Gemeenteblad van Oldebroek
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Oldebroek | Gemeenteblad 2026, 331379 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Oldebroek | Gemeenteblad 2026, 331379 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente Oldebroek
De raad van de gemeente Oldebroek;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 mei 2026;
gelet op de artikelen 8a lid 1, aanhef en onder a, c, d en e en lid 2 en 10b lid 5 en 7 Participatiewet en artikel 36 IOAW/IOAZ;
Vast te stellen de navolgende:
Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente Oldebroek
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
doorstroompunt: Regionale Meld- en Coördinatiefunctie, dat de wettelijke opdracht uitvoert om personen tussen de 18 en 27 jaar die voortijdig de school verlaten in beeld te brengen en, indien nodig, begeleiding te bieden met het doel het behalen van een startkwalificatie en het voorkomen van maatschappelijke uitval door een passende opleiding of baan te vinden voor een jongere;
Overgangsdocument: het overgangsdocument is een verplicht instrument binnen de nieuwe wet 'Van school naar duurzaam werk' dat de informatieoverdracht van school naar gemeente stroomlijnt voor kwetsbare jongeren (vso, pro, mbo 1/2). Het doel is een warme overdracht om uitval te voorkomen en begeleiding naar duurzaam werk te garanderen;
Praktijkroute: de praktijkroute is een extra mogelijkheid voor mensen uit de doelgroep Participatiewet om opgenomen te worden in het doelgroepenregister als zij een loonwaarde hebben lager dan 100%. Het is een vereenvoudigde procedure waarin mensen met een arbeidsbeperking zonder langdurige UWV-beoordeling in het doelgroepenregister voor de Banenafspraak worden opgenomen;
Artikel 2. Evenwichtige verdeling
Het college onderzoekt de individuele wensen, acties gericht op vergroting van zelfstandigheid, mogelijkheden en capaciteiten van een persoon om de ondersteuning zo doelmatig en duurzaam mogelijk te realiseren. Waar mogelijk wordt rekening gehouden met individuele wensen. Het college legt dat vast in het trajectplan van de persoon.
Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van de persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat de persoon is opgenomen in het doelgroepregister of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:
Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen
Het college kan een voorziening weigeren als:
het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of een instelling of een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, het verzoek om ondersteuning heeft gedaan en daarbij geen overgangsdocument heeft verstrekt.
Het college kan een voorziening beëindigen als:
de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 Pw en de artikelen 13 en 37 IOAW/IOAZ niet nakomt, dan wel, voor zover het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7a, eerste lid Pw, de aan hem opgelegde verplichtingen in het kader van de ondersteuning niet nakomt.
de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het een persoon betreft als bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel a, onder 2° Pw; of een persoon als bedoeld in artikel 7a, eerste lid Pw, voor wie het aanvaarden van arbeid onderdeel uitmaakt van een traject op basis van de Wet van school naar duurzaam werk;
de persoon die aan de voorziening deelneemt onderwijs aanvaardt en daarmee niet langer aangewezen is op de in deze verordening opgenomen ondersteuning, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7a, eerste lid Pw voor wie de overgang naar onderwijs onderdeel uitmaakt van de geboden ondersteuning;
Artikel 4. Voorziening werkervaring
In aanvulling op het eerste lid kan het college de voorziening werkervaring ook aanbieden aan personen als bedoeld in artikel 7a, eerste lid Pw, voor zover deze ondersteuning bijdraagt aan de overgang van school naar werk of het behouden van werk, zonder dat sprake hoeft te zijn van langdurige werkloosheid als bedoeld in artikel 1.
Alvorens scholing aan te bieden aan een persoon als bedoeld in artikel 7a, eerste lid Pw, die niet beschikt over een startkwalificatie, beoordeelt het college of terugkeer naar regulier bekostigd onderwijs mogelijk en passend is. Het college kan de persoon in dat geval doorgeleiden naar het Doorstroompunt op grond van artikel 9.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
De ondersteuning van een persoon als bedoeld in het derde lid die niet beschikt over een startkwalificatie vindt bij voorkeur plaats in de vorm van een leerwerktraject als bedoeld in artikel 10 van deze verordening. Als dat gelet op de omstandigheden van de persoon passender is, kan het college de scholing op andere wijze aanbieden.
Artikel 9. Participatievoorziening beschut werk
Het college kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b lid 1 Pw, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden:
Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject
Het college kan met toepassing van artikel 7a, lid 3 Pw, een persoon zonder startkwalificatie, als bedoeld in artikel 7a, eerste lid Pw, ondersteuning bieden voor zover die ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject.
Artikel 12. Loonkostensubsidie buiten de wettelijke doelgroep
Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers die een arbeidsovereenkomst sluiten met personen die buiten de wettelijke doelgroep vallen. Dit zijn personen die geen recht hebben op loonkostensubsidie zoals bedoeld in artikel10c en 10d Pw. Het college kan deze loonkostensubsidie verstrekken als het college dit noodzakelijk vindt.
De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk.
Het college kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel a Pw die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever voor de duur van 2 maanden onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering.
Het college weigert de toestemming, bedoeld in lid 1, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaats kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid Pw.
Hoofdstuk 3A. Specifieke bepalingen
Paragraaf 3A.2 Procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
Artikel 16. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 3, de volgende voorwaarden:
de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal 6 maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week. Voor een persoon als bedoeld in artikel 7a, eerste lid Pw, kan het college een kortere duur of geringe arbeidsduur toestaan, indien de aard van de ondersteuning of het leerwerktraject dit vereist;
Artikel 17. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
Het college onderzoekt, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 4 weken na de aanvraag de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon. Het college onderzoekt of integrale samenwerking nodig is. Zo ja, dan zal worden samengewerkt met andere partijen, zoals bijvoorbeeld instanties op het gebied van gezondheidszorg, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn of wonen. Dit om te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a lid 2 onderdeel g onder 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a lid 2 onderdeel g onder 2 Pw
Paragraaf 3A.3 Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk
Artikel 21. Interne werkbegeleiding
Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding.
