U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

's-Gravenweg 178

Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Capelle aan den IJssel maakt bekend dat de wijziging van het omgevingsplan voor de locatie 's Gravenweg 178 is vastgesteld.

Artikel I

Het omgevingsplan Gemeente Capelle aan den IJssel wordt gewijzigd ten opzichte ontwerpbesluit vastgesteld zoals aangegeven in  Bijlage A.

Artikel II

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Gemeenteblad via www.officiëlebekenmakingen.nl, Het Kontakt: IJssel- en Lekstreek en de website van de Gemeente Capelle aan den IJssel.Dit besluit treedt in werking per 05‑08‑2026

Aldus vastgesteld door Gemeente Capelle aan den IJssel, 30 juni 2026

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Artikel 21.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.3 Voorrangsbepaling

  • 1.

    De regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet, zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in dit hoofdstuk, tenzij in de volgende leden anders is bepaald.

  • 2.

    In het gebied Ontwikkeling Kerklaan 450 zijn in aanvulling op het eerste lid de regels de volgende regels uit het tijdelijk deel van dit bestemmingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet, niet van toepassing:

     

    • a.

      Artikel 28.1 sub b Algemene afwijkingsregels Bestemmingsplan Middelwatering, vastgesteld 26 juni-2015, NL.IMRO.0502.BP15Middelwatering-4001;

  • 3.

    In het gebied Ontwikkeling Kerklaan 450 zijn in uitzondering op het eerste lid de regels in dit hoofdstuk niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet:

     

    • a.

      Bestemmingsplan Middelwatering, vastgesteld 26‑06‑2015, NL.IMRO.0502.BP15Middelwatering-4001: 

      • 1.

        Artikel 18 Waarde - Archeologie - 3;

      • 2.

        Artikel 23 Waterstaat - Waterstaatkundige functie; en

      • 3.

        Artikel 29.2 Overige zone - openbaar vervoer.

    • b.

      Parapluplan Wonen, vastgesteld 14‑12‑2022, NL.IMRO.0502.BPParapluWonen-4001.

    • c.

      Bestemmingsplan Parkeren Capelle aan den IJssel 2023, vastgesteld 12‑02‑2024 IMRO-idn: NL.IMRO.0502.BP23Parkeren-4001.

     

  • 4.

    De regels voor welstand/ ruimtelijke kwaliteit  beleidsregels voor ruimtelijke kwaliteit in bijlage V die gelden voor Ontwikkeling Kerklaan 450 gaan voor de regels uit de Nota beeldkwaliteit.

B

Na titel 21.3 wordt een titel ingevoegd, luidende:

Titel 21.4 's Gravenweg 178

Afdeling 21.4.1 Algemene bepalingen

Artikel 21.91 Toepassingsbereik

De regels in deze titel zijn uitsluitend van toepassing op de locatie 's-Gravenweg 178.

Artikel 21.92 Toepassing begripsbepalingen
  • 1.

    Begripsbepalingen die zijn opgenomen in Bijlage bij de Omgevingswet, Bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk tenzij in artikel 3 daarvan is afgeweken.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid gelden de volgende begripsbepalingen

     

    • a.

      omgevingsplan: het omgevingsplan van de gemeente Capelle aan den IJssel;

    • b.

      bed & breakfast: een voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, als toeristisch-recreatieve activiteit, ondergeschikt aan de woonfunctie. Onder een bed & breakfast voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid;

    • c.

      beroep of bedrijf aan huis: een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet op een groot publiek gericht zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend;

    • d.

      bestaand: met betrekking tot bebouwing: legale bebouwing die op 1‑1‑2024 aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning; met betrekking tot gebruik: het legale gebruik van grond en bebouwing, zoals aanwezig op 1‑1‑2024, dan wel toegestaan krachtens een omgevingsvergunning;

    • e.

      bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw;

    • f.

      detailhandel: het bedrijfsmatig aan particulieren te koop of te huur aanbieden van goederen, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; horeca-activiteiten en darkstores en supermarkten worden hier niet onder begrepen;

    • g.

      huishouden: samenlevingsvorm van één of meer personen die in vast verband samenleven en waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling, waarbij het volgende geldt:

      • 1.

        een kenmerk van continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid is het voor onbepaalde tijd samenleven.

      • 2.

        (bedrijfsmatige) kamerverhuur en door een instelling geplaatste personen vallen niet onder het begrip huishouden;

    • h.

      internethandel: detailhandel in niet-dagelijkse artikelen zonder showroom, waarvan de handel via internet en andere media loopt en waarvan de levering van producten uitsluitend plaatsvindt via post of koeriersdiensten;

    • i.

      kamerverhuur: het (bedrijfsmatig) verhuren of het aanbieden van een onzelfstandige wooneenheid;

    • j.

      niet-zelfstandige woning: woonfunctie zonder een eigen, afsluitbare, toegang welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen zoals badkamer, toilet en keuken buiten de woonruimte;

    • k.

      nutsvoorziening: voorzieningen voor o.a. gas, water, elektriciteit en datacommunicatiemiddelen;

    • l.

      straatmeubilair: bouwwerken ten dienste van de inrichting van de openbare ruimte, zoals lichtmasten, banken, bewegwijzering, (ondergrondse) inzamelbakken en speeltoestellen.

    • m.

      wonen: het bewonen van een woning of wooneenheid door niet meer dan één huishouden;

    • n.

      woning of zelfstandige wooneenheid: een gebouw of een zelfstandig gedeelte van een gebouw, dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

     

Artikel 21.93 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

bouwhoogte op een gebouw: vanaf het hoogste punt van een gebouw tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

Artikel 21.94 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functie dan wel toegestane gebruiksfuncties.

Artikel 21.95 Inrichting van percelen met het oog op de bereikbaarheid voor de brandweer

Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de inrichting van percelen met het oog op de bereikbaarheid voor de brandweer.

Afdeling 21.4.2 Wonen

Paragraaf 21.4.2.1 Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.96 Toegelaten activiteiten – wonen

Op de voor 'Wonen - 's-Gravenweg 178' aangewezen gronden zijn de volgende functies toegestaan:

  • a.

    wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep, internethandel of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten aan huis;

  • b.

    parkeren al dan niet in gebouwde parkeervoorzieningen;

  • c.

    ter plaatse van de aanduiding 'monumentale boom - 's-Gravenweg 178' mede het behoud, de versterking en/of het herstel van aanwezige monumentale bomen;

  • d.

    groenvoorzieningen;

  • e.

    water;

  • f.

    bij deze toegelaten functies behorende voorzieningen zoals tuinen, erven en verharding, bergingen, voorzieningen van openbaar nut, garages, (fiets)parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, bruggen met open reling en kunstwerken.

Artikel 21.97 Specifieke functieregels voor gebruik

In aanvulling op het bepaalde in artikel 21.96 gelden de volgende regels.

Een beroep of bedrijf aan huis mag uitsluitend worden uitgeoefend met inachtneming van de volgende regels;

  • a.

    de woonactiviteit in overwegende mate blijft gehandhaafd, waarbij maximaal 30% van het totale gebruiksoppervlakte van de hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken behorende bij de woning als zodanig mag worden gebruikt, tot een maximum van 80 m2

  • b.

    de bewoner uitsluitend zelf het beroep of de activiteit uitoefent; 

  • c.

    bedoeld gebruik geen hinder mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonmilieu en woonkarakter van de wijk of buurt;

  • d.

    de parkeerbalans in de directe woonomgeving niet onevenredig nadelig wordt of kan worden beïnvloed; 

  • e.

    het gebruik geen onevenredige nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer;

  • f.

    geen milieubelastende activiteit plaatsvindt als genoemd in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving of voldoende vaststaat dat de vestiging van de activiteit geen overwegende bezwaren van milieuhygiënische aard zal oproepen, gelet op de ligging, bedrijfsvoering en omvang van het bedrijf ten opzichte van de nabij gelegen woonbebouwing; 

  • g.

    door de uitoefening van het beroep of bedrijf aan huis mag het uiterlijk aanzien van de woning niet zodanig veranderen, dat de woning het karakter van een woning geheel of gedeeltelijk verliest;

  • h.

    detailhandel en horeca zijn niet toegestaan, uitgezonderd internethandel en ondergeschikte detailhandel.

Artikel 21.98 Vergunningplicht en beoordelingsregels bed & breakfast
  • 1.

    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een Bed & Breakfast op de locatie wonen - 's-Gravenweg 178 uit te voeren.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een Bed & Breakfast wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels: 

    • a.

      de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft; 

    • b.

      de Bed & Breakfast voorziening een maximumcapaciteit kent van ten hoogste 8;

    • c.

      de Bed & Breakfast wordt aangeboden door de gebruiker van het hoofdgebouw; 

    • d.

      maximaal 30% van het gebruiksoppervlakte van het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken mogen ten behoeve van een bed & breakfast in gebruik zijn tot een maximum van 80m2;

    • e.

      er dient te worden voldaan aan het geldende parkeerbeleid.

Paragraaf 21.4.2.2 Bouwen
Artikel 21.99 Algemeen

Op de in artikel 21.96 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de toegelaten functies worden gebouwd.

Artikel 21.100 Hoofdgebouwen

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  • a.

    hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een 'Bouwvlak - 's-Gravenweg 178' worden gebouwd;

  • b.

    de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de op de kaart aangegeven omgevingsnorm maximum bouwhoogte hoofdgebouw

  • c.

    de goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de op de kaart aangegeven omgevingsnorm maximum goothoogte hoofdgebouw;

  • d.

    het maximale aantal toegestane woningen binnen het desbetreffende functieaanduidingsvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de op de kaart aangegeven omgevingsnorm 'maximum aantal wooneenheden'; 

  • e.

    hoofdgebouwen zijn voorzien van een kap;

  • f.

    de dakhelling mag niet minder dan 20° en niet meer dan 60° bedragen, met dien verstande dat ten behoeve van een mansardekap de dakhelling niet meer dan 80° mag bedragen;

  • g.

    dakopbouwen zijn niet toegestaan;

Artikel 21.101 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a.

    bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan binnen het bebouwingsgebied;

  • b.

    de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak gelegen bouwperceel met de toegelaten functie ‘Wonen’ mag niet meer bedragen dan:

    • 1.

      in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;

    • 2.

      in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2;

    • 3.

      in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2;

    • 4.

      In afwijken van subleden b1 tot en met b3 mag het oppervlak van bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan ter plaatse van de op de kaart aangegeven omgevingsnorm maximum bebouwingsoppervlakte.

  • c.

    de diepte van bijbehorende bouwwerken aan de achtergevel van het hoofdgebouw mag maximaal 4 meter bedragen;

  • d.

    de bouwhoogte van aangebouwde bouwwerken mag maximaal de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw bedragen vermeerderd met 0,25 m;

  • e.

    de goot- en bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3 meter en 5 meter;

  • f.

    In afwijking van sublid e mag de goothoogte van het bijbehorend bouwwerk niet meer bedragen dan ter plaatse van de op de kaart aangegeven omgevingsnorm maximum goothoogte bijgebouw

  • g.

