Algemene subsidieverordening gemeente Midden-Drenthe 2026

De raad van de gemeente Midden-Drenthe;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 mei 2026;

 

gelet op

  • artikel 149 van de Gemeentewet;

  • titel 4.2. van de Algemene wet bestuursrecht;

 

 

besluit:

vast te stellen de

 

Algemene subsidieverordening gemeente Midden-Drenthe 2026

 

 

Artikel 1. Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • college: het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe;

  • Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47) heeft vastgesteld;

  • onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;

  • Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47);

  • verstrekken: het geheel van verlenen en vaststellen van de subsidie;

  • wet: Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 2. Reikwijdte

  • 1.

    Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen.

  • 2.

    Op subsidies die per boekjaar worden verleend is afdeling 4.2.8 van de wet van toepassing, tenzij in nadere regeling of de verleningsbeschikking anders is bepaald.

  • 3.

    Op subsidies die per boekjaar worden verleend, waarvan de hoogte van het subsidiebedrag hoger is dan € 100.000, is artikel 4:71 van de wet van toepassing. De toestemming wordt schriftelijk gevraagd.

  • 4.

    Het college is bevoegd subsidies te verstrekken.

 

Artikel 3. Subsidieregelingen

  • 1.

    Het college kan bij nadere regeling vaststellen welke activiteiten in aanmerking komen voor subsidie.

  • 2.

    Voor zover van toepassing, bevat de regeling voorts bepalingen over de doelgroepen die voor subsidie in aanmerking komen, de wijze van berekening van de subsidie en de wijze van uitbetaling van de subsidiebedragen.

  • 3.

    In het geval er meerdere gegadigden voor de subsidie kunnen zijn, voorziet de subsidieregeling in een transparante procedure voor de verdeling van de subsidiegelden op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria, een en ander onverminderd het hierna bepaalde.

  • 4.

    Onverminderd het hierna bepaalde kan het college bij nadere regeling afwijken van de regels van deze verordening.

 

Artikel 4. Staatssteunregels

  • 1.

    Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen.

  • 2.

    Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het desbetreffende steunkader.

  • 3.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.

  • 4.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader.

  • 5.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader.

 

Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  • 1.

    Het college kan een subsidieplafond vaststellen als bedoeld in de wet.

  • 2.

    De wijze van verdeling van de betrokken subsidie wordt in een subsidieregeling bepaald.

  • 3.

    Het college stelt de hoogte van het subsidieplafond jaarlijks vast. Is de hoogte van het subsidieplafond niet vastgesteld, dan is de hoogte van het plafond gelijk aan het bedrag dat voor de betreffende subsidie in de begroting van dat jaar is genoemd.

  • 4.

    Het college kan een subsidieplafond verlagen als:

  • a.

    het plafond is vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; en

  • b.

    de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.

  • 5.

    Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor ingediende aanvragen.

  • 6.

    Verlening van een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, geschiedt onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.

 

Artikel 6. Transparantie bij begrotingssubsidies en incidentele subsidies

  • 1.

    Indien voor een bepaalde subsidie geen subsidieregeling is vastgesteld, dan bepaalt het college aan de hand van objectieve, toetsbare en redelijke criteria of er meerdere of slechts één serieuze gegadigde is voor de subsidieverlening.

  • 2.

    Indien er naar het oordeel van het college één serieuze gegadigde is voor de subsidie als bedoeld in het eerste lid, dan maakt het college het voornemen tot het verlenen aan die gegadigde minimaal acht weken vóór het nemen van het verleningsbesluit bekend door plaatsing van het ontwerpbesluit in het Gemeenteblad. De termijn voor het indienen van een zienswijze is minimaal zes weken.

  • 3.

    Zijn er meerdere gegadigden voor een subsidie als bedoeld in het eerste lid, dan maakt het college de aanvraagtermijn en de toewijzingscriteria minimaal twaalf weken voor het nemen van de beslissing bekend in het Gemeenteblad. De termijn waarbinnen aanvragen kunnen worden ingediend is minimaal acht weken. De toewijzingscriteria zijn objectief, toetsbaar en redelijk.

 

Artikel 7. Aanvraag

  • 1.

    De aanvrager dient de aanvraag schriftelijk of langs elektronische weg in bij het college.

  • 2.

    De schriftelijke aanvraag is op een aanvraagformulier. Als deze niet beschikbaar is, is de aanvraag per brief.

  • 3.

    De elektronische aanvraag is op het toepasselijke webformulier. Als deze niet beschikbaar is, kan het algemene webformulier worden gebruikt of het algemene mailadres van de gemeente.

  • 4.

    Bij de aanvraag legt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens over:

  • a.

    een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

  • b.

    de beoogde doelen en resultaten;

  • c.

    een beschrijving hoe de activiteiten daaraan bijdragen;

  • d.

    een begroting van de kosten van de activiteiten, en

  • e.

    een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten, met een opgave van onder meer verwachte inkomsten en de bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken.

  • 5.

    Als de aanvrager beschouwd moet worden als een onderneming in de zin van deze verordening, legt de aanvrager tevens over:

  • a.

    een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

  • b.

    een verklaring als bedoeld in de toepasselijke verordening met betrekking tot de-minimissteun (de-minimisverklaring);

  • 6.

    Als het een subsidie betreft die per boekjaar of kalenderjaar aan een rechtspersoon wordt verstrekt, legt de aanvrager tevens over: de stand van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag. Dit onverminderd het hierna ten aanzien van de egalisatiereserve bepaalde.

  • 7.

    Een rechtspersoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt, legt tevens over: een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, alsmede het jaarverslag, de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar.

  • 8.

    In een subsidieregeling kan het college andere of aanvullende aanvraagvereisten stellen.

  • 9.

    Het college kan bij de openstelling van de aanvraagtermijn, maar in elk geval vóór de ontvangst van de aanvraag, andere of aanvullende aanvraagvereisten kenbaar maken, waaronder het overleggen van gegevens benodigd voor het doen van een eigen onderzoek als bedoeld in artikel 6 jo. Artikel 7a van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

 

Artikel 8. Aanvraagtermijn

  • 1.

    De aanvraag om een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, wordt ingediend uiterlijk 1 juni voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2.

    In het geval het boekjaar afwijkt van het kalenderjaar wordt de aanvraag uiterlijk twintig weken voorafgaand aan dat boekjaar ingediend.

  • 3.

    Andere aanvragen om subsidie worden ingediend uiterlijk twintig weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 4.

    Bij nadere regeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

 

Artikel 9. Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, uiterlijk op de dag voorafgaande aan het kalender- of boekjaar waarop de subsidie betrekking heeft.

  • 2.

    Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 8 derde lid, uiterlijk twee weken voorafgaande aan de aanvang van de activiteit waarvoor de subsidie is aangevraagd.

  • 3.

    Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

  • 4.

    Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de beslistermijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.

 

Artikel 10. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden

  • 1.

    Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de wet en artikel 6 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, weigert het college de subsidie in ieder geval:

  • a.

    als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt, of

  • b.

    als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

  • 2.

    Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking naar het oordeel van het college in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:

  • a.

    subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of

  • b.

    de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.

  • 3.

    Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie in ieder geval weigeren:

  • a.

    als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen;

  • b.

    als de te subsidiëren activiteiten onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

  • c.

    als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

  • d.

    als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

  • e.

    als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;

  • f.

    als in de activiteit waarvoor de subsidie wordt gevraagd al op een andere toereikende wijze wordt voorzien;

  • g.

    als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;

  • h.

    als sprake is van een weigeringsgrond artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • i.

    als het college een ernstig vermoeden heeft dat de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde, ongeacht of de subsidie daarvoor wordt gebruikt;

  • j.

    als het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de aanvrager niet de capaciteiten of geschikte rechtsvorm heeft om de aangevraagde activiteit uit te voeren;

  • k.

    als naar het oordeel van het college de financiële continuïteit of de operationele continuïteit van de aanvrager dan wel degene die de activiteit uitvoert onvoldoende is geborgd;

  • l.

    in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.

