Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Hilversum 2026

 

 

BELEIDSREGELS GEMEENTE HILVERSUM

 

Behorende bij de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hilversum 2025

 

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Hilversum 2026

 

Het college van burgemeester en wethouders van Hilversum,

 

gelet op:

• Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht

• De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

• De Verordening maatschappelijke ondersteuning Hilversum 2025

 

gezien:

• het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Hilversum d.d. 4 juni 2026

 

besluit: vast te stellen de hieronder beschreven “Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Hilversum 2026”.

 

Vastgesteld in Collegevergadering d.d. 30 juni 2026.

 

 

 

Inleiding

Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). In aanvulling op de wet is door de gemeenteraad een verordening vastgesteld, zijnde de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hilversum 2025 (hierna: Verordening). Tezamen vormen zij het wettelijke kader, waarbij de Wmo 2015 boven de Verordening staat. Hoewel dit wettelijke kader duidelijke regels stelt voor zowel de taken en bevoegdheden van het college als de rechten en plichten van de inwoner, blijft er een zekere beoordelings- en handelingsruimte over. Deze beleidsregels geven hieraan nadere invulling. Dit moet zowel de voorspelbaarheid van gemeentelijk handelen als de motivering van besluiten ten goede komen. In deze beleidsregels keren enkele hoofdstukken uit de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Hilversum 2020 niet meer terug, omdat de hierin behandelde onderwerpen al zijn opgenomen in het wettelijke kader (Wmo 2025 en de Verordening) en geen nadere uitwerking behoeven in de beleidsregels.

Het betreft:

- de procedure: zie o.m. de artt. 2 e.v. van de Verordening;

- de algemene criteria voor een maatwerkvoorzening: zie o.m. art. 6 van de Verordening;

- de verstrekking van een maatwerkvoorziening: zie o.m. artt. 1.2.1 e.v. Wmo 2015, artt. 2.3.1 e.v. Wmo 2015, artikel 1 onder sub i van de Verordening;

- de regels voor de eigen bijdrage algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. zie o.m. artt. 14 en 15 van de Verordening.

 

-

 

HOOFDSTUK 1 UITGANGSPUNTEN VAN HET GEMEENTELIJK WMO BELEID

1) De dienstverlening van de gemeente is gebaseerd op:

Vertrouwen: het verhaal van de inwoner is het vertrekpunt;

Eenvoud: de procedures zijn overzichtelijk, geen onnodige stukkenstroom;

Betrokkenheid: de vraag van de inwoner staat centraal; oplossingsgericht werken is de norm;

Duurzaamheid: de ondersteuning is passend en effectief voor de langere termijn, hergebruik van voorzieningen waar mogelijk.

 

2) De Wmo 2015 neemt de eigen kracht van de inwoner als uitgangspunt. Het is de bedoeling dat de inwoner eerst kijkt in hoeverre hij zelf, of samen met zijn directe omgeving als dat mogelijk is, een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van zijn situatie. De gemeente neemt verantwoordelijkheden van inwoners niet over, maar stimuleert inwoners juist hun eigen mogelijkheden aan te wenden en waar mogelijk te versterken.

 

3) De inwoner houdt rekening met zijn beperkingen en ontwikkelingen daarin. Waar mogelijk wordt hierop geanticipeerd. Denk bijvoorbeeld aan iemands woonsituatie in relatie tot diens levensfase en/of fysieke gesteldheid. Als een inwoner ingeschreven staat bij WoningNet, dan kan hij zich – ook in geval van een koopwoning – laten adviseren door één van de wooncoaches van de woningcorporaties in de regio Gooi en Vechtstreek.

 

4) De inwoner stelt alles in het werk om herstel te bevorderen. Behalve behandeling kan het ook gaan om het aanwenden van een gezondere leefstijl, als hiermee de beperkingen van de inwoner geheel of gedeeltelijk kunnen worden opgeheven. Het integrale beleid van de gemeente is gericht op de bevordering van de vitaliteit en mentale weerbaarheid van haar inwoners. Deze beleidsregels dienen dan ook in samenhang te worden gezien met onder meer de Beleidsagenda Gezondheid 2025-2030.

 

5) Voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, komen niet in aanmerking voor vergoeding op grond van de Wmo 2015. Voor de bepaling van het bedrag dat financieel redelijkerwijs te dragen is voor een persoon met een inkomen op het sociaal minimum wordt uitgegaan van de volgende formule: 5% van de bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld, vermenigvuldigd met 18. De formule is afgeleid van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 349a lid 1 van de Faillissementswet. Bij de bepaling van de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, wordt eveneens rekening gehouden met de beschikbaarheid op de tweedehands markt.

 

6) Hoewel het vragen van hulp door sommige inwoners als bezwaarlijk kan worden beschouwd, wordt ook van hen verwacht om het sociale netwerk in te schakelen waar dit mogelijk is. Hoewel mantelzorg niet verplicht kan worden gesteld, zijn mantelzorgers wel onmisbaar om goede zorg beschikbaar en betaalbaar te houden. Mantelzorgers worden door de gemeente ondersteund om de structurele zorg aan de inwoners uit hun familie- of vriendenkring te kunnen verlenen. Naast informatiebijeenkomsten en individuele adviesgesprekken gaat het ook om bijvoorbeeld dagactiviteiten van de zorgbehoevende buitenshuis en tijdelijk verblijf elders om crises thuis en (dreigende) overbelasting van de mantelzorgers te voorkomen. Een overzicht van het ondersteuningsaanbod is te vinden op: https://www.mantelzorggv.nl.

7) Financiële draagkracht is geen criterium voor het al dan niet in aanmerking komen voor een (aanvullende) voorziening op grond van de Wmo 2015. Wmo voorzieningen zijn voor eenieder toegankelijk. Er is echter krapte in de zorg. Daarom wordt op inwoners een beroep gedaan om waar mogelijk in eigen oplossingen te voorzien.

 

8) De inwoner krijgt ondersteuning op grond van de Wmo 2015 om de beperkingen die hij ondervindt bij zijn zelfredzaamheid en/of participatie in aanvaardbare mate op te lossen. Met ‘in aanvaardbare mate’ wordt bedoeld de ondersteuning die in de gegeven situatie passend is om aan het leven van alledag deel te kunnen nemen en sociale contacten te onderhouden. De ondersteuning moet in redelijke verhouding staan tot de situatie van de inwoner vóór hij ondersteuning nodig had. De gemeente behoeft dus geen volledige compensatie te bieden voor de door de inwoner ervaren beperkingen.

 

9) In veel gevallen is de ondersteuning van tijdelijke aard, omdat de inwoner – al dan niet met behulp van zijn netwerk – weer voldoende de regie kan voeren op zijn leven. Dit geldt in de regel voor de maatwerkvoorziening begeleiding. In sommige gevallen is er echter langdurige ondersteuning vanuit de gemeente vereist. In situaties waarin dit voorzienbaar is, zal de gemeente daarom indicaties voor maatwerkvoorzieningen voor onbepaalde tijd c.q. voor lange duur verstrekken. Te denken valt aan de inzet van huishoudelijke hulp. Behalve in geval van gewijzigde omstandigheden, nieuwe beleidsinzichten of technologische ontwikkelingen zullen er tussentijds geen herindicaties plaatsvinden. Onzekerheid over de te verwachten ondersteuning kan namelijk leiden tot continue stress. Dat is onwenselijk en past ook niet in het beleid van de gemeente ten aanzien van stresssensitief werken. Wel blijft de gemeente het contact met de inwoner onderhouden.

 

10) Op grond van artikel 2.2.3 Wmo 2015 zet de gemeente in op de beschikbaarheid van algemene voorzieningen (in de wijk). Deze zijn voorliggend op de individuele maatwerkvoorzieningen. Belangrijke voorbeelden zijn begeleiding en dagbesteding. Hoewel algemene voorzieningen vrij toegankelijk zijn, kan er een lichte toelatingstoets plaatsvinden, omdat met de algemene voorziening het bereik van een bepaalde doelgroep binnen de gemeente wordt beoogd. Zo mogelijk worden in plaats van individuele maatwerkvoorzieningen collectieve voorzieningen ingezet. Het meest bekende voorbeeld hiervan is de Wmo taxi. In particuliere woonvormen met zorgaanbod worden hulpmiddelenpakketten (zoals tilliften) ingezet voor gezamenlijk gebruik.

 

11) In artikel 9 lid 4 van de Verordening zijn de voorwaarden opgenomen voor de inzet van het persoonsgebonden budget. Hieruit volgt o.m. dat het persoonsgebonden budget alleen gebruikt mag worden voor het inkopen van ondersteuning waarvoor de indicatie is afgegeven. Voor zover het persoonsgebonden budget dit toelaat kan een bedrag tot maximaal € 100,00 per jaar worden besteed aan uitgaven buiten de geïndiceerde zorg(uren) om, voor zover die uitgaven maar wel verband houden met het doel waarvoor de indicatie is afgegeven. Denk hierbij aan een presentje voor de betreffende zorgverlener of de bekostiging van een (extra) activiteit waarop de ondersteuning betrekking heeft. Als uitgangspunt geldt verder dat alleen de daadwerkelijk gewerkte uren gedeclareerd kunnen worden. Er zijn daarom geen uitkeringen mogelijk via een persoonsgeboden budget, waarvoor geen zorg is verleend aan de inwoner. Dit geldt ook in geval van overlijden. Echter, het kan zijn dat er ook na overlijden nog werkzaamheden worden verricht die verband houden met de zorgrelatie waarop het persoonsgebonden budget ziet. In die gevallen kunnen de werkzaamheden tot een maand na overlijden ook nog worden gedeclareerd volgens de Wmo indicatie. Daarvoor moet echter wel een expliciet verzoek worden ingediend, omdat de indicatie automatisch wordt beëindigd per de datum van overlijden. De zorgverlener zal hierop worden gewezen.

 

12) De inwoner die een fysieke Wmo voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget ontvangt, gaat hier als ‘goed huisvader’ mee om. De voorziening wordt ook geacht een zekere periode mee te gaan. In onderstaande tabel is een overzicht van de minimale gebruiksduur van een aantal veel voorkomende voorzieningen opgenomen.

 

Tabel minimale gebruiksduur hulpmiddelen en woningaanpassingen.

Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt tussen voorzieningen in natura of in de vorm van een PGB.

Vervoersvoorziening (uitgezonderd Wmo taxipas)

 

Scootmobiel

7 jaar

Handbike

7 jaar

Fietsvoorziening overig

7 jaar

Autoaanpassing

7 jaar

Woonvoorziening

 

Traplift

12 jaar

Tillift

7 jaar

Transferhulpmiddel

7 jaar

Woningaanpassing: Toiletten

10 jaar

Woningaanpassing: Beugels (voor zover niet algemeen gebruikelijk)

10 jaar

Woningaanpassing: Douchezitjes en natte cel aanpassingen

10 jaar

Losse sanitaire voorzieningen

7 jaar

Woningaanpassing: Drempels/toegankelijkheid, deurautomaten, deuren

10 jaar

Drempelhulpen (voor zover niet algemeen gebruikelijk)

10 jaar

Woningaanpassing: Keukens

15 jaar

Woningaanpassing: Maatwerk en overige woonvoorzieningen

10 jaar

Overig (o.a. sportvoorzieningen)

7 jaar

 

 

 

HOOFDSTUK 2 MAATWERKVOORZIENINGEN

Maatwerkvoorzieningen zijn in vele variaties denkbaar. De maatwerkvoorzieningen zijn niet nader uitgewerkt in de Verordening. In deze beleidsregels zijn als voorbeeld en ter verduidelijking de maatwerkvoorzieningen opgenomen die regelmatig door het college van de gemeente Hilversum worden verstrekt. Voor deze voorzieningen zijn contracten aangegaan met zorgaanbieders, leveranciers en aannemers. De inkoop van Wmo voorzieningen is belegd bij de Regio Gooi en Vechtstreek. Voor de feitelijke verstrekking van hulpmiddelen en voorzieningen wordt gebruik gemaakt van het digitaal leefplein (DLP). Dit is een digitaal proces- en informatiesysteem. Zowel de consulenten van de gemeenten binnen de regio als de gecontracteerde zorgverleners en leveranciers maken hiervan (verplicht) gebruik. Wanneer blijkt dat een inwoner een andere passende voorziening nodig heeft dan het gecontracteerde aanbod, wordt een aparte maatwerkovereenkomst gesloten.

