BELEIDSREGELS ARTIKEL 13B OPIUMWET (DAMOCLESBELEID) GEMEENTE Zwijndrecht 2026

Intitulé

Beleidsregels artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid) gemeente Zwijndrecht 2026.

De burgemeester van de gemeente Zwijndrecht;

 

Overwegende dat

Het gewenst is om beleidsregels vast te stellen in het kader van de toepassing van de bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet, ook wel de Wet Damocles genoemd;

 

Gelet op

Artikel 172 Gemeentewet;

Artikel 2 van de Opiumwet;

Artikel 2a van de Opiumwet;

Artikel 3 van de Opiumwet;

Artikel 10a van de Opiumwet;

Artikel 10c van de Opiumwet

Artikel 11a van de Opiumwet;

Artikel 13b van de Opiumwet;

Aanwijzing Opiumwet

Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, lijst I en lijst IA (2025R005)

Artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht;

Artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht;

Artikel 5:31d van de Algemene wet bestuursrecht;

Artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht;

Artikel 4:81, eerste lid, 4:83 en artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

 

Besluit,

Onder intrekking van de op 5 juni 2019 vastgestelde ‘beleidsregels artikel 13b Opiumwet’, vast te stellen de “Beleidsregels artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid) gemeente Zwijndrecht 2026”.

 

Inleiding

Artikel 13b Opiumwet biedt de burgemeester de bestuurlijke bevoegdheden om doeltreffend op te treden tegen drugshandel. Illegale activiteiten rondom harddrugs, softdrugs of stofgroepen behorende tot lijst IA zoals handel, productie en teelt, hebben schadelijke effecten op onze samenleving, ook wel ondermijning genoemd.

De aanpak van georganiseerde drugscriminaliteit gaat verder dan alleen het strafrecht. Vanwege de in de maatschappij merkbare gevolgen, ook wel ondermijning genoemd, is de aanpak ervan in toenemende mate een bestuursrechtelijke aangelegenheid.

De afgelopen jaren is er een meer geïntegreerde aanpak ontwikkeld, waarbij verschillende instanties zoals het Openbaar Ministerie, de politie, de Belastingdienst, gemeentebesturen, maar ook woningcorporaties samenwerken. De inzet van bestuurlijke bevoegdheden is een belangrijk onderdeel van deze integrale aanpak.

Artikel 13b van de Opiumwet is het bestuurlijk instrument om drugscriminaliteit te stoppen en herhaling te voorkomen. Dit beleid beschrijft hoe de burgemeester bevoegdheden toepast en onder welke omstandigheden.

 

Doelstellingen

Zoals hierboven beschreven heeft dit beleid primair tot doel de burgemeester handvatten te geven op welke wijze hij gebruik kan maken van zijn bevoegdheid uit artikel 13b Opiumwet. Daarnaast kent dit beleid de volgende doelstellingen:

  • a.

    Overtredingen van de Opiumwet beëindigen en (herhaling) voorkomen;

  • b.

    Het creëren van een preventief effect, in die zin dat pandeigenaren kritischer worden bij het verhuren van ruimten;

  • c.

    De meldingsbereidheid ten aanzien van drugsgerelateerde activiteiten vergroten;

  • d.

    De bekendheid van het pand en/of bijbehorende erven in het (georganiseerde) drugscircuit doorbreken;

  • e.

    Het beschermen van het woon- en leefklimaat rondom het perceel en het herstel van de openbare orde, veiligheid en gezondheid en het terugbrengen van rust in de directe omgeving;

  • f.

    Een signaal afgeven dat de geconstateerde feiten onacceptabel zijn;

  • g.

    De gemeente onaantrekkelijk maken als vestigingsplaats voor drugshandel en productie.

 

Uitgangspunten

In beginsel zal de burgemeester bij het aantreffen van drugs, substanties behorende tot de stofgroepen van lijst IA of voorbereidingshandelingen tot het maken van drugs in die woningen en lokalen optreden door over te gaan tot het opleggen van een last onder bestuursdwang op grond van artikel 13b Opiumwet inhoudende een sluiting van een woning of lokaal. Bij de overweging of zal worden overgegaan tot sluiting van een woning of lokaal wordt gekeken naar:

  • a.

