Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Den Helder, houdende regels over het wegslepen van voertuigen (Wegsleepverordening Den Helder 2026)

 

De raad van de gemeente Den Helder;

 

gelezen het raadsvoorstel nummer 578637 van het college van burgemeester en wethouders van Den Helder van 26 mei 2026;

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 173, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en het Besluit wegslepen van voertuigen;

 

kennis genomen hebbende van de voorbereidende commissievergadering Stadsontwikkeling en -beheer op 15 juni 2026;

 

overwegende dat het wenselijk is om in voorkomende gevallen op de weg staande voertuigen te kunnen verwijderen, over te brengen en in bewaring te stellen;

 

besluit:

 

de volgende verordening vast te stellen.

 

Wegsleepverordening Den Helder 2026

 

 

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • -

    besluit: Besluit wegslepen van voertuigen;

  • -

    college: college van burgemeester en wethouders van Den Helder;

  • -

    motorrijtuig: hetgeen hieronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de wet;

  • -

    voertuig: hetgeen hieronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • -

    wet: Wegenverkeerswet 1994;

Artikel 2 Aangewezen wegen en weggedeelten

Als wegen en weggedeelten, bedoeld in artikel 170, eerste lid, onder c, van de wet worden aangewezen alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente Den Helder voor zover die behoren tot een van de in artikel 2 van het besluit bedoelde soorten van wegen en weggedeelten.

Artikel 3 Plaats van bewaring voertuigen en openingstijden

  • 1.

    Als plaats van bewaring van voertuigen wordt aangewezen: de bedrijfslocatie van de berger Haulo Berging, Het Arsenaal 42B, 1781 XR Den Helder.

  • 2.

    De openingstijden van de in het eerste lid bedoelde plaats van bewaring worden door het college vastgesteld.

Artikel 4 Kosten voorbereiding, overbrengen en bewaren

  • 1.

    De kosten verbonden aan de voorbereiding van de overbrenging en het overbrengen van een voertuig waarvan de totaalmassa maximaal 3.500 kilo is naar de plaats van bewaring bedragen:

    • a.

      voorrijkosten: € 160,00;

    • b.

      voorrijkosten plus wegslepen: € 275,00.

  • 2.

    De kosten verbonden aan de voorbereiding van de overbrenging en het overbrengen van een voertuig waarvan de totaalmassa meer is dan 3.500 kilo naar de plaats van bewaring bedragen:

    • a.

      voorrijkosten op weekdagen, tijdvak 08.00 – 18.00 uur: € 192,00;

    • b.

      voorrijkosten op weekdagen, tijdvak 18.00 – 08.00 uur: € 275,00;

    • c.

      voorrijkosten op zaterdag, zondag en officiële feestdagen: € 275,00;

    • d.

      voorrijkosten plus wegslepen op weekdagen, tijdvak 08.00 – 18.00 uur: € 265,00 per uur;

    • e.

      voorrijkosten plus wegslepen op weekdagen, tijdvak 18.00 – 08.00 uur: € 312,00 per uur;

    • f.

      voorrijkosten plus wegslepen op zaterdag, zondag en officiële feestdagen: € 312,00 per uur.

  • 3.

    De kosten verbonden aan het bewaren van een voertuig bedragen:

    • a.

      voor voertuigen waarvan de totaalmassa maximaal 3.500 kilo is: € 16,00 per etmaal of een gedeelte daarvan;

    • b.

      voor voertuigen waarvan de totaalmassa meer dan 3.500 kilo is: € 35,00 per etmaal of een gedeelte daarvan.

  • 4.

    Alle in de vorige leden van dit artikel genoemde bedragen zijn exclusief BTW. De bedragen zijn gebaseerd op prijspeil 2026 en worden jaarlijks per 1 januari aan de hand van de consumentenprijsindex verhoogd.

Artikel 5 Overeenkomstige toepassing

Wanneer gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 130, vierde lid, artikel 164, zevende lid, of artikel 174, eerste lid, van de wet, zijn de artikelen 1, 3 en 4 van deze verordening van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6 Overgangsrecht

Belastbare feiten die zich voor de inwerkingtreding van deze verordening hebben voorgedaan, worden afgedaan volgens de Wegsleepverordening gemeente Den Helder 2008.