  • 4.

    Het college kan, onverminderd de gronden als bedoeld in de wet, een verlening of de vaststelling in ieder geval intrekken:

  • a.

    in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • b.

    als de subsidieontvanger niet binnen de gestelde termijn een goedkeurende beoordelings- of controleverklaring kan overleggen.

  • 5.

    Het college vordert een subsidie met rente terug als dit nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

 

Artikel 11. Wijze van verantwoording en termijn vaststellingsaanvraag

Voor zover dit niet is bepaald in deze verordening of in de subsidieregeling, vermeldt de verleningsbeschikking de wijze waarop de subsidieontvanger de besteding van de subsidie verantwoordt, alsmede de termijn voor het aanvragen van de vaststelling.

 

Artikel 12. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger

  • 1.

    Als aannemelijk is dat één of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld aan het college.

  • 2.

    Een subsidieontvanger informeert het college in ieder geval onverwijld over:

  • a.

    beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend;

  • b.

    relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

  • c.

    ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen;

  • d.

    ontwikkelingen die ertoe leiden dat bij de uitvoering van de activiteiten de kosten of inkomsten meer dan 10% per begrotingspost afwijken van de bij de subsidieaanvraag aangeleverde begroting;

  • e.

    wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders, of het doel van de rechtspersoon;

  • f.

    wijzigingen in het bestuur van de rechtspersoon, de directie of het toezicht op het bestuur;

  • g.

    beslissingen of procedures die zijn gericht op de ontbinding van de rechtspersoon.

  • 3.

    De melding dan wel het informeren als bedoeld in de voorgaande leden geschiedt schriftelijk dan wel elektronisch op het daarvoor ter beschikking gestelde webformulier, en zo deze niet beschikbaar is, op het algemene webformulier dan wel het algemene mailadres van de gemeente.

 

Artikel 13. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

  • 1.

    Bij subsidies hoger dan € 50.000, verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan het college de verplichting opleggen tot het jaarlijks tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten.

  • 2.

    Bij subsidieregeling of in de verleningsbeschikking kan het college aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de wet opleggen, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

  • 3.

    Bij subsidieregeling kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.

  • 4.

    Het college kan bij nadere regeling of in de verleningsbeschikking aan de subsidieontvanger verplichtingen opleggen in het kader van social return.

  • 5.

    Het college kan bij nadere regeling of in de verleningsbeschikking aan de subsidieontvanger verplichtingen opleggen in het kader van de fysieke toegankelijkheid, sociale toegankelijkheid en informatietoegankelijkheid.

  •  

Artikel 14 Vermogensvergoeding

  • 1.

    De subsidieontvanger is, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan het college een vergoeding verschuldigd, als zich een gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de wet.

  • 2.

    De vermogensvergoeding bedraagt 100% van de vermogensvorming, voor zover dit vermogen is gevormd door de gemeentelijke subsidieverstrekking.

  • 3.

    Op de berekening van de vermogenstoename kan het college een correctie toepassen voor zover die samenhangt met boekverlies of een wijziging in de waarderingsgrondslagen voor materiële, vaste, immateriële en financiële activa.

  • 4.

    Bij twijfel over de juistheid van de toegepaste waarderingsgrondslagen kan het college de subsidieontvanger verplichten om hieromtrent een accountantsverklaring in te dienen.

  • 5.

    Het college kan bij nadere regeling over de berekening van de vergoeding aanvullende regels stellen.

 

Artikel 15. Egalisatiereserve en bestemmingsreserves

  • 1.

    In de verleningsbeschikking of in de nadere regeling kan worden bepaald dat de subsidieontvanger van een per kalender- of boekjaar verstrekte subsidie die meer dan € 5.000 bedraagt een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72, eerste lid, van de wet vormt.

  • 2.

    De ontvanger van een andere subsidie dan bedoeld in het eerste lid kan het college verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen. In dat geval is artikel 4:72 van de wet van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Het totaal van de egalisatiereserve bedraagt op enig gegeven moment niet meer dan 10% van het jaarlijkse subsidiebedrag.

  • 4.

    Het college kan in de verleningsbeschikking afwijken van het percentage als bijzondere omstandigheden dit noodzakelijk maken.

  • 5.

    Subsidieontvanger vermeldt de actuele stand van de egalisatiereserve in de aanvraag tot verlening alsook in de eventuele aanvraag tot vaststelling. Als er een overschrijding is, kan het college het overschot in mindering brengen op de subsidie van de volgende periode.

  • 6.

    Het college kan toestemming verlenen voor het aanhouden van een bestemmingsreserve indien daarvoor naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn met het oog op de gesubsidieerde activiteiten.

  • 7.

    In het geval de subsidierelatie eindigt, betaalt de subsidieontvanger het positief saldo van de egalisatiereserve dan wel de bestemmingsreserve, zoals dat per 31 december van het voorgaande jaar luidde, en eventuele latere toevoegingen volledig terug aan het college.

 

Artikel 16. Bevoorschotting

  • 1.

    Het college kan in de verleningsbeschikking bepalen dat een voorschot wordt betaald ter hoogte van maximaal het verleende bedrag.

  • 2.

    Het college kan het voorschot in termijnen betalen.

  •  

Artikel 17. BTW

  • Het subsidiebedrag in de verleningsbeschikking is inclusief eventueel over de activiteiten verschuldigde BTW. Als blijkt dat BTW verschuldigd is over de ontvangen subsidie of over gesubsidieerde activiteiten, verleent het college geen aanvullende subsidie. Het college kan om zwaarwegende redenen hiervan afwijken.

  •  

Artikel 18. Wijze van vaststelling en verantwoording subsidies tot en met € 5.000

  • 1.

    Het college stelt een subsidie met een hoogte tot en met € 5.000 vast gelijktijdig met de verlening.

  • 2.

    De subsidieontvanger houdt een feitelijk verslag bij van de activiteiten en de kosten daarvan, ondersteund door bewijsmiddelen, alsmede een duidelijke financiële administratie met betrekking tot de kosten en de dekking van de activiteiten, en bewaart deze stukken ten minste gedurende vijf jaren.

  • 3.

    Het college kan binnen vijf jaren na de verlening en vaststelling van de subsidie verlangen dat de subsidieontvanger aantoont dat de gesubsidieerde activiteiten hebben plaatsgevonden en dat hij rekening en verantwoording aflegt over de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten. Alsdan kan het college gebruik maken van de bevoegdheden van artikel 4:49 en artikel 4:57 van de Awb.

 

Artikel 19. Aanvraag subsidievaststelling subsidies tussen € 5.000 en € 50.000

  • 1.

    Bij subsidies van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 50.000 dient de subsidieontvanger uiterlijk acht weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, een aanvraag tot vaststelling in.

  • 2.

    Bij subsidieregeling kan het college categorieën subsidieontvangers aanwijzen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend als bedoeld in het eerste lid. Het tweede en derde lid van artikel 18 zijn voor die subsidieontvangers van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Bij subsidieregeling kan het college bepalen dat de vaststelling van de subsidie tot een bepaalde hoogte gelijktijdig plaatsvindt met de verlening, zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend als bedoeld in het eerste lid. Het tweede en derde lid van artikel 18 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan en een rekening en verantwoording over de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten.

  • 5.

    Bij subsidieregeling of in de verleningsbeschikking kan het college bepalen dat subsidieontvanger op een andere manier aantoont in hoeverre de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan.

  • 6.

