U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

omgevingsplan gemeente Haarlem

Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Haarlem

gelezen de tekstinhoud van ”Omgevingsplan gemeente Haarlem” d.d. 7 juli 2026; 

Overwegende dat:

  • de gemeenteraad van Haarlem op 27 november 2025 de eerste wijziging van het nieuwe deel van het omgevingsplan heeft vastgesteld, genaamd ‘deelgebied Haarlem – Centrum en regels uit de bruidsschat en verordeningen voor heel Haarlem’;

  • tegen de vaststelling beroep is aangetekend bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State;

  • een beperkt aantal beroepsgronden aanleiding geeft om correcties door te voeren. De te herstellen onderwerpen gaan over:

    • een wijziging van de aanduiding ‘Rijksmonument’ op een deel van het perceel de Jansstraat 59;

    • het  toevoegen van ontbrekende en ingeperkte functies voor het Beresteyncomplex;

    • het toevoegen van een onherroepelijk verleende vergunning voor een restaurant op Zijlstraat 47;

  • aan de hand van een na-inventarisatie nog een aantal onherroepelijk verleende vergunningen verwerkt is en kleine correcties zijn uitgevoerd;

  • met een reparatiebesluit ex artikel 6:19 Algemene wet bestuursrecht tijdens de beroepsprocedure gebreken kunnen worden hersteld en verbeteringen worden aangebracht;

  • Het verwerken van de correcties gedelegeerd is aan het college.

 

Besluit;

Artikel I

"Omgevingsplan gemeente Haarlem" opgenomen in Bijlage A wordt als ontwerpwijziging terinzage gelegd van 16 juli t/m 26 augustus 2026.

Artikel II

Van de terinzagelegging, de termijn voor terinzagelegging en de mogelijkheid om te reageren wordt kennis gegeven in het gemeenteblad van 15 juli 2026.

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders, 7 juli 2026.

Burgemeester en wethouders 

Koen Radstake                                                                                                                                                           Gemeentesecretaris 

 

Jos Wienen                                                                                                                                                                             Burgemeester

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Artikel 2.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.9 Bedrijf geschikt voor functiemenging

B

Artikel 2.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.10 Bedrijfswoning

Bij de aanduiding bedrijfswoning eerste en tweede verdieping is een bedrijfswoning op de eerste en tweede verdieping toegestaan. 

C

Na artikel 2.24 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.25 Beperking baliefunctie

Bij de aanduiding consumentgerichte baliefunctie verdieping uitgesloten is consumentgerichte dienstverlening met baliefunctie op de verdiepingen uitgesloten.

D

Het opschrift van artikel 2.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.25 2.26 Belwinkel

E

Het opschrift van artikel 2.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.26 2.27 Consumentgerichte dienstverlening verdiepingen

F

Het opschrift van artikel 2.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.27 2.28 Veilinghuis

G

Na artikel 2.27 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.29 Praktijkruimte begane grond

Bij de aanduiding praktijkruimte begane grond is een praktijkruimte op de begane toegestaan.

H

Het opschrift van artikel 2.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.28 2.30 Toepassingsbereik

I

Het opschrift van artikel 2.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.29 2.31 Toegestane activiteiten algemeen

J

Het opschrift van artikel 2.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.30 2.32 Bioscoop

K

Het opschrift van artikel 2.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.31 2.33 Dansschool

L

Het opschrift van artikel 2.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.32 2.34 Museum

M

Het opschrift van artikel 2.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.33 2.35 Muziek- en concertzaal

N

Het opschrift van artikel 2.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.34 2.36 muziekschool

O

Het opschrift van artikel 2.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.35 2.37 Sauna

P

Artikel 2.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.36 2.38 Schouwburg

  • 1.

    Bij de aanduiding schouwburg is een schouwburg toegestaan. 

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 2.292.31, mogen de aan de schouwburg ondergeschikte en daarmee verbonden horeca-activiteiten tot en met categorie 2 maximaal 600 m2 bedragen. 

Q

Het opschrift van artikel 2.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.37 2.39 Theater

R

Het opschrift van artikel 2.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.38 2.40 Wellness

S

Het opschrift van artikel 2.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.39 2.41 Culturele voorzieningen begane grond

T

Het opschrift van artikel 2.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.40 2.42 Culturele voorzieningen eerste verdieping (Brinkmann)

U

Artikel 2.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.41 2.43 Drijfriemenfabriek

  • 1.

    In aanvulling en met voorrang op artikel 2.292.31 gelden voor de locatie Drijfriemenfabriek de gebruiksregels van dit aritkel. 

  • 2.

    De volgende activiteiten zijn toegestaan:

    • a.

      horeca categorie 1 en horeca categorie 2;

    • b.

      het organiseren van feesten en partijen;

    • c.

      stadsstrand;

    • d.

      muziekstudio's/oefenruimtes;

    • e.

      dakterras op het paviljoen ten behoeve van de horeca. 

  • 3.

    Aan de gebruiksactiviteiten gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      het is niet toegestaan om versterkt geluid ten gehore te brengen op het dakterras en het stadsstrand. Het geluid op het dakterras en het stadsstrand dient beperkt te blijven tot (onversterkte) stemgeluid van bezoekers;

    • b.

      uitpandige activiteiten zijn na 01.00 uur 's nachts niet toegestaan;

    • c.

      culturele activiteiten dienen volledig binnen het gebouw plaats te vinden. Dit geldt ook voor de uitvoering van muziek.  

V

Het opschrift van artikel 2.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.42 2.44 Toepassingsbereik

W

Het opschrift van artikel 2.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.43 2.45 Toegestane activiteiten algemeen

X

Artikel 2.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.44 2.46 Gebruiksregels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 2.1142.116 gelden de volgende regels:

  • a.

    het is verboden locaties en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken voor permanente bewoning van recreatiewoningen.

Y

Het opschrift van artikel 2.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.45 2.47 Toepassingsbereik

Z

Het opschrift van artikel 2.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.46 2.48 Toegestane activiteiten algemeen

AA

Het opschrift van artikel 2.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.47 2.49 Detailhandel

BB

Het opschrift van artikel 2.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.48 2.50 Goudsmederij

CC

Het opschrift van artikel 2.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.49 2.51 Kledingmakerij

DD

Het opschrift van artikel 2.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.50 2.52 Reparatie- en servicebedrijf motorfietsen

EE

Het opschrift van artikel 2.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.51 2.53 Supermarkt begane grond

FF

Het opschrift van artikel 2.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.52 2.54 Supermarkt uitgesloten

GG

Het opschrift van artikel 2.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.53 2.55 Horeca categorie 1

HH

Artikel 2.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.54 2.56 Horeca t/m categorie 2

II

Het opschrift van artikel 2.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.55 2.57 Horeca t/m categorie 3

JJ

Het opschrift van artikel 2.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.56 2.58 Horeca categorie 4

KK

Het opschrift van artikel 2.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.57 2.59 De Koepel horeca categorie 4

LL

Het opschrift van artikel 2.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.58 2.60 Horeca categorie 5

MM

Het opschrift van artikel 2.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.59 2.61 Ondersteunende horeca-activiteiten

NN

Het opschrift van artikel 2.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.60 2.62 Toepassingsbereik

OO

Het opschrift van artikel 2.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.61 2.63 Toegestane activiteiten algemeen

PP

Het opschrift van artikel 2.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.62 2.64 Basisschool

QQ

Het opschrift van artikel 2.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.63 2.65 Kinderdagverblijf

RR

Artikel 2.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.64 2.66 Maatschappelijke dienstverlening begane grond

Bij de aanduiding maatschappelijke dienstverlening begane grond zijn de activiteiten genoemd in artikel 2.612.63 op de begane grond toegestaan. 

SS

Het opschrift van artikel 2.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.65 2.67 Opvang

TT

Het opschrift van artikel 2.66 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.66 2.68 Religieuze doeleinden

UU

Artikel 2.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.67 2.69 Studentenhuisvesting

  • 1.

    Bij de aanduiding De Koepel (studentenhuisvesting) is studentenhuisvesting toegestaan. 

  • 2.

    Het maximum is 250 eenheden en maximum bruto vloeroppervlak van 9400 m2.

  • 3.

    Ook zijn toegestaan: bij de bestemming behorende 'bouwwerken geen gebouw zijnde', groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, waterlopen en waterpartijen, campusvoorzieningen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, speel- en sportvoorzieningen, kunstwerken, voorzieningen van openbaar nut, kunstobjecten, waterberging, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport.

  • 4.

    Artikel 2.932.94 vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op studentenhuisvesting als bedoeld in het eerste lid. 

  • 5.

    Bij de aanduiding derde voorwaardelijke verplichting De Koepel mogen gebouwen voor studentenhuisvesting als bedoeld in het eerste lid niet eerder in gebruik worden genomen, voordat een ondergrondse parkeergarage met een minimum bruto vloeroppervlak van 4000 m2 is gerealiseerd.

  • 6.

    Bij de aanduiding vierde voorwaardelijke verplichting De Koepel geldt dat het bouwen van studentenhuisvesting als bedoeld in het eerste lid alleen is toegestaan op voorwaarde dat:

    • a.

      ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' boven de goot wordt afgedekt met een overkapping (privacy-geluidscherm), die voor minimaal 90% gesloten is;

    • b.

      de dakhelling niet meer bedraagt dan ter plaatse van de aanduiding dakhelling is aangeven.

VV

Het opschrift van artikel 2.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.68 2.70 Universitair en hoger onderwijs

WW

Het opschrift van artikel 2.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.69 2.71 Vereniging

XX

Het opschrift van artikel 2.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.70 2.72 Toepassingsbereik

YY

Het opschrift van artikel 2.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.71 2.73 Seksinrichting

ZZ

Het opschrift van artikel 2.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.72 2.74 Toepassingsbereik

AAA

Het opschrift van artikel 2.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.73 2.75 Algemene regels

BBB

Het opschrift van artikel 2.74 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.74 2.76 Toepassingsbereik

CCC

Het opschrift van artikel 2.75 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.75 2.77 Toegestane activiteiten algemeen

DDD

Het opschrift van artikel 2.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.76 2.78 Sporthal

EEE

Artikel 2.77 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.77 Sport- en evenementenhal

  • 1.

    Bij de aanduiding sport- en evenementenhal is een sport- en evenementenhal op de begane grond, de eerste en de tweede verdieping toegestaan. 

  • 2.

    De sport- en evenementenhal is bedoeld voor sportdoeleinden, zaalsport en het houden van congressen, vergaderingen, tentoonstellingen en festiviteiten met bijbehorende ondergeschikte horeca. 

  • 3.

    Ook zijn toegestaan: bijbehorende voorzieningen, zoals bergingen, mede ten behoeve van de bovengelegen functies. 

[Vervallen]

FFF

Het opschrift van artikel 2.78 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.78 2.79 Sportschool 

GGG

Het opschrift van artikel 2.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.79 2.80 Zwembad

HHH

Subparagraaf 2.2.11.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 2.2.11.3 Gebruiksregels

Artikel 2.80 Gebruiksregels

In aanvulling op de gebruiksregels van afdeling 2.5 gelden de volgende regels:

  • a.

    het maximaal toegestane aantal dagen per locatie voor evenementen in categorie 1 is 12;

  • b.

    het maximaal toegestane aantal dagen per locatie voor evenementen in categorie 2 en sportevenementen gezamenlijk is 12;

  • c.

    het maximaal aantal bezoekers dat bij een (sport)evenement tegelijk aanwezig mag zijn is 1500;

  • d.

    het totaal aantal bezoekers per (sport)evenement per dag is 2500;

  • e.

    de dagen die nodig zijn voor op- en afbouw worden niet meegerekend bij het maximaal aantal toegestane dagen. 

[Vervallen]

III

Na artikel 2.86 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.87 Dakterras

Bij de aanduiding dakterras is een dakterras toegestaan. 

JJJ

Het opschrift van artikel 2.87 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.87 2.88 Toepassingsbereik

KKK

Het opschrift van artikel 2.88 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.88 2.89 Toegestane activiteiten algemeen

LLL

Het opschrift van artikel 2.89 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.89 2.90 Wonen op de begane grond uitgesloten

MMM

Het opschrift van artikel 2.90 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.90 2.91 Inpandige dienstwoning

NNN

Het opschrift van artikel 2.91 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.91 2.92 Kamerverhuurbedrijf

OOO

Artikel 2.92 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.92 2.93 Wonen verdiepingen

PPP

Artikel 2.93 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.93 2.94 Wonen De Koepel

  • 1.

    Bij de aanduiding De Koepel (wonen) zijn maximaal 96 woningen toegestaan, waarvan 92 woningen met een maximum bruto vloeroppervlak per woning van 31 m2.

  • 2.

    Het maximum bruto vloeroppervlak voor wonen als bedoeld in het eerste lid bedraagt 3800 m2.

  • 3.

    De gebruiksmogelijkheden van artikel 2.952.96 zijn van toepassing.

  • 4.

    Ook zijn toegestaan: bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen, erven en terreinen. 

  • 5.

    Bij de aanduiding tweede voorwaardelijke verplichting De Koepel geldt het volgende:

    • a.

      binnen twee jaar na het gebruik van woningen als bedoeld in het eerste lid dan wel studentenhuisvesting als bedoeld in artikel 2.672.69 dient een inrichtingsplan buitenruimte te worden gemaakt, vastgesteld door burgemeester en wethouders;

    • b.

      het bouwen van woningen als bedoeld in het eerste lid en studentenhuisvesting als bedoeld in artikel 2.672.69 alleen is toegestaan op voorwaarde dat binnen twee jaar na vaststelling van het inrichtingsplan, de gronden zijn ingericht en ingericht blijven overeenkomstig het inrichtingsplan.

QQQ

Het opschrift van artikel 2.94 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.94 2.95 Zorgwoning

RRR

Subparagraaf 2.2.13.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 2.2.13.3 Gebruiksregels

Artikel 2.95 2.96 Gebruiksregels

In aanvulling op het bepaalde in afdeling 2.5 gelden de volgende gebruiksregels:

  • a.

    het gebruik van een woning voor een aan-huis-verbonden beroep, gastouderopvang en/of bed&breakfast, mag in totaal niet meer bedragen dan:

    • 1.

      35% van het bruto vloeroppervlak met een maximum van 50 m2 en;

    • 2.

      waarbij het aanbod voor bed&breakfast zich beperkt tot maximaal 2 kamers en maximaal 4 personen tegelijk.

  • b.

    het gebruik van een woning voor hospitaverhuur is onder de volgende voorwaarden toegestaan:

    • 1.

      de hoofdbewoner heeft de woning feitelijk als hoofdverblijf;

    • 2.

      de hoofdbewoner heeft voor aanvang van hospitaverhuur al minimaal twee jaar hoofdverblijf in de woning;

    • 3.

      de hoofdbewoner verhuurt niet meer dan twee kamers en verhuurt aan maximaal twee personen tegelijk;

    • 4.

      de verhuurde ruimten beslaan niet meer dan 35% van het bruto vloeroppervlak.

  • c.

    het gebruik van een woning voor mantelzorg is onder de volgende voorwaarden toegestaan:

    • 1.

      de hoofdbewoner heeft de woning als hoofdverblijf en ontvangt of verleent mantelzorg conform de voorwaarden als omschreven in artikel 2.3.5, lid 1 onder b van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Haarlem 2022;

    • 2.

      de verhuurde ruimten beslaan niet meer dan 35% van het bruto vloeroppervlak.

  • d.

    Tot een strijdig gebruik van locaties en bouwwerken wordt gerekend het gebruik of laten gebruiken voor:

    • 1.

      met inachtneming van artikel 2.882.89 tweede lid, onbebouwde gronden voor het parkeren van motorvoertuigen; 

 

Artikel 2.96 2.97 Aanvullende gebruiksregels Fietsznfabriek

  • 1.

    In aanvulling op artikel 2.952.96 gelden voor locatie Fietsznfabriek de gebruiksregels van artikel 2.962.97

  • 2.

    Het aantal woningen bedraagt tenminste 54 en maximaal 80. De oppervlakte van een woning bedraagt ten minste 60 m2 bruto vloeroppervlak.

  • 3.

    Minimaal 30% van de woningen moet worden gebruikt als sociale huurwoning.

  • 4.

    Minimaal 40% van de woningen moet worden gebruikt als middeldure huurwoning of middeldure koopwoning. 

Artikel 2.97 2.98 Aanvullende gebruiksregels wonen De Koepel

In aanvulling op artikel 2.952.96 gelden bij de aanduiding De Koepel (wonen) de volgende bepalingen:

  • a.

    100% van de woningen als bedoeld in artikel 2.932.94 mag uitsluitend worden gebruikt als sociale huurwoning;

  • b.

    de woningen met een maximum oppervlak van 31 mbruto vloeroppervlak mogen uitsluitend worden gebruikt voor eenpersoonshuishoudens.

SSS

Het opschrift van artikel 2.98 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.98 2.99 Toepassingsbereik

TTT

Het opschrift van artikel 2.99 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.99 2.100 Toegestane activiteiten

UUU

Het opschrift van artikel 2.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.100 2.101 Beperking baliefunctie

VVV

Artikel 2.101 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.101 2.102 Zakelijke dienstverlening

WWW

Het opschrift van artikel 2.102 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.102 2.103 Fietsenstalling

XXX

Artikel 2.103 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.103 2.104 Garage 

  • 1.

    Bij de aanduiding garagegaragebox mag een garage worden gerealiseerd. 

  • 2.

    Bij de aanduiding parkeergarage mag een parkeergarage worden gerealiseerd. 

  • 3.

    Bij de aanduiding parkeergarage begane grond mag een parkeergarage op de begane dan wel half verdiept worden gerealiseerd. 

  • 4.

    Bij de aanduiding parkeergarage t/m eerste verdieping mag een parkeergarage op de begane grond en eerste verdieping, met eventueel een beheerdersruimte, worden gerealiseerd. 

YYY

Het opschrift van artikel 2.104 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.104 2.105 Nutsvoorziening

ZZZ

Het opschrift van artikel 2.105 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.105 2.106 Onderdoorgang

AAAA

Het opschrift van artikel 2.106 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.106 2.107 Ondergrondse parkeergarage

BBBB

Het opschrift van artikel 2.107 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.107 2.108 Rioolgemaal

CCCC

Na artikel 2.107 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.109 Beresteyncomplex – Stationsplein

  • 1.

    Artikel 2.109 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken met de aanduiding Beijneshal.

  • 2.

    Op de begane grond zijn toegestaan:

    • a.

      detailhandel;

    • b.

      dienstverlening met loketfunctie;

    • c.

      praktijkruimte;

    • d.

      een onderdoorgang/overbouwing ter plaatse van de aanduiding onderdoorgang Beijneshal;

    • e.

      parkeergarage - inclusief beheerdersruimte -  ter plaatse van de aanduiding parkeergarage Beijneshal;

    • f.

      sportdoeleinden ter plaatse van de aanduiding sport Beijneshal;

    • g.

      bij de bestemming behorende andere bouwwerken, groenvoorzieningen, wegen en paden, voorzieningen voor de waterhuishouding;

    • h.

      bijbehorende voorzieningen, zoals bergingen, mede ten behoeve van de bovengelegen functies.

  • 3.

    Op de eerste verdieping zijn toegestaan:

    • a.

      parkeergarage bij de aanduiding parkeergarage Beijneshal;

    • b.

      sportdoeleinden ter plaatse van de aanduiding sport Beijneshal;

    • c.

      bijbehorende voorzieningen, zoals bergingen, mede ten behoeve van de bovengelegen functies.

  • 4.

    Op de tweede verdieping zijn toegestaan:

    • a.

      sport- en evenementenhal - ten behoeve van zaalsporten c.q. het houden van congressen, vergaderingen, tentoonstellingen en festiviteiten - met bijbehorende ondergeschikte horeca ter plaatse van de aanduiding sporthal Beijneshal

    • b.

      wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep, gastouderopvang of een bed & breakfast, ter plaatse van de aanduiding wonen Beijneshal

    • c.

      praktijkruimte ter plaatse van de aanduiding praktijkruimte Beijneshal

    • d.

      kantoor ter plaatse van de aanduiding kantoor Beijneshal

    • e.

      bijbehorende voorzieningen, zoals bergingen, balkons en dakterrassen bij woningen.

  • 5.

    Op de overige verdiepingen zijn toegestaan:

    • a.

      wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep, gastouderopvang of een bed & breakfast, ter plaatse van de aanduiding wonen Beijneshal

    • b.

      kantoor ter plaatse van de aanduiding kantoor Beijneshal

    • c.

      bijbehorende voorzieningen, zoals bergingen, balkons en dakterrassen bij woningen.

DDDD

Het opschrift van artikel 2.108 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.108 2.110 Overbewoning woonruimte

EEEE

Het opschrift van artikel 2.109 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.109 2.111 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

FFFF

Het opschrift van artikel 2.110 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.110 2.112 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

GGGG

Het opschrift van artikel 2.111 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.111 2.113 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

HHHH

Het opschrift van artikel 2.112 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.112 2.114 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

IIII

Het opschrift van artikel 2.113 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.113 2.115 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

JJJJ

Het opschrift van artikel 2.114 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.114 2.116 Verbod

KKKK

Het opschrift van artikel 2.115 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.115 2.117 Verbod op flitsbezorging

LLLL

Artikel 3.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.24 Bouwregels tuin

  • 1.

    Ter plaatse van de aanduiding tuin gelden de bouwregels van dit artikel. 

  • 2.

