Gemeenteblad van Utrechtse Heuvelrug
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Utrechtse Heuvelrug | Gemeenteblad 2026, 324570 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Utrechtse Heuvelrug | Gemeenteblad 2026, 324570 | beleidsregel |
Instructie voor de leerplichtambtenaar gemeente Utrechtse Heuvelrug
Met deze ambtsinstructie voor de uitvoering van de Leerplichtwet legt de gemeente Utrechtse Heuvelrug de werkwijze vast voor leerplicht- en kwalificatieplichttaken. De instructie beschrijft de uitgangspunten, verantwoordelijkheden, bevoegdheden en werkprocessen die gelden voor alle leerplichtambtenaren in de gemeenten in regio Zuid Oost Utrecht (ZOU). Hiermee dragen wij bij aan de doelstelling om schoolaanwezigheid te stimuleren en jongeren te ondersteunen in hun recht op onderwijs en ontwikkeling. De uniformiteit en samenwerking tussen de gemeenten maakt het mogelijk om kennis en expertise te bundelen, regionale ontwikkelingen op te vangen en te zorgen voor gelijke behandeling van kinderen, jongeren, ouders/verzorgers, scholen en ketenpartners binnen het werkgebied. Deze ambtsinstructie vormt daarmee een gezamenlijk referentiekader voor leerplichtambtenaren en andere betrokken professionals.
Bij de herziening van deze instructie is ervoor gekozen de functie van het Doorstroompunt niet langer in de ambtsinstructie op te nemen. Een gecombineerde instructie voor beide domeinen doet onvoldoende recht aan de inhoud en doelstelling van het Doorstroompunt, terwijl het tevens afbreuk doet aan de focus, helderheid en wettelijke grondslag van de leerplichtfunctie. Daarom is besloten de ambtsinstructie nadrukkelijk als een zelfstandige leerplichtinstructie te positioneren. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is het karakter van een ambtsinstructie. Deze regelt hoe een ambtenaar zijn wettelijke taken en bevoegdheden uitoefent. Voor de leerplichtambtenaar is dit logisch en verplicht, gezien de formele bevoegdheden die direct uit de Leerplichtwet voortvloeien. Voor het Doorstroompunt geldt geen wettelijke instructieplicht en beschikt de functie evenmin over vergelijkbare formele bevoegdheden. De taken van het Doorstroompunt beginnen bovendien pas wanneer een jongere niet langer leerplichtig is, wat opname in dezelfde ambtsinstructie minder passend en potentieel verwarrend maakt.
De Wet van school naar duurzaam werk schrijft expliciet voor dat Doorstroompunten zélf beleid vaststellen over de uitvoering van hun taken. Dit volgt in het najaar van 2026. Gezien de doorlopende leerlijn en de gezamenlijke verantwoordelijkheid om voortijdig schoolverlaten terug te dringen, blijft nauwe afstemming tussen leerplicht en Doorstroompunt noodzakelijk en dit blijft een belangrijk onderdeel van de regionale samenwerking.
Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Utrechtse Heuvelrug;
vast te stellen de Instructie voor leerplichtambtenaar van gemeente Utrechtse Heuvelrug, luidende als volgt.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3 Leerlingenadministratie en absoluut verzuim
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 19 van de wet en artikel 3 van de Leerplichtregeling 1995.
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16 van de wet, in samenhang met de artikelen 2, 4a, 5 en 11 van die wet, en wordt toegepast met inachtneming van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de Wet politiegegevens.
Artikel 5 Verlof wegens andere gewichtige omstandigheden
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 11, onderdeel g, en artikel 14, derde lid, van de wet en wordt toegepast met inachtneming van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 6 Behandeling melding relatief verzuim
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 2, eerste en derde lid, 4a, 21a, en 22, van de wet.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 7 Onderzoek naar absoluut verzuim
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 2, eerste lid, artikel 3 van de wet en wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 4a en 4b van die wet.
Artikel 7a Melding mbo-leerling zonder startkwalificatie
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 4a van de wet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 9.2.5 en 9.2.12 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 8 Kennisgeving in- en uitschrijvingen en (dreigend) voortijdig schoolverlaten
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 18, eerste lid van de wet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 2, eerste lid, en artikel 4a van die wet.
Artikel 9 Vervangende leerplicht
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 3a en 3b van de wet en artikel 5 van de Leerplichtregeling 1995.
Artikel 10 Vrijstelling van leerplicht wegens het volgen van ander onderwijs
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 15 van de wet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 4a van die wet.
|
|
|
|
Artikel 11 Vrijstelling van de inschrijfplicht
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 5, 6, 7, 8 en 9 van de wet en artikel 5 van de Leerplichtregeling 1995.
Artikel 12 Vaststelling of een onderwijsvoorziening als school in de zin van de Leerplichtwet kan worden aangemerkt
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 1, onderdeel b, 1a, 1a1 en 22, vierde lid, van de wet.
Artikel 13 Aanwijziging deskundige
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 7 van de wet.
Artikel 14 Melding aan de Raad voor de Kinderbescherming
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 22, vijfde lid, van de wet en artikel 494 van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 15 Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16, vierde lid, onderdeel e, van de wet.
|
De leerplichtambtenaar past bij signalen of vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toe. Daarbij wordt gewerkt volgens de vijf stappen van de meldcode zoals vastgelegd in het geldende afwegingskader voor onderwijs, leerplicht en het Doorstroompunt.6 |
Artikel 16 Melding aan Veilig Thuis
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 5.2.6 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Artikel 17 Melding aan Sociale Verzekeringsbank (SVB)
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 2, eerste lid, van de wet.
Artikel 18 Melding aan de Inspectie van Onderwijs
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16a van de wet.
Artikel 19 Jaarverslag Leerplicht
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 25 van de wet.
Artikel 20 Samenwerking in de regio inzake leerplicht
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16, vierde lid, onderdeel c, van de wet.
Artikel 21 Regionaal programma ter voorkoming van voortijdig schoolverlaten
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16 van de wet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 8.27 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, 162c1 van de Wet op de Expertisecentra en 9.2.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 22 Samenwerking met diensten en instellingen
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16, vierde lid, onderdeel d, van de wet.