Een uitzondering op de gestelde voorwaarden van lid 1 geldt voor situaties waarin een werknemer met baan en bijbehorende jobcoach binnenkomt bij de gemeente, bijvoorbeeld als gevolg van verhuizing of een stageplek vanuit het VSO/PRO onderwijs. De jobcoach moet binnen 1 jaar alsnog aan de in lid 1 gestelde eisen voldoen.
De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de volgende begeleidingsregimes:
Licht: jaar 1, 6%, jaar 2, 3% en jaar 3 en daaropvolgende jaren 3% van het aantal overeengekomen werkuren
Midden: jaar 1, 10%, jaar 2, 5%, jaar 3 en daaropvolgende jaren 3% van het aantal overeengekomen werkuren
Intensief: jaar 1, 15%, jaar 2, 7,5%, jaar 3 en daaropvolgende jaren 6% van het aantal overeengekomen werkuren
Paragraaf 3A.4. Specifieke bepalingen overige voorzieningen
Artikel 25. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening
Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die tot de doelgroep behoort. De vervoersvoorziening moet noodzakelijk zijn om naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie te reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt.
Artikel 26. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij een motorische beperking
Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie.
Artikel 28. Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen
Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren.
Paragraaf 3A.5 Specifieke bepalingen van school naar duurzaam werk
Artikel 30. Specifieke ondersteuning
Het college kan personen als bedoeld in artikel 7a, eerste lid Pw ondersteuning bieden.
Artikel 31. Verzoeken van scholen en onderwijsinstellingen
Het college bevestigt binnen twee weken de ontvangst van een verzoek om een voorziening gedaan door het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020, een instelling of een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of het Doorstroompunt, voor zover het verzoek betrekking heeft op een persoon als bedoeld in artikel 7a, eerste lid Pw.
Het college kan in een bijzonder geval afwijken van de bepalingen in deze verordening voor zover toepassing ervan leidt tot een onbillijkheid van zwaarwegende aard.
Artikel 33. Intrekken oude verordeningen en overgangsrecht
Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2023 gemeente Oldebroek, die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2023 gemeente Oldebroek voor de duur:
Aldus besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Oldebroek
op 9 juli 2026.
De griffier A. Stokreef,
Voorzitter T.H. Haseloop-Amsing.
Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Pw onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Pw bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorzieningen. Het is daarbij van belang dat kenbaar is welke voorzieningen en ondersteuningsmogelijkheden er zijn. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college aanbiedt.
Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om regels op te nemen in deze verordening:
De regels dienen aandacht te besteden aan de wijze waarop, rekening houdende met de persoonlijke omstandigheden, ten behoeve van de doelgroep en doelgroep loonkostensubsidie, wordt voorzien in de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk (artikel 8a, lid 1, onderdeel a en lid 2, onderdelen a en g, en artikel 10 lid 1 Pw).
Aanpassingen naar aanleiding van de Wet van School naar Duurzaam Werk
Op 1 januari 2026 treedt de Wet van school naar duurzaam werk in werking. Het doel van die wijziging van de Participatiewet is om jongeren tot 27 jaar met een risico op afstand tot de arbeidsmarkt beter te helpen. Gemeenten kunnen hierdoor deze jongeren meer preventieve en passende ondersteuning bieden bij de overgang van school naar werk en bij het behouden van werk. Door deze wijziging wordt voorzien in regels en ondersteuningsmogelijkheden voor deze jongeren.
Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.
In dit artikel worden de begrippen uitgelegd die in de verordening staan.
Artikel 2. Evenwichtige verdeling
Op grond van artikel 8a Pw moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen regelen. Daarbij wordt rekening gehouden met de omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen. In het derde lid is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden.
Artikel 3. Algemene bepalingen en voorzieningen
De Participatiewet schrijft niet uitputten voor welke voorzieningen het college moet aanbieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid. Afhankelijk van de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt, kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van isolement (bijv. vrijwilligerswerk), het leren van vaardigheden of kennis of het opdoen van werkervaring.
Een voorziening is mogelijk bij organisaties met of zonder winstoogmerk.
Lid 1 geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die op die voorzieningen betrekking hebben. Ook zal het college bij de beoordeling van het recht op een voorziening de in artikel 2 opgenomen verdeling over verschillende doelgroepen in acht moeten nemen.
Het betreft hier een kan-bepaling, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in de individuele situatie op zijn plaats is. Doet een afwijzingsgrond zich voor? Dan is het uitgangspunt wel het weigeren van de voorziening. Maar dit is geen automatisme. Re-integratie vraagt namelijk om maatwerk.
Artikel 7a van de Participatiewet biedt de mogelijkheid om personen jonger dan 27 jaar te ondersteunen, zonder dat daarbij een minimale leeftijd is bepaald. Door de weigeringsgrond op basis van een minimumleeftijd, kan het college ondersteuning weigeren aan personen die te jong zijn, bijvoorbeeld omdat zij nog ondersteuning zouden moeten ontvangen in het kader van hun onderwijs, of de vanwege beperkingen die de Arbowetgeving stelt aan werktijden en werkzaamheden voor minderjarigen.