    In afwijking van sublid e mag de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk niet meer bedragen dan ter plaatse van de op de kaart aangegeven omgevingsnorm maximum bouwhoogte bijgebouw

  • h.

    balkons en dakterrassen op aangebouwde bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan.

Artikel 21.102 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a.

    de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vanaf 1 meter achter de voorgevel mag niet meer dan 2 meter bedragen;

  • b.

    de bouwhoogte van tuinmeubilair mag niet meer dan 2,5 meter bedragen;

  • c.

    de bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet meer dan 2,5 meter bedragen;

  • d.

    de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde max maximaal 3 meter bedragen;

  • e.

    het toegelaten maximum oppervlak van alle bouwwerken in deze categorie bedraagt 30 m2, waarbij bouwwerken onder a alsook bouwwerken met een oppervlak kleiner dan 5 m2 niet worden meegeteld. 

Paragraaf 21.4.2.3 Maatwerkvoorschriften
Artikel 21.103 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het slopen en/of veranderen van een beeldbepalend pand

 

  • a.

    Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - beeldbepalend pand - 's-Gravenweg 178' dient de uitwendige hoofdvorm van het betrokken bouwwerk, bepaald door goothoogte, bouwhoogte, nokrichting, dakvorm en dakhelling te worden gehandhaafd.

  • b.

    Bij een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde onder a.

  • c.

    Een vergunning als bedoeld onder b voor het slopen waarbij de volledige uiterlijke hoofdvorm verloren gaat, wordt alleen verleend indien de bouwkundige staat van het gebouw zodanig is dat de sloop vanuit het oogpunt van goede volkshuisvesting noodzakelijk is en/of renovatie redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • d.

    Het bevoegd gezag wint alvorens een vergunning als bedoeld onder b te verlenen advies in bij een door het bevoegd gezag aan te wijzen ter zake deskundige.

Afdeling 21.4.3 Tuin

Paragraaf 21.4.3.1 Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.104 Functieomschrijving

Op de voor 'Tuin - 's-Gravenweg 178' aangewezen gronden zijn de volgende functies toegestaan:

  • a.

    tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;

  • b.

    toegangspaden tot de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;

  • c.

    voorzieningen, bouwwerken en straatmeubilair passend bij de functies als genoemd onder a b en c, zoals: groenvoorzieningen, water, bruggen met open relingen, en andere vergelijkbare voorzieningen, met dien verstande dat duikers ten behoeve van opritten naar woningen niet zijn toegestaan langs de 's-Gravenweg.

Paragraaf 21.4.3.2 Specifieke functieregels voor gebruik
Artikel 21.105 Parkeren

Op deze gronden mag niet worden geparkeerd.

Paragraaf 21.4.3.3 Bouwen
Artikel 21.106 Gebouwen

Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.

Artikel 21.107 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Binnen de functie 'Tuin' gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

  • a.

    de bouwhoogte van erfscheidingen mag niet meer dan 1 meter bedragen;

  • b.

    de bouwhoogte van toegangspoorten langs de 's-Gravenweg mag niet meer bedragen dan 2 meter;

  • c.

    de bouwhoogte van bruggen en relingen langs de 's-Gravenweg mag niet meer bedragen dan 1 meter;

  • d.

    de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer bedragen dan 3 meter.

Paragraaf 21.4.3.4 Maatwerkvoorschriften
Artikel 21.108 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken voor het parkeren

Het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 21.105 vervatte verbod ten behoeve van het toestaan van parkeren met inachtneming van de volgende regels:

  • a.

    er moet worden aangetoond dat parkeren in het achtererfgebied van de toegedeelde functie Wonen niet mogelijk is;

  • b.

    het parkeren wordt landschappelijk ingepast en door groenvoorzieningen omringd;

  • c.

    bij de landschappelijke inpassing worden gebiedseigen beplantingen en andere gebiedseigen vegetatie, zoals opgenomen in de begripsbepaling gebiedseigen beplanting, toegepast.

Afdeling 21.4.4 Gebieden met te beschermen waarden

Paragraaf 21.4.4.1 Waarde - Archeologie 1
Artikel 21.109 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 1 - 's-Gravenweg 178' aangewezen gronden zijn mede bedoeld voor behoud van de aanwezige archeologische waarden.

Artikel 21.110 Bouwregels

Op de gronden als bedoeld in artikel 21.109 mag niet worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen en bouwwerken (waaronder begrepen het aanbrengen van heipalen en damwanden) met een diepte van niet meer dan 0,5 m -MV en een oppervlakte van niet meer dan 100 m2

Artikel 21.111 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen

 

  • a.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 21.110, gebouwen en bouwwerken te bouwen (waaronder begrepen het aanbrengen van heipalen en damwanden) met een diepte van meer dan 0,5 m -MV en een oppervlakte van meer dan 100 m2.

  • b.

    De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het volgende criterium:

    • 1.

      er wordt een rapport van een archeologisch deskundige overlegd die, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate aantoont dat de archeologische waarde van het terrein niet wordt verstoord.

  • c.

    Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden:

    • 1.

      de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

    • 2.

      de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;

    • 3.

      de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 

Artikel 21.112 Activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid

 

  • a.

    Op de gronden als bedoeld in artikel 21.109 mogen de volgende activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid niet worden verricht:

    • 1.

      grondbewerkingen (van welke aard dan ook);

    • 2.

      het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;

    • 3.

      het indrijven van voorwerpen in de bodem;

    • 4.

      het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodem verlagen, afgraven;

    • 5.

      het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies en dergelijke;

    • 6.

      het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.

  • b.

    In uitzondering op het bepaalde onder a mogen de volgende activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid wel worden verricht:

    • 1.

      activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid met een diepte van niet meer dan 0,5 m -MV en een oppervlakte van niet meer dan 100 m2;

    • 2.

      activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden.

Artikel 21.113 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid

 

  • a.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 21.112, activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid uit te voeren met een diepte van meer dan 0,5 m -MV en een oppervlakte van meer dan 100 m2.

  • b.

    De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het volgende criterium:

    • 1.

      er wordt een rapport van een archeologisch deskundige overlegd die, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate aantoont dat de archeologische waarde van het terrein niet wordt verstoord.

  • c.

    Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid de volgende regels verbinden:

    • 1.

      de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

    • 2.

      de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;

    • 3.

      de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 

Paragraaf 21.4.4.2 Waarde - Archeologie 2
Artikel 21.114 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 2 - 's-Gravenweg 178' aangewezen gronden zijn mede bedoeld voor behoud van de aanwezige archeologische waarden.

Artikel 21.115 Bouwregels

Op de gronden als bedoeld in artikel 21.114 mag niet worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen en bouwwerken (waaronder begrepen het aanbrengen van heipalen en damwanden) met een diepte van niet meer dan 0,5 m -MV en een oppervlakte van niet meer dan 200 m2.

Artikel 21.116 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen

 

  • a.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 21.115, gebouwen en bouwwerken te bouwen (waaronder begrepen het aanbrengen van heipalen en damwanden) met een diepte van meer dan 0,5 m -MV en een oppervlakte van meer dan 200 m2.

  • b.

    De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het volgende criterium:

    • 1.

      er wordt een rapport van een archeologisch deskundige overlegd die, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate aantoont dat de archeologische waarde van het terrein niet wordt verstoord.

  • c.

    Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden:

    • 1.

      de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

    • 2.

      de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;

    • 3.

      de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Artikel 21.117 Activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid

 

  • a.

    Op de gronden als bedoeld in artikel 21.114 mogen de volgende activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid niet worden verricht:

    • 1.

      grondbewerkingen (van welke aard dan ook);

    • 2.

      het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;

    • 3.

      het indrijven van voorwerpen in de bodem;

    • 4.

      het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodem verlagen, afgraven;

    • 5.

      het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies en dergelijke;

    • 6.

      het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.

  • b.

    In uitzondering op het bepaalde onder a mogen de volgende activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid wel worden verricht:

    • 1.

      activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid met een diepte van niet meer dan 0,5 m -MV en een oppervlakte van niet meer dan 200 m2;

    • 2.

      activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden. 

Artikel 21.118 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid

 

  • a.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 21.117, activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid uit te voeren met een diepte van meer dan 0,5 m -MV en een oppervlakte van meer dan 200 m2.

  • b.

    De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het volgende criterium:

    • 1.

      er wordt een rapport van een archeologisch deskundige overlegd die, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate aantoont dat de archeologische waarde van het terrein niet wordt verstoord.

  • c.

    Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid de volgende regels verbinden:

    • 1.

      de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

    • 2.

      de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;

    • 3.

      de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Paragraaf 21.4.4.3 Waterstaat - Waterstaatkundige functie
Artikel 21.119 Functieomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie - 's-Gravenweg 178' aangewezen gronden zijn primair bedoeld voor de wateraanvoer en -afvoer, de waterberging alsmede voor de waterhuishouding.

Artikel 21.120 Bouwregels

Op en in de voor waterstaat - waterstaatkundige functie - 's-Gravenweg 178' aangewezen gronden is het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van de in artikel 21.119 bedoelde functie.

Artikel 21.121 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen

 

  • a.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 21.120, bebouwing toe te staan ten behoeve van een andere toegelaten functie.

  • b.

    De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • 1.

      door de bouw of plaatsing of de aanwezigheid van een bouwwerk wordt geen of kan geen schade worden toegebracht aan het waterstaatsbelang;

    • 2.

      de waterbeheerder heeft een positief advies afgegeven. Het bevoegd gezag kan alleen gemotiveerd afwijken van dit advies.

Paragraaf 21.4.4.4 Overige zone - 's-gravenweg
Artikel 21.122 Gebruiken van de fysieke leefomgeving
  • 1.

    Functieomschrijving

    Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - 's-gravenweg - 's-Gravenweg 178' is het beleid mede gericht op het behoud, beheer en herstel van het omgevingsprofiel van de 's-Gravenweg met de volgende kernkwaliteiten: een symmetrisch profiel bestaande uit; een smalle rijbaan van ten hoogste 5,75 meter, berm/talud met structuurbomen van knotwilgen zoals opgenomen in de vigerende Groene kaart, wetering en onbebouwde voortuin met een groene inrichting;

  • 2.

    Specifieke functieregels voor gebruik 

    Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden ter plaatse van bruggen te parkeren.

Artikel 21.123 Bouwen

Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - 's-Gravenweg' gelden de volgende regels:

 

  • a.

    1 brug per bouwperceel;

  • b.

    de brug heeft een maximale breedte van 4,5 meter;

  • c.

    de reling op de brug heeft een maximale hoogte van 1 meter en bestaat uit een open constructie;

  • d.

    erfafscheidingen voor de voorgevel worden gerealiseerd in de vorm van gebiedseigen beplanting, met dien verstande dat toegangspoorten mogen worden gebouwd zoals geregeld in de toegedeelde functie Tuin.

