Verordening Werk, Participatie, Inkomen en Schuldhulp gemeente Boekel 2026

De raad van de gemeente Boekel;

 

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 11 mei 2026;

 

overwegende dat;

 

de gemeente Boekel voor de inwoners in één verordening en in begrijpelijke taal aan wil geven welke regels gelden voor:

  • werken en participeren;

  • inkomen en ondersteuning;

  • schuldhulpverlening;

gelet op:

 

de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de Gemeentewet;

 

Besluit vast te stellen de:

 

Verordening Werk, Participatie, Inkomen en Schuldhulp gemeente Boekel 2026

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Waar gaat deze verordening over?

Deze verordening geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen:

  • werken en participeren;

  • uitkeringen en ondersteuning;

  • schuldhulpverlening.

1.2 Waarom deze regels?

In Nederland vinden we het belangrijk dat:

  • mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan;

  • mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen;

  • mensen hun financiën op orde hebben.

1.3 Wat is de taak van de gemeente?

Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de:

  • Participatiewet (PW)

  • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)

  • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)

  • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs)

De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn nog extra regels nodig, waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Het college is bevoegd daarvoor nadere regels of beleidsregels vast te stellen. Ook dat is in deze verordening geregeld.

 

1.4 Kerndoelen

Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kerndoelen:

  • 1.

    De inwoner staat centraal.

  • 2.

    Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de genoemde doelen te realiseren.

  • 3.

    De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van inwoners.

  • 4.

    De gemeente ondersteunt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk).

  • 5.

    Kwetsbare groepen hebben extra hulp nodig om volwaardig mee te kunnen doen aan de samenleving.

1.5 Leeswijzer

  • Als in deze verordening het woord ‘inwoner’ staat, dan vallen daar ook ouders, jongeren, studenten en werknemers onder. Waar ‘hij’ staat kan ook ‘zij’ of ‘hen’ gelezen worden.

  • Alle bedragen in deze verordening zijn inclusief btw. Op genoemde bedragen kunnen in de toekomst aanpassingen van toepassing zijn op grond van bijvoorbeeld indexering of als gevolg van aanbestedingstrajecten.

  • De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, lichten we toe in hoofdstuk 14.

  • Niet alle hoofdstukken en artikelen sluiten op elkaar aan. Dit heeft te maken met de afstemming van de Boekelse verordening met de integrale verordening Sociaal Domein Meierijstad. In de verordening van gemeente Meierijstad zijn ook de Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning opgenomen. Zover zijn we in onze gemeente (nog) niet. Om het voor de uitvoering werkbaar te houden hebben we de nummering van de integrale verordening Sociaal Domein Meierijstad aangehouden. De artikelen die op dit moment voor de uitvoering van de genoemde wetten in paragraaf 1.3 niet van toepassing zijn hebben we in deze verordening niet opgenomen.

1.6 Verband tussen verordening en wet

Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.3 zijn genoemd. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze verordening. Maar niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet daarover iets terug te vinden is. Dat verschilt per artikel. Daarom is per artikel aangegeven op welke wet dat artikel is gebaseerd.

Hoofdstuk 2 De hulpvraag

Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de inwoner aan de gemeente hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Beschreven wordt hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de gemeente de ondersteuning kan geven en wat de gemeente van de inwoner verwacht.

 

Paragraaf 2.1 Melding hulpvraag bij gemeente

(PW, IOAW, IOAZ, Wgs)

Artikel 2.1.1 Hulpvraag melden

Inwoners die hulp nodig hebben, kunnen zich melden bij de door de gemeente ingerichte Toegang. Dit kan zowel bij het Dorpsteam in Boekel als op het gemeentehuis van Meierijstad in Veghel.

De inwoner kan deze melding op verschillende manieren doen:

  • schriftelijk, met een brief

  • mondeling, persoonlijk (bijvoorbeeld via het spreekuur);

  • telefonisch;

  • digitaal (via de website) of een e-mail.

2.1.3 Gegevens

De gemeente verzamelt gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek en de beoordeling van de melding. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. In de uitnodiging voor een gesprek staat welke gegevens dat zijn en welke termijn er geldt. De gemeente kan ook later nog om aanvullende gegevens vragen. Hiervoor gelden dan dezelfde voorwaarden.

 

Paragraaf 2.3 Aanvraag

(PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Awb)

Niet elke aanvraag gaat op precies dezelfde manier. Verschillen per soort ondersteuning of wet staan hieronder beschreven in artikel 2.3.1.

Artikel 2.3.1 Aanvraag

  • 1.

    Na de melding kan de inwoner een aanvraag indienen. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente ondersteuning gaat verlenen en zo ja, in welke vorm.

  • 2.

    Een aanvraag voor een uitkering kan zonder melding vooraf worden gedaan als het gaat om inwoners van 27 jaar of ouder. Een gesprek met een medewerker vindt, als het nodig is, plaats nadat de aanvraag is ingediend.

  • 3.

    De aanvragen voor financiële tegemoetkomingen kunnen direct schriftelijk en digitaal worden gedaan. De gemeente kan besluiten dat een onderzoek en/of een gesprek over de hulpvraag niet nodig is. De aanvraag wordt dan direct afgehandeld. Alleen als er aanleiding voor is, of op verzoek van de inwoner, volgt een gesprek.

  • 4.

    De inwoner dient een aanvraag in met een aanvraagformulier van de gemeente.

Artikel 2.3.3 Advisering

De gemeente kan een externe deskundige vragen om een advies. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de melding of aanvraag.

 

Paragraaf 2.4 Beslissing

(PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Awb)

Artikel 2.4.1 Inhoud besluit

  • 1.

    In het besluit geeft de gemeente aan of de inwoner wel of geen ondersteuning krijgt. Als de gemeente ondersteuning geeft, staat in het besluit ook of de ondersteuning in natura (product of dienst), in geld of op een andere manier wordt gegeven (zie voor meer uitleg hoofdstuk 8).

  • 2.

    Geeft de gemeente de ondersteuning in natura, dan staat in het besluit in ieder geval:

    • a.

      wat de ondersteuning inhoudt en waarvoor de ondersteuning bedoeld is;

    • b.

      wanneer de ondersteuning ingaat en hoe lang de ondersteuning duurt; en

    • c.

      welke voorwaarden en verplichtingen er voor de ondersteuning gelden.

  • 3.

    Geeft de gemeente ondersteuning in de vorm van geld, dan staat in het besluit in ieder geval:

    • a.

      voor welk doel het geld wordt gegeven;

    • b.

      wanneer het geld wordt betaald;

    • c.

      hoe vaak het geld wordt betaald; en

    • d.

      welke voorwaarden en verplichtingen er gelden voor het uitgeven van het geld.

Paragraaf 2.5 Uitzonderingen

(PW, Wgs)

Artikel 2.5.1 Spoedeisende gevallen

  • 1.

    In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de ondersteuning krijgt die volgens de gemeente nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure als dat nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) ondersteuning in afwachting van een onderzoek van de gemeente:

    • a.

      schuldhulpverlening;

    • b.

      het verstrekken van een voorschot op een uitkering die nog niet is toegekend.

