiten, waardoor adequaat parkeren integraal wordt gewaarborgd binnen de ruimtelijke ontwikkeling van het centrum.
Daarnaast wordt ingezet op het optimaliseren van bestaande parkeervoorzieningen, zowel voor fietsen als auto’s. Dit is essentieel voor de bereikbaarheid en leefbaarheid van de binnenstad, zeker gezien de groeiende vraag door verdichting en duurzaam mobiliteitsbeleid. De beperkte ruimte vraagt echter om zorgvuldige afwegingen bij het aanwijzen van locaties voor parkeervoorzieningen.
Daarom zijn uitsluitend specifieke locaties aangewezen waar parkeergarages planologisch gewenst en ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Binnen deze gebieden is het gebruik van gebouwen en locaties als parkeergarage toegestaan, mits daarvoor een omgevingsvergunning wordt verleend. De vergunningplicht maakt het mogelijk om per aanvraag te beoordelen of de parkeervoorziening inpasbaar is binnen de bestaande ruimtelijke, stedenbouwkundige en functionele structuur. Hierbij wordt onder meer gelet op ruimtelijke kwaliteit, straatbeeld, verkeers- en sociale veiligheid, en de impact op omliggende percelen.
Deze regeling draagt bij aan een goede balans tussen bereikbaarheid, mobiliteit en het behoud van een aantrekkelijke, veilige en leefbare binnenstedelijke omgeving. Door deze regels in het omgevingsplan vast te leggen, sluit de ontwikkeling van de binnenstad nauw aan op het mobiliteitsbeleid van de gemeente Purmerend. Dit bevordert een goed functionerend verkeerssysteem, vermindert parkeerdruk en zorgt voor een kwalitatieve inrichting van de openbare ruimte, passend bij de ambities voor een duurzame en leefbare binnenstad.
3.4.6 Notitie beleidsregels gebruik waterpijpen in horeca 2016
Kader
De notitie beleidsregel gebruik waterpijpen in hroeca 2016 is een beleidsdocument van de gemeente Purmerend, waarin regels zijn vastgelergd voor horecazaken die waterpijpen willen aanbieden. De regeling is bedoeld om duidelijkheid te scheppen over de voorwaarden waaron het gebruik van waterpijpen, zoals shisha of hookah, binnen de horeca is toegestaan. Sinds de vaststelling geldt dit beleid als leidraad voor het beoordelen van vergunningsaanvragen.
De basis voor deze regeling ligt in artikel 110b van de Algemene plaatselijke verordening (APV) van 2003. In dat artikel worden de voorwaarden genoemd die de burgemeester mag hanteren bij het verlenen of weigeren van een exploitatievergunning voor horecabedrijven. De beleidsregels vullen dit artikel verder in, specifiek voor het gebruik van waterpijpen.
Met deze notitie wil de gemeente zorgen voor een heldere en consistente beoordeling van horecazaken die waterpijpen willen aanbieden. Daarbij wordt gekeken naar onder andere de inrichting van het pand en de mogelijke risico’s op overlast of onveiligheid. Door deze richtlijnen te hanteren, kan de gemeente beter toezicht houden op de naleving van wet- en regelgeving en bijdragen aan een veilige en leefbare omgeving.
Toetsing wijziging omgevingsplan
De opgenomen regels met betrekking tot de aanwijzing en uitvoering van de horeca-activiteit "shisha lounge" sluiten direct aan bij het beleidskader zoals geformuleerd in de Notitie beleidsregels gebruik waterpijpen in horeca 2016 van de gemeente Purmerend. Deze beleidsregels stellen dat het aanbieden van waterpijpen binnen horecazaken enkel is toegestaan onder strikte voorwaarden, waarbij vooral de locatie, ruimtelijke inpassing en leef kwaliteit zwaar wegen.
De activiteit is expliciet aangewezen, daarmee is geborgd dat helder omschreven is wat onder deze specifieke vorm van horeca wordt verstaan. Vervolgens wordt er een specifiek werkingsgebied aangewezen waarbinnen deze activiteit is toegestaan. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het beleidsuitgangspunt dat het aanbieden van waterpijpen enkel mogelijk is op locaties waar dit planologisch en maatschappelijk aanvaardbaar is. Door het beperken van de activiteit tot een specifiek aangewezen gebied, kan zorgvuldig worden gestuurd op vestigingslocaties, waarbij onder meer overlast, verkeer aantrekkende werking en veiligheidsrisico’s beheersbaar blijven. Dit sluit aan bij de doelstelling van de beleidsnotitie om binnen de stad grip te houden op deze specifieke vorm van horeca.
Het toestaan van de activietiet enkel op de eerste bouwlaag voorkomt dat deze vorm van horeca plaatsvindt op minder toegankelijke of moeilijk controleerbare verdiepingen en ondersteunt daarmee de handhaving en brandveiligheid. Ook dit sluit aan op de beleidsregels.
Tot slot is er een derde bepaling opgenomen dat er een verbod geldt op het combineren van de shisha-activiteit met woonfuncties binnen hetzelfde gebouw. Hiermee wordt direct invulling gegeven aan het beleidsmatig streven om overlast en onwenselijke menging van functies te voorkomen. Het rookgebruik en de mogelijke geur- en geluidsbelasting die gepaard gaan met een shisha lounge maken een directe nabijheid tot woonfuncties ongewenst. Door deze combinatie planologisch uit te sluiten, wordt de leefbaarheid van woonomgevingen beschermd.
3.4.7 Beleid op het gebied van groen en klimaatadaptatie
3.4.7.1 Nota ecologie 2025 – 2030
Kader
De gemeente werkt aan het opstellen van een Nota ecologie 2025–2030. Deze nota is bedoeld als verdieping op de bestaande beleidsdocumenten zoals de Visie Leefbare Stad 2040 en het Bomenplan 2020–2040, en geeft richting aan de manier waarop ecologische waarden geborgd worden in de inrichting en het beheer van de stad. Hoewel de nota ten tijde van deze planwijziging nog niet is vastgesteld, wordt bij de nadere uitwerking van projecten al rekening gehouden met de principes die naar verwachting onderdeel zullen uitmaken van dit beleidskader. Daarbij gaat het onder meer om:
het versterken van ecologische netwerken binnen de stad;
het bevorderen van biodiversiteit via natuurinclusief bouwen en groenbeheer;
en het duurzaam inrichten van de openbare ruimte met aandacht voor flora, fauna en natuurlijke waterberging.
Toetsing wijziging omgevingsplan
Er is een gebiedstype Groen en recreatie opgenomen in de omgevingsplanwijziging voor de binnenstad van Purmerend. De regels binnen dit gebiedstype zijn opgesteld met het doel om de ruimtelijke kwaliteit, gebruikswaarde en ecologische functies van groene en recreatieve gebieden binnen de gemeente te beschermen en te versterken. Binnen het gebiedstype ‘Groen en recreatie’ zijn uitsluitend activiteiten toegestaan die bijdragen aan het behoud of de versterking van deze waarden.
3.4.7.2 Klimaatadaptatiestrategie gemeente Purmerend 2025 – 2030
Kader
De gemeente Purmerend heeft in maart 2025 de Klimaatadaptatiestrategie 2025–2030 vastgesteld. Deze strategie maakt deel uit van de bredere duurzaamheidsagenda Werk aan de toekomst en sluit aan bij het landelijke Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie. Het doel is om Purmerend in de komende jaren stap voor stap weerbaarder te maken tegen de effecten van klimaatverandering, zoals hevige regenbuien, droogte en hittegolven, en tegelijkertijd te zorgen voor een aantrekkelijke, groene en gezonde leefomgeving.
In de strategie staan enkele belangrijke uitgangspunten centraal. Klimaatadaptatie wordt niet los gezien, maar altijd geïntegreerd in andere ruimtelijke en maatschappelijke opgaven. Dat betekent dat bij nieuwe bouwprojecten en herinrichtingen van de openbare ruimte al vanaf het begin wordt gekeken hoe maatregelen kunnen bijdragen aan waterberging, verkoeling en vergroening. Voor nieuwbouwprojecten gelden bovendien duidelijke basisveiligheidsniveaus, zodat toekomstige woningen en voorzieningen beter bestand zijn tegen extreme weersomstandigheden.
De uitvoeringsagenda bevat verschillende maatregelen die de stad de komende jaren klimaatbestendiger moeten maken. In de openbare ruimte ligt de nadruk op vergroening: verharding die niet noodzakelijk is wordt vervangen door groen, er komen extra bomen en parken en bestaande wijken zoals Overwhere-Zuid en Wheermolen-Oost krijgen een klimaatadaptieve herinrichting. Daarbij wordt gewerkt aan bredere duikers en waterbergende wegen, zodat regenwater beter kan worden afgevoerd en tijdelijk kan worden opgevangen. Het Water- en Rioleringsprogramma 2025–2030 vormt hiervoor een belangrijk instrument en voorziet in een robuuster waterketensysteem.
Ook ecologie speelt een grote rol in de strategie. Het puntensysteem Natuurinclusief bouwen 2.0 wordt verplicht gesteld bij nieuwbouw en renovatie, waardoor maatregelen als groene daken, gevelgroen en nestvoorzieningen voor dieren standaard onderdeel worden van bouwprojecten. Op die manier wordt niet alleen de stad groener en koeler, maar wordt ook de biodiversiteit versterkt.
Naast fysieke maatregelen besteedt de strategie veel aandacht aan bewustwording en samenwerking. Inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties worden gestimuleerd om zelf bij te dragen, bijvoorbeeld door tuinen te vergroenen, regentonnen te plaatsen of minder verharding aan te leggen. Ook in regionaal verband wordt samengewerkt, onder meer met het waterschap en omliggende gemeenten, omdat klimaatadaptatie niet ophoudt bij de gemeentegrenzen.
Toetsing wijziging omgevingsplan
In de omgevingsplanwijziging voor de binnenstad van Purmerend is het gebiedstype ‘Groen en recreatie’ opgenomen. De regels voor dit gebiedstype zijn bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit, gebruikswaarde en ecologische functies van groene en recreatieve gebieden te behouden en te versterken. Binnen ‘Groen en recreatie’ zijn uitsluitend activiteiten toegestaan die bijdragen aan deze waarden.
Daarnaast is een specifieke beoordelingsregel opgenomen die bepaalt dat nieuwe ontwikkelingen binnen het gemeentelijk grondgebied moeten voldoen aan het Handboek Natuurinclusief Bouwen en Ontwerpen. Hiermee wordt geborgd dat toekomstige initiatieven bijdragen aan een duurzame, biodiverse en klimaatbestendige stedelijke omgeving.
3.4.7.3 Bomenplan Purmerend 2020 – 2040
Kader
Op 25 maart 2020 heeft de gemeenteraad het Bomenplan Purmerend 2020-2040 vastgesteld. Het doel van het Bomenplan is om de komende decennia een kwalitatief goed bomenbestand te waarborgen. In het Bomenplan worden de uitdagingen en kansen voor het bomenbestand beschreven. Boomziektes, bouwwerkzaamheden en slechte groeiplaatsen zijn de reden dat veel bomen de komende jaren zullen uitvallen. Voor goed beheer zijn een aantal zaken nodig: goede ondergrond en ruimte zodat bomen oud kunnen worden, de juiste soort bomen die aansluiten op de ecologische structuren en die ziektes geen tot weinig kans geven, en tenslotte integraal plannen van projecten. De nadruk ligt op kwaliteit (gezonde grote bomen) en integraliteit (stedelijke bijdrage en samenwerken). Kwaliteit gaat voor kwantiteit. Het beheer wordt in eigen onderhoud gedaan en bomen kopen we zelf in zodat de kwaliteit en veiligheid binnen de organisatie geborgd is. Er worden bomen vervangen, maar alleen met een juiste groeiplaats en wanneer er voldoende ruimte is onder- en bovengronds. Het doel is om de gemiddelde leeftijd van het bomenbestand fors te verhogen. De groeiplaats is zo ingericht dat de boom minstens 60 jaar kan groeien. We investeren dus in de bodem. Parken zijn een belangrijke plek voor grote, monumentale bomen. Waardevolle bomen worden zoveel mogelijk behouden. Tenslotte is ecologie een belangrijk onderdeel van het beheer. Integraal plannen van projecten betekent dat bomen aan de voorkant van alle projecten worden meegenomen, zowel in beheerprojecten als nieuwbouw- en infrastructuurprojecten. In alle projecten wordt rekening gehouden met de uitgangspunten uit het Bomenplan. Groen en bomen zijn niet het sluitstuk of 'opvulling' van een ontwerp: ze zijn van groot belang voor de leefbaarheid van de stad.
Toetsing wijziging omgevingsplan
De regels met betrekking tot het kappen van bomen blijven met deze omgevingsplanwijziging vooralsnog ongewijzigd: een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen is nodig als de betreffende boom op de bomenkaart staat.
3.4.7.4 Parkenplan Purmerend 2021 – 2040
Kader
Op 26 maart 2020 heeft de gemeenteraad de Visie Leefbare Stad 2040 (Steen en groen in balans voor een leefbaar en aantrekkelijk Purmerend) vastgesteld. In deze visie worden de kansen benoemd hoe steen en groen in balans blijven voor een leefbare stad. Het is een overkoepelend plan dat een stip op de horizon richting 2040 weer geeft, kansen benoemd en vier uitwerkingen kent:
De gemeente Purmerend heeft tot 2040 een bouwopgave van 10.000 woningen. De stad gaat verdichten, en de druk op de openbare ruimte wordt groter. Bovengronds doordat meer mensen gebruik gaan maken van dezelfde openbare ruimte. Ondergronds omdat er uitbreiding van kabels, leidingen, riolering en stadsverwarming nodig is. Het groen in de stad staat onder druk. Daarnaast treedt er klimaatverandering op. De kans op wateroverlast, hittestress en droogte in de stad wordt groter. Dit vraagt om een andere inrichting van het openbare gebied, gebouwen en de particuliere terreinen.
Toetsing wijziging omgevingsplan
Met de vaststelling van de visie zal in vervolg bij elke ontwikkeling in de stad onderbouwd moeten worden wat er is gedaan op het gebied van bomen, parken, klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen.
3.4.8 Kostenverhaalbeleid
Kader
Nota Gebiedsoverstijgende kosten Purmerend (GKP)
De gemeente investeert de komende jaren in Purmerend om de stad bereikbaar, groen en leefbaar te houden. Dat is vooral nodig vanwege de ambitieuze nieuwbouwopgave maar ook goed voor de bestaande stad. Deze investeringen houden onze stad aantrekkelijk om erin te wonen en te verblijven. De nota Gebiedsoverstijgende Kosten Purmerend (GKP), vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders in juli 2019 en voor het laatst geactualiseerd in augustus 2022, gaat over investeringen in zogenaamde ‘gebiedsoverstijgende’ infrastructuur (wegen, openbare ruimte, parkeren, maatschappelijke investeringen, betaalbare woningbouw e.d.). Deze infrastructuur komt ten gunste aan meerdere gebieden (zie kaart). Soms heeft ze deels een koppeling met concrete ontwikkelgebieden en deels met de rest van de stad, soms zijn ze niet te koppelen aan concrete ontwikkelgebieden en zijn dus alleen van nut voor de stad in zijn geheel (zowel bestaande stad als nieuwbouw). De nota GKP gaat dus over bijvoorbeeld de verbetering van stadsparken, een nieuw treinstation, fietsstallingen over de hele stad of een grote parkeervoorziening in het centrum. De Omgevingswet (Ow) kent een instrumentarium om particuliere vastgoedontwikkelaars mee te laten betalen aan deze investeringen.