 

Achtereenvolgens komen de volgende voorzieningen aan bod:

2.1 Woonvoorzieningen

2.2 Voorzieningen ter bevordering van de mobiliteit (rolstoelen/vervoersvoorzieningen)

2.3 Sportvoorzieningen

2.4 Huishoudelijke hulp

2.5 Persoonlijke verzorging

2.6 Dagbesteding

2.7 Begeleiding

2.8 Beschermd wonen

2.9 Opvang

 

 

2.1 Woonvoorzieningen

 

Algemeen

De Wmo 2015 is erop gericht om mensen zo lang mogelijk zelfstandig en in een passende woning te laten wonen. Soms kan een herschikking van taken of een herinrichting van de woning volstaan om de belemmeringen voor de inwoner met betrekking tot een normaal gebruik van de woning op te heffen. Waar nodig kan de gemeente echter ook ondersteuning bieden in de vorm van een woonvoorziening.

Een woonvoorziening heeft als doel het normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, douchen, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Dat geldt ook voor kelders en zolders. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutisch baden. De Wmo 2015 biedt evenmin ondersteuning waar het onderhoud betreft of gebruik van de tuin of buitenruimten, tenzij de woning zonder aanpassing helemaal niet toegankelijk is.

Niet elke woningaanpassing komt in aanmerking voor vergoeding vanuit de Wmo 2015. Het valt onder de verantwoordelijkheid van de inwoner om waar mogelijk en voor zover redelijk zelf tijdig maatregelen te treffen die passen bij c.q. vallen onder zijn persoonlijke omstandigheden (o.a. leeftijd, beperkingen en ondersteuningsbehoefte), de algemene technische en bouwkundige normen (zoals bijvoorbeeld opgenomen in het Besluit bouwwerken en leefomgeving (Bbl), regulier onderhoud van de woning en de verwachte levensduur van algemeen gebruikelijke voorzieningen.

Eigen kracht

Met verwijzing naar de eigen kracht van de inwoner wordt van hem verwacht dat hij de verhuurder/vereniging van eigenaren aanspreekt op noodzakelijk onderhoud en de aanwezigheid van (algemene) voorzieningen die redelijkerwijs aan het normale gebruik van de woning gesteld mogen worden. Een woonvorm voor een specifieke doelgroep is zelf verantwoordelijkheid voor de geschiktheid van de woning voor deze doelgroep. Een woongebouw voor senioren moet bijvoorbeeld toegankelijk zijn voor rollator gebruik. De badkamers in een woongroep voor rolstoelgebruikers moet geschikt zijn voor rolstoelgebruikers en de zorg die zij daar ontvangen. Als het sociaal netwerk ten behoeve van de woonbestemming beschikbaar is, kan daarbij worden gedacht aan de volgende ondersteuningsmogelijkheden:

- (klein) onderhoud/reparaties;

- anders inrichten van een woning;

- het leegmaken van een schuur;

- helpen bij een verhuizing.

 

 

Gebruikelijke hulp

Voorbeelden van gebruikelijke hulp bij wonen:

- bereiding van maaltijden in geval een keukenaanpassing wordt overwogen (taakverdeling binnen

huishouding);

- het legen van een po-stoel bij verstrekking ervan.

 

Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen

Voorbeelden van woonvoorzieningen die als algemeen gebruikelijk worden beschouwd en waarvoor dus geen maatwerkvoorziening wordt geïndiceerd zijn:

- verhoogd toilet/toiletverhoger (met en zonder armsteun);

- handgrepen/wandbeugels (niet opklapbaar);

- 2e toilet op bovenetage;

- raamopener (mechanisch/stok met haak);

- zonwering;

- 2e trapleuning;

- huurverhoging na renovatie van de woning (bijvoorbeeld vervanging van de badkamer).

 

Maatwerkvoorziening wonen

Wanneer de inwoner zelf geen of onvoldoende oplossing heeft voor de door hem ervaren beperkingen/belemmeringen bij het normaal gebruik van de woning, kan door de gemeente een woonvoorziening worden verstrekt. Het gaat altijd om de goedkoopst adequate voorziening wanneer er meerder opties zijn. Er kan onderscheid worden gemaakt naar soorten woonvoorzieningen:

A. losse woonvoorzieningen;

B. woningaanpassingen;

C. woningsanering;

D. tegemoetkoming in de verhuiskosten;

E bezoekbaar maken van een woning.

Voor zover een herverstrekking mogelijk is, worden woonvoorzieningen in bruikleen verstrekt als deze een waarde vertegenwoordigen van € 500,00 of meer. De inwoner wordt hierover ook geïnformeerd.

 

A. Losse woonvoorzieningen.

Onder losse woonvoorzieningen verstaan we: woonvoorzieningen die niet nagelvast aan het huis vast zitten en dus verplaatsbaar zijn. Dit worden ook wel roerende woonvoorzieningen genoemd. Voorbeelden zijn: een verrijdbare douchestoel of verrijdbare tillift. Losse voorzieningen zijn veelal voorliggend op bouwkundige woonvoorzieningen.

 

B. Woningaanpassingen

Voorbeelden van woningaanpassingen zijn: samenvoeging van vertrekken, verbreding van deuren, plaatsing van een aangepaste keuken, traplift en automatische deuropener. De inwoner is verantwoordelijk voor onderhoud en reparatie van de voorzieningen die in eigendom worden verstrekt.

In geval de inwoner niet zelf de eigenaar is van de woning geldt voor woningaanpassingen niet een verplichte toestemming van de woningeigenaar. Wel moet de woningeigenaar geïnformeerd worden. Voor de inwoner en/of de eventuele woningeigenaar is het in ieder geval van belang om te weten dat kosten voor het verwijderen of ongedaan maken van woningaanpassingen niet vanuit de Wmo 2015 worden vergoed. De eventuele kosten blijven voor rekening van de woningeigenaar. Bij een voorziening die in bruikleen is verstrekt zal de gemeente zorg dragen voor het verwijderen van de voorziening, maar niet voor eventueel herstelwerk, zoals het dichtmaken van gaten.

Wanneer de woningaanpassing omvangrijk is of zou moeten leiden tot een aanbouw aan de woning, kan de gemeente met het oog op kostenbeheersing ook kiezen voor het plaatsen van een losse woonunit. Hierbij wordt altijd eerst overwogen of verhuizen naar een geschiktere woning een optie is.

Om een woning aan te kunnen passen of een woonvoorziening te kunnen plaatsen moet worden voldaan aan het Besluit bouwwerken en leefomgeving (Bbl). Wanneer bijvoorbeeld een trap niet aan het Bbl voldoet, dan moet dit eerst in orde worden gemaakt door de woningeigenaar, vóór er een Wmo traplift kan worden geplaatst.

Er worden geen woonvoorzieningen verstrekt die betrekking hebben op algemene ruimten. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een recreatieruimte in een appartementencomplex. Voor zover het de gezamenlijke centrale toegang betreft, kunnen in geval van bijzondere omstandigheden wel individuele woonvoorzieningen worden verstrekt, voor zover deze noodzakelijke zijn om de woning van de inwoner met een ondersteuningsbehoefte te kunnen bereiken.

Bij een individuele voorziening voor een bewoner in de gemeenschappelijke ruimte is het uitgangspunt dat de Vereniging van Eigenaren (VvE) niet hoeft bij te dragen in de kosten van de vervanging van die voorziening (Rechtbank Groningen 29-04-2009, ECLI:NL:RBGRO:2009:BL5703). Ondanks het individuele karakter kan op basis van redelijkheid en billijkheid toch een bijdrage in de kosten van de VvE worden geëist. Maar daarvoor bestond volgens de rechtbank in deze zaak geen aanleiding.

 

 

C. Woningsanering

Wanneer sprake is van aantoonbare medische beperkingen ten gevolge van bijvoorbeeld astma, allergie of defect bewegingsapparaat kan een inwoner in aanmerking komen voor een woningsanering. Woningsanering in de Wmo 2015 heeft betrekking op overgordijnen, vitrage en vloerbedekking in de woon- en/of slaapkamer. Dit zijn in de regel algemeen gebruikelijke voorzieningen. De inwoner zal daarom moeten kunnen aantonen dat de medische beperkingen zijn ontstaan na de laatste vervanging van de vloerbedekking en gordijnen/vitrage en dat er op dat moment nog geen sprake was van deze beperkingen. De aandoening mag ook geen verband houden met de aard van de gebruikte materialen of de bouwtechnische staat van de woning. De gemeente zal zo nodig een extern medisch advies vragen met betrekking tot de noodzaak van de woningsanering. In de regel worden alleen de slaapkamer, gang en woonkamer gesaneerd.

Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met de afschrijving van de te vervangen gordijnen, vitrage en vloerbedekking.

Het overzicht is als volgt:

- gebruik tot 2 jaar : vergoeding van 100% van het normbedrag*

- gebruik tot 4 jaar : vergoeding van 75% van het normbedrag

- gebruik tot 6 jaar : vergoeding van 50% van het normbedrag

- gebruik tot 8 jaar : vergoeding van 25% van het normbedrag

- gebruik langer dan 8 jaar : geen vergoeding i.v.m. economische afschrijving

 

* Met normbedrag wordt bedoeld de werkelijke reële kosten van de sanering tot het maximumbedrag van de vergoeding van de gemeente.

 

De vergoeding betreft een tegemoetkoming in de kosten. De inwoner betaalt daarom geen eigen bijdrage. Het gaat daarbij om de werkelijke kosten tot een maximumbedrag van € 2.500,00. Hierbij gelden de volgende richtlijnen:

- Vloerbekleding: maximaal € 25 per m2;

- Raambekleding: maximaal € 28 per strekkende meter, gemeten over de breedte van de ramen.

 

D. Verhuizing

Het kan voorkomen dat een woning - ook in geval van een enkele aanpassing - niet langer geschikt is voor de betrokken inwoner in verband met diens beperkingen of ziektebeeld. Een voorziening op grond van de Wmo 2015 moet een oplossing bieden voor de langere termijn. Een verhuizing kan dan de aangewezen voorziening zijn. De verhuizing dient noodzakelijk en niet voorzienbaar te zijn, want anders mag deze als algemeen gebruikelijk worden verondersteld. De leeftijd of levensfase van de inwoner maakt op zichzelf genomen een verhuizing nog niet voorzienbaar. Er moet een samenhang zijn met andere factoren. Zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van een progressieve aandoening. Onder de kosten van de verhuizing worden naast het transport ook de kosten van stoffering en schilderwerk verstaan. De tegemoetkoming in de kosten van de verhuizing is gelijk aan de werkelijke kosten tot een maximumbedrag van € 3.500.