  • 2.

    Er is spraken van een spoedgeval als de uitkomst van de normale procedure voor een aanvraag om ondersteuning niet afgewacht kan worden.

Hoofdstuk 3 Werk en participatie

De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners die een uitkering hebben en kunnen werken, worden geholpen bij het vinden van blijvend en passend werk, bij voorkeur in een gewone betaalde baan. Als betaald werk niet haalbaar is, dan wordt gekeken op welke wijze meedoen aan de samenleving mogelijk is. De gemeente kan helpen door het inzetten van ondersteuning door middel van voorzieningen. Welke ondersteuning dat kan zijn, staat in dit hoofdstuk. Dit hoofdstuk gaat verder over de tegenprestatie die kan worden gevraagd. Het is belangrijk dat alle inwoners zo volwaardig mogelijk kunnen meedoen.

 

Paragraaf 3.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.1.1 Doelgroepen

(PW, IOAW, IOAZ)

De gemeente ondersteunt de volgende groepen inwoners op weg naar werk en maatschappelijke participatie:

  • 1.

    inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden;

  • 2.

    inwoners die geen ondersteuning kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per hulpvraag beoordeelt de gemeente of er ondersteuning kan worden gegeven;

  • 3.

    jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen havo-diploma, vwo-diploma of mbo-diploma vanaf niveau hebben (startkwalificatie). De gemeente helpt hen een passende opleiding, traject of duurzame arbeid te vinden of leidt hen door naar hulpverlening of zorg.

Artikel 3.1.2 Samenwerking

(PW, IOAZ, IOAZ)

  • 1.

    De gemeente werkt samen met UWV, gemeenten in de regio en andere organisaties om inwoners te ondersteunen bij het vinden van passend werk of maatschappelijke participatie.

  • 2.

    De gemeente ondersteunt werkgevers die inwoners, die onder de doelgroep van de gemeente vallen, werk aanbieden.

Artikel 3.1.3 Budget

De gemeente kan voor de verschillende soorten voorzieningen budgetplafonds vaststellen. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat de gemeente aan een bepaalde soort voorziening uitgeeft. Voor wettelijke loonkostensubsidie en beschut werk kan geen budgetplafond worden vastgesteld.

Artikel 3.1.4 Algemene bepalingen voorzieningen

(PW, IOAW, IOAZ)

  • 1.

    De gemeente stemt de hulp aan de inwoner af op zijn positie op de arbeidsmarkt.

  • 2.

    De gemeente biedt ondersteuning aan in de vorm van voorzieningen. Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk of participatie.

  • 3.

    De gemeente beoordeelt per persoon welke voorziening wordt ingezet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal zaken, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en of er bij de gemeente voldoende budget beschikbaar is.

  • 4.

    In een plan van aanpak legt de gemeente vast welke ondersteuning de inwoner krijgt en wat van belang is voor die ondersteuning. Ook wordt vastgelegd welke afspraken er met de inwoner zijn gemaakt over de ondersteuning en over wat de inwoner zelf doet om eerder aan werk te komen.

  • 5.

    De gemeente kan een voorziening weigeren als:

    • a.

      de inwoner voor wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep;

    • b.

      de inwoner onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening;

    • c.

      de inwoner een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening;

    • d.

      de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of

    • e.

      er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

  • 6.

    De gemeente kan een voorziening beëindigen als:

    • a.

      de inwoner die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt;

    • b.

      de inwoner die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;

    • c.

      de inwoner die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het een persoon betreft als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2° van de Participatiewet;

    • d.

      naar het oordeel van de gemeente de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;

    • e.

      de voorziening naar het oordeel van de gemeente niet meer geschikt is voor de inwoner die gebruik maakt van de voorziening;

    • f.

      de inwoner die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;

    • g.

      de inwoner die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

Paragraaf 3.2 Voorzieningen

Artikel 3.2.1 Beschut werk

(PW)

  • 1.

    De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als deze behoort tot de doelgroep van beschut werk. Dit gebeurt op basis van een door het UWV afgegeven advies waaruit blijkt dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd.

  • 2.

    Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken een veilige werkplek te bieden.

  • 3.

    De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het Rijk jaarlijks moet realiseren, gerealiseerd wordt.

  • 4.

    De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken:

    • a.

      aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;

    • b.

      uitsplitsing van taken;

    • c.

      aanpassing in het werktempo, de werktijden of de werkbegeleiding.

  • 5.

    De gemeente kan inwoners, die in aanmerking komen voor beschut werk, voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen:

    • a.

      ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding;

    • b.

      maatschappelijke participatie;

    • c.

      scholing;

    • d.

      persoonlijke ondersteuning;

    • e.

      schuldhulpverlening.

Artikel 3.2.2 Persoonlijke ondersteuning bij werk

(PW, IOAW, IOAZ)

  • 1.

    De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep persoonlijke ondersteuning aanbieden die nodig is om de stap te zetten naar betaald werk.

  • 2.

    Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk worden de volgende voorwaarden gehanteerd:

    • a.

      de inwoner behoort tot de doelgroep van de Participatiewet en:

      • i.

        is minimaal 18 jaar oud, of;

      • ii.

        heeft VSO/PRO onderwijs gevolgd;

    • b.

      de inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen;

    • c.

      het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is;

    • d.

      de kosten van de voorziening(en) zijn proportioneel, dat wil zeggen dat de investering moet opwegen tegen de opbrengsten.

  • 3.

    Een aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk kan door de inwoner of zijn werkgever bij de gemeente worden ingediend.

  • 4.

    De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de persoonlijke ondersteuning.

Artikel 3.2.3 Hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider

  • 1.

    De gemeente kan een inwoner op de werkplek een externe jobcoach aanbieden, als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen.

  • 2.

    De gemeente kan, op aanvraag, de werkgever een vergoeding geven voor begeleiding door een externe jobcoach, interne jobcoach of een interne werkbegeleider als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen.

  • 3.

    De aanvraag voor hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider moet binnen 26 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen, tenzij op het moment van de start van de arbeidsovereenkomst de noodzaak voor ondersteuning nog niet bekend kon zijn.

  • 4.

    Wanneer de aanvraag voor jobcoaching door de werkgever gedaan wordt, moet werknemer op de hoogte zijn van de aanvraag en instemmen met de inzet van jobcoaching of interne werkbegeleiding.

  • 5.

    Het doel van de jobcoach of interne werkbegeleider is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen en waar mogelijk zichzelf te ontwikkelen.

  • 6.

    De jobcoach of interne werkbegeleiding stemt de leerdoelen met de werknemer en de werkgever af en legt dit vast in een plan van aanpak.

  • 7.

    De gemeente stemt met de werkgever en de werknemer de wijze waarop de ondersteuning wordt geboden, de intensiteit in duur en aantal uren af en legt dit vast in een beschikking.

Artikel 3.2.4 Loonkostensubsidie

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

  • 1.

    De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de inwoner wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen.