Artikel 7 Intrekking oude verordening

De Wegsleepverordening gemeente Den Helder 2008 wordt ingetrokken.

Artikel 8 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die waarop zij is bekendgemaakt in het elektronisch Gemeenteblad.

Artikel 9 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Wegsleepverordening Den Helder 2026.

Aldus besloten in de raadsvergadering van 29 juni 2026.

voorzitter,

E.M. Krijns

griffier,

mr. drs. M. Huisman

Toelichting bij de Wegsleepverordening Den Helder 2026

 

Algemeen

 

Bevoegdheid tot wegslepen en in bewaring stellen

Op grond van artikel 170, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen voertuigen waarmee een verkeersregel wordt overtreden en waarvan de verwijdering noodzakelijk is in verband met het belang van:

a. de veiligheid op de weg; of

b. de vrijheid van het verkeer; of

c. het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen;

worden weggesleept en in bewaring gesteld.

 

Het wegslepen van een voertuig moet worden gezien als een bijzondere vorm van bestuursdwang. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn algemene regels gesteld over de toepassing van bestuursdwang. Deze regels zijn voor een groot deel ook van toepassing op het wegslepen van voertuigen. In de WVW 1994 wordt een aantal bepalingen uit de Awb niet van toepassing verklaard.

 

Tegen besluiten tot het wegslepen van voertuigen staat op grond van de Awb bezwaar en vervolgens beroep open.

 

Verordening

In artikel 170 e.v. WVW 1994 is het kader aangegeven waarbinnen het college gebruik kan maken van zijn bevoegdheid tot het wegslepen van voertuigen. In artikel 173, tweede lid, van de WVW 1994 staat dat bij gemeentelijke verordening nadere regels worden gesteld over de toepassing van deze bevoegdheid. In deze verordening dienen in elk geval regels te worden gesteld over:

 

  • -

    de aanwijzing van de plaats(en) waar de weggesleepte voertuigen worden bewaard;

  • -

    de berekening van de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het wegslepen en bewaren van voertuigen;

  • -

    de aanwijzing van wegen en weggedeelten waar op grond van artikel 170, eerste lid, onder c, van de WVW 1994 voertuigen mogen worden weggesleept.

 

Aangezien de nadere regels bij gemeentelijke verordening moeten worden gesteld, kunnen de hiervoor genoemde onderwerpen niet worden gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. De eventuele uitwerking van de nadere regels van de verordening kan wel door het college van burgemeester en wethouders geschieden.

 

Wegsleepwaardige overtredingen

In de bijlage bij deze toelichting staat aangegeven in welke concrete gevallen er sprake kan zijn van een wegsleepwaardige overtreding van de wegenverkeerswetgeving. Het betreft hier een niet-limitatieve lijst; er kunnen zich altijd situaties voordoen die niet staan genoemd in de lijst, maar wel het wegslepen van een voertuig noodzakelijk maken.

 

In artikel 170, zesde lid, van de WVW 1994 is bepaald dat een voertuig niet kan worden weggesleept indien de rechthebbende het voertuig verwijdert voordat met de overbrenging wordt begonnen. In de wet wordt niet expliciet aangegeven wanneer met de overbrenging wordt begonnen. In de praktijk wordt ervan uitgegaan dat pas met de overbrenging wordt begonnen wanneer het voertuig zich in de takels van het wegsleepvoertuig bevindt. Indien de rechthebbende zich eerder bij zijn voertuig meldt, mag het voertuig niet meer worden weggesleept. Wel zal de rechthebbende alle aan de voorbereiding van de overbrenging verbonden kosten dienen te vergoeden, zoals de voorrijkosten van het sleepvoertuig en administratieve kosten.

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1 Definities

 

In dit artikel is een aantal begrippen omschreven. In twee gevallen wordt verwezen naar definities uit bestaande wetgeving.

 

Onder ‘motorrijtuigen’ wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de WVW 1994: “alle voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van elders, met uitzondering van fietsen met trapondersteuning.”