    Bouwwerken zijn niet toegestaan, met uitzondering van:

    • a.

      vergunningsvrije bouwwerken, zoals genoemd in artikel 3.20;

    • b.

      vergunningsvrije bouwwerken genoemd in het derde en vijfde lid;

    • c.

      gronden waarop een bouwvlak is aangegeven.

  • 3.

    Geen vergunning als bedoeld in artikel 3.11 is nodig voor activiteiten die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:

    • a.

      een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan ter plaatse van de functieaanduiding rijksbeschermd stadsgezicht, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

      • 1.

        niet in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument;

      • 2.

        de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt per adres niet meer dan 50% van de gronden met een maximum van 40 m2, tenzij een afwijkend maximum bebouwingspercentage (%) is aangegeven;

      • 3.

        de bouwhoogte van aan- en uitbouwen bedraagt voor zover op een afstand van niet meer dan 2,5 m van de achtergevelrooilijn niet meer dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw met een maximum bouwhoogte van 4 m, gemeten vanaf het aansluitend peil;

      • 4.

        de bouwhoogte van overige aan- en uitbouwen bedraagt ten hoogste 3 m, tenzij een afwijkende maximum bouwhoogte is aangegeven;

      • 5.

        de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m, tenzij een afwijkende maximum bouwhoogte is aangegeven. 

  • 4.

    In afwijking van artikel 3.20 (aanhef en onder a, sub 3) bedraagt de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied ter plaatse van de aanduiding maximum bebouwingspercentage (%) niet meer dan het aangegeven bebouwingspercentage. 

  • 5.

    Geen vergunning als bedoeld in artikel 3.11 is nodig voor het bouwen en in stand houden van een fietsenberging in de voor- of zijtuin onder de volgende voorwaarden:

    • a.

      er is geen achterom aanwezig bij de woning;

    • b.

      de diepte van de voortuin of de breedte van de zijtuin is minimaal 2,5 m;

    • c.

      de hoogte van de berging mag maximaal 1,4 m bedragen;

    • d.

      de verticale diepte van een berging mag maximaal 1 m bedragen;

    • e.

      de oppervlakte van de berging mag maximaal 20% van de oppervlakte van de voor- of zijtuin bedragen met een maximum van 4 m²;

    • f.

      de gevels van de berging evenwijdig aan de voorgevel, mogen maximaal 30% van de breedte van die voorgevel beslaan;

    • g.

      niet in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

  • 6.

    Voor dakterrassen gelden de bouwregels van artikel 3.23 vierde lid. 

MMMM

Artikel 3.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.37 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling;

    • d.

      als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of

    • e.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

  • 3.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg:

    • a.

      een breedte van ten minste 4,5 m;

    • b.

      een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram;

    • c.

      een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en

    • d.

      een doeltreffende afwatering.

  • 4.

    Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 5.

    Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

NNNN

Artikel 3.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.38 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling; of

    • d.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

  • 3.

    De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  • 4.

    Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 3.37, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

  • 5.

    Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

OOOO

Artikel 4.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.34 Aanvullende bouwregels rijksbeschermd stadsgezicht, monument en beeldbepalend bouwwerk

  • 1.

    In aanvulling en met voorrang op de bouwregels van afdeling 3.2 zijn de bouwregels van afdeling 4.4 van toepassing op een locatie met de aanduiding rijksbeschermd stadsgezichtmonument (aanvullende bouwregels) of beeldbepalend bouwwerk.

  • 2.

    bouwvlak/voorgevelrooilijn/gevelindeling

  • 3.

    kap/nokrichting/vorm

    • a.

      bij de  aanduidingen monument (aanvullende bouwregels) en beeldbepalend bouwwerk (aanvullende bouwregels) dient de bestaande nokrichting, dakkapel, kap of dakvorm gehandhaafd te blijven;

    • b.

      onder voorbehoud van het bepaalde in het tweede lid en artikel 3.23 eerste lid mag het gebouw boven de goothoogte uitsluitend worden afgedekt met een kap waarvan:

      • 1.

         de maximum hoogte 4 m bedraagt, verticaal gemeten vanaf de (maximum) goothoogte;

      • 2.

        de dakhelling niet minder bedraagt dan 45 en niet meer dan 70 graden. Bij een samengestelde kap dient de dakhelling van de bovenste dakvlakken minimaal 20 graden te bedragen.

     

PPPP

Artikel 5.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.9 Tuincentrum

Bij de aanduiding tuincentrum op het water is een tuincentrum toegestaan. 

QQQQ

Hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 6 Regels voor milieubelastende activiteiten

Afdeling 6.1 Standaard milieuwaarden

Paragraaf 6.1.1 Algemeen
Artikel 6.1 Toepassingsbereik

Afdeling 6.1 is van toepassing op activiteiten die volgens het omgevingsplan zijn toegestaan in het centrumgebied. In aanvulling en met voorrang op het bepaalde in afdeling 6.3 gelden de regels van afdeling 6.1 voor het centrumgebied. 

Paragraaf 6.1.2 Veiligheid rond opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen
Artikel 6.2 Standaardwaarde plaatsgebonden risico
  • 1.

    Een toegestane activiteit moet voldoen aan de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. Deze waarde is 1:1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties.

  • 2.

    De standaardwaarde genoemd in het eerste lid is ook van toepassing op het toelaten van een risicoverhogend bouwwerk in de directe omgeving van een buisleiding als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a. tot en met d., van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Paragraaf 6.1.3 Luchtkwaliteit
Artikel 6.3 Stikstofdioxiden en stikstofoxiden
  • 1.

    Een activiteit als bedoeld in artikel 5.51 eerst lid Besluit kwaliteit leefomgeving mag niet leiden tot een overschrijding van de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties voor stikstofdioxide:

    • a.

      40 µg/m3  als kalenderjaargemiddelde. 

Artikel 6.4 Fijnstof
  • 1.

    Een activiteit als bedoeld in artikel 5.51 eerste lid Besluit kwaliteit leefomgeving mag niet leiden tot een overschrijding van de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties voor PM10:

    • a.

      50 µg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden en;

    • b.

      40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde.

Artikel 6.5 Uitzondering

Artikelen 6.3 en 6.4 zijn niet van toepassing op locaties zoals omschreven in artikel 5.52  Besluit kwaliteit leefomgeving en op activiteiten zoals omschreven in artikelen 5.53 en 5.54  Besluit kwaliteit leefomgeving. 

Paragraaf 6.1.4 Geluid door activiteiten
Artikel 6.6 Geluidswaarden voor geluidsgevoelige gebouwen
  • 1.

    Het toelaatbare geluid door een activiteit, anders dan wonen, op een geluidsgevoelig gebouw bedraagt maximaal: 

     

    07.00 - 19.00 uur

    19.00 - 23.00 uur

    23.00 - 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lar,lt als gevolg van een activiteit

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    Maximaal geluidsniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

    --

    70 dB(A)

    70 dB(A)

    Maximaal geluidsniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

    --

    65 dB(A)

    65 dB(A)

    Artikel 5.65 lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving
  • 2.

    Het toelaatbare geluid in geluidsgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidsgevoelige ruimten bedraagt maximaal:

     

    07.00 - 19.00 uur

    19.00 - 23.00 uur

    23.00 - 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lar,lt 

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidsniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

    --

    55 dB(A)

    55 dB(A)

    Maximaal geluidsniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

    --

    45 dB(A)

    45 dB(A)

    Artikel 5.65 lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving
  • 3.

    Bij de aanduiding ligplaats woonschip of ligplaats historisch woonschip is de waarde 5 dB(a) hoger dan de waarde genoemd in het eerste lid. 

  • 4.

    De waarden in dit artikel zijn niet van toepassing op het geluid door een:

    • a.

      activiteit op een geluidsgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit;

    • b.

      horeca-activiteit op een geluidsgevoelig gebouw dat functioneel verbonden was met die activiteit;

    • c.

      bedrijfsactiviteit op een geluidsgevoelig gebouw dat functioneel verbonden was met die activiteit. 

     

Artikel 6.7 Waar waarden gelden

De waarden voor geluid door een activiteit, als bedoeld in artikel 6.6 gelden:

  • a.

    op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw, anders dan een (historisch) woonschip of woonwagen;

  • b.

    op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidsgevoelig gebouw;

  • c.

    op de locatie voor het plaatsen van een woonschiphistorisch woonschip of woonwagen;

  • d.

    in een geluidsgevoelige ruimte.

Artikel 6.8 Uitzondering geluidsbronnen

De waarden in artikel 6.6 zijn niet van toepassing op:

  • a.

    het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, gladheidsbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;

  • b.

    onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd;

  • c.

    activiteiten die in hoofdzaak in de openbare ruimte worden verricht; 

  • d.

    geluid dat niet representatief is voor een activiteit; 

  • e.

    evenementen die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen;

  • f.

    festiviteiten die plaatsvinden op een locatie waar de activiteit wordt verricht, gedurende ten hoogste twaalf etmalen per jaar. 

Paragraaf 6.1.5 Trillingen
Artikel 6.9 Toepassingsbereik
  • 1.

    Paragraaf 6.1.5 is van toepassing op:

    • a.

      op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of;

    • b.

      een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is paragraaf 6.1.5 niet van toepassing op:

    • a.

      een trillinggevoelige ruimte in een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk is gelegen op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.

  • 3.

    Met uitzondering van de artikelen 6.12 en 6.13 is in afwijking van het eerste lid paragraaf 6.1.5 niet van toepassing op:

    • a.

      activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht; en

    • b.

      evenementen die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen.

Artikel 6.10 Standaard waarden continue trillingen
  • 1.

    De waarden voor toegestane continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten bedragen maximaal de waarden genoemd onder A1 in onderstaande tabel. 

    Standaardwaarden toelaatbare continue trillingen in trillinggevoelige ruimten

    Soort

    Standaardwaarde

     

     

    07.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    A1 trillingssterkte Vmax

    0,1

    0,1

    A2 trillingssterkte Vmax

    0,4

    0,2

    A3 trillingssterkte Vper

    0,05

    0,05

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid gelden de waarden genoemd onder A2 en A3 als maximaal toegestane waarden indien niet voldaan kan worden aan de waarden genoemd onder A1

Artikel 6.11 Standaardwaarden herhaald voorkomende trillingen
  • 1.

    De waarden voor toegestane herhaald voorkomende trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten bedragen maximaal de waarden genoemd onder A1 in onderstaande tabel. 

    Standaardwaarden toelaatbare herhaald voorkomende trillingen in trillinggevoelige ruimten

    Soort

    Standaardwaarde

     

     

    07.00 - 23.00 uur

    23.00 - 07.00 uur

    A1 trillingssterkte Vmax

    0,2

    0,2

    A2 trillingssterkte Vmax

    0,8

    0,4

    A3 trillingssterkte Vper

    0,1

    0,1

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid gelden de waarden genoemd onder A2 en A3 als maximaal toegestane waarden indien niet voldaan kan worden aan de waarden genoemd onder A1

Artikel 6.12 Functionele binding

De waarden genoemd in artikelen 6.10 en 6.11 zijn niet van toepassing op trillingen veroorzaakt door die activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 6.13 Voormalige functionele binding

De waarden genoemd in artikelen 6.10 en 6.11 zijn niet van toepassing op trillingen veroorzaakt door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een voormalige functionele binding heeft met die activiteit en die:

  • a.

    verricht wordt op een bedrijventerrein; of

  • b.

    betrekking heeft op de horecasector. 

Afdeling 6.2 Bodemenergiesystemen

Artikel 6.14 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken:

    • a.

      in een interferentiegebied dat is aangewezen in dit omgevingsplan; of

    • b.

      met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;

    • b.

      de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld;

    • c.

      gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;

    • d.

      een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;

    • e.

      informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en

    • f.

      de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.

  • 3.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

    • a.

      het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en

    • b.

      er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie; en

    • c.

      het bodemenergiesysteem op eigen perceel wordt geplaatst; en

    • d.

      de verticale bodemlussen tot op een diepte van maximaal honderd meter minus maaiveld worden geplaatst. 

Artikel 6.15 Aanwijzen interferentiegebied

Ter voorkoming van interferentie tussen gesloten of open bodemenergiesystemen onderling of anderszins ter bevordering van een doelmatig gebruik van bodemenergie, kan het college een interferentiegebied aanwijzen.

Artikel 6.16 Aangewezen interferentiegebieden

Als interferentiegebied voor gesloten bodemenergiesystemen worden aangewezen:

Artikel 6.17 Overgangsbepaling

Vergunningen die zijn verleend onder de werking van de Verordening aanwijzing interferentiegebieden bodemenergiesystemen gemeente Haarlem 2023 en die reeds van kracht waren op 1 januari 2024, worden aangemerkt als vergunningen krachtens dit omgevingsplan.

Afdeling 6.3 Milieubelastende activiteiten

Paragraaf 6.3.1 Algemene bepalingen
Artikel 6.18 Algemeen toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

  • 2.

    Deze afdeling is niet van toepassing op:

    • a.

      wonen;

    • b.

      het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;

    • c.

      een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;

    • d.

      doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;

    • e.

      een evenement:

      • 1.

        dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;

      • 2.

        dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of

      • 3.

        waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening;

    • f.

      het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

    • g.

      bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.

  • 3.

    Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.

  • 4.

    Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 6.3.6.

Artikel 6.19 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid; en

  • c.

    het beschermen van het milieu, waaronder:

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

    • 2.

      het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en

    • 3.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 6.20 Normadressaat

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 6.21 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 6.19, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

  • 3.

    De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat:

    • a.

      de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en

    • b.

      de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

  • 4.

    Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 6.22 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 6.216.26 en 6.27 en de paragrafen 6.3.2 tot en met 6.3.25.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 6.26 en 6.27 en de paragrafen 6.3.2 tot en met 6.3.25.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 6.19.

  • 4.

    Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.23 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 6.24 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  • 1.

    Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 6.23, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.25 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
  • 1.

    Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

  • 2.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 6.26 Informeren over een ongewoon voorval
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      ongewone voorvallen bij wonen.

Artikel 6.27 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  • 1.

    Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders:

    • a.

      informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

    • b.

      informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

    • c.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      ongewone voorvallen bij wonen.

Paragraaf 6.3.2 Zwerfafval
Artikel 6.28 Afval: zwerfvuil

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.

Paragraaf 6.3.3 Geluid
Subparagraaf 6.3.3.1 Algemene bepalingen

Artikel 6.29 Toepassingsbereik

  • 1.

    Paragraaf 6.3.3 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit:

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van:

    • a.

      het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b.

      spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

  • 4.

    Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:

    • a.

      een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of

    • b.

      een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

Artikel 6.30 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 6.29tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 6.29 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 6.29 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.

Artikel 6.31 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onverminderd artikel 6.18 worden voor de toepassing van paragraaf 6.3.3 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 6.32 Geluid: waar waarden gelden

De waarden voor het geluid door een activiteit gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 6.33 Geluid: functionele binding

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 6.34 Geluid: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Artikel 6.35 Geluid: onderzoek

  • 1.

    In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:

    • a.

      als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;

    • b.

      gereserveerd

    • c.

      als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;

    • d.

      bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;

    • e.

      bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;

    • f.

      bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;

    • g.

      bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m;

    • h.

      bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 6.55; en

    • i.

      als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

      • 1.

        in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

        • I.

          70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of

        • II.

          80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of

      • 2.

        in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

  • 2.

    Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.

  • 3.

    Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.

  • 4.

    Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan:

    • a.

      de waarden, bedoeld in de paragrafen 6.3.3.2, 6.3.3.3 en 6.3.3.4; of

    • b.

      de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.

Artikel 6.36 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 6.35, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het vierdevijfdezesde en zevende lid zijn van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.

  • 4.

     Het vierdevijfdezesde en zevende lid zijn niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

  • 5.

     Het vierdevijfdezesde en zevende lid zijn ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 6.36 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 6.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 7.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.37 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op: 

    • a.

      een activiteit op een gezoneerd industrieterrein;

    • b.

      activiteiten die worden verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1°;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

  • 3.

    Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 6.36 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 5.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 6.3.3.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 6.38 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 6.3.3.3 en 6.3.3.4.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 6.39 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.

    Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw
     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2.

    Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein
     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    75 dB(A)

    70 dB(A)

    65 dB(A)

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.

    Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw
     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 4.

    De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.

Artikel 6.40 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 6.39, eerste, derde en vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.

    Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden
     

    07.00 – 21.00 uur

    21.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

Artikel 6.41 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 6.39, eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.

    Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied
     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    35 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 6.39, derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.

    Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied.
     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3.

    Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;

    • b.

      laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en

    • c.

      het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 6.42 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 6.39, eerste lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.7.

    Tabel 22.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van artikel 6.39, derde lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.8.

    Tabel 22.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3.

    Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het laden en lossen in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;

    • b.

      het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en

    • c.

      het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 6.43 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening

  • 1.

    Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in artikel 6.39, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

  • 2.

    Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in de artikelen 6.41, eerste lid, en 6.42, eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

Artikel 6.44 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in de artikelen 6.39, eerste lid, 6.40, eerste lid, 6.41, eerste lid en 6.42, eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012:

  • a.

    voor een woonschip was bestemd; of

  • b.

    in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:

    • 1.

      voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of

    • 2.

      de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.

Artikel 6.45 Geluid: eerbiedigende werking

  • 1.

    Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.

  • 2.

    Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.

Artikel 6.46 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 6.39 tot en met 6.45 en 6.47, blijft buiten beschouwing:

    • a.

      het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;

    • b.

      het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;

    • c.

      het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;

    • d.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;

    • e.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;

    • f.

      het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;

    • g.

      het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen;

    • h.

      het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen;

    • i.

      het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en

    • j.

      het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 6.3.20, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in de artikelen 6.39 tot en met 6.43 en 6.45, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of

    • b.

      het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

  • 3.

    De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de artikelen 6.39 tot en met 6.45, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als:

    • a.

      voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en

    • b.

      het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

Artikel 6.47 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de artikelen 6.39, eerste lid, en 6.40, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 6.48 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 6.39 tot en met 6.45, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.

  • 2.

    Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op:

    • a.

      de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt;

    • b.

      de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en

    • c.

      het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 6.49 Geluid: festiviteiten

  • 1.

    De waarden, bedoeld in de in artikelen 6.39 tot en met 6.47, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:

    • a.

      festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en

    • b.

      andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.

  • 2.

    Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Artikel 6.50 Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 6.3.3.3 Geluid door windturbines: gereserveerd

Artikel 6.51 Toepassingsbereik

gereserveerd voor locatie windturbine.

Artikel 6.52 Geluid: waarden windturbines

gereserveerd

Artikel 6.53 Registratie gegevens windturbines

gereserveerd

Artikel 6.54 Geluid: meet- en rekenbepalingen

gereserveerd

Subparagraaf 6.3.3.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 6.55 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen:

    • a.

      civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of

    • b.

      militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.

Artikel 6.56 Geluid: waarden buitenschietbanen

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 6.55 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 Bs,dan.

Artikel 6.57 Registratie gegevens buitenschietbanen

  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en

    • b.

      voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XVIIIc bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie.

  • 2.

    De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 6.58 Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in artikel 6.56, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 6.3.4 Trillingen
Artikel 6.59 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit:

    • a.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en

    • b.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 6.60 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

In afwijking van artikel 6.59tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

  • a.

    in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

  • b.

    in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 6.61 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit

Onverminderd artikel 6.18 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 6.62 Trillingen: functionele binding

De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 6.63 Trillingen: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.

Artikel 6.64 Trillingen: waarden voor continue trillingen
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 22.3.9.

  • 2.

    Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 22.3.9.

    Tabel 22.3.9 Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten

    Soort

    waarden

     

    07.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    A1 trillingssterkte Vmax

    0,1

    0,1

    A2 trillingssterkte Vmax

    0,4

    0,2

    A3 trillingssterkte Vper

    0,05

    0,05

Artikel 6.65 Trillingen: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van de continue trillingen, bedoeld in deze paragraaf, is artikel 6.11 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 6.3.5 Geur
Subparagraaf 6.3.5.1 Algemene bepalingen

Artikel 6.66 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 6.3.5.2 en 6.3.5.4, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 6.3.5.2 en 6.3.5.3 en artikel 6.209, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 6.67 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 6.66tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 6.3.5.2 en 6.3.5.4, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 6.3.5.2 en 6.3.5.3 en artikel 6.209, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 6.66eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 6.3.5.2 en 6.3.5.4, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 6.3.5.2 en 6.3.5.3 en artikel 6.209, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 6.68 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden

De waarden, bedoeld in de paragrafen 6.3.5.2 en 6.3.5.4, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 6.3.5.2 en 6.3.5.3 en artikel 6.209, voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden:

  • a.

    als het gaat om een geurgevoelig object: op of tot de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en

  • c.

    in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.

Artikel 6.69 Geur: functionele binding

De waarden, bedoeld in de paragrafen 6.3.5.2 en 6.3.5.4, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 6.3.5.2 en 6.3.5.3 en artikel 6.209, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.

Artikel 6.70 Geur: voormalige functionele binding

Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in paragraaf 6.3.5.2, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 6.3.5.2 en 6.3.5.3 en artikel 6.209, niet van toepassing op een geurgevoelig object dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn.

Artikel 6.71 Geur: cumulatie

Bij de waarden, bedoeld in de paragrafen 6.3.5.2 en 6.3.5.4, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 6.3.5.2 en 6.3.5.3 en artikel 6.209, is geen rekening gehouden met de cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

Subparagraaf 6.3.5.2 Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf

Artikel 6.72 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het beginnen met of het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van:

    • a.

      landbouwhuisdieren; en

    • b.

      paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.