Toetsing wijziging omgevingsplan
Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan de Nota gebiedsoverstijgende kosten Purmerend.
3.4.9 Grondbeleid
Kader
De gemeente Purmerend heeft haar grondbeleid herzien met de vaststelling van de Nota Grondbeleid 2024, die op 24 januari 2025 in werking is getreden. Deze herziening was nodig vanwege de fusie met Beemster en de komst van de Omgevingswet. Hoewel de maatschappelijke ambities uit de vorige nota uit 2019 ongewijzigd zijn gebleven, zoals het realiseren van voldoende woningen, het bevorderen van duurzaamheid en het versterken van de leefkwaliteit, is het beleid aangescherpt en beter afgestemd op de nieuwe bestuurlijke en juridische context.
De nota geeft richting aan de manier waarop de gemeente omgaat met ruimtelijke ontwikkelingen en biedt duidelijke kaders voor de gemeenteraad, het college, de ambtelijke organisatie en externe partijen. Uitgangspunt is dat Purmerend werkt met een situationeel grondbeleid. Dit betekent dat de rol van de gemeente per project verschilt en wordt bepaald door urgentie, maatschappelijke relevantie en financiële haalbaarheid. Daarmee kiest de gemeente bewust voor maatwerk, in plaats van één uniforme aanpak.
Afhankelijk van de omstandigheden kan Purmerend vier rollen aannemen bij gebiedsontwikkeling. In sommige gevallen neemt de gemeente een actieve rol als initiërend ontwikkelaar, waarbij zij zelf grond aankoopt, beheert en ontwikkelt. In andere situaties fungeert de gemeente als facilitator, door partijen te stimuleren en kaders te stellen zonder zelf volledig verantwoordelijk te zijn voor de uitvoering. Ook kan de gemeente kiezen voor een afwachtende rol, waarbij zij pas ingrijpt wanneer zich kansrijke initiatieven aandienen. Tot slot kan de gemeente een passieve, toetsende rol aannemen, waarbij zij zich beperkt tot het beoordelen van plannen van derden. De keuze voor een rol wordt altijd gemaakt op basis van een afwegingskader dat kijkt naar de ruimtelijke inpassing, maatschappelijke meerwaarde, financiële haalbaarheid en aanwezige randvoorwaarden.
Naast deze rolverdeling bevat de nota duidelijke afspraken over de financiële kaders. De gemeente streeft naar budgetneutrale grondexploitaties en verwacht van elk project een goede risicoanalyse. Winstgevende ontwikkelingen kunnen worden ingezet om minder rendabele, maar maatschappelijk noodzakelijke projecten mogelijk te maken. Voor woningbouw wordt gewerkt met een systeem waarbij sociale huur vaak een vaste grondprijs krijgt, terwijl andere segmenten marktconform worden geprijsd. Voor niet-woonfuncties, zoals maatschappelijke voorzieningen of kantoren, wordt afhankelijk van de situatie een vaste prijs per vierkante meter of een residuele berekening toegepast.
Om te zorgen voor transparantie en zorgvuldige besluitvorming wordt de gemeenteraad in een vroeg stadium bij projecten betrokken, zeker bij ontwikkelingen met een grote maatschappelijke of financiële impact. Jaarlijks legt de gemeente verantwoording af over de stand van zaken in gebiedsontwikkelingen, zowel inhoudelijk als financieel. Tegelijkertijd wordt erop gelet dat strategisch gevoelige informatie niet publiekelijk gedeeld hoeft te worden, zodat de onderhandelingspositie van de gemeente behouden blijft.
Met deze nota schept Purmerend een flexibel en toekomstgericht kader voor gebiedsontwikkeling. Door situationeel grondbeleid te hanteren en rollen bewust te kiezen, kan de gemeente beter inspelen op de dynamiek van de woningmarkt, de noodzaak van verduurzaming en de groeiende druk op de ruimte. Zo blijft Purmerend in staat om haar maatschappelijke ambities waar te maken en tegelijkertijd financieel verantwoord te opereren.
Toetsing wijziging omgevingsplan
Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan de nota Grondbeleid Purmerend.
3.4.10 Erfgoedverordening Purmerend 2022
Kader
Erfgoedverordening Purmerend 2022 is op 22 september 2022 vastgesteld door de gemeenteraad. Deze verordening bevat de regels over aanwijzing, instandhouding, bescherming en toezicht op gemeentelijke monumenten, beeldbepalende panden, archeologische waarden en beschermde stads- en dorpsgezichten.
Voor archeologie geldt dat in de Erfgoedverordening wordt verwezen naar de vastgestelde archeologische beleidskaart. Hierop zijn zogenoemde archeologische restrictiegebieden aangewezen. In deze gebieden geldt een verplichting om archeologisch onderzoek te verrichten bij bodemingrepen boven een bepaalde oppervlakte en diepte. De voorwaarden en onderzoek plicht zijn afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied.
Toetsing wijziging omgevingsplan
In de omgevingsplanwijziging is een ‘restrictiegebied archeologie’ opgenomen. Bij bodemwerkzaamheden die dieper gaan dan 50 cm onder het bestaande maaiveld en een oppervlakte tot maximaal 500 m² beslaan, is een archeologisch onderzoek verplicht. Dit onderzoek moet aantonen dat de activiteit geen onevenredige schade veroorzaakt. In paragraaf 5.12 wordt hier verder op ingegaan.
3.4.11 Beleid op het gebied van nachtverblijf (hotels e.d.)
Er wordt door de gemeente aan een beleidsdocument met afwegingskader gewerkt om (de wenselijkheid van) nieuwe locaties voor recreatief nachtverblijf (hotels e.d.) te kunnen beoordelen. Dit is nog niet beschikbaar. Derhalve is nog geen specifieke regeling in het omgevingsplan opgenomen.
De hoofdstukken die in dit deel van het omgevingsplan worden gepresenteerd, vormen de inhoudelijke regels voor de wijziging van het omgevingsplan van Purmerend Binnenstad. Zodra deze wijziging is vastgesteld en in werking treedt, vervangen de regels uit dit wijzigingsbesluit de eerdere bestemmingsplannen die binnen het gebied van de binnenstad van kracht waren. Hoofdstuk 22 van het omgevingsplan, ook wel bekend als de ‘bruidsschat’, blijft binnen de binnenstad voor een groot deel van toepassing, net zoals dat geldt voor het (verdere) gehele grondgebied van Purmerend.
De wijziging van het omgevingsplan voor de binnenstad sluit aan bij de structuur die de gemeente Purmerend voor het omgevingsplan heeft opgesteld. Deze structuur is zo ingericht dat hoofdstuk 4 van de regels als richtingaanwijzer fungeert. In dit hoofdstuk worden de richtlijnen voor de fysieke leefomgeving beschreven. Met behulp van deze richtingaanwijzer wordt per gebied en per specifiek onderwerp aangegeven welke inhoudelijke regels van toepassing zijn. Door gebruik te maken van deze opzet blijft het overzicht behouden, ook terwijl het omgevingsplan de komende jaren verder wordt uitgebreid. Dit versterkt bovendien het inzicht in de onderlinge samenhang tussen de verschillende regels.
De inhoudelijke regels voor activiteiten zijn vervolgens opgenomen in hoofdstuk 5 van de regels.
4.1.1 Gebieden
Binnen de omgevingsplanwijziging voor de binnenstad van Purmerend worden in hoofdstuk 4 van de regels, specifiek in afdeling 4.1, onderscheidt gemaakt tussen de volgende gebieden:
Voor elk gebiedstype is de ruimtelijke begrenzing vastgesteld, waarmee wordt aangegeven binnen welke contouren de bijbehorende regels van toepassing zijn. Tevens is per gebiedstypes inzichtelijk gemaakt welke activiteiten daar zijn toegestaan, zodat duidelijk wordt welke functionele en gebruiksdoelen binnen elk gebied worden nagestreefd. Onderstaand wordt per gebied dit nader toegelicht.
Centrumrandzone
Inleiding
Het gebiedstype Centrumrandzone vormt de overgang tussen het kernwinkelgebied en de omliggende woongebieden. Binnen dit gebied is ruimte voor een mix van functies, waaronder wonen, werken, dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen. Deze variatie maakt het gebied flexibel inzetbaar en biedt ruimte voor verschillende typen gebruik die bijdragen aan een geleidelijke overgang van het stedelijk centrum naar rustigere woonomgevingen. Volgens het programma Purmerend Binnenstad is het bovendien mogelijk dat deze zones in de toekomst volledig ‘verkleuren’ naar een woonmilieu. Door deze ontwikkelrichting nu al mee te nemen in de planvorming, ontstaat een goede balans tussen het huidige gemengde karakter en de langetermijnambitie voor meer binnenstedelijk wonen.
Visie en sturingsfilosofie
De Centrumrandzone vervult een belangrijke rol als overgangsgebied tussen het levendige kernwinkelgebied en de omliggende woonwijken. Deze zone biedt ruimte aan een mix van functies zoals wonen, detailhandel (niet zijnde perifere detailhandel), dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen. Het doel is om deze functionele variatie voorlopig te behouden, zodat het gebied bijdraagt aan de levendigheid van de binnenstad en tegelijkertijd een geleidelijke overgang naar rustigere gebieden mogelijk maakt.
Tegelijkertijd is in het programma Binnenstad Purmerend vastgelegd dat deze gebieden in de toekomst kunnen transformeren naar enkel een woongebied. Door wonen generiek toe te staan in dit gebied geven we uitvoering aan het programma. Nieuwe initiatieven moeten uiteraard bijdrage aan zowel het huidige gemengde karakter als de gewenste ontwikkeling richting wonen. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging bij ruimtelijke keuzes: initiatieven moeten passen binnen de schaal en aard van het gebied, en tegelijkertijd bijdragen aan een hoogwaardige leefomgeving. Zo ontstaat er ruimte voor geleidelijke transformatie, zonder de samenhang en leefkwaliteit van het gebied uit het oog te verliezen.
Gebruiksactiviteiten
Functiemenging
Binnen het gebiedstype Centrumrandzone is sprake van een gemengd gebruik, passend bij de overgang tussen het kernwinkelgebied en de aangrenzende woongebieden. Conform de regels van het omgevingsplan zijn diverse gebruiksactiviteiten rechtstreeks toegestaan, mits wordt voldaan aan de bijbehorende artikelen.
Het betreft onder meer:
detailhandelsactiviteiten (algemeen), conform artikel 5.46 functiemenging: detailhandelsactiviteiten algemeen;
dienstverleningsactiviteiten, conform artikel 5.50 functiemenging: dienstverleningsactiviteiten;
maatschappelijke activiteiten, conform artikel 5.104 functiemenging: maatschappelijke activiteiten binnenstad;
woonactiviteiten, mits voldaan wordt aan de regels in afdeling 5.3.12: woonactiviteiten.
Deze functies dragen bij aan een levendige en veelzijdige centrumrandzone en ondersteunen de gewenste mix van werken, wonen en verblijven. Het plan biedt hiermee ruimte voor flexibiliteit, terwijl de ruimtelijke structuur en leefkwaliteit worden geborgd.
Functie op locatie
Bedrijfsactiviteiten
Bedrijfsactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan binnen de aangewezen werkingsgebieden ‘functie op locatie’, conform:
artikel 5.33 functie op locatie: bedrijfsactiviteiten algemeen;
artikel 5.35 functie op locatie: verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG.
Hiermee wordt aangesloten bij de bestaande situatie. Nieuwe bedrijfsactiviteiten zijn niet rechtstreeks toegestaan, maar kunnen uitsluitend via een omgevingsvergunning worden mogelijk gemaakt, conform subparagraaf 5.3.1.4.1 vergunningplicht: bedrijfsactiviteiten algemeen.
Speelautomatenhal
De speelautomatenhal is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de bestaande locatie, conform artikel 5.41 functie op locatie: speelautomatenhal. Uitbreiding of vestiging op andere locaties binnen het plangebied is niet toegestaan.
Horeca-activiteiten
Horeca-activiteiten zijn uitsluitend toegestaan binnen de daarvoor aangewezen werkingsgebieden:
horeca-activiteit 1 en 2, conform artikel 5.75 functie op locatie: horeca-activiteit 1 en horeca-activiteit 2;
verblijfshoreca, conform artikel 5.77 functie op locatie: horeca-activiteit verblijfshoreca.
Hiermee wordt aangesloten bij de bestaande situatie en wordt ongewenste uitbreiding of functieverschuiving voorkomen. Voor nieuwe recreatieve nachtverblijven geldt een vergunningsplicht. Ook voor het gebruik van horecaterrassen geldt een vergunningsplicht.
Kantoren
Kantooractiviteiten zijn uitsluitend toegestaan binnen het werkingsgebied ‘functie op locatie: kantooractiviteit’, conform artikel 5.97 functie op locatie: kantooractiviteit. Hiermee wordt aangesloten bij de bestaande situatie.
Begraafplaats
De begraafplaats is uitsluitend toegestaan ter plaatse van het aangewezen werkingsgebied ‘functie op locatie: begraafplaats’, conform artikel 5.107 functie op locatie: begraafplaats. Hiermee wordt aangesloten bij de bestaande situatie.
Vergunningsplicht
Bedrijfsactiviteiten
Naast de bestaande bedrijfsactiviteiten (wasserij en tankstation zonder LPG), die zijn voorzien van een functie op locatie, zijn nieuwe bedrijfsactiviteiten uitsluitend toegestaan nadat hiervoor een omgevingsvergunning is verleend. Dit betreft onder meer activiteiten op het gebied van opslag, handel, transport, industrie en ambacht, conform subparagraaf 5.3.1.4.1.
De vergunningplicht maakt het mogelijk om te beoordelen of de aard en schaal van de bedrijvigheid passen binnen het gemengde karakter van de centrumrandzone en of geen onevenredige hinder ontstaat voor de omgeving.
Evenementen
Evenementen zijn uitsluitend toegestaan na een melding conform subparagraaf 5.3.5.2meldplicht.
Per locatie zijn in het omgevingsplan randvoorwaarden opgenomen met betrekking tot onder andere:
Recreatief nachtverblijf
Recreatief nachtverblijf is niet rechtstreeks toegestaan en kan uitsluitend via een omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt, conform subparagraaf 5.3.6.5.2. Daarbij wordt getoetst aan onder meer ruimtelijke inpassing, parkeerbehoefte en woon- en leefkwaliteit.