Artikel 23 Beleidsontwikkeling
Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 25 van de wet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 9.2.12 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Bijlage 1: Diensten en instellingen waarmee wordt samengewerkt7
De leerplichtambtenaar voert, zo vaak als dit nodig is voor de uitoefening van zijn taak noodzakelijk is, overleg met de volgende diensten en instellingen:
Rijksoverheid en landelijke uitvoeringsorganisaties
Gemeenten en regionale partners
Zorg- en hulpverleningsinstellingen
De leerplichtambtenaar raadpleegt zo nodig de sociale kaart van de gemeente.
Toelichting op de instructie voor de leerplichtambtenaar
1. Toelichting op de instructie
Op grond van artikel 16, vierde lid, van de Leerplichtwet is het college gehouden een instructie vast te stellen voor de leerplichtambtenaar. In deze instructie wordt vastgelegd op welke wijze de aan de gemeente opgedragen wettelijke taken worden uitgevoerd. Tevens wordt aangegeven op welke manier overleg plaatsvindt met leerplichtambtenaren uit omliggende gemeenten en met welke instanties samenwerking noodzakelijk is voor een effectieve uitvoering van de leerplichttaken. Deze instructie draagt eraan bij dat de uitvoering van de leerplicht het karakter behoudt van een vorm van maatschappelijke zorg en handhaven alleen gebeurt waar dat echt nodig is.
De instructie is opgesteld om de gewenste werkwijze bij het toezicht op de naleving van de leerplicht en de uitvoering van het verplichte beleid rondom voortijdig schoolverlaten zo helder mogelijk vast te leggen. De instructie dient daarom steeds in samenhang te worden gelezen met de relevante wetgeving. Naast de Leerplichtwet en de onderwijswetten betreft dit onder meer de Awb, het Wetboek van Strafrecht, de AVG de Wpg. Ook de MAS is een leidend document dat gelijktijdig met deze instructie moet worden toegepast.
In deze instructie wordt uitgegaan van de situatie waarin de leerplichtambtenaar beschikt over de benodigde bevoegdheden als buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA). Als de leerplichtambtenaar niet over deze bevoegdheden beschikt, dan werkt hij samen met een leerplichtambtenaar uit de gemeente of regio volgens de Samenwerkingsovereenkomst boa Domein III regio ZOU wanneer dit nodig is.
De leerplichtambtenaar als toezichthouder
Artikel 16, eerste lid, van de Leerplichtwet bepaalt: “Het toezicht op de naleving van deze wet anders dan door de hoofden is opgedragen aan burgemeester en wethouders. Zij wijzen daartoe een of meerdere ambtenaren aan.” Het tweede lid bepaalt dat deze ambtenaren voorafgaand aan de functievervulling de wettelijk vastgestelde eed of belofte afleggen. De formulering daarvan is opgenomen in artikel 9 van de Leerplichtregeling 1995. Door deze aanwijzing is de leerplichtambtenaar een toezichthouder in de zin van artikel 5:11 van de Awb: “een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.”
De Awb kent specifieke bepalingen toe aan toezichthouders. Voor de leerplichtambtenaar gaat het om onder andere de volgende bevoegdheden:
Leeswijzer: de nummering van de artikelen in deze instructie komen niet overeen met de artikelen in de Leerplichtwet. Bij ieder artikel is daarom aangegeven met welke wettelijke bepalingen het artikel samenhangt, zodat de instructie in de juiste juridische context kan worden geplaatst.
2.1 Toelichting artikel 1 (Begripsbepaling)
In dit artikel zijn enkele begrippen opgenomen die niet letterlijk in de Leerplichtwet zijn gedefinieerd, maar binnen de uitvoering van de leerplichttaak noodzakelijk zijn voor een eenduidige interpretatie.
2.2 Toelichting artikel 2 (Preventie)
Voorkomen is beter dan genezen. Daarom zijn in dit artikel een aantal proactieve informatie-instrumenten genoemd. In lid 4 en lid 5 wordt ingegaan op de afstemming tussen de diverse disciplines. Vooral de ketenpartners spelen bij de preventie een belangrijke rol. Met de invoering van de MAS in 2017 (en geactualiseerd in maart 2025) geldt het principe pas toe of leg uit. De MAS vormt het uitgangspunt voor de aanpak van schoolverzuim.
2.3 Toelichting artikel 3 (Leerlingenadministratie en absoluut verzuim)
Artikel 3, lid 2: Er is gekozen voor een systeem waarbij alle jongeren waarmee de leerplichtambtenaar in een schooljaar te maken kan krijgen, vanaf het begin van het schooljaar in de leerlingenadministratie worden opgenomen. Dat geldt ook voor 5-jarigen, omdat deze kinderen gedurende het schooljaar vier worden en voor het eerst bij een school worden ingeschreven. Hiermee worden kinderen die (nog) niet worden ingeschreven tijdig in beeld gebracht. De administratie omvat alle jongeren tot en met 17 jaar of zonder startkwalificatie. Indien bekend is dat een jongere reeds een startkwalificatie heeft behaald, wordt een passende aantekening gemaakt.
Artikel 3, lid 3: Om te voorkomen dat jongeren door verhuizingen tussen wal en schip raken, is een sluitend en actueel systeem van tussentijdse mutaties noodzakelijk. Mutaties uit de BRP worden zo snel als mogelijk verwerkt, zodat nieuwe inschrijvingen, uitschrijvingen en verhuizingen steeds actueel zijn. Indien een school een mutatiebericht inzake in- of uitschrijving verzendt, kan door de leerplichtambtenaar of administratief medewerker tevens worden gecontroleerd of een verhuizing correct is doorgegeven. Op grond van artikel 4 en 5 van de Regeling Register Onderwijsdeelnemers melden scholen in- en uitschrijvingen binnen zeven dagen.
Artikel 3, lid 6: Onder scholen en instellingen worden alle onderwijsinstellingen verstaan waar jongeren uit de gemeente staan ingeschreven, zowel binnen als buiten de gemeente. De genoemde termijn van tien werkdagen betreft een termijn van orde (geen wettelijke basis). Bij verwijtbaar in gebreke blijven van een school of instelling, spreekt de leerplichtambtenaar de directeur aan en wordt hiervan een dossier opgebouwd. Indien de situatie niet verbetert, kan de leerplichtambtenaar hiervan melding doen bij de Inspectie van het Onderwijs (zie artikel 19 van de instructie). De strafbaarheid van de directeur van de school of instelling op dit punt is opgenomen in artikel 27 van de Leerplichtwet.