Voorts stelt een school, bij een verzoek om ondersteuning, op grond van de wijzigingen in de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op de expertisecentra, in verband met de inwerkingtreding van Wet van school naar duurzaam werk, een overgangsdocument op en verstrekt deze aan het college. In dit document is voor de persoonlijke begeleiding en ondersteuning relevante informatie opgenomen, waardoor bij het ontbreken ervan de ondersteuning minder goed op maat gemaakt kan worden. Indien dit document ontbreekt, kan dit aanleiding zijn om de voorziening te weigeren.
Lid 2 geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan. Onder beëindigen wordt ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen moeten vanzelfsprekend is ook het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling van toepassing.
Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de personen zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel a onder 2 Pw maakt de wet een uitzondering. Het gaat om de persoon als bedoeld in de artikelen 34a lid 5 onderdeel b, 35 lid 4 onderdeel b en 36 lid 3 onderdeel b van de WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen). Tenminste tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende 2 aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die 2 jaar geen loonkostensubsidie (artikel 10d Pw) is verleend. Voor deze laatste doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het hierboven beschreven moment.
Lid 2, onderdeel d: Dit lid bepaalt dat de ondersteuning op grond van deze verordening kan worden beëindigd wanneer een persoon onderwijs aanvaardt en daardoor niet langer is aangewezen op ondersteuning gericht op arbeidsinschakeling. In dat geval vormt onderwijs het primaire traject naar participatie. Voor personen als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Participatiewet geldt een uitzondering. Voor deze doelgroep kan de overgang naar onderwijs onderdeel uitmaken van het ondersteuningstraject richting duurzame arbeidsparticipatie. In die situaties kan de ondersteuning, indien noodzakelijk, naast of in samenhang met het onderwijs worden voortgezet.
Met deze bepaling wordt ruimte geboden voor maatwerk, waarbij enerzijds wordt voorkomen dat ondersteuning onnodig wordt ingezet en anderzijds wordt geborgd dat personen met een arbeidsbeperking passende ondersteuning behouden wanneer onderwijs een noodzakelijke stap vormt richting participatie.
De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Niet van een bijstandsgerechtigde en ook niet van een niet-bijstandsgerechtigde (ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540). Terugvordering moet op grond van het Burgerlijk Wetboek.
Adequate voorziening en afstemming
Lid 3 regelt het uitgangspunt dat het college, afgestemd op de situatie van de persoon, de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. Dit betekent dat de voorziening goed genoeg moet zijn om een verantwoorde oplossing te bieden. Die oplossing hoeft dus niet noodzakelijkerwijs de meest optimale oplossing te zijn. Zijn er meerdere adequate opties om de klant te ondersteunen, dan zullen de kosten van de oplossingen doorslaggevend zijn. Deze afweging wordt per individueel persoon gemaakt.
Lid 3 regelt ook de afstemming binnen het gemeentelijke sociale domein. Artikel 8a lid 2 onderdeel g Pw stelt dat er regels opgenomen moeten worden over de samenwerking binnen het gehele sociale domein als dat nodig is voor een integrale ondersteuning van de persoon (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Het gaat om de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en om de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk. Het is belangrijk om hier bij de inzet van voorzieningen rekening mee te houden en dit te benoemen in een eventueel plan van aanpak. Deze bepaling biedt ook een grondslag voor het uitwisselen van de noodzakelijke informatie binnen het sociaal domein om tot de integrale aanpak te kunnen komen.
Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gehanteerd van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG). Op deze manier kunnen de aangeboden re-integratievoorzieningen cijfermatig gemakkelijk in beeld worden gebracht en worden doorgegeven aan het CBS.
Artikel 4. Voorziening werkervaring
Bij een voorziening werkervaring, bijvoorbeeld een werkstage, is er geen sprake van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de 3 criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de overeenkomst.
Deze voorziening is gericht op het opdoen van werkervaring en het uitbreiden van kennis. De Hoge Raad heeft bepaald dat bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegen gericht is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is er bij deze voorziening in de regel geen sprake van beloning. Gaat het bij deze voorziening om een werkstage? Dan moet terughoudend met een stagevergoeding worden omgegaan. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, als er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte kosten. Op basis van maatwerk wordt bepaald welk gedeelte van een stagevergoeding als onkosten worden aangemerkt en welk gedeelte als inkomen. Voor inkomen gelden de inkomstenvrijlatingen van artikel 31 lid 2 onderdeel n, y, z aa en r Pw.
De inkomstenvrijlating geldt niet voor personen jonger dan 27 jaar, tenzij iemand loonkostensubsidie ontvangt of medisch urenbeperkt is.
Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een voorziening werkervaring aanbieden voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid.
Van langdurige werkloosheid is sprake als een persoon gedurende 12 aaneengesloten maanden of langer is aangewezen geweest op een uitkering. In zo’n geval kan sprake zijn van een afstand tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft een persoon gedurende 5 jaren geen inkomsten uit arbeid gekregen, dan kan worden aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. In dat geval kan het college deze voorziening aanbieden.
Het doel van een voorziening werkervaring is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie.
Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Zie de Handreiking Verdringing voorkomen bij het bevorderen van arbeidsparticipatie van Divosa.
In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd:
Het is raadzaam om van de werkgever waar de persoon werkervaring opdoet te verlangen dat er een adequate aansprakelijkheidsverzekering voor de persoon is afgesloten.
Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gebruikt van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG).
Volgens de Participatiewet moet ook sociale activering uiteindelijk gericht zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop.
Sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandig maatschappelijke participatie. Dit staat in artikel 6 lid 1 onderdeel c Pw. Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.
Doel: personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt. Als dit nog niet mogelijk is er al tussendoel bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Het is wel noodzakelijk dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Als het einddoel (arbeidsinschakeling) namelijk niet kan worden bereikt, is er geen grond om die persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering (CRvB 24-4-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4400).