  • 2.

    Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren kwetsbare inwoners in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies.

  • 3.

    De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek is zal zijn zal zijn loonwaarde worden vastgesteld. Dit wordt gedaan door een landelijk erkende methodiek op de werkplek. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op deze loonwaarde afgestemd op basis van het wettelijk minimumloon.

  • 4.

    Wanneer een werkgever of werknemer een aanvraag voor wettelijke loonkostensubsidie indient bevestigt de gemeente de aanvraag schriftelijk. Wanneer een werknemer een aanvraag indient, ontvangt de werkgever ook een bevestiging. Loonkostensubsidie moet aangevraagd worden binnen zes maanden na aanvang van de arbeidsovereenkomst.

  • 5.

    Een aanvraag voor wettelijke loonkostensubsidie wordt, als de inwoner nog niet behoort tot de doelgroep, ook behandeld als een aanvraag om vast te stellen of de inwoner tot de doelgroep behoort. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van het dienstverband, wordt de beoordeling of de inwoner tot de doelgroep behoort gedaan door de gemeente en die bepaald of het middel praktijkroute van toepassing is.

  • 6.

    De loonwaarde wordt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag vastgesteld, tenzij in overleg met de werkgever, forfaitaire loonkostensubsidie wordt toegekend. Hierbij geldt dat opname in het doelgroepenregister pas van toepassing is na vaststellen van de loonwaarde inclusief no-riskpolis.

  • 7.

    De gemeente gebruikt bij het verstrekken van de wettelijke loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie.

Artikel 3.2.5 Proefplaats

(PW, IOAW, IOAZ)

  • 1.

    De gemeente kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever.

  • 2.

    Het doel van de proefplaats is om werkgevers te helpen een beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner voor het werk, maar ook om te kijken of de functie kan worden aangepast zodat deze goed bij de inwoner past.

  • 3.

    Een voorwaarde is dat de proefplaats leidt tot een dienstverband van minimaal zes maanden zonder proeftijd als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk.

  • 4.

    De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Als de proefplaats niet wordt omgezet in een dienstverband legt de werkgever uit wat hij heeft gedaan om de inwoner te begeleiden en waarom de inwoner geen dienstverband krijgt.

  • 5.

    Een proefplaats duurt maximaal twee maanden met een werkweek van maximaal 40 uur per week. Deze termijn kan worden verlengd met maximaal vier maanden als dat nodig is om een goed beeld te krijgen van de mogelijkheden van de inwoner.

  • 6.

    De proefplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. Daarin worden het doel van de proefplaatsing opgenomen, hoe lang de proefplaats duurt, wat de werkzaamheden en de werktijden zijn en hoe de begeleiding plaatsvindt.

  • 7.

    Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

  • 8.

    De werkgever zorgt voor een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering.

  • 9.

    Een proefplaats kan niet worden ingezet wanneer voor dezelfde inwoner bij dezelfde werkgever een werkstage is ingezet.

  • 10.

    De gemeente kan tijdens de proefplaatsing een loonwaardemeting uitvoeren.

Artikel 3.2.6 Werkstage

(PW, IOAW, IOAZ)

  • 1.

    De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk, een werkstage aanbieden. Deze werkstage wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner.

  • 2.

    Het doel van een werkstage is om inwoners, met behoud van uitkering, op een werkplek werkervaring op te laten doen en/of te leren functioneren in een werkomgeving.

  • 3.

    Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

  • 4.

    De werkstage is alleen mogelijk als de werkgeer de inwoner goed begeleidt tijdens de werkstage. De werkgever zorgt ervoor dat de inwoner meer vaardigheden of kennis van het vakgebied opdoet.

  • 5.

    De werkstage wordt vastgelegd in een plan van aanpak dat de gemeente in overleg met de inwoner maakt. Met de werkgever wordt in een overeenkomst vastgelegd welk doel de werkstage heeft, wat de werkzaamheden zijn, begin- en einddatum, afspraken over onkostenvergoedingen, verzekeringen en hoe de begeleiding plaatsvindt. Ook wordt vastgelegd waarom er geen sprake is van verdringing/oneerlijke concurrentie.

  • 6.

    Het aantal gewerkte uren in een werkstage bedraagt niet meer dan 40 uur per week. Een werkstage duurt maximaal drie maanden en kan éénmalig met drie maanden worden verlengd.

Artikel 3.2.7 Scholing

(PW, IOAW, IOAZ)

  • 1.

    De gemeente kan een inwoner, die behoort tot de doelgroep scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk voor een langere periode te maken.

  • 2.

    De gemeente bepaalt de vorm en duur van de scholing. De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden en behoefte van de inwoner.

  • 3.

    Het scholingstraject wordt vastgelegd in een plan van aanpak met daarin het doel en de duur van het scholingstraject.

Artikel 3.2.8 Indienstnemingssubsidie

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

  • 1.

    De gemeente kan een werkgever die een inwoner, die behoort tot de doelgroep, in dienst neemt een subsidie geven. Er is geen recht op een indienstnemingssubsidie wanneer er sprake is van recht op loonkostensubsidie.

  • 2.

    Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners (deels) te vergoeden.

  • 3.

    De indienstnemingssubsidie bedraagt eenmalig € 500 per kalenderjaar.

  • 4.

    De werkgever moet in ieder geval voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de duur van de arbeidsovereenkomst bedraagt minimaal zes maanden;

    • b.

      de werknemer ontvangt loon hoger dan de bijstandsnorm.

Artikel 3.2.9 Maatschappelijke participatie

(PW, IOAW, IOAZ)

  • 1.

    De gemeente kan een inwoner, die weinig kans heeft op werk, zinvolle activiteiten aanbieden die hem dichter bij werk brengen. Dit heet maatschappelijke participatie.

  • 2.

    Het doel van maatschappelijke participatie is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.

  • 3.

    De gemeente biedt activiteiten aan als hierdoor geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

  • 4.

    De activiteiten worden vastgelegd in een plan van aanpak met een doel en duur van de activiteit.

Artikel 3.2.10 Ondersteuning beheersing Nederlandse taal

(PW, IOAW, IOAZ)

  • 1.

    Het beheersen van de Nederlandse taal is nodig voor het vinden en behouden van een werkplek. De gemeente kan aan een inwoner die de Nederlandse taal onvoldoende beheerst een voorziening aanbieden om de taal beter te leren (referentieniveau 1F, niveau basisonderwijs).

  • 2.

    Deze voorziening wordt vastgelegd in een taalplan. In het taalplan wordt in ieder geval beschreven:

    • a.

      welke vorm van ondersteuning wordt aangeboden; en

    • b.

      hoe de voortgang wordt beoordeeld.

Artikel 3.2.11 Kinderopvang

(PW, Wet kinderopvang)

  • 1.