Artikel 6.73 Geur vanaf waar afstanden gelden

Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 6.74 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de geur op een geurgevoelig object door de activiteit niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.10.

    Tabel 22.3.10 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel op een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

    Geurgevoelig object

    Waarde

    Gelegen binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    2,0 ouE/m3

    Gelegen binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    3,0 ouE/m3

    Gelegen buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    8,0 ouE/m3

    Gelegen buiten de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    14,0 ouE/m3

  • 2.

    Op het berekenen van de geur, bedoeld in het eerste lid, is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 6.75 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden

  • 1.

    Als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in artikel 6.74, eerste lid, mag, in afwijking van artikel 6.74, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

    • a.

      het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, en

    • b.

      de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op die locatie niet toenemen.

  • 2.

    Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als:

    • a.

      een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en

    • b.

      de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in artikel 6.72, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.

Artikel 6.76 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten

Artikel 6.74, eerste lid, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.11, tot de volgende geurgevoelige objecten:

  • a.

    een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • b.

    een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • c.

    een geurgevoelig object met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

    • 1.

      op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;

    • 2.

      in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en

    • 3.

      in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en

  • d.

    een geurgevoelig object dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig object met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.

Tabel 22.3.11 Afstand tot een geurgevoelig object met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 en ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

Geurgevoelig object met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

100 m

Gelegen buiten de bebouwde kom

50 m

Artikel 6.77 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.12.

Tabel 22.3.12 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden

Geurgevoelig object

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

100 m

Gelegen buiten de bebouwde kom

50 m

Artikel 6.78 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand

  • 1.

    Artikel 6.77 is niet van toepassing als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel.

  • 2.

    In een geval als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig object niet afnemen.

Artikel 6.79 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf

  • 1.

    Onverminderd de artikelen 6.74 tot en met 6.78 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.13.

    Tabel 22.3.13 Afstand gevel dierenverblijf tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden

    Geurgevoelig object

    Afstand

    Gelegen binnen de bebouwde kom

    50 m

    Gelegen buiten de bebouwde kom

    25 m

  • 2.

    In afwijking van artikel 6.73 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.

Artikel 6.80 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 6.79, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

  • a.

    die afstand niet afnemen;

  • b.

    de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig object niet toenemen; en

  • c.

    het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie met geuremissiefactor niet toenemen.

Artikel 6.81 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony’s die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 6.79, eerste lid, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden:

  • a.

    die afstand niet afnemen; en

  • b.

    het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen.

Subparagraaf 6.3.5.3 Geur door andere agrarische activiteiten

Artikel 6.82 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      vaste mest die afkomstig is van landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden;

    • b.

      champost; of

    • c.

      dikke fractie.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van 3 m3 of minder;

    • b.

      het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op een plek; en

    • c.

      het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.17.

    Tabel 22.3.17 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie

    Opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie

    Afstand

    Geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 6.83 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.18.

    Tabel 22.3.18 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong

    Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong

    Afstand

    Geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 6.84 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; en

    • b.

      vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op in plasticfolie verpakte veevoederbalen.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.19.

    Tabel 22.3.19 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

    Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

    Afstand

    Niet afgedekt opslaan

    50 m

    Afgedekt opslaan

    25 m

Artikel 6.85 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin vanaf het dichtstbijzijnde punt van het mestbassin tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.20.

    Tabel 22.3.20 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin

    Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin

    Afstand tot geurgevoelig gevoelig object

     

    Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving

    Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving

    Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2

    50 m

    25 m

    Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2

    100 m

    50 m

Artikel 6.86 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.21.

    Tabel 22.3.21 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten

    Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten

    Afstand

    Geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 6.87 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.22.

    Tabel 22.3.22 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het composteren of opslaan van groenafval

    Composteren of opslaan van groenafval

    Afstand

    Geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 6.88 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 6.82, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in artikel 6.84, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 6.87, als:

    • a.

      het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;

    • b.

      de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 6.82derde lid, 6.83tweede lid, 6.84derde lid, of 6.87derde lid; en

    • c.

      verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2.

    Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in artikel 6.85, eerste lid, als:

    • a.

      de afstand tussen de activiteit, bedoeld in artikel 6.85, eerste lid, en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 6.85, tweede lid;

    • b.

      het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en

    • c.

      verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 3.

    In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is artikel 6.82, derde lid, 6.83, tweede lid, 6.84, derde lid, 6.85, tweede lid, of 6.87, derde lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig object niet af.

Subparagraaf 6.3.5.4 Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken

Artikel 6.89 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 6.90 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de geur op een geurgevoelig object niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.23.

    Tabel 22.3.23 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk op een geurgevoelig object

    Activiteit

    Geurgevoelig object

    Grenswaarde

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk

    Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

    0,5 ouE/m3

    Gelegen:

    – op een gezoneerd industrieterrein;

    – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    – op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, of

    – buiten de bebouwde kom

    1 ouE/m3

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is de geur op een geurgevoelig object door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.24.

    Tabel 22.3.24 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk opgericht voor 1 februari 1996 op een geurgevoelig object

    Activiteit

    Geurgevoelig object

    Grenswaarde

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor 1 februari 1996

    Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

    1,5 ouE/m3

    Gelegen:

    – op een gezoneerd industrieterrein;

    – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    – op een Activiteitenbesluit- bedrijventerrein, of

    – buiten de bebouwde kom

    3,5 ouE/m3

  • 3.

    Op het berekenen van de geur is artikel 6.13 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 6.91 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten

De waarden, bedoeld in artikel 6.90, eerste lid, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige objecten die:

  • a.

    op het moment van verlening van de vergunning niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gebouwd; of

  • b.

    in de vergunning niet als geurgevoelig werden beschouwd.

Artikel 6.92 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking

Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in de artikelen 6.90, tweede lid, en 6.91, is de waarde van de geur op een geurgevoelig object als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig object, voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in artikel 6.90, eerste lid, niet worden overschreden.

Paragraaf 6.3.6 Bodembeheer
Subparagraaf 6.3.6.1 Nazorg na saneren van de bodem

Artikel 6.93 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.

Artikel 6.94 Nazorg na afloop van saneren van de bodem

  • 1.

    De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.

Subparagraaf 6.3.6.2 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 6.95 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van:

    • a.

      locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of

    • b.

      locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit:

      • 1.

        een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een bodemkwaliteitskaart vastgesteld op grond van artikel 25c, derde lid van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook:

    • a.

      het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie;

    • b.

      het tijdelijk opslaan van grond; en

    • c.

      het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.

Artikel 6.96 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

  • 1.

    Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.95, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

    • c.

      de verwachte duur ervan.

  • 2.

    Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of

    • b.

      op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 6.97 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

Artikel 6.98 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.

Subparagraaf 6.3.6.3 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Artikel 6.99 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 6.100 Bodem: mitigerende maatregelen

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 6.99, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

Paragraaf 6.3.7 Afvalwaterbeheer
Subparagraaf 6.3.7.1 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering

Artikel 6.101 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van:

  • a.

    een bodemsanering of grondwatersanering;

  • b.

    een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en

  • c.

    ontwatering.

Artikel 6.102 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.101, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als:

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of

    • b.

      het lozen plaatsvindt bij wonen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

Artikel 6.103 Lozen van grondwater bij saneringen

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.26, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Dat grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

    Tabel 22.3.26 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l

    Naftaleen

    0,2 μg/l

    PAK’s

    1 μg/l

    BTEX

    50 μg/l

    Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor

    20 μg/l

    Aromatische organohalogeen-verbindingen

    20 μg/l

    Minerale olie

    500 μg/l

    Cadmium

    4 μg/l

    Kwik

    1 μg/l

    Koper

    11 μg/l

    Nikkel

    41 μg/l

    Lood

    53 μg/l

    Zink

    120 μg/l

    Chroom

    24 μg/l

    Onopgeloste stoffen

    50 mg/l

Artikel 6.104 Lozen van grondwater bij ontwatering

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.

  • 4.

    Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.

  • 5.

    Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering bij wonen.

Artikel 6.105 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is hoofdstuk 6 van de Omgevingsregelingvan toepassing voor:

    • a.

      voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

    • b.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • c.

      voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

    • d.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • e.

      voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • f.

      voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • g.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • h.

      voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;

    • i.

      voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;

    • j.

      voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1;

    • k.

      voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;

    • l.

      voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;

    • m.

      voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;

    • n.

      voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;

    • o.

      voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;

    • p.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • q.

      voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;

    • r.

      voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;

    • s.

      voor adsorbeerbare absorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;

    • t.

      voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en

    • u.

      voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

Subparagraaf 6.3.7.2 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

Artikel 6.106 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:

Artikel 6.107 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.108 Lozen van afvloeiend hemelwater

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:

    • a.

      afkomstig is van wonen; of

    • b.

      al plaatsvond voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen op de lozing van toepassing werd.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 5.

    Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.

Subparagraaf 6.3.7.3 Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 6.109 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater.

Artikel 6.110 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.112, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 6.111 Geen voedselvermaling

Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

Artikel 6.112 Lozen van huishoudelijk afvalwater

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater alleen op of in de bodem geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:

    • a.

      40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;

    • b.

      100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;

    • c.

      600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;

    • d.

      1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en

    • e.

      3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.

  • 2.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater in de bodem worden geloosd:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 6.113 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.

  • 2.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.27.

    Tabel 22.3.27 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    30 mg/l

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l

    300 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

  • 3.

    Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:

  • 4.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 6.114 Meet- en rekenbepalingen

Subparagraaf 6.3.7.4 Lozen van koelwater

Artikel 6.115 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 6.116 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.115, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de maximale warmtevracht; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.117 Koelwater

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater worden geloosd in schoonwaterriool.

  • 2.

    Koelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.

Subparagraaf 6.3.7.5 Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken

Artikel 6.118 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken.

Artikel 6.119 Periodiek reinigen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater of op of in de bodem geloosd, tenzij het gaat om afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

Subparagraaf 6.3.7.6 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen

Artikel 6.120 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.

Artikel 6.121 Inerte goederen

Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:

  • a.

    bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c.

    A-hout en ongeshredderd B-hout;

  • d.

    snoeihout;

  • e.

    banden van voertuigen;

  • f.

    autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt;

  • g.

    straatmeubilair;

  • h.

    tuinmeubilair;

  • i.

    aluminium, ijzer en roestvrij staal;

  • j.

    kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;

  • k.

    kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;

  • l.

    papier en karton;

  • m.

    textiel en tapijt; en

  • n.

    vlakglas.

Artikel 6.122 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.120, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de opgeslagen goederen; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 6.123 Lozen bij opslaan van inerte goederen

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.

  • 5.

    Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 6.124 Meet- en rekenbepalingen

Artikel 6.125 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Subparagraaf 6.3.7.7 Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater

Artikel 6.126 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig uit:

  • a.

    een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel; en

  • b.

    een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet.

Artikel 6.127 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Artikel 6.128 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Subparagraaf 6.3.7.8 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen

Artikel 6.129 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit.

Artikel 6.130 Schoonmaken drinkwaterleidingen

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Bij het lozen op of in de bodem ontstaat geen wateroverlast.

  • 4.

    Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool worden geen chemicaliën toegevoegd.

Subparagraaf 6.3.7.9 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Artikel 6.131 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 6.132 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.131, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de activiteit; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.133 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Paragraaf 6.3.8 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen
Artikel 6.134 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 6.135 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in de artikelen 6.138 en 6.139, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.136 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

In afwijking van artikel 4.791l van het Besluit activiteiten leefomgeving hoeft bij het lozen van drainagewater afkomstig van het telen van gewassen in een kas die op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond geen recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik te zijn, als hergebruik van drainagewater niet doelmatig is en het lozen is aangevangen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 6.137 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 6.138 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere lozingsroute.

Artikel 6.139 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 6.140 Meet- en rekenbepalingen
Paragraaf 6.3.9 Lozen bij maken van betonmortel
Artikel 6.141 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 6.142 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.141 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de lozingsroute;

    • b.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.143 Water
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, ook worden geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.28, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 22.3.28 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    200 mg/l

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 6.144 Meet- en rekenbepalingen
Paragraaf 6.3.10 Uitwassen van beton
Artikel 6.145 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 6.146 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.145 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.147 Water
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton ook worden geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 6.148 Meet- en rekenbepalingen
Paragraaf 6.3.11 Recreatieve visvijvers
Artikel 6.149 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver.

Artikel 6.150 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.149 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.151 Water: lozingsroute

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. Het spuiwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

Paragraaf 6.3.12 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
Artikel 6.152 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      digitaal afdrukken; en

    • b.

      ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal bij wonen.

Artikel 6.153 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.152 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.154 Water
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver.

  • 4.

    Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster.

Artikel 6.155 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NENhoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

    Op het analyseren van zilver is hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling.

Paragraaf 6.3.13 Wassen van motorvoertuigen
Artikel 6.156 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing:

Artikel 6.157 Bodem
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

  • 2.

    Motorvoertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

Artikel 6.158 Water
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Het lozen op of in de bodem is toegestaan, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

  • 3.

    Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

    • a.

      volgens NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1/A1 en NEN-EN 858-2hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling; of

    • b.

      die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Artikel 6.159 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is hoofdstuk 6 van de OmgevingsregelingNEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2  van toepassing.

Paragraaf 6.3.14 Niet-industriële voedselbereiding
Artikel 6.160 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:

    • a.

      keukenapparatuur;

    • b.

      grootkeukenapparatuur;

    • c.

      een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • d.

      een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 6.161 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.160 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 6.162 Water
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.

  • 3.

    Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling; of

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Artikel 6.163 Geur
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • a.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of

    • b.

      geleid door een ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:

    • a.

      op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en

    • b.

      als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare.

  • 4.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Paragraaf 6.3.15 Voedingsmiddelenindustrie
Artikel 6.164 Toepassingsbereik
Artikel 6.165 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
  • 1.

    Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit als bedoeld in artikel 6.164 is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen.

  • 2.

    Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw.

Paragraaf 6.3.16 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen.
Artikel 6.166 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op:

    • a.

      het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten;

    • b.

      het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen;

    • c.

      het uitsnijden van vis; of

    • d.

      het uitsnijden en pekelen van organen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 6.167 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.166 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten; en

      • 6.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.168 Water: lozingsroute en zuivering
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats.

  • 2.

    Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:

    • a.

      het bewerken van dierlijke bijproducten; of

    • b.

      het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in artikel 6.166 is uitgevoerd.

  • 3.

    Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling;

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of

    • c.

      een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in die normen vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

  • 6.

    Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.

  • 7.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 6.169 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder:

    • a.

      wordt bij het slachten van dieren ten minste de vaste dierlijke mest die vrijkomt bij het slachten in afgesloten, lekvrije tonnen of bakken opgeslagen; en

    • b.

      worden dampen en gassen van het broeien of koken van dierlijke bijproducten afgezogen, als deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:

      • 1.

        ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of

      • 2.

        geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid, onder b, niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 6.170 Bodem: bodembeschermende voorziening

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het pekelen van dierlijke bijproducten en organen plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 6.171 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 6.172 Bodem: eindonderzoek bodem
  • 1.

    Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NENhoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 6.173 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Artikel 6.174 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.175 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NENhoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 6.176 Informeren: herstelwerkzaamheden
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de einddatum.

Artikel 6.177 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Paragraaf 6.3.17 Opwekken van elektriciteit met een windturbine: gereserveerd
Artikel 6.178 Toepassingsbereik

gereserveerd voor de locatie windturbine.

Artikel 6.179 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

gereserveerd

Artikel 6.180 Slagschaduw: stilstandvoorziening

gereserveerd

Artikel 6.181 Slagschaduw: functionele binding

gereserveerd

Artikel 6.182 Slagschaduw: voormalige functionele binding

gereserveerd

Artikel 6.183 Lichtschittering: beperken van reflectie

gereserveerd

Artikel 6.184 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

gereserveerd

Paragraaf 6.3.18 In werking hebben van een acculader
Artikel 6.185 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.

Artikel 6.186 Bodem: bodembeschermende voorziening

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het laden van een accu plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 6.187 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Paragraaf 6.3.19 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage
Artikel 6.188 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen die voorzien is van mechanische ventilatie.

Artikel 6.189 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; en

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.190 Lucht en geur: afvoeren emissies
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder:

    • a.

      worden de aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage in een verkeersluwe omgeving, of, als dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht;

    • b.

      wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en

    • c.

      bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.

  • 2.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Paragraaf 6.3.20 Traditioneel schieten
Artikel 6.191 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Artikel 6.192 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.191 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; en

      • 3.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.193 Bodem en externe veiligheid

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beperken van verontreiniging van de bodem vindt het schieten op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening.

Artikel 6.194 Bodem: bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem, vindt traditioneel schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.

  • 2.

    De voorziening voor het opvangen van afgeschoten kogels, bedoeld in artikel 6.193, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.

Artikel 6.195 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 6.196 Bodem: eindonderzoek bodem
  • 1.

    Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NENhoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 6.197 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld, de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Artikel 6.198 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.199 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740  dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 6.200 Informeren: herstelwerkzaamheden
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 6.199 geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 6.199 geïnformeerd over de einddatum.

Paragraaf 6.3.21 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht
Artikel 6.201 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast.

Artikel 6.202 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.201 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.203 Licht
  • 1.

    Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld:

    • a.

      tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en

    • b.

      als er geen sport wordt beoefend en geen onderhoud plaatsvindt.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met:

    • a.

      de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;

    • b.

      de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar; of

    • c.

      door het college van burgemeester en wethouders aangewezen activiteiten, anders dan festiviteiten als bedoeld onder b, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel samen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar.

  • 3.

    Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Paragraaf 6.3.22 Opslaan van vaste mest
Artikel 6.204 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing:

    • a.

      op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op één plek; en

    • b.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 6.205 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.204 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.206 Bodem: opslag
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen:

    • a.

      op een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen; of

    • b.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

  • 2.

    Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:

    • a.

      in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen;

    • b.

      in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of

    • c.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

Artikel 6.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 6.208 Water: lozingsroute
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Artikel 6.209 Geur
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder wordt vaste mest opgeslagen:

    • a.

      in een afgesloten voorziening voor een periode van ten hoogste twee weken; of

    • b.

      op ten minste 50 m afstand vanaf de begrenzing van de opslag van vaste mest tot een geurgevoelig object.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden.

Paragraaf 6.3.23 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen
Artikel 6.210 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; of

    • b.

      vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 6.211 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.210 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      gegevens over de lozingsroutes; en

    • e.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.212 Bodem: bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.

Artikel 6.213 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 6.214 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 6.215 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden geloosd op of in de bodem als:

    • a.

      het niet in contact is geweest met het kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen; en

    • b.

      het niet is vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen.

  • 2.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Paragraaf 6.3.24 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels
Artikel 6.216 Toepassingsbereik
Artikel 6.217 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.216 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:

      • 1.

        gegevens over het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;

      • 2.

        een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en

      • 3.

        een beschrijving van het ventilatiesysteem;

    • e.

      per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden,:

      • 1.

        een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter; en

      • 2.

        een doorsnedetekening per dierenverblijf met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en

    • f.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.218 Bodem: bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren in de buitenlucht als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.

Artikel 6.219 Bodem: logboek

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 6.220 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden, worden geloosd in een vuilwaterriool als meer dan 10 schapen, 5 paarden of pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.

  • 2.

    Het te lozen afvalwater bevat niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 6.221 Meet- en rekenbepalingen
Paragraaf 6.3.25 Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten
Artikel 6.222 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 6.223 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verwerken van polyesterhars waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR klasse 5.2 aanwezig is, te beginnen of te veranderen.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een beschrijving verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om de emissie van styreen te beperken.

  • 3.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als geurhinder wordt voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

Artikel 6.224 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning maden van vliegende insecten te kweken.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een aanduiding van het soort maden dat wordt gekweekt;

    • b.

      het aantal maden dat ten hoogste zal worden gehouden;

    • c.

      een beschrijving van de voorziening waarin de maden worden gehouden; en

    • d.

      de maatregelen die worden getroffen om hinder voor de omgeving te voorkomen.

Artikel 6.225 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning propaan of propeen op te slaan in meer dan twee opslagtanks met een inhoud van meer dan 150 l.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal opslagtanks, met voor iedere opslagtank:

      • 1.

        de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen in kubieke meters;

      • 2.

        de grootte in kubieke meters; en

      • 3.

        een aanduiding of het gaat om een bovengrondse of ondergrondse opslagtank;

    • b.

      als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3:

      • 1.

        de jaarlijkse doorzet in kubieke meters;

      • 2.

        als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank;

      • 3.

        als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp; en

      • 4.

        een beschrijving van de ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, die zich kunnen voordoen en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen daarvan; en

    • c.

      als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3 of meer dan 50 m3 propaan of propeen:

      • 1.

        de gegevens en bescheiden, genoemd onder b;

      • 2.

        de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en

      • 3.

        de berekende afstand in meters voor de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden.

Artikel 6.226 Omgevingsvergunning tanken met LPG
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning voertuigen of werktuigen te tanken met LPG.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal opslagtanks dat aanwezig is;

    • b.

      de coördinaten van:

      • 1.

        het vulpunt;

      • 2.

        de bovengrondse vloeistofvoerende leiding;

      • 3.

        de aansluitpunten van die leiding en pomp;

      • 4.

        de bovengrondse opslagtank; en

      • 5.

        de tankzuil;

    • c.

      het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • d.

      de hoeveelheid LPG die ten hoogste wordt opgeslagen; en

    • e.

      een inschatting van de doorzet van LPG in m3 per jaar.