 

Het begrip 'motorrijtuig' is apart omschreven omdat artikel 5 van de verordening alleen betrekking heeft op dit soort voertuigen.

 

Onder 'voertuig' wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990: “fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.”

 

Artikel 2 Aangewezen wegen en weggedeelten

 

Zoals hiervoor al is aangegeven, is de bevoegdheid tot het wegslepen van voertuigen in de WVW 1994 zelf geregeld. Voor het wegslepen van voertuigen in het belang van de veiligheid op de weg of de vrijheid van het verkeer hoeven geen wegen en weggedeelten te worden aangewezen. Van deze bevoegdheid kan op alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente gebruik worden gemaakt.

 

Voor het wegslepen van voertuigen in het belang van het vrijhouden van wegen en weggedeelten kunnen op grond van artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 173, tweede lid, aanhef en onder c WVW 1994 bij gemeentelijke verordening wegen en weggedeelten worden aangewezen. In artikel 2 van het Besluit wegslepen van voertuigen is nader aangegeven om welke soorten van wegen en weggedeelten het kan gaan. Het betreft onder andere gehandicaptenparkeerplaatsen, taxistandplaatsen, laad- en loshavens, parkeerplaatsen voor vergunninghouders, voetgangersgebieden en dergelijke.

 

Op grond van deze verordening zijn alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente aangewezen, voor zover die behoren tot een van de in artikel 2 van het Besluit wegslepen van voertuigen bedoelde soorten van wegen en weggedeelten. Voor minder vergaande varianten, bijvoorbeeld alleen de wegen en weggedeelten binnen de bebouwde kom of een aantal met name genoemde wegen en weggedeelten, is niet gekozen.

 

Voor de volledigheid wordt nog eens opgemerkt dat een parkeerovertreding op zich niet zonder meer voldoende is om over te gaan tot het wegslepen en in bewaring stellen van een voertuig. Per geval zal tevens moeten worden beoordeeld of de specifieke parkeerovertreding het wegslepen en in bewaring stellen van het desbetreffende voertuig ook rechtvaardigt. Indien bijvoorbeeld een voertuig midden in de nacht op een laad- en loshaven wordt geparkeerd terwijl alle winkels en bedrijven dicht zijn, zal het normaal gesproken niet weggesleept mogen worden. Het voertuig zal doorgaans pas mogen worden weggesleept wanneer de winkels en bedrijven weer opengaan of enige tijd daarvoor.

 

Artikel 3 Plaats van bewaring voertuigen en openingstijden

 

Vanwege de redactie van artikel 173, tweede lid, WVW 1994 moet(en) de plaats(en) van bewaring van voertuigen door de gemeenteraad worden aangewezen. Delegatie aan het college van burgemeester en wethouders is niet mogelijk. In onvoorziene omstandigheden is het denkbaar dat de burgemeester op grond van zijn bijzondere bevoegdheden ter handhaving van de openbare orde tijdelijk ook andere terreinen aanwijst als plaats van bewaring van voertuigen.

 

De openingstijden kunnen wel nader door het college van burgemeester en wethouders worden vastgesteld omdat ze niet expliciet genoemd zijn in artikel 173, tweede lid, WVW 1994.

 

Artikel 4 Kosten voorbereiding, overbrengen en bewaren

 

In artikel 12 tot en met 14 van het Besluit wegslepen van voertuigen is geregeld welke soorten van kosten die verbonden zijn aan het wegslepen en in bewaring stellen van voertuigen, in rekening kunnen worden gebracht. In de wegsleepverordening hoeven deze kostencomponenten niet allemaal inzichtelijk te worden gemaakt. Volstaan kan worden met een uitsplitsing van de kosten die verbonden zijn aan het wegslepen van voertuigen enerzijds en de bewaring van deze voertuigen anderzijds.

 

Indien een rechthebbende zich bij zijn voertuig meldt voordat met het wegslepen is begonnen, dan mag het voertuig niet meer worden weggesleept. Er worden in dat geval geen wegsleepkosten in rekening gebracht. Wel dient de rechthebbende dan de voorrijkosten te vergoeden.