Wanneer ouders of de laatst bekende school melden dat wél sprake is van een geldige inschrijving, ligt het voor de hand deze informatie actief te controleren.
Indien binnen de gestelde reactietermijn geen antwoord wordt ontvangen, kan een tweede bericht worden verstuurd om ouders nogmaals gelegenheid te bieden te reageren. Indien daarna nog steeds geen geldige inschrijving kan worden vastgesteld, wordt de procedure voortgezet conform de stappen van absoluut verzuim.
Artikel 3, lid 7: De procedures bij in- en uitschrijving voor scholen moeten op elkaar worden afgestemd. In het primair onderwijs wordt een leerling ingeschreven op de eerste dag waarop hij of zij de school daadwerkelijk bezoekt en uitgeschreven op de laatste dag van feitelijke aanwezigheid, waarbij scholen de mogelijkheid hebben om binnen vier weken na uitschrijving de gegevens onderling af te stemmen (artikel 10 Besluit bekostiging WPO 2022. Voor het voortgezet onderwijs geldt dat een leerling meetelt wanneer hij of zij niet alleen staat ingeschreven, maar ook daadwerkelijk onderwijs volgt en niet meer dan 50% zonder geldige reden afwezig is geweest in de periode van de start van het schooljaar tot 1 oktober. Vanuit leerplichtperspectief (artikel 10 Leerplichtwet) mag de oude school pas tot uitschrijving overgaan zodra een nieuwe school is gevonden. In dit artikellid is aangegeven dat de leerplichtambtenaar of de administratief medewerker hier controle uitoefent en waar nodig in administratieve zin bemiddelend optreedt.
Artikel 3, lid 8: De Leerplichtregeling 1995 bepaalt dat de administratieve gegevens van een jongere aan de nieuwe woongemeente worden verstrekt (artikel 3, tweede lid). Dit betekent nadrukkelijk niet dat automatisch het gehele leerlingendossier wordt verzonden. Een warme overdracht tussen leerplichtambtenaren van beide gemeenten is wenselijk om relevante informatie zorgvuldig te delen. Gegevens die normaliter wél worden overgedragen, zijn strafrechtelijke veroordelingen (vanwege mogelijke recidive), recente meldingen van verzuim en verleende vrijstellingen die relevant kunnen zijn bij nieuwe meldingen.
2.4 Toelichting artikel 4 (Leerlingendossier)
Uitgangspunt is dat voor iedere leerling een afzonderlijk dossier wordt aangelegd zodra er sprake is van een vrijstelling of ongeoorloofd schoolverzuim. Voor het merendeel van de leerlingen wordt nooit een dergelijk dossier geopend en staan zij uitsluitend in de leerlingenadministratie geregistreerd ten behoeve van de controle op schoolinschrijvingen.
Het leerlingendossier bevat gegevens die onder een verzwaard beschermingsregime vallen. Het gebruik van deze gegevens wordt begrensd door de AVG en de Wpg. De kern van deze regelgeving bestaat uit de volgende beginselen:
Het servicedocument Delen van persoonsgegevens van onderwijs en zorg met arbeid biedt, via het Stappenplan informatie delen, een handvat voor de afweging of persoonsgegevens over een jongere mogen worden gedeeld en laat de toepasselijke kaders van de AVG en Wpg onverlet.
Met ingang van 1 januari 2019 is de Wpg volledig van toepassing. Dit heeft gevolgen voor de wijze waarop politiegegevens worden verwerkt en verantwoord. De Wpg is specifieker en strenger dan de AVG: politiegegevens hebben eigen bewaartermijnen, mogen voor andere doelen worden verwerkt en mogen worden verzameld zonder toestemming van de betrokkene. Organisaties moeten bovendien technische en organisatorische maatregelen treffen, zoals het labelen van politiegegevens en het beperken van toegang tot medewerkers met een opsporingsbevoegdheid.
Grofweg geldt het volgende onderscheid:
2.5 Toelichting artikel 5 (Verlof wegens andere gewichtige omstandigheden)
Artikel 5 regelt de bevoegdheid van de leerplichtambtenaar om een besluit te nemen op aanvragen voor extra verlof wegens andere gewichtige omstandigheden wanneer deze betrekking hebben op een periode van meer dan tien schooldagen per schooljaar. Deze bevoegdheid is geattribueerd, wat betekent dat de wet deze rechtstreeks aan de leerplichtambtenaar toekent. De leerplichtambtenaar is in deze gevallen zelf bestuursorgaan in de zin van de Awb. Bij bezwaar beslist de leerplichtambtenaar daarom zelf op het bezwaar, na advies van de gemeentelijke bezwarencommissie. Het aantal van tien schooldagen kan worden bereikt door één aanvraag, maar ook door meerdere opeenvolgende aanvragen die gezamenlijk tot dit totaal leiden.
Artikel 5, lid 1: Voor het nemen van een besluit op een aanvraag kan geen vaste beslistermijn worden vastgesteld. De aard van de andere gewichtige omstandigheden kan met zich meebrengen dat een besluit zeer snel moet worden genomen. In andere gevallen is meer tijd nodig voor een zorgvuldige beoordeling. Op grond van artikel 4:13 lid 2 Awb geldt een redelijke termijn van maximaal acht weken. Indien binnen deze termijn geen besluit wordt genomen, kan de aanvrager een ingebrekestelling indienen, waarna een dwangsom kan ontstaan indien alsnog geen tijdig besluit volgt.8 Indien de betrokkenen zouden vertrekken voordat het besluit is genomen, dan moet de aanvraag wel verder behandeld worden, maar dient aan de ouders duidelijk gemaakt te worden dat de consequenties voor hun rekening zijn.
Artikel 5, lid 2: Op grond van artikel 4:5 Awb kan de leerplichtambtenaar een aanvraag die niet volledig is, buiten behandeling laten. Daaraan moet wel een hersteltermijn voorafgaan van ten minste één en ten hoogste drie weken.