Artikel 6.227 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een installatie in werking te hebben waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel het opwekken van een schokgolf.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een installatie waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding gebracht, worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de geluidemissies;

    • b.

      de door de activiteit veroorzaakte geluidimmissie; en

    • c.

      een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te beperken.

Artikel 6.228 Omgevingsvergunning biologische agens
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een praktijkruimte of laboratorium in werking te hebben waar gericht wordt gewerkt met biologische agens, met uitzondering van biologische agens die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 als gevolg van de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia;

    • b.

      informatie over de op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen ziekteverwekkers; en

    • c.

      een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gewerkt wordt met het biologisch agens.

Artikel 6.229 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 te verrichten.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of

    • b.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 het maximale aantal werkruimten:

      • 1.

        waarop inperkingsniveau I of II van toepassing is;

      • 2.

        waarop inperkingsniveau III van toepassing is; en

    • b.

      een plattegrond van de locatie waarop het ggo-gebied is aangegeven.

Artikel 6.230 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning:

    • a.

      drijfmest, digestaat of dunne fractie op te slaan in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3; of

    • b.

      meer dan 600 m3 vaste mest op te slaan.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins; en

    • b.

      het totaal volume van de opslagcapaciteit vaste mest in kubieke meters.

Artikel 6.231 Vangnetvergunning lozen in de bodem
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te lozen, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op of in de bodem worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      het soort afvalwater.

Artikel 6.232 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater of andere afvalstoffen te lozen in een schoonwaterriool, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater in die voorziening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      het soort afvalwater.

Artikel 6.233 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten

Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in de artikelen 6.224 tot en met 6.232, zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 6.4 Aanleggen of wijzigen van wegen zonder geluidproductieplafonds

Artikel 6.234 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij:

  • a.

    aan de aanleg of wijziging een besluit tot vaststelling van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten grondslag ligt; of

  • b.

    het een rijksweg, provinciale weg of bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg betreft.

[Red: Artikel 6.235 ongewijzigd verplaatst van afdeling 6.4 naar afdeling 6.4. ]

Artikel 6.235 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als:

    • a.

      deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;

    • b.

      een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;

    • c.

      de snelheid wordt verlaagd;

    • d.

      een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking;

    • e.

      de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of

    • f.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 50 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;

      • 2.

        als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 2 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of

      • 3.

        als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 dB: niet meer dan 2 dB meer dan de heersende waarde.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als:

    • a.

      de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;

    • b.

      spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m;

    • c.

      spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m;

    • d.

      de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of

    • e.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 3 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan de heersende waarde; en

      • 2.

        niet meer dan 63 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw.

[Red: Artikel 6.236 ongewijzigd verplaatst van afdeling 6.4 naar afdeling 6.4. ]

Artikel 6.236 Aandachtsgebied
  • 1.

    Het aandachtsgebied van een weg, met inbegrip van een spoorweg die is verweven of gebundeld met delen van die weg, bedoeld in artikel 6.235, eerste lid, strekt zich aan weerszijden van de as van de weg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste rijstrook of spoorstaaf:

    • a.

      binnen een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom, tenzij het een autoweg of autosnelweg betreft:

      • 1.

        voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 200 m; en

      • 2.

        voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken of drie of meer sporen: 350 m; en

    • b.

      buiten die bebouwde kom of voor een autoweg of autosnelweg:

      • 1.

        voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 250 m;

      • 2.

        voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken of drie of meer sporen: 400 m; en

      • 3.

        voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 m.

  • 2.

    Het aandachtsgebied van een spoorweg die niet is verweven of gebundeld met delen van een weg, bedoeld in artikel 6.235, eerste lid, strekt zich aan weerszijden van de as van de spoorweg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf:

    • a.

      voor een spoorweg in een tunnel: 25 m; en

    • b.

      voor een andere spoorweg: 100 m.

  • 3.

    Als zich langs een weg of spoorweg een aandachtsgebied bevindt dat bestaat uit delen met een onderling verschillende breedte, geldt voor de aansluiting van de verschillende delen dat het breedste deel over een afstand gelijk aan een derde van de breedte van dat deel, gemeten vanaf het punt van versmalling van de breedte, nog langs de as van de weg of spoorweg doorloopt en met een loodlijn aansluit op het smalste aandachtsgebied.

  • 4.

    Aan de uiteinden van een weg of spoorweg loopt het aandachtsgebied door over een afstand gelijk aan de breedte van dat gebied ter hoogte van dat uiteinde. Het aandachtsgebied loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de as van de weg of spoorweg en behoudt de breedte die het had ter hoogte van het uiteinde.

[Red: Artikel 6.237 ongewijzigd verplaatst van afdeling 6.4 naar afdeling 6.4. ]

Artikel 6.237 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 6.235, eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een akoestisch onderzoek naar:

    • 1.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;

    • 2.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;

    • 3.

      het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;

    • 4.

      de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;

  • b.

    een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en

  • c.

    een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

[Red: Artikel 6.238 ongewijzigd verplaatst van afdeling 6.4 naar afdeling 6.4. ]

Artikel 6.238 Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.235, eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.

[Red: Artikel 6.239 ongewijzigd verplaatst van afdeling 6.4 naar afdeling 6.4. ]

Artikel 6.239 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.235, eerste lid, worden voorschriften verbonden die ertoe strekken dat:

  • a.

    maatregelen als bedoeld in artikel 6.237, onder a, onder 4, worden getroffen, als deze doelmatig zijn; en

  • b.

    maatregelen als bedoeld in artikel 6.237, onder c, worden getroffen.

Afdeling 6.4 Aanleggen of wijzigingen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafonds

Artikel 6.234 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij:

  • a.

    aan de aanleg of wijziging een besluit tot vaststelling van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten grondslag ligt; of

  • b.

    het een rijksweg, provinciale weg of bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg betreft.

RRRR

Artikel 11.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 11.13 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

Op het uitvoeren van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling van toepassing.

SSSS

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Overzicht Informatieobjecten

aannemersbedrijf met werkplaats

/join/id/regdata/gm0392/2025/51c343766a054ed5a5c409a5d098517f/nld@2025‑11‑27;18384634

archeologie 1b

/join/id/regdata/gm0392/2025/405bab478666423ab1fd6e691071e382/nld@2025‑11‑27;18384634

archeologie 2a

/join/id/regdata/gm0392/2025/41c4ae2c3ad0404e9253833f7b7eb9ca/nld@2025‑11‑27;18384634

archeologie 2b

/join/id/regdata/gm0392/2025/b991f59297a745ceab234aff273bc2ac/nld@2025‑11‑27;18384634

archeologie 3

/join/id/regdata/gm0392/2025/b2db662b0ff24c88a508e4b4da3ba561/nld@2025‑11‑27;18384634

archeologie 4

/join/id/regdata/gm0392/2025/dc5963aa4afa44d98820c7e007e66348/nld@2025‑11‑27;18384634

archeologie 5a

/join/id/regdata/gm0392/2025/c4e51eda5c48403aa06843fcfd869dea/nld@2025‑11‑27;18384634

archeologie 5b

/join/id/regdata/gm0392/2025/214c3a1052f94ef3850b7e06bfd845c1/nld@2025‑11‑27;18384634

autoverhuurbedrijf

/join/id/regdata/gm0392/2025/239993de83ad4f7491af3a1316dfb598/nld@2025‑11‑27;18384634

basisschool

/join/id/regdata/gm0392/2025/d859a975376745fdac3980bcfbfe9b58/nld@2025‑11‑27;18384634

bebouwingscontour houtkap

/join/id/regdata/gm0392/2025/ad8b40610aed40d680decc2ca1e13e20/nld@2025‑11‑27;18384634

bebouwingscontour jacht

/join/id/regdata/gm0392/2025/d49ee5b46c4e467f9d776c8170ec400e/nld@2025‑11‑27;18384634

bedrijf geschikt voor functiemenging

/join/id/regdata/gm0392/2025/d324ca4eb23e4008b000e4f2a441f772/nld@2025‑11‑27;18384634

bedrijf geschikt voor functiemenging vanaf de eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/b1027c15862b49b485f4d1f51c989e05/nld@2025‑11‑27;18384634

bedrijfswoning eerste en tweede verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/2c64f7546a74479c805e36b4585dce81/nld@2026‑07‑09;09515863

bedrijfswoning

/join/id/regdata/gm0392/2025/2c64f7546a74479c805e36b4585dce81/nld@2025‑11‑27;18384634

beeldbepalend bouwwerk

/join/id/regdata/gm0392/2025/06d5b16846444f548819e0eaefd4775b/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/06d5b16846444f548819e0eaefd4775b/nld@2026‑07‑09;09515863

beeldbepalend bouwwerk (aanvullende bouwregels)

/join/id/regdata/gm0392/2025/efd53995238c4ed4a5089b490382a4bd/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/efd53995238c4ed4a5089b490382a4bd/nld@2026‑07‑09;09515863

Beijneshal

/join/id/regdata/gm0392/2026/dcdd446677744ec6a99c880bd6fc1355/nld@2026‑07‑09;09515863

belwinkel

/join/id/regdata/gm0392/2025/299512b6042a4992b24ceb286af7acee/nld@2025‑11‑27;18384634

beperking oppervlakte horeca

/join/id/regdata/gm0392/2025/fb2dee8465014e0085b4dba0ee6fac69/nld@2025‑11‑27;18384634

bestaande bouwhoogte

/join/id/regdata/gm0392/2025/59a11d0912a74dc684777a80bb549cdf/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/59a11d0912a74dc684777a80bb549cdf/nld@2026‑07‑09;09515863

bestaande goothoogte

/join/id/regdata/gm0392/2025/954c6f4db72b485984cbb936cdf5bb90/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/954c6f4db72b485984cbb936cdf5bb90/nld@2026‑07‑09;09515863

bestaande maatvoering handhaven

/join/id/regdata/gm0392/2025/301d3e8fde014709ba12c5e30b73b238/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/301d3e8fde014709ba12c5e30b73b238/nld@2026‑07‑09;09515863

bioscoop

/join/id/regdata/gm0392/2025/f8146719a3044ce7b12844be26bb28b5/nld@2025‑11‑27;18384634

bouwhistorische waarden

/join/id/regdata/gm0392/2025/a5e12de4d7a74890b279d36a50f39f7a/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/a5e12de4d7a74890b279d36a50f39f7a/nld@2026‑07‑09;09515863

bouwvlak

/join/id/regdata/gm0392/2025/d0c5d0f0bc2c4053bbb9b34f28ab8f79/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/d0c5d0f0bc2c4053bbb9b34f28ab8f79/nld@2026‑07‑09;09515863

brouwerij

/join/id/regdata/gm0392/2025/df5992530c514189b80e44dbbef34dbc/nld@2025‑11‑27;18384634

busstation

/join/id/regdata/gm0392/2025/bc9b18ebfe60499e9a9090f365e77dc4/nld@2025‑11‑27;18384634

casino

/join/id/regdata/gm0392/2025/9fbb50afa2a846709115b0daebff3db4/nld@2025‑11‑27;18384634

casino ook vanaf de eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/dbe1f3fbc4464347b601a774df1775f7/nld@2025‑11‑27;18384634

centrumgebied

/join/id/regdata/gm0392/2025/795747c7e1984247a4838e0a2edddb9c/nld@2025‑11‑27;18384634

consumentgerichte baliefunctie verdieping uitgesloten

/join/id/regdata/gm0392/2026/6872f2f51ff94dcc91da3c7d17a6b201/nld@2026‑07‑09;09515863

consumentgerichte dienstverlening

/join/id/regdata/gm0392/2025/1d5ed57c7f0445cb9ebafe1e6722dbef/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/1d5ed57c7f0445cb9ebafe1e6722dbef/nld@2026‑07‑09;09515863

consumentgerichte dienstverlening eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/fe4f2b30219e4babbf218a0466fdb7d4/nld@2025‑11‑27;18384634

consumentgerichte dienstverlening vanaf de eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/a69866f4a56049edba05450e08c5678f/nld@2025‑11‑27;18384634

culturele voorzieningen

/join/id/regdata/gm0392/2025/b2d8e283bdda4da88c6dfc399a17c372/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/b2d8e283bdda4da88c6dfc399a17c372/nld@2026‑07‑09;09515863

culturele voorzieningen begane grond

/join/id/regdata/gm0392/2025/773f49f62cff49d190519ccda65d29b2/nld@2025‑11‑27;18384634

culturele voorzieningen eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/9be1baae04c049ef88dabca0220ff256/nld@2025‑11‑27;18384634

dagopvang

/join/id/regdata/gm0392/2025/6dc81add3161445db17e23d7ed2c9e0b/nld@2025‑11‑27;18384634

dagrecreatie

/join/id/regdata/gm0392/2025/19f409e7f03442a69be06275ad4d46b3/nld@2025‑11‑27;18384634

dakhelling

/join/id/regdata/gm0392/2025/c8ff6027db4943b6921b67ca88a0f213/nld@2025‑11‑27;18384634

dakterras

/join/id/regdata/gm0392/2026/3f38c0ea3ed144c3ac0a396d86fa23ec/nld@2026‑07‑09;09515863

dansschool

/join/id/regdata/gm0392/2025/a23f4eab764946a5b7842a00e1168b40/nld@2025‑11‑27;18384634

dansschool begane grond

/join/id/regdata/gm0392/2025/526d48f52534405892c4dfd8cd2c41ed/nld@2025‑11‑27;18384634

De Koepel

/join/id/regdata/gm0392/2025/76f7b4fb68754b1294f3792862d8aec8/nld@2025‑11‑27;18384634

De Koepel (bedrijf)

/join/id/regdata/gm0392/2025/2ed45eef2ce0441087124e7481bbd0ce/nld@2025‑11‑27;18384634

De Koepel (bioscoop)

/join/id/regdata/gm0392/2025/a9de79b992a24d489f847c01bcd6a831/nld@2025‑11‑27;18384634

De Koepel (detailhandel)

/join/id/regdata/gm0392/2025/063c8ffa7ead43b8b6b7cd31acb6127e/nld@2025‑11‑27;18384634

De Koepel (dienstverlening)

/join/id/regdata/gm0392/2025/3711fe20b292446a8ab16d97e1f52b34/nld@2025‑11‑27;18384634

De Koepel (horeca categorie 2)

/join/id/regdata/gm0392/2025/5286f03b88ad4c60840149ebf8ea8b63/nld@2025‑11‑27;18384634

De Koepel (horeca categorie 4)

/join/id/regdata/gm0392/2025/02fbbd131bbf4936a0d715f4e5504e3d/nld@2025‑11‑27;18384634

De Koepel (studentenhuisvesting)

/join/id/regdata/gm0392/2025/9b9951a09fe74d06848334faeb380353/nld@2025‑11‑27;18384634

De Koepel (terras)

/join/id/regdata/gm0392/2025/fe69750035844175b18f2c5c234a1a90/nld@2025‑11‑27;18384634

De Koepel (wonen)

/join/id/regdata/gm0392/2025/c7615d82f9fd46338a378fe83febc1e1/nld@2025‑11‑27;18384634

derde voorwaardelijke verplichting De Koepel

/join/id/regdata/gm0392/2025/25cd8a29a7494410a2320833048d877a/nld@2025‑11‑27;18384634

detailhandel

/join/id/regdata/gm0392/2025/dfc8c6286b45489490e015a2798fd810/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/dfc8c6286b45489490e015a2798fd810/nld@2026‑07‑09;09515863

detailhandel eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/a784f67e046740f9a0a3a963030a58f4/nld@2025‑11‑27;18384634

detailhandel vanaf de eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/c1ebb8dcbcd5423db917347e16c85d91/nld@2025‑11‑27;18384634

Drijfriemenfabriek

/join/id/regdata/gm0392/2025/d4934269dcb94e18ad4239bf784ca68b/nld@2025‑11‑27;18384634

eerste voorwaardelijke verplichting De Koepel

/join/id/regdata/gm0392/2025/1fab40a09c95499bb3f86b3969969b9a/nld@2025‑11‑27;18384634

evenementen t/m categorie 3

/join/id/regdata/gm0392/2025/905a33a6dee1481da9fe695fde5a782a/nld@2025‑11‑27;18384634

fietsenkelder

/join/id/regdata/gm0392/2025/c4874127990249c3985cc8e76fd58104/nld@2025‑11‑27;18384634

fietsenstalling

/join/id/regdata/gm0392/2025/63936674ee574cdf8def0643cf6f4652/nld@2025‑11‑27;18384634

garage

/join/id/regdata/gm0392/2025/1d9b4998dfdd4b0daeedadb702a80e54/nld@2025‑11‑27;18384634

Fietsznfabriek

/join/id/regdata/gm0392/2025/398d0f3a7349413ba5b02c67ac963d3d/nld@2025‑11‑27;18384634

functies begane grond ook vanaf de eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/2651eddffb424a5aa5d76b66faebb16f/nld@2025‑11‑27;18384634

garagebedrijf

/join/id/regdata/gm0392/2025/b705197d53b54d079cc1a462e3dea02d/nld@2025‑11‑27;18384634

garagebox

/join/id/regdata/gm0392/2025/1d9b4998dfdd4b0daeedadb702a80e54/nld@2026‑07‑09;09515863

geluidszone industrie

/join/id/regdata/gm0392/2025/9fcbadf11ee642238de5b0373af57143/nld@2025‑11‑27;18384634

gemeentelijk monument

/join/id/regdata/gm0392/2025/4cf9bb30d6da4defaabd64e3f8e085dc/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/4cf9bb30d6da4defaabd64e3f8e085dc/nld@2026‑07‑09;09515863

gemeentelijke begraafplaats

/join/id/regdata/gm0392/2025/c30ddb4406444d07a09681f786cabe6d/nld@2025‑11‑27;18384634

glas-in-lood-bedrijf

/join/id/regdata/gm0392/2025/d3b9b895da984b719fc06b424a9f3c91/nld@2025‑11‑27;18384634

goudsmederij

/join/id/regdata/gm0392/2025/ae8378651d054d5e912a51cb63742677/nld@2025‑11‑27;18384634

groeiplaats monumentale boom

/join/id/regdata/gm0392/2025/4188d4316ecf4d2fa56ec4e03d0e3e20/nld@2025‑11‑27;18384634

groen

/join/id/regdata/gm0392/2025/991b78a8526d40ceb57b01531b5d109a/nld@2025‑11‑27;18384634

groothandel in hout- en bouwmaterialen of verfwaren

/join/id/regdata/gm0392/2025/3ab1a249d69b4b4595515a33105536b8/nld@2025‑11‑27;18384634

groothandel in meubels

/join/id/regdata/gm0392/2025/209d2f6c36ee45dd976c8699e3f9c131/nld@2025‑11‑27;18384634

groothandel in vaten

/join/id/regdata/gm0392/2025/6e1f94b41a8e45c1aae637d122189c25/nld@2025‑11‑27;18384634

horeca categorie 1

/join/id/regdata/gm0392/2025/93a50162cba54d2ea742eb40e7a60d91/nld@2025‑11‑27;18384634

horeca categorie 4

/join/id/regdata/gm0392/2025/e8212c505dc34231855f19de03ec64dc/nld@2025‑11‑27;18384634

horeca categorie 4 vanaf de eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/ce3d0485e0634876aec75b5723619453/nld@2025‑11‑27;18384634

horeca categorie 5

/join/id/regdata/gm0392/2025/337dfafa86a0461383c3760e47ff9d71/nld@2025‑11‑27;18384634

horeca t/m categorie 2

/join/id/regdata/gm0392/2025/0ac8d1d9670f4acfbd0fbe18a6d40b1c/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/0ac8d1d9670f4acfbd0fbe18a6d40b1c/nld@2026‑07‑09;09515863

horeca t/m categorie 2 begane grond en kelder

/join/id/regdata/gm0392/2026/4976d7d555b24e9eb4c51bc251bd1330/nld@2026‑07‑09;09515863

horeca t/m categorie 2 eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/7df4468b09ae43c68a6d6d8deba367ec/nld@2025‑11‑27;18384634

horeca t/m categorie 2 verdiepingen

/join/id/regdata/gm0392/2025/b6b62f97eb4540fe8a79debc5becae23/nld@2025‑11‑27;18384634

horeca t/m categorie 3

/join/id/regdata/gm0392/2025/046676c6b7764586a6ae58d6bd56cd47/nld@2025‑11‑27;18384634

horecaterras

/join/id/regdata/gm0392/2025/324103cb2f5b4dd79352d6793c662766/nld@2025‑11‑27;18384634

in- en uitrit parkeergarage

/join/id/regdata/gm0392/2025/4e04066a881a4d44ab54173ceb85f1f2/nld@2025‑11‑27;18384634

inpandige dienstwoning

/join/id/regdata/gm0392/2025/a6a3db2f6b7842f7b1268fa1e45d4e69/nld@2025‑11‑27;18384634

interferentiezone Europaweg

/join/id/regdata/gm0392/2025/d24dae6892094719804e2052f19f7753/nld@2025‑11‑27;18384634

interferentiezone Schalkwijk

/join/id/regdata/gm0392/2025/6facc16d609a47d092fdc7d9bd49f15a/nld@2025‑11‑27;18384634

interferentiezone Zuid-West

/join/id/regdata/gm0392/2025/0e531a95d2b14574a738df55f97a8209/nld@2025‑11‑27;18384634

kamerverhuurbedrijf

/join/id/regdata/gm0392/2025/5b444a0161ce4b6c90221c84c5bd73b4/nld@2025‑11‑27;18384634

kantoor Beijneshal

/join/id/regdata/gm0392/2026/767efcc69b38449b8e24a213fcd0c7f7/nld@2026‑07‑09;09515863

kinderdagverblijf

/join/id/regdata/gm0392/2025/fab4ab29d06e4dc58f7c53c59d88a42e/nld@2025‑11‑27;18384634

kinderdagverblijf met begrenzing vloeroppervlak

/join/id/regdata/gm0392/2025/bff21e2bb4944d3fb735d1cd732df86f/nld@2025‑11‑27;18384634

kiosk - bloemist

/join/id/regdata/gm0392/2025/ed126e785f3941758afb84389f26cfc9/nld@2025‑11‑27;18384634

kiosk - vishandel

/join/id/regdata/gm0392/2025/fef142fa571a42cda27a3e84ff378322/nld@2025‑11‑27;18384634

kledingmakerij

/join/id/regdata/gm0392/2025/5c0c089474d948339c2eb7f0a880d682/nld@2025‑11‑27;18384634

ligplaats historisch woonschip

/join/id/regdata/gm0392/2025/786402cdcd4946a6b74865d4a93505ba/nld@2025‑11‑27;18384634

ligplaats woonschip

/join/id/regdata/gm0392/2025/f827f26782134d9e98e726516599f43d/nld@2025‑11‑27;18384634

maatschappelijke dienstverlening

/join/id/regdata/gm0392/2025/9f56a49bff114a29a64fa0fc59ebb57f/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/9f56a49bff114a29a64fa0fc59ebb57f/nld@2026‑07‑09;09515863

maatschappelijke dienstverlening begane grond

/join/id/regdata/gm0392/2025/978ac40ea21a49bd955f534d87818cd4/nld@2025‑11‑27;18384634

maximum bebouwingspercentage (%)

