Beleidsregels algemene bijstand, bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Heemskerk 2026

Wettelijke grondslag:

Artikel 35 Participatiewet

Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet gemeente Heemskerk 2015

 

1. Algemene bepalingen

In deze beleidsregels worden drie soorten inkomensondersteuning uitgewerkt: algemene bijstand, minimaregelingen en bijzondere bijstand. Deze vormen van ondersteuning kunnen naast elkaar bestaan, maar hanteren verschillende wettelijke kaders en toetsingsregels.

 

Het hoofdstuk algemene bijstand (hoofdstuk 2) bevat de beleidsmatige keuzes die het college maakt bij de beoordeling van bijstandsaanvragen. Hierin is vastgelegd in welke situaties het college gebruikmaakt van zijn bevoegdheden bij:

  • het vervroegd behandelen van aanvragen van jongeren vóór afloop van de zoektermijn,

  • het toepassen van een vereenvoudigde aanvraagprocedure, en

  • het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht.

Naast het hoofdstuk over de algemene bijstand beschrijven deze beleidsregels ook welke kosten kunnen worden vergoed via bijzondere bijstand (hoofdstuk 3) en via de minimaregelingen (hoofdstuk 4).

 

Voor de minimaregelingen geldt dat inwoners met een inkomen tot 110% (exclusief vakantietoeslag) van de toepasselijke bijstandsnorm toegang hebben tot deze voorzieningen. Voor de Collectieve Ziektekostenverzekering Minima (CZM) geldt een inkomensgrens van 130% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Voor bijzondere bijstand geldt een draagkrachtberekening. Dat betekent dat ook inwoners die (enigszins) boven 100% van de bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag) verdienen, op basis van hun draagkracht gedeeltelijk aanspraak kunnen maken op bijzondere bijstand. Hiermee wordt voorkomen dat inwoners in een armoedeval terechtkomen wanneer zij nét iets meer gaan verdienen.

 

Bijzondere bijstand kan bestaan uit:

  • gemeentelijke toeslagen;

  • Individuele verstrekkingen, zoals medische kosten, duurzame gebruiksgoederen en de woonkostentoeslag;

  • Overige noodzakelijke kosten als gevolg van bijzondere omstandigheden.

De minimaregelingen bestaan uit:

  • maatschappelijke activiteiten voor volwassenen;

  • het Kindpakket;

  • de voorzieningen via het Jeugdfonds Sport & Cultuur;

  • de Collectieve Ziektekostenverzekering Minima (CZM).

Indexering

De bedragen in deze beleidsregels en de bijbehorende vergoedingenlijst worden jaarlijks geïndexeerd conform de consumentenprijsindex (CPI), tenzij anders is aangegeven.

Artikel 1. Begripsomschrijving

  • 1.1

    De begripsbepalingen van de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht zijn op deze beleidsregels van toepassing. In dit document wordt verstaan onder:

    • a.

      College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk;

    • b.

      De Wet: de Participatiewet (PW);

    • c.

      Bijzondere bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 35 van de Wet die bestemd is voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten die niet kunnen worden voldaan uit het relevante inkomen of het in aanmerking te nemen aanwezige vermogen;

    • d.

      De bijstandsnorm: de norm als bedoeld in artikel 5 onder c van de Wet, zonder toepassing van de kostendelersnorm zoals bedoeld in artikel 22a van de Wet;

    • e.

      Studietoeslag: de toeslag als bedoeld in artikel 36b, eerste lid van de Wet voor, inwoners die als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat zijn naast de studie inkomsten te verwerven;

    • f.

      Individuele inkomenstoeslag: de toeslag als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de Wet voor inwoners die langdurig een laag inkomen hebben, geen in aanmerking te nemen vermogen, als bedoeld in artikel 34 van de Wet, en geen uitzicht op inkomensverbetering;

    • g.

      Inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 31,32 en 33 van de Wet;

    • h.

      Draagkracht: dat deel van het inkomen, vermogen of andere middelen waarmee rekening wordt gehouden bij bijstandsverlening

    • i.

      Eigen bijdrage: het bedrag dat de aanvrager zelf moet betalen op grond van de regels van de voorliggende voorziening.

    • j.