    De gemeente verleent op aanvraag een bijdrage in de kosten van kinderopvang als de inwoner voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de inwoner heeft een gemeentelijke uitkering of een Algemene nabestaandenwet (Anw) uitkering en de kinderopvang is nodig om deel te kunnen nemen aan een activiteit van de gemeente op weg naar werk; of

    • b.

      de inwoner volgt een voltijd hbo- of universitaire opleiding, voortgezet onderwijs of vavo-onderwijs; of

    • c.

      er is spraken van een sociaal medische indicatie, als gevolg van lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperking van de ouder of om een dreigende ernstige ontwikkelingsachterstand van het kind op te heffen of te verminderen;

    • d.

      de kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of gastouderbureau.

  • 2.

    De gemeente legt in nadere regels vast welke aanvullende voorwaarden gelden en wat de hoogte van de vergoeding is. Op de kosten wordt de kinderopvangtoeslag die door de Belastingdienst wordt verstrekt in mindering gebracht.

Paragraaf 3.4 Andere voorzieningen en vergoedingen

Artikel 3.4.1 Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap

(PW,IOAW, IOAZ)

De gemeente kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie.

Artikel 3.4.2 Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen

(PW, IOAW, IOAZ)

  • 1.

    De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de inwoner om te kunnen werken.

  • 2.

    Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan welk product als een meeneembare voorziening worden geschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is.

Artikel 3.4.3 Nazorg

(PW, IOAW, IOAZ)

De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die aan het werk gaat, ondersteund en begeleid wordt als dit nodig is om het werk te kunnen doen en behouden.

Artikel 3.4.4 Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening

De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar de werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt.

Hoofdstuk 7 Inkomen en schulden

De gemeente heeft een financieel vangnet voor inwoners die te weinig inkomen en vermogen hebben om de dagelijkse kosten te betalen: een maandelijkse bijstandsuitkering. Om deze inwoners en andere inwoners met een laag inkomen extra te ondersteunen, kunnen zij bij de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en toeslagen aanvragen. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste extra’s geregeld. Voor een aantal extra’s wordt een inkomensgrens genoemd. Dit is geen harde grens, maar een uitgangspunt (kompas) bij het beoordelen van aanvragen. Inwoners die in een vergelijkbare financiële situatie zitten als inwoners met een bijstandsuitkering, kunnen vaak ook geholpen worden. Dat beoordeelt de gemeente per situatie. Ook worden er enkele basisregels gegeven voor de ondersteuning die de gemeente kan bieden bij een schuldenprobleem.

 

Paragraaf 7.2 Inkomen en bijstandsnorm

Artikel 7.2.1 Bepaling van het inkomen en bijstandsnorm

(PW, IOAW, IOAZ)

  • 1.

    Bij de bepaling van het inkomen in artikel 7.4.1 en 7.5.1 wordt aangesloten bij de wijze waarop het inkomen wordt vastgesteld in het kader van de bijzondere bijstand. Dit is geregeld in de beleidsregel inkomensondersteuning Participatiewet 2025.

  • 2.

    Bij de bepaling van de bijstandsnorm in artikel 7.41 en 7.5.1 wordt uitgegaan van de bijstandsnorm die geldt volgens de Participatiewet, maar zonder toepassing te geven aan artikel 22a, 27 en 28 van de Participatiewet.

  • 3.

    Als bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand is vastgesteld dat een inwoner een draagkrachtloos inkomen heeft wordt die inwoner geacht te voldoen aan de voorwaarde van het hebben van een laag inkomen als bedoeld in artikel 7.4.1 en 7.5.1.

Paragraaf 7.3 Studietoeslag

(PW)

Studenten met een structurele medische beperking hebben soms extra ondersteuning nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug omdat de studiefinanciering wordt aangevuld. In deze paragraaf geeft de gemeente aan welk bedrag toegekend wordt en hoe dat wordt uitbetaald.

Artikel 7.3.1 Hoogte en duur van de studietoeslag

De studietoeslag is gelijk aan het bedrag genoemd in artikel 7a sub a van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021, afgerond naar boven op een eenheid van

€ 10,00 en wordt elke maand uitbetaald.

 

Paragraaf 7.4 Inkomenstoeslag

(PW)

De individuele inkomenstoeslag van artikel 36 van de Participatiewet is bedoeld voor inwoners die langdurig moeten rondkomen van een laag inkomen en geen zicht hebben op verbetering van hun inkomen. Het is een extraatje dat jaarlijks kan worden verstrekt en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven wat de gemeente onder ‘langdurig’, ‘laag inkomen’ verstaat en wat de hoogte van de individuele inkomenstoeslag is.

Artikel 7.4.1 Doelgroep

  • 1.

    De inkomenstoeslag is bedoel voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd, die:

    • a.

      in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm;

    • b.

      geen goede financiële buffer heeft; en

    • c.

      geen uitzicht heeft op verbetering van het inkomen; en

    • d.

      niet eerder over dat kalenderjaar een individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen.

  • 2.

    Een aanvraag als bedoel in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, moet worden ingediend op een daartoe bestemd aanvraagformulier, onder overlegging van de benodigde bewijsstukken.

    Een aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag kan worden gedaan gedurende het gehele kalenderjaar, als mede het eerste kwartaal daarop volgend, waarop de aanvraag ziet. De gemeente kan ook de individuele inkomenstoeslag ambtshalve verstrekken.

  • 3.

    Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als aan hem in het jaar dat vooraf gaat aan de aanvraagdatum een maatregel is opgelegd omdat hij zich niet heeft gehouden aan een arbeids- of re-integratieverplichting als bedoeld in de Participatiewet en/of IOAW en/of IOAZ.

  • 4.

    Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als deze onderwijs volgt of in de referteperiode heeft gevolgd en daardoor naar het oordeel van de gemeente perspectief heeft op verbetering van de inkomenssituatie binnen een periode van een jaar. Het gaat dan om onderwijs dat het Rijk bekostigd.

  • 5.

    Het vermogen wordt vastgesteld op de aanvraagdatum.

  • 6.

    De individuele inkomenstoeslag wordt verstrekt per kalenderjaar.

  • 7.

    Bij een voor 1 januari 2026 toegekende individuele inkomenstoeslag wordt voor de toepassing van dit artikel de peildatum geacht te zijn bepaald op 1 januari van dat jaar.

Artikel 7.4.2 Hoogte van de individuele inkomenstoeslag

  • 1.

    De individuele inkomenstoeslag is per jaar (bedragen 2026):

    • a.

      € 531 voor een alleenstaande;

    • b.

      € 679 voor een alleenstaande ouder;

    • c.

      € 755 voor gehuwden en samenwonenden.

  • 2.

    Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners op grond van artikel 11 of 13 van de Participatiewet geen recht heeft op de individuele inkomenstoeslag de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt.

     

Paragraaf 7.5 Meedoenregeling

(Gemeentewet)

Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Hieraan zijn meestal kosten verbonden.

Artikel 7.5.1 Doelgroep en aanvraag

  • 1.

    De Meedoenregeling is bedoeld voor inwoners die moeten rondkomen van een inkomen dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm.

  • 2.