 

Artikel 21.124 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid

Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • a.

    het vellen of rooien van waardevolle bomen en structuurbomen zoals opgenomen in de vigerende Groene kaart;

  • b.

    het vellen of rooien van monumentale bomen zoals aangeduid op de verbeelding met de aanduiding 'monumentale boom - 's-Gravenweg 178';

  • c.

    het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;

  • d.

    het verrichten van grondroeractiviteiten, bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;

  • e.

    diepploegen vanaf 0,50 m;

  • f.

    het aanbrengen van verharding anders dan het verharden ten behoeve van oprit naar een achter de voorgevelrooilijn gelegen garage of parkeergelegenheid, met dien verstande dat deze oprit maximaal 4,5 meter breed mag zijn;

  • g.

    het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.

Artikel 21.125 Uitzondering op vergunningplicht

De in artikel 21.124 vervatte vergunningplichten gelden niet voor de werken of werkzaamheden:

  • a.

    die ten tijde van de inwerkingtreding van deze titel reeds op basis van een verleende omgevingsvergunning in uitvoering waren of mogen worden uitgevoerd;

  • b.

    die het normale beheer en/ of onderhoud betreffen.

Artikel 21.126 Afwegingskader

De in artikel 21.124 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, herstel en ontwikkeling van de in 21.122 toegedeelde functie.

Paragraaf 21.4.4.5 Vrijwaringszone - halfopen landschap
Artikel 21.127 Functieomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone - halfopen landschap - 's-Gravenweg 178' is het beleid mede gericht op het behoud, beheer en herstel van landschappelijk en ecologisch waardevolle landschapselementen met de volgende kernkwaliteiten: afwisselende landschappen met open ruimten en gesloten ruimten met dichte beplanting, een recht en regelmatig verkavelingspatroon en sloten, zoals is opgenomen in Bijlage 3 - Landschapsadvies 's-Gravenweg-West, van bestemmingsplan 's Gravenweg-West (d.d. 27‑03‑2017).

Artikel 21.128 Bouwregels

Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - halfopen landschap - 's-Gravenweg 178' mag buiten het bouwvlak niet worden gebouwd met uitzondering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in de vorm van:

  • a.

    bouwwerken ten dienste van de waterhuishouding en de riolering;

  • b.

    beschoeiing of daarmee gelijk te stellen bouwwerken ten dienste van de oeverbescherming, met dien verstande dat de bovenzijde van deze bouwwerken niet boven het gemiddelde waterpeil uitsteekt;

  • c.

    erfafscheidingen met een open constructie, waarbij de bouwhoogte niet meer dan 1,5 meter mag bedragen;

  • d.

    erfscheidingen, zoals bedoeld onder c, dienen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - 's-Gravenweg' tevens te voldoen aan het bepaalde in artikel 21.123

Afdeling 21.4.5 Algemene regels ’s Gravenweg 178

Artikel 21.129 Algemene bouwregels
  • 1.

    Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten

     

    • a.

      Voor een bouwwerk, dat krachtens de Omgevingswet en het daarbij behorende overgangsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van deze titel aanwezig of in uitvoering is, dan wel middels een verleende vergunning gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de toegedeelde functie is toegelaten, maar waarvan: de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringbepalingen in de bouwregels van de betreffende functietoedeling, geldt dat bestaande maten, die meer bedragen dan in de andere bepalingen van deze titel is voorgeschreven, mogen worden aangehouden als ten hoogste toelaatbaar;

    • b.

      Ingeval van herbouw is lid a. uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt;

    • c.

      Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.

  • 2.

    Toegelaten bouwwerken met afwijkende locatie

     

    • a.

      Voor een bestaand bouwwerk dat krachtens de Omgevingswet en het daarbij behorende overgangsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van deze titel aanwezig of in uitvoering is, maar buiten het bouwvlak is geplaatst, geldt dat de bestaande locatie van het bouwwerk mag worden aangehouden als toelaatbaar;

    • b.

      Herbouw van de onder a. bedoelde bouwwerken mag uitsluitend plaatsvinden op dezelfde locatie;

    • c.

      Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.

  • 3.

    Hoogteaanduidingen

    De maximale toelaatbare bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag – tenzij elders in deze bepalingen anders is geregeld - ten hoogste bedragen:

    • a.

      vlaggenmasten 6 meter;

    • b.

      van vrijstaande antenne- installaties ten behoeve van telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes en zonder techniekkast 15 meter;

    • c.

      van vrijstaande antenne- installaties, niet zijnde schotelantennes ten behoeve van mobiele telecommunicatie 5 meter;

    • d.

      van antenne- installaties die op bouwwerken worden geplaatst, niet zijnde schotelantennes 5 meter;

    • e.

      van schotelantennes 3 meter;

    • f.

      van lichtmasten 12 meter;

    • g.

      van geluidwerende voorzieningen 4 meter;

    • h.

      scheepvaartverkeerstekens 7 meter;

    • i.

      van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde 3 meter.

  • 4.

    Ondergronds bouwen

     

    • a.

      Ondergrondse bebouwing is uitsluitend ter plaatse van gebouwen (hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken) toegestaan, met dien verstande dat de bouwregels ten aanzien van de maximaal te bebouwen oppervlakte van het perceel van overeenkomstige toepassing zijn.

Artikel 21.130 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 21.131 Regelgeving en beleid

 

  • a.

    Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar een wettelijke regeling, dan wordt deze regeling toegepast zoals die van kracht is op het moment van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan.

  • b.

    Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar een beleidsregeling, dan wordt deze regeling toegepast zoals die luidt dan wel van kracht is op het moment van indienen van een aanvraag omgevingsvergunning.

Afdeling 21.4.6 Overgangsregels

Artikel 21.132 Overgangsrecht

 

  • a.

    Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het deze titel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 

  • b.

    Het is verboden het met deze titel strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met deze titel strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 

  • c.

    Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 

  • d.

    Sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

C

Artikel 22.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.7 Repressief welstand

  • 1.

    Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota,vigerende beleidsregel als bedoeld in artikel 12a, eerste lid,4.19 van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold:

    • a.

      een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en

    • b.

      een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

D

Artikel 22.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen

  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:

    • a.

      de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;

    • b.

      het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota,vigerende beleidsregel als bedoeld in artikel 12a, eerste lid,4.19 van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • c.

      de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:

      • 1.

        de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of

      • 2.

        bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:

    • a.

      het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of

    • b.

      het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.

E

Artikel 22.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een opgave van de bouwkosten;

  • b.

    het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • c.

    een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • d.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

    • 1.

      de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

    • 2.

      de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

    • 3.

      de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

    • 4.

      de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

    • 5.

      het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;

  • e.

    de goot- en bouwhoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;

  • f.

    de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;

  • g.

    gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld;

  • h.

    voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;

  • i.

    de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota,vigerende beleidsregel als bedoeld in artikel 12a, eerste lid,4.19 van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:

    • 1.

      tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;

    • 2.

      principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;

    • 3.

      kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en

    • 4.

      een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;

  • j.

    als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:

    • 1.

      de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en

    • 2.

      als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en

    • 3.

      De plicht tot het indienen van de onderzoeken als bedoeld in lid j, 1° geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in artikel 22.27 en 22.36. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in deze artikelen; en

    • 4.

      Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in lid j, 1° toe, als bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn; en

    • 5.

      Het bevoegd gezag kan gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in lid j, 1° toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn, indien uit het vooronderzoek volgens NEN 5725 naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek niet rechtvaardigen; en

    • 6.

      Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

  • k.

    Overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan;

  • l.

    Plattegronden van elke bouwlaag, schaal 1:100 of 1:50, volledig voorzien van indeling, maatvoering, de gebruiksfunctie en de opgave van de gebruiksoppervlakte per bouwlaag;

  • m.

    Het verslag van het participatieproces.

F

Artikel 22.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    In afwijking van artikel 22.60 en het eerste en tweede lid, zijn de regels als bedoeld in het vierde tot en met het zevende lid van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein. 

  • 4.

    Het derde tot en met het zevende lid is niet van toepassing op een activiteit waar: 

     

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; 

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: 

      • 1.

        170 70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; 

      • 2.

        280 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1; 

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; 

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; 

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; 

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; 

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; 

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en 

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

  • 5.

    Het derde tot en met het zevende lid is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, het eerste en tweede lid of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit. 

  • 6.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in het derde lid worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

     

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; 

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en 

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en 

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

     

  • 7.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit als bedoeld in het derde lid wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

G

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Overzicht Informatieobjecten

's-Gravenweg 178

/join/id/regdata/gm0502/2026/db40b6c7733c4080b732baf2669177b8/nld@2026‑07‑07;10143802

beperkingengebied lokale spoorweg

/join/id/regdata/gm0502/2025/9919e438dd584ab7bc9a3e5e1c17e6ae/nld@2026‑01‑05;09441535

beschermingszone lokale spoorweg

/join/id/regdata/gm0502/2025/93085dffa4c349a9bbdb9667fa9ab0e4/nld@2026‑01‑05;09441535

bouwvlak

/join/id/regdata/gm0502/2025/6d97b93b512143b6bf8e8828406d5fda/nld@2025‑06‑11;16395696

/join/id/regdata/gm0502/2025/6d97b93b512143b6bf8e8828406d5fda/nld@2026‑07‑07;10143802

Bouwvlak - 's-Gravenweg 178

/join/id/regdata/gm0502/2026/94b886842b8f4292aac5a12d45fdc8af/nld@2026‑07‑07;10143802

buitenste beschermingszone lokale spoorweg

/join/id/regdata/gm0502/2025/6c61c323fd114a5d920a0a1b10c53dd7/nld@2026‑01‑05;09441535

functies begane grond

/join/id/regdata/gm0502/2024/c3374d18431d468dbb7c8d622594e304/nld@2026‑01‑05;09441535

gebouw - toren

/join/id/regdata/gm0502/2025/979fd5ef55b54058909673287fe0ff9a/nld@2025‑06‑11;16395696

groen

/join/id/regdata/gm0502/2024/92166ef49be843f28cfd42c14a7a3241/nld@2026‑01‑05;09441535

/join/id/regdata/gm0502/2024/92166ef49be843f28cfd42c14a7a3241/nld@2026‑07‑07;10143802

Groen-Landschap - Oeverrijk

/join/id/regdata/gm0502/2026/8475ea77af7548fd9f4421c78100abc8/nld@2026‑03‑16;09134788

inpandig parkeren bovengronds

/join/id/regdata/gm0502/2024/4d4705c5ba674fb39d13336ca0a2fa6d/nld@2025‑06‑11;16395696

Kerklaan 450

/join/id/regdata/gm0502/2024/a8b8da9b5ec641208f397142a3ea4101/nld@2025‑06‑11;16395696

kernzone lokale spoorweg

/join/id/regdata/gm0502/2025/8aaa097f5f2b4743a352f39da61368be/nld@2026‑01‑05;09441535

kernzone nood-, onderhouds- en gebruikerstoegangen

/join/id/regdata/gm0502/2025/a22c377bec8a48f19de1893181dd1a98/nld@2026‑01‑05;09441535

maximum aantal wooneenheden

/join/id/regdata/gm0502/2026/91b83249d73e4d2b85565ad7a8fca619/nld@2026‑07‑07;10143802

maximum bebouwingsoppervlakte

/join/id/regdata/gm0502/2026/969cba2448644d7ea5a83b34b9756380/nld@2026‑07‑07;10143802

maximum bebouwingspercentage

/join/id/regdata/gm0502/2024/383668ba48d14c8ab7a2882b8d58dca0/nld@2026‑01‑05;09441535

maximum bouwhoogte

/join/id/regdata/gm0502/2024/98a31089732846c3bb38759f6f7db8fe/nld@2026‑01‑05;09441535