    De handelshoeveelheid;

  • b.

    De ernst van het geval;

  • c.

    De omstandigheden van het geval;

  • d.

    De betrokken belangen;

  • e.

    Gezinssamenstelling;

  • f.

    De mate van professionaliteit.

Sluiting van de woning of het lokaal geldt in beginsel voor de gehele woning of het lokaal.

Indien sprake is van een samenhangend geheel, strekt de bevoegdheid van de burgemeester zich niet alleen uit tot de woning, maar ook tot de andere gebouwen op het perceel.

 

Juridisch kader

Vaststellen van de bevoegdheid

Op grond van artikel 13b van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf drugs worden verkocht, afgeleverd, verstrekt of het daaraan behulpzaam zijn, dan wel daartoe aanwezig zijn. Deze last onder bestuursdwang kan het bevel van de burgemeester inhouden om de woning of het lokaal te sluiten. Tevens omvat deze bevoegdheid de mogelijkheid om een waarschuwing op te leggen.

De bevoegdheid bestaat ook als in een pand of op een daarbij behorend erf geen drugs worden aangetroffen (noch verkocht, afgeleverd of verstrekt), maar er wel voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs. Denk hierbij aan bepaalde apparatuur zoals (assimilatielampen, slakkenhuizen, IBC-vaten, etc.), chemicaliën (apaan, zoutzuur etc.), voedings-, ziektebestrijdings- en/of versnijdingsmiddelen. Oftewel indien sprake is van zogenoemde strafbare voorbereidingshandelingen, als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3° (harddrugs), of artikel 11a van de Opiumwet (softdrugs), of artikel 10c, eerste lid, onder 3° (stofgroepen).

 

Handelshoeveelheid

Onder drugshandel wordt op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet verstaan: de verkoop, aflevering, verstrekking of daaraan behulpzaam zijn, dan wel de aanwezigheid daartoe van drugs als bedoeld in lijst I, lijst IA of lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet.

Om te bepalen of sprake is van een handelshoeveelheid wordt in deze beleidsregels aansluiting gezocht bij de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie (Stcr. 2015, nr. 5391) en de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, lijst I en lijst IA (2025R005). Volgens de Aanwijzing worden een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram (of 0,5 milliliter, 1 pil, 1 bolletje, 1 ampul of 1 wikkel) en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram gezien als hoeveelheden voor eigen gebruik (gedoogde gebruikshoeveelheid). Volgens de richtlijn geldt voor GHB 5 ml als gemiddelde hoeveelheden voor eigen gebruik. Uitzondering geldt voor substanties die zijn afgeleid van de op lijst IA vermelde stofgroep 4-aminopiperidine, oftewel de fentanyl-achtigen. Voor fentanyl-achtigen is het uitgangspunt voor een gebruikershoeveelheid 2 milligram.

Worden deze hoeveelheden overschreden dan mag in beginsel worden aangenomen dat de drugs (mede) bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Slaagt de betrokkene daarin niet dan is de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet, bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

NB. Het voorgaande geldt ook als een in werking zijnde hennepkwekerij van meer dan 5 planten of een in werking zijnde drugslaboratorium wordt aangetroffen.

Op basis van jurisprudentie is het overigens niet uitgesloten dat een hoeveelheid drugs in een pand die volgens de criteria van het OM als een hoeveelheid voor eigen gebruik moet worden aangemerkt, toch bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking. Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot uitbreiding van de werkingssfeer van artikel 13b van de Opiumwet naar woningen (Kamerstukken II 2005/2006, 30 515, nr. 3, blz. 10) is opgemerkt, wordt met de uitdrukking “daartoe aanwezig is” in artikel 13b van de Opiumwet gedoeld op de aanwezigheid van verdovende middelen, ongeacht de hoeveelheid, die gebruikt wordt of bestemd is voor de verkoop, aflevering of verstrekking daarvan

 

Gebruikmaken van de bevoegdheid (evenredigheidstoets)

Als de burgemeester bevoegd is om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een maatregel te treffen, dan moet hij/zij beoordelen of ook van die bevoegdheid gebruikgemaakt moet worden. In de rechtspraak ligt met name op deze ‘evenredigheidstoets’ het zwaartepunt. Dat is zeker zo sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 (Harderwijk). Daarin heeft de Afdeling overwogen dat – kort gezegd – een besluit dat strekt tot uitoefening van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet per geval moet voldoen aan artikel, 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat dit wordt beoordeeld aan de hand van – voor zover relevant – de volgende stappen:

  • 1.