Ook wanneer de woningaanpassing veel kosten met zich meebrengt (bij een bedrag van € 10.000,00 of meer zal dit altijd worden onderzocht), zal worden beoordeeld of een verhuizing niet meer opportuun is (primaat van verhuizen). Het gaat in de Wmo tenslotte om de goedkoopst adequate voorziening. Eén en ander zal worden beoordeeld aan de hand van de termijn waar binnen een oplossing gerealiseerd moet zijn, de persoonlijke situatie van de inwoner (o.m. binding met de buurt), zijn financiële middelen, de aanwezige ondersteuning vanuit het netwerk, alsmede de reële beschikbaarheid van een passende woning. Waar nodig wordt nog medisch advies ingewonnen. Wanneer de inwoner nog niet bekend is bij de gemeente, kan aan de inwoner een Wmo indicatie voor verhuizing worden verstrekt, zodat de inwoner deze kan opnemen in zijn zoekprofiel voor een geschikte sociale huurwoning op het woningnet (https://gooienvecht.mijndak.nl/).

Het enkele feit dat de inwoner hogere woonlasten heeft na de verhuizing, maakt de afweging van de gemeente voor een verhuizing nog niet onredelijk. Wanneer de inwoner desondanks een voortzetting van zijn verblijf in de oude woning verkiest met een woningaanpassing, wordt de hoogte van een eenmalige tegemoetkoming voor de aanpassing van de betreffende woning vastgesteld op de werkelijke reële kosten tot een maximumbedrag van € 3.500,00. Een eigen bijdrage is niet aan de orde.

 

E. Bezoekbaar maken van een woning

Wanneer de inwoner in een aangepaste woning of Wlz-instelling woont kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt bezoekbaar gemaakt worden. Deze bezoeken moeten kunnen worden gezien in het kader van behoud van “family life”. Denk hierbij aan kinderen die vanwege hun beperkingen niet bij hun ouders kunnen blijven wonen of partners die gedwongen gescheiden van elkaar leven. Bezoekbaar houdt in dat de inwoner toegang heeft tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet. Er worden geen aanpassingen vergoed om het logeren mogelijk te maken. Het is niet noodzakelijk dat de belanghebbende ook woonplaats heeft in Hilversum (= uitzondering op woonplaatsbeginsel). Uiteraard dient de betreffende woning wel binnen de gemeentegrenzen van Hilversum gesitueerd te zijn (=buitenwettelijk begunstigend beleid). Een PGB voor het bezoekbaar maken van een woning bedraagt de werkelijke kosten tot een maximum van €5.000,-. Het bedrag is ook van toepassing op het onderhoud van reeds aanwezige voorzieningen (=instandhouding van bestaande situatie).

 

 

2.2. Voorzieningen ter bevordering van de mobiliteit

 

Het college kan een voorziening verstrekken indien een inwoner beperkingen ervaart bij de noodzakelijke verplaatsingen:

• bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen; of

• bij het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.

 

In de Wmo 2015 gaat het om de noodzakelijke verplaatsingen over de korte en middellange afstand en regionaal vervoer. Bovenregionaal valt niet onder de werkingssfeer van de Wmo 2015. Voor bovenregionaal vervoer met taxi of trein geldt de Valys regeling (=nationale voorziening). Hiervan kan gebruik worden gemaakt voor reizen verder dan 5 OV-zones of 25 km vanaf het woonadres (info: www.valys.nl). Wanneer de Valys kilometers opraken, wordt dit niet van uit de Wmo aangevuld. De inwoner kan bij Valys een aanvraag doen voor extra kilometers. Als die wordt afgewezen, is er nog steeds geen indicatie om vanuit de Wmo 2015 dit vervoer te regelen.

Het gaat bij de Wmo 2015 om het leven van alledag. Wmo voorzieningen zijn daarom niet bedoeld om te reizen naar bijvoorbeeld een sociale werkplaats of voor vervoer in verband met medische behandelingen in het ziekenhuis die op grond van de Zorgverzekeringswet worden vergoed. Het woon-werkverkeer is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer. Vrijwilligerswerk valt hier niet onder.

 

In geval van een mobiliteitsbeperking van de inwoner zal door de Wmo consulent een totaalbeeld worden opgemaakt van de beperkingen en noodzakelijke vervoersbehoefte van de inwoner. Voorzieningen worden op elkaar afgestemd. In geval er meerdere opties zijn, wordt gekozen voor de goedkoopst adequate oplossing. In geval van een speciale aanpassing aan een als algemeen gebruikelijk bestempelde voorziening komt alleen de aanpassing op grond van de Wmo 2015 in aanmerking.

 

Voorliggende voorzieningen

Vervoersvoorzieningen die voorgaan op een Wmo maatwerkvoorziening zijn onder andere:

- hulpmiddelen uitleen (zoals een rolstoel: duur 6 maanden)

- ziekenvervoer op grond van de Zorgverzekeringswet;

- ANWB AutoMaatje (voor zover de inwoner geen gebruik kan maken van de Wmo-taxi via Vervoer Gooi en Vechtstreek B.V);

- buurtmobi.

 

Eigen kracht

Er wordt onderzocht wat de inwoner zelf nog kan en waar de inwoner belemmeringen ondervindt met betrekking tot o.a. (het gebruik van) benen, armen, stabiele houding, oriëntatie en evenwicht. Het gaat om vragen als: volstaat een rollator of is een rolstoel nodig, kan betrokkene zelfstandig de rolstoel voortbewegen of is elektrische ondersteuning nodig, is een standaard voorziening voldoende of zijn er speciale aanpassingen nodig, kan de inwoner (met een kleine aanpassing) nog zelfstandig fietsen of is hij aangewezen op bijvoorbeeld een scootmobiel of driewielfiets? Voor de inzet van openbaar vervoer kan de inwoner mogelijk gebruik maken van OV apps.

 

Gebruikelijke hulp

Het college hecht grote waarde aan het zo zelfstandig mogelijk kunnen functioneren van de inwoner. Een passende vervoersvoorziening kan hiertoe een belangrijke bijdrage leveren. Een te grote afhankelijkheid van anderen is daarom niet wenselijk. Desalniettemin wordt van gezinsleden en huisgenoten van de inwoner een naar algemene maatstaven redelijke inzet verwacht ten aanzien van het vervoer en de eventuele begeleiding daarbij van de inwoner. Met name waar het gaat om een mobiliteitsprobleem van tijdelijke aard (de inwoner is herstellende van een ziekte/kwetsuur) of incidenteel vervoer (zoals een ziekenbezoek of een jaarlijks evenement) valt de ondersteuning al snel onder de noemer gebruikelijke hulp.

Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Voorbeelden van algemene voorzieningen ter bevordering van de mobiliteit zijn:

• eenvoudige rollator (in bepaalde gevallen verstrekking via de Zvw);

• fiets met lage instap, ligfiets;

• elektrische fiets/fiets met hulpmotor;

• personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn.

Indien de inwoner mobiliteitsproblemen ondervindt, deze niet zelf kan oplossen en ook geen andere voorliggende voorzieningen voorhanden zijn, dan kan de inwoner in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening. Hilversum kent onder meer de volgende maatwerkvoorzieningen ter bevordering van de mobiliteit:

A. rolstoelvoorziening;

B. scootmobiel;

C. aangepaste fiets;

D. Wmo taxi;

E. autoaanpassing;

F. individuele vervoersvoorziening

 

A. Rolstoelvoorziening

Er kan onderscheid worden gemaakt tussen de volgende voorzieningen:

• handmatig voortbewogen rolstoel;

• elektrisch voortbewogen rolstoel;

• aanpassingen aan de rolstoel.

Met aanpassingen wordt bedoeld: extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten, maar wel noodzakelijk zijn voor de inwoner en/of zijn verzorger. Accessoires die niet noodzakelijk zijn worden doorgaans in de regel niet vergoed. Voor rolstoelen geldt dat voor kortdurend gebruik een beroep kan worden gedaan op de uitleenservice van andere organisaties. Een rolstoel wordt vooral ingezet op het gebruik in en rondom het huis. Naar gelang de vervoersbehoefte en mogelijkheden van de inwoner kan de rolstoel ook voor langere afstanden worden ingezet. Dit wordt meegenomen in het onderzoek. Voor de verstrekking van een rolstoel geldt geen eigen bijdrage.

 

B. Scootmobiel

In geval van een verstrekking van een scootmobiel is er veelal sprake van een beperkte loop- en fietsfunctie. Een scootmobiel wordt meestal gebruikt voor korte loopafstand tot middellange fietsafstand. Als een scootmobiel door de gemeente wordt overwogen, zal tevens worden beoordeeld of de scootmobiel (brand)veilig gestald kan worden. De aanwezigheid van een oplaadpunt in de eigen berging wordt als algemeen gebruikelijk geacht. De stalling moet voor de inwoner zelf bereikbaar zijn. Anders is een scootmobiel geen geschikte oplossing en moet eerder gedacht worden aan een rolstoel.

Een scootmobiel moet altijd op een brandveilige plek worden gestald zoals bepaald in het Besluit bouwwerken en leefomgeving (Bbl). Een scootmobiel mag niet in nooduitgangen, vluchtwegen of de gezamenlijke gang staan. Brandveilig is het als de scootmobiel staat:

- in een aparte berging;

- in een goed geventileerde ruimte;

- op een plek zonder brandbare spullen;

- waar hij geen vluchtweg blokkeert.

 

C. Aangepaste fietsen en handbikes

Er zijn fietsen, zoals de driewielfiets en duofiets, alsmede handbikes die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met een beperking en alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht. Een fiets met lage instap, fiets met hulpmotor of elektrische fiets zijn niet speciaal ontworpen voor mensen met een beperking en worden in de reguliere handel verkocht. Daarom worden deze fietsen in beginsel als algemeen gebruikelijk beschouwd, ook al zijn de aanschafkosten hoger dan die van een reguliere fiets. Uitzonderingen zullen beoordeeld worden door de gemeente. Fietsen zijn over het algemeen gericht op het vervoer over middellange afstanden.

 

D. Wmo taxi/regionaal vervoer

Als een inwoner geen gebruik kan maken van een auto of openbaar vervoer voor de vervoersbehoefte over (veelal) langere afstanden kan hij mogelijk in aanmerking komen voor reizen met de Wmo-taxi. Een aanwijzing hiervoor is wanneer de inwoner, al dan niet met gebruikmaking van een hulpmiddel, niet in staat is om zelfstandig een afstand af te leggen van circa 800 meter meter. Dit geldt als richtlijn voor alle noodzakelijk lokale en regionale vervoersbewegingen, zoals het bereiken van een bushalte of treinstation. De Wmo-taxi is een vorm van collectief vervoer. Met een Wmo-taxipas kan de inwoner vanaf zijn woning tot aan de bestemming en omgekeerd reizen tegen gereduceerd tarief met tevens de mogelijkheid van begeleiding bij het in- en uitstappen. De inwoner betaalt een instaptarief van € 1,15 en € 0,187 per gereden kilometer (tarieven geldend op 1 januari 2026).

 

Er geldt een aantal voorwaarden:

- zo geldt het gereduceerd tarief tot maximaal 25 km vanaf het woonadres;

- er geldt een maximum van 1500 km per jaar, slechts in uitzonderlijke gevallen kan hiervan gemotiveerd worden afgeweken.