      Minimaregelingen: regelingen voor mensen met een inkomen tot 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag.

    • k.

      Rekenhuur: de kale huur, zonder servicekosten.

2. Algemene Bijstand

Artikel 2. Behandeling bijstandsaanvragen jongeren vóór afloop zoektermijn

  • 2.1

    Het college kan een aanvraag voor algemene bijstand vóór afloop van de zoektermijn in behandeling nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, indien de omstandigheden van de jongere dit naar het oordeel van het college noodzakelijk maken.

  • 2.2

    Bij de beoordeling betrekt het college in ieder geval (maar niet uitsluitend) de volgende indicatoren:

    • a.

      recent verblijf in een inrichting of opvang (Wmo 2015), pleegzorg of gezinshuis (Jeugdwet);

    • b.

      een recente kinderbeschermingsmaatregel;

    • c.

      gezondheids-/zorgbehoefte of beperkte belastbaarheid;

    • d.

      ontbreken van BRP‑inschrijving met woonadres/briefadres;

    • e.

      eerdere bijstandsafhankelijkheid binnen 12 maanden;

    • f.

      (dreigende) problematische schulden of signalen uit de vroegsignalering schuldhulpverlening (Wgs).

    Het college kan ook in andere, naar aard en ernst vergelijkbare omstandigheden besluiten de zoektermijn niet toe te passen, indien de individuele situatie van de jongere daartoe aanleiding geeft.

Artikel 3: Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

  • 3.1

    Het college kan gegevens uit eerdere bijstandsverlening (art. 43a PW) hergebruiken indien dit leidt tot een minder belastende aanvraag en voor zover deze gegevens nog actueel, juist en volledig zijn.

    Voorwaarden:

    • a.

      de nieuwe aanvraag is ingediend binnen twaalf maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en,

    • b.

      de eerdere bijstandsverlening is beëindigd om een reden waarbij het aannemelijk is dat de persoonlijke en financiële situatie van belanghebbende grotendeels hetzelfde is gebleven, zoals:

      • -

        werkaanvaarding of andere inkomsten boven de bijstandsnorm;

      • -

        toepassing van een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de wet;

      • -

        verblijf buiten de gemeente of verhuizing;

    Het college past geen hergebruik toe als er aanwijzingen zijn dat de situatie van belanghebbende is gewijzigd en daarom opnieuw volledig moet worden beoordeeld.

  • 3.2

    Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:

    • a.

      het hoofdverblijf;

    • b.

      de gezinssituatie; en

    • c.

      het inkomen en het vermogen.

  • 3.3

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de IOAW en IOAZ.

Artikel 4: Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

  • 4.1

    Het college kan bijstand toekennen met terugwerkende kracht tot maximaal drie maanden vóór de meldingsdatum (art. 44, vijfde lid, PW) indien individuele omstandigheden dit noodzakelijk maken.

  • 4.2

    Indicatieve omstandigheden die terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen zijn onder meer:

    • a.

      het feit dat belanghebbende niet in staat was eerder een aanvraag te doen (bijv. ziekenhuisopname, crisissituatie, beperkte doen‑vermogen);

    • b.

      gebrek aan kenbaarheid van het recht (onduidelijkheid over situatie/inkomen, afwijzing voorliggende voorziening);

    • c.

      ernstige gevolgen bij het uitblijven van terugwerkende kracht (dreigende huisuitzetting, afsluiting nuts, beslag, royement zorgverzekering).

  • 4.3

    Het college motiveert welke omstandigheden aanwezig zijn en waarom terugwerkende kracht noodzakelijk is; aanvullend bewijs wordt alleen opgevraagd indien nodig voor rechtmatigheid.

  • 4.4

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de IOAW en artikel 16a, vierde lid, van de IOAZ.

Artikel 5 Overbruggingsuitkering

  • 5.1

    Indien een belanghebbende een aanvraag om algemene bijstand heeft ingediend en aantoonbaar niet beschikt over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien in de periode tot de eerste (reguliere) uitbetaling van de bijstand, kan het college een overbruggingsuitkering verstrekken.

  • 5.2

    Van de in het eerste lid bedoelde situatie is in ieder geval sprake bij betaling van de algemene bijstand achteraf of bij andere verschuivingen in de betaaldatum van de bijstand.

