Beleidsregel aanpak ernstige en herhaaldelijke woonoverlast Gooise Meren 2026

De burgemeester van de gemeente Gooise Meren,

gelet op;

  • -

    artikel 151d van de Gemeentewet, waarin de bevoegdheid is opgenomen tot het opleggen van een last onder bestuursdwang ter bestrijding van ernstige en herhaaldelijke woonoverlast;

  • -

    artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op grond waarvan de burgemeester beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot een hem toekomende bevoegdheid;

  • -

    artikel 2:79 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Gooise Meren, waarin de zorgplicht ter voorkoming van ernstige en herhaaldelijke woonoverlast is vastgelegd;

overwegende dat;

  • -

    artikel 151d van de Gemeentewet de burgemeester de bevoegdheid geeft om op te treden tegen ernstige en herhaaldelijke woonoverlast door middel van een gedragsaanwijzing

  • -

    de gemeenteraad van Gooise Meren toepassing heeft gegeven aan deze bevoegdheid door opname van artikel 2:79 in de Algemene plaatselijke verordening, waarin een zorgplicht voor gebruikers van woningen is neergelegd;

  • -

    de burgemeester op grond van artikel 151d van de Gemeentewet, in samenhang met artikel 2:79 APV, bevoegd is om bij overtreding van deze zorgplicht handhavend op te treden;

  • -

    het, met het oog op een zorgvuldige, transparante, consistente en juridisch houdbare toepassing van deze bevoegdheid, wenselijk is beleidsregels vast te stellen;

  • -

    de burgemeester in 2018 beleidsregels heeft vastgesteld voor de aanpak van ernstige en herhaaldelijke woonoverlast en dat deze, gelet op de ontwikkelingen in wetgeving, jurisprudentie en uitvoeringspraktijk, aan herziening toe zijn;

besluit:

 

tot het vaststellen van:

 

‘Beleidsregel aanpak ernstige en herhaaldelijke woonoverlast Gooise Meren 2026’

Aanleiding

Per 1 juli 2017 is de “Wet aanpak woonoverlast” in werking getreden. Daarbij is het artikel 151d Gemeentewet ingevoerd. Dit artikel omvat onder meer de discretionaire bevoegdheid van de burgemeester tot toepassing van bestuursdwang in de vorm van het geven van een gedragsaanwijzing (uitsluitend) ter bestrijding van ernstige en herhaaldelijke woonoverlast voor omwonenden, veroorzaakt door (een) andere bewoner(s) in de nabije omgeving. De gemeente Gooise Meren heeft in artikel 2:79 van de Algemene plaatselijke verordening (hierna APV) een zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht houdt in dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, ervoor dient te zorgen dat door gedragingen in of vanuit die woning of het erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. Op grond van artikel 151d van de Gemeentewet en artikel 2:79 APV is de burgemeester bevoegd om, indien deze zorgplicht wordt geschonden, handhavend op te treden door het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom, in de vorm van een gedragsaanwijzing. Deze beleidsregel geeft invulling aan de wijze waarop de burgemeester de bevoegdheid uit artikel 2:79 APV toepast. Daarbij wordt inzicht gegeven in de afwegingen die worden gemaakt, de stappen die worden doorlopen en de maatregelen die kunnen worden ingezet bij de aanpak van ernstige en herhaaldelijke woonoverlast.

Inleiding

Woonoverlast is een complex en maatschappelijk probleem dat grote impact kan hebben op het woongenot en het gevoel van veiligheid van inwoners. In veel gevallen lukt het bewoners om onderling of met behulp van lichte interventies, zoals een gesprek of buurtbemiddeling, tot een oplossing te komen. Idealiter lossen bewoners die last hebben van elkaar hun geschillen dan ook onderling op. In een deel van de situaties is echter sprake van structurele, ernstige en vaak langdurige overlast, waarbij sprake kan zijn van multiproblematiek, waaronder sociale, psychische of verslavingsproblematiek. De gemeente Gooise Meren vervult bij de aanpak van woonoverlast een regierol. Inwoners, woningcorporaties, politie, zorgpartijen en andere betrokken organisaties werken samen om overlastsituaties zo vroeg mogelijk te signaleren en aan te pakken. Daarbij wordt steeds gezocht naar een passende interventie, waarbij lichte en vrijwillige maatregelen waar mogelijk de voorkeur hebben.

 

Indien deze maatregelen onvoldoende effect hebben of niet toereikend zijn, kan de burgemeester gebruik maken van de bevoegdheid om een gedragsaanwijzing op te leggen in de vorm van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. De inzet van dit instrument is aan te merken als een ultimum remedium en vindt uitsluitend plaats indien de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. Dit vereist een zorgvuldige afweging en een deugdelijke onderbouwing. Daarbij speelt dossiervorming een centrale rol. Alleen wanneer op basis van objectieve en verifieerbare gegevens kan worden vastgesteld dat sprake is van ernstige en herhaaldelijke hinder en eerdere interventies onvoldoende effect hebben gehad, kan worden overgegaan tot het opleggen van een gedragsaanwijzing.