- Indien een andere vervoersvoorziening (b.v. scootmobiel met een grotere actieradius) is toegekend waarmee het reisgebied van de Wmo taxi wordt bestreken, geldt als stelregel dat niet meer dan 50 % van het maximaal aantal km wordt toegekend.

 

Verder geldt dat:

- maximaal 2 medereizigers tegen het commerciële tarief (= dubbele tarief) mogen meereizen;

- mogelijk andere passagiers mee kunnen reizen met de taxi waardoor de route langer wordt (waarbij dan wel het tarief van de kortste afstand geldt);

- in bijzondere situaties kan er individueel taxivervoer worden geïndiceerd, indien de inwoner op basis van objectiveerbare redenen niet samen kan reizen met anderen;

- van de afgesproken tijden kan worden afgeweken waarbij in beginsel een marge wordt gehanteerd van maximaal een kwartier;

- kinderen tot 4 jaar en begeleiders gratis mogen meerijden. Waarbij voor dit laatste geldt dat er een indicatie voor verplichte begeleiding moet zijn (NB: Dan mag nooit zelfstandig worden gereisd).

Zoals hierboven aangegeven is de Wmo taxi een voorbeeld van collectief vervoer. Bij de planning van de ritten wordt hier rekening mee gehouden. Omdat er veelal sprake zal zijn van medepassagiers kan bij de toewijzing van de zitplaatsen vooraf geen gehoor worden gegeven aan de persoonlijke voorkeuren van de inwoner. Uitzondering geldt voor de persoon die in verband met (medisch) objectiveerbare beperkingen niet van alle zitplaatsen gebruik kan maken (voor meer info over Wmo taxivervoer: https://www.vervoergv.nl

 

E. Auto-aanpassingen

Als een inwoner zonder autoaanpassingen geen gebruik kan maken van zijn auto en het collectief vervoer (OV/Wmo taxi) niet voldoet, kan overwogen worden of een autoaanpassing wordt vergoed. Bij autoaanpassingen wordt beoordeeld of het specifiek voor mensen met een beperking bedoelde voorzieningen betreft die meer kosten dan gebruikelijke autoaanpassingen. Bij verstrekking van autoaanpassingen wordt van de inwoner verlangd dat hij middels een onafhankelijke autokeuring aantoont dat de aan te passen auto de investering nog waard is. De autoaanpassing moet minimaal 10 jaar mee kunnen gaan. Overzetten naar een andere auto is voor de kosten van inwoner. Een pgb voor een autoaanpassing bedraagt de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen. Ter bepaling hiervan moet de inwoner ten minste twee offertes aanvragen. De inwoner zorgt ervoor dat de auto adequaat is verzekerd tegen schade als gevolg van vernieling, verlies en diefstal.

 

F. Individuele vervoersvoorzieningen (IVV)

IVV eigen auto

Het gebruik van een eigen auto is algemeen gebruikelijk. Indien het gebruik van de eigen auto in het specifieke geval van de cliënt niet als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, bedraagt het pgb voor het gebruik van de eigen auto € 0,23 per kilometer tot 1500 kilometer per jaar. De inwoner dient een correcte rittenadministratie met gereden kilometers bij te houden. Individueel taxivervoer via bijvoorbeeld Stichting Rolstoelbus ’t Gooi (Rollybus) of ANWB Automaatje is voorliggend voor zover de voorziening in de situatie van de inwoner goedkoper is. De IVV eigen auto wordt slechts in zeer bijzondere omstandigheden toegekend.

 

2.3 Sportvoorzieningen

Wanneer het voor de inwoner zonder bijzonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten van dit hulpmiddel aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde of een vergelijkbare sport, kan een sportvoorziening worden verstrekt op grond van de Wmo 2015. Gemeente Hilversum verstrekt geen sportvoorzieningen in natura. De voorziening bestaat daarom uit een bijdrage in de werkelijke kosten tot een maximumbedrag van € 3000,00. Dit maximumbedrag geldt voor alle bijzondere hulpmiddelen tezamen die nodig zijn om de sport te kunnen beoefenen. Wanneer het om een aanpassing gaat van een gebruikelijk sporthulpmiddel, komt alleen de betreffende aanpassing voor vergoeding in aanmerking.

Het criterium van de goedkoopst adequate oplossing is eveneens van toepassing op sportvoorzieningen. Het komt erop neer dat de inwoner in de gelegenheid moet zijn om zijn sport op een behoorlijke wijze uit te oefenen. Hierin past enige keuzevrijheid (maatwerk), maar het (gewenste) niveau waarop de sport wordt beoefend is verder niet relevant.

Om voor een sportvoorziening in aanmerking te komen zal de inwoner moeten aantonen dat er sprake is van sportbeoefening binnen verenigingsverband dan wel zal hij anderszins moeten onderbouwen dat de sportbeoefening een wezenlijke bijdrage levert aan zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer. In de Wmo 2015 staat immers participatie centraal. Dit betekent dat een sportvoorziening voor louter gebruik in huis niet voor vergoeding op grond van de Wmo 2015 in aanmerking komt, ook al bevordert de sportbeoefening op zich de gezondheid en het welzijn van de betrokkene.

Bij de toekenning van de voorziening wordt rekening gehouden met de gemiddelde levensduur van het betreffende sporthulpmiddel. Aangezien het om een bijdrage in de kosten gaat, geldt voor een sportvoorziening geen eigen bijdrage.

Voorbeeld 1: een inwoner doet aan hockey en heeft daarvoor een speciale stick nodig. Het betreft niet de aanpassing van een reguliere stick, want dan zou alleen de aanpassing voor vergoeding in aanmerking komen. De prijs van deze stick blijkt aanzienlijk hoger dan de gemiddelde prijs van een reguliere stick. De inwoner heeft zijn oog laten vallen op een stick van € 800,00. Een speciale stick blijkt echter al verkrijgbaar vanaf € 300,00. De inwoner komt in aanmerking voor een bijdrage van (maximaal) € 300,00.

Voorbeeld 2: een inwoner doet aan rolstoelhockey en heeft naast een aangepaste stick ook een sportrolstoel nodig. De totale kosten komen neer op een bedrag van (in ieder geval) € 300,00 +

€ 3200,00 = € 3500,00. De inwoner komt in aanmerking voor een vergoeding van de gemeente van maximaal € 3000,00. Zo mogelijk kan hij nog een aanvullende voorziening krijgen via het Fonds Gehandicaptensport (www.unieksporten.nl). Hiervoor geldt een eigen bijdrage van 15%.

Via Uniek Sporten Uitleen bestaat ook nog de mogelijkheid om een sporthulpmiddel gedurende een periode van maximaal 4 maanden gratis uit te proberen. Behalve voor het bepalen van het passende hulpmiddel dat benodigd is, kan ook worden bezien of de sport op zichzelf bevalt. Dit kan zeker bij kinderen die nog niet precies weten wat ze willen uitkomst bieden.

 

2.4 Huishoudelijke hulp

Gestructureerd huishouden

Om zelfredzaam te kunnen zijn is het van belang dat de inwoner in staat is tot het voeren van een gestructureerd huishouden. Dit houdt in ieder geval in:

- het schoon en op orde houden van het huishouden; en

- het kunnen beschikken over schoon beddengoed, schone kleding en boodschappen.

Afbakening inzet huishoudelijke hulp

1. Een huis is schoon en leefbaar, indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen;

2. De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, alsmede slaapvertrek, keuken, sanitair en gang/trap/overloop;

3. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maakt geen onderdeel uit van de ondersteuning bij het huishouden;

4. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp wordt gebruik gemaakt van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning van bureau HHM (laatste versie 2025). Zie tevens Tabel I;

5. Het normenkader ziet op maatwerk voor de individuele inwoner. In het normenkader is aangegeven hoeveel tijd nodig is als sprake is van volledige overname van het huishouden bij de omschreven ‘gemiddelde cliëntsituatie’ (ofwel ‘ijkcliënt’) en op grond waarvan minder dan mogelijk of meer dan nodig ondersteuning wordt geboden.

De maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp ziet op structurele ondersteuning bij het schoonhouden van de woning. Dit is de hoofdregel. In geval van een noodsituatie kan een uitzondering worden gemaakt op de hoofdregel. Denk bijvoorbeeld aan ontslag uit een ziekenhuis en de inwoner niet beschikt over een netwerk. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar de mate waarin de huishoudelijke hulp al dan niet uitstelbaar is. Niet-uitstelbare taken zijn het nuttigen van de maaltijd en de verzorging van kinderen. Wel uitstelbare taken zijn stofzuigen, reinigen van sanitair en keuken, alsmede het verschonen van bedden. Het gaat hier om een algemeen onderscheid. Per situatie zal beoordeeld moeten worden wat nodig is.

Taakvelden

Huishoudelijke hulp is onder te verdelen in verschillende taakvelden. De gemeente maakt onderscheid tussen:

- Uitvoerende schoonmaakwerkzaamheden (o.a. stofzuigen, dweilen, stof afnemen, ramen zemen);

- Wasverzorging;

- Boodschappen;

- Maaltijden (voor)bereiden en/of opwarmen (als er geen voorliggende oplossingen zijn);

- Organisatie van het huishouden (structuur aanbrengen)

- Advies en instructie over het voeren van een huishouden (aanleren van vaardigheden)

- Helpen bij en toezien op verzorging van kinderen.

Bepaalde onderdelen van huishoudelijke hulp (zoals maaltijdverzorging of organisatie van het huishouden) worden mogelijk al uitgevoerd via bijvoorbeeld de wijkzorg. Bij het indiceren wordt hier rekening mee gehouden. Ook vindt integrale indicering plaats als sprake is van persoonlijke verzorging of begeleiding.

 

Eigen kracht

De inwoner verricht zelf de huishoudelijk taken binnen de mogelijkheden die hij heeft. Dit kunnen ook deeltaken zijn. Ook wordt onderzocht of de huishoudelijke taken anders ingericht of uitgevoerd kunnen worden. Voorbeelden zijn: plaatsing van de wasmachine op een geschiktere plaats of de beschikbaarheid van een extra stofzuiger op de bovenverdieping. Hiermee wordt rekening gehouden bij het indiceren van de benodigde ondersteuning vanuit de Wmo 2015.

 

Als de inwoner al gewend was om voor eigen rekening een schoonmaakhulp in te huren, dan is het enkele feit dat er zich beperkingen voordoen geen reden om een beroep te doen op gemeentelijke ondersteuning. Wel moet in het onderzoek worden meegewogen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Gewijzigde omstandigheden kunnen zijn het wegvallen van financiële mogelijkheden van de inwoner of een toename van de benodigde ondersteuning van de inwoner. In het laatste geval komt alleen de extra ondersteuning in aanmerking voor compensatie op grond van de Wmo 2015.

 

Wanneer de inwoner feitelijk geen beperkingen heeft om huishoudelijke taken te verrichten, maar de vaardigheden mist om de huishouding te doen, bijvoorbeeld omdat zijn/haar partner dat altijd deed, dan kan de inwoner vanuit de Wmo 2015 gedurende korte tijd begeleiding en advies krijgen om de vaardigheden aan te leren. Een en ander voor zover de inwoner niet beschikt over een netwerk om hem te ondersteunen.

Familieleden, vrienden en/of buurgenoten maken deel uit van het sociaal netwerk van de inwoner. Veelal zal hij op hen ook een beroep kunnen doen. Voorbeelden hiervan zijn:

- (ondersteuning bij) boodschappen doen;

- afval verwijderen;

- terbeschikkingstelling van praktische gebruiksmiddelen, zoals een robotstofzuiger.