Horecaterrassen
Het gebruik van horecaterrassen is uitsluitend toegestaan na verlening van een omgevingsvergunning, conform subparagraaf 5.3.6.5.5 vergunningplicht: gebruik horecaterrassen.
Wonen
Woonactiviteiten zijn toegestaan mits wordt voldaan aan de regels van afdeling 5.3.12 woonactiviteiten. Binnen de centrumrandzone is, in tegenstelling tot het kernwinkelgebied, ook wonen op de begane grond mogelijk. Hiermee wordt ingezet op een toekomstbestendig en gemengd stedelijk milieu, waarin ruimte bestaat voor zowel wonen als werken en verblijven.
Bouw- en sloopactiviteiten
Voor bouwactiviteiten geldt dezelfde regeling als in het kernwinkelgebied. Er worden geen aanvullende voorwaarden gesteld en er is geen onderscheid gemaakt tussen de twee gebieden.
Normen
Voor de centrumrandzone gelden dezelfde normen als voor het kernwinkelgebied.
Kernwinkelgebied
Inleiding
In het gebiedstype ‘Kernwinkelgebied’ zijn diverse functies ondergebracht. Volgens het programma Purmerend Binnenstad moet dit gebied een aantrekkelijk, onderscheidend en divers aanbod bieden, zodat de binnenstad van Purmerend een levendige en uitnodigende plek blijft. Het op veel plekken generiek toestaan van verschillende functies, terwijl op andere locaties juist beperkingen gelden, bijvoorbeeld voor functies zoals wonen, zorgt voor een gebalanceerde invulling van de binnenstad. Op deze manier ontstaat er ruimte voor maatwerk, waarbij enerzijds ruimte wordt geboden aan nieuwe ontwikkelingen en anderzijds de bestaande winkelstructuur en het karakter van het gebied worden beschermd.
Visie en sturingsfilosofie
Het gebiedstype ‘Kernwinkelgebied’ kenmerkt zich door een mix van functies die gezamenlijk zorgen voor levendigheid en dynamiek. Het uitgangspunt is om deze kwaliteiten te behouden en waar mogelijk ruimte te bieden aan initiatieven die bijdragen aan de versterking van een aantrekkelijk en toekomstbestendig winkelgebied. Daarbij geldt wel dat nieuwe ontwikkelingen moeten passen binnen de aard, schaal en functie van het gebiedstype.
Gebruiksactiviteiten
Functiemenging
Binnen het gebiedstype ‘Kernwinkelgebied’ zijn functies toegestaan die bijdragen aan een levendig, toegankelijk en publieksgericht stadscentrum. Het betreft functies die zonder aanvullende locatieaanduiding mogelijk zijn, mits wordt voldaan aan de bijbehorende regels in hoofdstuk 5 van het omgevingsplan. Het gaat om:
Detailhandelsactiviteiten (algemeen), conform artikel 5.3.3, in samenhang met artikel 5.46 functiemenging: detailhandelsactiviteiten algemeen;
Dienstverleningsactiviteiten (algemeen), conform artikel 5.3.4, in samenhang met artikel 5.50 functiemenging: dienstverleningsactiviteiten;
Horeca-activiteiten categorie 1 en 2, conform artikel 5.3.6, in samenhang met artikel 5.73 functiemenging: horeca-activiteit 1 en 2;
Maatschappelijke activiteiten, conform artikel 5.3.8, in samenhang met artikel 5.104 functiemenging: maatschappelijke activiteiten binnenstad;
Deze functies passen bij het karakter van het kernwinkelgebied, waarin publieksgerichtheid, interactie met de openbare ruimte en levendigheid centraal staan. Door deze functies generiek toe te staan ontstaat flexibiliteit in het gebruik van panden en wordt bijgedragen aan een toekomstbestendig en aantrekkelijk stadscentrum.
Functie op locatie
Voor een aantal functies geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van een specifiek aangewezen werkingsgebied. Hiermee wordt planologische sturing gegeven en aangesloten bij de bestaande situatie.
Supermarkten
Supermarkten zijn uitsluitend toegestaan binnen het op de verbeelding aangeduide werkingsgebied ‘supermarkt’, conform artikel 5.48 functie op locatie: supermarkten.
Binnen dit werkingsgebied is uitsluitend de functie detailhandelsactiviteit: supermarkt toegestaan. Het aantal supermarkten is gemaximeerd; toevoeging van nieuwe supermarktlocaties is niet toegestaan. Met deze regeling wordt verdere groei van het supermarktaanbod in de historische binnenstad uitgesloten en blijft de bestaande detailhandelsstructuur behouden.
Bedrijfsmatige activiteiten algemeen
Bedrijfsmatige activiteiten zoals opslag, handel, transport en industriële of ambachtelijke bedrijven zijn uitsluitend toegestaan op specifieke locaties binnen het plangebied, conform artikel 5.33 functie op locatie: bedrijfsmatige activiteiten algemeen. Hiermee wordt aangesloten bij de feitelijk bestaande situatie.
Horeca categorie 4
Horeca-activiteiten in categorie 4 zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de daarvoor aangewezen werkingsgebieden, conform artikel 5.76 functie op locatie: horeca-activiteit 4. Deze locaties betreffen bestaande horecazaken met een openingstijd tot 04.00 uur. Door deze functies locatiegebonden vast te leggen, wordt bestaand gebruik planologisch geborgd en ongewenste uitbreiding voorkomen.
Shisha lounge
Een shisha lounge is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de specifiek aangeduide locatie ‘shisha lounge’, conform artikel 5.78 functie op locatie: shishalounge.
De activiteit is uitsluitend toegestaan op de eerste bouwlaag en niet in gebouwen waarin een woonfunctie aanwezig is. Daarmee wordt voorzien in een zorgvuldige ruimtelijke inpassing, waarbij enerzijds ruimte wordt geboden aan deze specifieke horeca-activiteit en anderzijds het woon- en leefklimaat wordt beschermd. Deze regeling is overgenomen uit bestaande beleidskaders.
Recreatief nachtverblijf
Verblijfshoreca is uitsluitend toegestaan op specifieke locaties, conform artikel 5.77 functie op locatie: recreatief nachtverblijf. Daarnaast kan verblijfsrecreatie via een omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt, conform subparagraaf 5.3.6.2 vergunningsplicht: recreatief nachtverblijf.
Kantoren
Kantoren zijn uitsluitend toegestaan binnen het werkingsgebied ‘kantoren’, conform artikel 5.97 functie op locatie: kantooractiviteit. Hiermee wordt voorkomen dat kantoren zich verspreiden binnen het kernwinkelgebied. Nieuwe kantoorinitiatieven kunnen desgewenst buitenplans worden beoordeeld.
Theater
Het bestaande theater De Purmaryn is als specifieke functie opgenomen in het omgevingsplan en uitsluitend toegestaan op de huidige locatie.
Vergunningsplicht
Bedrijfsmatige activiteiten
Voor nieuwe bedrijfsmatige activiteiten binnen het kernwinkelgebied geldt een vergunningsplicht, conform subparagraaf 5.3.1.4.1. Deze vergunningplicht is bedoeld om te toetsen of de activiteit past binnen de gewenste structuur en uitstraling van de binnenstad.
De vergunning wordt uitsluitend verleend indien:
wordt voldaan aan relevante milieunormen (zoals geluid en veiligheid);
de privacy van omwonenden en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast;
wordt voldaan aan de parkeernormen.
Hiermee wordt gerichte sturing gegeven aan functietoelating en ongewenste functiemenging voorkomen.
Horeca categorie 3 en 4
Voor horeca-activiteiten in categorie 3 en 4 geldt een vergunningsplicht, conform subparagrafen 5.3.6.3 en 5.3.6.4. Bij de beoordeling van een aanvraag wordt getoetst of het initiatief:
past bij het karakter en de visie van het kernwinkelgebied;
geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt.
Terrassen
Het realiseren of exploiteren van een terras zonder omgevingsvergunning is niet toegestaan.
Wonen
Het realiseren van woningen binnen het kernwinkelgebied is uitsluitend mogelijk met een omgevingsvergunning en onder de voorwaarden van afdeling 5.3.12 woonactiviteiten. Transformatie van de begane grond naar wonen is uitgesloten.
Meldplicht
Evenementen
Evenementen zijn geregeld in paragraaf 5.3.5. Per locatie zijn vastgelegd:
het maximaal aantal evenementen per jaar;
het maximumaantal bezoekers;
toegestane tijden en duur;
Hiermee wordt levendigheid mogelijk gemaakt, terwijl het woon- en leefklimaat wordt beschermd.
Verbod
Wonen begane grond: In het gebiedstype ‘Kernwinkelgebied’ is het verboden om op de begane grond te wonen. Deze regel is ingesteld om de levendigheid en aantrekkelijkheid van het winkelgebied te waarborgen en sluit aan op de voorbeschermingsregels die door het college op 10 juni 2025 zijn vastgesteld. De begane grond is bij uitstek geschikt voor functies zoals detailhandel, horeca en dienstverlening, die direct contact met het publiek vereisen en bijdragen aan een actieve plint en een levendig straatbeeld.
Bezorgen: Er is een verbod opgenomen voor horeca-activiteiten met bezorgen in het kernwinkelgebied. Gebouwen die wel in het kernwinkelgebied liggen, maar uitkomen op de omliggende hoofdstraten (bijvoorbeeld een Gedempte Singelgracht) vallen niet onder het verbod. Horecagelegenheden die zijn gelegen in de straten die in het voetgangersgebied liggen mogen geen bezorgdiensten aanbieden.
Darkstores: Binnen het kernwinkelgebied zijn zogenoemde darkstores niet toegestaan. Dit betreft bedrijfsmatige activiteiten gericht op online verkoop en bezorging zonder publieksfunctie. Dergelijke functies passen niet binnen het gewenste karakter van het kernwinkelgebied, waarin levendigheid, publieksgerichtheid en een actieve plint centraal staan. Door darkstores uit te sluiten, wordt geborgd dat de begane grond aantrekkelijk en toegankelijk blijft voor bezoekers en dat het winkelgebied zijn dynamische en uitnodigende uitstraling behoudt.
Bouw- en sloopactiviteiten
Voor de binnenstad van Purmerend is gekozen voor een aanpak die aansluit bij bestaande systematiek, zoals eerder toegepast in de planwijziging voor Wheermolen. Tegelijkertijd is de regeling toegespitst op de specifieke kenmerken van de binnenstad, zoals de monumentale bebouwing, beperkte fysieke ruimte en de intensieve functiemenging. Dit vraagt om maatwerk in regelgeving, gericht op behoud, zorgvuldige inpassing en kwaliteitsverbetering.
Bouwactiviteiten
De regels voor bouwactiviteiten hebben betrekking op het bouwen, veranderen en in stand houden van bouwwerken. Daarbij staan drie doelen centraal:
het behoud van cultureel erfgoed;
een goed gebruik van bouwwerken;
het waarborgen van een goede omgevingskwaliteit.
Er is ruimte geboden voor het behouden en voortzetten van bestaande gebouwen, mits deze rechtmatig aanwezig waren op het moment van inwerkingtreding van het plan. Daarmee wordt voorkomen dat bestaande functies onnodig worden belemmerd.
Voor nieuwe bouwactiviteiten gelden open toetsingscriteria. Deze bieden een kwalitatief beoordelingskader, waarbij het draait om de stedenbouwkundige inpassing, de ruimtelijke samenhang en de gewenste omgevingskwaliteit zoals beschreven in de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend. Zo wordt onder meer beoordeeld of het bouwwerk past in de bestaande stedenbouwkundige context, de bouwhoogte aansluit op de omgeving, en of de straatwand en dakvorm gerespecteerd worden. Ook wordt getoetst op aspecten zoals parkeernormen, gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en de welstandseisen.
Vanwege dit open beoordelingskader is het niet meer nodig om gedetailleerde maatvoeringsregels op te nemen over bijvoorbeeld kapvormen, gevelbreedtes of bouwhoogten. Ook afwijkingen zoals het bouwen buiten het bouwvlak of het toevoegen van extra bouwlagen kunnen, mits goed gemotiveerd en passend binnen de omgeving, worden beoordeeld binnen dit flexibele systeem. Eventueel kan aanvullend stedenbouwkundig onderzoek bijdragen aan deze beoordeling.
Voor bouwwerken in de openbare ruimte zijn ook regels opgenomen: hier is bepaald dat enkel de bouwwerken die zijn genoemd in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn toegestaan. Dit zijn de bouwwerken die voor het ruimtelijk deel landelijk vergunningvrij zijn gemaakt. In de binnenstad van Purmerend is er geen reden om aanvullend hierop regels te stellen voor bijvoorbeeld nutsvoorzieningen of andere openbare bouwwerken; de mogelijkheden uit 2.29 Bbl worden toereikend geacht.
Wel is voor het bouwen ten behoeve van terrassen een vergunning vereist om eventuele overlast te voorkomen en de gewenste uitstraling van de binnenstad te behouden.
Sloopregels
Voor de bescherming van het karakter van de binnenstad is het behoud van uitsluitend rijks- en gemeentelijke monumenten niet voldoende. In het plangebied bevinden zich ook veel waardevolle panden zonder formele monumentstatus die wel bijdragen aan het historische en ruimtelijke straatbeeld. Om ongewenste sloop van deze karakteristieke bebouwing te voorkomen en tegelijk ruimte te houden voor gewenste ontwikkelingen, is gekozen voor een sloopvergunningplicht. Slopen is in principe toegestaan, mits aannemelijk is dat op de locatie binnen afzienbare tijd nieuwbouw zal plaatsvinden. Op die manier wordt voorkomen dat langdurig braakliggende of leegstaande plekken ontstaan, die afbreuk doen aan de beleving en kwaliteit van de binnenstad. Binnen een specifiek aangewezen gebied blijft het bestaande, strengere sloopregime van kracht. Voor rijksmonumenten geldt de landelijke regelgeving uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); voor gemeentelijke monumenten wordt aangesloten bij de Erfgoedverordening, die later (deels) overgaat in het omgevingsplan.
Normen
Parkeernorm
Voor de binnenstad van Purmerend is het van belang dat bouw- en gebruiksactiviteiten goed worden afgestemd op de parkeercapaciteit, mede gezien de beperkte openbare ruimte en de druk op het bestaande netwerk. Daarom zijn er regels opgenomen om ervoor te zorgen dat bij nieuwe ontwikkelingen of functiewijzigingen voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd, zowel voor auto’s als voor fietsen.
De basisregel is dat initiatiefnemers zelf verantwoordelijk zijn voor het voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Dit voorkomt dat extra druk ontstaat op de toch al schaarse openbare parkeerruimte in de binnenstad. De parkeernormen sluiten daarbij aan op de 'Nota Parkeernormen Purmerend 2016', waarin per type gebruiksfunctie en woningtype is bepaald hoeveel parkeerplaatsen minimaal nodig zijn. Voor bezoekers geldt een aanvullende norm, zodat ook hun parkeerbehoefte wordt meegenomen.