/join/id/regdata/gm0392/2025/2abbe108ca3b4aa8b3c362f8ff49b156/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/2abbe108ca3b4aa8b3c362f8ff49b156/nld@2026‑07‑09;09515863

maximum bouwhoogte (m)

/join/id/regdata/gm0392/2025/11a05da9c7b14c3783a21c470cc00666/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/11a05da9c7b14c3783a21c470cc00666/nld@2026‑07‑09;09515863

maximum goothoogte (m)

/join/id/regdata/gm0392/2025/afa647b27f254f7a8bd6f68dcddbf86d/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/afa647b27f254f7a8bd6f68dcddbf86d/nld@2026‑07‑09;09515863

minimum afstand (m)

/join/id/regdata/gm0392/2025/a9f459b9ed4e4ae7829662cce4c42e21/nld@2025‑11‑27;18384634

minimum bouwhoogte (m)

/join/id/regdata/gm0392/2025/0f511927487743df83826712b2958d12/nld@2025‑11‑27;18384634

minimum goothoogte (m)

/join/id/regdata/gm0392/2025/ea846c07d077443cb77eb64ec93061c3/nld@2025‑11‑27;18384634

monument (aanvullende bouwregels)

/join/id/regdata/gm0392/2025/85f2f0ac58a34ab29453cc811d02b55b/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/85f2f0ac58a34ab29453cc811d02b55b/nld@2026‑07‑09;09515863

museum

/join/id/regdata/gm0392/2025/06b3e1e275d24ce78080dcc3d2262a9c/nld@2025‑11‑27;18384634

museum begane grond

/join/id/regdata/gm0392/2025/4e29832685e9435d96a02f9f50302dfd/nld@2025‑11‑27;18384634

muziek en concertzaal

/join/id/regdata/gm0392/2025/443fcce724cc49cea3eea22d4b027c28/nld@2025‑11‑27;18384634

muziekschool

/join/id/regdata/gm0392/2025/eb752645efcd498c9c8c79e239457b74/nld@2025‑11‑27;18384634

muziekschool begane grond

/join/id/regdata/gm0392/2025/c8df876f598444c293649d6b25ab68fa/nld@2025‑11‑27;18384634

natuursteenbewerkingsbedrijf

/join/id/regdata/gm0392/2025/5cd13a7ecfeb41a88afcde3ab1f8468f/nld@2025‑11‑27;18384634

niet gesprongen explosieven

/join/id/regdata/gm0392/2025/9fb1c7361c0342769b9514164c9b8884/nld@2025‑11‑27;18384634

nutsvoorziening

/join/id/regdata/gm0392/2025/e0d5bdb912b34348838054f499dd0af8/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/e0d5bdb912b34348838054f499dd0af8/nld@2026‑07‑09;09515863

onderdoorgang

/join/id/regdata/gm0392/2025/cccb7f1fc44e495fbb68e90db273dcba/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/cccb7f1fc44e495fbb68e90db273dcba/nld@2026‑07‑09;09515863

onderdoorgang Beijneshal

/join/id/regdata/gm0392/2026/78e81ba6c8574c76b5a462f48b0d4bcb/nld@2026‑07‑09;09515863

parkeergarage t/m eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/2a33b0661c2a4955bda2c12e6d3611e3/nld@2025‑11‑27;18384634

ondergeschikte horeca

/join/id/regdata/gm0392/2025/09bbc24b663f45469ddc67f51446d295/nld@2025‑11‑27;18384634

ondergrondse parkeergarage

/join/id/regdata/gm0392/2025/437437180830470f9f5d79ebd2f81e37/nld@2025‑11‑27;18384634

opvang dak- en thuislozen

/join/id/regdata/gm0392/2025/c099931cb31542f9a4e36415fac9394f/nld@2025‑11‑27;18384634

parkeergarage

/join/id/regdata/gm0392/2025/c9a9f61e5f804bc4b4f6de29c61fa221/nld@2025‑11‑27;18384634

parkeergarage begane grond

/join/id/regdata/gm0392/2025/51d57a299d4641a6a1b2b8d5099d44f4/nld@2025‑11‑27;18384634

parkeergarage Beijneshal

/join/id/regdata/gm0392/2026/9399c011b3224b4da9bafa021134beb2/nld@2026‑07‑09;09515863

parkeerterrein

/join/id/regdata/gm0392/2025/605d192323394a378afd60e91b6bc4c2/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/605d192323394a378afd60e91b6bc4c2/nld@2026‑07‑09;09515863

pension

/join/id/regdata/gm0392/2025/5a1115a16aa14d2cabb5b1b6a5385d03/nld@2025‑11‑27;18384634

pottenbakkerij

/join/id/regdata/gm0392/2025/169d48644f954e049ce9f1a4fa8a75dd/nld@2025‑11‑27;18384634

praktijkruimte begane grond

/join/id/regdata/gm0392/2026/a5116e0ca4714ba9bb37a50a0123427b/nld@2026‑07‑09;09515863

praktijkruimte Beijneshal

/join/id/regdata/gm0392/2026/e477ddce1921417f9de4c38b215ca05b/nld@2026‑07‑09;09515863

provinciaal monument

/join/id/regdata/gm0392/2025/be42dcb202ac47e7aef1c213c593a250/nld@2025‑11‑27;18384634

railverkeer

/join/id/regdata/gm0392/2025/21234715f6ac4944adf4d335c4179adf/nld@2025‑11‑27;18384634

religieuze doeleinden

/join/id/regdata/gm0392/2025/6c91258b4d424fd3bbd5240b2ac1b962/nld@2025‑11‑27;18384634

reparatie- en servicebedrijf motorfietsen

/join/id/regdata/gm0392/2025/ca507f97be6a439bbf8066ad616c98ef/nld@2025‑11‑27;18384634

rijksbeschermd stadsgezicht

/join/id/regdata/gm0392/2025/e6de16e1d92c4e3680159f409e9dcf06/nld@2025‑11‑27;18384634

rijksmonument

/join/id/regdata/gm0392/2025/4cb127777f944153ad5c2ea1fb677fa1/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/4cb127777f944153ad5c2ea1fb677fa1/nld@2026‑07‑09;09515863

rioolgemaal

/join/id/regdata/gm0392/2025/2ebba2debe594717a069ea91d557aac5/nld@2025‑11‑27;18384634

rondvaartbotenbedrijf

/join/id/regdata/gm0392/2025/4ea8bbc59f5d434bbbc94d6d69635031/nld@2025‑11‑27;18384634

sport- en evenementenhal

/join/id/regdata/gm0392/2025/e090640a1d6143049055875da1930384/nld@2025‑11‑27;18384634

sauna

/join/id/regdata/gm0392/2025/688c07c6633d42aa8890fdc0e9e78867/nld@2025‑11‑27;18384634

schouwburg

/join/id/regdata/gm0392/2025/b2086e314fba4a78992457b0dec597fc/nld@2025‑11‑27;18384634

seksinrichting

/join/id/regdata/gm0392/2025/597c9e1f8f2b4e738503efbffe19f408/nld@2025‑11‑27;18384634

seksinrichting vanaf de eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/cca7c71f46984d219bb51f61876d380d/nld@2025‑11‑27;18384634

shortstay

/join/id/regdata/gm0392/2025/3116a17ba0b64ab4ac97393df2e7b293/nld@2025‑11‑27;18384634

shortstay vanaf de tweede verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/0e2056b5a96e4834a8f2d892bab929de/nld@2025‑11‑27;18384634

sociale werkvoorziening

/join/id/regdata/gm0392/2025/438f328935b74ab383202bc68b03f86d/nld@2025‑11‑27;18384634

sport Beijneshal

/join/id/regdata/gm0392/2026/cdaeaf78e16e439ab6ceda302e14c1ba/nld@2026‑07‑09;09515863

sporthal

/join/id/regdata/gm0392/2025/cbe0e9385267460f8ad7020bfa38192c/nld@2025‑11‑27;18384634

sporthal Beijneshal

/join/id/regdata/gm0392/2026/a9622136eb1c4d8c8f5be869984c1ff5/nld@2026‑07‑09;09515863

sportschool

/join/id/regdata/gm0392/2025/810e0b73dbf440719b83ff4f14d4e7e4/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/810e0b73dbf440719b83ff4f14d4e7e4/nld@2026‑07‑09;09515863

sportschool begane grond

/join/id/regdata/gm0392/2025/420331730daa462883cbb835ef1ea466/nld@2025‑11‑27;18384634

sportschool eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/57c16f8521ec463e94d4ae637edfe135/nld@2025‑11‑27;18384634

sportvoorzieningen

/join/id/regdata/gm0392/2025/9a383982203441e29deba2998dce4b82/nld@2025‑11‑27;18384634

steiger

/join/id/regdata/gm0392/2025/1af27dc714694b3087bf970dc1dbecc5/nld@2025‑11‑27;18384634

tuincentrum

/join/id/regdata/gm0392/2025/7fc0f13060f945488ffb3c11551a7685/nld@2025‑11‑27;18384634

supermarkt begane grond

/join/id/regdata/gm0392/2025/b3868fbc13834574be5050ee616c51be/nld@2025‑11‑27;18384634

supermarkt uitgesloten

/join/id/regdata/gm0392/2025/7482aefb8d8d498586865129a0b93205/nld@2025‑11‑27;18384634

terrastuin

/join/id/regdata/gm0392/2025/87781032755a4f219863d046147f0215/nld@2025‑11‑27;18384634

textielbedrijf

/join/id/regdata/gm0392/2025/5be88aacca92443bad5bcba9bdf00fc9/nld@2025‑11‑27;18384634

theater

/join/id/regdata/gm0392/2025/de07fa8c42c5413eb72187b52d521222/nld@2025‑11‑27;18384634

theater begane grond

/join/id/regdata/gm0392/2025/c78cb951fd6346c1a0d929f6c13b0055/nld@2025‑11‑27;18384634

trap

/join/id/regdata/gm0392/2025/383eb792ce174056adab0fa84350194b/nld@2025‑11‑27;18384634

tuin

/join/id/regdata/gm0392/2025/504689d18cea49b08c7a1b7313ea250c/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/504689d18cea49b08c7a1b7313ea250c/nld@2026‑07‑09;09515863

tuincentrum op het water

/join/id/regdata/gm0392/2025/7fc0f13060f945488ffb3c11551a7685/nld@2026‑07‑09;09515863

tweede voorwaardelijke verplichting De Koepel

/join/id/regdata/gm0392/2025/37fd880b94974fd3b9940eb3370213dd/nld@2025‑11‑27;18384634

universitair en hoger onderwijs

/join/id/regdata/gm0392/2025/4cb6b6a23fc441378332ac944b74d921/nld@2025‑11‑27;18384634

veilinghuis

/join/id/regdata/gm0392/2025/e2861adcda024531be10005702516841/nld@2025‑11‑27;18384634

vereniging

/join/id/regdata/gm0392/2025/fc1c8ad791664bb58092246c3f34a4f5/nld@2025‑11‑27;18384634

vereniging begane grond

/join/id/regdata/gm0392/2025/3976c27a87b44c309d9799ccf94d012b/nld@2025‑11‑27;18384634

verkeer

/join/id/regdata/gm0392/2025/f7ad55fb33654a4da954fe1efddd4ea6/nld@2025‑11‑27;18384634

verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG

/join/id/regdata/gm0392/2025/6f9fa4fcd8f64006afc4e9bb1492b000/nld@2025‑11‑27;18384634

vierde voorwaardelijke verplichting De Koepel

/join/id/regdata/gm0392/2025/78e7eb9f325b411eba2a8fedfebb554e/nld@2025‑11‑27;18384634

water

/join/id/regdata/gm0392/2025/27c26e15c3894d0fbbe75744c5de83ea/nld@2025‑11‑27;18384634

wellness begane grond

/join/id/regdata/gm0392/2025/69d418b1d1bd47798c8326435cf0edf5/nld@2025‑11‑27;18384634

werelderfgoed

/join/id/regdata/gm0392/2025/7a97d73af25b4f2e93813ff12ffd3f6d/nld@2025‑11‑27;18384634

werkplaats

/join/id/regdata/gm0392/2025/a66630bfc48f48a29ccec0eaa75b04f0/nld@2025‑11‑27;18384634

werkplaats begane grond

/join/id/regdata/gm0392/2025/463aef860d46400eb17fca74d576574f/nld@2025‑11‑27;18384634

Wijngaardtuin

/join/id/regdata/gm0392/2025/08d4953d75d4422d86fc3ce14952ed87/nld@2025‑11‑27;18384634

windturbine

/join/id/regdata/gm0392/2025/f289f154f12341d8be3b776b1afa7d36/nld@2025‑11‑27;18384634

wonen

/join/id/regdata/gm0392/2025/6dbad77e76b7409284e0763c79b025bd/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/6dbad77e76b7409284e0763c79b025bd/nld@2026‑07‑09;09515863

wonen Beijneshal

/join/id/regdata/gm0392/2026/cac4bcaf689049b18c78f02972121fda/nld@2026‑07‑09;09515863

wonen op de begane grond uitgesloten

/join/id/regdata/gm0392/2025/4cb6ad4b47774812984cd64a34cebb41/nld@2025‑11‑27;18384634

zakelijke dienstverlening vanaf de tweede verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/28f77d3235644a98ac4e7c443e46d48e/nld@2025‑11‑27;18384634

wonen vanaf de eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/30ab4bdf12a84657a7abefa6e5e8258b/nld@2025‑11‑27;18384634

wonen vanaf de tweede verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/f66777e20292412e903d7dddd2e6bae2/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/f66777e20292412e903d7dddd2e6bae2/nld@2026‑07‑09;09515863

woonschepenligplaats 3

/join/id/regdata/gm0392/2025/c5037fedc0804883be7c5533bfb824c6/nld@2025‑11‑27;18384634

woonschepenligplaats 4

/join/id/regdata/gm0392/2025/de01675b13364837a9199a1ffff5b5c2/nld@2025‑11‑27;18384634

zakelijke baliefunctie uitgesloten

/join/id/regdata/gm0392/2025/798d5d99264249bcb5398307923cd233/nld@2025‑11‑27;18384634

zakelijke baliefunctie verdieping uitgesloten

/join/id/regdata/gm0392/2025/f1cec326d29140469f899a30e68790b3/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/f1cec326d29140469f899a30e68790b3/nld@2026‑07‑09;09515863

zakelijke dienstverlening

/join/id/regdata/gm0392/2025/d6d5c06d8e4047c3b3f3f1ac5b3b252f/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/d6d5c06d8e4047c3b3f3f1ac5b3b252f/nld@2026‑07‑09;09515863

zakelijke dienstverlening eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/8e4e918d32e84cc8a1b7d0efc4d2d06b/nld@2025‑11‑27;18384634

zakelijke dienstverlening vanaf de eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0392/2025/c9be61e4410444d0bc9ebd3cc4492fc4/nld@2025‑11‑27;18384634

/join/id/regdata/gm0392/2025/c9be61e4410444d0bc9ebd3cc4492fc4/nld@2026‑07‑09;09515863

zorgwoning

/join/id/regdata/gm0392/2025/c97b7801225c49b4a39193b8285c66c5/nld@2025‑11‑27;18384634

zwembad

/join/id/regdata/gm0392/2025/c44125a15b2d465fa0f8a9c19e55877b/nld@2025‑11‑27;18384634

TTTT

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Bij artikel 1.1tweede lid, van dit omgevingsplan, begripsbepalingen

Voor de toepassing van hoofdstuk 12 wordt verstaan onder:

aansluitafstand:

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein:

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

AS SIKB 2000:

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;

bebouwingsgebied

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

BRL SIKB 2000:

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;

BRL SIKB 7000:

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;

concentratiegebied geurhinder en veehouderij:

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

distributienet voor warmte:

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

geurgevoelig object:

Geurgevoelig object:

  • a.

    gebouw:

    • 1.

      dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;

    • 2.

      dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en

    • 3.

      dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of

  • b.

    geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;.

gezoneerd industrieterrein:

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

ISO 11423-1:

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

NEN 5725:

NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;

straatpeil:

Straatpeil:

  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

NEN 5740:

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;

warmteplan:

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

NEN 6090:

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;

NEN 6578:

NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;

NEN 6589:

NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;

NEN 6600-1:

NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

NEN 6965:

NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;

NEN 6966:

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;

NEN-EN 858-1/A1:

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;

NEN-EN 858-2:

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;

NEN-EN 872:

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

NEN-EN 1825-1:

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

NEN-EN 1825-2:

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;

NEN-EN 12566-1:

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

NEN-EN 12673:

NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;

NEN-EN 16693:

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;

NEN-EN-ISO 2813:

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;

NEN-EN-ISO 5667-3:

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 5815-1:

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

NEN-EN-ISO 5815-2:

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.

NEN-EN-ISO 9377-2:

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

NEN-EN-ISO 9562:

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-EN-ISO 10301:

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;

NEN-EN-ISO 10523:

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;

NEN-EN-ISO 11885:

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

NEN-EN-ISO 12846:

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-1:

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-2:

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 15587-1:

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15587-2:

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15680:

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;

NEN-EN-ISO 15682:

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913:

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;

NEN-EN-ISO 17294-2:

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

NEN-EN-ISO 17852:

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

NEN-EN-ISO 17993:

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

NEN-ISO 15705:

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

NEN-ISO 15923-1:

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

UUUU

Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage III Bij artikel 1.1 derde lid van dit omgevingsplan, begripsbepalingen

(half)verhard perceeloppervlak

het oppervlak dat de (half)verharding op het perceel inneemt.

aan-huis-verbonden-bedrijf

een bedrijfsmatige activiteit die in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning voor het merendeel haar woonfunctie behoudt en waarbij het gebouw de uitstraling van een woning blijft behouden. 

aan-huis-verbonden-beroep

het uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, educatief, kunstzinnig of technisch vlak of daarmee gelijk te stellen activiteiten niet zijnde detailhandel, en waarbij de woning voor het merendeel haar woonfunctie behoudt en waarbij het gebouw de uitstraling van een woning blijft behouden. 

aanbouw

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat. Het gebouw is niet gelijk aan het hoofdgebouw en is bouwkundig ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur waarmee gronden zijn aangeduid. Op deze gronden gelden regels ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.  

aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding als het een vlak betreft.

aanlegvergunning

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. 

achtergevelrooilijn

de denkbeeldige lijn die strak loopt langs de (oorspronkelijke) achtergevel van een hoofdgebouw tot aan de perceelsgrenzen.