  • 5.3

    De hoogte van de overbruggingsuitkering wordt vastgesteld op basis van de individuele noodzakelijke kosten van het bestaan in de overbruggingsperiode, met als uitgangspunt maximaal 50% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm inclusief toeslag, naar rato van het aantal dagen.

  • 5.4

    De overbruggingsuitkering wordt verstrekt in de vorm van bijstand om niet.

3. Bijzondere bijstand

Artikel 6. De aanvraag

  • 6.1

    Om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand wordt een aanvraag vooraf ingediend.

  • 6.2

    De aanvraag om bijzondere bijstand wordt door gehuwden en daarmee gelijkgestelden gezamenlijk aangevraagd en ondertekend, of door één van hen met schriftelijke toestemming van de ander.

  • 6.3

    Indien de aanvraag wordt ingediend nadat de kosten zijn gemaakt, kan bijzondere bijstand met terugwerkende kracht worden verleend tot maximaal drie maanden voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag, mits de noodzaak van de kosten kan worden vastgesteld.

  • 6.4

    Indien de aanvraag meer dan drie maanden na het ontstaan van de kosten wordt ingediend, verleent het college in beginsel geen bijzondere bijstand, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden of dringende redenen. Daarbij wordt in ieder geval betrokken in hoeverre de noodzaak van de kosten nog kan worden vastgesteld.

Artikel 7. Beoordeling van de aanvraag

  • 7.1

    De aanvraag om bijzondere bijstand wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

    • a.

      Doen de kosten zich voor?

    • b.

      Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk?

    • c.

      Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden?

    • d.

      Kunnen de kosten worden voldaan uit de eigen draagkracht?

  • 7.2

    Er is geen recht op bijzondere bijstand als:

    • a.

      Er een toereikende voorliggende voorziening is of

    • b.

      Indien de voorliggende voorziening de kosten niet (volledig) vergoedt, beoordeelt het college zelfstandig of recht op bijzondere bijstand bestaat.

  • 7.3

    Het college kan besluiten om een onafhankelijk medisch onderzoek uit te laten voeren om de medische noodzaak van de kosten vast te stellen.

Artikel 8. Vorm van de bijstand

  • 8.1

    Tenzij deze beleidsregels anders bepalen, wordt de bijzondere bijstand verstrekt als een uitkering om niet (zonder terugbetalingsverplichting).

  • 8.2

    De bijzondere bijstand kan verder worden verleend in de vorm van een renteloze geldlening of borgstelling in de gevallen die genoemd worden in artikel 48, tweede lid van de Wet.

  • 8.3

    De bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt in de regel verleend in de vorm van een geldlening.

Artikel 9. Uitbetaling van de bijzondere bijstand

  • 9.1

    De bijzondere bijstand wordt verleend voor daadwerkelijk gemaakte kosten.

  • 9.2

    De belanghebbende toont de kosten in beginsel aan met betalingsbewijzen, offertes (pro forma nota’s) of andere verifieerbare gegevens. Indien dit niet mogelijk is, beoordeelt het college op basis van de beschikbare gegevens of de kosten aannemelijk zijn en wat de omvang daarvan is.

  • 9.3

    Bijzondere bijstand kan in natura worden verstrekt.

  • 9.4

    In situaties waarin de aanvrager de kosten eerst zelf moet betalen maar dat niet kan, kan de bijstand in overleg met de aanvrager rechtstreeks aan de aanbieder worden betaald.

  • 9.5

    Periodieke bijzondere bijstand wordt in beginsel toegekend voor de duur van twaalf maanden.

  • 9.6

    Na afloop van deze periode wordt opnieuw beoordeeld of de noodzaak voor voortzetting aanwezig is. Het college beoordeelt gedurende de toegekende periode periodiek of de noodzaak nog aanwezig is. Bij belanghebbenden met een uitkering van de gemeente vindt dit plaats binnen het reguliere heronderzoek. Bij belanghebbenden zonder uitkering van de gemeente vindt dit in ieder geval jaarlijks plaats.

  • 9.7

    In bijzondere gevallen kan het college periodieke bijzondere bijstand direct voor een langere periode toekennen.

  • 9.8.