    De aanvraag voor de Meedoenregeling kan worden gedaan gedurende het gehele kalenderjaar, als mede het eerste kwartaal daarop volgend, waarop de aanvraag ziet. De gemeente kan ook de Meedoenregeling ambtshalve verstrekken.

Artikel 7.5.2 Inhoud regeling

  • 1.

    Inwoners van 18 jaar of ouder met een laag inkomen kunnen een vergoeding krijgen om te sporten en mee te doen aan sociaal-culturele, educatieve en andere maatschappelijke activiteiten. Ook abonnementen op kranten, tijdschriften, tv, internet en telefoon kunnen worden vergoed. De bijdrage is € 256 per jaar per volwassene (bedrag 2026).

  • 2.

    De gemeente kan nadere regels stellen over de voorwaarden die gelden voor deze bijdrage.

     

Paragraaf 7.8 Schuldhulpverlening

(Wgs)

De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner, die ondersteuning kan krijgen bij het oplossen van schulden, die ondersteuning zo snel mogelijk krijgt. Hier zijn verschillende mogelijkheden voor, deze staan vermeldt in de nadere regels.

Artikel 7.8.1 Samenwerking en toegang

  • 1.

    De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen.

  • 2.

    De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden.

  • 3.

    De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van ondersteuning. Een uitzondering op die regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft.

  • 4.

    De gemeente kan nadere regels stellen over de manier waarop en de voorwaarden waaronder inwoners met schulden worden ondersteund.

  • 5.

    De gemeente werkt voor de uitvoering van vroegsignalering van schulden samen met externe partners. Voor zover noodzakelijk voor deze samenwerking wisselt de gemeente persoonsgegevens uit overeenkomstig de Wgs en de geldende privacy wetgeving.

Artikel 7.8.2 Besluit

  • 1.

    Na het eerste gesprek informeert de gemeente de inwoner die ondersteuning kan krijgen met een besluit over de manier waarop de ondersteuning wordt gegeven.

  • 2.

    De gemeente stuurt iedere inwoner die geen ondersteuning kan krijgen na het eerste gesprek een besluit waarin staat waarom er geen ondersteuning wordt gegeven.

  • 3.

    Het besluit wordt genomen binnen acht weken na het eerste gesprek.

 

Paragraaf 7.9 Indexering

Artikel 7.9.1 Indexering bedragen

De bedragen genoemd in artikel 7.4.2 en 7.5.2 worden jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van het prijsconsumentenindex (methode Schulinck) en worden naar boven afgerond op hele euro’s.

Hoofdstuk 8 De vorm van ondersteuning

De ondersteuning die de gemeente biedt kan of in ‘natura’ of in geld. In natura betekent dat de ondersteuning ‘kant-en-klaar’ is. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld een traject naar werk), maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een meeneembare voorziening). In bepaalde gevallen kan de ondersteuning in de vorm van geld worden gegeven (bijvoorbeeld een individuele inkomenstoeslag). In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de gemeente de ondersteuning geeft.

 

Paragraaf 8.1 Vormen van ondersteuning

Artikel 8.1.1 Ondersteuning in natura

(PW, IOAW, IOAZ, Wgs)

  • 1.

    De inwoner kan ondersteuning van de gemeente in natura krijgen. Gaat het om een product , dan wordt dit in bruikleen of in eigendom verstrekt.

  • 2.

    De gemeente zorgt ervoor dat de aanbieder van een product de inwoner goed uitlegt en voldoende helpt om het product goed te kunnen gebruiken.

  • 3.

    De gemeente ziet erop toe dat de aanbieder van een product de regels in de wet over garantie naleeft. En de inwoner alle belangrijke informatie vertelt over de dienst of het product.

Artikel 8.1.2 Ondersteuning in geld

  • 1.

    De inwoner kan ondersteuning van de gemeente in geld ontvangen. Ondersteuning in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Alleen als in de wet, in deze verordening of in beleidsregels anders is bepaald en de persoonlijke situatie van de inwoner dit toelaat, moet het geld wel worden terugbetaald.

  • 2.

    De gemeente zorgt ervoor dat zij de betaling aan de inwoner doet binnen vier weken, nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de betaling.

  • 3.

    De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven. Soms kan de gemeente het geld op een andere manier, in een andere vorm betalen of aan een andere persoon betalen.

  • 4.

    De gemeente kan beslissen om het geld niet te betalen, maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen (vordering) als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een vordering op grond van één van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd.

Hoofdstuk 9 Afspraken tussen inwoner en gemeente

Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen.

 

Paragraaf 9.1 Hoe gaan we met elkaar om

(PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb)

Artikel 9.1.1 De rol van de gemeente

De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:

  • 1.

    Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem heeft.

  • 2.

    De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, recht op een gesprek met een medewerker. Dat gesprek kan op het gemeentehuis Meierijstad, Dorpsteam, bij de inwoner thuis of op een andere plaats zijn.

  • 3.

    De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken als het bieden van ondersteuning bij dit probleem een taak is van die organisatie.

  • 4.

    Er zijn aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die deze aan wil aanvragen.

  • 5.

    De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.

  • 6.

    De gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner.

  • 7.

    De gemeente maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die de gemeente al heeft en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.

Artikel 9.1.2 De rol van de inwoner

  • 1.

    De inwoner zorgt voor het volgende:

    • a.

      Als de gemeente ondersteuning biedt, werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem.

    • b.

      De inwoner doet wat nodig is om de ondersteuning van de gemeente zo kort mogelijk te laten duren.

  • 2.

    De inwoner werkt mee, zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost, Dat betekent het volgende:

    • a.

      De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner kan beoordelen. Dit geldt ook als de ondersteuning al is toegekend.

    • b.

      De inwoner informeert de gemeente zo snel als mogelijk over wijzigingen in de persoonlijke situatie.

    • c.

      De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner.

    • d.

      De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen als die van belang zijn in het contact met de gemeente.

Artikel 9.1.3 Ontoelaatbaar gedrag

De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat ontoelaatbaar is. De gemeente zorgt voor het volgende:

  • 1.

    De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:

    • a.

      zijn rechten en plichten;

    • b.

      wat er van hem wordt verwacht;

    • c.

      welk gedrag niet toelaatbaar is;

    • d.

      wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet toelaatbaar is; en

    • e.

      waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.

  • 2.

    De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven, vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren door een maatregel te nemen.

  • 3.

    De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:

    • a.

      de ernst van het gedrag;

    • b.

      de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en

    • c.

      de persoonlijke situatie van de inwoner.

  • 4.

    De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).

Paragraaf 9.2 Afspraken en verplichtingen over uitkeringen

Artikel 9.2.1 Afstemming op houding en gedrag van de inwoner

(PW, IOÁW, IOAZ, Awb)

  • 1.

    De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner.

  • 2.

    Bij het nemen van een besluit tot het verlagen van een uitkering houdt de gemeente rekening met:

    • a.

      de ernst van het gedrag;

    • b.

      de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en

    • c.

      de persoonlijke situatie van de inwoner.

  • 3.

    Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven, tenzij de inwoner al eerder zijn mening heeft gegeven over de voorgenomen verlaging. De inwoner kan dat op de volgende manieren doen:

    • a.

      telefonisch;

    • b.

      schriftelijk;

    • c.

      e-mail;

    • d.

      mondeling.

Artikel 9.2.2 Geen schuld en verjaring

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

  • 1.

    De gemeente verlaagt de uitkering niet als:

    • a.

      het gedrag van de inwoner hem niet te verwijten is;

    • b.

      het gedrag van de inwoner meer dan één jaar voor het nemen van een besluit heeft plaatsgevonden;

    • c.

      de gemeente daarvoor dringende redenen ziet.

  • 2.

    De inwoner wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Artikel 9.2.3 Ingangsdatum en periode verlaging

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

De gemeente informeert de inwoner per brief over het besluit tot verlaging. De verlaging gaat in vanaf de kalendermaand na de datum van dit besluit. Het is mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(en) nog niet is uitbetaald. Soms kan de gemeente de uitkering niet of maar voor een deel verlagen omdat deze wordt beëindigd. De gemeente legt het overgebleven deel van de verlaging alsnog op als de inwoner binnen één jaar na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen, tenzij dit naar het oordeel van de gemeente niet bijdraagt aan de met de maatregel beoogde doelstelling.

Artikel 9.2.4 Berekening verlaging

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

  • 1.

    De verlaging is een percentage van de uitkeringsnorm die van toepassing is op de inwoner.

  • 2.

    Als de inwoner maandelijks bijzondere bijstand ontvangt, kan de gemeente de bijzondere bijstand verlagen met een percentage van de bijzondere bijstand. Gaat het om eenmalige bijzondere bijstand, dan kan de gemeente die bijstand weigeren als de bijstand nodig is vanwege verwijtbaar gedrag van de inwoner.

Artikel 9.2.5 Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen

(PW, Awb)

  • 1.

    De gemeente verlaagt de uitkering een maand als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid, onderdeel b, f en g van de Participatiewet niet voldoende nakomt. Die verlaging is 100% van de uitkeringsnorm.

  • 2.

    De gemeente verlaagt de uitkering twee maanden als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h van de Participatiewet niet voldoende nakomt. Die verlaging is 100% van de uitkeringsnorm.

  • 3.

    De verlaging, zoals genoemd in lid 1, wordt in gelijke stukken verdeeld over de maand van oplegging en de daaropvolgende kalendermaand als er volgens de gemeente sprake is van bijzondere omstandigheden.

  • 4.

    De verlaging, zoals genoemd in lid 2, wordt in gelijke stukken verdeeld over de maand van oplegging en de twee daaropvolgende kalendermanden als er volgens de gemeente sprake is van bijzondere omstandigheden.

  • 5.

    Als er sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a van de Participatiewet is het vierde lid niet van toepassing.

Artikel 9.2.6 Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

  • 1.

    De gemeente verlaagd de bijstandsuitkering (PW) een maand met 100% van de uitkeringsnorm voor het niet voldoende proberen werk te vinden tenzij artikel 6.2.5 van toepassing is.

  • 2.

    De gemeente verlaagd de bijstandsuitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:

    • a.

      het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak;

    • b.

      het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen maatschappelijke participatie.

    • c.

      het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder;

    • d.

      het niet voldoende nakomen van verplichtingen tijdens de zoektermijn van vier weken na melding die voor jongeren tot en met 27 jaar geldt.

  • 3.

    De gemeente verlaagt de bijstandsnorm een maand met 10% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:

    • a.

      het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

    • b.

      het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid van de Participatiewet neergelegde verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het door de gemeente in naam van de inwoner verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering.

  • 4.

    De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering twee maanden met 100% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:

    • a.

      het niet voldoende proberen werk te vinden;

    • b.

      het niet aanvaarden van werk;

    • c.

      het door eigen toedoen niet behouden van werk;

    • d.

      het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening waardoor de voorziening niet doorgegaan is of vroegtijdig beëindigd is.

  • 5.

    De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:

    • a.

      het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken;

    • b.

      het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening onder gevolgen voor die voorziening;

    • c.

      het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie;

    • d.

      het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder.

  • 6.

    De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:

    • a.

      het zich niet tijdig laten registeren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie.

Artikel 9.2.7 Stoppen verlaging

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

De gemeente kan de verlaging stoppen (niet uitvoeren) als overduidelijk blijkt dat de inwoner alsnog de arbeidsverplichtingen nakomt. De inwoner moet de gemeente zelf verzoeken om de verlaging te stoppen. Hij moet het verzoek per brief of e-mail indienen. Dit kan zolang de maatregel loopt.

Artikel 9.2.8 Te weinig besef van verantwoordelijkheid

(PW, Awb)

  • 1.

    De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich gezien zijn gedrag te weinig realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud.

  • 2.

    De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente daardoor onterecht heeft uitbetaald (benadelingsbedrag).

  • 3.

    De verlaging duurt één maand en wordt vastgesteld op:

    • a.

      10% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag tot € 1.000;

    • b.

      20% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag van € 1.000 tot € 2.000;

    • c.

      40% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag van € 2.000 tot € 4.000;

    • d.

      100% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag van € 4.000 of hoger;

    • e.

      20% van de bijstandsnorm gedurende het aantal maanden dat eerder een beroep op uitkering is gedaan, bij een benadelingsbedrag hoger dan € 10.000 in die gevallen waarbij sprake is van onverantwoord interen op vermogen.

  • 4.

    In afwijking van lid 3 wordt bij het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid in de periode voorafgaan aan de bijstandsaanvraag, mits het voor de inwoner te voorzien was dat hij op bijstand aangewezen zou worden, de bijstand verlaagd met 100% gedurende twee maanden.

Artikel 9.2.9 Onacceptabel gedrag

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner bij zeer ernstige misdragingen tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt één maand verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm.

Artikel 9.2.10 Niet nakomen van andere verplichtingen

(PW, Awb)

  • 1.

    De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet voldoende nakomt.

  • 2.

    De verlaging is 20% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om:

    • a.

      verplichtingen die gericht zijn op het krijgen van werk;

    • b.

      verplichtingen in verband met bijstand die een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt;

    • c.

      een opgelegde verplichting om een noodzakelijke medische behandeling te volgen;

    • d.

      het voor de eerste keer niet verschijnen bij het afnemen van de taaltoets, zoals opgenomen in artikel 18b van de Participatiewet.

  • 3.

    De verlaging is 40% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om:

    • a.

      verplichtingen die gericht zijn op vermindering van de bijstand;

    • b.

      het voor de tweede keer niet verschijnen bij het afnemen van de taaltoets, zoals opgenomen in artikel 18b van de Participatiewet.

  • 4.

    De verlaging is 100% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om:

    • a.

      verplichtingen die gericht zijn op beëindiging van de bijstand;

    • b.

      het voor de derde keer of vaker niet verschijnen bij het afnemen van de taaltoets, zoals opgenomen in artikel 18b van de Participatiewet;

    • c.

      het niet of niet tijdig voldoen aan de medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17 van de Participatiewet.

