Gemeenteblad van Súdwest-Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Súdwest-Fryslân | Gemeenteblad 2026, 325853 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Súdwest-Fryslân | Gemeenteblad 2026, 325853 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Participatieverordening Súdwest-Fryslân
Hoofdstuk 2 Inwonersparticipatie
Artikel 4 Plan voor inwonersparticipatie
Als een bestuursorgaan in het kader van de inwonersparticipatie voor inspraak kiest of als inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander participatieproces vaststelt.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 2 juli 2026,
mr. drs. J.A. de Vries, voorzitter
G.W. Stegenga, griffier
Voordat in deze toelichting wordt gesproken over de aanleiding van deze verordening, is het zinvol om te onderscheiden over welke vorm van participatie de verordening gaat. Participatie is een veelgebruikt begrip met meerdere betekenissen. In het geval van deze verordening spreken we van beleidsparticipatie, of wel het uitoefenen van invloed door ingezetenen en belanghebbenden op de besluiten die de gemeente Súdwest-Fryslân neemt. Vormen van inwonersparticipatie zijn: inspraak- of inloopavonden, enquêtes, digitale participatie, burgerberaden of burgerbegrotingen en (samen)werkgroepen van inwoners en gemeente. Bij inwonersparticipatie worden inwoners, organisaties en andere betrokkenen op initiatief van de gemeente bij het beleidsproces betrokken.
Aanleiding: wet versterking participatie op decentraal niveau
Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden (Stb. 2024, 2023, hierna: de wet). Deze wet wijzigt artikel 150 van de Gemeentewet, waarin per 1 januari 2025 staat dat gemeenten inwoners bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid moeten betrekken.
Gemeenten staan voor grote maatschappelijke uitdagingen, waarin het van belang is om de mensen om wie het gaat vroegtijdig en zorgvuldig te betrekken. Deze opgaven zijn niet alleen van de gemeente, maar van de gehele samenleving. Daarbij is een goede samenwerking onmisbaar.
In de wet staat ook dat de gemeente regels op moet nemen op het gebied van het uitdaagrecht. Met het uitdaagrecht kunnen belanghebbenden en ingezetenen gemeentelijke taken (artikel 150, derde lid onder a van de Gemeentewet) of taken die aan gemeenten in medebewind zijn gegeven (artikel 150, derde lid, onder b Gemeentewet) overnemen wanneer zij dit slimmer, beter, goedkoper of anders kunnen doen.
In de verordening staat niet genoemd welke vormen de participatie aan moet nemen. Per project, onderwerp en/of vraagstuk zal een bepaalde vorm van participatie of een combinatie van meerdere vormen het meest geschikt zijn. In sommige gevallen zal de vorm door de gemeente worden bedacht en in andere gevallen zal de vorm worden bedacht in samenwerking met de participanten. De participatieverordening vervangt de inspraakverordening, maar inspraak blijft een instrument dat kan worden toegepast in het kader van participatie.
Participatie op grond van de andere wetten, zoals de Omgevingswet
In bepaalde gevallen geeft de wet nadere handvaten voor participatie. In die gevallen is deze verordening niet van toepassing. Een relevant voorbeeld van een geval waar de participatieverordening zich niet voor leent is de omgevingsvergunning in de Omgevingswet. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning is namelijk niet het bevoegd gezag, maar de aanvrager aan zet en daarnaast is participatie op grond van de Omgevingswet in beginsel niet verplicht voor de aanvrager.
Hoofdstuk 1 – inleidende bepalingen
Het begrip beleid ziet op het beleid van een bestuursorgaan in brede zin, hieronder vallen ook projecten, programma’s en plannen. Dit kunnen thematische en strategische programma’s zijn, maar ook programma’s en plannen in het kader van de omgevingswet. Bij beleid gaat het niet om het nemen van concrete besluiten of maatregelen, maar om het beleid waarop deze besluiten of maatregelen kunnen worden gebaseerd. Daarbij omvat het begrip niet alleen het vaststellen van beleid, maar ook de uitvoering en evaluatie daarvan.