    Bij subsidieregeling of in de verleningsbeschikking kan het college andere termijnen vaststellen of andere gegevens verlangen.

 

Artikel 20. Aanvraag subsidievaststelling subsidies van meer dan € 50.000

  • 1.

    Bij subsidies van meer dan € 50.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in:

  • a.

    in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk op 30 april van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar;

  • b.

    in geval van een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt, uiterlijk 12 weken na afloop van het betrokken boekjaar;

  • c.

    in andere gevallen uiterlijk acht weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.

  • 2.

    De aanvraag tot vaststelling bevat:

  • a.

    een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;

  • b.

    een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);

  • c.

    een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop; en

  • d.

    de bij de jaarrekening behorende controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant, waarbij bij subsidies met een totaal subsidiebedrag tot € 300.000,- met een beoordelingsverklaring kan worden volstaan.

  • 3.

    De jaarrekening en het financieel verslag worden op dezelfde wijze gepresenteerd als de bij de aanvraag van de subsidie overgelegde stukken als bedoeld in artikel 7, tweede lid.

  • 4.

    Bij subsidieregeling of in de verleningsbeschikking kan het college andere termijnen vaststellen of andere gegevens verlangen.

 

Artikel 21. Subsidievaststelling subsidies van meer dan € 5.000

  • 1.

    Het college stelt een subsidie van meer dan € 5.000 vast binnen acht weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald.

  • 2.

    Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verlengd.

  • 3.

    Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikelen 19, eerste lid en 20, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is ingediend, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Als de aanvraag niet binnen deze termijn wordt ingediend, kan het college overgaan tot ambtshalve vaststelling.

 

Artikel 22. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen

  • 1.

    Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met gebruikmaking van een bij subsidieregeling voorgeschreven berekeningswijze.

  • 2.

    Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van de bij de subsidieregeling voorgeschreven definities.

  • 3.

    Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.

 

Artikel 23. Hardheidsclausule (evenredigheidstoets)

  • 1.

    Als een bij of krachtens deze verordening gestelde termijn voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de te dienen belangen, kan het college een andere termijn vaststellen.

  • 2.

    In een subsidieregeling kan het college bepalen dat van een of meer bepaalde artikelen of artikelleden van die regeling kan worden afgeweken als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.

 

Artikel 24. Slotbepalingen

  • 1.

    De Algemene subsidieverordening Midden-Drenthe, zoals vastgesteld op 26 april 2012 en laatstelijk gewijzigd 29 februari 2024, wordt ingetrokken.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking.

  • 3.

    Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend vóór deze datum zijn van toepassing de bepalingen van de Algemene subsidieverordening Midden-Drenthe, zoals vastgesteld op 26 april 2012 en later gewijzigd.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in het vorige lid, blijven subsidieregelingen en beleidsstukken die gegrond zijn op de Algemene subsidieverordening Midden-Drenthe, zoals deze is vastgesteld op 26 april 2012 en later gewijzigd, geldend totdat zij vervangen zijn door regelingen op grond van deze verordening, dan wel zijn ingetrokken.

  • 5.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening gemeente Midden-Drenthe 2026.

 

 

 

Besloten in de openbare vergadering van de raad,

gehouden op 25 juni 2026

de raadsgriffier, de voorzitter,

N. de Vries-Rintjema J. Zwiers

Toelichting

Algemeen:

De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft in Titel 4:2 regels over subsidies. In de Awb wordt bepaald wat subsidie is, hoe het aanvraag- en vaststellingsproces eruitziet, welke verplichtingen een subsidie-ontvanger heeft, wat de weigerings- wijzigings- en intrekkingsgronden zijn en wanneer en hoe kan worden teruggevorderd. Ook is er een aparte facultatieve afdeling voor subsidies die per boekjaar worden verstrekt aan rechtspersonen, waarin e.e.a. verder is uitgewerkt, en waarin bijvoorbeeld bepalingen staan over vermogensvorming.

In veel van deze algemene bepalingen, die voor alle bestuursorganen gelden, is bepaald dat kan worden afgeweken. Dat kan dan bij wettelijk voorschrift, en soms “bij of krachtens” wettelijk voorschrift, of in de verleningsbeschikking. De regeling in de Awb is dus te beschouwen als een basisregeling, die aan te passen is aan de eisen die de gemeente stelt aan de uitvoeringspraktijk.

Bovendien is de hoofdregel van de subsidieverlening, dat subsidieverstrekking plaatsvindt op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden gegeven. De Awb biedt zelf die grondslag niet. De Awb kent alleen voor een paar uitzonderingsgevallen een grondslag voor subsidieverstrekking door te bepalen dat er geen wettelijke grondslag nodig is, namelijk voor incidentele subsidies, begrotingssubsidies en subsidies in afwachting van een regeling.

Om een grondslag te hebben voor het verstrekken van subsidies in de gemeente moet een gemeente dus een verordening hebben die die grondslag biedt. Een gemeente kan niet volstaan met alleen de uitzonderingen die de Awb biedt, alleen al omdat het verstrekken van alleen incidentele subsidies en begrotingssubsidies onvoldoende transparant en rechtszeker is, er een gevaar is voor willekeur (niet goed navolgbaar), het daardoor minder goed handhaafbaar is, het niet goed te begroten is, en het overigens ook niet praktisch is.

In alle gemeenten heet deze verordening de “Algemene subsidieverordening”. In die Algemene subsidieverordening, of “Asv” worden naast het bieden van de grondslag voor subsidies door het “delegatieartikel”, de voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk relevante afwijkingen en toevoegingen op de bepalingen van de Awb vastgelegd.

Het probleem van de wettelijke hoofdregel in de gemeentelijke uitvoeringspraktijk is, dat er zoveel variatie is in subsidies. Ieder subsidieproces zou eigenlijk moeten worden afgestemd op de kenmerken van de doelgroep en de activiteiten die in die doelgroep worden bedacht en georganiseerd. Het is ondoenlijk om in één verordening alle soorten subsidie te vatten met eigen beschrijving van activiteiten en de eigenaardigheden van het subsidieproces.

In de oude Asv 2012 waarvan de opzet dateert van 2007/2008, is dat wel geprobeerd door een vereenvoudiging van alle mogelijke subsidies tot “waarderingssubsidies” en “budgetsubsidies”, en te bepalen dat de raad in de begroting de activiteiten en doelgroep zou bepalen, maar dat deed geen recht aan de benodigde diversiteit van de subsidies en zorgde alleen maar voor frustratie en onduidelijkheid in de uitvoering. In de praktijk kon bovendien de summiere tabel die in de begroting onder de subsidieparagraaf werd opgenomen bezwaarlijk worden aangemerkt als een voldoende beschrijving van de activiteiten om als grondslag te dienen voor de subsidieverlening.

De nieuwe Algemene subsidieverordening, die de Asv 2012 vervangt, is gebaseerd op het VNG-model uit 2013 (laatstelijk gewijzigd 2019). In dat model is een andere oplossing gekozen, namelijk het doorleggen van de wetgevende bevoegdheid aan het college. Het college wordt in artikel 3 bevoegd gemaakt om in “nadere regels”, per activiteit de procedure en de eigenaardigheden van de subsidieverlening te regelen. Dit heet de “delegatiebepaling”. Het gaat hier niet zozeer om delegatie van de bevoegdheid om subsidie te verlenen, maar om delegatie van de bevoegdheid om verordeningen vast te stellen. De nadere regel moet dan ook beschouwd worden als een verordening (te vergelijken met de regeling in de Legesverordening, waar het college de bevoegdheid krijgt een wijzigingsverordening bepaalde leges vast te stellen). Alleen zo wordt voldaan aan de eis uit de wet dat de grondslag bij wet kan worden geregeld. Naast het college blijft de raad bevoegd om specifieke subsidieverordeningen vast te stellen.