    Is het besluit noodzakelijk om het doel te bereiken?

  • 2.

    Is een keuze mogelijk tussen meer geschikte maatregelen, dan moet op basis van deze toets die maatregel worden gekozen die de belanghebbenden het minst belast; en

  • 3.

    Is de maatregel evenwichtig (evenredigheid stricto sensu)? Is de op zichzelf geschikte en noodzakelijke maatregel in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende?

De Afdeling beoordeelt sinds deze uitspraak de evenredigheid met inachtneming van dit beoordelings- en toetsingskader en het meer specifieke toetsingskader voor sluitingen van woningen en lokalen op grond van artikel 13b van de Opiumwet, zoals weergegeven in de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, en in de daarop voortbordurende uitspraken van 6 juli 2022 resp. 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2022:1916, ECLI:NL:RVS:2022:1910 en ECLI:NL:RVS:2025:2922). In deze beleidsregels wordt aangesloten bij dit beoordelings- en toetsingskader.

 

Noodzakelijkheid

Volgens vorenbedoeld beoordelings- en toetsingskader wordt aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde.

Voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding is van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Met een sluiting wordt de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken. Dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand zoals gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal.

Als er geen of weinig aanwijzingen zijn dat in of vanuit het pand drugs werden verhandeld, dan zal de burgemeester – als hij/zij zich op het standpunt stelt dat van dergelijke handel wél sprake was – nader moeten onderbouwen waarom dat het geval was. Slaagt de burgemeester hierin niet of onvoldoende, dan zal er doorgaans een mindere mate van of geen overlast zijn in de omgeving van het pand en wordt de openbare orde in mindere mate of niet verstoord. In dit soort gevallen vindt de Afdeling dat een sluiting van meer dan zes maanden in beginsel onevenredig is.

Als niet alleen aanwijzingen dat drugs in of vanuit het pand werden verhandeld afwezig zijn, maar ook andere omstandigheden ontbreken die volgens de overzichtsuitspraak bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting van belang zijn, zoals de omstandigheid dat het gaat om harddrugs, een recidivesituatie en de ligging van een pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk, kan dit ertoe leiden dat er geen noodzaak bestaat om het pand te sluiten. Wel kan er dan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, aanleiding zijn om een minder verstrekkende maatregel op te leggen zoals een last onder dwangsom of waarschuwing.

 

Evenwichtigheid

Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient hij/zij zich ervan te vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om na de sluiting weer van het pand gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig, bijvoorbeeld als de betrokkene een ernstig verwijt van de overtreding kan worden gemaakt of gezien de ernst en omvang van de overtreding.

 

Last onder bestuursdwang, last onder dwangsom of waarschuwing

Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bepaalt dat de burgemeester in de daarin genoemde gevallen (zie paragraaf 3.1 van deze beleidsregels) bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Bestuursdwang geschiedt in de praktijk, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, in de vorm van een sluitingsmaatregel.

Artikel 5:32 van de Awb regelt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen. Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven kan een last onder dwangsom, vanuit het oogpunt van evenredigheid, meer op zijn plaats zijn.

 

Tot slot volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet dat in algemene zin bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Dit moet echter worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken (Kamerstukken II, 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8 en Kamerstukken II, 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2). Op grond van de rechtspraak dient in ieder geval bij een geringe overschrijding van de gedoogde gebruikshoeveelheden drugs (zie paragraaf 3.1.1 van deze beleidsregels) afgewogen of met een minder verstrekkende maatregel, zoals een waarschuwing kan worden volstaan (zie ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738).