 

Deze beleidsregel is een herziening van de beleidsregel uit 2018, en geeft invulling aan de wijze waarop de burgemeester van deze bevoegdheid gebruik maakt en biedt duidelijkheid over de stappen die kunnen worden genomen bij de aanpak van ernstige en herhaaldelijke woonoverlast. Gelet op het karakter van deze beleidsregel, kan in bijzondere omstandigheden - via de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 AWB - worden afgeweken van de in deze beleidsregel beschreven gedragslijn.

Leeswijzer

In deze beleidsregel wordt in hoofdlijnen beschreven in welke gevallen sprake is van een overtreding van de zorgplicht als bedoeld in artikel 2:79 APV en onder welke voorwaarden de burgemeester gebruik maakt van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 151d van de Gemeentewet een gedragsaanwijzing op te leggen. Ter verduidelijking van de te hanteren bestuurlijke gedragslijn beschrijft de beleidsregel daartoe eerst enige achtergrond. Vervolgens wordt het procedurele kader geschetst waarbinnen de burgemeester een afweging zal maken of en zo ja, op welke wijze de bevoegdheid tot het geven van een gedragsaanwijzing wordt toegepast / een concrete invulling krijgt.

Doel beleidsregels

  • 1.

    Inzicht en duidelijkheid te bieden over de inhoud en reikwijdte van de zorgplicht als bedoeld in artikel 2:79 APV, zodat inwoners weten welk gedrag van hen wordt verwacht;

  • 2.

    Transparant te maken hoe de gemeente optreedt bij (ernstige) woonoverlast, inclusief de stappen en maatregelen die kunnen worden ingezet;

  • 3.

    Te waarborgen dat meldingen en signalen zorgvuldig worden beoordeeld, waarbij de aard, ernst en duur van de overlast op basis van objectieve en verifieerbare gegevens worden vastgesteld;

  • 4.

    Een kader te bieden voor een stapsgewijze en proportionele aanpak van;

  • 5.

    De toepassing van de bevoegdheid van de burgemeester te structureren en te begrenzen, zodat deze op consistente, evenredige en juridisch houdbare wijze wordt gebruikt;

  • 6.

    Te borgen dat maatwerk wordt toegepast, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de woning, de betrokken partijen en eventuele onderliggende problematiek;

  • 7.

    De samenwerking tussen betrokken partners te ondersteunen, zodat woonoverlast integraal en effectief kan worden aangepakt.

Juridisch Kader

Artikel 151d Gemeentewet luidt als volgt:

  • 1.

    De raad kan bij verordening bepalen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  • 2.

    De in artikel 125, eerste lid, bedoelde bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het in het eerste lid bedoelde voorschrift wordt uitgeoefend door de burgemeester. De burgemeester oefent de bevoegdheid uit met inachtneming van hetgeen daaromtrent door de raad in de verordening is bepaald en slechts indien de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.

  • 3.

    Onverminderd de laatste volzin van het tweede lid kan de last, bedoeld in de eerste volzin van dat lid, een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen. De artikelen 2, tweede lid, en vierde lid, aanhef en onder a en b, 5, 6, 8, eerste lid, aanhef en onder a en b, 9 en 13 van de Wet tijdelijk huisverbod zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de burgemeester bij ernstige vrees voor verdere overtredingen de looptijd van het verbod kan verlengen tot ten hoogste vier weken.

De gemeenteraad heeft bij besluit van d.d. 25 april 2018 besloten om toepassing te geven aan de in artikel 151d, eerste lid, van de gemeentewet bedoelde bevoegdheid. Het ingevoegde artikel 2:79 van de APV van de gemeente Gooise Meren luidt als volgt:

 

Artikel 2:79 APV Gooise Meren (Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet)

  • 1.

    Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  • 2.

    Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

  • 3.

    De last kan in ieder geval worden opgelegd bij:

    • a.

      ernstige en herhaaldelijke geluidshinder;

    • b.

      ernstige en herhaaldelijke hinder van één of meerdere dieren;

    • c.

      ernstige en herhaaldelijke hinder van één of meerdere bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    • d.

      ernstige en aanhoudende overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een (bijbehorend) erf;

    • e.

      intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Afbakening

Ter verduidelijking van de in artikel 151d Gemeentewet en artikel 2:79 APV gehanteerde methodiek en begrippen geldt, in navolging van en in lijn met hetgeen daarover is vermeld in de Memorie van Toelichting op de ‘Wet aanpak woonoverlast’ (wetsvoorstel 34 007) het onderstaande.