De nieuwe Asv is dus puur een instrumentele verordening en geeft, anders dan de oude Asv, geen grondslag voor subsidieverlening. Het doorleggen van de bevoegdheid aan het college wordt geregeld en voor de rest zijn het slechts procedurele bepalingen, waarvan in de meeste gevallen ook nog kan worden afgeweken in de nadere regelingen (subsidieregelingen). De bedoeling van deze opzet is dat zoveel mogelijk geregeld wordt in nadere regelgeving. De nadere regelingen kunnen immers veel beter worden afgestemd op de subsidie dan een algemene verordening, zoals de Asv 2012.

De grondslag voor de subsidieverlening ligt dan in de nadere regeling in combinatie met artikel 3 van de Asv en artikel 4:21 en 4:23 lid 1 van de Awb.

Voor uitzonderingen, waar een nadere regeling niet voor de hand ligt, staat als gezegd de grondslag in artikel 4:23 lid 3 van de Awb, waarvan de “incidentele subsidie”, de “begrotingssubsidie” en de “subsidie in afwachting van nadere regeling” voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk relevant zijn.

Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat deze andere mogelijkheden echt de uitzonderingen zijn op de hoofdregel, en dat waar dat mogelijk is, de grondslag in een nadere regeling wordt gelegd. Alleen zo wordt zoveel mogelijk voldaan aan de eisen van klantvriendelijkheid, transparantie, navolgbaarheid, handhaafbaarheid, rechtmatigheid en doelmatigheid.

De mogelijkheid van de incidentele subsidie kan bijvoorbeeld gebruikt worden bij subsidieverlening naar aanleiding van een gehonoreerd beroep op het “Right to challenge” Het “Right to challenge” of “Uitdaagrecht” is de mogelijkheid van het maatschappelijk veld (inwoners, maar ook bedrijven), om gemeenten te vragen gemeentelijke taken zelf te mogen uitvoeren. In de diverse publicaties over dit onderwerp is geen lijn te trekken in welke vorm de financiering van over te nemen gemeentelijke taken zou moeten plaatsvinden. Zowel subsidie als opdrachtverlening wordt genoemd als vorm. In het concept van de participatieverordening van de gemeente dat op dit moment voorligt bij de gemeenteraad, is het uitdaagrecht vastgelegd. De participatieverordening geeft geen uitsluitsel hoe de financiering moet plaatsvinden, alleen dat er een overeenkomst moet worden gesloten waarin een en ander geregeld wordt.

Het zal afhankelijk zijn van de omstandigheden, bijvoorbeeld de begroting van de uitdager of inkoop of subsidie geschikt is. Als tot een subsidie wordt besloten, start het altijd als een incidentele subsidie, waarna er de keuze is: regeling of een begrotingssubsidie. In elk geval is het zo, dat als er een subsidie wordt afgegeven, de regels voor het bieden van mededinging gelden (waaronder het beginsel van het bieden van informatie en transparantie en gelijke behandeling (level playing-field)).

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1. Definities

In dit artikel is een aantal definities opgenomen. Deze definities gelden niet alleen voor deze verordening, maar ook voor de hierop te baseren regelingen. Deze definities zullen dus niet nogmaals in de verschillende subsidieregelingen opgenomen hoeven te worden. Ook kan hier niet van worden afgeweken.

Er is geen definitie opgenomen van subsidie. Wat onder een subsidie moet worden verstaan, is omschreven in artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Kenmerken van een subsidie zijn dat er aanspraak is op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Overigens: ook garanties en leningen kunnen onder het subsidiebegrip vallen. Zie CBb 06-10-2016, ECLI:NL:CBB:2016:317 en CBb 01-05-2018, ECLI:NL:CBB:2018:237, en vele andere uitspraken.

Het begrip Europees steunkader is wel gedefinieerd. Mocht het zo zijn dat een Europees steunkader, dan wel de-minimisverordening, wordt gewijzigd, aangepast of verlengd dan is het van belang dat de steun in overeenstemming is met de nieuwe bepalingen die daarin zijn opgenomen. Waarschijnlijk zal dat dan moeten leiden tot aanpassen van de desbetreffende subsidieregeling (zie toelichting bij artikel 3).

Een Europees steunkader is een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun. Dit is in beginsel onbeperkt. Voorbeelden op dit moment zijn:

de Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 2017/1084 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 156/1);

de Landbouw vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 193/1); en

de Visserij vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 369/37).

De-minimissteun is op dit moment steun die wordt verstrekt op basis van

Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352/1);

Verordening (EU) nr. 2019/316 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 51 I/1);

Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), of

Verordening (EU) 2018/1923 van de Commissie van 7 december 2018 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PbEU L 313/2).

Bij het vervallen van een Europees steunkader, dan wel toepasselijke de-minimisverordening, kan er niet langer rechtmatig staatssteun worden verstrekt. Het is daarom raadzaam de looptijden van de Europese steunkaders in acht te nemen.

Het begrip “onderneming” is overgenomen uit de Europese staatssteunwetgeving en jurisprudentie. In het kort komt het erop neer dat als er een dienst wordt verleend die kan worden gewaardeerd in een markt waar commerciële aanbieders actief zijn, of een goed wordt aangeboden die verhandelbaar is in een commerciële markt, de persoon die dat doet, gezien moet worden als een ondernemer.

Tenslotte is het begrip “verstrekken” nog gedefinieerd, dit omwille van de duidelijkheid. In de praktijk wordt het woord verstrekken vaak gebruikt in plaats van verlenen. Dit zorgt voor verwarring. Verstrekken is de wettelijke term voor het hele subsidieproces, van verlening, voorschotverlening tot vaststelling, en alle andere handelingen en besluiten die daarmee te maken hebben.

 

Artikel 2. Reikwijdte

Eerste lid

In het VNG-Model staat dat de Asv geldt voor de subsidies die door het college worden afgegeven, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is. In deze verordening is daarvan afgeweken. Asv bevat regels voor de gehele subsidieverlening in de gemeente, ook als gebruik wordt gemaakt van incidentele of begrotingssubsidies.

Tweede lid

In het tweede lid wordt de standaard toepasselijkheid van afdeling 4.2.8 geregeld. Deze afdeling is toepasselijk op subsidies die per boekjaar worden verstrekt aan rechtspersonen. In de wet staat dat deze afdeling per geval toepasselijk kan worden verklaard. In de Asv is dat nu omgedraaid: de afdeling is van toepassing op dergelijke subsidies en de ontvangers daarvan moeten voldoen aan de daarin staande voorwaarden, tenzij anders bepaald. Omdat de regeling in de Awb van hogere orde is dan de regeling in de Asv, dienen de regels van de Awb gevolgd te worden, voor zover deze afwijken van de regels van de Asv.

Derde lid

In het derde lid is artikel 4:71 van de wet van toepassing verklaard op subsidies met een hoogte van meer dan of gelijk aan € 100.000,-. De ontvangers van subsidies van een dergelijke hoogte zij veelal afhankelijk van de subsidies en daarbij wordt het maatschappelijk belang verondersteld. Het artikel geeft een informatieverplichting en een verplichting tot het vragen van toestemming bij handelingen die financiëel of organisatorisch van belang zijn, ook met betrekking tot beïnvloeding.

Vierde lid

Spreekt voor zich. De Algemene wet bestuursrecht spreekt over bestuursorganen die subsidie verlenen. Strikt genomen zou dit kunnen betekenen dat binnen de gemeente alle andere bestuursorganen dan het college bevoegd zouden kunnen zijn. Gelet op het dualisme is het college het bestuursorgaan dat subsidie verstrekt.

