Uitwegenbeleid gemeente Lingewaard 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard heeft op 30 juni 2026 besloten het Uitwegenbeleid gemeente Lingewaard 2026 vast te stellen onder gelijktijdige intrekking van het Uitwegenbeleid gemeente Lingewaard 2022.

 

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard,

 

Gelet op:

  • -

    artikel 4:81 Algemene Wet Bestuursrecht;

  • -

    artikel 5.1, eerste lid aanhef en onder a in samenhang met artikel 22.8, beide van de Omgevingswet);

  • -

    artikel 2.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Lingewaard;

  • -

    artikel 14, lid 3, van de Wegenwet.

Besluiten de volgende beleidsregels vast te stellen:

 

Uitwegenbeleid gemeente Lingewaard 2026.

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

In de gemeente Lingewaard is het verboden zonder vergunning een uitweg te maken of te veranderen. Op grond van de Omgevingswet in combinatie met de APV, moet hiervoor een omgevingsvergunning worden aangevraagd. In de APV zijn voor deze vergunning diverse weigeringsgronden opgenomen. Bovendien kan de gemeente, ter bescherming van het belang waarvoor de vergunning is vereist, voorschriften en beperkingen verbinden aan de vergunning. Er bestaat binnen de gemeente behoefte aan een kader op basis waarvan vergunningsaanvragen voor uitwegen worden getoetst. Dit beleids- en toetsingskader is in dit document vastgelegd. Dit beleid bevordert eenduidige besluitvorming (consistentie) en biedt de aanvrager vooraf inzicht in de toetsingscriteria (transparantie). Daarnaast zijn ook inrichtingseisen opgenomen waarbij de CROW-publicatie 344 “Richtlijn drempels, plateaus en uitritten” als basis is gebruikt.

 

In deze notitie worden alleen uitwegen naar ‘bestemmingen’ (bijvoorbeeld woningen, bedrijven, percelen) behandeld.

 

Doelstelling

De doelstelling van dit beleid is een helder en formeel kader te scheppen, waarin onder andere de voorwaarden en het beheer en onderhoud, met betrekking tot de aanleg van een uitweg naar de gemeentelijke weg is vastgelegd.

 

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 benoemt de afkortingen en geeft een toelichting op de begrippen. In hoofdstuk 3 is het beleid nader geformuleerd. Hoofdstuk 4 beschrijft de uitvoeringsaspecten en tenslotte zijn in hoofdstuk 5 de overgangs- en slotbepalingen opgenomen.

Hoofdstuk 2 Afkortingen- en begrippenlijst

Artikel 1 Afkortingen

APV: Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Lingewaard

Artikel 2 Begrippen

Bedrijfsperceel

Een perceel met daarop een inrichting/instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen of het bedrijfsmatig verlenen van diensten. Aan-huis-verbonden beroepen en aan-huis-verbonden bedrijven worden hieronder niet begrepen.

 

Binnen de bebouwde kom

Alle percelen binnen de komgrenzen van de bebouwde kom (in de zin van de Wegenverkeerswet).

 

Buiten de bebouwde kom

Alle percelen buiten de komgrenzen van de bebouwde kom (in de zin van de Wegenverkeerswet).

 

Erftoegangsweg

In het Wegencategoriseringsplan en bijbehorend addendum (te raadplegen via www.overheid.nl) is aangegeven welke wegen zijn aangemerkt als erftoegangsweg dan wel gebiedsontsluitingsweg.

 

Gebiedsontsluitingsweg

In het Wegencategoriseringsplan en bijbehorend addendum (te raadplegen via www.overheid.nl) is aangegeven welke wegen zijn aangemerkt als erftoegangsweg dan wel gebiedsontsluitingsweg.

 

Groeiplaats

Het bovenaanzicht van de boom (projectie van de kroon op de grond) + 1,5 meter.