Tegelijkertijd is er ruimte ingebouwd voor maatwerk. In bijzondere gevallen kan van de standaardnormen worden afgeweken, bijvoorbeeld als op alternatieve wijze in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien (zoals bij collectieve parkeergarages of deelmobiliteit), of wanneer het strikt naleven van de normen onevenredige gevolgen heeft, bijvoorbeeld bij herontwikkeling van bestaande panden waar weinig ruimte beschikbaar is.
Ook voor fietsparkeren gelden normen. In het bijzonder in de binnenstad, waar de fiets een belangrijk vervoersmiddel is, is het van belang dat nieuwe woningen over voldoende en kwalitatief goede fietsparkeerplaatsen beschikken. De normering is gedifferentieerd naar de grootte van de woning. Ook hier geldt dat er onder omstandigheden van de norm kan worden afgeweken, mits het college oordeelt dat dit op verantwoorde wijze gebeurt.
Deze parkeernormen en de mogelijkheid tot maatwerk zorgen samen voor een gebalanceerde benadering: ze bieden voldoende zekerheid voor een leefbare, toegankelijke binnenstad, terwijl ze ook flexibiliteit bieden waar de situatie daarom vraagt.
Voor milieuthema’s volgt het omgevingsplan grotendeels de regels uit de bruidsschat. Voor de binnenstad zijn echter aanvullende regels opgesteld voor geluid door evenementen, vanwege de specifieke stedelijke context, en vanwege het feit dat dit in de bruidsschat niet (volledig) is geregeld.
Groen en recreatie
Inleiding
Het gebiedstype ‘Groen en recreatie’ omvat de openbare groengebieden, parken, plantsoenen en recreatieve verblijfsruimten binnen de gemeente. Deze gebieden vervullen een essentiële functie voor ontspanning, ontmoeting, gezondheid en klimaatadaptatie en dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van de stad. Binnen dit gebiedstype staat het behoud en de versterking van het groene karakter centraal. De gronden zijn primair bedoeld voor extensieve recreatie, natuurbeleving en verblijfskwaliteit, met ruimte voor voorzieningen die deze functies ondersteunen, mits deze ondergeschikt blijven aan het groene en open karakter van het gebied.
Visie en sturingsfilosofie
De gemeentelijke sturingsfilosofie voor het gebiedstype Groen en recreatie is gericht op bescherming, zorgvuldig gebruik en toekomstbestendige inrichting van groene structuren. De gebieden vormen een tegenwicht voor de stedelijke dynamiek en bieden ruimte voor rust, beweging en ontmoeting in een groene omgeving. Ontwikkelingen binnen dit gebiedstype zijn mogelijk, maar uitsluitend wanneer zij bijdragen aan de recreatieve waarde, ecologische kwaliteit en landschappelijke samenhang. Functies en activiteiten die leiden tot verstening, intensieve bedrijvigheid of aantasting van het rustige karakter zijn nadrukkelijk uitgesloten.
Gebruiksactiviteiten
Functiemenging
Kleinschalige recreatie activiteiten: Binnen dit gebiedstype zijn slechts in beperkte mate activiteiten via functiemenging toegestaan. Dit betreft met name recreatieve activiteiten die passen bij het groene en open karakter van het gebied. Andere functies zijn niet generiek toegestaan.
Functie op locatie
Daarnaast zijn bepaalde activiteiten uitsluitend toegestaan als functie op locatie. Dit betekent dat deze activiteiten alleen mogen plaatsvinden binnen specifiek aangewezen werkingsgebieden. Het gaat hierbij om functies zoals volkstuinen, schooltuinen, heemtuinen en speeltuinen. Ook sportactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan op daarvoor aangewezen locaties, waarbij het gaat om het benutten van bouwwerken en terreinen voor sport en bijbehorende ondersteunende voorzieningen. Door deze functies ruimtelijk te begrenzen wordt geborgd dat zij passen binnen de structuur en draagkracht van het gebied.
Vergunningsplicht
Horeca-activiteiten zijn uitsluitend toegestaan met een omgevingsvergunning. Daarbij is horeca beperkt tot seizoensgebonden activiteiten binnen het daarvoor aangewezen werkingsgebied en wordt per aanvraag beoordeeld of de activiteit past binnen de omgeving en geen onevenredige aantasting veroorzaakt van het woon- en leefklimaat.
Ook voor het oprichten en in werking hebben van energieopslagsystemen geldt een vergunningsplicht. Deze activiteiten worden afzonderlijk beoordeeld vanwege de mogelijke impact op de fysieke leefomgeving en veiligheid.
Normen
Parkeernormen
Binnen het werkingsgebied Groen en recreatie gelden de parkeernormen zoals opgenomen in paragraaf 5.2.6.1 (Parkeernormen A). Dit betekent dat bij bouw- en gebruiksactiviteiten moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein plaatsvindt en in stand wordt gehouden, zodat geen extra parkeerdruk ontstaat in of rond de groengebieden. Hiermee wordt het groene, open en rustige karakter van deze gebieden beschermd. Het college kan in bijzondere gevallen maatwerk toepassen en afwijken van deze eis, mits dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de omgeving. Daarbij wordt de Nota Parkeernormen Purmerend 2016 (of diens rechtsopvolger) als toetsingskader gehanteerd.
Bouw- en sloopactiviteiten
Bouwactiviteiten
Voor bouwactiviteiten binnen het werkingsgebied Groen en recreatie gelden de algemene regels uit paragraaf 5.4.1 van het omgevingsplan. Deze regels zijn gericht op het waarborgen van een goede omgevingskwaliteit, veiligheid, bruikbaarheid van bouwwerken en het behoud van cultureel erfgoed.
Nieuwe bebouwing is slechts toegestaan voor zover deze functioneel is voor groen- en recreatief gebruik en past binnen het open en landschappelijke karakter van het gebied. Bij de beoordeling van vergunningaanvragen wordt onder meer getoetst aan de stedenbouwkundige inpassing, de visuele kwaliteit op basis van de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend, de bereikbaarheid en brandveiligheid, de bodemkwaliteit en het voldoen aan de geldende parkeernormen.
Voor bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken gelden aanvullende maatvoerings- en situeringseisen, waarbij uitgangspunt is dat deze ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie van het gebied en geen onevenredige aantasting vormen van de groenstructuur en de recreatieve waarde.
Slopen van bouwwerken
Voor het slopen van bouwwerken zijn de algemene regels uit paragraaf 5.4.2 van toepassing. Deze regels zijn gericht op het waarborgen van veiligheid en gezondheid, duurzaamheid en het voorkomen van hinder en schade aan de omgeving.
Indien sloop plaatsvindt binnen een aangewezen sloopvergunningsgebied, is een omgevingsvergunning vereist. Daarbij wordt beoordeeld of de sloop niet leidt tot een onevenredige aantasting van cultuurhistorische, architectonische of stedenbouwkundige waarden. De gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit wordt hierbij betrokken.
Werken en werkzaamheden
Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden binnen het werkingsgebied Groen en recreatie gelden de regels uit afdeling 5.5.1 (open terreinen en erven) en afdeling 5.5.4 (wegen).
Het gebruik en de inrichting van open terreinen en erven moet zodanig plaatsvinden dat geen gevaar ontstaat voor de gezondheid en veiligheid en dat overlast voor de omgeving wordt voorkomen. Er geldt een specifieke zorgplicht voor eigenaren en gebruikers om hinder, vervuiling, verwaarlozing en onveilige situaties te voorkomen. Daarnaast is de opslag van brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken sterk beperkt en slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Ook mag een terrein niet worden gebruikt indien dit, vanwege bouwvalligheid van nabijgelegen bouwwerken, door het bevoegd gezag als onveilig is aangemerkt. Deze regels waarborgen dat groengebieden veilig, schoon en geschikt blijven voor recreatief gebruik.
Het aanleggen, wijzigen, opbreken of anderszins aanpassen van wegen en verhardingen binnen dit gebiedstype is vergunningplichtig. Dergelijke werkzaamheden zijn in beginsel uitsluitend toegestaan wanneer zij worden uitgevoerd door of in opdracht van een bestuursorgaan.
Bij vergunningverlening wordt beoordeeld of de werkzaamheden geen onevenredige schade toebrengen aan de groene inrichting, het uiterlijk van de omgeving, de bruikbaarheid van de weg en de verkeersveiligheid. Hiermee wordt voorkomen dat ongecontroleerde infrastructurele ingrepen afbreuk doen aan het landschappelijke en recreatieve karakter van het gebied.
Restrictiegebieden
Daarnaast zijn binnen het wijzigingsgebied diverse restrictiegebieden aangewezen waar specifieke regels gelden ter bescherming van waterkeringen, archeologische waarden en gemeentewegen. Deze gebieden hebben een bijzondere betekenis of functie die bescherming en specifieke regels vereist. Door het instellen van restrictiegebieden zorgen we ervoor dat activiteiten in deze zones aan strikte voorwaarden voldoen. Dit voorkomt schade aan belangrijke infrastructuur, cultuurhistorisch erfgoed en waterveiligheid. Met deze omgevingsplanwijziging zijn de volgende restrictiegebieden opgenomen:
Archeologie-1: Met deze omgevingsplanwijziging is een archeologisch restrictiegebied ‘archeologie 1’ opgenomen. Dit restrictiegebied sluit inhoudelijk aan op de beschermingsregeling uit de geldende archeologische dubbelbestemmingen, hoewel de benaming en systematiek niet één-op-één overeenkomen. Voor dit restrictiegebied geldt dat bodemingrepen vergunningplichtig zijn indien zij dieper reiken dan 50 cm onder maaiveld en een oppervlakte beslaan van meer dan 500 m², overeenkomstig de bepalingen uit de huidige archeologische regeling.
Archeologie-2: Daarnaast is het restrictiegebied ‘archeologie 2’ opgenomen. Ook dit restrictiegebied vormt een vertaling van de bestaande archeologische bescherming naar het omgevingsplan en komt qua beschermingsniveau overeen met de geldende archeologische dubbelbestemmingen, zonder dat sprake is van een identieke aanduiding. Binnen dit gebied geldt een vergunningplicht voor bodemingrepen die dieper zijn dan 50 cm onder maaiveld en een oppervlakte hebben van meer dan 100 m².
Archeologie-3: Ten slotte is het restrictiegebied ‘archeologie 3’ vastgesteld. De bijbehorende regels sluiten inhoudelijk aan bij de bestaande archeologische beschermingsregimes, waarbij het beschermingsniveau is afgestemd op gebieden met een hogere archeologische verwachting.
Voor dit restrictiegebied geldt een vergunningplicht bij bodemingrepen die dieper zijn dan 50 cm onder maaiveld en een oppervlakte groter dan 30 m².
Waterstaat – waterkering: de voormalige dubbelbestemming waterstaat - waterkering is overgenomen met deze omgevingsplanwijziging en vertaald naar het restrictiegebied ‘waterstaat – waterkering’.
4.1.2 Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving
In hoofdstuk 5, afdeling 5.2, staan de ‘normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving’. Daarbij gaat het om normen die relevant zijn voor meerdere activiteiten dan wel in meerdere situaties.
In de binnenstad gaat het om parkeernormen die relevant zijn bij de toetsing van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen van een hoofdgebouw, maar ze zijn ook van belang bij de beoordeling van een omgevingsvergunning voor een gebruikswijziging. ‘Parkeernormen A’ kent een specifieke zorgplicht en verwijzing naar de gemeentelijke Nota Parkeernormen. Deze regeling geldt voor het gehele gebied.
Om te voorkomen dat deze normen meerdere keren in de regels moeten worden herhaald, worden ze overgenomen van de omgevingsplanwijziging Wheermolen. Als in de toekomst deze norm in andere gebieden van kracht moet zijn zal het werkingsgebied verder worden uitgebreid waardoor de regels niet meerdere keren herhaald worden in het omgevingsplan.
In de toekomst kan deze titel worden uitgebreid met onder andere de immissiesnormen voor milieuaspecten die nu nog in hoofdstuk 22 staan, maar die uiterlijk tegen het einde van de transitiefase in het nieuwe deel van het omgevingsplan opgenomen moeten worden. Deze immissienormen worden ook wel het ‘milieumengpaneel’ genoemd. Denk aan regels over externe veiligheid, geluid, geur, bodem, trillingen. Deze onderwerpen komen in hoofdstuk 5 van deze motivering overigens inhoudelijk verder aan de orde.
4.1.3 Afdeling 5.3. t/m 5.6: activiteiten
het omgevingsplan is opgebouwd aan de hand van activiteiten. Er worden vier soorten activiteiten onderscheiden: (1) Gebruiksactiviteiten (2) Bouw- en sloopactiviteiten (3) Milieubelastende activiteiten (4) Uitvoeren van werken en werkzaamheden.
Gebruiksactiviteiten (afdeling 5.3. regels)
Gebruiksactiviteiten lijken op de regels in bestemmingsplannen voor functies zoals ‘wonen’, ‘detailhandel’ of ‘bedrijvigheid’. In het omgevingsplan zijn de regels voor bouwen en gebruiken los van elkaar vastgelegd. Hierdoor kunnen bouwregels algemeen gelden en niet per se aan één gebruiksfunctie gebonden zijn. Op één locatie kunnen meerdere gebruiksactiviteiten passend zijn.
Bouw- en sloopactiviteiten (afdeling 5.4. regels)
Hierbij gaat het om de ruimtelijke bouwactiviteit en sloopactiviteiten. Door heldere bepalingen te stellen over het bouwen, veranderen en onderhouden van bouwwerken, wordt niet alleen de bewoonbaarheid en het leefmilieu beschermd en verbeterd, maar wordt ook cultureel erfgoed behouden en een goede omgevingskwaliteit gewaarborgd. Daarnaast gelden er specifieke regels voor sloopactiviteiten. Deze regels gaan over het op een veilige, verantwoorde en duurzame manier uitvoeren van sloopwerkzaamheden. Slopen brengt namelijk risico’s met zich mee, zowel voor de directe omgeving als voor de openbare ruimte. Daarom is het van groot belang dat tijdens sloopactiviteiten de veiligheid van mensen gewaarborgd wordt en dat mogelijke gezondheidsrisico’s worden voorkomen.
Daarnaast is het belangrijk om hinder en overlast, zoals stof, geluid en schade aan omliggende gebouwen, wegen of openbare voorzieningen, zoveel mogelijk te beperken. Door duidelijke zorgplichten op te leggen aan degene die de sloop uitvoert, wordt ervoor gezorgd dat schade en belemmeringen tijdig worden voorkomen of hersteld.
Milieubelastende activiteiten (afdeling 5.5. regels)
De Omgevingswet definieert een milieubelastende activiteit als: 'een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuivering technisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'.