Artikel 9.2.11 Samenloop van gedragingen

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

  • 1.

    Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging. De grootste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan en ook de duur die bij die verlaging hoort.

  • 2.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig – of als dat niet mogelijk is – na elkaar opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner niet verantwoord is.

  • 3.

    Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf en de in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet genoemde inlichtingenplicht niet nakomt, wordt een verlaging opgelegd voor zover voor de schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

  • 4.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen uit deze paragraaf en de in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet genoemde inlichtingenplicht niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging en een bestuurlijke boete opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of – als dat niet mogelijk is – na elkaar opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner niet verantwoord is.

Artikel 9.2.12 Herhaling (recidive)

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

  • 1.

    De duur van de verlaging wordt verdubbeld als de uitkering binnen 12 maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd. De duur wordt ook verdubbeld als de gemeente de eerdere verlaging vanwege dringende redenen van de inwoner heeft gewijzigd in € 0 (nihil).

  • 2.

    De duur van de verlaging bij wettelijke arbeidsverplichtingen (zie artikel 6.2.5) gaat naar drie maanden als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd.

Paragraaf 9.5 Controle van nakomen van afspraken

Artikel 9.5.1 Controle

(PW, IOAW, IOAZ)

  • 1.

    De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening en of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruikmaken van:

    • a.

      huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet;

    • b.

      bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij het UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten;

    • c.

      signalen en tips van organisaties of particulieren;

    • d.

      andere passende onderzoeksmethoden.

  • 2.

    N.v.t.

  • 3.

    Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd.

  • 4.

    Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.

Artikel 9.5.2 Voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik

(PW, IOAW, IOAZ)

  • 1.

    De gemeente stelt alles in het werk om misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen. Daarom informeert de gemeente inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.

  • 2.

    Om misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen en op te sporen hanteert de gemeente de uitgangspunten van Hoogwaardig Handhaven. De uitgangspunten rusten op:

    • a.

      het beter en vroegtijdig informeren van inwoners over rechten, plichten en handhaving;

    • b.

      het optimaliseren van de dienstverlening zonder belemmeringen, zodat de kans op spontante naleving wordt vergroot;

    • c.

      vroegtijdig opsporen en afhandelen van signalen van misbruik of oneigenlijk gebruik;

    • d.

      bij geconstateerde misbruik of oneigenlijk gebruik van daadwerkelijk sanctioneren (afstemmen van de uitkering).

Artikel 9.5.4 Privacy

(PW, IOAW, IOAZ, Wgs, AVG)

  • 1.

    Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.

  • 2.

    De uitvoerende gemeente stelt protocollen op voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast. Het gaat in ieder geval om protocollen voor de inzet van:

    • a.

      huisbezoeken;

    • b.

      internetonderzoeken.

  • 3.

    De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. De protocollen voldoen aan de regels die daarvoor gelden vanuit de regelgeving op het gebied van privacy, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming. De uitvoerende gemeente maakt de protocollen bekend.

Artikel 9.5.5 Toezichthouders

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

De gemeente kan één of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.

Hoofdstuk 11 Kritiek op de uitvoering

De gemeente probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat inwoners het niet eens zijn met de aanpak van onze uitvoerder gemeente Meierijstad. Wanneer een inwoner niet tevreden is, wil de gemeente dit graag horen. Er kan altijd contact worden opgenomen om de klacht door te nemen en te bespreken of er een oplossing gevonden kan worden. Als er geen oplossing gevonden wordt bestaat er altijd de mogelijkheid een formele klacht in te dienen. Is een inwoner het niet eens met de inhoud of motivatie van een besluit kan hij een bezwaar indienen. Ook dan wordt eerst met een gesprek gekeken of er een oplossing gevonden kan worden. Lukt dat niet dan wordt het bezwaar formeel in behandeling genomen.

De gemeente zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld.

In dit hoofdstuk staan enkele regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen, een vertrouwenspersoon te spreken of bezwaar te maken. Door de inkoop van de wettelijke regelingen benoemd in deze verordening bij onze uitvoerder, gemeente Meierijstad, is in de dienstverleningsovereenkomst opgenomen dat klachten en bezwaren door gemeente Meierijstad afgehandeld worden.

Artikel 11.1 Indienen van een klacht

(Awb, Gemeentewet)

Inwoners die een klacht hebben over gedragingen van medewerkers maken gebruik van de klachtenregeling zoals die geldt bij gemeente Meierijstad.

Artikel 11.3 Vertrouwenspersoon

  • 1.

    Inwoners die het niet eens zijn met de manier waarop een medewerker van de gemeente met hen omgaat, kunnen contact opnemen met de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon luistert en kan helpen een probleem aan te pakken. De vertrouwenspersoon kan er niet altijd voor zorgen dat het gaat zoals de inwoner het wil, maar zorgt er wel voor dat het proces verloopt zoals het hoort.

  • 2.

    Ook bij problemen met een aanbieder kan een inwoner contact opnemen met de vertrouwenspersoon.

  • 3.

    De vertrouwenspersoon is neutraal en heeft een geheimhoudingsplicht.

Hoofdstuk 13 Overige bepalingen

(Gemeentewet)

In dit hoofdstuk wordt geregeld welke verordeningen worden vervangen door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder kan invullen, dat met regelmaat beoordeeld wordt of de verordening nog volgens de bedoeling werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is.

Artikel 13.1 Onderzoek naar de werking van de verordening (evaluatie)

De gemeente onderzoekt met een zekere regelmaat of de verordening voldoende bijdraagt aan de doelen die de gemeente wil bereiken. Om dat te kunnen nagaan, verzamelt de gemeente informatie over alles wat van belang is om tot een goede evaluatie te komen. De gemeente houdt zich daarbij aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming.

Artikel 13.2 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)

De gemeente kan afwijken van een bepaling in deze verordening. Dit kan als toepassing van een bepaling volgens de gemeente een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in artikel 1.2 genoemde wetten door het toepassen van de regels niet worden gehaald.

Artikel 13.3 Intrekken oude verordeningen

De volgende verordeningen worden ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat:

  • Afstemmingsverordening Participatiewet 2016

  • Re-integratieverordening Participatiewet 2018

  • Verordening beslistermijn schuldhulpverlening 2022

  • Verordening Handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015

  • Verordening Individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015

  • Verordening Participatiefonds 2016

  • Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015

  • Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015

  • Verordening kinderopvang

Artikel 13.4 Overgangsrecht

  • 1.

    Een maandelijkse voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, loopt na de ingangsdatum van deze verordening door. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen.

  • 2.

    Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór de ingangsdatum van deze verordening geldt dat de gemeente deze afhandelt volgends de ingetrokken verordening maar niet als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner. Dan past de gemeente deze verordening toe.

  • 3.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van één van de bij 13.3 genoemde ingetrokken verordeningen, past de gemeente die ingetrokken verordening toe.

Artikel 13.5 Ingangsdatum

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2026.