    De bijzondere bijstand wordt teruggevorderd als blijkt dat het geld niet is besteed aan dat waarvoor het bestemd is.

Artikel 10. Draagkracht en draagkrachtperiode

  • 10.1

    Draagkracht

    • a.

      De draagkracht wordt telkens voor een periode van twaalf maanden vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn.

    • b.

      De draagkracht kan voor een kortere of langere periode vastgesteld worden, indien de periode waarop de kosten betrekking hebben daartoe aanleiding geeft.

    • c.

      De draagkracht wordt in beginsel in één keer met de bijzondere bijstand verrekend.

    • d.

      In afwijking van lid c wordt, in geval van periodieke bijzondere bijstand, de draagkracht verrekend naar rato van het aantal maanden van de periode waarop deze bijstand betrekking heeft.

    • e.

      Het college kan een vastgestelde draagkracht of draagkrachtperiode herzien indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.

  • 10.2

    Het vermogen

    • a.

      Het vermogen boven de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de Wet wordt geheel als draagkracht beschouwd.

    • b.

      Het vermogen in de eigen woning met bijbehorend erf als bedoeld in artikel 34 lid 2 onderdeel d van de Wet wordt niet in aanmerking genomen, voor zover tegeldemaking of (verdere) bezwaring hiervan in alle redelijkheid niet kan worden verlangd.

  • 10.3

    Het inkomen

    Tenzij in deze beleidsregels anders is bepaald, hebben de aanvragers draagkracht:

    • a.

      Als het (gezamenlijk) inkomen meer bedraagt dan 110% van de voor hen geldende bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag en/of

    • b.

      Met een vermogen boven de in artikel 34, lid 3 van de Wet genoemde vermogensgrens.

    • c.

      Bij de vaststelling van het inkomen wordt een verstrekte studietoeslag en individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing gelaten;

    • d.

      Als de alleenstaande, de alleenstaande ouder of één van de echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, laat het college bij de bepaling van de draagkracht een deel van alle pensioenuitkeringen buiten beschouwing. Hiervoor hanteert het college de maximumbedragen als genoemd in artikel 33, lid 5, van de Participatiewet, ongeacht of de uitkering afkomstig is uit een particuliere oudedagsvoorziening of een andere vorm van pensioen;

    • e.

      Bij de bepaling van de draagkracht wordt uitgegaan van de bijstandsnorm zonder rekening te houden met eventuele kostendelers;

    • f.

      Voor de berekening van de draagkracht wordt het deel van het netto inkomen dat hoger ligt dan 110% van de geldende bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag, aangemerkt als draagkracht. Dit deel wordt in mindering gebracht op de verstrekking, overeenkomstig de percentages zoals opgenomen in tabel 10.4.

  • 10.4

    Draagkrachtpercentages:

    Hoogte van het inkomen

    Draagkracht

    tot 110% van de geldende bijstandsnorm

    geen draagkracht

    tussen de 110% en de 150% van de geldende bijstandsnorm

    25% van het meerdere inkomen

    meer dan 150% van de geldende bijstandsnorm

    50% van het meerdere inkomen

    • a.

      Bij de vaststelling van het inkomen wordt bij een variabel inkomen uitgegaan van het gemiddelde inkomen van de aanvrager(s) gedurende drie maanden voorafgaande aan de aanvraag, tenzij dit geen juist inzicht geeft.

    • b.

      Bij de vaststelling van het inkomen wordt bij een vast inkomen uitgegaan van het inkomen van de aanvrager(s) gedurende 1 maand voorafgaande aan de aanvraag, tenzij dit geen juist inzicht geeft.

Artikel 11. Individuele verstrekkingen

  • 11.1

    Medische kosten

    • a.

      De voorliggende voorzieningen zijn de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Kosten die onder deze regelingen vallen, maar waarvoor geen (volledige) vergoeding wordt gegeven, komen in beginsel niet voor bijzondere bijstand in aanmerking;

    • b.

      De inwoner wordt geacht, naast de basisverzekering, een aanvullende zorgverzekering af te sluiten voor medische kosten. De inwoner kan hierbij gebruik maken van de Collectieve Zorgverzekering Minima (de gemeentepolis);

    • c.