Artikel 5, lid 3 onder a: Het is mogelijk gebruik te maken van een aanvraagformulier waarop zowel de ouders als de directeur hun toelichting kunnen geven.
Artikel 5, lid 3 onder c: Wanneer oudere leerlingen zijn betrokken, kan het wenselijk zijn om de jongere zelf te horen, mede in het kader van hun toenemende zelfstandige rol.
Artikel 5, lid 3 onder d: Indien een andere belanghebbende, bijvoorbeeld een andere ouder, naar verwachting bezwaren zal uiten, kan deze worden gehoord. Dit volgt uit artikel 4:8 Awb.
Artikel 5, lid 3 onder e: In dit onderdeel is verduidelijkt dat vooraf helder moet zijn waar zienswijzen kunnen worden gegeven. Dit voorkomt misverstanden. Hoewel gesprekken meestal op kantoor plaatsvinden, kan het soms efficiënter zijn een gesprek op school te plannen. De leerplichtambtenaar waarborgt daarbij steeds zijn eigen veiligheid, mede gezien de gevoeligheid van dit type besluiten.
Artikel 5, lid 5: Artikel 11, onderdeel g, van de Leerplichtwet biedt de mogelijkheid om extra verlof te verlenen wegens andere gewichtige omstandigheden. Artikel 14 van de Leerplichtwet werkt deze bevoegdheid verder uit. Het gaat om uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden die buiten de wil of invloedssfeer van ouders of leerling liggen, zoals medische of sociale indicaties.9 In die gevallen is een verklaring van een (jeugd)arts van de GGD of een sociale instantie vereist.
Artikel 5, lid 6: Voor aanvragen tot ten hoogste tien schooldagen ligt de bevoegdheid bij de directeur van de school of instelling. De leerplichtambtenaar kan adviseren, mede met het oog op rechtsgelijkheid tussen scholen. Hierbij worden doorgaans de volgende richtlijnen gehanteerd:10
|
Wettelijke verplichtingen die niet buiten schooltijd kunnen plaatsvinden: |
|
|
|
|
Ernstige levensbedreigende ziekte van bloed- of aanverwanten t/m 3e graad: |
|
|
|
Algemene voorwaarden bij besluitvorming:
Situaties waarin geen verlof wordt verleend:
Artikel 5, lid 7: Dit lid ziet op de bevoegdheid van directeuren. Met het oog op rechtsgelijkheid van ouders is het van belang om tot afstemming van het gebruik van deze bevoegdheid te komen. Op basis van een advies kunnen de directeuren elk hun eigen beleidsregels vaststellen voor toepassing van artikel 11 onder g van de Leerplichtwet (verlof wegens andere gewichtige omstandigheden voor ten hoogste 10 schooldagen).
Artikel 5, lid 8: Bij een ingediend bezwaar wint de leerplichtambtenaar advies in van de bezwaarschriftencommissie om te komen tot een zorgvuldig en evenwichtig besluit.
2.6 Toelichting artikel 6 (Behandeling melding relatief verzuim)
Artikel 6 beschrijft de werkwijze van de leerplichtambtenaar bij de behandeling van meldingen van relatief verzuim. Relatief verzuim betekent dat een leerling, na inschrijving, de school niet geregeld bezoekt. Voor leerplichtige jongeren volgt dit uit artikel 2, eerste en derde lid, van de Leerplichtwet. Voor kwalificatieplichtige jongeren volgt dit uit artikel 4a en 4c, eerste lid, van de Leerplichtwet, waarin is bepaald dat een jongere het volledige onderwijsprogramma of een combinatie van leren en werken moet volgen die een volledige school- of werkweek vult.
De wettelijke meldplicht voor scholen is uitgewerkt in artikel 21a van de Leerplichtwet: wanneer zonder geldige reden gedurende vier opeenvolgende lesweken minimaal zestien uur les- of praktijktijd wordt verzuimd, moet het hoofd van de school hiervan melding doen via het ROD van DUO. Voor het mbo en de BBL-opleiding geldt daarbij dat alleen lestijd meetelt. Voor de BOL-opleiding geldt dat stage ook als lestijd meetelt. Artikel 22 van de Leerplichtwet verplicht vervolgens dat de leerplichtambtenaar ‘vanwege burgemeester en wethouders’ een onderzoek instelt naar aanleiding van deze melding.
De instructie beschrijft de stappen die de leerplichtambtenaar doorgaans volgt bij dit onderzoek. De praktijk kent echter veel variatie. Daarom blijft afwijking van deze werkwijze mogelijk, mits de leerplichtambtenaar deze afwijking zorgvuldig motiveert en vastlegt in het leerlingendossier.
Artikel 6, lid 2: De leerplichtambtenaar moet alle betrokkenen informeren over de procedure van het onderzoek en over de mogelijke consequenties van hun gedrag.
Artikel 6, lid 2, onder h: De leerplichtambtenaar kan ook via andere wegen dan het ROD op de hoogte raken van relatief verzuim, bijvoorbeeld via signalen van ketenpartners, zorginstanties of observaties in het veld. Dit artikellid beschrijft welke stappen de leerplichtambtenaar dan moet zetten. Lid 9 bevat de mogelijke maatregelen wanneer blijkt dat een school herhaaldelijk en verwijtbaar geen melding doet van verzuim dat wel meldingsplichtig is.
In artikel 6, lid 5: De formulering van dit lid sluit aan bij de redelijke praktijk zoals bedoeld in artikel 22 van de Leerplichtwet. Hoewel de wet stelt dat bij verwijtbaar verzuim ‘proces-verbaal wordt gezonden’, geeft de instructie ruimte voor een schriftelijke waarschuwing in gevallen waarin:
In dergelijke situaties kan met een serieuze waarschuwing vaak al het beoogde effect bereikt worden.
Artikel 6, lid 6: Wanneer sprake is van verwijtbaar in gebreke blijven van ouders of van een jongere van zestien jaar of ouder, kan de leerplichtambtenaar een melding doen aan de SVB. Deze melding kan ertoe leiden dat de kinderbijslag wordt stopgezet.