Zoals bedoeld in artikel 150, derde lid van de Gemeentewet. Op grond hiervan kunnen inwoners en maatschappelijke partijen een verzoek doen om gemeentelijke taken over te nemen. Een gemeentelijke taak is terug te vinden in de begroting van de gemeente met een duidelijke kostenpost en opdracht. Het is niet mogelijk om het uitdaagrecht toe te passen op taken die niet van de gemeente zijn. Het woord ‘uitdaagrecht’ suggereert een conflicterende houding tussen indiener en gemeente, wat in de praktijk vaak niet het geval is. Er is eerder sprake van een samenwerking tussen indiener en gemeente, gezien de gemeente in de meeste gevallen aansprakelijk blijft voor eventuele risico’s. Het is dan ook de bedoeling om een verzoek tot het uitdaagrecht aan te pakken als een samenwerking tussen beide partijen met de mogelijkheid tot gehele overname wanneer dit juridisch gezien mogelijk is.
Onder dit artikel staan de doelstellingen van deze verordening omschreven. De verordening omvat spelregels voor inwonersparticipatie voor de gemeente. In dit artikel kunnen participanten lezen wat ze van de gemeente kunnen verwachten en waar men de gemeente op aan kan spreken wanneer de participatie anders loopt dan gedacht.
Met inclusie bedoelen we hier dat iedereen ertoe doet en van waarde is, ongeacht verschillen. Participatie moet zodanig zijn ingericht dat verschillende (doel)groepen zich welkom voelen om mee te doen.
De doelstellingen komen overeen met de ambities uit de visie op inwonersparticipatie en gaan vanaf sub c in op de drie verschillende fasen waarin ingezetenen en belanghebbenden worden betrokken bij het opstellen van gemeentelijk beleid, namelijk de voorbereiding (c ), uitvoering (d), en evaluatie (e).
In dit artikel staat omschreven wat het bereik van de participatieverordening is. Met andere woorden, waar heeft deze verordening wel betrekking op en waarop niet. Uitgangspunt n de verordening is dat de bestuursorganen binnen de gemeente, elk ten aanzien van hun taken en bevoegdheden, bepalen of inwonersparticipatie plaatsvindt en of het mogelijk is het uitdaagrecht toe te passen.
Deze verordening is aanvullend op participatie, inspraak of andere inbreng en initiatieven van inwoners die al zijn geregeld in andere al dan niet gemeentelijke verordeningen, regelgeving en procedures. Hiermee wordt bedoeld dat er ook andere verordeningen, regels en procedures binnen de gemeente zijn waar participatie onderdeel van uitmaakt, of waarbij participatie het middel is om een bepaald doel te bereiken. Die verplichtingen blijven ongewijzigd bestaan. Hieronder volgt een voorbeeld.
Súdwest-Fryslân kent de Adviesraad Sociaal Domein en de Cliëntenraad Werk en Inkomen Súdwest-Fryslân. Deze constructie is een vorm van inwonersparticipatie. De Cliëntenraad Werk en Inkomen adviseert over de thema’s die binnen de Participatiewet en de Wet Inkomensvoorziening Oudere en Gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werkloze werknemers (IOAW) van toepassing zijn. De wettelijke grondslag ligt in artikel 47 van de Participatiewet en artikel 42 van de IOAW. De gemeente heeft voor de cliëntenraad ook een verordening opgesteld. De Adviesraad Sociaal Domein richt zich op thema’s binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) en de Jeugdwet. De samenstelling van deze raden bestaat uit inwoners die ervaringsdeskundige zijn op specifieke thema’s binnen het Sociaal Domein. De wettelijke grondslag van deze raden en de manier van samenwerken wijzigt met de komst van de participatieverordening niet. Het vormen of instellen van een adviesraad rondom een bepaald beleidsthema kan een vorm van inwonersparticipatie zijn die op verschillende manieren kan worden vastgelegd.