 

Het instrument van de gedragsaanwijzing van artikel 2:79 APV komt pas in beeld indien andere reguliere bevoegdheden of maatregelen (van partners) geen soelaas bieden. Het is daarmee vooral de aard van de ‘ernstige en herhaaldelijke overlast’ zelf die bepaalt welke bestuurlijke bevoegdheid kan worden aangewend: bij drugsoverlast zal bijvoorbeeld een beroep kunnen worden gedaan op artikel 13b Opiumwet, bij bouwkundige gebreken komt de Woningwet in beeld en bij een verstoring van de openbare orde (of dreigende ernstige verstoring) rond de woning als gevolg van gedragingen in de woning kan toepassing van artikel 174a Gemeentewet worden overwogen.

Definiëring

“Woonoverlast” (art 2:79 APV)

Woonoverlast is het veroorzaken van ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden, vanuit of rondom een woning of erf. Het gaat om gedrag van de bewoner of van personen voor wie hij of zij verantwoordelijk is, waardoor buren zich onplezierig of gehinderd voelen.

 

“Ernstige hinder” (art 2:79, eerste lid, APV)

Met ernstige hinder wordt gedoeld op ernstige hinder voor de omwonenden. Van ernstige hinder is sprake indien de hinder, gelet op de aard, intensiteit, duur en frequentie, een zodanig karakter heeft dat het normale gebruik en woongenot van omwonenden wezenlijk wordt aangetast. Bij de beoordeling of sprake is van ernstige hinder worden alle relevante omstandigheden van het geval betrokken. Daarbij wordt in ieder geval gekeken naar de feitelijke gevolgen voor omwonenden, het tijdstip waarop de hinder plaatsvindt (bijvoorbeeld in de avond of nacht), de mate waarin de hinder afwijkt van normale leefgeluiden of aanvaardbaar gedrag in een woonomgeving, en de omvang van de overlast, waaronder begrepen de vraag of meerdere omwonenden hinder ondervinden. Bij de beoordeling van de ernst van de hinder wordt tevens betrokken wat de impact is op de directe woonomgeving, waaronder het effect op het woongenot, de leefbaarheid en het veiligheidsgevoel van omwonenden. Voor het aannemen van ernstige hinder is het van belang dat de hinder objectief en controleerbaar wordt vastgesteld. Meldingen van bewoners alleen zijn daarvoor onvoldoende. De aanwezigheid van ernstige hinder dient te worden onderbouwd met objectieve gegevens, zoals rapportages of waarnemingen van politie, buitengewoon opsporingsambtenaren en/of daartoe aangewezen toezichthouders. De burgemeester draagt zorg voor een deugdelijke dossiervorming waaruit kan worden afgeleid dat daadwerkelijk sprake is van ernstige hinder.

 

Ernstige hinder als bedoeld in artikel 151d van de Gemeentewet kan tevens onrechtmatig zijn in de zin van artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek. Soms staat (voor de benadeelde) alleen de privaatrechtelijke weg open om bepaalde vormen van hinder aan te pakken, bijvoorbeeld door een vordering uit onrechtmatige daad. Artikel 2:79, derde lid, van de APV somt enkele vormen van “ernstige en herhaaldelijke hinder” op.

 

Herhaaldelijk (art 2:79, eerste lid, APV)

Van herhaaldelijke hinder is sprake indien de hinder zich met enige regelmaat voordoet en blijk geeft van een patroon of voortduring in de tijd. Het is niet vereist dat de hinder onafgebroken plaatsvindt, maar wel dat sprake is van meerdere voorvallen die in samenhang bezien een structureel karakter hebben. De burgemeester past de bevoegdheid niet toe op basis van een enkel incident. Bij de beoordeling of sprake is van herhaaldelijke hinder wordt gekeken naar de frequentie, duur en onderlinge samenhang van de gedragingen. De beoordeling of sprake is van herhaaldelijke hinder vindt plaats op basis van de concrete omstandigheden van het geval en wordt onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens, zoals rapportages of waarnemingen van politie, buitengewoon opsporingsambtenaren en/of daartoe aangewezen toezichthouders.

 

“Gedragingen” (art 2:79, eerste lid, APV)

Onder “gedragingen in of vanuit de woning of het erf” wordt verstaan: zowel handelen als nalaten van handelen van de gebruiker van de woning of van personen of dieren waarvoor deze verantwoordelijk is, voor zover deze gedragingen plaatsvinden in de woning, op het erf of in de directe omgeving daarvan en bijdragen aan het ontstaan of voortduren van hinder voor omwonenden. De gedragingen kunnen worden gepleegd door de gebruiker van de woning zelf of door bezoekers, gasten of vrienden van de gebruiker, maar ook door (bijvoorbeeld) diens huisdier. Het gaat om de woning die, of het erf dat, de overlastgever gebruikt.