 

Gebruikelijke hulp

In geval de inwoner huisgenoten heeft, worden zij geacht huishoudelijke taken over te nemen voor zover dit redelijkerwijs van hen kan worden verwacht. De leefeenheid is namelijk in gezamenlijkheid verantwoordelijk voor het huishoudelijk werk. In de meeste gevallen zal het om gezinsleden van de inwoner gaan.

Afhankelijk van de leeftijd en belastbaarheid wordt ook van de inwonende minderjarige kinderen een bijdrage in de huishouding verwacht. Algemene uitgangspunten (ontleend aan Richtlijn Hulp bij het Huishouden 2011 van de MO Zaak, voorheen onderdeel van CIZ):

- Kinderen tot 5 jaar leveren geen (wezenlijke) bijdrage aan het huishouden;

- Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte

huishoudelijke werkzaamheden zoals: opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen,

boodschap doen, kleding in de wasmand gooien;

- Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen naast bovengenoemde taken ten minste ook hun eigen

kamer op orde houden (rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen);

 

Huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Dit wil zeggen: schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en één kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren.

Van huisgenoten van 23 jaar en ouder wordt in het algemeen verwacht dat zij de gehele huishouding kunnen doen.

 

Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Voor sommige taken of voorzieningen geldt dat deze niet zozeer te maken hebben met de beperkingen van de inwoner, maar min of meer van toepassing zijn op elk huishouden. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn:

- schoonmaakmiddelen;

- hulpmiddelen bij huishoudelijke taken, zoals een vaatwasser, magnetron, stofzuiger, huishoudtrap;

- boodschappendienst (voor zover feitelijk voorhanden);

- maaltijdenservicedienst (voor zover feitelijk voorhanden).

 

Normering huishoudelijke hulp conform HHM model

Gemeente Hilversum hanteert het HHM normenkader. De basisnorm voor de uitvoerende schoonmaakwerkzaamheden bedraagt 125 minuten per week. Het gaat hierbij om de gemiddelde cliëntsituatie waarbij sprake is van het volgende:

1) een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen;

2) wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap;

3) er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen;

4) de cliënt kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak;

5) de cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

6) er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

7) er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;

8) de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.

Mocht de inwoner deels zelf de werkzaamheden kunnen (laten) uitvoeren, dan wordt hier rekening mee gehouden (tijdsvermindering). Er kan meer tijd worden geïndiceerd naar gelang de situatie van de inwoner hierom vraagt. Te denken valt aan:

- een medische aandoening van de inwoner die vraagt om intensievere en/of frequentere schoonmaakwerkzaamheden;

- de samenstelling van het gezin, zoals de aanwezigheid van minderjarige kinderen;

- de aard van de woning (al leidt een grote woning niet automatisch tot een ruimere indicatie);

- de aanwezigheid van huisdieren (gaat niet om dierverzorging).

Naast schoonmaakwerkzaamheden kan extra tijd worden geïndiceerd voor bewassing, voeding en maaltijden, maar ook voor de organisatie van en instructie ten behoeve van het huishouden. Het normenkader biedt hiervoor richttijden. Voor een totaaloverzicht wordt verwezen naar tabel II bij deze beleidsregels. Toepassing van het HHM Normenkader levert op deze manier een indicatie op die is afgestemd op de situatie van het huishouden.

In het indicatiebesluit wordt de omvang van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp bepaald. Deze zal niet altijd volledig worden benut. De inwoner kan tijdelijk afwezig zijn in verband met een vakantie of een noodzakelijk verblijf elders. De tijd dat geen huishoudelijke hulp wordt verricht, wordt niet op een later moment alsnog ingehaald. In geval van zorg in natura dient de aanbieder wel te zorgen voor vervanging van de (vaste) hulpkracht, als het gaat om niet of niet langer uitstelbare ondersteuning.

Het is niet gezegd dat de huishoudelijke hulp ook wekelijks ingezet behoeft te worden. Het is niet ongebruikelijk dat de ondersteuning tweewekelijks wordt geboden. Daarbij wordt niet automatisch de weeknorm verdubbeld. Het hangt af van de eigen mogelijkheden van de inwoner. Zie hiervoor het HHM normenkader.

Het HHM normenkader kent geen nadere tijdsaanduiding met betrekking tot de verzorging van kinderen. Hiervoor hanteert Hilversum de volgende tabel met richttijden (Richtlijn Hulp bij het Huishouden 2011 van de MO Zaak):

 

Tabel I

Verzorging en/of tijdelijke opvang van kinderen

 

Naar bed brengen / uit bed halen 10 minuten per keer per kind

Wassen en kleden 30 minuten per dag per kind

Eten en/of drinken geven 20 minuten per broodmaaltijd

25 minuten per warme maaltijd

Babyvoeding: flesje 20 minuten per keer per kind

Luier verschonen 10 minuten per keer per kind

Naar school/crèche brengen/halen 15 minuten per keer per gezin

Factoren meer hulp

Wanneer tijdelijke opvang noodzakelijk is Tot 40 uur per week

Maximale duur tijdelijke opvang is 3 maanden. Zorgverlof, kinderopvang etc. is voorliggend. In bijzondere situaties is verlenging mogelijk.

 

 

 

TABEL II

 

 

2.5 Persoonlijke verzorging

 

Algemeen

De Wmo 2015 regelt de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het ondersteunen van mensen

die er niet op eigen kracht of met hulp van hun sociale netwerk in slagen zelfredzaam te zijn of te participeren in de samenleving. De omschrijving van zelfredzaamheid bevat twee elementen:

• het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen

• het voeren van een gestructureerd huishouden

 

In de vorige paragraaf is het gestructureerde huishouden aan de orde gesteld. In deze paragraaf over persoonlijke verzorging (PV) gaat het om de ondersteuning bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL). Persoonlijke verzorging houdt in: het ondersteunen bij, het stimuleren van, het aanleren van of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging. Ook het adviseren van informele verzorgers die de inwoner ondersteunen bij de dagelijkse levensverrichtingen valt onder de maatwerkvoorziening persoonlijke verzorging.

De volgende algemeen dagelijkse levensverrichtingen zijn onderdeel van de voorziening persoonlijke verzorging (niet limitatief):

• In en uit bed komen;

• Wassen;

• Aan en uit kleden;

• Toiletgang en zich daarbij reinigen;

• Ondersteuning bij uitscheiding;

• Eten en drinken;

• Zorg voor tanden, haren, nagels en huid;

• Zich verplaatsen in zit- en lighouding (hulp bij beweging en houding);

• Het delen en zo nodig toedienen van medicatie (niet zijnde medicijnen die vallen onder de apotheekverstrekking);

• Aanbrengen en verwijderen van prothese;

• Aanleren en begeleiden van PV-activiteiten.

 

Persoonlijke verzorging in het kader van geneeskundige zorg of juist ter voorkoming daarvan (er is een risico op geneeskundige zorg) valt echter niet onder de Wmo 2015 maar onder de werkingssfeer van de Zorgverzekeringswet. Bij risico op geneeskundige hulp kan worden gedacht aan:

- ouderen met een lichamelijke aandoening of beperking of met dementie;

- mensen bij wie de gezondheidssituatie snel kan veranderen en verslechteren en die dikwijls al (intensief) te maken hebben met huisartsenzorg of ziekenhuiszorg.

 

Niet alleen verpleegtechnische handelingen zijn uitgesloten van de Wmo 2015 maar ook zogeheten “voorbehouden handelingen”. Het gaat daarbij onder meer om:

• het aanreiken van een via de apotheek verstrekte of door een arts voorgeschreven medicijn;

• het toedienen van medicatie;

• het plaatsen van katheters of sondes;

• het schoonhouden en verzorgen van natuurlijke en onnatuurlijke lichaamsopeningen (o.a. stoma).

 

In de meeste gevallen waarin sprake is van lichamelijke verzorging geldt de wijkverpleging op grond van de Zvw als voorliggende voorziening. Persoonlijke verzorging in het kader van de Wmo 2015 doet zich bijvoorbeeld voor bij inwoners die als gevolg van een stoornis of gebrek te weinig structuur hebben en zichzelf (dreigen te) verwaarlozen. Daarom wordt persoonlijke verzorging in de regel in samenhang met begeleiding geïndiceerd. Zie paragraaf 7.6. Begeleiding richt zich veelal op het erop toezien dat de handelingen worden verricht, waar bij persoonlijke verzorging de nadruk ligt op de (fysieke) ondersteuning zelf. In geval van dagbesteding (paragraaf 7.7) zit de eventueel benodigde persoonlijke verzorging hierbij inbegrepen.

 

Eigen kracht

De inwoner die persoonlijke verzorging nodig heeft, is zonder meer afhankelijk van anderen. Van de inwoner wordt wel verwacht dat hij zelf hulp inschakelt op grond van de Zvw. In geval de inwoner een Wlz indicatie heeft, kan hij zich wenden tot het zorgkantoor. Waar nodig kan de inwoner hierbij ondersteuning vragen van een persoon uit zijn netwerk of van de onafhankelijke cliëntondersteuning. Pas wanneer de Zvw en de Wlz geen soelaas bieden, kan de inwoner een beroep doen op de Wmo 2015.

 

Gebruikelijke hulp

Bij persoonlijke verzorging in het kader van de Wmo 2015 gaat het niet zozeer om lichaamsgebonden hulp (geneeskundige zorg), maar om ondersteuning bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen in het algemeen. Van huisgenoten wordt daarbij verwacht dat zij inwoner helpen bij onder meer de maaltijden of het aanleren van vaardigheden. Pas wanneer sprake is van een langdurige intensieve zorgafhankelijkheid, kan niet langer worden gesproken van gebruikelijke hulp

Als richtlijn geldt een periode vanaf 3 maanden. Ook voor persoonlijke verzorging geldt dat rekening moet worden gehouden met de belastbaarheid van de verzorger.

 

Richttijden

Zoals hierboven aangeven is in de meeste gevallen de ondersteuning PV op grond van Wmo 2015 echter gericht op het lerend vermogen van de inwoner en regievoering met betrekking tot de dagelijkse verrichtingen en niet zozeer op de feitelijke handelingen zelf. Advisering hierover aan de verzorgers van inwoner hoort ook tot de ondersteuning. Als richttijd voor deze ondersteuning wordt totaal een uur per week gehanteerd (half uur voor aanleren activiteiten en half uur voor regievoering en advies). Afhankelijk van de omstandigheden en de inzet van de overige begeleidingsuren, zoals bedoeld in paragraaf 2.7, wordt de tijd voor PV over meerdere dagen in de week verspreid.

 

 

2.6 Dagbesteding

Bij dagbesteding draait het primair om het bieden van een structuur door een zinvolle invulling te geven aan de dag. Het gaat erom dat de inwoner zo lang mogelijk thuis kan blijven, dat wordt voorkomen dat hij in een isolement terecht komt en dat eventuele mantelzorger/informele verzorgers worden ontlast. Vervoer van en naar de locatie van de dagbesteding alsmede persoonlijke verzorging vallen onder de dagbesteding die de zorgaanbieder moet leveren.