/join/id/regdata/gm0502/2024/98a31089732846c3bb38759f6f7db8fe/nld@2026‑07‑07;10143802

maximum bouwhoogte 24 m

/join/id/regdata/gm0502/2025/8f8b9d05f4d24a159c6ae8e37d1f1e8b/nld@2025‑06‑11;16395696

maximum bouwhoogte 75 m

/join/id/regdata/gm0502/2025/be55f8a3687e45c4b5d42df65377dca0/nld@2025‑06‑11;16395696

maximum bouwhoogte bijgebouw

/join/id/regdata/gm0502/2026/4cc88ec2bc2b40478dd04bc916169468/nld@2026‑07‑07;10143802

maximum goothoogte bijgebouw

/join/id/regdata/gm0502/2026/0c848a76478a43fd95d466bfc205aac5/nld@2026‑07‑07;10143802

maximum goothoogte hoofdgebouw

/join/id/regdata/gm0502/2026/23c176a0bb054d40980bc3165427a338/nld@2026‑07‑07;10143802

monumentale boom - 's-Gravenweg 178

/join/id/regdata/gm0502/2026/da7826f1b1dd49bbaf116c5e1d9ccb1d/nld@2026‑07‑07;10143802

Oeverrijk

/join/id/regdata/gm0502/2026/95960674a59a4280816f359827426fd3/nld@2026‑03‑16;09134788

overige zone - 's-gravenweg - 's-Gravenweg 178

/join/id/regdata/gm0502/2026/7f163cf9376e4fc1a83ff0a4532c465b/nld@2026‑07‑07;10143802

specifieke bouwaanduiding - beeldbepalend pand - 's-Gravenweg 178

/join/id/regdata/gm0502/2026/74ceef8badc040ec8edfb078947f213a/nld@2026‑07‑07;10143802

Tuin - 's-Gravenweg 178

/join/id/regdata/gm0502/2026/b358fa5acfc043c783d4be766fe6acce/nld@2026‑07‑07;10143802

verkeer - verblijfsgebied

/join/id/regdata/gm0502/2024/de042a1208fd4f22955b55b035669dea/nld@2026‑01‑05;09441535

/join/id/regdata/gm0502/2024/de042a1208fd4f22955b55b035669dea/nld@2026‑07‑07;10143802

vrijwaringszone - halfopen landschap - 's-Gravenweg 178

/join/id/regdata/gm0502/2026/fa027916188a446d8762b487e87f8f67/nld@2026‑07‑07;10143802

Waarde - Archeologie 1 - 's-Gravenweg 178

/join/id/regdata/gm0502/2026/5dfd6866aaac4fce8ef6fd61628cb8fb/nld@2026‑07‑07;10143802

Waarde - Archeologie 1 - Oeverrijk

/join/id/regdata/gm0502/2026/e5f506dc86364d0ebd32334b30116118/nld@2026‑03‑16;09134788

Waarde - Archeologie 2 - 's-Gravenweg 178

/join/id/regdata/gm0502/2026/09dd17f3d62d4bafab4bfeb82b56fc50/nld@2026‑07‑07;10143802

Waarde - Archeologie 2 - Oeverrijk

/join/id/regdata/gm0502/2026/3cf16f88f5d04e29b4fe6f91dd6a5caa/nld@2026‑03‑16;09134788

water

/join/id/regdata/gm0502/2024/d54fd944d1ae4e8ca083f29d0f74d615/nld@2025‑06‑11;16395696

/join/id/regdata/gm0502/2024/d54fd944d1ae4e8ca083f29d0f74d615/nld@2026‑07‑07;10143802

Water - Oeverrijk

/join/id/regdata/gm0502/2026/56fd4e3032664c07b063b061f4e1051c/nld@2026‑03‑16;09134788

waterstaat - waterstaatkundige functie - 's-Gravenweg 178

/join/id/regdata/gm0502/2026/4146fc60fbb243fca060b2b147809d69/nld@2026‑07‑07;10143802

wonen

/join/id/regdata/gm0502/2024/45006f66888d478fabba0bae7870517a/nld@2025‑06‑11;16395696

/join/id/regdata/gm0502/2024/45006f66888d478fabba0bae7870517a/nld@2026‑07‑07;10143802

Wonen

/join/id/regdata/gm0502/2025/8e4f907ab2b94d18acc98cb8459010a7/nld@2025‑06‑11;16395696

wonen - 's-Gravenweg 178

/join/id/regdata/gm0502/2026/cff20fcb93cb447ebaf4b6c133852911/nld@2026‑07‑07;10143802

H

Bijlage V wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage V Overzicht Documentenbijlagen

1. Beleidsregels voor ruimtelijke kwaliteit

/join/id/regdata/gm0502/2024/c6f712036b904861b6a499de15b5fa8f/nld@2025‑06‑11;16395696

beleidsregels voor ruimtelijke kwaliteit

/join/id/regdata/gm0502/2024/c6f712036b904861b6a499de15b5fa8f/nld@2026‑07‑07;10143802

Motivering

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op de locatie aan de ‘s-Gravenweg 178 in Capelle aan den IJssel bevindt zich een horecagebouw met koetshuis en tuin te midden van andere woonpercelen. Momenteel is het voornemen om de locatie te gebruiken als woning.

afbeelding binnen de regeling
Figuur 1.1: impressie beoogde situering perceel met woonfunctie (bron: BouTec)

Om de voorgenomen strijdige ontwikkeling mogelijk te maken moet het geldende planologische regime voor de gronden in het plangebied worden herzien. Gekozen voor het instrument van het wijzigen van het omgevingsplan onder de Omgevingswet.

 

 

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt te midden van de gemeente en kern van Capelle aan den IJssel. Aan weerszijden (west en oost) van de planlocatie liggen woonfuncties. Dit is eveneens het geval aan de overzijde van de ’s-Gravenweg. Aan de zuidoostzijde bevindt zich een smalle groenstrook waarachter zich de N219 bevindt. Tussen de percelen bevinden zich smalle watergangen. De directe omgeving kenmerkt zich door de ruime opzet met veel groen en water te midden van de woonkern van Capelle.

afbeelding binnen de regeling
Figuur 1.2: foto omgeving ’s-Gravenweg 178 met aanduiding ligging plangebied(bron: Google Earth)

 

 

1.3 Doel en evenwichtige toedeling

Doel van het plan is de functionaliteit en het gebruik van het perceel beter af te stemmen op de actuele behoefte en mogelijkheden. Hierbij kan de ontwikkeling worden beschouwd als een evenwichtige toedeling van deze woonfunctie aan deze locatie, gelet op de omstandigheid dat de vraag naar een woonfunctie ter plaatse aansluit op de omliggende woonfuncties.

1.4 Geldende planologische regelingen

Voor het plangebied gelden, krachtens het overgangsrecht van de Omgevingswet, naast het Omgevingsplan gemeente Capelle aan den IJssel (9 juli 2025) de volgende bestemmingsregelingen: - ’s-Gravenweg-West’ – 27 maart 2017 - - ‘Parapluplan Wonen’ – 14 november 2022 ‘Parkeren Capelle aan den IJssel 2023’ – 12 februari 2024 Het meest relevant hierbij is de regeling van het bestemmingsplan ’s-Gravenweg-West’ van 27 maart 2017. In dit bestemmingsplan is het perceel opgedeeld in een tuinfunctie en horecafunctie (zie figuur 1.3).

afbeelding binnen de regeling
Figuur 1.3: bestemmingsplan ’s-Gravenweg-West’(bron: regels op de kaart)

Ter plaatse van de bestemming ‘Horeca’ is geen woning toegestaan. Het toestaan van een woning ter plaatse van de huidige horeca kan niet worden gerealiseerd op grond van het geldende planologische regime. Hiervoor is een wijziging van het omgevingsplan nodig ten einde het initiatief te regelen. Om die reden is voor de gehele ontwikkeling voorliggend omgevingsplan gemaakt.

 

 

1.5 Leeswijzer

Het gewijzigde omgevingsplan (volgens STOP/TPOD) bestaat juridisch uit twee delen: verbeelding en regels, en gaat vergezeld van een (deze) motivering als onderbouwing voor de in regels en verbeelding gemaakte keuzen. Meer bepaald: − de verbeelding - op de verbeelding zijn de functies van de gronden van het plangebied aangegeven; − de regels - in de regels wordt per toegelaten functie een omschrijving van de doeleinden gegeven en regels met betrekking tot het bouwen en gebruik van de in dit plan begrepen gronden en de zich daarop bevindende bouwwerken; − de motivering - in de motivering worden onder meer de beweegredenen weergegeven die hebben geleid tot het toelaten van een bepaalde functie aan een locatie, evenals een interpretatie/uitleg van de gebruikte terminologie. De motivering is als volgt opgebouwd: − In hoofdstuk 2 (Planbeschrijving) worden de bestaande en de nieuwe situatie van het plangebied beschreven. − In hoofdstuk 3 (Beleidskader) wordt het voor het plangebied geldende rijks-, provinciaal, regionale en gemeentelijke ruimtelijk beleid beschreven. Het plan wordt vervolgens aan de beleidskaders getoetst. − In hoofdstuk 4 (Milieu- en omgevingsaspecten) worden de verschillende milieuaspecten die voor het plan relevant zijn benoemd. De geldende beleidskaders worden beschreven en het plan wordt daaraan getoetst. Voor verschillende onderdelen zijn afzonderlijke onderzoeken uitgevoerd. De resultaten daarvan worden beschreven, alsmede de gevolgen voor het plan. − Hoofdstuk 5 (Juridische aspecten) bevat de juridische planbeschrijving. Het beschrijft de regels die gelden bij het opstellen van omgevingsplannen in het algemeen en dit plan in het bijzonder. Er wordt voorts beschreven waarom voor bepaalde functies is gekozen en welke regels en voorwaarden daarbij gelden. − In hoofdstuk 6 (Economische uitvoerbaarheid) wordt kort ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het omgevingsplan. − In hoofdstuk 7 (Overleg en participatie) bevat een korte toelichting op het participatietraject, het overleg en de resultaten daarvan. Verder wordt beschreven dat het ontwerpomgevingsplan is gepubliceerd en welke reacties dat eventueel heeft opgeleverd.

2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied ligt in de bebouwde kom van de gemeente Capelle aan den IJssel. Het plangebied is kadastraal bekend gemeente Capelle aan den IJssel, sectie A nummer 6352 en heeft een oppervlakte van 3.600 m².

afbeelding binnen de regeling
Figuur 2.1: kadastrale tekening perceel (bron: kadaster)

Op het perceel bevinden zich twee gebouwen. Naast het hoofdgebouw betreft dit een koetshuis. De gebouwen komen uit 1900. Voorts bevindt zich rondom het perceel een smalle watergang ter scheiding van de buurpercelen.