Uitvoeren van werken en werkzaamheden (afdeling 5.6. regels)
Deze regeling is bedoeld om het uitvoeren van werken en werkzaamheden op een veilige en verantwoorde manier te reguleren. Door duidelijke regels te stellen over het gebruik van open terreinen, de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen en de zorgplicht van eigenaren en gebruikers, wordt de veiligheid van mensen en de omgeving gewaarborgd.
Daarnaast draagt de regeling bij aan het voorkómen van hinder, overlast en milieuschade, en zorgt zij ervoor dat de fysieke leefomgeving in goede staat blijft. Door het stellen van beperkingen en zorgplichten wordt ook het risico op onveilige situaties, zoals brandgevaar of instabiliteit van bouwwerken, beperkt.
Deze regels stimuleren een verantwoord beheer en gebruik van terreinen en bouwwerken, met aandacht voor veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en omgevingskwaliteit.
4.1.4 Regeltype
Voor het opstellen van regels over activiteiten in het omgevingsplan zijn verschillende opties mogelijk. Deze zijn samengevat in de ‘regelpiramide’, weergegeven in afbeelding 4.1.
Hoe hoger een regel in de piramide staat, hoe strenger en beperkter de sturing is. Zo kan het omgevingsplan voor activiteiten die helemaal niet gewenst zijn, een expliciet verbod opnemen.
Vergunningplichten geven de gemeente meer controle, omdat per geval beoordeeld wordt of voldaan wordt aan vooraf gestelde kwalitatieve of kwantitatieve eisen. In tegenstelling tot bestemmingsplannen is het in het omgevingsplan ook mogelijk om voor gebruiksactiviteiten een vergunningplicht op te nemen. Hiermee geeft het plan aan dat een bepaalde activiteit in principe passend of wenselijk is, maar dat de omvang en aard van een specifieke activiteit nog beoordeeld moet worden. Dit sluit aan bij de ‘ja, mits’-gedachte van de Omgevingswet, waarbij minder vooraf strikt is vastgelegd en meer ruimte is voor maatwerk.
Een minder strikte vorm zijn algemene regels, die lager in de piramide staan. Hierbij is een activiteit toegestaan, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Er is dan geen aparte vergunning nodig en ook geen toetsingsmoment vooraf. Deze algemene regels kunnen gecombineerd worden met een informatieplicht, waarbij degene die de activiteit uitvoert de gemeente vooraf informeert, ook zonder vergunning.
Over het algemeen geldt dat meer algemene regels leiden tot minder vergunningplichten, en omgekeerd: minder algemene regels zorgen voor meer vergunningplichten.
Tot slot is er ook de mogelijkheid om bepaalde activiteiten niet te reguleren. In dat geval laat de gemeente de activiteit vrij, waarbij alleen de algemene en specifieke zorgplichten uit de Omgevingswet de minimale bescherming vormen.
4.1.5 Normering
Bij vergunningplichten in het omgevingsplan kan worden getoetst aan zowel open (kwalitatieve) als gesloten (kwantitatieve) normen. Gesloten normen zijn objectief en helder, waardoor ze voor iedereen duidelijk zijn. Denk hierbij aan maximale bouwhoogtes of toegestane oppervlaktes. Deze normen zorgen voor rechtszekerheid en maken het mogelijk om vergunningen sneller te verlenen.
Open normen daarentegen zijn kwalitatief en geven ruimte voor een meer subjectieve beoordeling. Voorbeelden hiervan zijn ruimtelijke kwaliteit, stedenbouwkundige inpassing en redelijke eisen van welstand. Open normen bieden meer flexibiliteit en maken maatwerk mogelijk, omdat de beoordeling kan worden aangepast aan de specifieke situatie. Dit vraagt echter om een uitgebreidere motivering bij het beoordelen van een vergunningaanvraag dan bij gesloten normen.
In dit hoofdstuk van de motivering bij de omgevingsplanwijziging staan we stil bij verschillende (milieu)aspecten van de fysieke leefomgeving en bekijken we hoe de planwijziging en de daarin opgenomen ontwikkelen mogelijk zijn terwijl sprake blijft van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
5.1.1 Kader
Op Europees niveau is vastgelegd dat projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, worden onderzocht op hun gevolgen voor het milieu. Dit is geregeld in de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling (m.e.r.-richtlijn). Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een project in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt de milieueffectrapportage ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie van omwonenden bij de totstandkoming van het besluit.
Voor een reeks van projecten is bepaald dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt, voordat toestemming wordt gegeven het project uit te voeren. Voor een andere reeks van projecten moet worden onderzocht of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In Nederland is de m.e.r.-richtlijn geïmplementeerd in paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, is af te leiden uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
5.1.2 Onderzoek
Met deze omgevingsplanwijziging worden geen nieuwe ontwikkelingen en daarmee nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Wel zijn alle milieuaspecten beoordeeld om te bepalen of wordt voldaan aan de kaders van de wet. Per paragraaf is per milieuaspect aangegeven hoe rekening wordt gehouden met de kaders en hoe deze vertaald zijn in het omgevingsplan.
5.1.3 Conclusie
Uit onderstaande paragrafen blijkt dat diverse mogelijke milieueffecten weloverwogen zijn beoordeeld. Waar mogelijk worden maatregelen genomen in het plan om mogelijke aanzienlijke effecten te voorkomen of te beperken.
5.2.1 Kader
Geluid kan aanzienlijke effecten hebben op zowel het woon- en leefklimaat als de gezondheid van mensen. De aanvaardbaarheid van geluidsbelasting onder de Omgevingswet is in grote mate een decentrale afweging. Het is de taak van de gemeente om in het omgevingsplan voor iedere locatie in haar gebied de gewenste geluidskwaliteit vast te leggen.
In afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn regels opgenomen voor belangrijke geluidsbronnen, zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen. De regelgeving omtrent geluid heeft een tweeledige werking om zowel de bescherming tegen geluidsoverlast als de mogelijkheid voor nieuwe geluidsgevoelige functies te waarborgen. Enerzijds richt de wetgeving zich op de aanleg of wijziging van spoorwegen en industrieterreinen, anderzijds wordt ook de aanleg van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en functies (zoals woningen, scholen en zorginstellingen) en de locaties nabij geluidsbronnen gereguleerd.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen geluidsbronnen die een geluidsproductieplafond (GPP) hebben als omgevingswaarde, en bronnen met een basisgeluidsemissie (BGE). Geluidsbronnen met een GPP omvatten onder andere lokale spoorwegen die zijn aangewezen in de omgevingsverordening, rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en industrieterreinen. Geluidsbronnen met een BGE betreffen bijvoorbeeld lokale wegen (verharde gemeente- of waterschapswegen met meer dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal) en lokale spoorwegen die niet zijn aangewezen in de omgevingsverordening.
Voor andere gebouwen of locaties, die niet expliciet onder de genoemde regels vallen, bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Binnen een geluidsaandachtsgebied is een akoestisch onderzoek noodzakelijk om de mogelijkheid te beoordelen voor de toelating van een geluidsgevoelig gebouw. Tabel 5.1. geeft de standaardwaarde en grenswaarde per geluidbronsoort, zoals opgenomen in het Bkl.
|
Geluidsbronsoorten |
Standaardwaarde |
Grenswaarde |
|
Rijkswegen en provinciale wegen |
50 Lden |
65 Lden |
|
Gemeentewegen en waterschap wegen |
53 Lden |
70 Lden |
|
Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen |
55 Lden |
70 Lden |
|
Industrieterreinen |
50 Lden 40 Lnight |
60 Lden 50 Lnight |
5.2.2 Onderzoek
In het kader van de omgevingsplanwijziging heeft KuiperCompagnons een quickscan uitgevoerd. Deze quickscan is in bijlage 1 toegevoegd. Het plangebied bevindt zich volgens het geluidregister binnen het geluidaandachtsgebied van de rijksweg A7, die op meer dan 400 meter afstand ligt. Provinciale wegen en gemeentewegen zijn echter niet opgenomen in het geluidregister. In de directe omgeving van het plangebied liggen de provinciale weg N235 en de gemeentewegen Zuiddijk/Gedempte Where/Purmersteenweg, de Gedempte Singelgracht, de Neckerdijk, de Purmerenderweg, de Jaagweg en de Nieuwstraat. Een deel van de Singelgracht en de Nieuwstraat is ingericht als 30 km/uur-zone. Deze 30 km/uur-wegen dienen als ontsluitingswegen voor het centrumgebied.
De onderstaande afbeelding toont de relevante geluidsbronnen. Het plangebied ligt niet binnen het geluidaandachtsgebied van een spoorlijn of industrieterrein.
Indien er in de toekomst geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden ontwikkeld binnen het geluidaandachtsgebied van de rijksweg, binnen de zone van de provinciale weg of gemeentelijke 50 km/uur-wegen, of in de nabijheid van de 30 km/uur-wegen met ontsluitingsfunctie, dient er een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden.
Omdat deze omgevingsplanwijziging geen directe ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten mogelijk maakt, is aanvullend onderzoek op dit moment niet nodig.
Onder de Omgevingswet heeft de gemeente ruimte om op grond van eigen beleid te beoordelen welk geluidniveau tussen de standaardwaarde en de grenswaarde als aanvaardbaar gezien kan worden. Daarbij is van belang dat de Omgevingsdienst (OD) IJmond beleid ontwikkelt voor het toevoegen van woningen en de toetsing voor wegverkeerslawaai, de “Handreiking advies geluid bij ruimtelijke ontwikkelingen onder de Omgevingswet”. Dit beleid wordt opgesteld omdat de gemeenten binnen het werkgebied van de OD IJmond nooit een hogere waarde-beleid hebben vastgesteld en omdat omgevingsplannen op deze punten nog niet gereed zijn. De handreiking doet voorstellen voor een (tijdelijk) werkwijze voor het beoordelen van de toelaatbaarheid van een hogere waarde dan de standaardwaarde op de gevel van een woning. In de handreiking is aangegeven dat de voorkeur is om geluidgevoelige gebouwen te bouwen op locaties met een lage geluidbelasting waar primair de GGD-advieswaarden en, als dit niet mogelijk is, de Bkl-standaardwaarden niet worden overschreden. Als geluidniveaus niet kunnen worden teruggebracht tot de standaardwaarde kan een ontwikkeling alleen doorgang vinden als bij de geluidgevoelige gebouwen wordt aangetoond dat wordt voldaan aan een aanvaardbaar niveau.
Zes gemeenten binnen het werkgebied van OD IJmond hebben de verplichting om een Actieplan geluid op te stellen (Purmerend hoort daar niet bij). De plandrempel voor wegverkeerslawaai uit het Actieplan geeft het ambitieniveau van de gemeente weer. In veel gevallen is de plandrempel lager dan de grenswaarde uit de Omgevingswet. Nieuwe geluidgevoelige gebouwen toevoegen met een geluidbelasting boven de plandrempel is daarom niet wenselijk. Om te voorkomen dat de plandrempel wordt overschreden en om ruimte te houden voor groei van het verkeer, adviseert OD IJmond om voor gemeentelijk wegverkeer de grenswaarde bij te stellen naar 68 dB. De geadviseerde grenswaarden zijn weergegeven in tabel 2.1.
|
Geluidbronsoort |
Geadviseerde grenswaarde |
|
Provinciale wegen Rijkswegen |
60 Lden |
|
Gemeentewegen Waterschapswegen |
68 Lden |
|
Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen |
65 Lden |
|
Industrieterreinen |
55 Lden |
|
45 Lnight |
OD IJmond gaat op basis van bovenstaande uit van de volgende uitgangspunten:
Waar mogelijk wordt gestreefd naar de GGD-richtwaarden. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan dan worden toegelaten.
Als wordt voldaan aan de standaardwaarde uit het Bkl, wordt in ieder geval voldaan aan een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan dan worden toegelaten.
Indien er sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde, moet altijd worden aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar niveau. Het akoestisch onderzoek maakt dit inzichtelijk.
Een aanvaardbaar niveau boven de standaardwaarde wordt in ieder geval bereikt als wordt voldaan aan de regels in de handreiking.
In alle gevallen moet voldaan worden aan het binnenwaarde van 33 dB Lden
In de handreiking wordt meegegeven onder welke voorwaarden een geluidbelasting boven de standaardwaarde (en tot maximaal de grenswaarden uit het Bkl) toelaatbaar is. Het gaat dan onder meer om de volgende bepalingen:
Alleen bij zeer zwaarwegende belangen is een geluidbelasting tot aan de grenswaarden uit het Bkl (tabel 2.2.) mogelijk. Deze belangen moeten worden aangetoond en beargumenteerd in een akoestisch onderzoek.
Bij het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw boven de standaardwaarde worden in het akoestisch onderzoek alle maatregelen die het geluid kunnen beperken tot de standaardwaarde onderzocht.
Bij maatregelenonderzoek wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Indien er sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde heeft een geluidgevoelig gebouw in ieder geval één geluidluwe gevel in het belang van het beschermen van de gezondheid.
De geluidluwe zijde wordt gecreëerd aan de van de geluidbron afgekeerde zijde.
Bij nieuwe appartementencomplexen, waar niet alle woningen redelijkerwijs voorzien kunnen worden van een geluidsluwe gevel, is het in uitzonderlijke gevallen en met goede motivatie toegestaan een geluidluwe gevel te creëren door middel van een bouwkundige constructie (bijvoorbeeld een loggia of balkon met afscherming).
De geluidgevoelige ruimten worden zoveel mogelijk aan de geluidluwe gevel van de woning geprojecteerd, waarbij minimaal 1 slaapkamer aan de geluidluwe zijde wordt gesitueerd.
Een niet-geluidgevoelige gevel kan alleen worden toegepast als het onvermijdelijk is; bij zwaarwegende belangen en als er geen maatregelen te nemen zijn zodat wordt voldaan aan de door de OD IJmond geadviseerde grenswaarden (tabel 2.1). Dit moet worden aangetoond en beargumenteerd in het akoestisch onderzoek.
Er mag maximaal één niet-geluidgevoelige gevel per geluidgevoelig gebouw worden toegepast.
Bij het toepassen van een niet-geluidgevoelige gevel is altijd een advies van de GGD noodzakelijk in het kader van een gezond woon- en leefklimaat.
Bij woningen die beschikken over een individuele buitenruimte dienen deze aan de geluidluwe zijde gesitueerd te worden. Deze eis geldt voor maximaal één buitenruimte per woning.
Bij nieuwe appartementencomplexen, waar niet alle woningen redelijkerwijs voorzien kunnen worden van een geluidsluwe buitenruimte aan de geluidluwe zijde, kan via een gezamenlijke buitenruimte toch een geluidluwe situatie gecreëerd worden.
Bij appartementen op hoog belaste locaties mag goed gemotiveerd een afsluitbare buitenruimte (balkon of loggia) worden toegepast om een geluidluwe buitenruimte te creëren.