In lid 4 staan een aantal uitzonderingen geformuleerd. Met deze uitzonderingsgronden moet zorgvuldig om worden gegaan. Het feit is dat participatie zich niet alleen over de voorbereiding, maar ook over de uitvoering en evaluatie uitstrekt. Als participatie bij de voorbereiding geen toegevoegde waarde heeft, geldt dat niet noodzakelijkerwijs ook voor de uitvoering en evaluatie. Daarom dient er goed gekeken te worden in welke fase de participatie zich bevindt. Als er sprake is van één of meerdere uitzonderingen dan moet er gemotiveerd worden waarom van participatie wordt afgezien.
Hoofdstuk 2 - inwonersparticipatie
Dit hoofdstuk heeft alleen betrekking op inwonersparticipatie. Het derde hoofdstuk gaat specifiek in op het uitdaagrecht.
Artikel 4. Plan voor inwonersparticipatie
Voordat er wordt begonnen met een proces tot het maken van beleid er worden afgewogen of inwonersparticipatie in de drie fasen (voorbereiding, uitvoering en evaluatie) toegevoegde waarde heeft. Er moet sprake zijn van een bewuste en gemotiveerde keuze om wel of geen inwonersparticipatie toe te passen. Volgens de doelstellingen van deze verordening wordt er alleen geparticipeerd met een duidelijk doel. Participatie is altijd een middel en geen doel op zich. Deze afweging kan een plaats krijgen in verschillende vormen, zoals een plan van aanpak, in een college-advies, een startnotitie of als onderdeel in het onder lid 2 genoemde participatieplan.
Wanneer bewust en gemotiveerd is besloten om inwonersparticipatie toe te passen bij het maken van beleid, moet er een participatieplan worden opgesteld. Het participatieplan gaat helpen bij het verwoorden van het doel van participatie en de afspraken daarover met de mensen om wie het gaat. Dit plan kan door de gemeente of door middel van een samenwerking tussen gemeente en de participanten worden gemaakt. Het participatieplan kan onderdeel uitmaken van een projectplan, voordracht of beleidsstuk, maar kan ook een losstaand document zijn. Uitgangspunt van dit plan is dat het na vaststelling door het college, wordt gedeeld met de gemeenteraad.
Onder ‘e’ staan enkele gradaties van invloed, zoals raadplegen, adviseren, coproductie, meebeslissen of faciliteren. Deze gradaties zijn gebaseerd op de participatieladder, die in verschillende vormen kan worden gebruikt om na te denken over de ruimte voor invloed die inwoners hebben en wat de gevolgen daarvan zijn.
Lid 3: informeren van de gemeenteraad
Om de gemeenteraad hun taak als volksvertegenwoordiger, maar ook de rol van controlerend orgaan goed uit te laten voeren, is het belangrijk dat zij worden meegenomen in besluiten rondom participatie. De manier waarop de gemeenteraad wordt meegenomen kan in de vorm van actieve informatie of als raadsbesluit, afhankelijk van welk bestuursorgaan beslisbevoegd is.
Lid 4: goede participatie volgens kinderen in Súdwest-Fryslân
Op grond van artikel 12 van het Kinderrechterverdrag hebben kinderen het recht om gehoord te worden over zaken die hen aangaan. Het is daarom belangrijk om kinderen en jongeren goed mee te nemen in het maken van beleid, plannen, projecten of programma’s die over hen gaan. De uitgangspunten onder lid 4 zijn bedacht door basisschoolleerlingen uit Súdwest-Fryslân die in 2025 meededen aan de kinderconferentie. De rode draad in dat advies is een helder proces en bovenal duidelijke communicatie. Wanneer iets niet kan, moet de gemeente dat zeggen en uitleggen waarom. De gemeente moet volgens hen ook zijn best doen om verschillende doelgroepen (waaronder jongeren) te bereiken op een manier die bij hen past.