 

afbeelding binnen de regeling
Figuur 2.2: foto’s perceel ’s-Gravenweg 178 als gezien vanaf de ’s-Gravenweg(bron: BouTec)

 

afbeelding binnen de regeling
Figuur 2.3: foto’s perceel ’s-Gravenweg 178 als gezien vanuit vogelvlucht(bron: BouTec)

2.2 Beoogde ontwikkeling

De planopzet bestaat uit de wijziging van de bestaande horecafunctie naar een woonfunctie opdat het hoofdgebouw kan worden gebruikt als woning met een totaal oppervlakte van 309 m2. Het naastgelegen koetshuis blijft behouden als bijgebouw (met een oppervlakte van 172 m2) evenals de reeds aanwezig beplanting, verharding en watergangen. Onderhavige ontwikkeling omvat geen externe bouw- en/of sloopactiviteiten. Enkel aan de binnenkant van het gebouw zal ten behoeve van de woonfunctie worden verbouwd.

3 Beleidskader

3.1 Inleiding

Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch doorgang te laten vinden, wordt onderzocht of deze niet in strijd is met de verschillende beleidskaders. In dit hoofdstuk is getoetst aan het nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 

De Nationale omgevingsvisie (NOVI) is een instrument van de Omgevingswet. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio’s en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Bovenstaande vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. We spreken hier over ‘omgevingsinclusief’ beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1) Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2) Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3) Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. 

Toetsing

 Het plan betreft een transformatie binnen bestaand bebouwd gebied, gericht op een enkele woonfunctie. Dit is te kleinschalig om relevant te zijn voor de uitgangspunten van de NOVI.

3.2.2. Ladder voor duurzame verstedelijking 

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:

a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling;

b. en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 

Toetsing

Onderhavige ontwikkeling omvat de transformatie van een enkel perceel van horeca naar wonen. In welke gevallen er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd. De jurisprudentie geeft op het gebied van woningbouw wel een constante lijn aan. Bouwplannen met minder dan 12 woningen zijn geen stedelijke ontwikkeling. Een toetsing aan de ladder kan derhalve achterwege blijven. Het plan is daarnaast lokaal en kleinschalig. Het rijksbeleid verzet zich niet tegen de ontwikkeling.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1. Omgevingsvisie Zuid-Holland 

In de nieuwe Omgevingsvisie is het volledige omgevingsbeleid van de provincie vervat. De provincie Zuid-Holland kiest hierbij voor een opgavegerichte aanpak, waarbij steeds samenhangende beleidsonderdelen worden vernieuwd waar dat nodig is. Het provinciale omgevingsbeleid is dus geen statisch (eind)document, maar een document waarmee voortdurend de dialoog wordt gezocht met de diverse ruimtelijke actoren: altijd klaar, maar nooit af. Toekomstige beleidsvernieuwing biedt kansen voor verbeteringen in Zuid-Holland. De provincie heeft hiervoor 7 vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen; 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland; 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving; 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de onderstaande opgaven relevant. Verstedelijking De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. De provincie hanteert de volgende uitgangspunten voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen:

  • Bouw naar behoefte; 

  • Bouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied; 

  • Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; versterk de langzaam vervoersrelaties; houdt rekening met de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid;

  • Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten; 

  • Bouw toekomstbestendig; houd rekening met energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptie en een gezonde leefomgeving; 

  • Bouw voldoende betaalbare woningen. 

 

Als een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ doorlopen. Toepassing is ook van provinciaal belang. 

Toetsing

De ladder is in paragraaf 3.2.2 behandeld. De provincie stuurt op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen. Met de omzetting van de horecafunctie naar een woonfunctie te midden van de woonwijk door de initiatiefnemer, laat zien dat er een concrete vraag was en is voor de invulling van de bestaande woonfunctie ter plaatse. Dit geeft invulling aan de visie.

3.3.2. Zuid-Hollandse Omgevingsverordening

In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) zijn de regels over de fysieke leefomgeving van de provincie opgenomen. In de verordening staat aangegeven wat wel en niet is toegestaan. Ook staan er instructieregels is voor gemeentelijke omgevingsplannen en taken van waterschappen. De ZHOV is geldig vanaf 1 januari 2024. De ZHOV is 15 december 2021 vastgesteld door Provinciale Staten. Daarna is de ZHOV voor de inwerkingtreding al enkele keren gewijzigd en aangevuld en er zijn ook nu nog wijzigingen in procedure. Het volgende is relevant voor de beoogde ontwikkeling. 

Een gedeelte van de ’s-Gravenweg aan de noordwestzijde valt binnen het gebied ‘beschermingscategorie 3, buitengebied’. Onderhavige projectlocatie ligt hier echter niet in, maar ligt binnen de bebouwde kom. 

Artikel 5.8 (omgevingswaarden kans op overstroming binnen de bebouwde kom)  

Binnen de bebouwde kom, geldt voor locaties waaraan in het omgevingsplan de hierna genoemde functies zijn toegedeeld, een gemiddelde kans op overstroming van: 

a. 1/100 per jaar voor locaties met de functie hoofdinfrastructuur, spoorwegen of bebouwing, met uitzondering van glastuinbouw;

b. 1/50 per jaar voor locaties met de functie glastuinbouw; 

c. 1/10 per jaar voor locaties met overige functies. 

Toetsing artikel 5.8 

Onderhavige ontwikkeling heeft geen invloed op de kans op een overstroming op het perceel. Gezien er geen uitwendige bouw- en/of sloopwerkzaamheden plaatsvinden wordt het bebouwd oppervlak niet gewijzigd.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1. Stadsvisie Capelle aan den IJssel

De Stadsvisie is op 27 september 2021 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Capelle aan den IJssel. De Stadsvisie vormt een brede toekomstvisie op de leefomgeving voor Capelle gericht op ruimte, maatschappij en veiligheid. Het geeft een antwoord op hoe Capelle er in 2040 uit ziet en wat voor soort gemeente ze willen zijn. De Stadsvisie heeft de volgende doelen: • het bepalen van een koers voor de toekomst van Capelle; • het uitnodigen van Capellenaren bij het maken van hun stad; • het integraal benaderen van opgaven in Capelle: mensen willen in een prettige omgeving wonen, waar het veilig is en er voldoende voorzieningen zijn zoals supermarkt, speeltuin en huisarts; • het stimuleren van een nieuwe manier van werken van de gemeente: uitnodigend en faciliterend, van regels naar mogelijkheden. Capelle is als voormalige groeikern in zijn huidige vorm pas vanaf de jaren ‘60 ontstaan. Capelle is tegenwoordig een krachtige middelgrote gemeente. Beïnvloed door de geboren en getogen Capellenaar, door de voormalige Rotterdammer die naar Capelle vertrok en door mensen uit andere windstreken. De uitdaging voor Capelle is de leefbaarheid en kwaliteiten te behouden en te versterken waar nodig, binnen een verder verstedelijkende regio. Capelle wil de saamhorigheid van het dorpse karakter behouden en versterken, en de stedelijke kwaliteit verder ontwikkelen. 

Toetsing

Ten aanzien van onderhavige ontwikkeling en plangebied zijn in de Stadsvisie geen relevante aspecten opgenomen. Het benutten van bestaand bebouwing ten behoeve van een concrete woonvraag sluit aan op de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid.

3.4.2. Omgevingsagenda 

Op 16 december 2024 heeft de gemeente de Omgevingsagenda (1.0-versie) vastgesteld. Deze dient ter aanvulling van de Stadsvisie. Hierin hanteert de gemeente 10 opgaven. 

1. We kiezen voor kwaliteit boven kwantiteit; 

2. We geven extra prioriteit aan gebieden met sociaal-maatschappelijke opgaven;

3. We breiden buurtallianties uit om ‘samenredzaamheid’ in de buurt te organiseren;

4. We stimuleren ontmoeting en levendigheid in de wijken; 

5. We voegen +/- 10.000 woningen toe;

6. We mengen functies waar dat kan, maatschappelijke voorzieningen groeien;

7. Bereikbaar blijven = voorwaardelijk, maar we vertragen en verkennen passende parkeeroplossingen;

8. We werken samen aan de verbindende thema’s groen, gezond en veilig;

9. We pakken de regie in deze opgaven;

10. We gebruiken gemeentelijk en maatschappelijk eigendom als vliegwiel.

Voor onderhavige ontwikkeling zijn met name de eerste en achtste opgave relevant. 

We kiezen voor kwaliteit boven kwantiteit 

Net als in veel stedelijke gebieden en groeikernen is de tevredenheid met de woning, woonomgeving, woonaantrekkelijkheid relatief laag. Daarom is het in Capelle extra belangrijk dat de gemeente gaat voor kwaliteit. Ook omdat ze qua aantallen voldoende plannen hebben. Er wordt daarom gekozen om met iedere ontwikkeling bij te dragen aan een kwaliteitsverbetering van de woningvoorraad en de woonomgeving. Denk daarbij bijvoorbeeld aan voldoende groen en water in de buitenruimte, ontmoetingsruimtes of een hoge beeldkwaliteit.

We werken samen aan de verbindende thema’s groen, gezond en veilig

Door alle beleidsvelden en gemeentelijke werkzaamheden heen blijven de thema’s groen, gezond en veilig als speerpunten terugkomen. Het verbindt thema’s als zorg, jeugd, sport, toegankelijkheid, openbare ruimte, wonen, verkeer, enzovoorts aan elkaar. De gemeente gaat verkennen op welke wijze ze intern en extern op deze gebieden effectiever samen kunnen werken.

Toetsing 

Onderhavige ontwikkeling voorziet in het toevoegen van één woning binnen bestaande beeldbepalende bebouwing. Hierbij worden de regels zoals deze in het bestemmingsplan ‘s-Gravenweg-West zijn geformuleerd overgenomen (die voorzien in behoud cultuurhistorie en landschap) en behoud van beeldbepalend pand, het vergroenen van het voorerf en behoud van de monumentale boom. Op deze wijze wordt een kwalitatief hoogwaardige woning in een groene omgeving gerealiseerd, hetgeen in lijn is met de uitgangspunten van de visie.

3.4.3. Duurzaamheidsleidraad voor bouwen

 De gemeente Capelle aan de IJssel volgt sinds 5 juni 2024 de Duurzaamheidsleidraad voor bouwen. Dit stuk is gebaseerd op Programma Duurzaamheid, Weerkrachtig Capelle en de Stadsvisie die elk de noodzaak van duurzaam bouwen aangeven. Het doel van de duurzaamheidsleidraad is specifiek om duidelijkheid te geven over wat we in Capelle aan den IJssel belangrijk vinden als het gaat om duurzaam bouwen en verbouwen. We maken daarin onderscheid tussen wat verplicht is, wat naar verwachting verplicht wordt en wat onze extra ambities zijn. 

Toetsing

De Duurzaamheidsleidraad voor bouwen is enkel geldend voor nieuwe projecten en grote transformaties/renovaties. In onderhavig voornemen is het slechts beperkt toepasbaar, gezien de geringe renovatie van de bestaande bebouwing. Waar mogelijk wordt in het op te stellen bouwplan rekening gehouden met de duurzaamheidsleidraad. Door het bestaande gebouw te renoveren in plaats van te slopen en nieuwbouw toe te passen wordt reeds bijgedragen aan een duurzame oplossing.