 

Artikel 3. Subsidieregelingen

Met dit artikel krijgt het college de bevoegdheid om in nadere regels (subsidieregelingen), de te subsidiëren activiteiten en de doelgroepen die voor subsidie in aanmerking komen te bepalen en regels te stellen over onder meer de berekening van de subsidie en de wijze van uitbetalen. Zie ook het algemene deel van de toelichting.

In deze verordening worden de begrippen subsidieregeling en nadere regels naast elkaar gebruikt. De subsidieregeling is een nadere regeling die de activiteiten en de andere bijzonderheden van een of meer specifieke subsidies regelt, als bedoeld in het eerste lid.

In het derde lid is de opdracht voor het college opgenomen om in de subsidieregeling een transparante procedure voor de verdeling van de subsidiegelden op te nemen op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria, zodra er meerdere gegadigden voor de subsidie kunnen zijn. Deze verplichting geldt zowel voor subsidies die als schaars moeten worden beschouwd als voor subsidies met een subsidieplafond als voor openeinderegelingen.

Het vierde lid kent een algemene bevoegdheid voor het college om bij nadere regeling af te wijken van de regels in de verordening, naast de bevoegdheid om in individuele gevallen af te wijken (in de verleningsbeschikking) of in individuele gevallen waarin het evenredigheidsbeginsel een rol speelt (hardheidsclausule). Het spreekt vanzelf dat voor afwijking een goede reden moet bestaan.

 

Artikel 4. Staatssteunregels

Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er in de subsidieregeling afgeweken wordt van de ASV, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt het college daartoe bevoegd.

Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese Commissie dat in subsidieregelingen en -beschikkingen die gebruik maken van het Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld.

Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader (vierde lid). Net zo goed als dat bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, kunnen ondernemingen alleen in aanmerking komen als de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader (vijfde lid).

Zie ook de toelichting bij artikel 3 van de Model Subsidieregeling van de VNG (bijlage bij de Model Algemene subsidieverordening 2013).

 

Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

Jaarlijks vaststellen en bekendmaken

Het college stelt de hoogte van de subsidieplafonds jaarlijks vast (derde lid). Voor de reguliere subsidies zal dat kort na het vaststellen van de begroting voor dat jaar zijn. Bij de bekendmaking daarvan wordt tevens de regeling vermeld, waarin de wijze van verdelen voor die bepaalde subsidie is vastgelegd (eerste en tweede lid in combinatie met artikel 4:26, tweede lid, van de Awb). Bekendmaking geschiedt door plaatsing van het besluit met de subsidieplafonds in het gemeenteblad. Het ligt voor de hand om alle subsidieplafonds in één besluit te bundelen. Bij de uiteindelijke publicatie van de subsidieplafonds in het Gemeenteblad zal de verdeelsystematiek per plafond kort moeten worden uiteengezet. In de informatie op de gemeentelijke website, waar de aanvraag kan worden ingediend, zal dit uitgebreid moeten worden beschreven.

In andere gevallen zal geregeld moeten zijn dat óf de subsidieregeling en het subsidieplafond gelijktijdig in werking treden óf dat de subsidieregeling weliswaar voor het vaststellen van het subsidieplafond in werking treedt maar dat aanvragen pas ná het vaststellen van het subsidieplafond kunnen worden ingediend. Als dit niet (juist) geregeld is kan het subsidieplafond niet worden tegengeworpen aan aanvragers die hun aanvraag hebben ingediend voor bekendmaking (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Daarnaast wordt er, indien van toepassing, gewezen op de mogelijkheid het subsidieplafond te verlagen (tweede en derde lid, zie verder hieronder).

De raad stelt de financiële en beleidsmatige kaders vast in de begroting, visiestukken en nota’s. Het is binnen die kaders dat het college de subsidieplafonds kan vaststellen.

Het college, is verder verplicht – in lijn met de mogelijkheid van artikel 4:34, eerste lid, van de Awb – (in bepaalde gevallen) om bij het gebruik maken van deze bevoegdheid zo nodig een begrotingsvoorbehoud te maken (zesde lid).

Verlaging subsidieplafond

De verlaging van een subsidieplafond heeft in beginsel geen gevolgen voor aanvragen die vóór bekendmaking van de verlaging zijn ingediend (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb).

Dat is anders als aan de drie voorwaarden genoemd in artikel 4:28 van de Awb is voldaan:

aanvragen voor de desbetreffende subsidie moeten worden ingediend voordat de begroting is vastgesteld of goedgekeurd.

verlaging vloeit voort uit vaststelling van de begroting, en

de mogelijkheid van verlaging is aangekondigd bij de vaststelling van het oorspronkelijke subsidieplafond.

Om te waarborgen dat het college alleen overgaat tot verlaging van subsidieplafonds als die verlaging ook daadwerkelijk kan worden gebruikt zijn het vierde en vijfde lid opgenomen. Het komt erop neer dat een subsidieplafond alleen kan worden verlaagd als het oorspronkelijke subsidieplafond is vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld én de aanvragen voor de vaststelling van de begroting moesten zijn ingediend én er bovendien op de mogelijke verlaging wordt gewezen bij de bekendmaking van het plafond.

 

Artikel 6 transparantie bij begrotingssubsidies en incidentele subsidies

Naar aanleiding van de jurisprudentie over schaarse rechten, waaronder ook het subsidiëren kan vallen, is in de ASV een artikel opgenomen met een eenvoudige procedureregeling. De procedure is gebaseerd op deze uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2025:3399, ECLI:NL:RVS:2018:2310 en ECLI:NL:RVS:2016:2927). De termijnen, die zijn opgenomen als minimumtermijnen, moeten voldoende ruim zijn om gegadigden in de gelegenheid te stellen zich te beraden over de aanvraag, of zich te beraden over de criteria. Het college kan afwijken van deze procedure, zolang voldaan wordt aan de jurisprudentie. De in het artikel genoemde minimumtermijn wordt in de jurisprudentie genoemd, maar is in de praktijk amper haalbaar. In de Asv is daarom voor een aantal subsidiesoorten een afwijkende, veel langere aanvraagtermijn gekozen. Bij begrotingssubsidies zal de transparantieprocedure moeten starten ruim voor het maken van de begroting, zodat zeker is dat degene die in de begroting staat vermeld, ook degene is die de subsidie kan ontvangen. Rekening houdend met mogelijke ontwikkelingen naar aanleiding van de bekendmaking en procedures zal de publicatie van het (voornemen van het) besluit reeds in het voorjaar moeten plaatsvinden. Zie ook de toelichting bij artikel 8.

De reden voor het publiceren van het ontwerp van de verleningsbeschikking is het transparantiebeginsel die in de Europese rechtspraak is ontwikkeld. Om eventuele gegadigden in de gelegenheid te stellen om te reageren moet in de publicatie de te subsidiëren activiteiten, de toetsingscriteria en de volledige motivering worden opgenomen. Deze dienen dus ook deel uit te maken van de beschikking.

Omdat de Europese en nationale jurisprudentie over transparantie en het bieden van mededinging in beweging is, is het raadzaam geregeld de ontwikkelingen te volgen. Indien de verordening op enig moment niet verenigbaar meer is met de jurisprudentie is het van belang de verordening dan wel de nadere regeling zo spoedig mogelijk te laten wijzigen en de jurisprudentie zoveel mogelijk te volgen.

 

Artikel 7. Aanvraag

In de eerste drie leden is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk of elektronisch dient te worden gedaan; en dat als hiervoor een aanvraagformulier/webformulier is vastgesteld, de aanvraag dan met gebruikmaking van dat formulier gedaan moet worden. In het aanwijsbesluit kanalen elektronisch berichtenverkeer zijn de kanalen voor het indienen van aanvragen om subsidie bepaald, dit met de inwerkingtreding van de Wet modernisering elektronisch berichtenverkeer per 1 januari 2026.