Hoewel dit uitgangspunt volgens de wetsgeschiedenis niet ook bij lokalen geldt – de kwalificatie ‘ernstige gevallen’ wordt in deze beleidsregels voor lokalen dan ook niet uitgewerkt – kan er in voorkomend geval ook bij de constatering van een overtreding van de Opiumwet in een lokaal, gelet op de betrokken belangen aanleiding bestaan om af te zien van sluiting en in plaats daarvan een minder verstrekkende maatregel te treffen.

In deze beleidsregels zijn de voornoemde toepassingen van de bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet meegewogen. Het beleid biedt ruimte om maatwerk te leveren en de bevoegdheidstoepassing af te stemmen op de specifieke omstandigheden van het geval.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Definities

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a.

    Drugshandel: Het verkopen, afleveren of verstrekken of het daaraan behulpzaam zijn van harddrugs of softdrugs – in al zijn verschijningsvormen - dan wel het daartoe aanwezig zijn daarvan. Onder handel wordt tevens verstaan het sluiten van een mondelinge overeenkomst tot koop en verkoop van drugs, waarbij de levering elders plaatsvindt.

  • b.

    Handelshoeveelheid: Een hoeveelheid drugs die groter is dan de hoeveelheid die wordt aangemerkt als geringe hoeveelheid bestemd voor eigen gebruik zoals bepaald in de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het Openbaar Ministerie;

  • c.

    Harddrugs: Een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen op grond van artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet;

  • d.

    Psychoactieve stoffen: een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld op lijst IA van de Opiumwet of een preparaat daarvan;

  • e.

    Lokaal: Een voor het publiek toegankelijk pand met bijbehorend erf, zoals een winkel of horecabedrijf, of een niet voor publiek toegankelijk pand met bijbehorend erf zoals een loods, garage, magazijn of kantoor- of bedrijfsruimte.

  • f.

    Softdrugs: Een middel als bedoeld op lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen op grond van artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet;

  • g.

    Voorbereidingshandelingen: Het in een woning of lokaal voorhanden hebben van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, van de Opiumwet of artikel 11a van de Opiumwet;

  • h.

    Bewoonde woning: een feitelijk voor bewoning gebruikte ruimte. Daar waar dus feitelijk sprake is van het hebben van woongenot. Onder woning kan derhalve ook een boot, caravan, woonwagen e.d. worden verstaan;

  • i.

    Onbewoonde woning: een woning die niet (hoofdzakelijk) voor woondoeleinden wordt gebruikt. De vraag of een woning daadwerkelijk als woning in gebruik is, wordt – zoals hierboven beschreven –beoordeeld aan de hand van de waargenomen feiten en omstandigheden. Soms is sprake van schijnbewoning. Er wordt dan de indruk van bewoning gesimuleerd;

  • j.

    Pand: Woning of lokaal en het daarbij behorende erf.

 

Hoofdstuk 2 Handhavingsarrangement

Artikel 2.1 Overtreding

Bij drugshandel in de zin van artikel 13b, eerste lid onder a Opiumwet, in een pand, dan wel bij de constatering van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 13b, eerste lid onder b Opiumwet, wordt in beginsel het handhavingsarrangement toegepast zoals vastgelegd in de onderstaande matrix.

 

Artikel 2.2 Waarschuwing

Indien een woning op het moment dat de overtreding wordt geconstateerd daadwerkelijk wordt bewoond en voor (die) bewoning noodzakelijk blijft, dan wordt bij een eerste overtreding van de Opiumwet in beginsel eerst een waarschuwingsbrief verstuurd aan de overtreder en de rechthebbenden op het gebruik van de woning, tenzij er sprake is van een ‘ernstig geval’.

 

Artikel 2.3 Ernstig geval

Op basis van onder andere één of meer van de hieronder genoemde omstandigheden kan sprake zijn van een voldoende ernstige situatie om direct over te gaan tot sluiting:

  • a.

    Indien er sprake is van de aanwezigheid van harddrugs, substanties behorende tot de stofgroepen van lijst IA, dan wel voorbereidingshandelingen ten aanzien van harddrugs;

  • b.

    De hoeveelheid aangetroffen middelen bedoeld in lijst I, IA, dan wel lijst II van de Opiumwet;

  • c.