      In afwijking van artikel 11.1 onder a kan bijzondere bijstand worden verstrekt als er sprake is van dringende redenen. De dringende redenen worden individueel bepaald;

    • d.

      De bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan de vergoedingen die op grond van de Collectieve Zorgverzekering Minima worden verstrekt, zoals bedoeld in artikel 17 van deze beleidsregels.

    • e.

      De inwoner krijgt geen bijzondere bijstand voor het verplichte eigen risico van de ziektekostenverzekering;

    • f.

      Een inwoner kan deelnemen aan de Collectieve Zorgverzekering Minima, waardoor hij/zij via de bijzondere bijstand een tegemoetkoming in de premie krijgt;

    • g.

      Kosten voor tandheelkunde worden in beginsel niet vergoed, de zorgverzekering is een voorliggende voorziening die gezien wordt als toereikend.

  • 11.2

    Brillen en contactlenzen

    • a.

      Eenmaal per 3 kalenderjaren kan bijzondere bijstand voor de aanschafkosten van een bril, montuur en contactlenzen worden verstrekt;

    • b.

      Indien vervanging van de bril om medische redenen eerder noodzakelijk is dan de termijn die door de minimale aanvullende ziektekostenverzekering is voorgeschreven kan een uitzondering worden gemaakt op de termijn als genoemd in artikel 11.2 onder a. Een verklaring van de oogarts is noodzakelijk;

    • c.

      Vergoedingen van de ziektekostenverzekering worden op de vergoeding uit bijzondere bijstand in mindering gebracht;

    • d.

      Voor de hoogte van de vergoeding wordt verwezen naar de bijlage vergoedingenlijst minimaregelingen en bijzondere bijstand. Er gelden maximale bedragen, zie bijlage.

  • 11.3

    Overbruggingslening acute noodsituatie

    • a.

      Het college kan in situaties waarin sprake is van een acute, kortdurende noodsituatie, zoals verlies of diefstal van geldmiddelen of plotseling wegvallen van inkomen terwijl (nog) geen recht op algemene bijstand bestaat, bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een geldlening.

    • b.

      De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal € 100 per gezin en € 50 voor een alleenstaande per noodsituatie.

    • c.

      De terugbetalingstermijn en -wijze worden afgestemd op de draagkracht van belanghebbende.

  • 11.4

    Inrichtingskosten

    • a.

      Voor de verstrekking van de noodzakelijke complete inrichtingen gelden maximale richtbedragen. Voor de maximale bedragen bij een complete woninginrichting wordt verwezen naar de vergoedingenlijst minimaregelingen en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk, in de bijlage.

    • b.

      De aanschaf van (duurzame) noodzakelijke gebruiksgoederen, zoals bijvoorbeeld een koelkast, een wasmachine, een tafel, komen in aanmerking voor bijzondere bijstand zoals in artikel 51 van de Wet als:

      • -

        de kosten niet voorzienbaar zijn en er niet (of onvoldoende) is gereserveerd voor deze kosten

        en

      • -

        een geldlening (onder borgtocht) bij een commerciële bank of de Gemeentelijke Kredietbank niet mogelijk is.

    • c.

      De bijzondere bijstand voor noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen wordt verleend in de vorm van een geldlening, borgtocht of om niet.

    • d.

      Voor de verstrekking van gedeeltelijke woninginrichting gelden de richtlijnen zoals genoemd in de Nibud prijzengids.

    • e.

      Ter bevordering van energiezuinig witgoed wordt het normbedrag verhoogd tot een maximum van € 600,- voor een koelkast met vriesvak (tafelmodel) en voor een wasmachine en koel-vriescombinatie € 800,- per apparaat. Daarmee wordt de inwoner in staat gesteld om een energiezuinig apparaat aan te schaffen.

Artikel 12. Overige noodzakelijke kosten

  • 12.1

    Algemene bepaling

    Op grond van artikel 35 van de Participatiewet kunnen ook andere kosten dan die welke in deze beleidsregels zijn genoemd, voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de in de bijlage opgenomen maximale bedragen voor noodzakelijke (meer)kosten en eigen bijdragen. Bij de beoordeling van aanvragen op grond van dit hoofdstuk wordt de draagkracht vastgesteld overeenkomstig artikel 10 van deze beleidsregels.