Artikel 6, lid 7: Wanneer sprake is van verwijtbaar in gebreke blijven (zonder verdere problematiek) van de kant van een jongere van 12 tot 18 jaar, dan dient daartegen te worden opgetreden. Dat kan door het opmaken van een Halt-verwijzing door een leerplichtambtenaar met BOA-bevoegdheid. De jongere en de ouders (bij een jongere tot 16 jaar) dienen voor deze verwijzing toestemming te verlenen. Het betreft hier minder zware problematiek. De jongere voorkomt op deze wijze aan een strafblad na zijn 18de verjaardag, wanneer de Haltstraf positief wordt afgerond.
Artikel 6, lid 8: Indien een opgelegde Halt-interventie niet naar behoren wordt uitgevoerd, of wanneer sprake is van verwijtbaar gedrag van ouders of jongeren vanaf twaalf jaar, kan de leerplichtambtenaar alsnog een proces-verbaal opmaken. Bij een mislukte Halt-interventie vindt overleg met het Openbaar Ministerie plaats voordat tot proces-verbaal wordt overgegaan.
Artikel 6, lid 11: De leerplichtambtenaar kan zowel in individuele gevallen als in algemene zin advies geven aan directeuren over het verzuimbeleid. Dit sluit aan bij artikel 21a, van de Leerplichtwet, waarin de grondslagen voor meldplicht zijn vastgelegd. Eerdere melding dan wettelijk verplicht is kan wenselijk zijn. Denk aan onduidelijke redenen voor afwezigheid zoals: (vage) ziekmelding, bepaalde verzuimpatronen bij jongeren of een situatie waarbij twijfel bestaat aan de effectiviteit van het beleid van de school.
Artikel 6, lid 12: Relatief verzuim is ongeoorloofd verzuim waarbij een leerling wel staat ingeschreven op een school, maar zonder geldige reden afwezig is tijdens les- of praktijktijd. Luxe verzuim is een vorm van relatief verzuim waarbij een leerling zonder toegekend verlof buiten de schoolvakanties op vakantie is gegaan. Luxe verzuim wordt zwaar gewogen. Conform de MAS kan een proces-verbaal worden opgemaakt bij verzuim van één dag of langer, of recidive, ongeacht de duur van het verzuim.
2.7 Toelichting artikel 7 (Onderzoek naar absoluut verzuim)
Artikel 7 beschrijft de werkwijze van de leerplichtambtenaar wanneer sprake is van absoluut verzuim. Absoluut verzuim houdt in dat een jongere niet staat ingeschreven bij een school of instelling, in strijd met de bepalingen van de Leerplichtwet. Dit volgt uit artikel 2, eerste lid, voor leerplichtige jongeren.
Ten aanzien van de kwalificatieplicht geldt hetzelfde uitgangspunt, namelijk dat een jongere zonder startkwalificatie moet zijn ingeschreven als leerling bij een school of instelling, overeenkomstig artikel 4a in verbinding met artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet.
Voor de behandeling van absoluut verzuim wordt in hoofdzaak aangesloten bij de werkwijze die in artikel 6 al is beschreven. Artikel 3 vormt daarbij de kapstok voor het ontdekken van mogelijke gevallen van absoluut verzuim: regelmatige en systematische controle van de leerlingenadministratie, in het bijzonder bij tussentijdse mutaties.
Het tweede lid van dit artikel sluit daarop aan door te bepalen dat eerst een administratieve controle moet plaatsvinden voordat ouders en/of jongere worden benaderd. Dit voorkomt dat ten onrechte wordt geconcludeerd dat sprake is van absoluut verzuim.
2.8 Toelichting artikel 8 (Kennisgeving in- en uitschrijvingen en (dreigend) voortijdig schoolverlaten)
In artikel 8 worden zowel kennisgevingen van in- en uitschrijvingen als meldingen van (dreigend) voortijdig schoolverlaten samengenomen. In beide situaties gaat het in essentie om omstandigheden waarbij de jongere (dreigt) buiten het onderwijs te komen te staan.
Wanneer sprake is van verwijdering van een leerling, dan behoort de Inspectie van het Onderwijs te worden geraadpleegd indien het een leerplichtige leerling betreft. Het is wenselijk dat de leerplichtambtenaar in zulke gevallen eveneens contact opneemt met de Inspectie om achtergrondinformatie te verkrijgen of om de Inspectie op de hoogte te stellen wanneer de school deze melding, ten onrechte, nog niet heeft gedaan.
Het bevoegd gezag van scholen voor voortgezet onderwijs, primair onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs kan een leerling schorsen (maximaal één week) of definitief verwijderen. Definitieve verwijdering kan alleen:
Voor het mbo geldt hiervoor een inspanningsverplichting van acht weken, evenals voor het speciaal onderwijs cluster 1 en 2.
Voor het mbo geldt dat een besluit tot schorsing maximaal twee weken mag duren en schriftelijk bekendgemaakt wordt aan de leerling en, indien de leerling nog geen achttien jaar is, aan de ouders/verzorgers. Bij schorsing of definitieve verwijdering in het mbo hoeft het bevoegd gezag de Inspectie niet op de hoogte te stellen.
2.9 Toelichting artikel 9 (Vervangende leerplicht)
Besluiten krachtens dit artikel kunnen worden gemandateerd aan de leerplichtambtenaar.
In de instructie is uitgegaan van een dergelijke mandaatverlening. De regeling betreft jongeren van 14 en 15 jaar voor wie vervangende leerplicht kan worden toegepast, omdat zij in het algemeen nog niet kunnen instromen in een Beroeps Begeleidende Leerweg (BBL) traject vanwege hun leeftijd. De wet gaat uit van een door de ouders ingediende en ondertekende aanvraag en van een plan van aanpak dat is opgesteld door:
In de praktijk zal de aanvraag meestal door de school worden voorbereid, in goed overleg met de leerplichtambtenaar en bijvoorbeeld het ZAT. In het derde en vierde lid van het artikel is de werkwijze beschreven die aansluit bij deze praktijk en tegelijkertijd voldoet aan de wettelijke bepalingen.
De oudere leerplichtige die gebruikmaakt van artikel 3b van de Leerplichtwet, mag arbeid verrichten.