 

Onder directe omgeving wordt mede verstaan de openbare ruimte in de nabijheid van de woning, voor zover er een voldoende concrete en toerekenbare relatie bestaat tussen de gedraging en de woning of het erf. De gedragingen die worden gepleegd in de nabije omgeving van de woning, bijvoorbeeld in de tuin van de buren, vallen in beginsel onder de bepaling. Zo kan een blaffende hond op de straat voor de woning of een intimiderende gedraging voor de deur van de woning van de buurman vallen onder het bestanddeel ‘gedragingen in of vanuit die woning of dat erf’. Van gedragingen die in of vanuit de woning plaatsvinden is geen sprake indien deze zich op zodanige afstand van de woning voordoen dat een relevante relatie met de woning of het erf ontbreekt.

 

“Omwonenden” (art 2:79, eerste lid, APV)

Het gaat om bewoners die woonachtig zijn in de directe nabijheid van de woning c.a. van waaruit de overlast plaatsvindt. Dit wordt per casus bezien.

 

“Woning of een bij die woning behorend erf ” (art 2:79, eerste lid, APV)

Met woning of bij die woning behorend erf wordt bedoeld de woning, de rest van het betrokken perceel (zoals een tuin) en de gezamenlijke ruimte binnen een wooneenheid, zoals het portiek, de parterretrap, de gezamenlijke buitenruimte, enzovoorts. Gelet op het bepaalde in artikel 151d, eerste lid, van de Gemeentewet vallen ook gedragingen in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf, zoals bijvoorbeeld gedragingen in de tuin van de buren, op het trottoir en of op straat ter hoogte van of vlakbij de woning, onder de reikwijdte van dit begrip (Kamerstukken II 2014/15, 34 007, 7, p. 13 resp. Kamerstukken II 2014/15, 34 007, 10, p.2).

 

“Andere geschikte wijze” (artikel 151d, tweede lid, Gemeentewet)

De burgemeester legt pas een specifieke gedragsaanwijzing op als de ernstige hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. Dit betekent dat de burgemeester pas overgaat tot het opleggen van een last met een gedragsaanwijzing als het niet mogelijk is gebleken om de overlast op een andere geschikte wijze tegen te gaan, waarmee wordt gedoeld op minder ingrijpende middelen (conform het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel).

 

De burgemeester komt beleidsvrijheid toe in de afweging of er geen andere geschikte wijze is om de hinder tegen te gaan. Dat kunnen ook andere middelen zijn dan de uitoefening van overheidsbevoegdheden. Voorbeelden van andere manieren om overlast te bestrijden zijn het geven van een waarschuwing, het gebruik van mediation of buurtbemiddeling of het door de bewoner zelf, of door de verhuurder van de woning van de overlastgever, aanspannen van een civiele procedure. De hiervoor genoemde mogelijkheden betreffen voorbeelden van minder ingrijpende interventies. De burgemeester beoordeelt per geval of en in hoeverre deze maatregelen geschikt en toereikend zijn. Het toepassen van één specifieke maatregel, zoals een waarschuwing, vormt daarbij geen noodzakelijke voorwaarde voor het kunnen opleggen van een bestuursrechtelijke maatregel. Pas als de burgemeester meent dat er redelijkerwijs geen andere geschikte wijze is om de ernstige hinder tegen te gaan (blijkend uit de omstandigheid dat eerdere maatregelen of acties geen of onvoldoende soelaas bieden), legt de burgemeester een last op. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat van onderhavig middel slechts gebruik kan worden gemaakt als ‘ultimum remedium’, indien er géén andere passende en minder ingrijpende instrumenten ter beschikking staan of tevergeefs zijn toegepast. Deze beleidsregel wordt gepositioneerd als sluitstuk in de aanpak van ernstige woonoverlast hetgeen aansluit bij de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

 

“Gebruiker van de woning’(art 2:79, eerste lid, APV)

Onder degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt wordt verstaan degene die de woning feitelijk bewoont. De gebruiker hoeft geen huurrechtelijke of eigendomsrechtelijke relatie tot de woning of het erf te hebben en hoeft niet de rechtmatige gebruiker van de woning te zijn. Ook een illegale onderhuurder of een kraker van de woning valt onder dit bestanddeel.