Artikel 13.6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening werk, participatie, inkomen en schuldhulp Boekel 2026.

Hoofdstuk 14 Begrippenlijst

In deze verordening worden diverse begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst?

  • Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is.

  • Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, omdat zoveel mogelijk is aangesloten bij het normale, dagelijkse taalgebruik.

  • Ook staan er voor de duidelijkheid enkele wettelijke begrippen in de lijst die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven.

  • Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven.

Aanvraag: een officieel verzoek om een besluit te nemen. Een aanvraag wordt gedaan door iemand die direct belang bij dat verzoek heeft.

Gebaseerd op artikel 1:3 lid 3 Awb.

 

AVG: de Algemene Verordening Gegevensbescherming is een Europese wet die regels geeft voor de manier waarop de gemeente moet omgaan met de privacy van inwoners.

 

Awb: de Algemene wet bestuursrecht is een wet met algemene regels voor de manier waarop de gemeente onder andere moet omgaan met aanvragen, termijnen, klachten en bezwaarschriften.

 

AOW-leeftijd: leeftijd waarom de AOW-uitkering ingaat.

 

Arbeidsverplichting: de verplichting om mee te werken om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te krijgen, het accepteren en behouden van werk of het leveren van een tegenprestatie.

Artikel 9 van de Participatiewet, artikel 37 van de IOAW, artikel 37 van de IOAZ.

 

Beperking: de vermindering van mogelijkheden als gevolg van een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, psychische of psychosociale handicap waardoor een belemmering ontstaat in het sociaal-maatschappelijk functioneren.

 

Besluit: in een schriftelijk beslissing geeft de gemeente aan of de inwoner wel of geen ondersteuning krijgt.

 

Bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering. De hoogte hang af van de woon- en leefsituatie en leeftijd van de inwoner.

Artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet.

 

Bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud. Als het om een jongeren van 18 tot 21 jaar gaat, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand.

Artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet, artikel 12 van de Participatiewet.

 

Financiële buffer: een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens zoals benoemd in de Participatiewet. Vermogen is het totaal aan bezit in geld en goederen.

Artikel 34, lid 3 van de Participatiewet.

 

Gemeente: het college van burgemeester en wethouders van gemeente Boekel.

 

Gemeentewet: wet die de gemeente bevoegdheden geeft om taken te kunnen uitvoeren en eigen beleid te kunnen maken.

 

Gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het resultaat dat hij wil bereiken bespreekt.

 

Hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij een melding aangeeft.

 

Indexering: het jaarlijks aanpassen van in de verordening genoemde bedragen aan de ontwikkeling van de prijzen zodat de hoogte van deze bedragen waardevast blijft.

 

Inkomen: alles wat iemand als opbrengst van werk, een eigen onderneming of vermogen krijgt, bijvoorbeeld loon, winst, dividend of rente. Bij inkomen wordt vaak over geld gesproken, maar goederen of diensten kunnen ook tot het inkomen behoren.

 

Interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding, aan een inwoner behorende tot de doelgroep uit de Participatiewet, omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. Waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek.

 

Inwoner: de persoon die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente en die daar rechtmatig verblijft. Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan: verblijf dat geen wettelijke belemmering oplevert voor ondersteuning door de gemeente.

 

IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.

 

IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

 

Jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk.

 

Jongeren: personen tot 27 jaar.

 

Levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor eten en drinken, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen.

 

Mantelzorg: hulp die wordt verleend door een directe naaste vanuit een sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

 

Medewerker: de persoon die namens de gemeente optreedt, zoals de klantmanager of consulent die het gesprek met de inwoner voert.

 

Meedoenregeling: een vergoeding voor inwoners met een laag inkomen. Het doel van de regeling is te voorkomen dat inwoners in armoede niet mee kunnen doen aan bijvoorbeeld sport, culturele activiteiten of activiteiten van school.

 

Melding: het eerste contact waarin de inwoner zijn hulpvraag aan de gemeente stelt.

 

Nadere regels: regels die de gemeente vaststelt ter uitvoering van deze verordening binnen de kaders die de raad in deze verordening daarvoor stelt.

 

Ondersteuning: hulp bij de arbeidsinschakeling, inkomensondersteuning of schuldhulpverlening.

Artikel 7 van de Participatiewet, artikel 1 van de WGS.

 

Oneigenlijk gebruik: een voorziening gebruiken waar het niet voor bedoeld is.

 

Ontwikkelingsgerichte Arbeidsmatige Dagbesteding (OAD): OAD is gericht op het ontwikkelen van deelnemers richting (betaalde) arbeid. De combinatie van werk, zorg en begeleiding op maat, is een middel te komen om de ontwikkelmogelijkheden van de inwoner te onderzoeken, dan wel te stimuleren.

 

PW: de Participatiewet, iedereen die kan werken maar daarbij ondersteuning nodig heeft, valt onder de Participatiewet. De wet is er om zoveel mogelijk mensen met of zonder arbeidsbeperking werk te laten vinden. Daarnaast geeft de Participatiewet inwoners die niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen voorzien een inkomensgarantie. De Participatiewet geeft gemeenten ook de opdracht om inwoners te ondersteunen bij hun maatschappelijke participatie.

 

Preferent proces loonkostensubsidie: een preferent proces voor de administratieve uitvoering van loonkostensubsidie maakt het voor werkgevers makkelijker en aantrekkelijker om mensen via dit instrument aan het werk te helpen.

 

PRO: Praktijkonderwijs

 

Resultaat: het effect of het doel dat de inwoner wil behalen of hoeverre het gewenste doel of effect is behaald.

 

Referteperiode: periode van 3 jaar voorafgaand aan de peildatum.i

 

Samenwonenden: inwoners die een gezamenlijke huishouding voeren.

Artikel 3 van de Participatiewet

 

Sociale activering: het aanbieden van zinvolle activiteiten die de inwoner dichter bij werk kan brengen. Vrijwilligerswerk is hier een voorbeeld van.

 

Uitkering: de bijstandsuitkering, de IOAW- of de IOAZ uitkering.

Artikel 5 onderdeel b en artikel 12 van de Participatiewet en artikel 5 van de IOAW en artikel 5 van de IOAZ.

 

Uitvoerende gemeente: gemeente Meierijstad.

 

UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Dit is een Nederlandse overheidsinstelling die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van verschillende werknemersverzekeringen, zoals de Werkloosheidwet, de Ziektewet en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

 

Voorliggende voorziening: voorzieningen die vanuit andere regelingen worden gefinancierd, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet langdurige zorg (Wlz), die gezien haar aard en doel geacht wordt voor de klant toereikend en passend te zijn.

 

Voorziening: ondersteuning in de vorm van een dienst, activiteit, product of geldbedrag.

 

VSO: Voortgezet speciaal onderwijs.

 

Wet: de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet.

 

WGS: de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Boekel, gehouden op 2 juli 2026.

De griffier,

L.M.C. Verheijen-Janssen

de voorzitter,

C.J.M. van den Elsen

Naar boven