Voor vervangende nieuwbouw, transformaties en bij woningsplitsing worden dezelfde standaard- en grenswaarden gehanteerd als voor nieuwbouw
Voor tijdelijke situaties (tot 10 jaar) gelden iets minder strenge regels
Bij overschrijding van de standaardwaarde vindt een beoordeling van het gecumuleerd geluid plaats.
|
Geluidbronsoort |
Grenswaarde |
|
Provinciale wegen Rijkswegen |
60 Lden |
|
Gemeentewegen Waterschapswegen |
70 Lden |
|
Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen |
65 Lden |
|
Industrieterreinen |
55 Lden |
|
45 Lnight |
Deze wijziging van het omgevingsplan maakt geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk. Hierdoor is het niet noodzakelijk om in dit plan nieuwe geluidnormen op te nemen voor weg- of spoorweglawaai. Voor de beoordeling van geluidsaspecten wordt daarom teruggevallen op de bestaande kaders in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan (de bruidsschat).
5.2.3 Conclusie
Op basis van de conclusies uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat de voorgenomen omgevingsplanwijziging voor wat betreft het aspect ‘geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen’ geen negatieve invloed heeft op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.3.1 Kader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden er instructieregels vanuit het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl). De beoordeling van geluid door activiteiten kan op twee manieren worden benaderd:
Geluidproducerende activiteit: wanneer de voorgenomen ontwikkeling geluid produceert, wordt beoordeeld of het geluidsniveau voldoet aan de geldende normen en of dit geen onaanvaardbare hinder oplevert voor de fysieke leefomgeving. In het kader van de Omgevingswet (artikel 1.7 zorgplicht) wordt beoordeeld of de activiteit geen negatieve invloed heeft op de omgevingskwaliteit, inclusief geluidsoverlast. Er wordt gekeken naar de aard van de geluidsproductie, het geluidsniveau, de duur en de tijdstippen waarop het geluid wordt geproduceerd. Dit gebeurt in lijn met de geldende geluidsnormen.
Geluidsgevoelig object: wanneer de activiteit plaatsvindt in de nabijheid van een geluidsgevoelig object (zoals een woning of school), moet worden onderzocht of de bestaande activiteiten in de omgeving geen onaanvaardbare geluidshinder veroorzaken. Dit betekent dat wordt getoetst of de geluidsbelasting van omliggende activiteiten voldoet aan de normen voor geluidsbelasting die zijn bedoeld om overlast voor de bewoners te voorkomen. Hierbij wordt opnieuw rekening gehouden met de zorgplicht uit artikel 1.7 van de Omgevingswet, die vereist dat geen nadelige effecten op de fysieke leefomgeving mogen ontstaan.
In beide gevallen wordt getoetst of de geluidshinder voldoet aan de geldende geluidsnormen en of er passende maatregelen worden getroffen om overlast te beperken. Als de geluidsoverlast de normen overschrijdt, kunnen er maatregelen worden opgelegd.
Op basis van de instructieregels van paragraaf 5.1.4.2 Bkl bevat het omgevingsplan regels die geluidgevoelige gebouwen beschermen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen.
Bij elke omgevingsplanwijziging houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59, lid 1 Bkl). Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten samen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu.
Door het opnemen van de standaardwaarden uit artikel 5.65 Bkl in het omgevingsplan voldoet de gemeente in principe aan de eis van aanvaardbaarheid van artikel 5.59, lid 2 Bkl. De standaardwaarden uit dit artikel zijn gebaseerd op de algemene geluidnormen uit het oude Activiteitenbesluit. Niet op alle locaties leiden de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. De gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere waarden. Daarnaast kan de gemeente kiezen voor afwijkende standaardwaarden voor bedrijventerreinen (5 dB hoger) en voor agrarische gebieden (5 dB lager). Eis hierbij blijft aanvaardbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen. De gemeente kan het gewenste evenwicht ook bereiken door bijvoorbeeld het opleggen van preventieve maatregelen, . Dit in aanvulling op de waarde of in de plaats van de waarde.
5.3.2 Onderzoek
Op grond van paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet rekening worden gehouden met geluid van activiteiten. Voor geluid door activiteiten geldt dat (voorlopig) de regels uit hoofdstuk 22.3.4 van toepassing zijn. Dit betreft regels uit de ‘bruidsschat’.
Binnen het plangebied is in grote mate sprake van functiemenging, waarbij wonen direct naast andere (milieubelastende) functies voorkomt. Dergelijke functies kunnen in beginsel naast elkaar voorkomen mits bedrijven hier in hun bedrijfsvoering rekening houden of maatregelen treffen.
In paragraaf 5.2.3.1 is een regeling opgenomen voor evenementenactiviteiten binnen de aangewezen locaties in de binnenstad. De regeling heeft als doel om evenementen planologisch mogelijk te maken en tegelijkertijd de ruimtelijke effecten van evenementen te begrenzen. Daarbij is aangesloten bij de bestaande praktijk, waarin op verschillende locaties regelmatig evenementen plaatsvinden.
Bij de verdere uitwerking van de regeling is ervoor gekozen om geen vergunningplicht voor evenementenactiviteiten in het omgevingsplan op te nemen. Voor evenementen geldt reeds een vergunningplicht op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Een aanvullende vergunningplicht in het omgevingsplan zou leiden tot dubbele procedures en extra administratieve lasten zonder dat dit een duidelijke meerwaarde oplevert voor de bescherming van de fysieke leefomgeving. Om inzicht te behouden in de planologisch toegestane evenementen wordt volstaan met een meldplicht voor de in het omgevingsplan aangewezen evenementenactiviteiten.
De gemeente werkt aan een afzonderlijk akoestisch kader voor evenementen waarmee in de toekomst beter kan worden aangesloten bij de specifieke kenmerken van de verschillende evenementenlocaties binnen de binnenstad. Om die reden zijn er geen geluidregels in het omgevingsplan opgenomen t.a.v. evenementen.
Het achterwege laten van geluidnormen in deze fase leidt niet tot een verslechtering van de bestaande situatie. Geluid van evenementen wordt reeds gereguleerd via andere instrumenten, waaronder de vergunningverlening op grond van de APV en de daarbij behorende voorschriften. Het opnemen van tijdelijke of voorlopige normen in het omgevingsplan zou kunnen leiden tot onduidelijkheid voor zowel organisatoren als de uitvoeringspraktijk, terwijl nog niet beschikt wordt over het benodigde locatiegerichte onderzoek om een duurzame regeling vast te stellen.
Om dezelfde reden is afgezien van de verplichting voor initiatiefnemers om akoestische onderzoeken of afzonderlijke motiveringen voor geluid aan te leveren. De gemeente beschikt op dit moment nog niet over een uitgewerkt toetsingskader waarmee dergelijke onderzoeken of motiveringen kunnen worden beoordeeld. Daarnaast wordt de beoordeling van geluidaspecten reeds betrokken bij de vergunningverlening voor evenementen op grond van de APV.
De regeling blijft zich daarom richten op de ruimtelijk relevante aspecten van evenementen. Per locatie zijn het maximaal aantal evenementen, de maximale bezoekersaantallen, de toegestane duur en de tijdvensters vastgelegd. Deze aspecten zijn mede van belang voor de beoordeling van effecten op de fysieke leefomgeving, waaronder verkeersaantrekkende werking, bezoekersstromen, gebruiksintensiteit van de openbare ruimte en stikstofeffecten. De vastgelegde aantallen en gebruiksmogelijkheden sluiten aan bij de bestaande praktijk en zijn waar nodig geactualiseerd op basis van ervaringen uit de uitvoering, handhaving en evenementencoördinatie.
Door evenementenlocaties specifiek aan te wijzen en de omvang van de toegestane activiteiten per locatie te begrenzen, wordt een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geborgd. Daarmee blijven de bestaande evenementen in de binnenstad mogelijk, terwijl tegelijkertijd duidelijkheid wordt geboden over de ruimtelijke randvoorwaarden waarbinnen deze activiteiten kunnen plaatsvinden.
Voor wat betreft de regels voor geluid door overige activiteiten wordt voorlopig aangesloten op de regels uit de bruidsschat, die in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan staan. Met name subparagraaf 22.3.4.2. "Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen” is relevant. Voor bedrijfsmatige activiteiten zijn de twee bestaande locaties voorzien van ‘functie op locatie’. Het betreft het benzineservicestation zonder LPG AVIA Xpress (Tramplein 15) en wasserij Zahra (Westerstraat 12). Hier is sprake van een bestaande situatie, die aanvaardbaar wordt geacht. Voor eventuele nieuwe bedrijfsmatige activiteiten geldt een vergunningplicht.
5.3.3 Conclusie
Voor de voorgenomen omgevingsplanwijziging zijn op dit moment geen belemmeringen op het gebied van geluid door activiteiten. De wijziging kan worden vastgesteld zonder negatieve gevolgen voor het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.4.1 Kader
Het wettelijk kader voor luchtkwaliteit is vastgelegd in de Omgevingswet, specifiek in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De hoofdlijnen van de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit zijn opgenomen in de instructieregels van het Bkl, met name in paragraaf 5.1.4.1, die zich richt op de bescherming van de gezondheid. Deze regels stellen omgevingswaarden vast voor verschillende stoffen in de buitenlucht, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Er zijn drie voorwaarden waaraan een activiteit moet voldoen om als toelaatbaar te worden beschouwd op het gebied van luchtkwaliteit:
Er mag geen sprake zijn van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde voor luchtverontreinigende stoffen.
Het project mag niet leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Het project mag slechts in beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Voor projecten die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Dit wordt beoordeeld op basis van de toename van de concentraties NO2 en PM10, waarbij de grenswaarde voor NIBM ligt op een toename van maximaal 1,2 µg/m³, wat overeenkomt met 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van deze stoffen.
Er zijn twee manieren om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Standaardgevallen NIBM: Dit betreft categorieën van projecten, zoals kantoren, woonwijken of het telen van gewassen, die onder bepaalde grenzen van omvang blijven zoals beschreven in artikel 5.54 Bkl. Als een project buiten de gestelde grenzen valt, kunnen detailberekeningen helpen om aan te tonen dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
Aannemelijk maken op andere wijze: In sommige gevallen kan een kwalitatieve berekening volstaan. Er is ook een NIBM-tool die snel kan bepalen of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, maar soms zijn gedetailleerde berekeningen nodig.
Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof. Deze aandachtsgebieden zijn gedefinieerd in artikel 5.51, lid 3 Bkl, en gemeenten die onder agglomeraties vallen, worden aangegeven in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling.
Er zijn situaties waarin de luchtkwaliteit altijd moet worden beoordeeld, zoals:
Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit.
Bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of bij een wijziging van een tunnel waarbij de lengte met minstens 100 meter toeneemt.
Bij de aanleg van een autoweg of autosnelweg.
5.4.2 Onderzoek
Voorliggend plangebied is niet gelegen binnen een van de aangewezen aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit. Een toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen is daarom in principe niet benodigd. In het kader van het beoordelen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt de luchtkwaliteit rondom het plangebied inzichtelijk gemaakt.
Volgens de kaarten van het RIVM in de Atlas leefomgeving bedraagt de concentratie NO2 in het plangebied maximaal 22 μg/m3 en de concentratie PM10 maximaal 18 μg/m3 per jaar (2022). De maximale waarden worden bereikt in het noorden van het plangebied langs de verbindingsweg Gedempte Where. De waarden liggen ruim onder de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m3 per jaar. Het effect op de luchtkwaliteit wordt daarbij beschouwd als ‘niet in betekende mate’. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde.
5.4.3 Conclusie
Eventuele toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied zijn wat betreft luchtkwaliteit niet evident onuitvoerbaar en kunnen op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd. Het plangebied ligt niet binnen de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit, en de luchtkwaliteitsmetingen tonen aan dat de concentraties van NO2 en PM10 ruim onder de geldende omgevingswaarden blijven.
5.5.1 Kader
Besluit kwaliteit leefomgeving
De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In een omgevingsplanwijziging moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het plangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het plangebied, optreedt. In hoofdstuk 5 van het Bkl is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan de regels in het omgevingsplan erin moeten voorzien dat het geurhinderniveau ter plaatse van geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Voor dat doel geeft het Bkl voor enkele specifieke categorieën activiteiten aanwijzingen waaraan de regels moeten voldoen: het exploiteren van waterzuiveringsinstallaties (rwzi’s), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten geldt alleen dat het omgevingsplan rekening moet houden met de geur op geurgevoelige gebouwen. Hiermee laat het Bkl ruimte voor een lokale afweging om te bepalen of en welke regels in het omgevingsplan nodig zijn om te zorgen voor een aanvaardbare geurbelasting.
5.5.2 Onderzoek
Op grond van paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet rekening gehouden worden met geur van activiteiten. Voor geur door activiteiten geldt dat (voorlopig) de regels uit hoofdstuk 22.3.6 van toepassing zijn. Dit betreft regels over geur uit de ‘bruidsschat’. Wel is expliciet geregeld dat de bepalingen uit artikel 22.199 1a (categorie ‘mba’s bij niet-industriële voedselbereiding) betreffende het afvoeren van afgezogen dampen en gassen naar de buitenlucht niet van toepassing zijn in de binnenstad. In dat artikel 1a is, met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder, geregeld dat afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd, ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing wordt afgevoerd. De ontsierende pijpen en schoorstenen die dit met zich meebrengt, zijn niet gewenst in de binnenstad. Bovendien maken de bouwregels het mogelijk dat gebouwen in de omgeving worden ‘opgetopt’ (opgehoogd) waardoor voor de horecauitbater ineens zou gelden dat diens afvoerpijpen hoger moeten worden gemaakt. Dat is niet gewenst en daarom is deze regel ‘uitgezet’. Dit betekent dat moet worden voldaan aan artikel 22.199 1b, waarin is geregeld dat afgezogen dampen en gassen moeten worden geleid door een ontgeuringsinstallatie. Overigens maakt het specifieke overgangsrecht hierover in hoofdstuk 11 van het omgevingsplan dat bestaande situaties waarbij nog gewerkt wordt met pijpen of schoorstenen voor het emitteren van afgezogen gassen of dampen, mogen worden voortgezet.
Binnen het plangebied is in grote mate sprake van functiemenging, waarbij wonen direct naast andere (milieubelastende) functies voorkomt. Dergelijke functies kunnen in beginsel naast elkaar voorkomen mits bedrijven hier in hun bedrijfsvoering rekening houden of maatregelen treffen. De regeling in het omgevingsplan ziet erop dat de bestaande bedrijfsmatige activiteiten specifiek zijn geregeld (met ‘functie op locatie’): het betreft het benzineservicestation zonder LPG AVIA Xpress (Tramplein 15) en wasserij Zahra (Westerstraat 12). Hier is sprake van een bestaande situatie, die aanvaardbaar wordt geacht.
5.5.3 Conclusie
Voorgenomen omgevingsplanwijziging heeft voor wat betreft het aspect ‘geur’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.6.1 Kader
Besluit kwaliteit leefomgeving
Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moeten in het omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem, waaraan moet worden voldaan om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van de omgevingsplanwijziging.