 

“Zorgplicht” (art 2:79, eerste lid, APV)

De gemeenteraad heeft in artikel 2:79 APV bepaald dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, er zorg voor dient te dragen dat door gedragingen in of rondom die woning of dat erf geen ernstige hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

 

Waarschuwing

Onder een waarschuwing wordt verstaan: een schriftelijke waarschuwing van de burgemeester, in de vorm van een sommatiebrief, waarin de overlastgever wordt gesommeerd om de overlast onmiddellijk te beëindigen en beëindigd te houden. In de waarschuwing wordt de betrokkene gewezen op de geldende zorgplicht als bedoeld in artikel 2:79 APV, uitgewerkt in deze beleidsregel, en wordt aangegeven dat bij voortzetting van de overlast bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen kunnen worden toegepast. De waarschuwing heeft tot doel de overlastgever in de gelegenheid te stellen zijn gedrag aan te passen.

 

De waarschuwing zoals bedoeld in deze beleidsregel is, gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat deze geen zelfstandig rechtsgevolg in het leven roept. Tegen de waarschuwing staat daarom geen bezwaar of beroep open. De waarschuwing maakt onderdeel uit van de stapsgewijze aanpak van woonoverlast en past binnen de escalatieladder van licht naar zwaar. Het betreft een beleidsmatige keuze om in beginsel eerst te waarschuwen alvorens bestuursrechtelijke maatregelen kunnen worden ingezet. Deze waarschuwing is echter geen wettelijke voorwaarde voor het opleggen van een bestuursrechtelijke maatregel. De burgemeester behoudt de bevoegdheid om, afhankelijk van de aard en ernst van de situatie, direct over te gaan tot handhaving zonder voorafgaande waarschuwing.

 

“Last onder bestuursdwang of onder dwangsom” (art 2:79, tweede lid, APV)

De burgemeester is alleen dan bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom, indien de ernstige hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. De burgemeester is ook bevoegd om, in plaats van een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom op te leggen. Dit volgt uit artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht. De last kan daarbij de vorm aannemen van een “aanwijzing” (gedragsaanwijzing).

 

Hoogte last onder dwangsom

Indien een last onder dwangsom wordt opgelegd, stelt de burgemeester de hoogte daarvan vast met inachtneming van de eisen van proportionaliteit en effectiviteit zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. De dwangsom heeft tot doel de overtreder te bewegen de overtreding te beëindigen en herhaling te voorkomen. De hoogte wordt zodanig vastgesteld dat deze een voldoende prikkel vormt om aan de opgelegde last te voldoen, zonder dat sprake is van een onevenredige financiële last. De burgemeester bepaalt per geval de hoogte van de dwangsom aan de hand van onder meer de aard en ernst van de overlast, de duur en frequentie van de overtreding en de omstandigheden van de overtreder, waaronder diens financiële draagkracht.

 

In beginsel wordt een dwangsom opgelegd van maximaal € 1.000,- per constatering van een overtreding, dan wel € 1.000,- per week dat niet aan de last wordt voldaan, waarbij een gedeelte van een week als een hele week wordt aangemerkt. De burgemeester kan gemotiveerd afwijken van deze bedragen indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven. Bij het bepalen van de wijze van verbeurte (per overtreding of per tijdseenheid) wordt aangesloten bij de aard van de opgelegde last. Tevens wordt een maximumbedrag vastgesteld waarboven geen dwangsommen meer worden verbeurd.

 

“Aanwijzing” c.q. “gedragsaanwijzing” (art 2:79, eerste lid, APV)

Ter bestrijding van ernstige en herhaaldelijke woonoverlast is de burgemeester bevoegd tot het opleggen van een gedragsaanwijzing. Deze gedragsaanwijzing wordt juridisch vormgegeven als een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. De gedragsaanwijzing bevat concrete en op de situatie toegesneden verplichtingen, gericht op het beëindigen van de overlast. Daarbij kan worden bepaald dat de overlastgever bepaalde handelingen dient te verrichten of juist dient na te laten. De inhoud van de gedragsaanwijzing wordt afgestemd op de aard en ernst van de overlast en de omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat de opgelegde verplichtingen voldoende concreet, controleerbaar en handhaafbaar moeten zijn. Voorbeelden van maatregelen die kunnen worden opgelegd zijn onder meer:

  • het beperken van het aantal bezoekers;

  • het verbieden van bezoekers op bepaalde tijdstippen;

  • het voorkomen van geluidsoverlast;

  • het treffen van maatregelen met betrekking tot dieren;

  • het onderhouden van de woning of het erf;

  • het nalaten van intimiderend gedrag.

De gedragsaanwijzing is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Titel 5.3 van de Awb (Herstelsancties) is van toepassing. Vanwege de bevoegdheidstoedeling om een last onder bestuursdwang op te leggen, is de burgemeester op grond van artikel 5:32 van de Awb tevens bevoegd een last onder dwangsom op te leggen. Hierdoor kan de burgemeester een last onder dwangsom opleggen met de verplichting tot de betaling van een geldsom indien de last niet wordt uitgevoerd. Mocht dit onvoldoende effect hebben, dan kan de burgemeester middels een last onder bestuursdwang door feitelijk handelen de overlast tot een einde brengen, met inachtneming van een begunstigingstermijn.