 

In het derde lid van dit artikel wordt het begrip 'etmaal' gebruikt. Het etmaal, zoals hier bedoeld, begint na de dag van in bewaring nemen van een voertuig en eindigt 24 uur later.

 

Artikel 5 Overeenkomstige toepassing

 

Naast de in artikel 170, eerste lid, WVW 1994 bedoelde gevallen zijn in deze wet nog twee gevallen genoemd waarin het noodzakelijk kan zijn om een voertuig te laten wegslepen en in bewaring te laten stellen. Het gaat om de volgende situaties:

 

  • -

    het niet afgeven van het rijbewijs wanneer dit is ingevorderd omdat iemand zijn motorrijtuig heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van drogerende stoffen of alcohol en dergelijke (zie artikel 130 en 164 WVW 1994);

  • -

    een motorrijtuig beschikt niet over een behoorlijk zichtbare kentekenplaat terwijl de eigenaar of houder van dat motorrijtuig niet direct te achterhalen is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan voertuigwrakken die geen kenteken meer hebben of aan situaties dat er sprake kan zijn van het 'knoeien' met kentekens in geval van autodiefstal.

 

Wanneer in dit soort gevallen een voertuig moet worden weggesleept en in bewaring genomen, is er geen sprake van uitoefening van bestuursdwang. Artikel 170, eerste lid, WVW 1994, waarin de bestuursdwangbevoegdheid is geregeld, is dan ook niet van toepassing verklaard in de genoemde gevallen. In feite gaat het om een vorm van inbeslagname van goederen die ook in het strafrecht voorkomt. Wel heeft de wetgever voor deze gevallen diverse bepalingen uit hoofdstuk X van de WVW 1994 (Bestuurlijke handhaving) van overeenkomstige toepassing verklaard.

 

 

 

Bijlage bij de toelichting

 

  • A.

    Veiligheid op de weg en vrijheid van het verkeer

 

Als gevallen waarin verwijdering, overbrenging en inbewaringstelling van voertuigen in het belang van de veiligheid op de weg en de vrijheid van het verkeer (zie artikel 170, eerste lid, aanhef en onder a en b WVW 1994) noodzakelijk kunnen zijn, kunnen worden genoemd:

 

  • a.

    een voertuig is tot stilstand gebracht op een trottoir, voetpad of fietspad, tenzij het een fiets, bromfiets of invalidenvoertuig betreft (zie artikel 5, 6, 7 en 10 van het RVV 1990).

  •  

  • b.

    een voertuig is tot stilstand gebracht:

  •  

    • 1.

      op een kruispunt, rotonde of een overweg;

  •  

    • 2.

      op een fietsstrook of de rijbaan langs een fietsstrook;

  •  

    • 3.

      op een oversteekplaats of binnen een afstand van 5 meter daarvan;

  •  

    • 4.

      in een tunnel;

  •  

    • 5.

      bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering of, indien die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord, tenzij het stilstaan dient voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers;

  •  

    • 6.

      op de rijbaan langs een busstrook;

  •  

    • 7.

      op een busbaan of een busstrook met uitzondering van een lijnbus;

  •  

    • 8.

      langs een gele doorgetrokken streep of in strijd met bord E2 van bijlage 1 bij het RVV 1990;

  •  

    • 9.

      op de rijbaan, inclusief de invoeg- en uitrijstrook, van een autosnelweg of autoweg, of -behoudens in noodgevallen- op de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm van zo'n weg (zie artikel 23, 43, tweede lid, en 81 RVV 1990 en bord E2 van bijlage 1 bij het RVV1990).

  •  

  • c.

    een voertuig is geparkeerd:

  •  

    • 1.

      bij een kruispunt op een afstand van minder dan 5 meter daarvan;.