5.6.2 Onderzoek
Op grond van paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet rekening gehouden worden met de kwaliteit van de bodem bij nieuwe ontwikkelingen. Voor de bodemkwaliteit geldt dat (voorlopig) de regels uit hoofdstuk 22.3.7 van toepassing zijn. Dit betreft regels uit de ‘bruidsschat’.
5.6.3 Conclusie
Voorgenomen omgevingsplanwijziging heeft voor wat betreft het aspect ‘bodem’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.7.1 Kader
Besluit kwaliteit leefomgeving
Op grond van artikel 5.37 van het Bkl moet bij een omgevingsplanwijziging rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij moeten de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen worden betrokken. Daarnaast is er een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet.
Het Nationaal Water Programma 2022-2027
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal.
Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 zes jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water.
Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit, natuur en scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat.
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige
Europese richtlijnen.
De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m33/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.
Kaderrichtlijn water
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.
Kamerbrief ‘Water en bodem sturend’
Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (kamerbrief 25 november 2022). Daarom zijn er diverse structurerende keuzes gemaakt. Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen.
Om ‘water en bodem sturend’ te laten zijn in de ruimtelijke ordening en ruimtelijke keuzes over de inrichting van Nederland hanteert het Rijk de volgende uitgangspunten:
Niet afwentelen;
Meer rekening houden met extremen;
In samenhang omgaan met wateroverlast, droogte en bodem;
Meerlaagsveligheid;
Minder afdekken, minder vergraven, niet verontreinigen;
Integrale aanpak in de leefomgeving;
Comply or explain.
5.7.2 Onderzoek
Met deze omgevingsplanwijziging wordt de waterstaatkundige functie van de waterkering gewaarborgd door dit gebied aan te wijzen als restrictiegebied en hieraan specifieke regels te verbinden. Daarnaast is vastgelegd dat in het openbaar gebied niet zonder meer gebouwd mag worden. Hiermee wordt het aanwezige openbaar groen beschermd, wat bijdraagt aan zowel de ecologische waarde, klimaatadaptatie als de ruimtelijke kwaliteit van het gebied.
Deze wijziging maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Voor toekomstige ontwikkelingen geldt dat moet worden aangetoond dat wordt voldaan aan de relevante kaders uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarnaast blijven de regels uit hoofdstuk 22 van kracht (de zogenoemde ‘bruidsschat’) voor dit onderwerp binnen het betreffende gebied.
5.7.3 Conclusie
Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat de omgevingsplanwijziging geen negatieve gevolgen heeft voor de bestaande huishouding. In het kader van het vooroverleg wordt een concept van deze omgevingsplanwijziging aan het waterschap voorgelegd.
5.8.1 Kader
Besluit kwaliteit leefomgeving
Op grond van artikel 5.2 van het Bkl moet in een omgevingsplanwijziging voor risico’s van branden, rampen en crises rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, de vluchtmogelijkheden en geneeskundige hulpverlening. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten binnen het plangebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden (groepsrisico) gehanteerd.
Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet een plaatsgebonden risico van 10-6 in acht worden genomen. Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met groepsrisico; het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied.
5.8.2 Onderzoek
Omgevingsveiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende risicobronnen aanwezig, zoals weergegeven op afbeelding 1.1. Het betreft de risicobronnen:
LPG-tankstations Shell de Weide Venne en Tamoil John F. Kennedyplein;
Hogedruk aardgastransportleidingen W-570-01 en W-570-23;
Vervoer gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A7.
Op afbeelding 5.8.2 is te zien dat het plangebied niet is gelegen binnen de aandachtsgebieden van de omliggende risicobronnen. De risicobronnen hebben geen invloed op het omgevingsplan
5.8.3 Conclusie
Voorliggende omgevingsplanwijziging heeft voor wat betreft het aspect ‘geluid door activiteiten’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.9.1 Kader
Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels die gemeenten moeten volgen bij het opstellen van hun omgevingsplannen. Deze regels zijn specifiek gericht op het waarborgen van de ontwikkeling en instandhouding van de rijksinfrastructuur. Dit betekent dat bij de inrichting van de fysieke leefomgeving rekening moet worden gehouden met reserveringsgebieden en het voorkomen van belemmeringen voor bestaande en toekomstige infrastructuur.
Bij het opstellen van het omgevingsplan voor Purmerend dienen verschillende instructieregels uit het Bkl te worden verwerkt. De volgende bepalingen zijn van belang:
In deze paragraaf is vastgelegd dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met gebieden die zijn gereserveerd voor toekomstige uitbreidingen of aanpassingen van rijkswegen en spoorwegen. Dit betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen binnen deze gebieden zodanig moeten worden vormgegeven dat zij de uitvoerbaarheid van infrastructurele projecten niet belemmeren.
Voor locaties waar rijksvaarwegen Purmerend doorkruisen, moeten de regels in het omgevingsplan waarborgen dat de doorvaart van schepen niet wordt gehinderd door nieuwe ontwikkelingen. Dit kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de bouwhoogtes van bruggen, het vrijhouden van oevers of het beperken van activiteiten die de veiligheid en doorstroming van de vaarwegen kunnen verstoren.
Deze paragraaf stelt dat het omgevingsplan rekening moet houden met de bescherming en doorontwikkeling van landelijke fiets- en wandelroutes. Dit betekent dat bij stedelijke ontwikkelingen de continuïteit en kwaliteit van deze routes behouden moeten blijven, zodat Purmerend goed aangesloten blijft op het nationale netwerk van recreatieve verbindingen.
Afdeling 5.2, artikel 5.163 – Voorkomen van belemmeringen bij het gebruik en beheer van hoofdspoorwegen en rijkswegen
In deze bepaling is vastgelegd dat het omgevingsplan geen ontwikkelingen mag toestaan die het gebruik of beheer van hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen belemmeren. Dit kan betrekking hebben op zaken zoals geluidshinder, trillingen, zichtlijnen en de toegankelijkheid voor onderhoud en uitbreiding van infrastructuur.
5.9.2 Onderzoek
Binnen het plangebied zijn geen rijkswegen, vaarwegen of spoorwegen aanwezig. Wel worden binnen het omgevingsplan gemeentelijke wegen planologisch beschermd. De bestaande verkeersbestemmingen zijn overgenomen en juridisch vastgelegd als het restrictiegebied ‘gemeenteweg’. Hiermee worden de noodzakelijke verkeersfuncties geborgd en wordt voldaan aan de zorgplicht om het lokale verkeersnetwerk juridisch-planologisch te waarborgen.
Voor toekomstige ontwikkelingen zijn parkeernormen integraal opgenomen in de planregels. De parkeernorm verwijst naar de gemeentelijke Nota Parkeernormen en bevat een zorgplicht bij zowel functiewijzigingen als bij het bouwen van hoofdgebouwen.
5.9.3 Conclusie
Voor de voorgenomen omgevingsplanwijziging zijn op dit moment geen belemmeringen op het gebied van wegen, verkeer en parkeren. De wijziging kan worden vastgesteld zonder negatieve gevolgen voor het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
5.10.1 Kader
Omgevingswet en AMvB’s
Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer.
Besluit activiteiten leefomgeving
De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Bal opgenomen. Daarin zijn regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan.
Besluit kwaliteit leefomgeving
In het Bkl zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura 2000-gebieden in stand te houden en het uitvoeren van maatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor het opstellen van omgevingsplanwijzigingen door gemeenten. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan op haar beurt beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels doorleggen aan gemeenten.
5.10.2 Onderzoek
Flora en Fauna
Gemeente Purmerend wil een actueel overzicht van de aanwezige beschermde soorten, zoals vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen, om te zorgen voor de naleving van deze wet bij ruimtelijke ingrepen.
Wanneer beschermde soorten aanwezig zijn bij een ontwikkeling, moeten maatregelen worden genomen om negatieve effecten te voorkomen. Als dit niet mogelijk is, is een ontheffing nodig, waarvoor een ecologische quickscan en soortgericht onderzoek vaak vereist zijn.
Purmerend wil proactief omgaan met beschermde soorten door het opstellen van een Soortenmanagementplan (SMP), gericht op het beschermen van gehele populaties binnen de gemeente. Dit plan biedt voordelen voor initiatiefnemers, zoals een generieke ontheffing voor bepaalde soorten, wat vertragingen voorkomt en tijd bespaart. Voor soorten zonder bewezen effectieve maatregelen, wordt gewerkt met een maatwerkplan in overleg met de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (ODNHN).
Het doel van het SMP is om een generieke ontheffing voor de komende tien jaar te verkrijgen, waarmee de gemeente proactief de populaties van vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen en kerkuilen beschermt, de natuurwetgevingsprocedures vereenvoudigt en bijdraagt aan de biodiversiteit en natuurinclusieve inrichting van Purmerend.
In de gemeentebrede inventarisatie van de soorten die onder het Soortenmanagementplan (SMP) van Purmerend vallen, werden verschillende diersoorten gedocumenteerd, waaronder vleermuizen, vogels en zoogdieren. De resultaten worden hieronder kort samengevat.
Vleermuizen
Er werden acht verschillende vleermuissoorten aangetroffen in Purmerend, waaronder de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, meervleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en baardvleermuis. De gewone dwergvleermuis was het vaakst waargenomen, met 2558 waarnemingen in de zomer van 2020, verspreid over de stad. Foerageergebieden, vliegroutes en verblijfplaatsen werden in kaart gebracht, waaronder kraam- en zomerverblijfplaatsen. Er werd ook een netwerk van kraamverblijfplaatsen aangetroffen, waarvan de locaties dicht bij elkaar lagen. De andere vleermuissoorten werden minder frequent waargenomen, en voor sommige soorten werden geen vaste verblijfplaatsen aangetroffen.
Huismus, Gierzwaluw en Andere Vogels
Voor de huismus werden belangrijke leefgebieden vastgesteld in verschillende wijken van Purmerend, met 548 geneste huismussen en 178 mogelijke nestlocaties. Gierzwaluwen werden op 177 nestlocaties aangetroffen, voornamelijk in de bebouwde kom. Verder werden ook verschillende roofvogel- en uilennesten geregistreerd, waaronder buizerds, haviken, torenvalken, kerkuilen en ransuilen. Daarnaast werden ook nestlocaties van spreeuwen, huiszwaluwen, blauwe reigers en oeverzwaluwen ontdekt.
Zoogdieren
Er werden verschillende kleine marterachtigen aangetroffen, zoals de steenmarter, boommarter en wezel, die in de groene gebieden en randen van Purmerend werden waargenomen. Daarnaast werden in totaal acht verschillende muizen- en spitsmuissoorten gevangen, waaronder de veldmuis, bosmuis en huismuis. Ook werden sporen van de Noordse woelmuis en waterspitsmuis aangetroffen via eDNA-bemonstering.
Deze inventarisatie biedt een gedetailleerd overzicht van de aanwezigheid en verspreiding van diverse diersoorten in Purmerend en vormt een basis voor het Soortenmanagementplan van de gemeente.
Stikstof
Onderzoek naar stikstofdepositie is noodzakelijk om te onderzoeken of een project of plan leidt tot negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof een probleem met de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe projecten of plannen kunnen uitsluitend doorgang vinden indien significante effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten, of wanneer na het nemen van mitigerende maatregelen uit een passende beoordeling kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten. De juridische basis wordt gevormd door de Europese Habitatrichtlijn (1992).
Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatiefase en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS Calculator kan deze stikstofdepositie op de stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten binnen Natura 2000-gebieden worden berekend. Indien uit de berekeningen met AERIUS blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar), kunnen significante effecten ten gevolge van stikstofdepositie op voorhand worden uitgesloten.
Ligging plan ten opzichte van Natura 2000-gebieden
Rondom het plan zijn diverse Natura 2000-gebieden gelegen. Voor de gebieden Polder Zeevang (circa 2 km afstand), Markermeer & IJmeer (circa 8 km afstand), Lepelaarplassen (circa 19 km afstand) en Oostvaardersplassen (22 km) geldt dat binnen deze gebieden geen stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn, zodat het onderzoek geen betrekking heeft op deze natuurgebieden.
De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (circa 3 km afstand), Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (circa 4 km afstand), Eilandspolder (circa 8 km afstand), Polder Westzaan (circa 10 km afstand), Noordhollands Duinreservaat (circa 20 km afstand), Kennemerland-Zuid (circa 22 km afstand) en Naardermeer (circa 24 km afstand).
Door KuiperCompagnons is in juni 2025 een stikstofonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in bijlage 2 toegevoegd. Het doel is om vast te stellen of evenementen in de binnenstad leiden tot een toename van stikstofdepositie. De stikstofemissie die samenhangt met de evenementen wordt voornamelijk veroorzaakt door verkeersbewegingen van en naar de binnenstad en door het gebruik van mobiele werktuigen, zoals aggregaten en kranen bij bijvoorbeeld kermissen. Voor het onderzoek is uitgegaan van een gedetailleerde inventarisatie van alle jaarlijks terugkerende evenementen, inclusief bezoekersaantallen en verkeersstromen. Daarbij is conservatief gerekend, onder meer door ook bezoekersverkeer volledig mee te nemen en uit te gaan van een worstcasescenario voor koude starts van voertuigen.
Uitgangspunt bij de modellering is dat verkeer wordt meegenomen totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit betekent dat het verkeer is doorgerekend tot aan de randen van de binnenstad, waar het zich niet meer onderscheidt van het reguliere verkeer.
Uit de berekeningen met AERIUS Calculator blijkt dat de evenementen leiden tot een beperkte toename van stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op een nabijgelegen Natura 2000-gebied. Hierdoor kunnen significante negatieve effecten op voorhand niet worden uitgesloten.
Dit betekent echter niet dat de regeling van evenementen onmogelijk is. Per individueel evenement kan een nadere afweging worden gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke aard en omvang van de emissies. Daarnaast zijn er mogelijkheden om de stikstofuitstoot te verminderen, bijvoorbeeld door het inzetten van elektrisch materieel of het gebruik van emissiereducerende technieken zoals AdBlue. Ook kan een ecologische beoordeling worden uitgevoerd om aan te tonen dat de beperkte toename geen significante gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden.
Per saldo volgt uit het onderzoek dat sprake is van een beperkte stikstoftoename, maar dat met passende maatregelen en nadere beoordeling de uitvoerbaarheid van de planregeling voor evenementen aannemelijk kan worden gemaakt.
Verder worden er niet direct activiteiten mogelijk gemaakt met deze omgevingsplanwijziging waarvoor stikstofonderzoek noodzakelijk is.
5.10.3 Conclusie
Voor de voorgenomen omgevingsplanwijziging zijn op dit moment geen belemmeringen op het gebied van natuur en ecologie. De wijziging kan worden vastgesteld zonder negatieve gevolgen voor het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.11.1 Kader
Besluit kwaliteit leefomgeving
Op grond van artikel 5.83 van het Bkl moet bij een omgevingsplanwijziging rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen. De omgevingsplanwijziging moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle trillingveroorzakende activiteiten die het omgevingsplan toelaat, anders dan de activiteit wonen. Daarop gelden enkele uitzonderingen. Zo zijn de instructieregels niet van toepassing op verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat aan de instructieregel wordt voldaan als het omgevingsplan de standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen bevat.