 

Het geven van een gedragsaanwijzing is pas aan de orde indien de inzet van een minder ingrijpende (lichtere) maatregel redelijkerwijze niet toereikend is. In zoverre geldt de gedragsaanwijzing als een ‘ultimum remedium’. De vorm van bestuursdwang is uiteraard afhankelijk van de precieze last die is opgelegd. Bij de last onder dwangsom verbeurt de betrokken bewoner een dwangsom, indien deze binnen de begunstigingstermijn niet, niet tijdig of niet volledig aan de opgelegde last voldoet. Bij de daadwerkelijke uitoefening van de bestuursdwang kan men denken aan het aanbrengen van geluidwerende vloerbedekking, het verwijderen van geluidsapparatuur, het in beslag nemen van huisdieren, het verwijderen van vuilnis, enzovoorts. Het moet in het vermogen van de betrokkene liggen om de hinderlijke gedragingen te beëindigen. De nadelige gevolgen van de last mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de last te dienen doelen (zie artikel 3:4, tweede lid, van de Awb). De kosten van de bestuursdwang kunnen op grond van artikel 5:25 van de Awb worden verhaald op de overlastgever.

 

“Tijdelijk huisverbod” (artikel 151d, derde lid, Gemeentewet)

De burgemeester kan, als onderdeel van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 151d, derde lid, van de Gemeentewet, een tijdelijk huisverbod opleggen. Dit houdt in dat een persoon voor een bepaalde periode de toegang tot de woning en de directe omgeving daarvan wordt ontzegd. Het tijdelijk huisverbod is een zeer ingrijpende maatregel en wordt uitsluitend toegepast als ultimum remedium. Hiervan is slechts sprake indien sprake is van ernstige en herhaaldelijke woonoverlast, eerdere, minder ingrijpende maatregelen onvoldoende effect hebben gehad of niet toereikend zijn, en er ernstige vrees bestaat voor voortzetting van de overlast.

 

Bij de toepassing van een tijdelijk huisverbod weegt de burgemeester alle betrokken belangen zorgvuldig af, waaronder het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het huisrecht van de betrokkene.

Het huisverbod geldt voor een beperkte duur, conform de wettelijke regeling, en kan slechts worden opgelegd indien dit noodzakelijk en evenredig is in verhouding tot het doel om de overlast te beëindigen en verdere escalatie te voorkomen.

 

“Uitvoerbaarheid van de last”

Het moet in het vermogen van betrokkene liggen om de hinderlijke gedragingen te staken. Ook moet het in diens vermogen liggen om aan de eventueel opgelegde last te kunnen voldoen. Dit vloeit voort uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Soms wordt de overlast veroorzaakt door mensen met psychische problemen. Het is mogelijk dat zij, door hun psychische gesteldheid, niet bij machte zijn de overlastgevende gedragingen te staken. Een gedragsmaatregel op grond van deze wet is dan mogelijk niet voldoende of geen passende maatregel ter beëindiging van de overlast.

Procedurele aanpak

De bevoegdheid van de burgemeester tot toepassing van artikel 151d van de Gemeentewet, in samenhang met artikel 2:79 APV, geldt als ultimum remedium. De burgemeester maakt hiervan slechts gebruik indien de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.

 

Uitgangspunt is dat bewoners in eerste instantie zelf verantwoordelijkheid dragen voor het oplossen van woonoverlast. Van betrokken bewoners wordt verwacht dat zij zich inspannen om de overlast onderling op te lossen en waar nodig zelf gebruik maken van beschikbare voorzieningen zoals buurtbemiddeling. Van deze inspanningen dient aantoonbaar sprake te zijn.

 

De aanpak van woonoverlast vindt plaats volgens een stapsgewijze escalatie van licht naar zwaar. Daarbij wordt eerst ingezet op preventieve en vrijwillige maatregelen, zoals een gesprek, buurtbemiddeling of inzet van zorg en ondersteuning. Indien deze interventies onvoldoende effect hebben, kan worden overgegaan tot meer dwingende maatregelen. Dit begint met een waarschuwing in de vorm van een sommatiebrief, waarin de bewoner wordt gesommeerd (een laatste waarschuwing) om de overlast te doen stoppen. Daarin wordt de bewoner tevens gewaarschuwd voor verder mogelijke bestuurlijke maatregelen door de burgemeester. Het opleggen van een gedragsaanwijzing in de vorm van een last onder dwangsom of bestuursdwang is een volgende stap. Afhankelijk van de aard en ernst van de situatie kan de burgemeester gemotiveerd afwijken van deze volgorde en bepaalde stappen overslaan. Gedurende het gehele proces wordt ingezet op een integrale aanpak, waarbij de gemeente de regie voert en samenwerkt met onder meer politie, woningcorporaties en zorgpartijen. Een zorgvuldige en volledige dossiervorming, gebaseerd op objectieve en verifieerbare gegevens, vormt daarbij een noodzakelijke voorwaarde voor het kunnen inzetten van bestuursrechtelijke maatregelen.