    De inrichting, het bedrijfsmatig karakter evenals de professionaliteit van de hennepplantage-/kwekerij of productiepunt (bijvoorbeeld illegale stroom aftap, aanwezige hennep-/drugsresten van een vorige productie en randapparatuur voor het in standhouden van de hennepplantage-/kwekerij of productiepunt);

  • d.

    Er is sprake van een combinatie van middelen als bedoeld in lijst I, IA en lijst II Opiumwet (ook bij minder dan een handelshoeveelheid harddrugs);

  • e.

    De wijze waarop de aangetroffen middelen zijn verpakt;

  • f.

    Het aantreffen van handelsgeld en/of aanwezigheid van (vuur)wapens/verboden wapenbezit als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie;

  • g.

    De omstandigheid dat de woning als ontmoetingsplek voor handelaren en/of gebruikers fungeert (dit kan bijvoorbeeld blijken uit politieobservaties of verklaringen van gebruikers, omwonenden, getuigen etc.);

  • h.

    Er is een vermoeden van verwijtbaarheid van de bewoner(s)/betrokkene(n);

  • i.

    Er is een vermoeden dat de bewoner(s)/betrokkene(n) verkeert/verkeren in kringen van personen met antecedenten (hierbij moet vooral gedacht worden aan antecedenten t.a.v. de Opiumwet of de Wet Wapens en Munitie, maar ook antecedenten op het gebied van geweld tegen personen of zaken, zoals mishandeling, bedreiging, vernieling of diefstal e.d. kunnen een rol spelen);

  • j.

    Aannemelijk is dat behalve de woning of het daarbij behorende erf nog één of meer locaties betrokken is/zijn bij drugshandel in georganiseerd verband of als aanwezigheid van drugs hierop duidt;

  • k.

    Er sprake is van overlast vanuit de woning, waaronder gewelds- en openbare orde delicten in of rond de woning;

  • l.

    Er sprake is van ondeugdelijke of ondoorzichtige huurconstructies en personen die niet ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen;

  • m.

    Er sprake is van recidive binnen drie jaar, daaronder wordt in ieder geval begrepen eerdere overtredingen door de gebruikers of eigenaren van het pand van de Opiumwet en/of eerdere sluiting van eigendommen van één of meerdere pandeigenaren op grond van artikel 13b Opiumwet;

  • n.

    De mate van risico of gevaar voor het woon- of leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonenden (hierbij kan gedacht worden aan de gevaren verbonden aan (georganiseerde) drugscriminaliteit).

 

Artikel 2.4 Handelshoeveelheid

Bij de aanwezigheid van een middel als genoemd in lijst I, lijst IA en/of lijst II van de Opiumwet in een woning of lokaal die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik is in beginsel aannemelijk dat sprake is van een handelshoeveelheid bestemd voor verkoop, aflevering, verstrekking. Qua hoeveelheden is aansluiting gezocht bij de “Richtlijn voor strafvordering Opiumwet” vanuit het OM.

Bewoonde woningen en bijbehorende erven/opstallen

Overtreding

Handelshoeveelheid softdrugs (>5 gram, 5 hennepplanten, 1 ampul) of voorbereidingshandelingen daartoe

Handelshoeveelheid harddrugs of substanties behorende tot de stofgroepen van lijst IA (>0,5 gram of >2 miligram fentanyl-achtigen) of voorbereidingshandelingen daartoe

1e constatering

 

Waarschuwing, tenzij sprake is van een ernstig geval, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, dan 3 maanden sluiting

Sluiting 3 maanden

2e constatering binnen drie jaar na voorgaande waarschuwing of besluit tot sluiting

 

Sluiting 3/6 maanden*

 

Sluiting 6 maanden

3e constatering binnen drie jaar na voorgaande besluit tot sluiting

 

Sluiting 9 maanden

Sluiting 12 maanden

* Bij een eerste sluiting wordt in beginsel gesloten voor 3 maanden. Bij een tweede overtreding wordt in beginsel gesloten voor zes maanden.