Duur: het college moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Dit is maatwerk. Het is daarom niet wenselijk een te strakke termijn te hanteren.
Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gebruikt van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG).
De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. Het college zorgt ervoor dat een persoon uit de doelgroep een dienstverband krijgt aangeboden bij een detacheerder. De detacheerder is werkgever en de persoon verricht zijn werkzaamheden feitelijk bij een inlener.
Lid 2 geeft aan dat er op 2 vlakken schriftelijke afspraken worden gemaakt.
Voor lid 3 wordt verwezen naar de toelichting bij het artikel over de voorziening werkervaring.
Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gebruikt van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG).
Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument. Het varieert van een startkwalificatie opleiding tot een functiegerichte training. Het uitgangspunt is om eerst de arbeidsmogelijkheden te verkennen waarvoor geen scholing nodig is.
Scholing is geïndiceerd voor mensen die zonder scholing geen kans maken op plaatsing op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld omdat terugkeer naar het oude beroep onmogelijk is. Mensen zonder startkwalificatie lopen snel tegen dit probleem aan. Ook wordt er gekeken naar de arbeidsmarktrelevantie van de scholing. En de scholing wordt getoetst aan de motivatie en de cognitieve vaardigheden van de kandidaat. Doel van de scholing is om in te zetten op (uitstroom naar) passend en zo duurzaam mogelijk werk.
Startkwalificatie: een havo of vwo-diploma of een diploma van het mbo, niveau 2. Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gebruikt van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG).
Scholing bij een participatieplaats: wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, moet het college aan deze persoon scholing of opleiding aanbieden. Dit geldt vanaf 6 maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeels de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan. Of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Zie artikel 10a lid 5 Pw.
Zie artikel 8 van deze verordening over de voorziening participatieplaatsen.
Artikel 7a lid 2 Participatiewet bepaalt dat het college jongeren zonder startkwalificatie die nog regulier bekostigd onderwijs kunnen volgen eerst kan doorgeleiden naar het Doorstroompunt, voordat ondersteuning via de Participatiewet plaatsvindt. Dit is geregeld in artikel 7 lid 4. Het college beschikt hiermee over een uitvoeringsinstructie over wanneer scholing via de gemeente aan de orde is.
Lid 5 bepaalt dat ondersteuning van personen zonder startkwalificatie bij voorkeur plaatsvindt via een leerwerktraject. Indien dit, gelet op de persoonlijke omstandigheden, niet passend is, kan het college de scholing op een andere manier aanbieden om maatwerk te bieden.
Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk. Zie artikel 7 lid 8 Pw en artikel 8 lid 1 van deze verordening. Het college kan alleen aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.
Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Dat betekent dat de werkzaamheden die de persoon verricht geen gewone functie in het bedrijf betreft die ook door een betaalde werknemer verricht kunnen worden. In plaats daarvan is er speciaal een functie gecreëerd die aansluiten bij de behoeften en mogelijkheden van de persoon. Centraal staat het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan worden gekeken of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar. Zie artikel 10a Pw. Na 9 maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot. Zie artikel 10a lid 8 Pw. Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats voor de persoon aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Let op! In dat geval moet wel een andere werkomgeving geboden te worden Zie artikel 10a lid 9 Pw. Na 36 maanden vindt opnieuw eenzelfde beoordeling plaats. Zie artikel 10a lid 10 Pw.
De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie. Voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden. Zie artikel 10a lid 6 Pw. Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden. Zie artikel 8a lid 1 onderdeel d Pw. De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2, onderdeel j Pw. Bij het bepalen van de hoogte van de premie is de gemeenteraad niet verplicht om aan te sluiten bij het in artikel 31, lid 2, onderdeel j Pw genoemde bedrag. Alleen de maximale hoogte van de premie is begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Dit blijkt uit de woorden ‘ten hoogste’. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken.
Er is gekozen voor een premie per 6 maanden van maximaal 10% van de gehuwdennorm van artikel 21 onderdeel b Pw op basis van fulltime dienstverband. Bij een parttime dienstverband is dat naar rato van het aantal gewerkte uren. De gehuwdennorm van 1 januari dan het betreffende kalenderjaar is van toepassing. De procentuele berekening wordt afgerond op hele euro’s.
Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gebruikt van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG).
Artikel 9. Participatievoorziening beschut werk
Het college is verplicht beschut werk aan te bieden aan personen van wie het college, op advies van UWV, heeft vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Zie artikel 10b lid 1 Pw. Deze verplichting is begrensd. Het aantal jaarlijks te realiseren beschutte werkplekken wordt bij ministeriële regeling bepaald. Bij een lager aantal positieve adviezen van UWV blijft de verplichting beperkt tot dat aantal afgegeven positieve adviezen. Bij een hoger aantal positieve adviezen van UWV blijven de aantallen zoals neergelegd in de ministeriële regeling van toepassing. Zie lid 3.
Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gebruikt van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG).
Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject
Met de inwerkingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk is de voorziening voor een leer-werktraject geregeld in artikel 7a, derde lid, van de Participatiewet. Deze voorziening is voornamelijk bedoeld voor personen zonder startkwalificatie. De ondersteuning die bij dit leer-werktraject mogelijk is, viel voorheen onder artikel 10f van de Participatiewet, maar dat artikel is vervallen met de inwerkingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk. Daarmee blijft de leer-werkvoorziening bestaan, maar de ondersteuning wordt niet langer op grond van artikel 10f verleend en is met name gericht op personen zonder startkwalificatie.