Stappenplan aanpak ernstige en herhaaldelijke woonoverlast

Het opleggen van een bestuursrechtelijke maatregel verloopt langs een aantal stappen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat bewoners in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor het oplossen van woonoverlast en zich aantoonbaar inspannen om de overlast onderling te beëindigen, onder meer door gebruik te maken van buurtbemiddeling. De stappen geven uitdrukking aan een stapsgewijze escalatie van licht naar zwaar, waarbij eerst wordt ingezet op vrijwillige en minder ingrijpende maatregelen en pas in een later stadium op bestuursrechtelijke handhaving.

 

Bij iedere stap is het mogelijk om niet juridische maatregelen toe te voegen aan het plan van aanpak, waarna verdere juridische stappen achterwege kunnen blijven. Afhankelijk van de aard en ernst van de situatie kan de burgemeester gemotiveerd besluiten één of meerdere stappen over te slaan.

 

  • 1.

    Stap 1: Melding of signalering

    Signalen of meldingen van ernstige en herhaaldelijke woonoverlast kunnen de gemeente via diverse wegen bereiken . Omwonenden of anderen kunnen woonoverlast zelf rechtstreeks melden bij de gemeente Gooise Meren. Het kan ook zo zijn dat de gemeente Gooise Meren, de politie, een woningcorporatie of één van de samenwerkingspartners van de gemeente Gooise Meren mogelijke situaties van ernstige woonoverlast signaleert of rapporteert.

  • 2.

    Stap 2: Vaststellen, verificatie en kwalificatie van de woonoverlast

    Binnengekomen meldingen worden geverifieerd, al dan niet met behulp van politie, buitengewoon opsporingsambtenaren, toezichthouders of andere betrokken partijen. Doel van de verificatie is het vaststellen van de aard, omvang en ernst van de overlast. Daarbij wordt beoordeeld of sprake is van “ernstige en herhaaldelijke hinder” als bedoeld in artikel 2:79, eerste lid, APV, op basis van objectief vastgestelde en verifieerbare gegevens.

     

    In geval van huurwoningen ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het beëindigen van de overlast in beginsel bij de verhuurder, zowel bij woningcorporaties als particuliere verhuurders. Van de verhuurder wordt verwacht dat deze, binnen de eigen mogelijkheden en bevoegdheden die onder andere het huurrecht biedt, zelf maatregelen treft om de overlast te doen stoppen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan het geven van waarschuwingen, het opleggen van gedragsaanwijzingen en, indien nodig, het starten van een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst of ontruiming.

     

    De gemeente sluit daarbij aan en beoordeelt in hoeverre deze interventies zijn ingezet en of deze voldoende effect hebben gehad, alvorens over te gaan tot verdere stappen.

  • 3.

    Stap 3: Dossiervorming / feitenmateriaal

    Om effectief en rechtmatig te kunnen ingrijpen bij ernstige en herhaaldelijke woonoverlast, wordt een dossier opgebouwd. Dit dossier bevat onder meer meldingen, concrete waarnemingen, rapportages van politie en toezichthouders, gespreksverslagen en overige relevante informatie. Een zorgvuldige en volledige dossiervorming vormt een noodzakelijke voorwaarde voor het kunnen toepassen van bestuursrechtelijke maatregelen. De gemeente Gooise Meren voert hierbij de regie en draagt zorg voor afstemming met betrokken partners, waar nodig binnen een multidisciplinair overleg.

  • 4.

    Stap 4: Verkenning en inventarisatie mogelijke interventies en maatregelen

    Met het oog op het beëindigen van de woonoverlast wordt beoordeeld welke interventies passend zijn, met inachtneming van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarbij wordt gewerkt volgens een oplopende escalatieladder:

    • a)

      Vrijwillige en preventieve maatregelen: in eerste instantie zijn bewoners zelf verantwoordelijk voor het oplossen van woonoverlast. Van hen wordt verwacht dat zij zich aantoonbaar inspannen om de overlast onderling op te lossen, onder meer door het voeren van een gesprek of het inzetten van buurtbemiddeling.