In welke vorm en met welke intensiteit dagbesteding wordt ingezet hangt af van de mate waarin de inwoner:

- alternatieve mogelijkheden voor de daginvulling heeft (arbeid/behandeling/

algemene voorzieningen voor dagactiviteiten);

- over zelfregie beschikt;

- over een netwerk beschikt;

- ondersteuning nodig heeft om resultaten te behalen of het functioneren op hetzelfde

peil te houden;

- probleemgedrag vertoont;

- toezicht nodig heeft;

 

Afhankelijk van de mogelijkheden van de inwoner kan de dagbesteding zijn gericht op:

- educatie en ontwikkeling van talent (arbeidsmatige dagbesteding)

- activering, praktijkvaardigheden en sociale omgang (activeringsgerichte dagbesteding)

- zinvolle activiteiten die aansluiten bij de interesses en bekwaamheden van de inwoner, waarbij de nadruk meer ligt op sfeer en geborgenheid dan op het behalen van leerdoelen (belevingsgerichte dagbesteding).

Bij dagbesteding wordt de categorisering licht, middel en zwaar gehanteerd. Voor de categorie licht geldt de algemene voorziening ‘zinvolle daginvulling‘ als voorliggend. Daarmee wordt dagbesteding licht nagenoeg niet meer geïndiceerd. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste verschillen per categorie dagbesteding. In de basis worden niet meer dan 6 dagdelen geïndiceerd. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden kunnen meer dagdelen worden toegekend (tot een maximum van 9). De geachte hierbij is dat bij een inzet van meer dan 6 dagdelen de vraag moet worden gesteld of de inwoner nog wel zelfstandig thuis kan blijven wonen en eerder lijkt te zijn aangewezen op ondersteuning vanuit de Wlz. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat een scholings- of werktraject voorrang heeft en dat zo veel als mogelijk wordt gewerkt naar een situatie van begeleid (vrijwilligers)werk of een re-integratietraject.

 

 

 

 

 

Tabel III

Dagbesteding

Onderscheidende kenmerken

Omvang

Licht

geringe hulp nodig op gebied van persoonlijke verzorging en gedragsondersteuning (o.a. toiletgang)

zekere mate van zelfregie

 

Maximaal 6 dagdelen per week

middel

Gericht op ouderen en chronisch zieken

Langdurig tekortschietend zelfregie over dagelijkse leven

Meer dan gebruikelijke ondersteuning bij algemene dagelijkse levensverrichtingen dan wel verpleging nodig.

Locatie moet zijn ingericht op beperkingen of

handicap inwoner (bv aanwezigheid hulpmiddelen)

Ondersteuning moet direct oproepbaar zijn

 

 

Maximaal 6 dagdelen per week

Zwaar

Ernstig probleemgedrag / ernstig regieprobleem

Continue hulp of begeleiding nodig

Betrokkene kan niet in grote groep functioneren

Maximaal 6 dagdelen per week

 

2.7 Begeleiding

Algemeen

De Wmo 2015 bevat een definitie van begeleiding. Het betreft: “activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de inwoner opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven.”

 

Bij begeleiding gaat het om:

a. grip krijgen op het dagelijks leven en persoonlijk functioneren;

b. het voeren van een gestructureerd huishouden;

c. het opbouwen en onderhouden van het sociale netwerk;

d. deelname aan het maatschappelijke leven.

Soms kan begeleiding ook gericht zijn op de ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner.

 

Begeleiding kan worden geïndiceerd in geval de inwoner op één of meerdere van onderstaande functies problemen ervaart (niet limitatieve opsomming):

- dagelijkse routinematige verrichtingen;

- omgangsvormen;

- zelfreflectie;

- initiatief nemen;

- geheugen en denken;

- motoriek;

- oriëntatie naar persoon, ruimte, tijd en plaats.

Het enkele feit dat een inwoner kampt met een beperking, maakt nog niet dat er een maatwerkvoorziening geïndiceerd behoeft te worden. In geval van een lichte beperking kan veelal door middel van ondersteuning vanuit het netwerk of bijvoorbeeld via maatschappelijk werk of het buurtteam (algemene voorziening) voldoende compensatie worden geboden.

 

De begeleiding is gericht op de volgende kernactiviteiten:

- regievoering en aanbrengen van structuur (besturing van gedrag / borging veiligheid);

- ondersteuning bij praktische vaardigheden;

- oefenen (bij voldoende motivatie en leervermogen van de inwoner);

- ondersteuning naar (voorliggende) voorzieningen.

 

Afhankelijk van de ernst en complexiteit van de beperkingen van de inwoner zal meer of minder uren begeleiding vanuit de gemeente worden geïndiceerd. Begeleiding kan zowel individueel als groepsgewijs (dagbesteding) worden ingezet. Groepsgewijze begeleiding gaat voor als daarmee ook de beoogde resultaten kunnen worden beoogd. Van belang is wel dat de inwoner, al dan niet met behulp van het netwerk, zelfstandig kan blijven wonen. Als dat (tijdelijk) niet mogelijk is, omdat er bijvoorbeeld voortdurend toezicht gehouden moet worden op de inwoner, dan is begeleiding niet aan de orde en is de inwoner aangewezen op bijvoorbeeld beschermd wonen (paragraaf 2.8) of een andere vorm van intramurale zorg. Als de inwoner een re-integratietraject heeft op grond van de Participatiewet wordt de ondersteuning vanuit de Wmo 2015 hierop afgestemd.

 

Eigen kracht

Van de inwoner wordt verwacht dat hij datgene doet wat in zijn vermogen ligt om zelfstandig te kunnen functioneren. Het kan gaan om de tijdige inschakeling van medische hulp op grond van de Zorgverzekeringswet, maar bijvoorbeeld ook om het volgen van scholing of het verrichten van vrijwilligerswerk, waardoor structuur, ontwikkeling en de sociale interactie worden bevorderd.

Ook het sociaal netwerk kan worden gebruikt voor begeleidingsactiviteiten van de inwoner. Enkele voorbeelden zijn:

- de inwoner begeleiden naar de huisarts

- “een oogje in het zeil houden”

- activiteit verrichten met de inwoner (al dan niet ter ontlasting van de mantelzorger).

 

Gebruikelijke hulp

In geval van een kortdurende situatie (< 3 maanden) wordt begeleiding door volwassen huisgenoten altijd als gebruikelijke zorg beschouwd. Ondersteuning vanuit de gemeente is dan in beginsel niet aan de orde. Wanneer er sprake is van een aanhoudende behoefte aan begeleiding, blijft gelden dat huisgenoten de inwoner blijven ondersteunen waar dit redelijkerwijs van hen mag worden verwacht. Dat geldt in ieder geval voor bezoeken in de familiaire sfeer en bezoeken aan medische en publieke instellingen.

 

Algemene en andere (voorliggende) voorzieningen

Wanneer de inwoner gebruik kan maken van een andere toereikende voorziening, dan is deze voorliggend op een Wmo maatwerkvoorziening. Gedacht kan worden aan de algemene voorziening buurtteams (begeleiding in de wijk), vrijwilligershulp bij niet complexe enkelvoudige problematiek (zoals ondersteuning bij het op orde brengen van de administratie), maatschappelijk werk en (medische) behandeling op grond van de Zvw.

 

Individuele begeleiding

Binnen de hoofdgroep individuele begeleiding wordt onderscheid gemaakt tussen 1) begeleiding regulier en 2) begeleiding specialistisch. De begeleiding kan betrekking hebben op één of meerdere leefgebieden.

 

1) Reguliere begeleiding is aan de orde, als de inwoner zonder deze begeleiding niet thuis zou kunnen wonen of zou verwaarlozen. Het gaat om inwoners met lichte tot matige beperkingen op het

terrein van:

- sociale zelfredzaamheid;

- bewegen en verplaatsen/fysieke zelfredzaamheid;

- (probleem)gedrag;

- psychisch functioneren;

- geheugen en oriëntatie.

Er is veelal sprake van:

- kortdurend regieverlies; ofwel

- een lichte vorm van regieverlies waarbij de inwoner wel leerbaar en stuurbaar is; ofwel

- een inwoner die onvoldoende zelfredzaam is om in verband met zijn beperkingen een langdurige stabiele leefsituatie te realiseren.

 

2) Specialistische begeleiding kan aan de orde zijn als:

- de inwoner te maken heeft met beperkingen die (langdurig) gepaard gaan met zwaar

regieverlies;

- er sprake is van multi-problematiek en/of veiligheidsrisico’s als gevolg van meervoudige

psychische aandoeningen of ernstige verstandelijke beperkingen, al dan niet combinatie

met verslaving of gedragsproblemen;

- ondersteuning in de regie nodig is op meerdere levensgebieden;

- er sprake is van een situatie van Huren onder voorwaarden in combinatie met bovengenoemde problematiek.

In het hiernavolgende overzicht wordt per leefgebied aangegeven wat de aandachtsvelden zijn en welke richttijden hiervoor gehanteerd worden. Het overzicht heeft betrekking op zowel reguliere als specialistische begeleiding.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tabel IV

Leefgebied

Aandachtsvelden

Richttijden per week

Gezondheid en zelfverzorging

 

tijdig inschakelen ondersteuning, nakomen zorgafspraken, inzicht in gezondheid, lichamelijke verzorging, verslaving

tot max. 180 minuten per week

Wonen

 

 

schoon huis, passende woonruimte woning gebonden voorzieningen (water, elektra, inrichting) veilig wonen, overlast

tot max. 150 minuten per week

Vervoer

Mobiliteit, oriëntatie, gebruik openbaar vervoer

tot max. 90 minuten per week

Sociaal functioneren

Zelfreflectie, gespreksvoering contacten leggen netwerk opbouwen, samenwerken zorgtaken verrichten

tot max. 90 minuten per week

Persoonlijk functioneren

Dag structuur initiatief nemen, besluiten nemen vrijetijdsbesteding, zelfbeeld, evenwicht ondermijnend gedrag

tot max. 180 minuten per week

Financiën en administratie

overzicht inkomsten en uitgaven overzicht en inzicht in contracten en abonnementen postverwerking

tot max. 120 minuten per week

(economische) Zelfstandigheid

startkwalificatie (begrijpend) lezen, schrijven en rekenen omgang met communicatiemiddelen werk

tot max. 90 minuten per week

 

 

De richttijden gelden als een indicatie voor de in te zetten maatwerkwerkvoorzieningen naar gelang de zwaarte van de problematiek van de inwoner en de daarbij benodigde ondersteuning. De begeleiding behoeft niet tegelijkertijd voor alle leefgebieden te worden ingezet waarop de inwoner beperkingen ervaart. De tijden worden per week aangegeven. Deze kunnen worden opgesplitst naar gelang de benodigde frequentie van de ondersteuningsactiviteiten in een week. De indicatie wordt afgegeven voor een beperkte tijd. Afhankelijke van de resultaten kan een nieuwe indicatie worden afgegeven. Bij de beoordeling wordt niet alleen gekeken naar de mogelijkheden en drijfveren van de inwoner zelf maar ook naar de kwaliteit van de dienstverlening om de beoogde resultaten te kunnen bereiken binnen de gestelde termijn. Zeker in geval van langdurige zorgrelaties (> 2 jaar) wordt hier kritisch naar gekeken. Het centrale doel van begeleiding is een zodanige stabiele woon- en leefsituatie te realiseren dat de inwoner in zijn eigen leefomgeving kan blijven. Wanneer dit het geval is, is begeleiding niet langer aan de orde. In voorkomende gevallen wordt nog enige tijd nazorg geboden om terugval te voorkomen.