Artikel 11. Persoonlijke ondersteuning bij werk
De voorziening persoonlijke ondersteuning bij werk is nader uitgewerkt in hoofdstuk 3A. Deze bepaling verwijst daarom naar dit hoofdstuk en naar artikel 3 van de verordening waar de algemene voorwaarden staan die gelden voor alle op grond van deze verordening te verstrekken voorzieningen.
Artikel 12. Loonkostensubsidie buiten de wettelijke doelgroep
Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. De in artikel 12 geregelde loonkostensubsidie is een gemeentelijke regeling die moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet en artikel 15. De in artikel 12 opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen waarvoor dit om een andere redenen noodzakelijk is. Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt wordt aan personen als bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel a, van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6 lid 1 onderdeel e, van de Participatiewet) en die is geregeld in hoofdstuk 3A. Het betreft daarom ook een in tijd gemaximeerde subsidieregeling.
Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen. Zie Kamerstukken II 2004/05, 28 870, nr. 125. In het eerste lid is opgenomen dat dit personen betreft die geen recht hebben op loonkostensubsidie zoals bedoeld in artikel10c en 10d Pw. In het tweede lid staat de maximaal toe te kennen loonkostensubsidie.
Het derde lid bevat een verdringingsbepaling. Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4.
De loonkostensubsidie kan alleen worden verstrekt als de werkgever geen aanspraak kan maken op een andere regeling die hem (gedeeltelijk) compenseert voor het feit dat de werknemer nog niet direct volledig inzetbaar is en mogelijk extra begeleiding nodig heeft. Ook als redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de werknemer zonder subsidie ook wel kan worden aangenomen, bijvoorbeeld vanwege de krapte op de arbeidsmarkt, wordt de subsidie niet verstrekt. Het is aan het college om te bepalen of er een noodzaak tot subsidieverlening aanwezig is met het oog op de arbeidsinschakeling van de werknemer.
Deze voorziening beoogt de indiensttreding voor de potentiële werknemer te vereenvoudigen. Soms is de afwezigheid van een fiets of iets dergelijks een blokkade voor indiensttreding. Deze voorziening biedt daarvoor een oplossing.
Volgens artikel 8a lid 2 onderdeel d Pw moet de gemeente in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder “het college toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in artikel 7 lid 1onderdeel a Pw die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”. Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen. Voor de termijn is aangesloten bij de wetgeving die wordt uitgevoerd door het UWV en het door het UWV gevoerde beleid (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 55). Artikel 14a geeft hier invulling aan. Het na een proefplaats inzetten van een dienstverband met een forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d lid 5 Pw is onwenselijk. Partijen in de (landelijke) Werkkamer hebben zich in die zin ook expliciet uitgesproken.
Artikel 15. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie
Dit artikel is een uitwerking van de wettelijke verplichting voor gemeenten om bij verordening te bepalen hoe het administratief proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie is vormgegeven (artikel 8a lid 1 en lid 2, onder c Pw. Door in de verordening naar het werkproces te verwijzen beoogt de wetgever ervoor te zorgen dat werkgevers, in het kader van transparantie, beter weten waar zij aan toe zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 54-55).
Het tweede lid maakt duidelijk dat het rechtssubject van de loonkostensubsidie de werkgever is, ook op het moment dat de werknemer de aanvraag indient. Dit volgt ook uit artikel 10d lid 1 Pw waarin staat dat de subsidie wordt verleend aan de werkgever. Het besluit op een aanvraag loonkostensubsidie moet aan de aanvrager en de medebelanghebbende (werkgever of de (potentiële) werknemer) die niet de aanvraag heeft ingediend) worden verstuurd. Beiden zijn belanghebbenden bij het besluit.
Omdat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hiervoor in aanmerking komen regelt het derde lid dat op het moment dat er een aanvraag binnenkomt met betrekking tot een persoon ten aanzien van wie nog niet is vastgesteld dat deze onder de doelgroep valt de aanvraag mede moet worden gezien als een aanvraag om onder de doelgroep te worden gebracht.
Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d lid 2 Pw, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute.
Het vierde lid regelt de termijn waarbinnen de loonwaarde wordt vastgesteld.
Het vijfde lid verwijst naar het administratieve werkproces dat door het college wordt gevolgd. Dit betreft het preferente proces loonkostensubsidie. Hiermee wordt gedoeld op het proces zoals dat door “De normaalste zaak”, een netwerk van bijna 700 werkgevers die samen aan de inclusieve arbeidsmarkt bouwen, is ontwikkeld. Doel was om de lasten voor werkgevers als gevolg van verschillende werkwijzen door gemeenten te verminderen, door het creëren van één administratief uitvoeringsproces voor het verstrekken van loonkostensubsidie. Door hierbij aan te sluiten en het makkelijker te maken voor werkgevers wordt beoogd dat meer personen met een loonkostensubsidie aan het werk kunnen komen. Daarmee wordt invulling gegeven aan de door de wetgever gewenste transparantie, zodat meer personen en hun werkgevers gebruik zullen maken van de regeling om met loonkostensubsidie aan het werk te komen.
Artikel 16. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Het artikel vormt daarmee een aanvulling op de in artikel 3 opgenomen algemene voorwaarden om in aanmerking te komen voor een re-integratievoorziening. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a lid 2, onderdeel a Pw.
Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep, bedoeld in artikel 7 Pw, waardoor zij voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen in aanmerking kunnen komen. (a). Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren (b). Om een doelmatige inzet van de re-integratiemiddelen te waarborgen is er een minimale omvang verbonden aan de dienstbetrekking. In principe biedt de werkgever een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week. Voor de reguliere doelgroep is dit een begrijpelijke eis. Voor de doelgroep van artikel 7a Participatiewet kan dit echter problematisch zijn: jongeren in die doelgroep volgen vaak nog (deels) onderwijs en combineren dit met een leer-werktraject of stage, waardoor een aaneengesloten dienstverband van zes maanden met 12 uur per week regelmatig niet haalbaar is. Daarom kan voor deze doelgroep van de minimale omvang van de dienstbetrekking worden afgeweken (c). Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, wordt de voorziening niet verstrekt op grond van deze verordening (d, e en f). De aan de voorziening(en) verbonden kosten kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden tot het afwijzen van de gevraagde voorziening(en), op het moment dat deze kosten in geen verhouding staan tot de [maatschappelijke] baten die verbonden zijn aan de verstrekking van de voorziening(en) (g).
Artikel 17. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
De aanvraag is geen verplichting. Het college kan ook zonder aanvraag beoordelen wat nodig is. Dit zal ook in de meeste gevallen gebeuren. Het college zorgt dan zelf voor een goede match met een werkgever met passende ondersteuning.
In dit artikel worden de verschillende stappen beschreven die het college moet doorlopen om tot een zorgvuldig onderzocht en onderbouwd besluit te komen. Het artikel vloeit voort uit artikel 8a lid 2, onderdeel f Pw: op welke wijze het college voorzieningen als bedoeld in artikel 10 lid 1 Pw verstrekt. En uit onderdeel 9: op welke wijze waar nodig voor een persoon als bedoeld in de artikelen 7 lid 1 onderdeel a Pw of artikel 10d lid 2 Pw wordt voorzien in integrale en voortgezette (persoonlijke) ondersteuning.
Bij het onderzoek houdt het college rekening met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en met zijn wensen en die van de werkgever. Als dat nodig is, wint het college een specifiek deskundig onderdeel in.
In artikel 8a lid 2 onderdeel g Pw is bepaald dat in de verordening ook moet worden opgenomen op welke wijze wordt voorzien in integrale ondersteuning. In lid 3 is daartoe bepaald dat het college tijdens het onderzoek, als dat nodig is, ook voorzieningen uit andere wetten (jeugdhulp, Wmo, schuldhulpverlening, enz.) betrekt bij de afweging en zo komt tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening.
Artikel 18 inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen.
Een beschikking moet voldoen aan de eisen van de Awb en de Pw. Een zorgvuldige motivering is hierbij van belang. Dit artikel noemt welke concrete informatie minimaal in een beschikking moet staan. Het betreft een nadere uitwerking van de wettelijke eisen, die niet afdoet aan de plicht om aan de eisen die rechtstreeks voortvloeien uit de Awb en de Pw te voldoen.
Het college geeft in een beschikking tot afwijzing van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening de reden van de afwijzing gemotiveerd aan. Als er sprake is van een voorliggende voorziening dan geeft het college aan welke voorziening dit betreft en waarom deze voor belanghebbende passend is.
Artikel 19. Persoonlijke ondersteuning bij werk
Persoonlijke ondersteuning bij werk omvat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beide benoemd. Het eerste en tweede lid geven aan op welke wijze het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning aan de doelgroep in natura en in de vorm van een subsidie (artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet). De gemeente kan een eigen jobcoach inzetten, of een jobcoach inhuren en die aan een werkgever toekennen. Ook is mogelijk dat een werkgever zelf een eigen jobcoach in dienst heeft (interne jobcoach) of een jobcoach inhuurt (externe jobcoach). De werkgever kan ook een collega van de werknemer inzetten om hem te begeleiden (interne werkbegeleider). In het artikel worden de verschillende mogelijkheden benoemd.
[Het derde lid maakt duidelijk dat de in het eerste en tweede lid bedoelde ondersteuning ook kan worden aangeboden op het moment dat er geen sprake is van een dienstverband. Dit vormt een uitbreiding op de wettelijke basisplicht om deze ondersteuning aan te bieden ten behoeve van opgedragen taken die worden verricht in het kader van een dienstverband bij een werkgever.]
Artikel 20 Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk
Het eerste lid bevat een termijn waarbinnen een aanvraag om persoonlijke ondersteuning in beginsel moet zijn ingediend, gerekend vanaf de datum van indiensttreding. Deze termijn houdt verband met de aard van de voorziening. Persoonlijke ondersteuning bij werk is een voorziening die wordt verstrekt als deze noodzakelijk is voor de persoon om de aan hem opgedragen taken uit te voeren. Bij een aanvraag die pas na het verstrijken van een ruime periode na indiensttreding wordt ingediend, kan de vraag worden gesteld in hoeverre het verstrekken van deze voorziening nog noodzakelijk is. Men is dan kennelijk al geruime tijd zonder deze persoonlijke ondersteuning in staat geweest de werkzaamheden te verrichten. In die situatie rechtvaardigt dat in beginsel de conclusie dat het verstrekken van persoonlijke ondersteuning op aanvraag niet noodzakelijk is.
Lid 2 geeft aan dat lid 1 niet geldt als voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn.
Lid 3 bepaalt dat het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. In lid 3 staan de basisaspecten waarmee het college rekening moet houden bij het verstrekken van individuele ondersteuning. Lid 3 benadrukt ook het belang van het leveren van maatwerk. In artikel 21en 22 wordt dit verder uitgewerkt.
Artikel 21 interne werkbegeleiding
Artikel 8a lid 2, onderdeel e, onder 1 Pw in combinatie met artikel 10 lid 3 onder b Pw bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning in de vorm van een interne werkbegeleider door middel van subsidieverstrekking. Dit artikel regelt hoe dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de subsidie hiervoor wordt bepaald.
[In het tweede lid wordt geregeld dat het aanbod van het college tevens een training voor de collega van de persoon kan bevatten, zodat deze de begeleiding op een verantwoorde wijze kan bieden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een “Harrie-training” (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20).]