3.4.4. Transformatieleidraad 2.0

Capelle aan den IJssel kent een toegenomen vraag naar woningen. Daarnaast stonden veel m.n. kantoorpanden langere tijd leeg. Kansen werden gezien om deze kantoorpanden te transformeren naar woningen of andere functies, zoals zorgunits. Werkgelegenheid is echter ook belangrijk. Samen met de Provincie en de MRDH bewaken wij de ruimte voor werkgelegenheid. Met de Transformatieleidraad 2.0, waarin de ambities zijn aangescherpt, zet de gemeente in op een goede balans tussen bedrijfs- en kantoorpanden en transformatieverzoeken. De gemeente heeft 6 ambities beschreven voor transformaties: 

1. Betrek de Capellenaar;

2. Speel in op woningbehoefte;

3. Bouw duurzaam;

4. Creëer een passende uitstraling;

5. Zorg voor bereikbaarheid;

6. Aandacht voor werkgelegenheid. 

Voor onderhavige ontwikkeling zijn het derde en vierde punt relevant. 

Bouw duurzaam

Duurzaamheid is een belangrijk thema en een grote ambitie van de gemeente. Dit geldt met name voor locaties waar sloop en nieuwbouw plaatsvindt. Ook bij transformatie van een gebouw verwacht de gemeente dat wordt gekeken naar duurzaamheid. Daarbij kan gedacht worden aan zonnepanelen of groene daken of gevels. Daarnaast heeft het college vastgesteld dat zowel nieuwbouw, als transformatieprojecten ‘aardgasvrij’ opgeleverd dienen te worden. Om een bestaand pand ‘aardgasvrij’ te maken kan een pand aansluiten op het bestaande warmtenet of kiezen voor een eigen bodem-water warmtepomp. Ook een eigen energieopwekking met duurzame elektriciteit is een ambitie waar extra op gelet wordt bij transformatie-initiatieven. 

Creëer een passende uitstraling

De uitstraling van een gebouw, buitenruimte en omgeving moet passen bij de nieuwe functie. Bij de functie wonen is het bijvoorbeeld van belang dat je prettig ‘thuiskomt’, dat je een ommetje kan maken of dat je je fiets goed kan parkeren. Bij een gebouw speelt de entree een belangrijke rol. Wij streven hierbij naar een hoogwaardige uitstraling. De architectuur van het gebouw draagt bij aan de sfeer en de levendigheid van van het gebied. Woongebouwen stralen een woonkwaliteit uit en sluiten goed aan op de openbare ruimte. Wij vragen van een initiatiefnemer een duidelijke visie en aanpak hierop.

Toetsing

Onderhavig project omvat de transformatie van een horecapand naar een woonfunctie. Hierin wordt invulling gegeven aan de ambities uit de leidraad middels een participatietraject voor omwonenden, de invulling van een concrete woningbehoefte, een blijvende uitstraling van monumentale bebouwing en beplanting en een onverminderde bereikbaarheid van het perceel. Bij interne renovaties wordt tevens gebruik gemaakt van duurzaam materiaal en de stand der techniek. Door het hergebruik van de bestaande constructie, wordt aanzienlijk bespaard op grondstoffen en bouwafval. Hiermee wordt fors bespaard op CO2-uitstoot in vergelijking met sloop en nieuwbouw. In paragraaf 3.4.3. wordt verder ingegaan op de invulling van duurzaam bouwen.

3.4.5. Programma Wonen 2024 – 2028

Met een woningbouwprogramma van ongeveer 7.600 woningen kan Capelle kwantitatief voldoende bijdragen aan de regionale behoefte. Het toevoegen van meer woningen biedt tevens Capellenaren meer kans op een woning en de mogelijkheid om kwaliteit aan de stad toe te voegen. De kansen voor toevoegingen aan de woningvoorraad liggen met name in de herstructurering van gebieden. Ook liggen er kansen om de bestaande voorraad beter te benutten. Bijvoorbeeld door het optoppen van laagbouw, uitplinten en aanplakken en het splitsen van woningen. De gemeente zet in op verschillende maatregelen om te zorgen voor goed wonen. Capelle heeft een groot aantal woningen waarvan de woonkwaliteit op termijn onder druk kan komen te staan. Naast het toevoegen van kwalitatief hoogstaande nieuwbouw, blijft het behouden en verbeteren van de kwaliteit van de bestaande voorraad daarom van groot belang voor de aantrekkelijkheid als woongemeente. 

Toetsing

Door het gebruiken van bestaande bebouwing voor een woonfunctie op onderhavige locatie, wordt zowel invulling gegeven aan de wens om bestaande bebouwing te behouden en te verduurzamen, alsook de beeldbepalende waarden ter plaatse te borgen middels een duurzaam gebruik naar de toekomst. 

3.4.6. Beeldkwaliteitsplan ‘s-Gravenweg

Het onderhavige plangebied is gelegen in de cultuurhistorisch waardevolle lintbebouwing langs de ’s Gravenweg. De ’s-Gravenweg betreft een weg welke is aangelegd in de vroege Middeleeuwen (verbindingsweg tussen Rotterdam en Gouda). De ’s-Gravenweg kenmerkt zich door de verscheidenheid aan woonbebouwing. Langs de ’s-Gravenweg ziet men hoofdzakelijk woonbebouwing (vrijstaand, twee onder-een-kap of een enkele voormalige arbeiderswoning). De bebouwing is doorgaans parallel aan de kavelrichting en op enige afstand van de weg gepositioneerd. De woonbebouwing is gelegen op smalle kavels begrensd door sloten en karakteristieke erfbeplanting. Deze kenmerken zijn van cultuurhistorische waarde en zorgen ervoor dat het gebied een uniek karakter heeft. Het unieke karakter van het gebied dient gewaarborgd te blijven. 

Toetsing

Middels onderhavige functiewijziging blijft het beeldbepalende karakter van het perceel, de bebouwing en beplanting behouden en geborgd naar de toekomst middels een woonfunctie.

4 Milieu en omgevingsaspecten

4.1 Mer-beoordeling

Normstelling 

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG, Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Voor de beoogde ontwikkeling dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu. 

Toetsing

Het initiatief omvat een dermate kleine planologische ontwikkeling waarbij geen bouw- en/of sloopwerkzaamheden plaatsvinden, wat niet kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hierdoor is een verdere Mer beoordeling niet aan de orde. De gevolgen voor de omgeving zijn niet omvangrijk.

4.2 Bedrijven en milieuzonering

Normstelling 

In het kader van een evenwichtige toekenning van functies aan locaties is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: − ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; − rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en gevoelige functies met betrekking tot milieu in voldoende mate mee te nemen is in onderhavige situatie nog gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). 

De VNG-publicatie geeft richtafstanden (tussen milieubelastende en milieugevoelige functies), gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk. Van die afstanden mag in een voorkomend geval gemotiveerd worden afgeweken; het zijn immers 'richtafstanden'. Zo kunnen, indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen een hogere milieubelasting kent. De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: 

− Het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied; 

− Het omgevingstype gemengd gebied.

Omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’

Een rustige woonwijk is in de VNG-brochure omschreven als een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied.

Omgevingstype ‘gemengd gebied’ 

Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van een kleinere richtafstand rechtvaardigen, zo is in de VNG brochure gesteld. 

Toetsing

Voor het plangebied kan worden uitgegaan van richtafstanden voor rustige woonwijk, dit gezien: • de woonfuncties in de directe omgeving. Onderhavige locatie betreft de enige ‘niet woonfunctie’. De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van een milieugevoelige functie. Er bevinden zich geen milieubelastende functies in de directe omgeving. Uit oogpunt van milieuzonering is het realiseren van een woonfunctie derhalve inpasbaar.

 

4.3 Luchtkwaliteit

Normstelling 

Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Op basis van artikel 2.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) gelden (rijks)omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. 

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. 

Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Er moet worden getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 

De grens ligt bij 3% van de grenswaarde (= 1,2 μg/m3) voor stikstofdioxide en fijnstof. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof nl. PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m3. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. De achtergrondconcentraties langs de omliggende wegen ligt onder de 25 μg/m3.

Toetsing 

Onderhavige locatie bevindt zich in een aandachtsgebied van de agglomeratie van Rotterdam/Dordrecht. Het gaat hier om de functiewijziging van een horecagelegenheid naar wonen. De verkeersgeneratie neemt af als gevolg van onderhavige ontwikkeling (zie hiervoor paragraaf 4.9). Conclusie is dat de functiewijziging niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet bij aan een substantiële verslechtering van de luchtkwaliteit. Het Bkl staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.4 Omgevingsveiligheid

Normstelling/beleidskader 

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). 

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).

Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Toetsing 

Uit de Atlas Leefomgeving blijkt dat het plangebied niet ligt binnen een invloedsgebied of veiligheidsafstand van een risicobron, zoals risicovolle inrichtingen, leidingen of transportroutes. 

Wel bevindt de locatie zich evenals de rest van de gemeente in het gifwolkaandachtsgebied van Barge Center Waalhaven B.V. Onderhavige ontwikkeling zorgt niet voor een toename van het groepsrisico, daar het aantal aanwezige personen op de planlocatie beperkt zal blijven. Tevens ligt de planlocatie op voldoende afstand van deze Seveso-inrichting (meer dan 11,5 km). 

Verder zijn er in de omgeving geen andere risicobronnen aanwezig. 

Voor wat betreft andere punten van de bestrijdbaarheid is het zo dat de hulpverlening de gebouwen eenvoudig kan benaderen. Er is voldoende ruimte om materiaal voor hulpverlening te stallen. Ten aanzien van het aspect zelfredzaamheid wordt er op gewezen dat de infrastructuur in de omgeving zodanig is dat er voldoende vluchtwegen aanwezig zijn. De gebouwen zelf zijn ook zodanig dat er diverse mogelijkheden zijn tot het ontvluchten uit het gebouw, dan wel dat ruimten in een gebouw kunnen worden gebruikt om te schuilen. 

Vanuit het oogpunt van externe veiligheid worden daarom geen belemmeringen ondervonden.

4.5 Geluid

Normstelling 

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, luchtvaartterreinen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook kunnen direct werkende regels in het omgevingsplan worden opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. 

De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). 

Toetsing

Er is geen sprake van een geluidgezoneerd industrieterrein in de relevante omgeving. Daar er met de woonfunctie een geluidgevoelige functie wordt gerealiseerd in de buurt van wegverkeerslawaai, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 1: Akoestisch onderzoek. Het omgevingsplan biedt de benodigde flexibiliteit voor de verdere ruimtelijke en programmatische uitwerking. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning zal aan de voor geluid opgenomen voorwaarden moeten worden voldaan, waarmee een akoestisch aanvaardbare situatie geborgd is. Gelet op de motivering in deze paragraaf, is het aspect geluid betrokken bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en wordt voldaan aan de relevante instructieregels.

4.6 Bodem

Normstelling 

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn aanwezig in het omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). 