Voorbeelden van resultaten zijn:

• Administratie op orde hebben

• Leren omgaan met eigen mogelijkheden en beperkingen

• Mensen kunnen ontmoeten en contacten kunnen onderhouden

• Deelnemen aan recreatieve, sportieve of maatschappelijke activiteiten

• Huisgenoten in staat stellen zorgtaken uit te voeren en/of leren omgaan met de beperkingen van de inwoner

• Een langdurige relatie of vriendschap hebben

• Een ingevulde dag hebben

• Vrijwilligerswerk kunnen doen

• Toegang tot openbare gelegenheden en voorzieningen hebben

• Zich lokaal kunnen verplaatsen

• Wonen in een schoon en leefbaar huis en beschikken over schone, draagbare kleding

 

In geval van niet planbare zorg en ter voorkoming van calamiteiten is er tot slot nog de mogelijkheid van 24-uursbegeleiding (product ‘Ongeplande begeleiding 24/7’). Deze maatwerkvoorziening kan worden ingezet wanneer de inwoner te maken heeft met een psychiatrische stoornis of ernstige psychosociale problemen die leiden tot ernstig probleemgedrag. Zonder 24-uurbegeleiding zou de inwoner niet thuis kunnen wonen. Met de 24-uursbegeleiding wordt overigens niet bedoeld dat de inwoner feitelijk het gehele etmaal begeleiding krijgt, maar wel dat hij buiten de reguliere venstertijden om een beroep kan doen op ondersteuning. De venstertijden zijn van maandag tot en met vrijdag van 7.00 uur tot 20.00 uur en op zaterdag van 8.00 uur tot 12.00 uur. De inwoner moet in staat zijn om zelf de ondersteuning in te schakelen en tevens om 30 minuten te wachten tot het moment dat de ondersteuning is gearriveerd.

 

Begeleiding bij huiselijk geweld

In geval van situaties van huiselijk geweld bestaat de mogelijkheid van het inzetten van specifieke ambulante ondersteuning, gericht op het stoppen van het geweld en om opname in een opvanginstelling te voorkomen. De ondersteuning kan worden geboden aan het gehele systeem dat betrokken is. Samen met het gezin wordt het risico op onveiligheid getaxeerd, waarna er een plan ontstaat op het acuut stoppen van huiselijk geweld. Aansluitend wordt er gewerkt aan duurzame veiligheid.

 

2.8 Beschermd wonen

Onder beschermd wonen op grond van de Wmo 2015 word verstaan: “wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.”

Criteria

De inwoner komt in aanmerking voor beschermd wonen als er sprake is van psychische en of psycho sociale problematiek waarbij een beschermde woonomgeving noodzakelijk is. Het gaat dan om mensen die (nog) niet geheel zelfstandig kunnen wonen en functioneren binnen de samenleving, ook niet met geplande en ongeplande (intensieve) ambulante ondersteuning. Het betreft inwoners met veelal psychiatrische problemen, al dan niet gecombineerd met verslavingsproblemen, die:

• klinisch zijn uitbehandeld of waarbij behandeling gericht is op stabilisatie en niet meer op de voorgrond staat,

• (nog) niet zelfstandig kunnen wonen,

• gemotiveerd zijn en openstaan voor een begeleidings-/ontwikkeltraject dat - met inachtneming van de individuele mogelijkheden - gericht is op het realiseren van een situatie waarin zij in staat worden gesteld zich (zo snel mogelijk) weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving, én

• 18 jaar of ouder zijn (uitzonderingen hierop alleen voorzien van een stevige onderbouwing).

Ook kan het gaan om inwoners die:

• een (licht) verstandelijke beperking hebben (soms met kinderen).

Ongeacht de aandoening gaat het om inwoners die:

• een tijdelijke urgente behoefte hebben aan een vorm van 24-uurs toezicht en begeleiding, en niet in aanmerking komen voor de Wlz, omdat niet aantoonbaar is dat de voorziening levenslang noodzakelijk is of omdat de Wlz-indicatie om andere redenen niet wordt afgegeven,

• tijdelijk niet voldoende hebben aan maximale inzet uit de Wmo van ambulante begeleiding, dagbesteding, mantelzorg en andere (informele) ondersteuning.

Als de inwoner zelf in staat is om zijn hulpvraag te stellen, dan kan ook worden volstaan met een 24/7 uurs bereik- en beschikbaarheidsdienst. Veelal gecombineerd met ambulante begeleiding. Kan iemand niet zelf de hulpvraag stellen, dan is fysieke aanwezigheid van personeel noodzakelijk en komt iemand in aanmerking voor Beschermd Wonen. Iemand met bijvoorbeeld een eetstoornis kan veelal prima zelf de hulpvraag stellen, maar doet het bewust niet (als gevolg van de stoornis). Dan is 24/7 fysieke aanwezigheid ook noodzakelijk (waarbij behandeling dan weer voorliggend is). Voor uitzonderingen op de geldende criteria is een stevige onderbouwing vereist.

Binnen de setting van beschermd wonen hoort woonbegeleiding. Daarbij gaat het om activiteiten als koken, schoonmaken, boodschappen doen en incidentele activiteiten buitenshuis. Het tijdig op zoek gaan naar passende woonruimte voor na de periode van beschermd wonen valt er eveneens onder.

Naast woonbegeleiding is persoonlijke verzorging en/of individuele begeleiding onderdeel van de maatwerkvoorziening beschermd wonen, zo nodig aangevuld met hulp in het huishouden als daar aanleiding toe is. Afhankelijk van de aard en ernst van de psychische beperkingen en/of psychosociale problemen, al dan niet in combinatie met een somatische aandoening of lichamelijke of verstandelijke handicap, wordt aan de hand van de benodigde ondersteuningsuren van de inwoner het pakket beschermd wonen bepaald (verschillende modules).

Zo nodig kan nog separaat dagbesteding worden geïndiceerd. Een scholings- of werktraject heeft echter voorrang en zal ook bij het zorgplan van de zorgaanbieder moeten worden betrokken. Een en ander hangt af van de ontwikkelbaarheid van de inwoner.

Het college bepaalt of in een bepaalde situatie beschermd wonen geïndiceerd moet worden. De verdere uitvoering van de maatwerkvoorziening beschermd wonen is echter belegd bij de Regio Gooi en Vechtstreek. Dit betekent dat de uiteindelijke toewijzing van een plaats voor beschermd wonen via de Regio loopt. Daarbij worden de beleidsregels landelijke toegang beschermd wonen gehanteerd. Er is een wachtlijst voor beschermd wonen. Ter overbrugging tot het moment van plaatsing kunnen door het college wel andere instrumenten worden ingezet, zoals ambulante begeleiding (paragraaf 3.7)

 

Safehouses

Een bijzondere vorm van beschermd wonen c.q. begeleid wonen vormen de zogeheten ‘safehouses’. Een safehouse is een woonvoorziening voor personen die, na een verslavingsbehandeling in een specialistische ggz-instelling, verder kunnen herstellen om terugval te voorkomen.

 

Bij de afweging van de aanvraag zijn de volgende criteria van toepassing. Het gaat om inwoners die:

o Net zijn afgekickt van een vorm van verslaving (o.a. middelengebruik, gameverslaving,

gokverslaving, Sex and Love addiction);

o Daarnaast kampen met complexe multi-problematiek, zoals (nog niet gediagnosticeerde) psychische problematiek en psychosociale problematiek (zoals schulden, justitiële achtergrond, werken, relatieproblematiek);

o Na eerdere behandel- en ontwenningspogingen terug zijn gevallen in de verslaving;

o Gebaat zijn bij een veilige ‘oefenplek’ zonder de verleidingen van het oude verslavingsnetwerk.

o Zoveel uur begeleiding nodig hebben (20 uur per week of meer) dat een verblijf in een safehouse de goedkoopst adequate oplossing is.

Een safehouse kan niet worden ingezet om een woonprobleem op te lossen. Met andere woorden: als er gebrek is aan een passende woonplek maar er is strikt genomen geen noodzaak om na de behandeling in een safehouse te verblijven, wordt er geen safehouse ingezet. Wanneer vooraf duidelijk is dat er na afloop van het herstelproces in een safehouse er geen passende huisvesting is, wordt er ook geen safehouse ingezet.

De inzet van de ondersteuning in een safehouse is dat de inwoner na verblijf in het safehouse weer terugkeert naar de gemeente van herkomst. Er is dan sprake van ‘tijdelijk verblijf’, waarbij de gemeente van herkomst verantwoordelijk is voor het organiseren van passende ondersteuning. Een aanvraag dient dan ook gedaan te worden bij de gemeente van herkomst en dient te vermelden of al duidelijk is waar de inwoner zich in de toekomst wil vestigen.

De gemeente van herkomst doet op grond van de melding onderzoek en komt tot een besluit of plaatsing in een safehouse elders passend is voor deze inwoner. Als de gemeente van herkomst oordeelt dat er geen sprake is van tijdelijk verblijf, dan treedt deze gemeente in overleg met vermeende verantwoordelijke gemeente. Gemeenten maken dan onderling afspraken over de verantwoordelijkheid. De inwoner en de behandelaar/safehouse leveren waar nodig input.

 

 

2.9 Maatschappelijke opvang

 

De Wmo 2015 kent de volgende definitie van opvang. Het gaat om: ‘onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving’.

 

Er wordt onderscheid gemaakt tussen:

1) opvang, waarbij er sprake is van het moeten verlaten van de eigen leefomgeving in verband met veiligheid; en

2) opvang in verband met het ontbreken van een dak boven het hoofd (thuissituatie hebben verlaten) in combinatie met een gebrek aan zelfredzaamheid als gevolg van bijvoorbeeld schulden, verslaving of andere persoonsgebonden problematieken. In het laatstgenoemde geval wordt ook wel gesproken van maatschappelijke opvang.

 

De opvang in geval van huiselijk geweld is ondergebracht bij de Blijf Groep. In de regel is dan ook Veilig Thuis betrokken.

 

De maatschappelijke opvang wordt uitgevoerd door Kwintes met diverse locaties en voor verschillende doelgroepen. Kwintes hanteert daarbij de beleidsregels landelijke toegang maatschappelijke opvang. Er is zowel daklozenopvang als crisisopvang. Voor jongeren tussen de 16 en 25 jaar die niet meer verantwoord thuis kunnen wonen is ook specifieke opvang voorhanden (Fast Forward). Naast het bieden van feitelijk verblijf is er eveneens sprake van begeleiding. De opvang is beoogd van tijdelijke aard te zijn. Bij maatschappelijke opvang gaat het om perioden van maximaal 3 maanden. Voor jongerenopvang geldt een iets langer periode (max. 6-9 maanden). Verlenging is mogelijk als daartoe noodzaak bestaat. De gemeente is wel verantwoordelijk voor de beschikbaarheid van voldoende opvang en ziet ook toe op de kwaliteit van de dienstverlening, maar voor het verkrijgen van opvang is niet eerst de tussenkomst van de gemeente benodigd. De inwoner kan zich rechtstreeks tot Kwintes wenden. Deze doet hiervan dan melding aan de gemeente. De gemeente neemt het besluit tot toe- of afwijzing van maatschappelijke opvang, waartegen bezwaar en beroep kan worden aangetekend. Periodiek vinden er overleggen plaats tussen Kwintes en de gemeente (‘toegangsteam’). De inkoop van opvangplaatsen is belegd bij de Regio Gooi en Vechtstreek. Voor de opvang is een eigen bijdrage verschuldigd. Deze wordt rechtstreeks geïnd door de organisatie die de opvang biedt. Opvang wordt alleen in natura verstrekt.