2.10 Toelichting 10 (Vrijstelling van leerplicht wegens het volgen van ander onderwijs)
In de tekst is een aanwijzing opgenomen voor de criteria die de leerplichtambtenaar toepast bij de beoordeling van het ‘andere onderwijs’ waarvoor vrijstelling wordt gevraagd. Bij deze toetsing let de leerplichtambtenaar er in het bijzonder op of de jongere wordt toegeleid, dan wel kan worden toegeleid, tot het behalen van een startkwalificatie of een ander passende uitstroomperspectief.
Een startkwalificatie houdt in:
De procedure voor leerplichtigen die in dienst zijn bij Defensie staat beschreven in artikel 11 vanaf het derde lid. Een deel van het bij Defensie werkzame personeel bestaat uit 17-jarige jongeren, van wie een groot deel de school heeft verlaten zonder startkwalificatie. Om deze jongeren toch in beeld te houden, en om te kunnen volgen of zij alsnog een startkwalificatie behalen of voortijdig uitvallen voordat zij de leeftijd van achttien jaar bereiken, is in samenspraak tussen het Ministerie van OCW, het Ministerie van Defensie en Ingrado een procedure ontwikkeld om deze jongeren te blijven monitoren.
Artikel 10, lid 2, onder b: met dit criterium wordt bedoeld dat wordt beoordeeld of de feitelijke tijd die aan het onderwijs wordt besteed in een logische en evenwichtige verhouding staat tot wat als de omvang en intensiteit van dat onderwijs wordt gepresenteerd.
2.11 Toelichting 11 (Vrijstelling van de inschrijfplicht)
Artikel 11, lid 2: Voor de aanwijzing van een deskundige wordt verwezen naar artikel 13.
Artikel 11, lid 4: Dit onderdeel van de instructie geeft de leerplichtambtenaar de opdracht om een werkbare informatieplicht te treffen, zodat kan worden nagegaan of de leerplichtige na terugkeer in Nederland daadwerkelijk onderwijs in het buitenland heeft gevolgd. Bij toepassing van dit artikel geldt als voorwaarde dat de leerplichtige vier maanden per kalenderjaar in Nederland verblijft.
Wanneer voor de tweede keer een beroep op deze vrijstelling wordt gedaan en de leerling niet dagelijks heen en weer reist tussen de school in het buitenland en de woonplaats, mag een signaal bij Burgerzaken worden afgegeven om te laten onderzoeken of de leerling nog voldoende in Nederland verblijft om hier ingeschreven te blijven staan.
2.12 Toelichting artikel 12 (Vaststelling of een onderwijsvoorziening als school in de zin van de Leerplichtwet kan worden aangemerkt)
Artikel 12 geeft in enkele stappen aan wat de gemeente, respectievelijk de leerplichtambtenaar, te doen staat wanneer ouders hun kind gebruik laten maken van een onderwijsvoorziening die (nog) niet als school in de zin van de Leerplichtwet is aangemerkt.
2.13 Toelichting artikel 13 (Aanwijzing deskundige)
In dit artikel wordt uitgegaan van het maken van ad hoc of structurele afspraken met bijvoorbeeld een schoolarts of een aan de schoolbegeleidingsdienst verbonden psycholoog of pedagoog over het verstrekken van een verklaring of een jongere in staat is om op een school of onderwijsvoorziening te worden ingeschreven. Met toestemming kan er in samenspraak met het samenwerkingsverband worden bekeken of er alsnog mogelijkheden zijn om passend onderwijs te bieden.
2.14 Toelichting artikel 14 (Melding aan de Raad voor de Kinderbescherming)
Deze instructie sluit aan bij de meldplicht uit de Leerplichtwet en ziet in het bijzonder op de zogenoemde strafrechtelijke melding. Daarnaast is het mogelijk om de RvdK te consulteren over de meest aangewezen route: vrijwillige hulpverlening, een civielrechtelijk traject of een strafrechtelijke aanpak van het schoolverzuim.
2.15 Toelichting artikel 15 (Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling)
Op 1 juli 2013 is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling vastgesteld. Vanaf 1 januari 2019 is er een verplicht afwegingskader11 in stap 5 van de meldcode opgenomen. Deze meldcode geld ook voor de leerplichtambtenaren. Werken volgens de meldcode is geen wettelijke verplichting. De meldcode op zich is een meldrecht en geen meldplicht.
2.16 Toelichting artikel 16 (Melding aan Veilig Thuis)
Deze bepaling biedt de leerplichtambtenaar expliciet de mogelijkheid om, indien hij dit wenselijk acht, contact op te nemen met Veilig Thuis. Het betreft hierbij de zogenoemde civiele melding.
2.17 Toelichting artikel 17 (Melding aan de Sociale Verzekeringsbank)
Indien er sprake is van ernstig schoolverzuim (16 uur ongeoorloofd verzuim in een periode van 4 weken) heeft de leerplichtambtenaar de mogelijkheid om een melding te doen bij de SVB met de mededeling dat de Leerplichtwet niet wordt nageleefd. Deze melding kan voor de SVB, uitvoerder van de AKW, aanleiding zijn de kinderbijslag voor het betreffende kind stop te zetten. Immers de AKW stelt eisen aan de dagbesteding van kinderen van 16 en 17 jaar. Dezelfde regels gelden voor wezen van 16 en 17 jaar. Voor wezen is wel een overgangsregeling opgenomen.
Het doen van een melding aan de SVB moet gezien worden als een extra instrument dat ingezet kan worden door de leerplichtambtenaar om het verzuim van een 16- of 17-jarige leerplichtige te laten eindigen. In bepaalde situaties kan er een melding bij de SVB plaatsvinden alvorens er een proces-verbaal wordt opgemaakt. Er zijn ook situaties denkbaar waarbij de melding aan het SVB en het opmaken van een proces-verbaal gelijktijdig plaatsvindt.
Dit instrument kan een bijdrage leveren aan een vermindering van het aantal processen-verbaal. Het feit dat een gezin (tijdelijk) geen kinderbijslag ontvangt voor het kind dat de Leerplichtwet overtreedt, zal er aan bijdragen dat de druk op de jongere verhoogd wordt om zijn schoolverzuim te beëindigen. Hierdoor zal een proces-verbaal in een aantal zaken niet meer nodig zijn.