Onbewoonde woningen en bijbehorende erven/opstallen

Overtreding

Handelshoeveelheid softdrugs (>5 gram, 5 hennepplanten, 1 ampul)

Handelshoeveelheid harddrugs of substanties behorende tot de stofgroepen van lijst IA (>0,5 gram of >2 miligram fentanyl-achtigen)

1e constatering

 

Sluiting 3 maanden

Sluiting 3 maanden

2e constatering binnen drie jaar na voorgaande waarschuwing of besluit tot sluiting

 

Sluiting 6 maanden

 

Sluiting 6 maanden

3e constatering binnen drie jaar na voorgaande besluit tot sluiting

Sluiting 9 maanden

Sluiting 12 maanden

 

Lokalen en bijbehorende erven/opstallen

Overtreding

Handelshoeveelheid softdrugs (>5 gram, 5 hennepplanten, 1 ampul)

Handelshoeveelheid harddrugs of substanties behorende tot de stofgroepen van lijst IA (>0,5 gram of >2 miligram fentanyl-achtigen)

1e constatering

 

Sluiting 3 maanden

Sluiting 6 maanden

2e constatering binnen drie jaar na voorgaande waarschuwing of besluit tot sluiting

 

Sluiting 6 maanden

 

Sluiting 12 maanden

3e constatering binnen drie jaar na voorgaande besluit tot sluiting

Sluiting 12 maanden

Sluiting 18 maanden

Hoofdstuk 3 Indicatoren strafbare voorbereidingshandelingen

Artikel 3.1 Algemeen

  • 1.

    Naast sluiting voor het aantreffen van soft- en harddrugs, kan de burgemeester ook overgaan tot sluiting bij strafbare voorbereidingshandelingen. Dit kan als voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor grootschalig of bedrijfsmatig bereiden of vervaardigen van softdrugs, of het bereiden of vervaardigen van harddrugs. Deze verruiming heeft alleen betrekking op voorbereidingshandelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a of 11a Opiumwet.

  • 2.

    Van voorbereidingshandelingen kan volgens artikel 13b eerste lid sub b Opiumwet alleen sprake zijn bij het voorhanden hebben van bepaalde voorwerpen of stoffen die, vanwege de aard en hoeveelheid of gezien de onderlinge combinatie, geschikt zijn om harddrugs te vervaardigen of voor grootschalige illegale hennepteelt (zie voor een nadere uitwerking onderdeel 3.1 en 3.2 van deze beleidsregels). Dit kan al blijken uit de aard en hoeveelheid van de aangetroffen stoffen of uit de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie (drugslaboratorium of hennepkwekerij in aanbouw), maar ook uit tapgesprekken of observaties uit een opsporingsonderzoek.

  • 3.

    De burgemeester moet aan de hand van een analyse van de politie of andere ter zake deskundigen beoordelen in hoeverre daadwerkelijk sprake is van een strafbare voorbereidingshandeling, zoals bedoeld in artikel 13b eerste lid sub b Opiumwet.

 

Artikel 3.2 Grootschalig of professioneel

  • 1.

    In geval van voorbereidingshandelingen die te maken hebben met harddrugs is de aanwezigheid van stoffen of voorwerpen die gebruikt worden voor het voorbereiden van harddrugsdelicten voldoende om een pand te kunnen sluiten. Gaat het om softdrugs dan moet er sprake zijn van voorbereidingshandelingen die beroeps- of bedrijfsmatig van aard zijn of die betrekking hebben op een grote hoeveelheid. In geval van een hennepkwekerij is dit af te leiden uit de aanwezigheid van professionele voorwerpen en de schaalgrootte.

  • 2.

    De Aanwijzing Opiumwet geeft een (niet limitatieve) opsomming van indicatoren die duiden op de professionaliteit van een hennepkwekerij. Daarnaast is er volgens het OM sprake van grootschalige hennepteelt vanaf 200 planten of 500 gram hennep. Aan de hand van de aangetroffen goederen kan een inschatting worden gemaakt hoeveel hennepplanten er met de goederen gekweekt zouden kunnen worden. Als gemiddelde wordt een kwekerij gehanteerd met 15 planten per m2. Een plant levert gemiddeld een opbrengst op van 28,2 gram hennep. Tenslotte speelt hier het doel van de teelt mee. Als er sprake is van teelt om geldelijk gewin te verkrijgen is er sprake van beroeps- of bedrijfsmatig handelen.