 

Hoofdgebouw

Het belangrijkste gebouw op het perceel, inclusief aan- of uitbouwen en exclusief aangebouwd bijgebouw

 

Nieuwbouwlocatie

Locatie waar nieuwe bouwwerken worden opgericht en waar in opdracht van de gemeente nieuw openbaar gebied wordt aangelegd.

 

Openbare parkeerplaats

Plaats op straat (openbaar) waar je een motorvoertuig kunt/mag parkeren. Dit kunnen gemarkeerde vakken zijn maar ook niet gemarkeerde delen van de weg gelegen aan de linker- of rechter kant van de rijweg in de lengterichting langs een trottoirband.

 

Openbare weg

Hetgeen onder ‘wegen’ wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

 

Uitweg

Rechtstreekse ontsluitingsmogelijkheid voor gemotoriseerd verkeer vanaf een perceel naar de voor het openbaar verkeer openstaande weg. Vaak door middel van fysieke voorzieningen zoals een verlaagde band of een in-/uitritconstructie.

Onder een uitweg verstaan we ook de begrippen inrit, oprit of uitrit.

 

Verharding

Het deel van de weg waar het verkeer direct overheen rijdt en bestaat uit een gesloten (bijv. asfalt), open (bijv. klinkers), half-verhard (bijv. grond, puin) of onverhard (bijv. zand) oppervlak.

 

Voorgevelgebied

Het gebied gelegen vóór de voorgevel van het hoofdgebouw en dat begrensd wordt door (het gebied dat ligt tussen) de voorgevellijn en zijgevellijnen. Zie ook tekening A in de bijlage.

 

Voorgevellijn

de denkbeeldige lijn die gelijkloopt met de voorgevel van het hoofdgebouw doorgetrokken tot aan de perceelsgrenzen. Zie ook tekening A in de bijlage.

 

Zijgevellijn

De denkbeeldige lijn die gelijkloopt met de zijgevel van het hoofdgebouw doorgetrokken tot aan de perceelsgrenzen. Zie ook tekening A in de bijlage.

 

Woonrijp maken

Het afwerken van openbare delen van een bouwterrein voor uiteindelijk gebruik. Het betreft het aanbrengen van voorzieningen op of in het maaiveld. Woonrijp maken vindt plaats aan het einde of na afronding van de bouwactiviteiten.

Hoofdstuk 3 Nadere uitwerking weigeringsgronden voor een uitweg

Voor iedere aanleg of wijziging in een uitweg, binnen of buiten de bebouwde kom, moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. De aanvraag voor deze vergunning wordt getoetst aan de weigeringsgronden genoemd in de APV. Dit hoofdstuk beschrijft de uitleg die het college van burgemeester en wethouders aan deze weigeringsgronden geeft. Bij iedere aanvraag worden onderstaande criteria meegenomen. Daarnaast wordt iedere aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een uitweg altijd getoetst aan het geldende omgevingsplan.

 

Artikel 3 Ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg

Een vergunning wordt geweigerd wanneer door de uitweg de verkeersveiligheid in gevaar kan komen. Daarvan is in ieder geval sprake in de volgende gevallen:

  • a.

    als de uitweg aansluit op een gebiedsontsluitingsweg. In geval van het verplaatsen of aanpassen van een bestaande, vergunde, uitweg op een gebiedsontsluitingsweg zal de situatie per geval beoordeeld worden.

  • b.

    op of binnen 5,00 meter van een rotonde;

  • c.

    op of binnen 5,00 meter van een kruising of splitsing van wegen (zie bijlage 1: tekening B);

  • d.

    op of binnen 5,00 meter van een voetgangersoversteekplaats;

  • e.

    bij de geblokte markering van een bushalte of binnen 12,00 meter van het haltebord;

  • f.

    op een plaats waar belemmeringen ontstaan voor het in- en uitrijden met een personenautowanneer tegenover de beoogde uitweg een voertuig geparkeerd mag worden;

  • g.

    op een plaats waar de uitweg op een fiets- en/of voetpad uitkomt en dat pad over een langere afstand (langer dan de breedte van het fiets- en/of voetpad) moet worden bereden om op de rijbaan voor het autoverkeer te komen;