In het vierde tot en met zevende lid is bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag in elk geval overgelegd dienen te worden. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die persoonsgegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag; dit volgt uit de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG).

Bij een subsidie aan een onderneming moet voorkomen worden dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Daarom zijn een tweetal aanvraagvereisten opgenomen die specifiek voor ondernemingen gelden. Ten eerste, om ontoelaatbare cumulatie te voorkomen wordt een overzicht gevraagd van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd (tweede lid, onder d, sub 1°). Een subsidie kan namelijk ook uit een garantie, lening, korting op de grondprijs, etc. bestaan. Ten tweede, om subsidie onder een de-minimisverordening te kunnen verlenen moet de onderneming om een de-minimisverklaring gevraagd worden (tweede lid, onder d, sub 2°). Op basis van een ingeleverde de-minimisverklaring dient het college te controleren of verlenen van de subsidie in overeenstemming is met de de-minimisverordening.

Bij subsidieregeling kan het college besluiten hiervan af te wijken (achtste lid), bijvoorbeeld door voor aanvragen om bepaalde subsidies meer of andere gegevens en bescheiden te verlangen.

In lid 9 is opgenomen dat meer aanvraagvereisten kunnen worden gesteld. Als voorbeeld is de lijst met gegevens in artikel 7a van de wet Bibob genoemd. Artikel 6 van de Wet Bibob kent een eigenstandige bevoegdheid om de wet toe te passen bij subsidies.

 

Artikel 8. Aanvraagtermijn

De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. In het artikel wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies die per kalenderjaar of per boekjaar worden verstrekt (eerste lid), en andersoortige subsidies (tweede lid). De aanvraagtermijnen in dit artikel zijn ruim genomen. Omdat het uitgangspunt is, dat de meeste subsidies worden geregeld in de nadere regels, gelden deze termijnen vooral als richtlijn voor de nadere regels. Voor de uitzonderingen, voor begrotingssubsidies en incidentele subsidies zijn regels gesteld in artikel 6.

Het proces voor het verlenen van een incidentele subsidie begint bij de ontvangst van de aanvraag. Bij het bepalen van een termijn moet er voldoende tijd gerekend worden voor de beoordeling van de aanvraag en vervolgens de eventuele schaarsheid, de toepasselijke criteria, het ontwerpbesluit, de publicatie komen, de zienswijzetermijn (standaard zes weken), beoordeling van de zienswijzen, de besluitvorming (college) het publiceren van het definitieve besluit. Dan is bijvoorbeeld de dertien weken voor de start van het boekjaar (de hoofdregel van artikel 4:60) nogal krap. In de Asv is hiervoor twintig weken genomen.

Voor de begrotingssubsidie (die eigenlijk altijd per boekjaar wordt verstrekt) is niet de ontvangst van de aanvraag, maar de datum van het vaststellen van de begroting het vertrekpunt. De begrotingssubsidie is immers de vorm die gebruikt wordt als het college vindt dat één (vaste) partij de enige mogelijke subsidieontvanger is. De beoordeling van de schaarste en het publiceren van de gemotiveerde keuze, de zienswijzetermijn en de besluitvorming moet ruim voor de vaststelling van de begroting gereed zijn, wil het college de transparantie serieus nemen en ruimte geven aan rechtsbescherming voor eventuele andere gegadigden. Gelet op de vaststelling van de begroting in november en het besluitvormingsproces, moet dit ambtshalve proces vroeg in het voorjaar worden gestart. Het ontvangen van de aanvraag is in dit proces vooral van belang voor de nadere duiding van de inhoud van de activiteiten en het benodigde bedrag. Hiervoor is de hoofdregel van 1 juni voldoende.

 

Artikel 9. Beslistermijn

Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor de verlening van een subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. In dit artikel is onderscheid gemaakt tussen subsidies per kalenderjaar of boekjaar, en andere. Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid (derde lid).

De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (vierde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU en vervolgens teruggevorderd dient te worden.

 

Artikel 10. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden

In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld.

Gevallen van staatssteun

In bepaalde gevallen is het mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond in het eerste lid, onder a).

Bepaalde Europese steunkaders verbieden – als er een bevel tot terugvordering uitstaat – alleen het verlenen van staatsteun onder de betreffende verordening; niet het verlenen van subsidies in het algemeen. Door de in het eerste lid, onder b, gekozen formulering van de weigeringsgrond in combinatie met het verplichtende karakter komt het in de ASV echter neer op een – op zichzelf verdedigbare – verbreding van de weigeringsgrond tot het verlenen van subsidies in het algemeen (als er een bevel tot terugvordering uitstaat).

In het tweede lid is een absolute weigeringsgrond opgenomen voor die gevallen dat overgaan tot subsidieverstrekking strijdigheid op zou leveren met een Europees steunkader omdat er dan subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het toepasselijke steunkader of omdat de betreffende subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het toepasselijke steunkader. Een onderneming wordt naar oordeel van de Europese Commissie beschouwd als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij, zonder overheidsingrijpen, op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Meer informatie over dit begrip is te vinden in paragraaf 2.2 van de Richtsnoeren (van de Europese Commissie) voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01). Dat er sprake moet zijn van een stimulerend effect houdt in beginsel in dat de begunstigde aanvrager door de steun in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die zij anders – zonder de steun – niet had uitgevoerd. Ook houdt het in beginsel in dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit wordt gestart.

Andere weigeringsgronden

In het derde lid zijn nog enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht. Deze gelden in aanvulling op artikel 6 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob).

Onderdelen a., b., d., e. en j. spreken voor zichzelf. Onderdeel c geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt.

Onder f. is een weigeringsgrond die vooral van toepassing is voor incidentele subsidies. Het gaat hier om het kunnen toetsen aan de doelmatige besteding van overheidsgeld, gelet op al bestaande voorzieningen en activiteiten, zowel die met gemeenschapsgeld worden betaald of gestimuleerd, dan wel die in de gemeente anderszins worden aangeboden of georganiseerd.

Onder g. is een weigeringsgrond opgenomen waarmee het college een aanvraag kan weigeren als subsidieverstrekking niet is toegestaan dan nadat deze overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het VWEU (de meldingsprocedure) is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidieverstrekking die in beginsel niet ongeoorloofd is vanwege strijdigheid met de toepasselijke cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan de-minimissteun. In deze gevallen kan het college óf weigeren de subsidie te verstrekken óf de subsidie melden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te verkrijgen. Als het college besluit over te gaan tot melding, dan wordt in verband met de standstill-verplichting de beslistermijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (zie artikel 8, vierde lid). Als de Europese Commissie besluit de voorgenomen subsidieverstrekking niet goed te keuren, dan zal het college de aanvraag alsnog weigeren (zie het eerste lid, onder a). Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op een andere grond worden geweigerd.

Onder h. i, en k. zijn weigeringsgronden opgenomen die te maken hebben met het niet willen subsidiëren van subversieve activiteiten of het verlenen aan personen die dergelijke activiteiten uitvoeren, ook als daartoe slechts een kans bestaat.

Onderdeel l. ten slotte geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen.

Intrekking en terugvordering

Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU, dan moet de verleende subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Dit op grond van artikel 3 van de Wet terugvordering staatssteun. Een bepaling daarover in de (model-)ASV (2013) is daarvoor niet nodig, omdat deze verplichting rechtstreeks uit de Wet terugvordering staatssteun voortvloeit.

Een subsidie kan geweigerd en ingetrokken worden in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 6 van die wet. Voor de duidelijkheid is dit herhaald in dit artikel.