 

Artikel 3.3 Weet of ernstig vermoeden

  • 1.

    Om gebruik te kunnen maken van de sluitingsbevoegdheid bij een strafbare voorbereidingshandeling is tevens vereist dat degene die de stof of het voorwerp in het pand voorhanden heeft ook weet of een ernstig vermoeden heeft dat de stof of het voorwerp onder andere bestemd is voor de grootschalige of professionele illegale hennepteelt of drugsproductie.

  • 2.

    Deze wetenschap of dit ernstig vermoeden, moet steeds blijken uit concrete feiten en omstandigheden. Hierbij is het afwegingskader dat een redelijk denkend mens niet anders had kunnen vermoeden dan dat hij met zijn handelen een Opiumwetdelict zou faciliteren. Bij een bepaalde combinatie van goederen kan het niet anders dan dat iemand zich bewust is van de criminele bestemming van de goederen. Als het gaat om een persoon met antecedenten op het gebied van de Opiumwet dan is de vereiste wetenschap al grotendeels aannemelijk.

  • 3.

    De burgemeester hoeft dus niet aannemelijk te maken dat de aangeschreven persoon zelf wetenschap dan wel een ernstig vermoeden had dat de in het pand aanwezige stoffen of voorwerpen bestemd zijn voor het bereiden, bewerken, verwerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of beroeps- of bedrijfsmatige illegale hennepteelt.

  • 4.

    Als hij/zij op basis van de feitelijke situatie voldoende aannemelijk maakt dat voorwerpen aanwezig waren waarvan kan worden geweten of ernstig worden vermoed dat deze bestemd waren voor – kort gezegd – het bereiden van drugs.

 

Artikel 3.4 Indicatoren

  • 1.

    In de beoordeling of er sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen wordt rekening gehouden met één of meer van de volgende indicatoren:

  • a.

    De combinatie van aangetroffen stoffen (hierbij kan gedacht worden aan het tegelijk verkopen, dan wel aanwezig hebben van goederen die voor verwerking, transport of bereiding van drugs bedoeld zijn, zoals grammenweegschalen, drugsverpakkingen, versnijdingsmiddelen, etc.);

  • b.

    De aard van de stoffen of goederen (hierbij kan gedacht worden aan het voorhanden hebben van een chemische stof, apparatuur of aanverwante artikelen welke niet of nauwelijks anders kunnen worden toegepast dan bij de productie, handel of transport van drugs);

  • c.

    De mate van bekendheid van het pand waar dergelijke producten verkocht, verhandeld, gebruikt of geproduceerd kunnen worden;

  • d.

    De mate van risico of gevaar voor het woon- of leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonenden (hierbij kan naast de gevaren verbonden aan (georganiseerde) drugscriminaliteit gedacht worden aan brandgevaar, risico’s verbonden aan het gebruik van chemicaliën, etc.);

  • e.

    Vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken van een elektriciteitsnetwerk.

 

Hoofdstuk 4 Afwijkingsbevoegdheid

Artikel 4.1 Verzwarende omstandigheden - zwaardere maatregel

Als de burgemeester van mening is dat een zwaardere maatregel moet worden toegepast in een specifieke casus, dan hanteert de burgemeester in beginsel een sluitingstermijn die in de handhavingsmatrix bij de eerstvolgende overtreding toegepast zou worden. Voorbeelden zijn:

  • Combinatie van een overtreding van de Opiumwet met bepaalde ernstige strafbare feiten, zoals verboden (vuur)wapenbezit als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie;

  • De mate van overlast rondom het pand;

  • Recidive binnen een termijn van drie jaar;

  • Geweldsdelicten;

  • Mensenhandel;

  • Kwetsbare woonwijk;

  • Grote mate van beroeps- of bedrijfsmatigheid.

 

Artikel 4.2 Bijzondere omstandigheden - lichtere maatregel

De burgemeester kan besluiten om een lichtere maatregel op te leggen in onder meer de volgende situaties:

  • Minderjarige kinderen;

  • Medische omstandigheden.