Het uiteindelijke doel is dat de jongere naar school gaat. Ouders en jongere kunnen het stopzetten van de kinderbijslag voorkomen door alsnog aan de verplichtingen van de Leerplichtwet te voldoen. Doordat de SVB altijd achteraf de kinderbijslag uitbetaalt (drie maanden na vaststelling van het recht op die kinderbijslag) is er ook in administratieve zin ruimte om het stopzetten van de kinderbijslag te voorkomen. Er is dus een herstelmogelijkheid. De strafrechtelijke route kent deze herstelmogelijkheid niet. Een proces-verbaal kan niet meer teruggetrokken worden door de leerplichtambtenaar, ook al gaat de jongere inmiddels weer naar school. De rechter bepaalt dan welke sanctie hij nodig acht.
Er moet bij melding aan de SVB onderscheid gemaakt worden tussen verwijtbaarheid van en medewerking door ouders:
Verwijtbaarheid: zodra een jongere niet op school is neemt de school contact op met de ouders om na te gaan wat de reden van afwezigheid is. Het is dan de verantwoordelijkheid van de ouders (en de jongere) om ervoor te zorgen dat, indien er sprake is van ongeoorloofd verzuim, dit eindigt. Indien ouders niets ondernemen, na de melding van school, dan zijn de ouders verwijtbaar. Ondernemen ouders na de melding van school, diverse acties om hun kind op school te krijgen, dan zijn de ouders niet verwijtbaar. De jongere kan in deze situatie wel verwijtbaar zijn, omdat hij of zij ondanks de inspanningen van de ouders, toch blijft verzuimen.
Medewerking: zodra de school de ouders heeft ingelicht over het verzuim van hun kind op school, is het de verantwoordelijkheid van de ouders om er voor te zorgen dat hun kind weer naar school gaat. Indien het verzuim blijft voortduren zal de school en/of leerplichtambtenaar met de ouders en de jongere afspraken gaan maken om het verzuim te laten eindigen. Als ouders en jongere zich aan de gemaakte afspraken houden dan werken zij mee om het verzuim te doen eindigen.
Melding aan de Sociale Verzekeringsbank
Een melding bij de SVB kan een geëigend middel zijn om te stimuleren dat het schoolverzuim eindigt. Dit is afhankelijk van de verwijtbaarheid van ouders en/of jongere bij het verzuim maar ook van de medewerking die gegeven wordt aan het stoppen van het verzuim.
Hieronder staan situaties beschreven waarin een melding bij de SVB kan worden gedaan:
Nadat de school het verzuim heeft opgemerkt en dit heeft gemeld aan de ouders, stopt het verzuim niet. Ouders en jongere zijn verwijtbaar aan het ontstaan of het voortbestaan van het schoolverzuim. Ouders en/of jongere geven aan te willen meewerken aan afspraken, maar komen deze uiteindelijk niet na.
Nadat de school het verzuim heeft opgemerkt en dit heeft gemeld aan de ouders, stopt het verzuim niet. Ouders zijn niet verwijtbaar aan het ontstaan of voortbestaan van het schoolverzuim, maar de jongere wel. Ouders willen meewerken aan afspraken, maar de jongere niet. In eerste instantie zal er zorg worden ingezet om het verzuim alsnog te doen eindigen. Heeft deze inzet geen effect dan kan alsnog een melding bij de SVB worden gedaan (reden om de melding te doen is om de via de ouders druk op de jongere uit te oefenen).
Er wordt dus geen melding bij de SVB gedaan als ouders en jongere niet verwijtbaar zijn aan het ontstaan of voortbestaan van het verzuim en meewerken aan de afspraken om het verzuim te doen eindigen. Denk hierbij aan een jongere die niet naar school gaat omdat hij op de wachtlijst voor een REC4 instelling is geplaatst, of een gediagnosticeerd depressieve jongere die daardoor niet in staat is om naar school te gaan. Uiteraard is het aanbieden van zorg in deze situatie wel aan de orde.
Als sprake is van ernstig schoolverzuim dat gevolgen moet hebben voor het kinderbijslagrecht, geeft de leerplichtambtenaar een signaal af aan de SVB. De SVB sluit aan bij het oordeel van de leerplichtambtenaar.
Indien er een melding wordt gedaan aan de SVB dan zet de leerplichtambtenaar de volgende afspraken op papier, welke naar ouders en jongere verstuurd worden:
Een melding doen aan de SVB is geen besluit in de zin van de Awb. De brief hoeft dus niet voorzien te worden van een bezwaar en beroepsprocedure.
Handelswijze Sociale Verzekeringsbank
De SVB stuurt na de melding van de leerplichtambtenaar een beschikking aan de ouder die bekend is als aanvrager van de kinderbijslag. De SVB stopt met betalen van de kinderbijslag per het kwartaal volgend op de datum van de melding door de leerplichtambtenaar.
Uiteraard kan een klant van de SVB het niet eens zijn met de maatregel, dan kan de klant bezwaar indienen bij de SVB. De leerplichtambtenaar die de melding heeft gedaan dat niet aan de vereisten in de Leerplichtwet wordt voldaan, kan in de bezwaarprocedure worden gevraagd schriftelijke informatie te leveren. Eventueel kan de ambtenaar worden gevraagd zelf aanwezig te zijn bij de hoorzitting.
De leerplichtambtenaar neemt contact op met de SVB om de melding ongedaan te maken als ouders en of jongere voldaan hebben aan de gestelde voorwaarden en het verzuim is geëindigd. Deze ongedaan making wordt schriftelijk bevestigd aan de ouders en jongere.
2.18 Toelichting artikel 18 (Melding aan de Inspectie van het Onderwijs)
De minister van Onderwijs heeft de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen aan de directeur van een school of instelling. De bestuurlijke boete is een sanctiemaatregel en kan worden opgelegd in gevallen waar een school volhardend bepalingen overtreedt. De minister heeft de uitvoering bij de Inspectie van het Onderwijs neergelegd. Deze overtredingen kunnen gaan over:
Het in strijd handelen van de Leerplichtwet met betrekking tot:
Het verlenen van verlof voor andere gewichtige omstandigheden dat voor ten hoogste tien dagen per schooljaar verleend kan worden door de directeur. Indien verlof wordt gevraagd voor meer dan tien dagen per schooljaar, besluit de leerplichtambtenaar van de woongemeente van de jongere, de directeur gehoord.