  • 12.2

    Sobere begrafenis of crematie

    • a.

      De Wet op de lijkbezorging geldt als voorliggende voorziening. Indien de burgemeester zorg draagt voor de lijkbezorging, wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

    • b.

      Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor de kosten van een sobere begrafenis of crematie, voor zover deze kosten niet kunnen worden voldaan uit de nalatenschap, een uitvaartverzekering of andere beschikbare middelen, zoals spaargelden, inkomsten of bijdragen van derden.

    • c.

      Bijzondere bijstand wordt verleend aan een nabestaande of erfgenaam die uit hoofde van zijn relatie tot de overledene opdracht heeft gegeven tot de uitvaart en de kosten daarvan draagt, voor zover na aanwending van de nalatenschap, een uitvaartverzekering en andere beschikbare middelen een aantoonbaar tekort resteert in de kosten van de uitvaart. De bijzondere bijstand wordt beperkt tot een sobere uitvaart en bedraagt niet meer dan de maximale bedragen zoals opgenomen in de vergoedingenlijst in de bijlage.

  • 12.3

    Eigen bijdrage rechtsbijstand

    De kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand conform de civiele toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand voor zover deze noodzakelijk zijn. Voor zover van toepassing kan ook de nota van de advocaat, voor zover deze betrekking heeft op de eigen bijdrage of andere noodzakelijke kosten die niet door de toevoeging worden gedekt, voor vergoeding in aanmerking komen.

  • 12.4

    Kosten voor vrijwillig budgetbeheer of schuldhulpverlening

    Kosten voor vrijwillig budgetbeheer of schuldhulpverlening; bijzondere bijstand wordt slechts verstrekt als:

    • a.

      Het aannemelijk is dat de aanvrager zijn budget niet zelfstandig kan beheren of zijn schulden niet zelfstandig kan saneren én

    • b.

      Als het inkomensbeheer door het college noodzakelijk wordt geacht.

  • 12.5

    De kosten van beschermingsbewind, curatele of mentorschap

    De kosten van beschermingsbewind, curatele of mentorschap conform de criteria van het Landelijk Overleg Voorzitters Civiele en Kantonsectoren (LOVCK) dan wel de uitspraak van de rechter over deze kosten.

  • 12.6

    De kosten van een noodzakelijke verhuizing

    De kosten van een noodzakelijke verhuizing kunnen worden vergoed wanneer:

    • a.

      sprake is van onvoorziene en bijzondere omstandigheden zoals een plotselinge inkomensdaling, ziekte, scheiding of woningonbewoonbaarheid.

    • b.

      de verhuiskosten niet voorzienbaar waren en de belanghebbende deze redelijkerwijs niet kon vermijden;

    • c.

      het gaat om redelijke en noodzakelijke kosten, zoals transportkosten, eerste maand huur, aansluitkosten en andere direct aan de verhuizing toe te rekenen kosten;

    • d.

      bij dubbele woonlasten alleen de noodzakelijke periode wordt vergoed, waarbij eventuele huurtoeslag over deze periode op de bijstand in mindering wordt gebracht;

    • e.

      indien de verhuizing voortvloeit uit een opgelegde verhuisplicht, belanghebbende aantoonbaar voldoende inspanningen heeft verricht om hieraan te voldoen. Wanneer de belanghebbende onvoldoende inspanningen heeft geleverd om de noodzakelijke verhuizing tot stand te brengen, kan de bijzondere bijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid worden verstrekt in de vorm van leenbijstand.

  • 12.7

    Vervoerskosten

    Vervoerskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten die uit de bijstandsnorm kunnen worden voldaan. Als uitzondering op deze hoofdregel kan het college reiskosten verstrekken:

    • a.

      Wegens bezoek aan een in Nederland in een Wlz-inrichting of in detentie verblijvend familielid gebaseerd op de kosten van de goedkoopste Openbaar Vervoer mogelijkheid, maximaal 2 maal per maand.

    • b.

      Wegens het volgen van noodzakelijk onderwijs buiten de regio, omdat de betreffende opleiding in de eigen regio niet beschikbaar is; de kosten worden gebaseerd op de goedkoopste mogelijkheid van openbaar vervoer.

    • c.