 

Hoofdstuk 5 Sluiting en toepassen bestuursdwang

Artikel 5.1 Huurovereenkomst

Indien de gemeente verhuurder is, geldt bij sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet dat zal worden bezien of ontbinding van de huurovereenkomst civielrechtelijk haalbaar en/of proportioneel is.

 

Artikel 5.2 Vervangende woonruimte

In beginsel wordt bij het sluiten van een woning geen vervangende woonruimte aangeboden.

 

Artikel 5.3 Toepassen spoedeisende bestuursdwang

  • 1.

    Tot een spoedeisende bestuursdwang, zoals bedoeld in de Awb, wordt overgegaan indien sprake is van een zodanige inbreuk op de openbare orde en veiligheid dat een spoedsluiting een proportioneel en subsidiair middel is. Daarvan is in ieder geval sprake indien:

    • a.

      Voorwerpen worden aangetroffen die kunnen worden aangemerkt als wapens in de zin van de Wet wapens en munitie;

    • b.

      (Het vermoeden bestaat dat) een middel van lijst I, lijst IA en/of lijst II behorende bij de Opiumwet wordt of is verkocht aan een minderjarige;

    • c.

      Ernstige geweldsincidenten aan het gebruik van het pand zijn gerelateerd of als sprake is van ernstige incidenten waarbij de openbare orde, veiligheid of gezondheid in het geding is.

 

Artikel 5.4 Verzoek opheffen sluiting

  • 1.

    Een belanghebbende kan de burgemeester schriftelijk verzoeken om de sluiting tussentijds op te heffen.

  • 2.

    In het verzoek wordt gemotiveerd aangegeven dat op grond van nieuwe feiten en omstandigheden het aannemelijk is dat niet opnieuw de Opiumwet wordt overtreden. Hierbij is in ieder geval vereist dat:

    • a.

      De nieuwe eigenaar of huurder de Opiumwet niet heeft overtreden; en

    • b.

      Er sinds de overtreding een nieuwe eigenaar of huurder is.

  • 3.

    Indien het verzoek betrekking heeft op een lokaal, wordt in aanvulling op het tweede lid, een ondernemingsplan overgelegd waaruit blijkt welke invulling aan het gebruik van het lokaal wordt gegeven en op welke wijze toekomstige overtredingen worden voorkomen.

  • 4.

    De burgemeester beoordeelt bij een verzoek of en in welke mate de genoemde doelstellingen met de sluiting zijn bereikt.

  • 5.

    De burgemeester kan voor de beoordeling van het verzoek de politie vragen om advies en/of een bevraging doen bij de Justitiële Informatiedienst (Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens).

     

Artikel 5.5 Kenbaarheid sluiting

  • 1.

    De sluiting wordt geregistreerd in het WKPB-register zoals dat is voorgeschreven in de Wet Kenbaarheid Publiekrechtelijke beperkingen.

  • 2.

    Na het verstrijken van de sluitingstermijn wordt de beperking uitgeschreven uit het WKPB-register

     

Hoofdstuk 6 Overige bepalingen

Artikel 6.1 Hardheidsclausule

De burgemeester kan in bijzondere en dringende gevallen (een deel van) deze beleidsregels buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing ervan, gelet op het belang van de belanghebbende, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.

 

Artikel 6.2 Overgangsbepalingen

  • 1.

    Procedures die zijn gestart onder de geldigheid van de op 5 juni 2019 inwerking getreden Beleidsregels artikel 13b Opiumwet worden voortgezet op basis van die beleidsregels als voorafgaand aan de inwerkingtreding van de onderhavige beleidsregel het voornemen tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom is verzonden.

  • 2.

    Constateringen van overtredingen die hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze beleidsregel blijven, met inachtneming van de verjaringstermijn, meetellen voor een eventuele volgende stap in de handhavingsmatrix zoals opgenomen in artikel 2.4.

 

Artikel 6.3 Slotbepalingen

  • 1.

    Deze beleidsregel treedt in werking de dag na publicatie.

  • 2.

    Deze beleidsregel kan worden aangehaald als “Beleidsregel artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid) gemeente Zwijndrecht 2026”.

 

Aldus op 30 juni 2026 vastgesteld door de burgemeester van Zwijndrecht,

De burgemeester

L. Anink

Naar boven