 

Artikel 11. Wijze van verantwoording en termijn vaststellingsaanvraag

De wijze van verantwoording en de termijn van de aanvraag tot vaststelling moet in de verleningsbeschikking worden opgenomen, voor zover niet al in de subsidieregeling of in de verordening is bepaald. Dit is een uitwerking van artikel 4:44 van de Awb, waarin regels staan over de vaststelling. Het artikel noemt geen termijn voor vaststellingsaanvraag en ook niet de wijze van verantwoording. Gelet op het belang van de wijze van verantwoording en de termijn van de vaststelling ligt het voor de hand om in de verleningsbeschikking volledig te zijn in de informatie, ongeacht of deze wel of niet in de verordening of in de nadere regels staan.

 

Artikel 12. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger

Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en informatieplicht (tweede lid) die voor alle subsidieontvangers geldt. De melding of het geven van informatie dient schriftelijk of elektronisch te worden gedaan; Schriftelijk kan via de post. Elektronisch kan via een afzonderlijk webformulier, en zo deze niet beschikbaar is, per mail of algemeen webformulier. In het aanwijsbesluit kanalen elektronisch berichtenverkeer zijn de kanalen voor berichtenverkeer bepaald, dit met de inwerkingtreding van de Wet modernisering elektronisch berichtenverkeer per 1 januari 2026.

 

Artikel 13. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

Dit artikel bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb).

Het eerste lid gaat over de mogelijkheid om ook tussentijds rekening en verantwoording te verplichten. Het spreekt vanzelf dat dit een zware last op een subsidieontvanger is, zodat deze bevoegdheid alleen in uitzonderlijke gevallen zal kunnen worden gebruikt. Een lichte vorm van verantwoording of een deelverantwoording, die afgestemd is op het doel van de subsidie ligt meer voor de hand.

Wat betreft het tweede en derde lid wordt het creëren van deze mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden geboden door de artikelen 4:38 (voor zover het betreft verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) en 4:39 (voor zover het betreft verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) van de Awb. In beginsel dient de ASV hiervoor een uitdrukkelijke grondslag te bieden, of – in het geval van verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie – de verleningsbeschikking.

Het tweede lid ziet op de verplichtingen die verband houden met de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eisen inzake de deskundigheid van de personen die de te subsidiëren activiteit uit zullen voeren.

Het derde lid maakt het mogelijk om verplichtingen op te leggen die niet strekken tot verwezenlijking van het eigenlijke doel van de gesubsidieerde activiteit. Het betreft echter geen vrijbrief, deze verplichtingen moeten wel enig verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om het opleggen van de verplichting om een extra inspanning te leveren om een bepaalde doelgroep te betrekken bij de gesubsidieerde activiteiten of om de activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te oefenen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het opleggen van oneigenlijke subsidieverplichtingen terughoudendheid dient te worden betracht (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Als het college van deze aanvullende mogelijkheid gebruik maakt moet dat duidelijk gemotiveerd worden.

In het vierde en vijfde lid zijn uitwerkingen van het derde lid. In het vierde lid is bepaald dat het college verplichtingen kan opleggen in het kader van “social return”, analoog aan het bedingen van “social return on investment” in het aanbestedingsrecht en in de gemeentelijke inkooppraktijk. Zo kan bij nadere regel of in de verleningsbeschikking worden opgelegd dat de subsidieontvanger bij de activiteiten mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt betrekt, bijvoorbeeld door het aanbieden van arbeidsplaatsen, leer-werkbanen en/of stageplekken. Het college kan er in dit kader voor kiezen dat de ontvanger een deel van de subsidie hiervoor aanwendt, bijvoorbeeld een bepaald percentage. Daarnaast kan gedacht worden aan meer algemene maatschappelijke meerwaarde van de activiteit, zoals het aansluiten bij sociale initiatieven of het samenwerken met sociale ondernemingen. De fysieke toegankelijkheid sociale toegankelijkheid en informatietoegankelijkheid. Met de in het vijfde lid genoemde eisen wordt bedoeld de eisen zoals die in recente wetgevingen zijn neergelegd op basis van onder meer het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap uit 2006 en Europese wetgeving over informatietoegankelijkheid.

 

Artikel 14 Vermogensvergoeding

In artikel 4:41 van de Awb is bepaald dat in bepaalde gevallen de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd is aan het bestuursorgaan. Het gaat daarbij om de volgende gevallen:

als de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt;

als de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;

als de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd;

als de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of

de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.

Deze vergoedingsplicht geldt alleen als deze verplichting is opgenomen in de verordening of subsidieregeling, of – als deze ontbreken – in de subsidiebeschikking. Daarbij moet zijn bepaald hoe de hoogte van de vergoeding wordt berekend). Met dit artikel wordt hier invulling aan gegeven. Omdat in de gegeven situaties sprake is van het zich toe-eigenen van schaarse publieke middelen, is het percentage op 100% gezet.

 

Artikel 15. Egalisatiereserve en bestemmingsreserves

De figuur van de egalisatiereserve is gebaseerd op artikel 4:72 van de Awb. Een egalisatiereserve is een reserve van de subsidieontvanger waaraan als bestemming het dekken van exploitatierisico’s is verbonden. De reserve wordt gevormd om tot een gelijkmatige verdeling van lasten te komen. Op grond van artikel 4:58 van de Awb is artikel 4:72 van de Awb alleen van toepassing op per kalender- of boekjaar verstrekte subsidie aan een rechtspersoon en bovendien enkel als dat in de ASV, een subsidieregeling of bij de subsidieverlening is bepaald. De verplichting een egalisatiereserve te vormen als bedoeld in het eerste lid kan dus enkel aan rechtspersonen worden opgelegd, voor per kalender- of boekjaar verstrekte subsidies.

Het college kan bij een verleningsbeschikking voor een subsidie die per kalender- of boekjaar wordt verstrekt en die meer dan € 5.000,- bedraagt bepalen dat de subsidieontvanger een egalisatiereserve dient te vormen (eerste lid). In dat geval komt het verschil tussen het vastgestelde subsidiebedrag en de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste of ten laste van de egalisatiereserve. De reserve wordt dus gevormd uit exploitatieoverschotten om eventuele toekomstige tekorten op te vangen. Dat het een verplichting is de reserve aan te houden, betekent dat de reserve niet kan worden gebruikt voor andere doelen.

De egalisatiereserve mag op enig moment de 10% van het jaarlijkse subsidiebedrag niet overschrijden. In bijzondere omstandigheden kan het college besluiten hiervan af te wijken, al dan niet met een afbouwregeling. Een voorbeeld hiervan is de hoogte van de toegestane egalisatiereserve in de afgelopen jaren, of de risico’s die de aanvrager heeft in het kunnen organiseren van de activiteiten, bijvoorbeeld als de activiteiten afhankelijk zijn van deelname van derden.

Naast een door het college opgelegde verplichting kan op grond van het tweede lid elke subsidieontvanger het college verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen.

Omdat de egalisatiereserve dient om tekorten in het ene jaar te compenseren met overschotten in het andere jaar, heeft de toepassing van het eerste of tweede lid alleen zin bij subsidies die in een reeks van jaren achter elkaar worden verstrekt.

Een bestemmingsreserve is bedoeld als reservering voor activiteiten die in de toekomst zullen plaatsvinden, of voor in verband met de activiteiten te verwachten uitgaven op termijn, bijvoorbeeld uitgaven voor onderhoud en vervanging

 

Artikel 16 Bevoorschotting

Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om een voorschot te bepalen en uit te betalen bij de verlening. De wet zelf gaat primair uit van vaststelling en vergoeding van subsidie achteraf, dus na de activiteit. Hiermee wordt ervan uitgegaan dat de aanvrager voorfinanciert, of in elk geval voldoende reserves heeft om de activiteit voor eigen risico uit te voeren en pas achteraf subsidie te vragen, met de kans dat deze geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen. In de gemeentelijke subsidiepraktijk komt dit slechts zeer sporadisch voor.