  • h.

    op een plaats waar verlichting en/of bebording en/of andere objecten aanwezig zijn waardoor de uitweg niet onbelemmerd gebruikt kan worden;

  • i.

    op een plaats waar het zicht vanaf de uitweg op de weg/voetpad/fietspad onvoldoende is om de uitweg veilig te kunnen gebruiken;

  • j.

    als het voertuig het perceel via de uitweg niet in een rechte lijn kan op- en afrijden. Hiervan is in elk geval sprake als het voertuig op het perceel moet “steken” voordat deze het perceel in een rechte lijn via de uitweg kan verlaten.

Artikel 4 Als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats

Een vergunning wordt geweigerd als de aanleg van de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. Daarvan is in ieder geval sprake als de uitweg, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, op een andere plek gerealiseerd kan worden waar het niet ten koste gaat van een openbare parkeerplaats.

Artikel 5 Als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast

Een vergunning wordt geweigerd als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Daarvan is in ieder geval sprake in de volgende gevallen:

  • a.

    als er een boom, die op gemeentegrond staat, verwijderd moet worden;

  • b.

    als de uitweg binnen de groeiplaats van een boom, die op gemeentegrond staat, komt te liggen;

  • c.

    als de uitweg, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, leidt tot onaanvaardbare versnippering van openbaar groen.

Artikel 6 Als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, tenzij naar het oordeel van college van burgemeester en wethouders de verkeersveiligheid door die tweede uitweg wordt gediend

Een vergunning wordt geweigerd als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, tenzij de verkeersveiligheid naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders zodanig toeneemt dat de vergunning toch moet worden verleend.

Artikel 7 In het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving

Een vergunning wordt geweigerd in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving. Daarvan is in ieder geval sprake in de volgende gevallen:

  • a.

    Als de uitweg geheel of gedeeltelijk is gelegen in het voorgevelgebied (zie bijlage 1: tekening A). Als uitzondering hierop geldt dat als er sprake is van een uitweg bij een bedrijfsperceel, de situatie individueel wordt beoordeeld.

  • b.

    Als de uitweg niet voldoet aan de standaardbreedte van 4 meter tenzij er, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, omstandigheden zijn om hiervan af te wijken.

Hoofdstuk 4 Uitvoeringsaspecten

Bij het aanleggen van een uitweg hanteert de gemeente een aantal algemene en specifieke uitgangspunten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in een uitweg buiten de bebouwde kom en een uitweg binnen de bebouwde kom onderverdeeld naar particulier, nieuwbouw en bedrijfsmatig.

Artikel 8 Algemene uitgangspunten

Algemene uitgangspunten bij de aanleg van een uitweg:

  • a.

    de werkzaamheden voor de aanleg van een uitweg op gemeentegrond worden door of in opdracht van de gemeente uitgevoerd, in verband met uniformiteit en aansprakelijkheid. Er mag dus niet zelf overgegaan worden tot het aanleggen van een uitweg;

  • b.

    vergunninghouder moet voor de aanleg van de uitweg contact opnemen met de wegbeheerder (afdeling Openbare Ruimte en Vastgoed van de gemeente Lingewaard);

  • c.

    kosten voor de aanleg van de uitweg (inclusief eventuele extra maatregelen zoals verplaatsen van een lichtmast, kolken, straatmeubilair, groenvoorziening en kabels en leidingen en legeskosten) worden door de gemeente Lingewaard aan de vergunninghouder gemeld. De gemeente stelt een offerte op voor de kosten. De uitvoering start nadat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden, de kosten door de aanvrager zijn voldaan en eventuele andere voor de aanleg noodzakelijke vergunningen en meldingen zijn verleend en/of gedaan;

  • d.

    de uitweg is onderdeel van de openbare weg en de gemeente is verantwoordelijk en aansprakelijk voor het onderhoud van de uitweg.