Toetsing 

Het initiatief voorziet in het realiseren van een woonfunctie, wat een bodemgevoelige functie betreft. Omwille hiervan is een voorafgaand bodemonderzoek uitgevoerd, om aan te tonen dat de bodemkwaliteit zich niet verzet tegen de beoogde woonlocatie. Voor het volledige vooronderzoek wordt verwezen naar Bjilage 2: Bodemonderzoek

Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek bodem is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor het voorkomen van verontreinigingen in de grond, vanwege de puinlaag (en de uitloging daarvan naar de onderliggende bodem) en de bijmengingen met puin en koolas in de bodem zelf. De puinlaag is verdacht voor het voorkomen van asbest.

Omwille van de resultaten van dit vooronderzoek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 2. 

Uit het onderzoek komt naar voren dat er geen reden tot nader onderzoek of (sanerings)maatregelen is. Tevens zijn er in het onderzochte materiaal (puin en grond) geen tot licht verhoogde asbestgehalten aangetoond; de waarde voor nader onderzoek wordt hiermee niet overschreden. Ten aanzien van het onderzochte grondwater zijn er eveneens geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. 

Uit het onderzoek volgt dat het aspect bodem zich niet verzet tegen onderhavige ontwikkeling. DCMR heeft in haar brief (zie Bijlage 3: Advies DCMR bodem) aangegeven de situatie te hebben beoordeeld en kwam tot dezelfde conclusie.

4.7 Waterhuishouding

Normstelling 

Plannen worden getoetst aan het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. 

Waterschapsverordening Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma HHSK 2022-2027. In het Waterbeheerprogramma staan de ambities van het hoogheemraadschap voor de komende jaren. Het waterbeheerprogramma bindt en is sturend voor de eigen organisatie, maar schept geen juridische rechten of verplichtingen naar derden. De ambities zijn realistisch, motiverend en onderscheidend voor het werk vanuit het Hoogheemraadschap. Het is de lonkende toekomst van 2050. De ambities plaatsen het waterbeheerprogramma in het lange termijnperspectief. De doelen en opgaven in dit waterbeheerprogramma moeten de komende zes jaar invulling geven aan (een deel) van de ambitie. Het Hoogheemraadschap heeft de volgende ambities voor een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. 

  • Klimaatadaptatie: wij weten wat klimaatverandering voor ons betekent en spelen daarop in; 

  • Watervriendelijke leef- en werkomgeving: een watervriendelijke groene leef- en werkomgeving die extreem weer goed kan verwerken; 

  • Water- en klimaatbestendig bouwen: alle nieuw- en verbouw is water en klimaatbestendig; 

  • Omgaan met regenwater: regenwater verwerken zonder negatieve gevolgen; 

  • Overstromingsrisico’s: verkleinen van overstromingsrisico;

  • Watervoorziening en verzilting: voldoende zoetwater, ondanks toenemende verzilting;

  • Bodemdaling in het Veenweidegebied: zo weinig mogelijk bodemdaling in Veenweidengebied;

  • Wateroverlast: schade door oppervlaktewater voorkomen;

  • Grondwater en funderingen: functies en grondwatersysteem in evenwicht.

 

Toetsing

Het plangebied grenst rondom het perceel aan oppervlaktewater. Daar de bestaande bebouwde situatie wordt gehandhaafd en er geen veranderingen optreden met betrekking tot verharding of het waterbufferende vermogen, vinden er geen wijzigen plaats welke invloed hebben op het oppervlaktewater. Binnen de projectlocatie is daarnaast geen sprake van de aanwezigheid van waterkeringen. 

Elke ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op water. Niet alleen bouwen nabij of op een waterkering, maar ook een toename van verhard oppervlak. Een ruimtelijke ontwikkeling moet minimaal voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. In het kader van de weging van het waterbelang moeten de gemeente en het waterschap zoeken naar kansen om het watersysteem te verbeteren en duurzaam in te richten. Voor elke toename van verharding van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied is een Watervergunning nodig. Voor verharde oppervlakten geldt dat, indien mogelijk, waterstromen gescheiden worden ingezameld. Voor de verwerking van (particulier) hemelwater wordt de volgende voorkeurs volgorde gehanteerd: 

  • Maatregelen op eigen terrein (infiltratie); 

  • Hergebruik van hemelwater op openbaar terrein; 

  • Afvoer van overtollig hemelwater naar oppervlaktewater; 

  • Afvoer naar de RWZI.

 

Om de kans op wateroverlast te beperken dienen voor de afvoer van hemelwater vertragende factoren te worden toegepast. Hierbij kan gedacht worden aan: sedumdaken, geen asfalt maar elementverharding met een grote voeg, etc. Voor nieuwe bouwwerken is het niet toegestaan om hemelwater in het openbaar riool of op de openbare ruimte te lozen, tenzij een hemelwatervoorziening is aangebracht met een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak.

In de toekomstige situatie vindt geen wijziging van het verhard of bebouwd oppervlakte plaats. Daarnaast is de locatie al aangesloten op de riolering. In de toekomstige situatie ontstaan geen extra benodigde aansluitingen. Tot slot treedt geen verandering op voor de aangrenzende waterwegen rondom het perceel, daar er geen verandering in bebouwing plaatsvindt, maar het enkel een functiewijziging betreft.

4.8 Natuurwaarden

Normstelling 

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet; namelijk in de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. 

Onderdeel van de wetgeving is dat er beschermde gebieden worden aangewezen (netwerk van de zogenaamde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten) gericht op de bescherming van ongeveer 500 soorten in het wild voorkomende planten en dieren. Op provinciaal niveau hebben bepaalde natuurgebieden eveneens een beschermingsniveau toegewezen gekregen, in de vorm van Natuurnetwerk Nederland (NNN).

4.8.1. Soortenbescherming

Het plangebied bestaat momenteel uit twee gebouwen met omliggend deels verhard en grotendeels onverhard terrein. Daar er geen sloop- en/of bouwwerkzaamheden plaatsvinden en de gebruiksfunctie wonen eveneens niet verstorend zal zijn, zijn er geen gevolgen voor eventueel aanwezige beschermde dier- en plantsoorten. Mochten er in de toekomst werkzaamheden worden verricht aan de gebouwschil, dan zal worden beoordeeld of er op dat moment een quickscan is benodigd. Deze conclusie werd door de gemeente gedeeld bij het overleg aan de Omgevingstafel. 

Gelet hierop zijn er geen belemmeringen tot vaststelling van het plan.

4.8.2. Gebiedsbescherming

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Boezems Kinderdijk’, circa 6,3 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied betreft ‘Biesbosch’ op circa 18,5 km ten zuidoosten. Uit het stroomschema van de OZHZ blijkt dat voor de realisatie van één woning zonder bouw- en/of sloopwerkzaamheden op een dergelijke afstand van de stikstofgevoelige natuur geen gevolgen heeft. 

Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.9 Verkeer, parkeren en ontsluiting

Het plangebied wordt reeds in de bestaande situatie ontsloten via de ’s-Gravenweg. Er treden geen veranderingen op aan de bestaande ontsluiting.

Verkeersgeneratie

Bij de bepaling van de verkeersgeneratie kan gebruik worden gemaakt van de CROW publicatie 744 ‘Toekomstbestendig parkeren’. Onderhavige locatie is gelegen in een sterk stedelijke gemeente. De locatie wordt omschreven als ‘rest bebouwde kom’. Hiervoor geldt in de beoogde situatie een verkeersgeneratie van 8,2 bewegingen voor de vrijstaande woning. 

Parkeren

Voor het plangebied geldt de nota parkeernormen 2023 van de gemeente Capelle aan den IJssel. Op 6 oktober 2025 zijn door de gemeente nieuwe parkeernormen vastgesteld. Hierin geldt voor vrijstaande woningen ter plaatse van het plangebied (gebiedsindeling B) een parkeernorm van 2,05 parkeerplaatsen. Op onderhavige locatie is voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Conform de regels wordt hierbij niet in het tuingedeelte geparkeerd, in verband met het straatbeeld.

4.10 Archeologie en cultuurhistorie

Normstelling 

De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is, indien aanwezig, opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. 

Toetsing archeologie 

Het plangebied ligt in een gebied met twee archeologische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen beschermen eventueel aanwezige archeologische waarden in de bodem. 

Daar er echter geen grondroeringen plaats zullen vinden ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is archeologisch onderzoek voor de ontwikkeling dan ook niet aan de orde.

Toetsing cultuurhistorie

Er zal geen sprake zijn van bouw-, sloop of herinrichtingswerkzaamheden. Cultuurhistorische waardevolle elementen zullen hiermee hoe dan ook niet worden aangetast. Zowel de cultuurhistorische waarde van de panden als de boom aan de straatzijde zijn in het omgevingsplan geborgd. Door het gebruik van de locatie aan woning wordt de instandhouding van het cultuurhistorische karakter naar de toekomst toe geborgd.

4.11 Duurzaamheid

Duurzaam bouwen is gericht op het beperken van de negatieve milieuaspecten in alle fasen van het bouwproces en het vergroten van de ecologische kwaliteiten van het leefgebied. Concreet betekent dit het terugdringen van verspilling van grondstoffen, het verlengen van de levensduur, een flexibeler gebruik van gebouwen en het bevorderen van hergebruik van bouwmaterialen. Bij duurzaam bouwen wordt o.a. aandacht besteed aan waterhuishoudingsaspecten (bijvoorbeeld afkoppeling hemelwaterafvoer), stedenbouwkundige structuur (bijv. oriëntatie van gebouwen op de zon) en bouwkundige maatregelen (isolatie, zonnecollectoren, materiaalgebruik). Ook het gebruik van niet logende bouwmaterialen valt onder de noemer duurzaam bouwen. Dit is van belang voor de waterkwaliteit. 

Toetsing

Duurzaam bouwen 

Er vinden geen externe bouw- en/of sloopwerkzaamheden plaats ten behoeve van de te realiseren woonfunctie. Door gebruik te maken van een bestaand object hoeft elders geen nieuwbouw plaats te vinden met tal van bouw- en materiaalstromen. Er zullen enkel intern verbouwingen plaatsvinden om het gebouw geschikt te maken als woning, hetgeen duurzaam zal geschieden. De gemeente hanteert daarnaast de duurzaamheidsleidraad (zie paragraaf 3.4.3.). De leidraad is met name toegespitst op nieuwbouw en grote renovaties waarbij meer dan 25% van de gebouwschil vervangen wordt. Als derde categorie wordt daarnaast ‘transformaties’ benoemd waarbij maatwerk dient te worden toegepast. Onderhavige ontwikkeling valt onder deze derde categorie. Voor de nieuw toe te voegen materialen bij de eventuele interne verbouwing zal een materialenpaspoort worden bijgehouden. Voorts wijzigt er niets aan de gebouwschil en het perceel, wat zowel de beeldkwaliteit alsook het groene/blauwe karakter in stand houdt en borgt naar de toekomst. 

Klimaatadaptatie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor de klimaatbestendigheid/het adaptieve vermogen van het perceel, daar de ontwikkeling geen bouw- en/of sloopwerkzaamheden omvat.

4.12 Gezondheid

Normstelling 

Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid. 

Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van intensieve veehouderijen, teeltpercelen en hoogspanningsverbindingen. Voor andere omgevingsfactoren die van invloed zijn op de gezondheid, zoals luchtkwaliteit of omgevingsgeluid, gelden omgevingswaarden. 

De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. 

Toetsing

Er is geen sprake van een ontwikkeling in de buurt van veehouderijen, teeltpercelen of hoogspanningsverbindingen. De andere omgevingsfactoren zoals luchtkwaliteit en omgevingsgeluid worden in de paragrafen 4.5 en 4.8 behandeld.

5 Juridische aspecten

5.1 Standaard vergelijkebare bestemmingsplannen (SVBP)

Het Omgevingsplan kan worden gepubliceerd volgens de zogenaamde STOP/TPOD-standaard op het DSO-LV, waarbij de (ongewijzigde) Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012), die nog voortvloeit uit de Wet ruimtelijke ordening mag worden gehanteerd. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een omgevingsplan. 

De STOP/TPOD geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het omgevingsplan, zowel digitaal als analoog. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de motivering van het omgevingsplan. 

Het omgevingsplan zelf bestaat uit een verzameling geografisch bepaalde objecten, die zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van functies met bijbehorende doeleinden en regels.

5.1.1. Uitgangspunten en doelstellingen

Het centrale onderdeel van een omgevingsplan zijn de regels waarmee functies aan op de verbeelding aangegeven locaties worden toegekend. Dit geschiedt uit de aard der zaak nog middels functies zoals gebruikelijk onder de Wet ruimtelijke ordening (oud). Hiervoor is ook gekozen om het voor heel Capelle aan den IJssel geldende algemene planologische kader voor wat betreft afwijkingsbevoegdheden en dergelijke zoveel mogelijk in stand te houden, aangezien het ontwerpen van een nieuw algemeen planologisch kader voor een deel van Capelle aan den IJssel minder evenwichtig zou zijn. 

Kenmerk van functies is dat het gehele plangebied ermee is bedekt. Elke functie is geometrisch bepaald. Een omgevingsplan kan ook dubbelfuncties bevatten. Deze overlappen functies en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de functies en de dubbelfuncties. De dubbelfuncties hoeven het gehele plangebied niet te bedekken.

Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een functie of dubbelfunctie nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het omgevingsplan voor. 

Verklaringen zijn de overige in de verbeelding van het omgevingsplan voorkomende zaken. Verklaringen hebben geen juridische betekenis. Zij zijn bedoeld om nadere informatie te verschaffen of om de duidelijkheid en raadpleegbaarheid te bevorderen. Omdat verklaringen geen juridische betekenis hebben, wordt hierop niet nader ingegaan. 

Het uitgangspunt bij het opstellen van het omgevingsplan is dat de van geldende regelingen zodanig worden geactualiseerd dat samenhangende, op actuele beleidsinzichten en gebruikerswensen afgestemde bestemmingsregelingen ontstaan. Als doelstellingen en uitgangspunten kunnen daarbij worden onderscheiden:

  • Rechtszekerheid en klantgerichtheid, dat wil zeggen voor de burger een duidelijk, toegankelijk en op actuele behoeften en eisen afgestemd plan;

  • Makkelijke toepasbaarheid en hanteerbaarheid voor de gemeentelijke diensten, een plan waaraan bouwaanvragen op heldere wijze kunnen worden getoetst met als resultaat een minimale bestuurslast;

  • Duidelijkheid en inzichtelijkheid van hetgeen is toegestaan, dit houdt in dat de functies met hun bouw- en gebruiksmogelijkheden zoveel als mogelijk is via de verbeelding zichtbaar worden gemaakt. 

 

Van belang hierbij is, dat het om technische redenen niet mogelijk is om duidelijk aan te geven dat thans geldende functies door vaststelling en in werking treden van dit omgevingsplan zullen worden vervangen door de nieuwe functies. Echter dit aspect is van tijdelijke aard, namelijk tot aan het moment waarop de geldende planologische regelingen zullen worden opgenomen in het nieuwe gemeentelijke Omgevingsplan.

5.1.2. Verbeelding 

Binnen het plangebied hebben alle gronden een functie gekregen. Binnen een functie kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid (bijvoorbeeld topografische gegevens). 

5.1.3. Opbouw van de regels 

Dit omgevingsplan beoogt het mogelijk maken van een nieuwe functionele ontwikkeling van het plangebied. Primair is aansluiting gezocht bij de systematiek van binnen de gemeente recent vastgestelde geldende planologische regelingen. 

Gestreefd wordt naar de juridische verankering van de nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen binnen het plangebied. Het omgevingsplan is opgesteld als een gedetailleerd plan. Het plan is in die zin gedetailleerd, dat in de verbeelding en de regels wordt vastgelegd welke functies en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. 

De opbouw van de regels is als volgt: 

  • Algemene bepalingen (Afdeling 21.4.1);

  • Regels voor functies en activiteiten (Hoofdstuk 2);

  • Algemene regels (Hoofdstuk 3); 

  • Overgangsregels (Hoofdstuk 4).

 

Een functieartikel (Hoofdstuk 2 Functieregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: 

  • Functieomschrijving;

  • Specifieke Functieregels;

  • Bouwregels;

  • Maatwerkvoorschriften;

  • Afwijken van de gebruiksregels;

  • Omgevingsvergunning.

 

5.1.4. Flexibiliteitsregels 

Aan het omgevingsplan kan flexibiliteit worden toegevoegd door met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels, het afhankelijk stellen van de uitoefening van een bepaalde functie aan voorwaarden of het stellen van nadere eisen. Dit flexibiliteitinstrumentarium kent zekere begrenzingen. Een nadere eis mag slechts worden gesteld per afzonderlijk geval en geen algemene regel inhouden. Bovendien moet het bestemmingsplan al een regel bevatten omtrent het punt ten aanzien waarvan een nadere eis wordt gesteld. 

Op basis van het vorenstaande wordt voor het opnemen van flexibiliteitsregels de volgende benadering gehanteerd. 

  • Flexibiliteitregels alleen gebruiken als van een wezenlijke belangenafweging sprake kan zijn, voor de onderbouwing waarvan de motivering de noodzakelijke bouwstenen bevat. 

  • Bij het besluit tot het opnemen van flexibiliteit planschade risico meewegen. 

  • Nadere eisen alleen stellen als er als regels zijn opgenomen met betrekking tot hetzelfde onderwerp.

5.2 Regeling

Wonen: voor het gedeelte waar de woonfunctie gevestigd wordt. 

Tuin: voor het gedeelte waar de tuinfunctie gevestigd wordt.

Daarnaast zijn de dubbelfuncties ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ (ter bescherming van aanwezige archeologische waarden) en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – ’s Gravenweg’, ‘overige zone – historische structuren’ en ‘vrijwaringszone – halfopen landschap’ opgenomen. Tot slot is voorzien in de functieaanduiding ‘monumentale boom’ en de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – beeldbepalend pand’.

5.2.1. Methodiek 

Er wordt voorzien van de functie Wonen: 

Voor de diverse gebouwen worden de volgende definities gehanteerd. 

  • Onder een hoofdgebouw wordt verstaan: een gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is; 

  • Onder een bijbehorend bouwwerk wordt verstaan: een uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

  • Onder een woning wordt verstaan: Een gebouw of een zelfstandig gedeelte van een gebouw, dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

 

5.2.2. Algemene bouwregels 

Onder algemene bouwregels zijn bepalingen opgenomen die voor het hele plangebied gelden, zoals bij overschrijding van bouwvlakken en bestemmingsgrenzen.

5.2.3. Algemene gebruiksregels

Onder algemene gebruiksregels zijn bepalingen opgenomen die voor het hele plangebied gelden, zoals strijdig gebruik.

5.2.4. Algemene afwijkingsregels 

Onder algemene afwijkingsregels zijn bepalingen opgenomen die voor het hele plangebied gelden.

5.2.5. Algemene wijzigingsregels 

Onder algemene wijzigingsregels zijn bepalingen opgenomen die voor het hele plangebied gelden.

5.2.6. Overige regels 

Onder overige regels zijn bepalingen opgenomen die voor het hele plangebied gelden.

6 Economische uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de wijze van bekostiging. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin het omgevingsplan van rechtswege geldt en de situatie waarin er een gewijzigd omgevingsplan vigeert wat voldoet aan de wettelijke vereisten van de Omgevingswet (inclusief regels over kostenverhaal). 

Omgevingsplan van rechtswege

Bij het omgevingsplan van rechtswege zijn er drie mogelijke scenario’s: 

1. Gemeentelijke bekostiging / geen kostenverhaal (eventueel wel een nadeelcompensatieovereenkomst); 

2. Anterieure overeenkomst;

3. Posterieure overeenkomst. 

De initiatiefnemer heeft een anterieure overeenkomst met de gemeente gesloten voor wat betreft vergoeding van de gemeentelijke exploitatiekosten. 

Een ander aspect dat in het kader van de economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld, is de vraag of er aanleiding bestaat voor omwonenden om vergoeding te vragen van schade. Een schadevergoedingsovereenkomst als bedoeld in artikel 13.3 van de Ow vormt onderdeel van de met de initiatiefnemer te sluiten anterieure overeenkomst. 

Conclusie 

Het plan wordt in financieel economische zin haalbaar geacht.

7 Overleg en participatie

7.1 Participatie

De omgeving van het plangebied is in een vroegtijdig stadium betrokken bij de planontwikkeling. De initiatiefnemer heeft in 2025 omliggende eigenaren van het plangebied actief benaderd en het planvoornemen besproken en getoond. Voor de resultaten hiervan wordt verwezen naar Bijlage 4: Participatieplan en Bijlage 5: Participatieverslag

Participatie wordt beschouwd als een doorlopend proces gedurende de planvorming en realisatie. Met regelmaat zullen omwonenden en andere belanghebbenden bij het plan worden betrokken. 

Op deze wijze is voldaan aan de verplichte participatie op grond van participatie op grond van artikel 16.55 lid 7 Omgevingswet.

7.2 Overleg

Het concept plan (wat inhoudelijk niet afweek van onderhavig omgevingsplan) is in het kader van het vooroverleg gedeeld met diverse overlegpartners waaronder de DCMR, het waterschap en de provincie. Ook zijn de plannen tweemaal besproken aan de Omgevingstafel, waar diverse interne adviseurs en ketenpartners waren aangeschoven. Op basis hiervan is een aantal wijzigingen doorgevoerd. De provincie heeft daarnaast gemeld dat het plan geen provinciale belangen raakt.

7.3 Zienswijze

Het ontwerp omgevingsplan heeft conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 16 april 2026 tot en met 27 mei 2026 voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van tervisielegging van het omgevingsplan is 1 zienswijze ingediend. Deze heeft niet tot (inhoudelijke) wijzigingen van het plan geleid. Wel is een aantal ambtelijke wijzigingen doorgevoerd in het plan zoals het mogelijk maken om bed & breakfast uit te oefenen. Dit was een omissie in het ontwerp van de omgevingsplanwijziging.  De beantwoording van de zienswijze en ambtelijke wijzigingen zijn terug te lezen in Bijlage 6: Nota van beantwoording zienswijzen.

Naar boven