Het eerste lid is een uitwerking van artikel 8a lid 2, onder e, onderdeel 2 Pw, waarin de opdracht is neergelegd om in de verordening aan te geven welke kwaliteitseisen het college stelt aan de jobcoach en hoe deze eisen worden gewaarborgd. Dit is relevant omdat kwaliteit, en kwaliteitseisen, een waarborg (kunnen) zijn voor een goede inzet van de jobcoach. De kwaliteitseisen zijn hier vastgelegd.
Het tweede lid bevat een uitzondering op de gestelde voorwaarden van lid 1 en geldt bijvoorbeeld voor situaties waarin een werknemer met baan en bijbehorende jobcoach binnenkomt bij de gemeente, bijvoorbeeld als gevolg van verhuizing of een stageplek vanuit het VSO/PRO onderwijs. De jobcoach moet binnen 1 jaar alsnog aan de in lid 1 gestelde eisen voldoen.
Het derde lid bepaalt dat de in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de daarin genoemde begeleidingsregimes. Lid 3 is een uitwerking van de uit artikel 8a lid 2, onder e, sub 1 Pw voortvloeiende verordeningsplicht. Het bepalen van de duur en de intensiteit van de jobcoaching is maatwerk. Het vierde lid bepaalt dat het college van de in het lid 2 bedoelde maximale percentages kan afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat beoogt te worden beschermd, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.
Het vijfde lid bevat een mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken van het in het tweede lid gegeven beoordelingskader. Hiermee wordt het recht op passende ondersteuning te allen tijde gewaarborgd. De afwijking kan zowel bestaan uit het bieden van meer of intensievere jobcoaching, alsook uit het verlengen daarvan.
Het zesde lid bevat een opdracht aan het college om te stimuleren dat jobcoaching door het college in natura wordt verstrekt. De naturaverstrekking geeft het college andere sturingsmogelijkheden en ook de efficiency kan hiermee zijn gediend. Dit neemt niet weg dat jobcoaching, binnen de in de verordening gestelde voorwaarden, ook in de vorm van een subsidie kan worden verstrekt.
Artikel 23 Jobcoaching in natura
Artikel 8a lid 2 onderdeel e onder 1 Pw bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college ook zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning (jobcoaching) in natura. Dit artikel voorziet hierin.
Artikel 24 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching
Artikel 8a lid 2 onderdeel e onder 1 Pw bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning door middel van subsidieverstrekking, waaronder jobcoaching. Dit artikel voorziet hierin.
In het tweede lid zijn de randvoorwaarden opgenomen om voor subsidieverlening in aanmerking te komen. Bij de keuze voor deze voorwaarden is, met het oog op het realiseren van een zo uniform mogelijk kader, aansluiting gezocht bij door het UWV gehanteerde voorwaarden op grond van artikel 12 van het Reïntegratiebesluit.
Het derde lid geeft aan op welke wijze de hoogte van de subsidie voor jobcoaching door het college kenbaar wordt gemaakt. Het college moet er voor zorgen dat de tarieven voor een bepaald jaar vindbaar en kenbaar zijn voor werkgevers en de doelgroep. Dat kan bijvoorbeeld door de tarieven te vermelden op de website van de gemeente. Daarbij is als eis opgenomen dat het door het college vastgestelde tarief toereikend moet zijn om jobcoaching in te kopen. Dit betekent dat het college moet onderzoeken in de markt wat een toereikend tarief is. Het feit dat een persoon of werkgever een beroep wenst te doen op een duurdere jobcoach betekent niet dat het college gehouden is het meerdere te verstrekken. Er is immers een maximumtarief waarvan vaststaat dat dit toereikend is om passende jobcoaching in te kopen.
Met het vierde lid wordt duidelijk gemaakt dat het college niet alleen subsidie kan verlenen voor jobcoaching die is bedoeld om de persoon in staat te stellen om de aan hem opgedragen taken in het kader van de arbeidsovereenkomst uit te voeren, maar dat de gesubsidieerde jobcoach ook een breder takenpakket kan uitvoeren.
Artikel 25. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening
Artikel 8a lid 2 onder f onderdeel 1 Pw bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken. Artikel 25 regelt, in aanvulling op de artikelen 3 en 16, onder welke voorwaarden dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de vergoeding hiervoor wordt bepaald als het college het vervoer niet zelf (in natura) organiseert.
Bij de bepaling van de vergoeding wordt uitgegaan van het reguliere tarief in de markt. Daarbij vormt, in lijn met artikel 3 lid 3, de goedkoopst adequate oplossing het uitgangspunt.
Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van de werkgever, bijv. een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst of CAO, wordt door het college in mindering gebracht (lid 4).
Voorbeelden van vervoersvoorzieningen zijn:
Artikel 26. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij een motorische handicap
Met de inwerkingtreding van de Wet van 22 november 2023, houdende wijziging van de Participatiewet ten behoeve van de werkvoorzieningen voor visueel beperkten, is de eerdere medebewindsopdracht ten aanzien van de wijze waarop voorzieningen voor visueel beperkten worden verstrekt door gemeenten, per 1 januari 2024 komen te vervallen. De ondersteuning van visueel beperkten is overgegaan van de gemeenten naar het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Tevens is van de gelegenheid gebruikgemaakt om het opschrift van het artikel aan te passen naar de bewoording van artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, onder 2° van de Participatiewet.
Dit artikel bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het geval er sprake is van een motorische beperking. Artikel 26 regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie noodzakelijke, voorziening(en) verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon.
De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. Er moet dus maatwerk geleverd worden. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3 en 16.