Adviescommissie omgevingskwaliteit

Adviescommissie omgevingskwaliteit: de door de gemeenteraad ingestelde commissie als bedoeld in de Verordening op de adviescommissie omgevingskwaliteit gemeente Haarlem 2022, met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze verordening zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om omgevingsvergunning. 

agrarisch bedrijf

een bedrijf dat gewassen teelt of verbouwt, of dat dieren houdt. 

antenne installatie

installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager en de bedrading. Daarbij hoort ook de in techniekkasten opgenomen apparatuur en de daarbij behorende constructie om deze te bevestigen. 

archeologisch deskundige

professioneel archeoloog die op basis van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie bevoegd is om archeologische onderzoek uit te voeren en programma's van eisen op te stellen en te toetsen.

archeologisch monument

terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen.

archeologisch onderzoek

diverse vormen van onderzoek naar de archeologische waarde binnen een plangebied, uitgevoerd volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

archeologisch rapport

in rapportvorm vervat verslag van een volgens de in de archeologische beroepsgroep gebruikelijke normen verricht archeologisch onderzoek. Op basis van dit rapport kan een conclusie worden getrokken over de aanwezigheid en waarde van archeologische resten.

archeologisch waardevol gebied

gronden waar archeologische waarden aanwezig of te verwachten zijn.

archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden. Het gaat hier vooral om archeologische overblijfselen in hun oorspronkelijke ruimtelijke context.

bebouwing

een of meer gebouwen en of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

bebouwingspercentage

het in procenten uitgedrukte deel van een bouwvlak of bouwperceel dat mag worden bebouwd.

bed & breakfast

het tegen betaling verstrekken van logies met ontbijt binnen de (bedrijfs)woning of het woonschip met behoud van de woonfunctie.

bedrijf

een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, of ook verhuur, opslag en distributie van goederen.

bedrijf geschikt voor functiemenging

 

bedrijf, dat gezien aard en invloed op de omgeving past binnen een gemengd gebied met wonen. Dit geldt ook als gevoelige objecten zijn gelegen:

 

  • a.

    direct naast het bedrijf;

  • b.

    in hetzelfde gebouw of een aanpandig gelegen gebouw, als in dat gebouw gevoelige objecten zijn toegelaten. 

Bedrijven genoemd in bijlage IV vallen in ieder geval onder het begrip 'bedrijf geschikt voor functiemenging'. 

bedrijfsgebouw

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein dat is bedoeld voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.

beeldbepalend bouwwerk 

bouwwerken ouder dan 50 jaar die op grond van hun architectonische kwaliteit, op grond van hun plaats in de stedenbouwkundige structuur of als toonaangevend element behoudenswaardig zijn.

begane grond

een bouwlaag waarvan het vloerniveau (nagenoeg) ter hoogte van het aansluitende peil ligt.

begeleid wonen

een woonvorm voor mensen die begeleid worden, met als doel dat mensen zelfstandig kunnen wonen. De begeleiders zijn niet 24 uur per dag aanwezig en in de woning is voor de begeleiding geen afzonderlijke (woon)ruimte ingericht.

beschermd stads- of dorpsgezicht

stads- of dorpsgezicht dat door het bevoegde gezag, ingevolge artikel 35 van de Monumentenwet 1988, is aangewezen.

bestaande situatie

a. bij bouwwerken: een legaal bouwwerk dat bestaat op 1 januari 2024 of kan worden gebouwd met een verleende vergunning voor het bouwen;

b. gebruik: het gebruik van de gronden en bouwwerken wat volgens een vergunning voor het gebruik al is toegestaan op 1 januari 2024;

c. bestaande aantal: het aantal zoals legaal al aanwezig op 1 januari 2024.

bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw of ander bouwwerk met een dak.

bijgebouw

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw. Dit gebouw is in bouwkundig en functioneel opzicht ondergeschikt aan een op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw en het is niet rechtstreeks toegankelijk vanuit het hoofdgebouw.

bioscoop

een bedrijf in hoofdzaak gericht op het vertonen van films, alsook ondergeschikte horeca ten dienste van deze functie.

bodemgevoelig gebouw

bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

bodemgevoelige locatie

bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

bouwhistorische waarde

de waarde die het gebouw of complex heeft voor de geschiedenis van de bouwtechniek. De bouwgeschiedenis kan worden afgelezen uit de historische gelaagdheid, de bouwtechniek, of uit het materiaalgebruik.

bouwkundig afgescheiden

panden staan los van elkaar of andere bouwkundige voorzieningen zijn getroffen waardoor milieubelasting wordt voorkomen op een vergelijkbare wijze als bij bouwkundige afscheiding.

bouwkundige onderdelen

bouwkundige onderdelen zoals dragende muren, houtskeletconstructies, vloerconstructies, trappen, spantconstructies, kelders en alle hiermee vergelijkbare onderdelen van een gebouw. 

bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat wordt begrensd door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen.

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond waarop volgens de regels een zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel.

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak waarmee gronden zijn aangeduid waar volgens de regels bepaalde bouwwerken zijn toegelaten.

bronmaatregel (geluid)

een maatregel aan de bron die een geluidsreductie oplevert.

bruto vloeroppervlak

de totale vloeroppervlakte (bvo) van alle tot het gebouw behorende binnenruimten, met inbegrip van de bouwconstructie, bergingen, trappenhuizen, interne verkeersruimten, magazijnen, dienstruimten et cetera. Uitgezonderd zijn balkons, galerijen, parkeer- en stallingsvoorzieningen.

bui

een kortdurende, soms matige tot hevige neerslag.

collectieve festiviteit

festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden.

college

college van burgemeester en wethouders

consumentgerichte dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten met rechtstreeks contact met consumenten, zoals bankfilialen met een baliefunctie, reisbureaus, kappers, nagelstudio’s en daarmee te vergelijken vormen van dienstverlening.

creativiteitscentrum

een instelling waar cursussen gegeven en/of activiteiten georganiseerd worden als dans, koken, beeldende kunst, audiovisuele, dramatische en/of literaire vorming.

cultureel erfgoed

monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, ontstaan door het gebruik in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied.

dagrecreatie

Vormen van recreatie, die in principe plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang en niet gericht zijn op het verstrekken van nachtverblijf.

dakhelling

de hoek die een dakvlak maakt met het horizontale vlak.

dakkapel

een uitbouw in het dakvlak, waarbij zowel aan de onderzijde, de zijkant als aan de bovenzijde dakvlak aanwezig moet zijn.

dakopbouw

een extra bouwlaag boven de goot met een platte afdekking.

dakterras

een met een omheining afgezette buitenruimte op een gebouw.

detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling voor verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Horeca valt niet onder het begrip detailhandel.

dienstverlening

het al of niet tegen betaling verrichten van diensten.

ensemble

twee of meer gebouwen die samen een bouwkundige eenheid vormen, waarbij de suggestie wordt gewekt dat het één gebouw betreft.

erf

al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw. 

evenement

periodieke en/of incidentele manifestaties zoals concerten, bijeenkomsten, voorstellingen, tentoonstellingen, shows, thematische beurzen en thematische markten.

evenement categorie 1

evenementen met onversterkte muziek, achtergrondmuziek en beperkte spreekinstallaties, zoals kinderfeesten, straatfeesten, georganiseerde picknicks, bijeenkomsten, tentoonstellingen, thematische beurzen en thematische markten.

evenement categorie 2

evenementen met spreekinstallaties, versterkte (live)muziek met kleinschalig karakter, zoals orkesten, voorstellingen en shows.

evenement categorie 3

evenementen zoals popconcerten, live optredens, houseparty, dance-event en muziekprogramma's van radio en TV-omroepen.

flitsbezorging

een opslag-, distributie- /magazijnlocatie, al dan niet voorzien van een afhaalloket, van waaruit zeer snel in hoofdzaak dagelijkse boodschappen worden geleverd bij klanten die digitaal hun bestelling plaatsen.

floor space index 

De floor space index (FSI) geeft de verhouding tussen het bruto vloeroppervlak en de oppervlakte van het terrein. 

gastouderopvang

gastouderopvang als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

gebouw

elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

gebruiksoppervlak 

het totale vloeroppervlakte tussen de omsluitende wanden minus vaste obstakels van omvang. Het gebruiksoppervlak (GBO) wordt vastgesteld aan de hand van NEN2580. 

geluidsbron

Een gezoneerde weg, spoorweg of industrieterrein.

gemeentelijk monument

monument of archeologisch monument dan wel een historisch woonschip, zoals bedoeld in artikel 1, onder l. van de Verordening Woonschepen, dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister.

gesloten bodemenergiesysteem

installatie waarmee, zonder grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van een bijbehorende waterpomp, circulatiepomp en regeneratievoorziening, voor zover aanwezig.

gevelindeling

de verdeling, positionering, profilering en detaillering van elementen zoals kozijnen, ramen, deuren en gevelbekleding in het gevelvlak van een gebouw die gezamenlijk bijdragen aan de architectonische en stedenbouwkundige verschijningsvorm en structuur van het gebouw en/of het stedenbouwkundig ensemble waarvan het deel uitmaakt.

grondgebonden agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf waarbij de productie hoofdzakelijk afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf.

hemelwaterberging

een berging die is ingericht als, en dienst doet als, opvanglocatie voor hemelwater.

hergebruiksysteem

systeem dat de mogelijkheid biedt om een deel van het opgevangen hemelwater in de hemelwaterberging te gebruiken voor andere activiteiten (zoals het bewateren van planten).

historisch woonschip

een vaartuig met een casco dat herkenbaar is als een van origine varend schip, waaronder begrepen een dekschuit, met daarop een gehele of gedeeltelijke opbouw, met een historisch karakter en een historische uitstraling, dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt als woning. 

hoofdgebouw

een of meer panden, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn gelet op die functie het belangrijkst is.

horeca categorie 1

horecabedrijven die hoofdzakelijk overdag eenvoudige etenswaren verstrekken en als nevenactiviteit licht- en niet-alcoholische dranken verstrekken, zoals lunchrooms, ijssalons, koffie/theehuizen, broodjeszaken en daarmee gelijk te stellen horecabedrijven.

horeca categorie 2

horecabedrijven die hoofdzakelijk maaltijden verstrekken en als nevenactiviteit alcoholische en niet-alcoholische dranken verstrekken waarbij de nadruk ligt op het verstrekken van maaltijden, zoals restaurants en eethuisjes, snackbars en daarmee gelijk te stellen horecabedrijven.

horeca categorie 3

horecabedrijven die hoofdzakelijk dranken en eten verstrekken waarbij de nadruk ligt op het verstrekken van dranken, zoals (eet)cafés en bars en daarmee gelijk te stellen horecabedrijven.

horeca categorie 4

horecabedrijven die hoofdzakelijk logies per nacht verstrekken met als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en dranken en het houden van

bijeenkomsten vergaderingen/congressen.

horeca categorie 5

horecabedrijven die hoofdzakelijk dranken verstrekken en gericht zijn op dansen en beluisteren van muziek, zoals dancings en discotheken en daarmee gelijk te stellen horecabedrijven.

horecaschip

een zich op het water bevindend object dat (nagenoeg) geheel dient als horecabedrijf.

hoveniersbedrijf

een bedrijf, gericht op de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen en groen, met gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend.

huishouden

Een zelfstandige dan wel samenwonend persoon of groep van personen die binnen een complex van ruimten gebruik maken van dezelfde voorzieningen zoals een keuken sanitaire voorzieningen en de entree.

indelingseis

Eisen aan de indeling van een woning en de situering van de tot de woning behorende buitenruimte(n) voor zover bestemd is/zijn als verblijfsruimte(n).

intensieve veehouderij

de teelt van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen zonder of nagenoeg zonder weidegang, waarbij de teelt niet afhankelijk is van de agrarische grond ter plaatse als productiemiddel.

interferentie

onderlinge beïnvloeding van nabijgelegen bodemenergiesystemen.

interferentiegebied

het gebied dat is aangewezen ter voorkoming van interferentie tussenbodemenergiesystemen en anderszins ondoelmatig gebruik van bodemenergie.

jachthaven

ligplaats van pleziervaartuigen.

jachtwerf

ligplaats voor pleziervaartuigen waar tevens de mogelijkheid is voor het bouwen en herstellen van deze vaartuigen.

kamerverhuurbedrijf

het exploiteren van onroerende zaken door bedrijfsmatige verhuur van in hoofdzaak afzonderlijke kamers voor bewoning.

kampeermiddel

a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto, camper of een caravan;

b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan voor zover geen bouwwerk zijnde, een en ander voor zover deze geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen voor recreatief nachtverblijf.

kantoor

een gebouw voor het verlenen van diensten en het uitvoeren van handelingen, waarbij de nadruk ligt op de administratieve afwikkeling van die handelingen.

kap

een dak bestaande uit twee of meer hellende dakvlakken.

kappen

rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een boom tot gevolg kunnen hebben.

kas

een gebouw, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, waarin gewassen worden gekweekt.

kiosk

klein gebouw in de openbare ruimte waar goederen of diensten te koop worden aangeboden of verstrekt.

kunstwerk

civieltechnisch werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en/of leidingen.

lessenaarsdak

een dakvorm die bestaat uit slechts één dakvlak of dakschild die onder een zekere helling is aangebracht.

maatschappelijke dienstverlening

educatieve, (sociaal)-medische, (sociaal)-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve  en openbare dienstverlening.

mantelzorg

het bieden van zorg aan iedereen die hulpbehoevend is op het fysieke psychische en of sociale vlak op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband.

molenbiotoop

de vrije ruimte rondom een molen in verband met de windvang.

monument 

onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed.

natuurwaarden

de aan een landschap toegekende waarden in verband met de in dat gebied voorkomende geologische, bodemkundige, biologische en ecologische elementen.

neerslag

elke vorm van water of ijs die vanuit de dampkring het aardoppervlak bereikt.

neerslaggebeurtenis

bui of meerdere buien waarbij de tijd tussen afloop en aanvang van de buien kleiner is dan 24 uur.

niet-publieksgerichte dienstverlening

het verlenen van diensten zonder rechtstreeks fysiek contact met het publiek.

oeverlijn

de scheidingslijn tussen water en land.

omgeving van onroerend cultureel erfgoed

onder de omgeving van onroerend cultureel erfgoed wordt verstaan:

  • a.

    gronden kadastraal behorende bij het onroerend cultureel erfgoed;

  • b.

    kadastrale gronden direct grenzend aan het onroerend cultureel erfgoed;

  • c.

    openbaar toegankelijk gebied direct grenzend aan het onroerend cultureel erfgoed;

  • d.

    gronden die onderdeel uitmaken van de redengevende omschrijving van het onroerend cultureel erfgoed. 

onroerend cultureel erfgoed

onder onroerend cultureel erfgoed wordt verstaan;

  • a.

    (voorbeschermd) gemeentelijk monument;

  • b.

    (voorbeschermd) provinciaal monument;

  • c.

    (voorbeschermd) rijksmonument;

  • d.

    archeologisch monument;

  • e.

    beeldbepalend bouwwerk;

  • f.

    rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht. 

open bodemenergiesysteem

installatie waarmee van de bodem gebruik wordt gemaakt voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door lokale wet- en regelgeving grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, met inbegrip van bijbehorendebronpompen en warmtewisselaar en, voor zover aanwezig, warmtepomp en regeneratievoorziening.

openbaar riool

een voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, hemelwater of een combinatie hiervan, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast.

openbare weg

openbare weg als bedoeld in de Wegenwet.

parkeren

parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

peil

a. voor een bouwwerk dat grenst aan de weg(en): de hoogte van de kruin van de weg(en).

b. voor ander gevallen: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van het bouwwerk

c. indien in of op het water wordt gebouwd: het plaatselijk gemiddelde waterpeil.

perifere detailhandel

detailhandel die moeilijk inpasbaar is in bestaande winkelgebieden vanwege de volumineuze aard en de bevoorrading ( zoals auto's, boten, caravans,

tuincentra artikelen, bouwmarkt, grove bouwmaterialen).

plat dak

een afdekking onder een hoek van maximaal 5 graden ten opzichte van het horizontale vlak.

praktijkruimte

een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, medisch, paramedisch, therapeutisch of daarmee naar aard gelijk te stellen gebied.

publieksgerichte dienstverlening

het verlenen van diensten met rechtstreeks contact met het publiek in de vorm van zakelijke, consumentverzorgende, openbare en (para)medische

dienstverlening inclusief ondergeschikte nevenfuncties.

redengevende omschrijving

een feitelijke beschrijving in woorden met een motivering van het bijzonder belang van het monument voor de gemeente vanwege schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

restauratieve aanpak van een gevel

een aanpak van onderhoud, vernieuwing en eventuele vervanging van gevelonderdelen die bijdraagt aan het behoud dan wel herstel van de oorspronkelijke verschijningsvorm van het pand. 

seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht,

of vertoningen van erotische-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een (raam) prostitutiebedrijf,

seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een besloten huis, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in

combinatie met elkaar.

seriebouw

twee of meer gebouwen naast elkaar die in dezelfde architectuur zijn uitgevoerd.

shortstay

het structureel verhuren van woonruimte voor korte periodes (van minimaal één week tot maximaal zes maanden).

sociale huurwoning

een huurwoning als bedoeld in spelregel 4 van de Actualisatie Haarlemse spelregels voor woningbouwprogrammering nieuwbouw sociale huur en middensegment

sportactiviteiten

reguliere sportieve activiteiten zoals trainingen, wedstrijden, toernooien of gymnastieklessen voor scholen en activiteiten die van aard en omvang vergelijkbaar zijn.

sportevenement

sportevenementen zijn evenementen die raakvlak hebben met een sport zoals een spinningmarathon, sportweekend of honkbalweek.

standplaats

een plaats in de openbare ruimte waar met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel:

a. bedrijfsmatig goederen of diensten te koop worden aangeboden of verstrekt;

b. voorlichting wordt gegeven al dan niet met promotionele activiteiten.

stedelijk afvalwater

huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater.

taak

taak van de adviescommissie omgevingskwaliteit genoemd in artikel 2 lid 2 van de Verordening op de adviescommissie omgevingskwaliteit gemeente Haarlem 2022.

trend

binnen een (deel van een) straat voorkomende nagenoeg indentieke dakopbouwen, kapvormen of dakkapellen (die juridisch, technisch en qua

ruimtelijke kwaliteit gewenst bevonden zijn).

uitbouw

een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw. De uitbouw is door de vorm te onderscheiden van het hoofdgebouw en is in architectonisch opzicht ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

verkooppunt van motorbrandstoffen

een inrichting waar door middel van een of meer pompinstallaties motorbrandstoffen worden verkocht en geleverd.

verkoopvloeroppervlakte

het voor publiek toegankelijke deel van de winkelvloeroppervlakte, inclusief etalageruimte en de ruimte achter de toonbank dan wel kassaruimte.

voertuigen

voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

voorgevelrooilijn

de denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van een hoofdgebouw is getrokken en het verlengde daarvan. Bij een hoekperceel wordt ook de denkbeeldige lijn die strak langs de zijgevel die naar het openbaar gebied is gekeerd en het verlengde daarvan gezien als voorgevelrooilijn.

voorzieningen van openbaar nut

voorzieningen ten behoeve van openbare verlichting, telecommunicatie, gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van

openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen ondergrondse kabels en leidingen, transformatorhuisjes, pompstations, gemalen en

zendmasten.

waterberging

een aangewezen gebied waarbinnen incidenteel of permanent het teveel aan water wordt vastgehouden.

watervoerend pakket

een bodemlaag die water doorvoert en die aan boven- en onderzijde begrensdwordt door een ondoorlatende laag of door een vrije waterspiegel.

wellness

een activiteit gericht op het ervaren en beleven van lichamelijke en geestelijke ontspanning en gezondheid.

windmolen

inrichting bestemd en geschikt voor het benutten van windkracht.

Wmo-voorziening

een woningaanpassing of bouwwerk om zelfstandig te kunnen blijven wonen in die woning. Een berging voor een scootmobiel wordt beschouwd als een Wmo-voorziening. 

woning

een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

woonruimte

besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door één huishouden. Hieronder valt ook een standplaats voor een woonwagen en de ligplaats voor een woonschip.

woonschip

een vaartuig, uitsluitend of in hoofdzaak als woning gebruikt of tot woning bestemd.

woonwagen

een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.

woonwagenstandplaats

een kavel, in hoofdzaak bestemd voor het plaatsen van een woonwagen.

zakelijke dienstverlening

onder zakelijke dienstverlening wordt verstaan een onderneming of instelling die is gericht op dienstverlening op bestuurlijk, financieel, zakelijk, juridisch of administratief gebied.

zelfstandige woonruimte

woonruimte die een eigen toegang heeft en die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte.

zorgwoning

een gebouw of zelfstandig gedeelte van een gebouw dat bedoeld is voor de huisvesting van personen die niet zelfstandig kunnen wonen en die geestelijke

en/of lichamelijke verzorging behoeven; verzorging kan voortdurend of nagenoeg voortdurend plaatsvinden en in het gebouw kan afzonderlijke ruimte

ten behoeve van de verzorging aanwezig zijn.

VVVV

Bijlage IV wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage IV Lijst met bedrijven in ieder geval geschikt voor functiemenging

1 Lijst bedrijven in ieder geval geschikt voor functiemenging

Lijst met bedrijven in ieder geval geschikt voor functiemenging

SBI-code (2008)

Omschrijving

1814

Grafische afwerking * 

182

Reproductiebedrijven opgenomen media

9524

Meubelstoffeerderijen b.o. < 200m²  *

35

Gas: reduceer-, compressor-, meet- en regelinst. Cat. A  *

952

Reparatie- en servicebedrijven (excl. auto’s en motorfietsen) 

61

Telecommunicatiebedrijven

96013

Wasserettes, wassalons 

Aanduiding * = bouwkundige afscheiding niet vereist. 