  •  

    • 2.

      voor een inrit of een uitrit;

  •  

    • 3.

      buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg;

  •  

    • 4.

      langs een gele onderbroken streep of in strijd met bord E1 van bijlage 1 bij het RVV 1990;

  •  

    • 5.

      op een wijze waardoor er sprake is van dubbel parkeren;

  •  

    • 6.

      binnen een erf, waarbij – voor zover het een motorvoertuig betreft - geen gebruik is gemaakt van de parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangewezen;

  •  

    • 7.

      op een weg waarvoor een geslotenverklaring geldt;

  •  

    • 8.

      zonder dat de voorgeschreven voertuigverlichting in werking is gesteld (zie artikel 24, 25, 38 e.v. en 46 RVV 1990 en bord E1 van bijlage 1 bij het RVV 1990).

  •  

  •  

  • d.

    een voertuig is tot stilstand gebracht in strijd met een bevel of een aanwijzing, gegeven door een daartoe bevoegd en als zodanig kenbare ambtenaar of ander persoon (zie artikel 82 RVV 1990).

  •  

  • e.

    een voertuig is overigens zodanig tot stilstand gebracht of geparkeerd dat gevaar op de weg wordt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt of kan worden gehinderd (zie artikel 5 WVW 1994, het zogenaamde kapstokartikel).

 

B. Vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen

 

Verwijdering, overbrenging en inbewaringstelling van voertuigen in het belang van het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen (zie artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c WVW 1994 en artikel 2 Besluit wegslepen van voertuigen) kunnen noodzakelijk zijn in het geval dat een voertuig geparkeerd is:

 

  • a.

    op een weg of weggedeelte waar door middel van bord E1 van bijlage 1 bij het RVV 1990 of door middel van een gele onderbroken streep als bedoeld in artikel 24, lid 1 onder e RVV 1990 wordt aangegeven dat ter plaatse een parkeerverbod geldt;

     

  • b.

    op een weg of weggedeelte waar door middel van bord E2 van bijlage 1 bij het RVV 1990 of door middel van een gele doorgetrokken streep als bedoeld in artikel 23, lid 1 onder g RVV 1990 wordt aangegeven dat ter plaatse een verbod stil te staan geldt;

     

  • c.

    op een parkeerplaats nader aangeduid door bord E4 van bijlage 1 bij het RVV 1990 (al dan niet met onderbord) voor zover:

     

    • het voertuig niet behoort tot de toegelaten categorie of groep voertuigen;

       

    • het voertuig op een andere dan de aangegeven wijze is geparkeerd;

       

    • het voertuig op andere dagen of uren dan aangegeven is geparkeerd;

       

  • d.

    op een taxistandplaats, nader aangeduid door bord E5 van bijlage 1 bij het RVV 1990, tenzij het parkeren gebeurt met een taxi;

     

  • e.

    op een gehandicaptenparkeerplaats, nader aangeduid met bord E6 van bijlage 1 bij het RVV 1990:

     

    • tenzij het parkeren gebeurt met een gehandicaptenvoertuig;

       

    • tenzij gebruik wordt gemaakt van een geldige en duidelijk zichtbaar aangebrachte gehandicaptenparkeerkaart;

       

    • tenzij het parkeren gebeurt met het voertuig waarvoor de gehandicaptenparkeerplaats gereserveerd is ;

       

  • f.

    op een laad- en losplaats, nader aangeduid door bord E7 van bijlage 1 bij het RVV 1990 (met uitzondering van de aangegeven dagen of uren), tenzij de bestuurder van het voertuig bezig is met het onmiddellijk laden en lessen van goederen;

     

  • g.

    op een parkeerplaats, nader aangeduid door bord E8 van bijlage 1 bij het RVV 1990 voor zover het voertuig niet behoort tot de toegelaten categorie of groep voertuigen;

     

  • h.

    op een parkeerplaats, nader aangeduid door bord E9 van bijlage 1 bij het RVV 1990 en bestemd voor vergunninghouders, tenzij het parkeren gebeurt met het voertuig waarvoor een parkeervergunning is afgegeven;

     

  • i.

    in een voetgangersgebied, nader aangeduid door bord G7 of C1 van bijlage 1 bij het RVV 1990, tenzij het parkeren gebeurt tijdens de daarvoor aangegeven dagen en uren.

 

Naar boven