Artikel 9 Terugbrengen van uitwegen na reconstructiewerkzaamheden

Bij een reconstructie van een weg of berm worden uitwegen die niet langer in gebruik zijn verwijderd. Belanghebbende zal hierover worden geïnformeerd.

Artikel 10 Aanvullende uitvoeringsaspecten uitwegen

De wegconstructie van zowel de openbare weg ter plaatse van de uitweg als de uitweg zelf moet berekend zijn op het te verwachten gebruik c.q. verkeersbelasting. Daarom wordt de constructie bepaald door de gemeente en bestaat die in principe uit een elementenverharding met:

  • inritblokken, verlaagde trottoirbanden, al of niet afgeronde bochtelementen of inritblokken;

  • (hoek-stukken) met tussenliggende betonstraatstenen;

  • fundering van 35 cm straatzand, 25 cm menggranulaat met daarop 5 cm straatzand;

  • grijze betonklinkers, betontegels of het in de openbare ruimte aanwezige type bestrating;

  • opsluiting van het straatwerk met 10 x 20 opsluitbanden of trottoirbanden;

  • grasbetonstenen bij landbouwpercelen

Bij uitwegen waarbij de bestemming niet zichtbaar of herkenbaar is, dient de uitwegconstructie duidelijk herkenbaar te zijn. Om de herkenbaarheid en uniformiteit van een uitweg te waarborgen, zal de uitweg zo veel mogelijk op uniforme wijze worden aangelegd.

Er wordt een afweging gemaakt of een uitweg past binnen het (historische) straatbeeld. Dit kan namelijk per straat verschillen.

Omdat uitwegconstructies met niveauverschil voor zwaar verkeer problematisch kunnen zijn voor kwetsbare lading, kan bij een uitweg naar bedrijven een uitwegconstructie zonder niveauverschil worden toegepast.

Ingeval de uitweg over een sloot/watergang gaat, dient er ook een dam met duiker (of een brug) aangelegd te worden. Het onderhoud van de dam met duiker/brug berust bij aanvrager. Het kan zijn dat hiervoor een vergunning aangevraagd moet worden of een melding gedaan moet worden bij het Waterschap op basis van de Keur en daarnaast is mogelijk privaatrechtelijke toestemming van de eigenaar van de grond noodzakelijk. Voor het regelen van deze zaken is aanvrager zelf verantwoordelijk.

Artikel 11 Verplaatsen uitweg

Voor het verplaatsen van een uitweg is een omgevingsvergunning nodig. De aanvraag voor de omgevingsvergunning wordt getoetst aan de weigeringsgronden en de uitgangspunten zoals benoemd in hoofdstuk 3 en 4, waarbij de volgende aanvullende bepalingen ook in acht worden genomen:

  • a.

    de te vervallen uitweg wordt verwijderd, waarbij de situatie ter plaatse wordt hersteld, door of in opdracht van de gemeente Lingewaard;

  • b.

    eventuele duikers of andere voorzieningen t.b.v. de uitweg worden verwijderd door of in opdracht van de gemeente Lingewaard;

  • c.

    alle kosten genoemd onder a en b zijn voor rekening van de aanvrager en worden per geval bepaald.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 12 Overgangsbepaling

Aanvragen die voor inwerkingtreding van dit beleid zijn ingediend, worden getoetst aan het Uitwegenbeleid gemeente Lingewaard 2022.

Artikel 13 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking, dit onder gelijktijdige intrekking van het Uitwegenbeleid gemeente Lingewaard 2022.

Artikel 14 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Uitwegenbeleid gemeente Lingewaard 2026.

Vastgesteld in de vergadering van 30 juni 2026.

Burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard,

de secretaris,

drs. I.P. van der Valk

de burgemeester,

dr. P.T.A.M. Kalfs

Bijlage 1: Situatietekeningen/uitwegconstructies

 

Tekening A: Voorgevelgebied, zijgevellijnen en voorgevellijn

 

 

Tekening B: hieronder de situatie weergegeven bij een kruising van wegen (artikel 3 sub c)

 

Naar boven