Bij een structurele fysieke arbeidsbeperking is vaak extra ondersteuning nodig om te kunnen functioneren op de werkvloer.
Artikel 27. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen
Artikel 8a lid 2 onderdeel f onder 3 Pw bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen.
Hiervoor is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. Gedacht kan worden aan een aangepaste bureaustoel, (braille) toetsenbord, koptelefoon, voorleeshulp enzovoort.
Wat een passende voorziening is, is sterk afhankelijk van de individuele behoefte van de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3 en 16.
Artikel 28. Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen
In artikel 8a lid 2 onderdeel f onder 3 Pw wordt uitsluitend gesproken van meeneembare voorzieningen. In sommige gevallen zijn er andere voorzieningen nodig op de werkplek om ervoor te zorgen dat de persoon hier kan werken. In beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn.
Dit artikel regelt de mogelijkheid om ook in deze behoefte te voorzien door het toekennen van een werkplekaanpassing. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de wetsgeschiedenis, waarin wel wordt gesproken van werkplekaanpassingen in plaats van meeneembare voorzieningen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20).
Het college kan bij wijze van experiment afwijken van het bepaalde in deze verordening. De duur van een experiment is ten hoogste drie jaar. Na afloop van de drie jaar moet het college besluiten of zij het experiment stopt dan wel de afwijkende werkwijze borgt in de organisatie.
In het laatstgenoemde geval kan het noodzakelijk zijn dat de periode van afwijkende behandeling wordt verlengd. Ook daarin voorziet dit artikel.
Paragraaf 3A.5 Specifieke bepalingen van school naar duurzaam werk
Met dit onderdeel wordt een paragraaf ingevoegd, specifiek voor ondersteuning voor personen als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Participatiewet. Het hoofdstuk bevat administratieve voorschriften die samenhangen met de samenwerking tussen onderwijsinstellingen en het college. Een deel van deze samenwerking wordt vormgegeven in regionale programma’s binnen een arbeidsmarktregio. Vooral de centrumgemeente heeft in deze regionale programma’s een rol. Dat neemt niet weg dat deze samenwerking ook in het belang ook los hiervan van belang is.
Artikel 30. Specifieke ondersteuning
Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om personen als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Participatiewet, zoals jongeren en jongvolwassen die ondersteuning nodig hebben bij de overgang van school naar werk, specifieke ondersteuning te bieden.
Hiermee wordt beoogd belemmeringen weg te nemen die duurzame arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie in de weg staan. Ook wordt maatwerk, afgestemd op de individuele omstandigheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon, mogelijk, passend bij de uitgangspunten van de participatiewet.
Een verzoek om ondersteuning kan worden ingediend door: de meerderjarige en handelingsbekwame persoon zelf; de persoon zelf van zestien jaar of ouder voor zover het verzoek betrekking heeft op zijn arbeidsovereenkomst; de ouder of voogd namens de minderjarige persoon; het bevoegd gezag van een instelling of school als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, mits de persoon of indien de persoon minderjarig is, diens ouder of voogd daarmee instemt; alsmede het college ambtshalve.
Artikel 31. Verzoek van scholen en onderwijsinstellingen
Dit artikel regelt de procedurele afhandeling van verzoeken om een voorziening in te zetten, die worden ingediend door scholen, onderwijsinstellingen en het Doorstroompunt voor personen als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Participatiewet. Het Doorstroompunt is onder de Wet van school naar duurzaam werk een centrale ketenpartner die verzoeken namens of ten behoeve van jongeren kan indienen.
Deze bepaling sluit aan bij de Wet van school naar duurzaam werk, waarin een actieve rol voor onderwijsinstellingen en gemeenten is weggelegd bij de ondersteuning van jongeren richting werk of vervolgonderwijs.
Door vast te leggen dat het college ontvangst van een verzoek binnen twee weken bevestigt, wordt duidelijkheid geboden aan de instantie en wordt een zorgvuldige en snelle behandeling van gewaarborgd. Dit draagt bij aan tijdige samenwerking tussen onderwijs en gemeente en ondersteunt een soepele overgang van school naar duurzaam werk.
Daarnaast is er de verplichting voor het bevoegd gezag om bij een verzoek tevens het overgangsdocument aan het college te verstrekken, alsmede de consequentie dat het college de voorziening kan weigeren op grond van artikel 3 lid 1 onderdeel g indien het overgangsdocument ontbreekt.
In dit artikel staat een hardheidsclausule, zodat het college in een bijzonder geval kan afwijken van de bepalingen in deze verordening voor zover toepassing ervan leidt tot een onbillijkheid van zwaarwegende aard.
Artikel 33. Intrekken oude verordeningen en overgangsrecht
In artikel 33 is het intrekken van de oude re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2023 gemeente Oldebroek geregeld. Dit heeft te maken met het feit dat de grondslag voor deze verordening met de Wet van school naar duurzaam werk en wijziging Participatiewet, is komen te vervallen.
Ook is in artikel 33 het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3 lid 2 moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 33 lid 2 geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor ten hoogste de duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt. Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2023 gemeente Oldebroek.
Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint te lopen vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening.
Voortzetten toegekende voorzieningen
Toegekende voorzieningen op grond van de Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2023 gemeente Oldebroek worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of een voorziening wordt voortgezet (artikel 33 lid 3). Hierbij kan het college rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de kosten van een dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond volgens de overeenkomst.
Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet mogelijk als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan de voorwaarden voor die voorziening op grond van de Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ 2023 gemeente Oldebroek of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur dan 12 maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke toekenning.
Ten aanzien van die voorziening blijft de Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2023 gemeente Oldebroek van toepassing (artikel 33 lid 4).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-331379.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.