Inspraak is een vorm van inwonersparticipatie. Een bestuursorgaan kan op grond van de verordening inspraak verlenen, ook als de wet daartoe niet verplicht. Inspraak kan eventueel naast een andere vorm van participatie plaatsvinden. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze afdeling is in beginsel van toepassing als inspraak wordt verleend. Het bestuursorgaan kan hier echter van afwijken en een andere inspraakprocedure vaststellen.
De procedure voorziet daartoe in de wijze waarop een bestuursorgaan ontwerpbesluiten ter inzage moet leggen, hoe belanghebbenden hierop kunnen reageren en hoe bestuursorganen met deze reacties moeten omgaan. Zo moeten belanghebbenden zowel schriftelijk als mondeling kunnen reageren en moet de termijn voor de reactie minimaal zes weken bedragen. Dit geldt dus ook als afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op inspraak wordt toegepast.
Artikel 6. Verslag inwonersparticipatie
Een veelgemaakte fout rondom inwonersparticipatie is dat er niet wordt gecommuniceerd over wat er is gedaan met de informatie die bij participanten wordt opgehaald.
Daarom moet het bestuursorgaan, op grond van dit artikel nadat de participatie heeft plaatsgevonden, een verslag opstellen. Dit verslag is vormvrij en kan worden opgenomen in een losstaand document, onderdeel zijn van een beleidsnota, projectplan, digitale omgeving, filmpje van een evaluatiebijeenkomst, voordracht of passage in een brief zijn. In dit artikel staat omschreven waar dat verslag ten minste aan dient te voldoen. Dit verslag wordt gedeeld met de participanten en wanneer mogelijk, samen met hen opgesteld.
Dit hoofdstuk gaat specifiek over de toepassing van het uitdaagrecht. Het tweede hoofdstuk bevat de bepalingen die gaan over inwonersparticipatie.
Artikel 7. Verzoek toepassing uitdaagrecht
Toepassing van het uitdaagrecht begint, ongeacht het bestuursorgaan dat bevoegd is, met een verzoek aan het college. De reden hiervoor is om het verzoek zo laagdrempelig mogelijk te maken. Het verzoek dient te voldoen aan de in dit artikel genoemde voorwaarden. Indien meer informatie nodig is om het plan te kunnen beoordelen dat kan het college deze informatie opvragen. Uitgangspunt van het uitdaagrecht is dat de gemeente open staat voor samenwerking met de aanvrager.
Artikel 8. Beoordeling verzoek toepassing uitdaagrecht
In dit artikel staan enkele gronden waarop een verzoek tot het uitdaagrecht kan worden afgewezen. In het artikel is ook een termijn opgenomen waarbinnen op het verzoek moet worden gereageerd. Het bestuursorgaan moet de reactie onderbouwen en openbaar maken.
Bij de toepassing van het uitdaagrecht worden aanbestedingsregels, het aanbestedingsbeleid van de gemeente en het aansprakelijkheidsrecht altijd nageleefd. Het uitdaagrecht overschrijft deze regels niet.
Voordat het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht wordt toegewezen, maakt het bestuursorgaan afspraken met de indiener over de uitvoering van de taak en ook welke stappen er volgen als de afspraken niet worden nagekomen. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een overeenkomst. Deze wordt dan samen met de initiatiefnemer opgesteld.
Artikel 10. Nadere regels college
Het college mag nadere regels vaststellen. Dat betekent dat het college bepaalde artikelen uit de verordening nader uit kan werken indien gewenst.
Om maatwerk te garanderen en onevenredig bezwarende uitkomsten van de toepassing van deze verordening te voorkomen, heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan moet wel onderbouwen waarom het afwijkt. In het geval het gaat om een bevoegdheid van de gemeenteraad zal het college aan de gemeenteraad moeten voorstellen om de hardheidsclausule toe te passen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-325853.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.