5.11.2 Onderzoek
Met deze omgevingsplanwijziging worden geen nieuwe functies mogelijk gemaakt die trillingen kunnen veroorzaken of verergeren. Er vinden geen wijzigingen plaats die leiden tot een toename van trillingveroorzakende activiteiten binnen het plangebied.
De bestaande regels met betrekking tot het aspect trillingen, zoals opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan (de bruidschat) blijven ongewijzigd van kracht. Hiermee blijft het beschermingsniveau voor de leefomgeving gewaarborgd en wordt voldaan aan de geldende regelgeving op dit vlak.
5.11.3 Conclusie
Voor de voorgenomen omgevingsplanwijziging zijn op dit moment geen belemmeringen op het gebied van trillingen. De wijziging kan worden vastgesteld zonder negatieve gevolgen voor het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.12.1 Kader
Er is geen wettelijk kader voor ruimtelijke plannen op het gebied van energie, klimaatadaptatie en circulariteit, maar er zijn wel nationale, regionale en lokale doestellingen waarmee aan de doelbijdrage kan worden getoetst.
Nationaal klimaatbeleid
De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VN-klimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd.
Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie. Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame energieopwekking, energiebesparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES). De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio.
Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving
In 2023 heeft de Rijksoverheid de Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving uitgebracht. Deze maatlat biedt doelen, richtlijnen en prestatie-eisen voor klimaatadaptief bouwen en inrichten, om de leefomgeving voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering. De maatlat definieert wat onder klimaatadaptief bouwen en inrichten wordt verstaan voor de thema’s wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit, bodemdaling en gevolgbeperking overstromingen. De doelen, richtlijnen en prestatie-eisen zorgen voor een landelijk uniform referentiekader waarmee projecten klimaatbestendig en groen kunnen worden uitgevoerd. Doordat de maatlat geen maatregelen voorschrijft, kunnen overheden samen met bouwende partijen zelf een goede afweging maken over te nemen maatregelen in een gebied of project en is er ruimte voor maatwerk en innovatieve oplossingen.
De landelijke maatlat sluit nauw aan bij de diverse regionale afspraken die over klimaatadaptief bouwen gemaakt zijn. Deze regionale afspraken kunnen worden gezien als aanvulling op en in sommige gevallen nadere inkleuring van de richtlijnen uit de landelijke maatlat.
5.12.2 Onderzoek
Er worden in deze omgevingsplanwijziging geen specifieke regels opgenomen met betrekking tot het thema duurzaamheid. Dit betekent dat het plan geen aanvullende planregels bevat over onderwerpen zoals energieprestatie, materiaalgebruik, klimaatadaptatie of circulaire bouwprincipes.
5.12.3 Conclusie
Voor de voorgenomen omgevingsplanwijziging zijn op dit moment geen belemmeringen op het gebied van duurzaamheid. De wijziging kan worden vastgesteld zonder negatieve gevolgen voor het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.13.1 Kader
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden, evenals op het cultureel erfgoed binnen het plangebied, inclusief de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking.
Conform artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dient bij het opstellen van een omgevingsplan rekening te worden gehouden met cultureel erfgoed en de omgeving van beschermde monumenten. Dit betreft niet alleen het voorkomen van aantasting van de monumenten zelf, maar ook het voorkomen van negatieve effecten op de omgeving die de waardering en instandhouding van deze monumenten kunnen schaden. De aanwezigheid van bouwwerken of activiteiten nabij monumenten kan het aanzicht en de beleving beïnvloeden en daarmee de bescherming van het cultureel erfgoed ondermijnen.
Hoogbouwinitiatieven worden getoetst aan de Hoogbouwvisie Purmerend (vastgesteld 2017), waarin locaties zijn aangewezen waar hoogbouw gewenst is, met criteria voor morfologie, inpassing, bezonning en wind. De visie vereist bij gebouwen hoger dan 25 meter een hoogbouweffectrapportage ter ondersteuning van de besluitvorming.
5.13.2 Onderzoek
Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Purmerend is het grootste deel van de binnenstad aangemerkt als gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. In deze zones moet archeologisch vooronderzoek plaatsvinden bij bodemingrepen groter dan 30 m².
Daarnaast kent een deel van het plangebied een middelhoge verwachtingswaarde. Hier geldt dat archeologisch vooronderzoek verplicht is bij bodemingrepen groter dan 100 m².
Op de onderstaande kaart is per locatie in de binnenstad weergegeven welke verwachtingswaarden van toepassing zijn.
In deze omgevingsplanwijziging wordt het thema cultureel erfgoed deels juridisch-planologisch geborgd. Voor het aspect archeologie zijn planregels opgenomen waarmee de archeologische waarden in het plangebied worden beschermd, overeenkomstige met het huidige archeologische regime zoals opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege. Daarnaast is een sloopvergunning opgenomen voor bepaalde gebouwen, gericht op het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.
Rijksmonumenten vallen onder het rechtstreekse beschermingsregime van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Binnen het plangebied bevinden zich geen rijksmonumenten met bijzondere elementen of waarden in hun directe omgeving die aanvullend via het omgevingsplan beschermd moeten worden. Aanvullende planregels zijn daarom niet noodzakelijk geacht.
Gemeentelijke monumenten worden – conform het bestaande gemeentelijke beleid – beschermd via de gemeentelijke erfgoedverordening. Deze regeling blijft voorlopig ongewijzigd en vormt het belangrijkste instrument voor het behoud en beheer van gemeentelijke monumenten binnen Purmerend.
Hoewel deze omgevingsplanwijziging dus geen volledige integratie van het erfgoedbeleid in het omgevingsplan behelst, is op onderdelen al wel voorzien in passende bescherming. Verdere integratie van erfgoedregels in het omgevingsplan is op termijn mogelijk en wenselijk, bijvoorbeeld bij een bredere planactualisatie of herziening.
5.13.3 Conclusie
De voorgenomen omgevingsplanwijzing heeft voor wat betreft het aspect ‘landschap, cultuurhistorie en archeologie’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.14.1 Kader
Algemeen
Gezondheid is een breed begrip, dat voor een deel raakt aan de fysieke leefomgeving. Binnen het aspect gezondheid kan onderscheid worden gemaakt tussen gezondheidsbevordering en gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering gaat over het bevorderen van een gezonde leefstijl en gezond gedrag. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan daaraan bijdragen. Gezondheidsbescherming gaat over de bescherming van de bevolking tegen gezondheidsbedreigende factoren. Die factoren kunnen onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving, zoals de luchtkwaliteit.
Omgevingswet en AMvB’s
Onderdeel van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1.3). De wet gaat over de fysieke leefomgeving – die in ieder geval water, bodem en lucht omvat – en activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving. Onder die gevolgen worden ook geschaard gevolgen voor de mens, voor zover beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.2). Verder bepaalt de wet specifiek dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, in ieder geval rekening moet worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4). De wet kadert niet verder in wat onder het begrip gezondheid of een gezonde fysieke leefomgeving wordt verstaan.
Wel stelt het Bkl in paragraaf 5.1.4 instructieregels voor omgevingsplannen gericht op het beschermen van de gezondheid en van het milieu. Deze instructieregels gaan onder meer over lucht- en bodemkwaliteit, en komen ook aan bod in de verschillende paragrafen van dit hoofdstuk. Hiermee bepaalt het Rijk voor deze aspecten wettelijke grenswaarden (minimumeisen) waar het omgevingsplan aan moet voldoen. Verder bevat het Bkl enkele omgevingswaarden voor het beschermen van de gezondheid en het milieu (afdeling 2.2), waaronder voor luchtkwaliteit. Daarnaast stelt het Rijk verschillende rechtstreeks werkende regels met het oog op het beschermen van de gezondheid. Het gaat om regels met betrekking tot activiteiten in het Bal, en regels gericht op bouwwerken in het Bbl.
5.14.2 Onderzoek
Bescherming van de gezondheid tegen factoren uit de fysieke leefomgeving komt met name tot uiting in de verschillende milieuaspecten en de instructieregels die het Rijk daarover stelt. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk beoordeeld.
Een gezonde leefomgeving is één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. Bij het opstellen van het omgevingsplan wordt daarom bezien op welke wijze ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het beschermen en bevorderen van de gezondheid van inwoners en bezoekers.
Deze omgevingsplanwijziging heeft echter een overwegend conserverend karakter. Het plan legt in belangrijke mate de bestaande functies, activiteiten en gebruiksmogelijkheden in de binnenstad vast en voorziet niet in omvangrijke nieuwe ontwikkelingen die aanleiding geven tot aanvullende gezondheidsregels. Om die reden worden in deze planwijziging geen specifieke regels opgenomen die uitsluitend gericht zijn op gezondheid.
Voor de bescherming van de gezondheid wordt in belangrijke mate aangesloten bij de milieuregels uit de zogenoemde bruidsschat. Deze regels bevatten onder meer waarborgen voor aspecten zoals geluid, trillingen, geur, luchtkwaliteit en andere milieubelastende effecten die van invloed kunnen zijn op de gezondheid en de kwaliteit van de leefomgeving.
Hoewel geen afzonderlijke gezondheidsregels worden toegevoegd, draagt het omgevingsplan op verschillende manieren bij aan een gezonde leefomgeving in de binnenstad.
Allereerst wordt bestaande en geplande openbare ruimte voor groen, verblijf en recreatie planologisch geborgd. Groenvoorzieningen, verblijfsgebieden en recreatieve ruimtes leveren een bijdrage aan bewegen, ontmoeting, ontspanning, klimaatadaptatie en het beperken van hittestress. Daarmee ondersteunen zij zowel de fysieke als mentale gezondheid van inwoners en bezoekers.
Daarnaast worden milieubelastende activiteiten niet generiek binnen de gehele binnenstad toegestaan. Het omgevingsplan sluit voor deze activiteiten grotendeels aan bij de bestaande situatie en kent daarvoor specifieke locaties en begrenzingen. Hierdoor wordt voorkomen dat activiteiten met mogelijke milieueffecten zich ongecontroleerd binnen het plangebied kunnen vestigen of uitbreiden. Op deze wijze wordt een evenwicht nagestreefd tussen de economische en maatschappelijke functies van de binnenstad enerzijds en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat anderzijds.
Bij de voorbereiding van het omgevingsplan is kennisgenomen van de beschikbare gezondheidsgegevens van de GGD Zaanstreek-Waterland. Deze gegevens bieden inzicht in de wijze waarop inwoners hun gezondheid en leefomgeving ervaren.
Uit de gezondheidsmonitor van de GGD Zaanstreek-Waterland blijkt dat het merendeel van de inwoners tevreden is over de woonomgeving. Tevredenheid met de woonomgeving wordt gezien als een belangrijke indicator voor de ervaren kwaliteit van de leefomgeving en hangt samen met aspecten als veiligheid, bereikbaarheid, groenvoorzieningen, sociale samenhang en de aanwezigheid van voorzieningen.
Voor de binnenstad van Purmerend is een aantrekkelijke en kwalitatief hoogwaardige leefomgeving van belang, omdat hier verschillende functies samenkomen, waaronder wonen, ondernemen, recreëren, ontmoeten en verblijven. Het omgevingsplan draagt hieraan bij door de bestaande ruimtelijke structuur van de binnenstad te behouden en ruimte te bieden aan een gevarieerd voorzieningenaanbod. Daarnaast worden groen- en verblijfsvoorzieningen planologisch geborgd. Deze functies dragen bij aan de kwaliteit van de leefomgeving doordat zij mogelijkheden bieden voor ontmoeting, beweging, ontspanning en recreatie. De aanwezigheid van voldoende groen en aantrekkelijke openbare ruimtes wordt bovendien algemeen beschouwd als een belangrijke voorwaarde voor een gezonde leefomgeving.
Tegelijkertijd kenmerkt een binnenstedelijk gebied zich door een hogere gebruiksintensiteit en een grotere concentratie van verkeer, bezoekers en activiteiten dan woonwijken elders in de gemeente. Hierdoor kunnen spanningen ontstaan tussen levendigheid en woonkwaliteit. Het omgevingsplan houdt hier rekening mee door milieubelastende activiteiten niet overal toe te staan, maar deze te begrenzen tot daarvoor geschikte locaties. Voor de bescherming van de gezondheid en het woon- en leefklimaat wordt daarnaast aangesloten bij de bestaande milieuregels uit het omgevingsrecht en de bruidsschat.
Uit de gezondheidsmonitor blijkt verder dat inwoners van de wijk Centrum relatief vaak geluidhinder ervaren van brommers en scooters. Dit aandachtspunt bevestigt het belang van een zorgvuldige afweging tussen bereikbaarheid, economische functies, mobiliteit en leefomgevingskwaliteit in de binnenstad. Hoewel deze omgevingsplanwijziging geen specifieke aanvullende gezondheidsregels bevat, wordt met de begrenzing van milieubelastende activiteiten, het behoud van verblijfs- en groenvoorzieningen en de toepassing van bestaande milieuregelgeving bijgedragen aan het in stand houden van een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Deze omgevingsplanwijziging bevat geen afzonderlijke gezondheidsregelgeving. De bescherming van de gezondheid vindt primair plaats via de bestaande milieuregelgeving en de begrenzing van milieubelastende activiteiten binnen het plangebied. Daarnaast draagt het plan bij aan een gezonde leefomgeving door het behouden en faciliteren van groen-, verblijfs- en recreatieve functies in de binnenstad. Daarmee sluit het omgevingsplan aan bij de doelstelling van de Omgevingswet om een veilige en gezonde fysieke leefomgeving in stand te houden.
5.14.3 Conclusie
Uit het bovenstaande blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. De ontwikkeling die met deze omgevingsplanwijziging mogelijk wordt gemaakt is voor wat betreft het aspect gezondheid niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Met deze omgevingsplanwijziging wordt uitvoering gegeven aan het gemeentelijk beleid zoals vastgelegd in het geldende Programma Binnenstad en het daarop gebaseerde voorbereidingsbesluit. De planwijziging vormt daarmee de juridisch-planologische vertaling van de beleidskeuzes die daarin zijn gemaakt, en draagt bij aan het behoud, de bescherming en de beheerbaarheid van de bestaande functies en kwaliteiten in de binnenstad van Purmerend.
In het kader van deze wijziging zijn de relevante milieuaspecten onderzocht en afgewogen. Onder meer is aandacht besteed aan geluid, trillingen, luchtkwaliteit, externe veiligheid, archeologie, ecologie, stikstof, waterstaat, verkeer en parkeren. Op basis van deze beschouwing is geconcludeerd dat er geen onoverkomelijke belemmeringen zijn die de vaststelling of uitvoering van het plan in de weg staan.
De omgevingsplanwijziging leidt daarmee tot een zorgvuldig afgewogen planologische regeling die recht doet aan het gemeentelijke beleid, de bestaande situatie respecteert en voldoet aan de geldende wet- en regelgeving.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-333838.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.