Het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen:
Alle inlichtingen die deze in verband met de uitvoering van deze wet verlangen moeten aan de leerplichtambtenaar verstrekt worden. Doet een school dit niet of onvoldoende, dan meldt de leerplichtambtenaar dit bij de inspectie. Vervolgens neemt de inspectie dit signaal mee in haar regulier toezicht op de school. Bij urgente signalen neemt de inspectie direct contact op met de school. De inspectie kan de directeur van de school of instelling een bestuurlijke boete opleggen.
Wat betekent dit voor de leerplichtambtenaar?
Voor een eventuele signalering aan de Inspectie dienen eerst gesprekken ter verbetering van de situatie aan gegaan te worden. Deze stappen worden in een dossier vastgelegd. Dossiervorming is noodzakelijk voor een goede procesbegeleiding en de inhoud wordt bij signalering aan de Inspectie overgedragen.
De leerplichtambtenaar is veel in school aanwezig. Hij of zij mag enkel de administratie op aan/afwezigheid van leerlingen in te zien indien hij een vermoeden heeft van een strafbaar feit. Indien de leerplichtambtenaar waarneemt dat de school of instelling de Leerplichtwet niet naleeft, dan kan dit een reden zijn tot het geven van informatie en advies aan de school of instelling betreffende een goede uitvoering dan wel een verbetering van het verzuimbeleid van de school. Indien de school of instelling ondanks het advies van de leerplichtambtenaar de Leerplichtwet blijft overtreden dan is dat aanleiding voor een signaal naar de Inspectie van het Onderwijs. De wijze waarop de signalen aan de Inspectie van het Onderwijs worden gegeven zijn opgenomen in dit artikel van de instructie.
Elk van de twee toezichthouders (leerplichtambtenaar en Inspectie van het Onderwijs) heeft de bevoegdheden, die titel 5.2 van de Awb verleent aan degenen die als toezichthouder zijn aangewezen, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van de toezichttaak nodig is (5:13 Awb). Daartoe behoren het betreden van plaatsen en de inzage van gegevens en bescheiden. Uit dit systeem volgt dat de leerplichtambtenaar toegang heeft tot de school en inzage heeft in de administratie voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn eigen toezichttaak (dus jegens ouders en leerlingen) nodig is. De toezichttaak gericht tot scholen met bijbehorende bevoegdheden is bij de Inspectie van het Onderwijs belegd. De leerplichtambtenaar heeft wel een natuurlijke oog- en oorfunctie waar het gaat om het handelen van scholen in het kader van de Leerplichtwet de signaleringsrol.
Verstrekking van informatie aan andere overheidsorganen zoals de Inspectie van het Onderwijs, is toegestaan als gevolg van de Wet Justitiële en Strafvorderlijke Gegevens.
2.19 Toelichting artikel 19 (Jaarverslag leerplicht)
De verplichting om jaarlijks verslag uit te brengen over het gevoerde beleid inzake de handhaving van de leerplicht en de kwalificatieplicht en de resultaten daarvan berust bij het college. Het verslag zal de kwantitatieve gegevens bevatten die aan het ministerie van OCW moeten worden gemeld, maar tevens ingaan op het gevoerde beleid.
2.20 Toelichting artikel 20 (Samenwerking in de regio inzake leerplicht)
In dit artikel is voor de leerplichtambtenaar een gematigd actieve rol opgenomen. Dit betekent dat hij zo nodig het initiatief neemt tot het voeren van regionaal overleg. Het in de instructie genoemde aantal van drie overleggen per jaar geldt als minimum, om te waarborgen dat er in de regio op een gelijke manier gehandeld wordt. In de regio ZOU komen de leerplichtambtenaren periodiek samen als het zijnde het Platform leerplicht Utrecht Zuid Oost (Pluzo)
2.21 Toelichting artikel 21 (Regionaal programma ter voorkoming van voortijdig schoolverlaten)
De contactgemeente is wettelijk verantwoordelijk voor de coördinatie van het regionaal bestuurlijk overleg. Intern wordt afgestemd wie aan dit overleg deelneemt. De leerplichtambtenaar levert een actieve bijdrage aan de invulling van de wettelijke taken, aan het beleid voor het Doorstroompunt en aan het daarbij behorende aanvullend regionaal programma met maatregelen ter voorkoming en bestrijding van voortijdig schoolverlaten van jongeren tussen twaalf en zevenentwintig jaar. Daarbij is met name de afstemming over jongeren van zestien en zeventien jaar van belang, evenals de afspraken over de overdracht van casuïstiek.
2.22 Toelichting artikel 22 (Samenwerking met diensten en instellingen)
Dit betreft een niet-uitputtende lijst van samenwerkingspartners.
2.23 Toelichting artikel 23 (Beleidsontwikkeling)
In het eerste lid is geregeld dat de eigen gegevens op systematische wijze worden verzameld en verwerkt, zodat zowel het regionale als het lokale beleid mede hierop kan worden gebaseerd. Daarmee wordt de beleidscyclus in belangrijke mate ondersteund.
In het tweede lid is geregeld dat de leerplichtambtenaar advies kan geven voor het ontwikkelen van beleid dat de hoofdzaken bevat van de uitvoering van de begeleiding van jongeren zonder startkwalificatie, met aandacht voor een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens, en houdt daarbij rekening met het regionaal programma. Deze taak vloeit voort uit de Wet van school naar duurzaam werk.
Het derde lid ziet op het betrekken van ontwikkelingen die zich buiten de eigen regio voordoen bij het regionale en landelijke beleid. Daarbij gaat het niet alleen om ontwikkelingen in het leerplichtbeleid in strikte zin, maar ook om ontwikkelingen rondom het Doorstroompunt, het onderwijs, de jeugdzorg en aanverwante domeinen. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen daarnaast ook ontwikkelingen in bijvoorbeeld het vreemdelingenbeleid, de justitiële organisatie of de arbeidsmarkt relevant zijn.
2.24 Toelichting artikel 24 (Slotbepaling)
Het eerste lid regelt dat alle betrokken partijen van deze instructie in kennis worden gesteld. Het tweede lid ziet op de inwerkingtreding.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-324570.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.