1 Lijst bedrijven in ieder geval geschikt voor functiemenging

[Gereserveerd]

WWWW

Bijlage V wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage V Kaart verwerkingsvolgorde afvoer van hemelwater

[Gereserveerd]

1 Kaart verwerkingsvolgorde afvoer van hemelwater

kaart verwerkingsvolgorde afvoer hemelwater

XXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

3.2.5 Meldingregels (artikel 4.4, eerste lid Ow)

Het uitvoeren van een activiteit die door een algemene regel is toegelaten, vereist geen voorafgaande instemming van de overheid. De uitvoering van de activiteit is daarmee doorgaans vooraf niet bekend bij de gemeente of anderen. Een activiteit kan potentieel een zwaar gevolg voor de fysieke leefomgeving hebben. Artikel 4.4, eerste lid, van de Ow biedt de mogelijkheid voor die gevallen een meldingsplicht in het leven te roepen. De activiteit mag pas starten, wanneer de melding is gedaan en de periode die volgens de algemene regels ten minste tussen het melden en het starten van de activiteit moet worden aangehouden is verstreken. Hiermee wordt gemeente in staat gesteld voorafgaand aan het starten van de activiteit nog acties te verrichten, zoals: 

 

Hiermee wordt gemeente in staat gesteld voorafgaand aan het starten van de activiteit nog acties te verrichten, zoals:

  • a.

    het uitvoeren van een controle voordat de activiteit van start gaat, zodat de gemeente zich ervan kan vergewissen dat de regels worden nageleefd en geen onaanvaardbare risico's voor de fysieke leefomgeving optreden,

  • b.

    het beoordelen of gelet op de kwetsbaarheid van de fysieke leefomgeving of cumulatie met andere activiteiten het wellicht noodzakelijk is om aanvullende eisen te stellen in de vorm van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 4.5, voor zover de algemene regels het stellen van dergelijke aanvullende eisen mogelijk maken,

  • c.

    zelf in het kader van het beheer van de fysieke leefomgeving maatregelen te treffen, die een betere bescherming van de leefomgeving waarborgen, 

  • d.

    via een publieke kennisgeving de directe omgeving over de voorgenomen activiteit te informeren.

YYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

3.2.9 Waarborgen in het omgevingsplan

 

In het omgevingsplan kunnen regels worden opgenomen ter bescherming van bepaalde belangen om ervoor te zorgen dat een specifieke handeling verplicht wordt uitgevoerd, zoals hieronder weergegeven.

 

  • a.

    Voorwaardelijke verplichting: in het omgevingsplan kan het voorschrift worden opgenomen, dat verplicht tot het nemen van bepaalde maatregelen, voordat de in het plan gelegde en door de belanghebbende gewenste activiteit of functie kan worden uitgevoerd of gerealiseerd. Er is dus geen directe verplichting een maatregel te treffen, maar als een gegeven activiteit of functie wordt uitgevoerd of gerealiseerd, moet daarbij wel aan de verplichting worden voldaan. 

  • b.

    Onvoorwaardelijke verplichting (gebodsbepaling): een gebodsbepaling is een voorschrift dat een burger een onvoorwaardelijke en rechtstreeks te handhaven verplichting oplegt om een bepaalde handeling te verrichten met het oog op de fysieke leefomgeving. Het verschil tussen een gebodsbepaling en een voorwaardelijke verplichting is dat bij een voorwaardelijke verplichting de grondeigenaar een functie mag realiseren op voorwaarde dat hij een bepaalde verplichting vervult. Bij een gebodsbepaling is die verplichting onvoorwaardelijk en moet hij bijvoorbeeld een bepaald gebruik realiseren. Gebodsbepalingen moeten voldoen aan de proportionaliteitsvereisten. Dat betekent dat een rechtvaardig evenwicht bestaat tussen het belang van de zorg voor de fysieke leefomgeving en de beperking van het recht op ongestoord genot van het eigendom van de rechthebbende. De gebodsbepaling mag geen onevenredige last op de betrokkene leggen; ter matiging van onevenredigheid zal een gebodsbepaling gepaard moeten gaan met overgangsrecht en/of een vorm van nadeelcompensatie.De proportionaliteit en evenredigheid betekenen dat de gebodsbepaling geschikt moet zijn om z’n doel te bereiken en dat geen minder ingrijpend middel voorhanden is waarmee het zelfde doel kan worden bereikt. Er moet een redelijk evenwicht worden bereikt tussen de beoogde voordelen en de nadelige gevolgen voor het individu.

  • c.

    Gedoogplicht: gereserveerd

  • d.

    Onteigening: gereserveerd

  • e.

    Omgevingsnormen: dit is een norm over de fysieke leefomgeving die in een kwantitatieve of kwalitatieve waarde wordt uitgedrukt. Voorbeelden hiervan zijn maximum bouwhoogte, maximum geluidbelasting, maximum aantal bezoekers etc. 

  • f.

    Omgevingswaarden: gereserveerd

ZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.282.30 Toepassingsbereik

Dit artikel bepaalt dat paragraaf 2.2.4 van toepassing is op gronden en bouwwerken die bedoeld zijn voor culturele voorzieningen. Op locaties waar een specifieke activiteit is toegestaan, zijn ook de algemene toegestane activiteiten van artikel 2.292.31 mogelijk. 

AAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.412.43 Drijfriemenfabriek

In artikel 2.292.31 tweede lid onder a geldt een oppervlaktebeperking voor horeca-activiteiten. Deze beperking is niet van toepassing op de locatie Drijfriemenfabriek. Vandaar dat in het eerste lid van dit artikel is aangegeven dat het in aanvulling en met voorrang geldt op artikel 2.292.31. De overige gebruiksmogelijkheden van laatstgenoemde artikel zijn onverkort van toepassing. 

BBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.422.44 Toepassingsbereik

CCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.452.47 Toepassingsbereik

Dit artikel bepaalt dat paragraaf 2.2.6 van toepassing is op gronden en bouwwerken die bedoeld zijn voor detailhandel. Op locaties waar een specifieke activiteit is toegestaan, zijn ook de algemene toegestane activiteiten van artikel 2.462.48 mogelijk. 

DDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.462.48 Toegestane activiteiten algemeen

EEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.482.50 Goudsmederij

FFFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.502.52 Reparatie- en servicebedrijf motorfietsen

GGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.602.62 Toepassingsbereik

Dit artikel bepaalt dat paragraaf 2.2.8 van toepassing is op gronden en bouwwerken die bedoeld zijn voor maatschappelijke dienstverlening. Op locaties waar een specifieke activiteit is toegestaan, zijn ook de algemene toegestane activiteiten van artikel 2.612.63 mogelijk. 

HHHHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.702.72 Toepassingsbereik

IIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.722.74 Toepassingsbereik

JJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.742.76 Toepassingsbereik

Dit artikel bepaalt dat paragraaf 2.2.11 van toepassing is op gronden en bouwwerken die bedoeld zijn voor sportvoorzieningen. Op locaties waar een specifieke activiteit is toegestaan, zijn ook de algemene toegestane activiteiten van artikel 2.752.77 mogelijk. 

KKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.872.88 Toepassingsbereik

Dit artikel bepaalt dat paragraaf 2.2.13 van toepassing is op gronden en bouwwerken die bedoeld zijn voor wonen. Op locaties waar een specifieke activiteit is toegestaan, zijn ook de algemene toegestane activiteiten van artikel 2.882.89 mogelijk. 

LLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.982.99 Toepassingsbereik

Dit artikel bepaalt dat paragraaf 2.2.14 van toepassing is op gronden en bouwwerken die bedoeld zijn voor zakelijke dienstverlening. Op locaties waar een specifieke activiteit is toegestaan, zijn ook de algemene toegestane activiteiten van artikel 2.992.100 mogelijk. Dit artikel is niet van toepassing op consumentgerichte dienstverlening. voor deze vorm van dienstverlening zijn aparte regels in het omgevingsplan opgenomen. 

MMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.1082.110 Overbewoning woonruimte

NNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.1092.111 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

OOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.1102.112 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Deze zorgplicht («kapstokartikel») heeft betrekking op gebruik van bouwwerken waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan en het Bbl. Hiermee heeft het bevoegd gezag een «kapstok» om in een specifiek geval in te grijpen wanneer het gebruik van een bouwwerk leidt tot hinder, overlast, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s anders dan de brandveiligheidsrisico’s die al in het Bbl zijn geregeld.

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een bouwwerk gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Het eerste lid regardeert dus enerzijds degene die (als eigenaar, beheerder, verhuurder of anders) het gebouw laat gebruiken door een ander, evenals degene die (zelf) gebruik maakt van een bouwwerk. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheids- en gezondheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.

De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen onderbouwen.

Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit zorgplichtartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • a.

    als sprake is van geluidhinder;

  • b.

    als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;

  • c.

    als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;

  • d.

    als sprake is van een illegale hennepkwekerij;

  • e.

    als op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);

  • f.

    als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.

Met het tweede lid, onderdeel c, is beoogd dat een bouwwerk in een dusdanig nette staat is dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer in een woning overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Het moet gaan om ernstige gevallen.

Het derde lid geeft aan dat dit artikel niet gaat over gebruik van bouwwerken dat al geregeld is in afdeling 6.2 van het Bbl (zie ook hierboven). Die regels zijn namelijk uitputtend en er bestaat geen ruimte dat gebruik daarnaast onderwerp van dit omgevingsplan te laten zijn.

PPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.1112.113 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

QQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.1122.114 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit.

Deze zorgplicht («kapstokartikel») heeft betrekking op de staat en het gebruik van open erven en terreinen waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan. Hiermee heeft het bevoegd gezag een «kapstok» om in een specifiek geval in te grijpen wanneer de staat of het gebruik van een open erf of terrein leidt tot hinder, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s. Ook als de staat of het gebruik op zich voldoet aan de voorschriften van dit omgevingsplan kan er reden zijn voor een beroep op dit artikel.

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een open erf of terrein gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.

De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen aantonen.

Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit kapstokartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • a.

    als sprake is van lawaaihinder;

  • b.

    als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;

  • c.

    als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;

  • d.

    als sprake is van een illegale hennepkwekerij;

  • e.

    op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);

  • f.

    als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.

Met het derde lid onderdeel c is beoogd dat een open erf of terrein in een dusdanig nette staat verkeert dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer op een erf overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Een open erf en terrein behoort geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid op te leveren door drassigheid, stank, verontreiniging, (on)gedierte, begroeiing of voorwerpen. Het moet gaan om ernstige gevallen.

RRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.1132.115 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

SSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

TTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.1152.117 Verbod op flitsbezorging

UUUUU

Na sectie ' Aanvullende bouwregels rijksbeschermd stadsgezicht, monument en beeldbepalend bouwwerk' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.34 lid 2

Toelichting op de gevelindeling en de restauratieve aanpak:

Bestaande elementen van de gevel (en kap) dienen, eventueel door middel van restauratie, behouden te blijven. Zo kan een oorspronkelijk houten kozijn waarbij houtrot is geconstateerd eenvoudig hersteld worden. Het kan voorkomen dat de bouwkundige staat van een element zo slecht is, dat restauratie hiervan redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In dat geval mag het element geheel worden vervangen. Hierbij geldt wel de eis dat de vorm, de kleur, de detaillering en het materiaal volledig overeenkomen met het originele element. Zo mag een houten kozijn met raam alleen vervangen worden door een eveneens houten kozijn, waarbij de roedeverdeling en detaillering hetzelfde blijft. Bevatte het houten kozijn een waterdorpel? Dan dient het nieuwe kozijn dezelfde vorm waterdorpel te hebben.   

Artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving bevat de categorieën van gevallen die van rijkswege vergunningsvrij zijn, ongeacht de bepalingen in het omgevingsplan. Een van de categorieën betreft het normale  onderhoud waarbij detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet wijzigen. Artikel 2.30 perkt het vergunningsvrij bouwen in wanneer er sprake is van cultureel erfgoed. Met name lid 3 is in dit geval van belang. Binnen rijksbeschermd stadsgezicht is normaal onderhoud alleen vergunningsvrij voor zover ook kleur en materiaalsoort van het bouwwerk niet wijzigen. Het artikel in het omgevingsplan houdt hier rekening mee door te verwijzen naar het vergunningsvrij bouwen op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving. 

VVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.43 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument

In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de toelichting bij artikel 4.53).

In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.

Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:

  • a.

    bouw-, sloop-, inrichtings- en graafwerkzaamheden,

  • b.

    de aanleg of het onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, rioleringen, kabels en leidingen.

Ook kan het gaan om:

  • a.

    het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,

  • b.

    het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,

  • c.

    het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,

  • d.

    het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,

  • e.

    het wijzigen van het grondwaterpeil,

  • f.

    het winnen van grondstoffen,

  • g.

    agrarische grondwerkzaamheden, en

  • h.

    activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.

WWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.8 Uitzondering geluidsbronnen

 

Onder activiteiten in de openbare ruimte wordt in ieder geval verstaan:

 

  • a.

    het beheer en onderhoud van de openbare ruimte;

  • b.

    bouw-, graaf- en sloopwerkzaamheden anders dan puinbreken. 

XXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.18 lid 2

De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.

Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.

Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.

Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.

Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:

  • a).

    activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;

  • b).

    activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.

Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.

Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.

Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.

Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.

De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.

Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.

Onderdeel a

De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.

Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.

Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.

Onderdeel b

Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 3.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel  2.1102.112). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.

Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.

Onderdeel c

Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.

Onderdeel d

Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.

Onderdeel e

Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.

Onderdeel f

Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Onderdeel g

Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van afdeling 6.3 van dit omgevingsplan.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

YYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.29 lid 4

Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:

  • a.

    elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco’s); of

  • b.

    stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW.

Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden.

Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in artikel 6.21 van dit omgevingsplan.

ZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.41 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, vijfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het begrip agrarische activiteiten wordt in dit omgevingsplan niet meer specifiek gedefinieerd. Het gaat om activiteiten die betrekking hebben op gewassen of landbouwhuisdieren voor zover deze geteeld of gekweekt respectievelijk gefokt, gemest, gehouden of verhandeld worden. Daaronder wordt ook verstaan agrarisch gemechaniseerd loonwerk zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening.

Dit artikel geldt alleen voor bedrijven of andere locaties waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden worden verricht. Door het vervangen van het Wet milieubeheer begrip inrichting door activiteiten is het niet meer mogelijk gebruik te maken van dit zogenoemde hoofdzaakcriterium. Daarvoor in de plaats wordt gesteld dat het moet gaan om een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

In navolging van het voormalige Besluit landbouw milieubeheer en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer worden voor de in het eerste lid genoemde activiteiten mobiele bronnen niet meegewogen bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Daarom zijn de waarden in tabel 22.3.5, die zien op het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, alleen van toepassing op de vast opgestelde installaties en toestellen. De waarden voor maximale geluidsniveaus zijn van toepassing op alle bronnen: vast en mobiel.

Voor het geluid van deze mobiele installaties geldt alleen de specifieke zorgplicht. Voor agrarische bedrijven die bij inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsvergunning voor milieuactiviteiten hebben, blijven op grond van artikel 22.1, de voorschriften van de omgevingsvergunning gelden.

Belangrijke verschillen tussen dit artikel en de instructieregels voor geluid van het Bkl zijn:

  • a.

    Dit artikel geeft standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en afwijkende tijdsperioden voor agrarische activiteiten. De instructieregels van het Bkl kennen voor agrarische activiteiten niet standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en ook geen afwijkende tijdsperioden. Het Bkl biedt wel de mogelijkheid om een agrarisch gebied aan te wijzen waar de toelaatbare waarde 5 dB(A) lager is.

  • b.

    In dit artikel gelden de standaardwaarden niet voor mobiele installaties. De standaardwaarden van het Bkl gelden ook voor de mobiele installaties bij een agrarisch bedrijf als die vallen onder de representatieve bedrijfsituatie.

  • c.

    Akkers en weilanden zijn voor de toepassing van dit artikel geen onderdeel van de activiteit. De instructieregels van het Bkl gaan over al het geluid van locatiegebonden activiteiten, als dat geluid representatief is voor die activiteit.

In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw deel van het omgevingsplan heeft vastgesteld

AAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.64 Trillingen: waarden voor continue trillingen

Over de verhouding tussen de standaardwaarde A1 enerzijds en standaardwaarden A2 en A3 anderzijds wordt het volgende opgemerkt. Bij de continue trillingen moet in eerste instantie worden voldaan aan waarde A1 wat betreft het maximaal optredende trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte Vmax). Als daar niet aan kan worden voldaan, mag het maximaal optredende trillingniveau weliswaar hoger zijn dan waarde A1, namelijk A2, maar dan moet het gemiddelde trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte Vper) wel onder een bepaalde waarde (A3) blijven. Met andere woorden: er wordt voldaan aan de waarden als:

  • a.

    de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A1, of als

  • b.

    de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A2 waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor deze ruimte (Vper) kleiner is dan A3.

Deze systematiek is een voortzetting van die onder het voorheen geldende recht. In artikel 2.23 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd verwezen naar tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen, deel B. Dat is de richtlijn Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, deel B «Hinder voor personen in gebouwen» van de Stichting Bouwresearch Rotterdam. De waarden voor continue trillingen zijn ontleend aan tabel 2 van deze richtlijn.

Degene die de activiteit verricht waardoor continue trillingen worden veroorzaakt, heeft dus de keuze tussen voldoen aan de waarden onder A1, of aan de waarden onder A2 én A3 zoals opgenomen in dit omgevingsplan.

BBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.66 lid 1

Deze paragraaf is van toepassing op geur door alle milieubelastende activiteiten die onder het algemeen toepassingsbereik, bedoeld in artikel 6.18, van dit omgevingsplan vallen.

Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.

Uit de begripsomschrijving in bijlage I bij dit omgevingsplan volgt dat een geurgevoelig object is:

  • 1 a.

    een geurgevoelig object zoals bedoeld in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij; en

  • 2 b.

    een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteiten mag worden gebouwd.

Het begrip geurgevoelig gebouw is omschreven in artikel 5.91 van het Bkl.

Het begrip geurgevoelig object is anders dan het begrip geurgevoelig gebouw in het Bkl. Meer uitleg over het verschil tussen de twee begrippen staat in de toelichting op het begrip geurgevoelig object zoals opgenomen in bijlage I bij dit omgevingsplan.

Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om het begrip geurgevoelig gebouw uit te breiden naar gebouwen die nu ook vallen onder het begrip geurgevoelig object. Het gaat hierbij om gebouwen waar hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

CCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.67 lid 1

In artikel 5.90 van het Bkl zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze gebouwen dezelfde bescherming tegen geurhinder als alle andere geurgevoelige objecten.

Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke geurgevoelige objecten die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming in de vorm van geurwaarden en afstandseisen blijven houden. Dit tot het moment dat bij:

  • a.

    het vaststellen van het nieuwe deel van dit omgevingsplan; of

  • b.

    het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit;

beoordeeld is dat de situatie ook zonder geldende waarde of afstanden voor geur op het tijdelijke geurgevoelige gebouw aanvaardbaar is.

DDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 6.3.5.2 Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf

Indeling paragraaf

Bij de indeling van de paragraaf is in hoofdlijnen de structuur van paragraaf 5.1.4.6.3 «Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf» van het Bkl gevolgd. Materieel zijn de artikelen uit deze paragraaf gelijkwaardig aan die van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

De paragraaf stelt regels voor:

  • a.

    landbouwhuisdieren met geuremissiefactor; en

  • b.

    landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden.

Verhouding Activiteitenbesluit milieubeheer en Wet geurhinder en veehouderij in dit omgevingsplan.

Deze paragraaf is de voortzetting van de artikelen 3.115 tot en met 3.121 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de regels van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.

Tussen bovenstaande regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij, bestonden enkele kleine inhoudelijke verschillen. Zo is de zogenaamde 50%-regeling in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer vereenvoudigd ten opzichte van die in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. Voor deze paragraaf van het omgevingsplan is aangesloten bij de inhoud van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook is artikel 3.116, derde lid, uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer in deze omgevingsplanregels van rijkswege overgenomen. Zo’n bepaling kende de voormalige Wet geurhinder en veehouderij niet.

Vergunningplichtige activiteiten

De regels van deze paragraaf gelden voor alle activiteiten die vallen onder artikel 6.18 van dit omgevingsplan, waaronder milieubelastende activiteiten die vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Bal.

Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven bestaande omgevingsvergunningen voor milieu op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor het houden van landbouwhuisdieren of paarden die gehouden worden voor het berijden in dierenverblijven hun gelding houden. Dat geldt ook voor de zogenoemde verleende omgevingsvergunningen beperkte milieutoets. De waarden en afstanden in deze paragraaf gelden alleen voor het beginnen met of wijzigen of uitbreiden van een dierenbedrijf. Of de situatie overbelast is, maakt niet uit zolang het bedrijf niet wordt uitgebreid of gewijzigd.

Voorrang voor geurverordening

Ook is voor deze paragraaf de voorrangsbepaling in artikel 10.8, eerste lid, van dit omgevingsplan van belang. Op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij hebben veel gemeenten in een zogenoemde geurverordening, concentratiegebieden aangewezen of andere waarden of afstanden opgenomen voor het houden van landbouwhuisdieren dan de waarden of afstanden in deze paragraaf van het omgevingsplan. Deze geurverordening maakt op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e, van de Invoeringswet Omgevingswet, deel uit van het tijdelijke omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. Op grond van artikel 10.8, eerste lid, van dit omgevingsplan, gelden die andere waarden of afstanden uit de geurverordening in plaats van de waarden of afstanden in deze paragraaf.

EEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.72 lid 1

Deze paragraaf gaat over beginnen, wijzigen of uitbreiden van het houden in een dierenverblijf van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.

Paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden zijn specifiek benoemd omdat deze niet vallen onder het begrip landbouwhuisdieren in het Bal. Het begrip landbouwhuisdieren in het Bal is op grond van artikel 1.1 van dit omgevingsplan van toepassing op dit omgevingsplan.