 

 

HOOFDSTUK 3 TOEZICHT

Het toezicht ziet op:

- monitoring kwaliteit

- calamiteiten

- handhaving

De gemeente is verantwoordelijke voor de kwaliteit van de Wmo voorzieningen. Een van de mogelijkheden om deze te toetsen is het bevragen van inwoners met een Wmo voorziening naar hun ervaringen. Deze opdracht volgt ook uit de Wmo 2015 (artikel 2.5.1 Wmo 2015). Jaarlijks wordt een inwonertevredenheidsonderzoek ingesteld. Gemeenten hanteren daarvoor uniforme vragenformulieren. De resultaten van het onderzoek worden gepubliceerd.

Zorgaanbieders in de regio Gooi en Vechtstreek worden proactief bezocht om te onderzoeken of aan de kwaliteits-en veiligheidseisen wordt voldaan. Vooraf wordt een keuze gemaakt welke soort zorgaanbieders een bezoek wordt gebracht (sprake van thematische aanpak, zoals individuele begeleiding of nieuwe aanbieders). De afstemming vindt interregionaal plaats. De uitvoering is belegd bij de Regio Gooi en Vechtstreek.

De rol van toezichthouder, zoals bedoeld in de artikelen 3.4 en 6.1 Wmo 2015 (calamiteiten en handhaving) is eveneens ondergebracht bij de Regio. Voor calamiteiten geldt het ‘Protocol Calamiteiten en Geweldsincidenten bij Wmo-zorgaanbieders’ van de Regio Gooi en Vechtstreek. Bij een calamiteit gaat het om “een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een inwoner heeft geleid”. In het protocol worden een aantal voorbeelden opgesomd, zoals:

- elke suïcide van een inwoner;

- elk onverwacht en onbedoeld overlijden van de inwoner;

- ernstig en/of blijvend lichamelijk letsel van een inwoner of van een ander als gevolg van het handelen van een inwoner;

- ernstig grensoverschrijdend gedrag: fysiek, psychisch en/of seksueel door inwoners, hulpverleners,

ouders of verzorgers.

De aanbieder is verplicht melding te doen van een calamiteit en medewerking te verlenen aan het onderzoek naar de melding door de toezichthoudende ambtenaar. Daaronder valt het verstrekken van de noodzakelijke (persoons)gegevens. Bij de melding wordt tevens aangegeven of de calamiteit met een redelijk vermoeden van het plegen van een strafbaar feit ter kennis is of zal worden gebracht van het openbaar ministerie.

De aanbieder ontvangt een bevestiging van ontvangst van de melding alsook een beknopte beschrijving van de door de toezichthouder te nemen acties en de daarbij horende termijnen. Het college van burgemeester en wethouders wordt van de melding op de hoogte gesteld.

Anderen dan de aanbieder kunnen ook melding doen van een calamiteit aan de toezichthouder. In dat geval wordt gesproken van een signaal.

In het kader van het onderzoek naar de calamiteit maakt de toezichthouder nog de afweging of met het oog op de veiligheid nog nadere maatregelen nodig zijn. Het onderzoek kan door de aanbieder of door de toezichthouder zelf worden uitgevoerd. In het laatste geval geeft de toezichthouder aan de aanbieder aan binnen welke periode het onderzoek zal plaatsvinden. De toezichthouder kan personen horen of een deskundigenoordeel vragen, als dit van belang is voor het onderzoek. Van het horen wordt een verslag gemaakt.

In de geval de aanbieder zelf deugdelijk onderzoek heeft verricht en de vereiste maatregelen heeft genomen, sluit de toezichthouder het dossier en doet daarvan mededeling aan de aanbieder en informeert en adviseert hij het college hierover. In geval de toezichthouder zelf het onderzoek doet, bijvoorbeeld in verband met de ernst van de (voorlopige) feiten, legt hij zijn bevindingen vast in een rapportage. Hierin worden de relevante feiten, de conclusies van de toezichthouder en het advies over de te nemen maatregelen opgenomen. Voorafgaande aan de vaststelling van het rapport, wordt dit eerst in concept voorgelegd aan de aanbieder en de betrokken natuurlijke personen die zijn gehoord. In geval de gemotiveerde reactie niet in het rapport wordt overgenomen, doet de toezichthouder hiervan gemotiveerde mededeling. De betrokkenen krijgen het rapport toegestuurd. De toezichthouder informeert en adviseert het college.

Van de procedure kan door de toezichthouder worden afgeweken als onverwijlde maatregelen noodzakelijk zijn in verband met de veiligheid van inwoners of de maatschappelijke ondersteuning.

Bij het houden van toezicht gaat het ook om handhaving van regels c.q. afspraken die in de wet, in de verordening en in de contracten zijn opgenomen. Het niet naleven van regels kan leiden tot beëindiging van samenwerking c.q. stopzetting van de voorziening. In geval van een vermoeden van zorgfraude werkt de toezichthouder samen met de sociale recherche.

 

 

 

HOOFDSTUK 4 KLACHTEN

Het is van belang dat de inwoner zijn beklag kan doen over de wijze waarop hij wordt bejegend en over de kwaliteit van de Wmo voorziening.

Wanneer het gaat over de bejegening van de inwoner door een medewerker van de gemeente is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (hoofdstuk 9 inzake klachtbehandeling). De inwoner kan zijn klacht richten aan het college van burgemeester en wethouders van Hilversum. Voor informatie kan de inwoner terecht bij de klachtencoördinator (klachtencoordinator@hilversum.nl,

tel: 035 629 26 39). Als de klacht niet naar de zin van de inwoner is afgehandeld, kan hij zich nog wenden tot de Nationale ombudsman.

Met klachten betreffende de Wmo voorziening zelf (kan ook de bejegening van de zorgverlener omvatten) kan de inwoner in veel gevallen terecht bij de aanbieder van de Wmo voorziening zelf. Daarnaast bestaat echter de mogelijkheid om een klacht rechtstreeks in te dienen bij het Regionaal Klachtenmeldpunt van de Regio Gooi en Vechtstreek (klachtenformulier beschikbaar via website). Bij het Meldpunt kan de inwoner tijdens kantooruren ook terecht voor vragen (035- 692 62 02).

 

 

HOOFDSTUK 5 INTREKKING, INWERKINGTREDING, TITEL

 

Intrekking

de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Hilversum 2020 worden ingetrokken.

Inwerkingtreding

deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag volgend op de dag van publicatie.

Citeertitel:

deze beleidsregels worden aangehaald als: “Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Hilversum 2026”.

 

Hilversum, 30 juni 2026,

 

de gemeentesecretaris, de burgemeester,

 

 

 

mr. C.P. Torres Barrera dr. ir. G.M. van den Top

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijlage I Maatwerkvoorzieningen onder de Wmo of de Wlz in 2025

 

 

Wlz

Wmo 2015

WLZ thuiswonend

(Pgb, VPT of MPT) (1)

Hulp bij het huishouden

Begeleiding

Logeeropvang (2)

Regiotaxi

Rolstoel

Vervoermiddelen (3)

Woningaanpassing

Woonvoorz./hulpmiddel (4)

WLZ deeltijdverblijf

(gemiddeld 7, 8, of 9 dagen per 14 dagen in een instelling wonen)

Hulp bij het huishouden

Begeleiding

Woonvoorz./hulpmiddel (4)

Rolstoel (nieuw of te vervangen) (7)

Vervoermiddelen (in de WLZ aangeduid als mobiliteitshulpmiddelen) (7)

Eventueel 2e woonvoorziening/hulpmiddel voor thuissituatie

Regiotaxi (sociaal vervoer)

Woningaanpassing

WLZ intramuraal

Hulp bij het huishouden

Begeleiding

Woonvoorz./hulpmiddel (4)

Rolstoel

Vervoermiddelen (in de Wlz aangeduid als mobiliteitshulpmiddelen

Regiotaxi (sociaal vervoer) als het een

algemene voorziening is (5)

Bezoekbaar maken van de woning (6)

Niet vervoerbare Wmo

(woon)hulpmiddelen en traplift thuis laten staan bij intram uraal gaan wonen en thuis logeren op minimaal 18 dagen per jaar. (geldt niet voor mobiliteitshulpmiddelen) (8)

 

 

(1) De Centrale Raad van Beroep heeft met de uitspraak CRvB 16-1-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:140 duidelijkheid gegeven over het verstrekken van hulpmiddelen aan cliënten die in een Wlz-woonvorm wonen. Deze hulpmiddelen vallen onder de Wmo. De CRvB heeft bepaald dat “thuis wonen” alles is, behalve wonen in een Wlz-instelling.

(2) Voor thuiswonende cliënten met een Wlz-indicatie is vanuit de Wlz logeeropvang mogelijk. Een cliënt met een Wlz-indicatie kan geen beroep doen op Kortdurend Verblijf (respijtzorg) vanuit de Wmo.

(3) Denk aan b.v. scootmobiel, aangepaste fiets etc. In de Wlz worden de rolstoel en andere vervoermiddelen aangeduid als mobiliteitshulpmiddelen.

(4) Denk aan b.v. douche-/toiletstoel, tillift, drempelhulpen etc.

(5) Cliënten met een Wlz-indicatie, die in een instelling wonen, kunnen geen aanspraak maken op een maatwerkvoorziening in de vorm van een vervoersvoorziening Sociaal (collectief) Vervoer (Regiotaxi). Als het sociaal vervoer wordt aangeboden als algemene voorziening, kunnen zij daar wel gebruik van maken. Dat betekent echter niet dat gemeenten niet de mogelijkheid hebben om daarvan af te wijken als de persoon toch is aangewezen op sociaal vervoer. Vanuit de Wmo als vangnet is het denkbaar dat de gemeente in de situatie dat er geen alternatieven zijn, toch een pasje voor het sociaal vervoer verstrekt.

(6) Het bezoekbaar maken van een woning kan, in het kader van participeren of zelfredzaamheid, onder de Wmo vallen als een cliënt binnen de gemeente woont. Als een cliënt buiten de gemeente woont geldt dit niet, behalve als hiervoor in het gemeentelijk beleid een uitzondering is gemaakt (bovenwettelijk begunstigend beleid). Geldt voor Hilversum.

(7) Deeltijdverblijf Wlz: Het individueel gebruik van mobiliteitshulpmiddelen komt ten laste van de Wlz als het gaat om nieuwe of te vervangen mobiliteitshulpmiddelen. De gemeente blijft verantwoordelijk voor het onderhoud en aanpassingen aan mobiliteitshulpmiddelen die de cliënt gebruikt wanneer met deeltijdverblijf wordt begonnen. Vaak kunnen deze hulpmiddelen vervoerd worden van de instelling naar huis en vice versa zodat de behoefte aan een 2de exemplaar niet aan de orde zal zijn.

(8) Bestuurlijke afspraken over behoud Wmo-hulpmiddelen thuis | VNG

De afspraken gelden voor cliënten die verhuizen naar een intramurale instelling. Wanneer de cliënt naar een instelling buiten de gemeente verhuist, blijft de gemeente waar het logeeradres is, verantwoordelijk voor het laten staan van bepaalde hulpmiddelen op het logeeradres. Deze bestuurlijke afspraken sluiten niet aan bij artikel 1.2.1 sub a van de Wmo waarin staat dat het college een maatwerkvoorziening alleen hoeft te leveren aan een ingezetene van zijn gemeente. Een verhuizing naar een pgb-gefinancierd wooninitiatief valt niet onder de bestuurlijke afspraak. Gemeenten hebben de vrijheid om ook bij deze verhuizing hulpmiddelen thuis te laten staan.

Naar boven