    • b)

      Indien dit niet tot een oplossing leidt, wordt ingezet op minder ingrijpende interventies, zoals een gesprek, buurtbemiddeling, mediation en, indien relevant, inzet van zorg of ondersteuning.

    • c)

      Waarschuwing: indien vrijwillige maatregelen onvoldoende effect hebben, kan een schriftelijke waarschuwing worden gegeven in de vorm van een sommatiebrief. Daarin wordt gewezen op de zorgplicht en de mogelijkheid tot handhavend optreden.

    • d)

      Bestuursrechtelijke maatregel (gedragsaanwijzing): indien de overlast voortduurt en niet op andere geschikte wijze kan worden tegengegaan, kan worden overgegaan tot het opleggen van een gedragsaanwijzing in de vorm van een last onder dwangsom of bestuursdwang.

  • 5.

    Stap 5: Daadwerkelijke inzet van maatregelen of het geven van een gedragsaanwijzing

    Bij de inzet van een gedragsaanwijzing wordt de betrokkene op grond van artikel 4:8 Awb in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen. In de last wordt concreet vastgelegd welke maatregelen moeten worden getroffen, welke begunstigingstermijn daarvoor geldt en wat de gevolgen zijn bij het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de opgelegde last. Deze termijn bedraagt in beginsel twee weken, tenzij de omstandigheden aanleiding geven om hiervan af te wijken. De opgelegde maatregel wordt afgestemd op de aard en ernst van de overlast en dient uitvoerbaar te zijn voor de betrokkene. Bij het opleggen van een bestuursrechtelijke maatregel weegt de burgemeester de betrokken belangen af overeenkomstig artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. De maatregel wordt slechts opgelegd indien deze noodzakelijk en evenredig is. Rekening houdend met die zienswijze zal de burgemeester besluiten de gedragsaanwijzing al dan niet (of in gewijzigde vorm) op te leggen. In beginsel wordt eerst gekozen voor een last onder dwangsom. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kan direct een last onder bestuursdwang worden opgelegd, bijvoorbeeld bij spoedeisendheid of wanneer een dwangsom onvoldoende effectief wordt geacht. Gedurende dit proces blijft de integrale samenwerking met partners centraal staan.

     

    Na het opleggen van een maatregel wordt gecontroleerd of de overlast is beëindigd en beëindigd blijft. De gemeente houdt toezicht op de naleving van de opgelegde verplichtingen en beoordeelt of verdere maatregelen noodzakelijk zijn. Indien de overlast aanhoudt of opnieuw ontstaat, kan worden overgegaan tot aanvullende of zwaardere maatregelen.

  • 6.

    Stap 6: Tijdelijk Huisverbod

    Indien sprake is van ernstige en aanhoudende overlast en eerdere maatregelen onvoldoende effect hebben gehad, kan als uiterste middel een tijdelijk huisverbod worden opgelegd op grond van artikel 151d, derde lid, van de Gemeentewet.

  • 7.

    Stap 7: Kostenverhaal

    Uitgangspunt bij de toepassing van bestuursdwang is dat de kosten ervan voor rekening van de overtreder van de zorgplicht (2:79, eerste lid, APV) komen.

Toezicht en handhaving

Diverse gemeenteambtenaren zijn aangewezen als toezichthouder in de zin van artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Zij houden toezicht op de naleving van de regels uit de APV, waaronder artikel 2:79 APV, en op de uitvoering van de in deze beleidsregel beschreven maatregelen. Daarnaast zijn de buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) belast met toezicht en handhaving binnen het domein van de openbare ruimte. Zij verrichten in dat kader feitelijke waarnemingen en leggen deze vast in rapportages, die kunnen dienen als onderdeel van de noodzakelijke dossiervorming. De politiefunctionarissen van de Nationale Politie, in hun hoedanigheid van opsporingsambtenaar, vervullen een aanvullende rol bij de signalering, vaststelling en rapportage van woonoverlast. Deze informatie kan worden betrokken bij de beoordeling van de overlast en de eventuele inzet van bestuursrechtelijke maatregelen.

Hardheidsclausule

In bijzondere gevallen kan de burgemeester afwijken van het bepaalde in deze beleidsregel, indien toepassing daarvan voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die, gelet op de omstandigheden van het geval, onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregel te dienen doelen.

Bekendmaking, inwerkingtreding en citeertitel

Deze beleidsregel wordt bekendgemaakt in het Gemeenteblad en op overheid.nl en treedt in werking op de dag na verschijning. Zij wordt aangehaald als ‘Beleidsregel aanpak ernstige en herhaaldelijke woonoverlast Gooise Meren 2026.’

Aldus vastgesteld te Gooise Meren, op 30 juni 2026

De burgemeester van de gemeente Gooise Meren,

Drs. H. M.W. ter Heegde

Naar boven