 

Artikel 17 BTW

Het verschuldigd zijn van BTW en de vraag of de subsidie de kosten van de activiteit inclusief of exclusief BTW vergoedt, komt nog wel eens op de uitvoeringspraktijk. Ook is dit artikel bedoeld om duidelijkheid te geven in situaties dat achteraf geen sprake blijkt te zijn van een subsidie, maar van een inkoop. In bepaalde gevallen, als het gaat om een subsidieontvanger die fungeert als ondernemer en die een prestatie verricht in opdracht van de gemeente kan BTW-plicht aan de orde zijn. Als de btw kan worden gecompenseerd door de gemeente, ontstaat er geen financieel nadeel. In veel gevallen zijn de activiteiten en prestaties die worden verricht door de subsidieontvanger vrijgesteld van omzetbelasting (sociaal cultureel werk, welzijn, zorg, jeugd, participatie). In dit geval loopt de gemeente geen risico dat er btw wordt gefactureerd die niet compensabel blijkt te zijn. Ook als partijen binnen de voorwaarden van de subsidieverordening en weloverwogen overgaan tot de route van een subsidie kan daar achteraf -al dan niet door een controle van de belastingdienst bij de instelling- toch uitkomen dat btw in rekening moest worden gebracht. Bij de subsidieaanvraag dienen aanvragers kenbaar te maken of van btw vrijgestelde of btw belaste prestaties worden verricht. Een verzoek om achteraf alsnog aanvullende subsidie te verkrijgen als blijkt dat toch btw is verschuldigd wordt afgewezen.

 

Artikel 18. Wijze van vaststelling en verantwoording subsidies tot en met € 5.000

Subsidies tot en met € 5.000 kunnen op basis van vertrouwen worden verstrekt, waarbij de verlening meteen ook de vaststelling is. Er wordt dan niet om verantwoording gevraagd. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij niet nakoming van de voorwaarden (zie artikel 12). Achteraf kan een risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de subsidieontvanger. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard, terwijl toch het risico voor de gemeente beperkt blijft. Dezelfde verplichting en bevoegdheid als in het tweede en derde lid genoemd zijn, gelden voor de subsidies waarvoor op grond van artikel 19 lid 2 of 3 is bepaald dat de vaststelling gelijk is met de verlening.

 

Artikel 19. Aanvraag subsidievaststelling subsidies tussen € 5.000 en € 50.000

In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie tussen € 5.000 en € 50.000 aan het college dienen te verantwoorden.

Het tweede en derde lid kent uitzonderingen. Lid 3 bepaalt dat in de nadere regels de grens van € 5.000,- kan worden opgerekt naar boven. Dit was de uitdrukkelijke wens van de Adviesraad sociaal domein. Ook kan er onderscheid gemaakt worden in subsidieontvanger (lid 2). Het spreekt vanzelf dat hiervoor geen ontoelaatbare discriminatoire criteria mogen worden gebruikt. Voor die bepaalde doelgroep kan dan de subsidie meteen worden vastgesteld. Omdat de controle die met de vaststelling is beoogd niet achteraf plaatsvindt, geldt voor deze doelgroep of voor de subsidies tot het hogere bedrag de bewaarverplichting en de controlemogelijkheden van artikel 18 lid 2 en3.

Er dient een aanvraag tot vaststelling ingediend te worden (eerste lid), deze bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan (vierde lid). Ingevolge artikel 11 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt.

Met betrekking tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring, andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie), enz. Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt. Voorts kan het college, overeenkomstig het vijfde lid, in een subsidieregeling of in de verleningsbeschikking aangeven andere bewijsmiddelen te verlangen dan een inhoudelijk verslag. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die persoonsgegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verantwoording; dit volgt uit de AVG.

 

Artikel 20. Aanvraag subsidievaststelling subsidies van meer dan € 50.000

Bij subsidies vanaf € 50.000 wordt uitgegaan van de traditionele afrekening van subsidies, op basis van gerealiseerde kosten en baten. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Het spreekt voor zich dat deze wijze van vaststelling gebaat is bij een correcte en zo exact mogelijke weergave van de activiteiten en de kosten, en dat deze weergave inzicht biedt in hoeverre de kosten zijn gemaakt, zodat deze kan worden vergeleken met de begroting die de basis was voor de verlening en de verleningsbeschikking.

Het vierde lid biedt de basis om in een subsidieregeling te bepalen dat er ook andere, waaronder meer of minder, gegevens gevraagd worden. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die persoonsgegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verantwoording; dit volgt uit de AVG.

 

Artikel 21. Subsidievaststelling subsidies van meer dan € 5.000

Het eerste lid bevat – overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb – de termijn waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden; wel bestaat de mogelijkheid tot verlengen van de termijn (tweede lid). Het merendeel van de aanvragen tot vaststelling zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn – voor de duur van ten hoogste de in het tweede lid nader bepaalde termijn – biedt dan uitkomst. Een besluit tot verlenging op grond van het tweede lid is appellabel (dit in tegenstelling tot een mededeling op grond van artikel 4:14 van de Awb dat de – eventueel verlengde – termijn niet gehaald wordt). Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die persoonsgegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verantwoording; dit volgt uit de AVG. Indien op basis van de financiële verantwoordingsinformatie blijkt dat voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten niet de gehele subsidie nodig was, of de activiteiten niet volledig zijn uitgevoerd, zal dat leiden tot een lagere vaststelling

 

Artikel 22. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen

Dit artikel schrijft voor dat als het college bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik maakt van uurtarieven, de berekeningswijze hiervan en de voorgeschreven definities in een subsidieregeling vastgelegd dienen te worden. De aanvrager zal daarmee dan bij zijn aanvraag rekening moeten houden. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, is het college hierin beperkt tot tarieven en kostenbegrippen die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.

 

Artikel 23. Hardheidsclausule (evenredigheidstoets)

Deze hardheidsclausule is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen vasthouden aan een termijn in de ASV of de toepasselijke subsidieregeling wegens bijzondere omstandigheden onevenredig kan zijn tot de daarmee te dienen belangen. Op grond van het eerste lid kan het college dan een andere termijn vaststellen.

De hardheidsclausule zoals deze uit het VNG-model is overgenomen is dus beperkt tot de termijnregels. Omdat voor de termijnen een hardheidsclausule bestaat, is het aan het college om telkens wanneer zij een termijn stelt, te oordelen of de gevolgen voor de aanvrager evenredig zijn aan het doel. Dat moet dan ook telkens bij iedere termijnstelling gemotiveerd worden. Bij een termijnstelling, of als de termijn rechtstreeks werkt, dan is het voor de belanghebbende mogelijk een beroep te doen op de hardheidsclausule. Voor de overige regels van de verordening, voor zover daar niet van af is geweken in de betreffende subsidieregeling, geldt de hardheidsclausule niet. Is er dringende reden voor het afwijken van de andere bepalingen van de verordening, en is er in het artikel geen expliciete regel over afwijkingsmogelijkheden opgenomen, dan is de Raad bevoegd de verordening met een wijzigingsverordening te wijzigen.

Op grond van het tweede lid kan het college in een subsidieregeling een hardheidsclausule opnemen die ziet op nader in die subsidieregeling aangegeven bepalingen. Een te treffen voorziening, die niet in de verordening of subsidieregeling is voorzien, dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidie te passen.

 

Artikel 24 Slotbepalingen

In het artikel is een overgangsrecht opgenomen, waardoor de oude regelingen die golden onder de oude verordening blijven gelden onder de nieuwe verordening. De oude besluiten aangeduid als “beleidsregels” golden op grond van de laatste wijziging al als nadere regeling in de zin van de Awb.

De bepalingen hebben voor de rest geen toelichting nodig.

Naar boven