Het gaat in deze paragraaf dus om:

landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Bal, zijnde: 

  • a.

    zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken; en

  • b.

    paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.

Bovenstaande komt overeen met het begrip landbouwhuisdier uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten vallen wel onder paragraaf 6.3.24. Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren of andere vogels of zoogdieren.

FFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.75 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden

In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de immissiewaarden die gelden op grond van artikel 6.73. De standaardwaarden uit artikel 6.74 gelden niet voor het op een locatie wijzigen of uitbreiden van het aantal of soort landbouwhuisdieren met geuremissiefactor in dierenverblijven, als sprake is van een rechtmatig voor geur overbelaste situatie op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Er hoeft in dat geval dus niet aan de standaardwaarden te worden voldaan, maar uitbreiden en wijzigen is alleen mogelijk in de volgende gevallen:

  • 1 a.

    Zolang de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig object niet toeneemt en het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Dit is de voortzetting van de artikelen 3, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.115, tweede lid, onder c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

  • 2 b.

    Als aan de 50%-regeling wordt voldaan.

In rechtmatig toegestane overschrijdingssituaties mag het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, tenzij er een geurbelastingreducerende maatregel getroffen is en de toegestane overschrijding van de geur gehalveerd wordt. Bij het toepassen van de 50%-regeling moet gerekend worden met de waarden zoals opgenomen in het omgevingsplan of in de geurverordening.

Voor wat betreft de geur die rechtmatig veroorzaakt mocht worden, gaat het om de geur die onmiddellijk voorafgaand aan het toepassen van de maatregel rechtmatig mocht worden veroorzaakt.

Daarmee is voorzien in de eerbiedigende regeling voor het houden van landbouwhuisdieren in bestaande dierenverblijven waarbij sprake is van een toegestane overschrijdingssituatie.

Dit lid vormt de voortzetting van artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.115, tweede lid, onder b en c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de 50%-regeling is aangesloten bij de formulering zoals die in artikel 3.115, tweede lid, onder b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen in plaats van de formulering in artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder veehouderij. Hierdoor hoeft niet berekend te worden wat de reductie als gevolg van de geurbelastingreducerende maatregelen zou zijn, gelet op de bestaande (oude) situatie. Dit is eenvoudiger voor de praktijk.

GGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.86 lid 3

Dit lid is een voortzetting van de artikelen 3.129c en 3.129g, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bepaalde in artikel 3.129g, derde lid, van dat besluit, dat regelde dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift kon worden vastgelegd, valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels, ofwel maatwerkvoorschriften, aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Bkl, dat vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hierbij kan gedacht worden aan maatwerkvoorschriften over:

  • a.

    de situering van de voorziening;

  • b.

    het gesloten uitvoeren van de voorziening;

  • c.

    de ligging en afvoerhoogte van het emissiepunt, wanneer emissies worden afgezogen;

  • d.

    de toepassing van een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

HHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.88 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking

In beginsel geldt bij geur die veroorzaakt wordt door de activiteiten, bedoeld in de artikelen 6.82 tot en met 6.87, de afstanden die in die artikelen zijn genoemd. Deze afstandseisen gelden niet bij «overbelaste situaties». Dit artikel bevat een regeling met «eerbiedigende werking» voor zulke bestaande situaties. Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Bkl.

Als dit artikel van toepassing is, heeft degene die de activiteit verricht op grond van de specifieke zorgplichtbepaling de plicht om maatregelen of voorzieningen te treffen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen over:

  • a.

    de situering van de plaats van de opgeslagen bedrijfsstoffen;

  • b.

    het afdekken van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen; of

  • c.

    de frequentie van de afvoer van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook dat degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aangeeft welke maatregelen of voorzieningen hij daarvoor heeft getroffen of zal treffen. Deze gegevens kan het bevoegd gezag ook vragen op grond van de toezichtsbevoegdheden van de Algemene wet bestuursrecht. Deze plicht komt dus niet expliciet terug in de omgevingsplanregels van rijkswege.

IIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.150 Gegevens en bescheiden

De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:

  • a.

    de activiteit zelf en wat daarbij hoort;

  • b.

    de precieze plek en indeling van de activiteit; en

  • c.

    wanneer deze begint of wordt gewijzigd.

Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W op grond van artikel 6.25 verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu.

Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, zijn ook altijd artikel 6.23 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden) en artikel 6.24 (gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat) van toepassing.

JJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.172 lid 2

Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:

  • a.

    op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en

  • b.

    op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.

KKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.175 lid 1

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.

Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:

  • a.

    De waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd.

  • b.

    De bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart.

  • c.

    De achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 6.21 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.

LLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.196 lid 2

Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:

  • a.

    op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en

  • b.

    op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.

Met het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden, wordt het gehele gebied bedoeld, van de standplaats van de schutters tot de plek waar munitie terecht kan komen.

MMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.199 lid 1

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem, blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.

Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:

  • a.

    de waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd;

  • b.

    de bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart; of

  • c.

    de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 6.21 van dit omgevingsplan of 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.

NNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.4 Aanleggen of wijzigingen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafonds

De bepalingen van deze afdeling zijn overgenomen uit de bruidsschat (afd. 22.4). 

[Vervallen]

OOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.234 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over aanleg of reconstructie van een weg of spoorweg die weliswaar niet in strijd is met dit omgevingsplan, maar waarover geen afweging heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van de constituerende onderdelen van dit plan, zoals bestemmingsplannen. De afdeling ziet niet op rijkswegen en provinciale wegen omdat daarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn of worden vastgesteld. Die geluidproductieplafonds beschermen de omliggende geluidgevoelige gebouwen tegen een eventuele toename van het geluid en dus hoeft een omgevingsplan daar niet in te voorzien. De bepaling is een omzetting van artikel 73, onder a (toepassingsbereik), artikel 79 (aanleg) en artikel 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder. Het tijdelijk deel van dit omgevingsplan heeft geen betrekking op provinciale wegen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, omdat daarvoor nog de Wet geluidhinder van toepassing is (zoals bepaald in artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet).

[Vervallen]

PPPPPP

Na sectie ' Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 6.234 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over aanleg of reconstructie van een weg of spoorweg die weliswaar niet in strijd is met dit omgevingsplan, maar waarover geen afweging heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van de constituerende onderdelen van dit plan, zoals bestemmingsplannen. De afdeling ziet niet op rijkswegen en provinciale wegen omdat daarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn of worden vastgesteld. Die geluidproductieplafonds beschermen de omliggende geluidgevoelige gebouwen tegen een eventuele toename van het geluid en dus hoeft een omgevingsplan daar niet in te voorzien. De bepaling is een omzetting van artikel 73, onder a (toepassingsbereik), artikel 79 (aanleg) en artikel 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder. Het tijdelijk deel van dit omgevingsplan heeft geen betrekking op provinciale wegen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, omdat daarvoor nog de Wet geluidhinder van toepassing is (zoals bepaald in artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet).

QQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.8 Toepassingsbereik

Onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren de indieningsvereisten voor omgevingsvergunningen op rijksniveau geregeld, ook als de vergunningplicht was ingesteld in een bestemmingsplan of gemeentelijke verordening. Deze indieningsvereisten waren opgenomen in de voormalige Regeling omgevingsrecht en komen, voor zover het gaat om die laatste vergunningen, niet meer terug op rijksniveau. Daarom worden deze opgenomen in deze paragraaf. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in een bestemmingsplan, maken die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel uit van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in gemeentelijke verordeningen (artikel 2.2 van die wet) houden de aanvraagvereisten verband met artikel 22.8 van de Omgevingswet. Artikel 22.8 van de Omgevingswet brengt met zich dat zolang deze vergunningenstelsels nog niet zijn overgeheveld naar het omgevingsplan, de regeling van artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht feitelijk wordt gecontinueerd. Een in een autonome verordening opgenomen vergunningplicht, die krachtens artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werd aangemerkt als een Wabo-omgevingsvergunningplicht, wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.

In deze afdeling zijn daarnaast nog de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor twee andere activiteiten opgenomen. In de eerste plaats de activiteit die strekt tot het afwijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, waarvoor in dat tijdelijke deel is bepaald dat daarvan bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken. De hiermee samenhangende vergunningplicht die onder de gelding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht volgde uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, is opgenomen in artikel 9.5 van dit omgevingsplan. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de hiervoor gegeven toelichting op dat artikel.

De tweede activiteit waarvoor deze afdeling nog aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning bevat, is het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Ook dat artikel is een overgangsrechtelijke bepaling.

In artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was een vergunningplicht opgenomen voor het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht. Onder de Omgevingswet is dit geen afzonderlijke, in artikel 5.1 van die wet geregelde vergunningplicht meer, maar wordt het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten onderdeel van het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat bestemmingsplannen nog uitgingen van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing. Vanwege dit beschermingsregime zijn ook de indieningsvereisten voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zoals die waren opgenomen in artikel 6.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht naar deze afdeling overgeheveld.

De vier categorieën activiteiten waarop de aanvraagvereisten in deze afdeling betrekking hebben, komen terug in de nadere onderverdeling van paragraaf 9.2.2 van deze afdeling in een viertal subparagrafen.

De indieningsvereisten uit de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komen niet allemaal in identieke bewoordingen als aanvraagvereisten terug. Dat kan alleen al niet vanwege de begrippen uit het oude recht die in die regels voorkomen. In de artikelen 22.2 en 22.14 van de Omgevingswet is bepaald dat de bruidsschat bestaat uit rijksregels of daaraan gelijkwaardige regels. Door aan te sluiten op de terminologie van het nieuwe stelsel wordt invulling gegeven aan het opstellen van gelijkwaardige regels. Dat betekent bijvoorbeeld dat het begrip locatie wordt gehanteerd en niet het begrip grond. Wat betreft de aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument is aangesloten bij de formulering van de aanvraagvereisten voor een rijksmonumentenactiviteit die in de Omgevingsregeling zijn opgenomen.

De artikelen 4.42 tot en met 4.50 voorzien in specifieke aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument. Bij een gemeentelijk monument gaat het op grond van bijlage I bij het Bbl om een monument of archeologisch monument als bedoeld in de Erfgoedwet waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Op grond van artikel 4.50 zijn deze aanvraagvereisten van overeenkomstige toepassing op eventuele voorbeschermde gemeentelijke monumenten in dit omgevingsplan. Bijlage I bij het Bbl definieert een voorbeschermd gemeentelijk monument voor zover in het kader van het omgevingsplan van belang als een monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding van gemeentelijk monument te geven. De artikelen 4.42 tot en met 4.50 zijn ook van toepassing op monumenten en archeologische momenten die een (voor)beschermde status hebben op grond van een gemeentelijke verordening en nog niet via een voorbeschermingsregel of functie-aanduiding in het omgevingsplan zijn overgezet. Dit volgt uit artikel 10.9 van dit omgevingsplan.

Voor de leesbaarheid wordt hierna alleen van gemeentelijk monument gesproken, maar kan steeds ook voorbeschermd gemeentelijk monument worden gelezen.

Omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument komen overeen met de activiteiten die op grond van de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet onder de «rijksmonumentenactiviteit» vallen: het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een monument of een archeologisch monument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Waar in deze begripsomschrijving gesproken wordt van «monument» wordt alleen op gebouwde en aangelegde (groene) monumenten gedoeld. Waar gesproken wordt van «archeologisch monument» wordt gedoeld op een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen (zie de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet en artikel 1.1 van de Erfgoedwet).

Voor deze aanvraagvereisten hebben, zoals hierboven al aangegeven, de indieningsvereisten in de voormalige Regeling omgevingsrecht onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als basis gediend, aangevuld met indieningsvereisten voor archeologische rijksmonumenten op grond van de Monumentenwet 1988. De redactie is daarbij wel aangepast aan voortschrijdend inzicht en aan de stelselkeuzes van de Omgevingswet.

In artikel 6.239 zijn de algemene aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument opgenomen, die bij iedere aanvraag van toepassing zijn. Voor het overige zijn de aanvraagvereisten in verschillende artikelen gespecificeerd voor de volgende activiteiten:

  • –.

    activiteiten die betrekking hebben op archeologische monumenten;

  • –.

    het slopen (= geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen) van monumenten;

  • –.

    het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van monumenten;

  • –.

    het wijzigen van een monument (restauratie, verbouw, reconstructie of op een andere manier wijzigen) of het door herstel ontsieren of in gevaar brengen van een monument;

  • –.

    het gebruiken van een monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Ook zijn er twee artikelen opgenomen met eisen aan tekeningen, een voor monumenten en een voor archeologische monumenten.

Met deze uitsplitsing in activiteiten wordt voorkomen dat initiatiefnemers (vergunningaanvragers) worden geconfronteerd met aanvraagvereisten die niet relevant voor hen zijn. Deze insteek bestond al in de voormalige Regeling omgevingsrecht, maar is nu verder vereenvoudigd. Bij een aantal artikelen is ook een splitsing aangebracht in aanvraagvereisten die in beginsel altijd noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de voorgenomen activiteit in relatie tot het monument of archeologisch monument en zijn monumentale waarde (eerste lid), en aanvraagvereisten die niet in alle gevallen nodig zijn of die alleen voor bepaalde soorten gemeentelijke monumenten van toepassing zijn (tweede lid).

De aard en de omvang van de activiteit en het soort gemeentelijk monument bepalen welke aanvraagvereisten in een concreet geval van toepassing zijn. Zo zijn voor de beoordeling van een vergunningaanvraag voor uitvoering van een restauratie- of (ver)bouwplan meer gegevens en bescheiden noodzakelijk dan voor het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van gevelreclame. Voorafgaand aan ingrijpende restauraties is het uitvoeren van een bouwhistorisch onderzoek vaak wenselijk, terwijl dit voor kleinere herstelwerkzaamheden meestal niet aan de orde zal zijn. Ook de locatie van de activiteiten is voor de aanvraagvereisten van belang. Als er werkzaamheden in het interieur worden uitgevoerd, zijn interieurfoto’s nodig, maar deze zijn doorgaans niet relevant als de ingrepen alleen de buitenkant van het monument betreffen.

Door de grote verscheidenheid aan activiteiten die van invloed kunnen zijn op de monumentale waarde van een monument of archeologisch monument is geen volledig dekkend beeld te geven van alle mogelijke aanvraagvereisten. Het bevoegd gezag kan in specifieke gevallen, naast de genoemde aanvraagvereisten, op grond van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht ook nog andere aanvraagvereisten formuleren. De gevraagde informatie moet uiteraard wel noodzakelijk zijn voor, en in directe relatie te staan tot, de beoordeling van de aanvraag. Het is dan ook in het algemeen bij voorgenomen omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument raadzaam voor een aanvrager om eerst in vooroverleg te treden met het bevoegd gezag en daarna pas over te gaan tot het maken van definitieve plannen. Zo krijgt hij vroegtijdig inzicht in welke aanvullende aanvraagvereisten in het concrete geval nodig worden geacht en kan rekening worden gehouden met eventuele toepasselijke kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten.

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag zal het belang van de (archeologische) monumentenzorg bij het behoud van het monument of archeologisch monument in redelijkheid moeten worden afgewogen tegen de belangen van de aanvrager (eigenaar/gebruiker) en die van derde belanghebbenden. Bij die belangenafweging staat het voorkomen van nadelige gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het monument of archeologisch monument en de monumentale waarden ervan voorop. Ook zal er bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning rekening moeten worden gehouden met de volgende beginselen uit het verdrag van Granada (de op 3 oktober 1985 te Granada tot stand gekomen Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa; Trb. 1985, 163) en het verdrag van Valletta (het op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen herziene Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed; Trb. 1992, 32):

  • a.

    het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten,

  • b.

    het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten,

  • c.

    het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden, en

  • d.

    het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Een aanvraag moet dus voldoende inzicht geven in de reden, aard en omvang van de activiteit, de impact op het monument of archeologisch monument en de monumentale waarde ervan, en het (voorgenomen) gebruik van het monument of archeologisch monument.

RRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.8 lid 1

In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd. Onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan vallen bijvoorbeeld bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet. In deze bestemmingsplannen is er afgeweken van bepalingen bij of krachtens de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer. Dat betekent dat de omgevingsplanregels uit die bestemmingsplannen op onderdelen in strijd zijn met de omgevingsplanregels van rijkswege. Ook kan in een bestemmingsplan toepassing zijn gegeven aan artikel 2, onder a, van de voormalige Interimwet stad-en-milieubenadering waarin is bepaald dat de gemeenteraad in een bestemmingsplan kan afwijken van een milieukwaliteitsnorm voor bodem, geluid en lucht. Omdat ook deze bestemmingsplannen samen met de omgevingsplanregels van rijkswege in het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden opgenomen moet er een voorrangsregel worden opgenomen.

Deze voorrangsregel geldt ook bij strijdigheid tussen de omgevingsplanregels van rijkswege en de:

  • a.

    voorwaarden aan het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in een riool in een gemeentelijke verordening op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer; en

  • b.

    de aanwijzing van concentratiegebieden en waardsen of afstanden voor geur bij het houden van landbouwhuisdieren in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.

Om die reden is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de regels van afdeling 3.2, met uitzondering van paragraaf 3.2.1.3, en afdeling 6.3 van dit omgevingsplan niet van toepassing zijn voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. De toets of er sprake is van «strijd» omvat ook een toets of wel of niet sprake is van regels met hetzelfde oogmerk. Als de regels een ander oogmerk hebben, doet «strijd» in de zin van de bepaling zich niet voor. Dit is vergelijkbaar met de wijze waarop bij de toepassing van artikel 121 van de Gemeentewet wordt getoetst of er sprake is van «strijd» met een hogere regeling. Paragraaf 3.2.1.3 van dit omgevingsplan is van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling uitgezonderd. Deze paragraaf regelt dat bepaalde bouw- en gebruiksactiviteiten van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan, ongeacht wat er in het omgevingsplan concreet is bepaald. Daarmee zijn deze activiteiten, voor zover die in strijd zouden zijn met het omgevingsplan, aangewezen als vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Als paragraaf 3.2.1.3 niet van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling zou worden uitgezonderd, waardoor die paragraaf toch opzij gezet zou kunnen worden door andersluidende bepalingen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zou als gevolg daarvan de werking van die paragraaf worden ontkracht. Dat is onwenselijk.

SSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.9 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in de artikelen 4.35, eerste en tweede lid, 4.36, 4.42, 4.43, 4.45 tot en met 4.48 en 4.50.

De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.

Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»).

Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.

Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van de artikelen 4.35, 4.36,6.239,  9.2, 9.4 tot en met 9.7 en 9.9 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 10.9 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in artikel 10.9, eerste lid. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in artikel 10.9, tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.

TTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 11.8 lid 1

In artikel 5.89a van het Bkl zijn slagschaduwgevoelige gebouwen, die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over slagschaduw in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen wel bescherming. Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouwen, die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming tegen slagschaduw blijven houden. Dit tot het moment dat bij:

  • a.

    het vaststellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan; of

  • b.

    het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit;

beoordeeld is dat de situatie ook zonder deze regel voor slagschaduw op het tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouw, aanvaardbaar is.

UUUUUU

Na sectie ' Bij artikel ,  lid, van dit omgevingsplan, begripsbepalingen' worden twee secties ingevoegd, luidende:

gevelindeling

De redengevende beschrijving gaat onder andere in op de gevelindeling van een beeldbepalend gebouw zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van de beschrijving. Het bevat daarmee een belangrijke aanwijzing wat wordt beschermd. De in deze omschrijving genoemde onderdelen zijn niet-limitatief. Het ontbreken van een expliciete vermelding sluit bescherming van tot de oorspronkelijke gevelindeling behorende onderdelen niet uit. Voor ramen is nog een nadere specificering van belang. Glas-in-lood en roedeverdeling hoort bij de detaillering van ramen en genieten dus bescherming.

restauratieve aanpak van een gevel

De restauratieve aanpak berust op de volgende uitgangspunten: 

  • a.

    behoud van het pand: het oorspronkelijke pand, inclusief de bestaande gevel, blijft leidend. Vernieuwing of vervanging van (onderdelen van) het pand is uitsluitend toegestaan indien dit noodzakelijk is en ondergeschikt blijft aan de oorspronkelijke verschijningsvorm van het pand, waaronder de authentieke hoofdopzet, gevelindeling, kapvorm en detaillering;

  • b.

    herstel op passende wijze: herstel van het pand vindt plaats op een wijze die recht doet aan de oorspronkelijke verschijningsvorm. Dit omvat in ieder geval:

    • 1.

      de oorspronkelijke gevelindeling, hoofdopzet en kapvorm;

    • 2.

      het gebruik van materialen die overeenstemmen met de oorspronkelijke materialisering; en

    • 3.

      de detaillering die kenmerkend is voor het pand.

  • c.

    vervanging van storende toevoegingen: storende of niet-originele toevoegingen mogen worden vervangen door nieuwe, hoogwaardige ontwerpen, waarbij, voor zover mogelijk, wordt aangesloten bij de oorspronkelijke verschijningsvorm van het pand.

 

I Overzicht Documentenbijlagen

Goflo ontwerpwijziging reparatie omgevingsplan deelgebied Centrum

/join/id/pubdata/gm0392/2026/15425f0122b9459297ddc464a7e566a8/nld@2026‑07‑09;09515863

Toelichting

1 Toelichting

Voor een onderbouwing van het omgevingsplan Haarlem deelgebied Centrum en de uitgevoerde reparaties wordt verwezen naar: Goflo ontwerpwijziging reparatie omgevingsplan deelgebied Centrum.

Naar boven