      Bij vervoerkosten van en naar het ziekenhuis worden de kosten vergoed door de zorgverzekeraar, voor de eigen bijdrage kan bijzondere bijstand worden verstrekt.

  • 12.8

    Kosten eigen bijdrage Kinderopvang

    De kosten van de eigen bijdrage kinderopvang (KOA-kopje) kunnen worden vergoed als deze noodzakelijk zijn voor:

    • a.

      de re-integratie van de uitkeringsgerechtigde of werkende met aanvullende bijstand;

    • b.

      tienermoeders jonger dan 18 jaar die een opleiding volgen;

    • c.

      studerenden met minderjarige kinderen;

    • d.

      inwoners die een verplichte inburgeringscursus volgen bij een gecertificeerde instelling.

    Het KOA-kopje bedraagt 4,5% of 3,5% van de kosten van kinderopvang, waarbij wordt uitgegaan van het maximale uurtarief.

    Voor nadere informatie zie toelichting.

4. Minimaregelingen in Heemskerk

Artikel 13 Algemene bepaling

Recht op een tegemoetkoming op grond van dit hoofdstuk bestaat voor de alleenstaande, alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin. Het inkomen bedraagt maximaal 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag, tenzij anders in deze beleidsregels is aangegeven. Ook gelden de vermogensregels zoals bedoeld in artikel 34 van de Wet.

 

Voorwaarden, algemeen

  • a.

    Inwoners, die niet tot de personenkring van de bijstand behoren op grond van artikel 13 van de Wet, worden uitgesloten.

  • b.

    Het maximale vrij te laten vermogen is gelijk aan het bepaalde in artikel 34 van de Wet.

  • c.

    De minimaregelingen moeten worden aangevraagd via een daartoe ontwikkeld aanvraagformulier via de gemeentelijke website.

  • d.

    De vergoeding kan niet worden verstrekt met terugwerkende kracht.

  • e.

    Aanvrager moet zich legitimeren volgens de wettelijke voorschriften.

  • f.

    De minimaregelingen kunnen in natura worden verstrekt.

  • g.

    Voor de maximale vergoedingen per kalenderjaar of anderszins wordt verwezen naar de vergoedingenlijst minimaregelingen en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk, in de bijlage.

Artikel 14. Maatschappelijke activiteiten voor volwassenen

Maatschappelijke activiteiten voor volwassenen is een regeling die bedoeld is voor sociaal culturele activiteiten voor volwassenen.

 

  • 14.1

    De vereisten (in aanvulling op artikel 13) zijn:

    • a.

      De aanvrager moet 18 jaar en ouder zijn;

    • b.

      Op datum aanvraag op jaarbasis een inkomen hebben van maximaal 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag;

    • c.

      De aanvrager maakt kosten voor deelname aan sociaal culturele activiteiten.

  • 14.2

    Geen recht als bedoeld in artikel 14.1 hebben:

    • a.

      Thuiswonende kinderen van 18 jaar en ouder die studeren en aanspraak kunnen maken op studiefinanciering;

    • b.

      Ex-studenten die korter dan een jaar geleden een dagopleiding hebben beëindigd.

Artikel 15. Kindpakket

Het Kindpakket is een regeling voor inwoners van Heemskerk met een laag inkomen en kinderen. Zij kunnen een vergoeding vragen voor de kosten van hun kinderen van maatschappelijke, sportieve en culturele activiteiten.

 

  • 15.1

    De vereisten (in aanvulling op artikel 13) zijn:

    • a.

      Dat het gaat om ouder(s) en verzorger(s) met ten laste komend(e) kind(eren) van vier tot achttien jaar;

    • b.

      Die op de datum van aanvraag op jaarbasis een inkomen hebben van maximaal 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag;

    • c.

      Kosten maken voor maatschappelijke, sportieve en culturele activiteiten van hun kinderen.

  • 15.2

    In afwijking van Artikel 15.1 onder b komen ook in aanmerking voor een vergoeding inwoners

    • a.

      met een inkomen dat hoger is dan de inkomensgrens van 110% die:

    • b.

      Ten laste komende kinderen van vier tot achttien jaar hebben en Ondersteuning ontvangen op grond van de Wet op de gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) of de Wet sanering natuurlijke personen (WSNP).

  • 15.3

    De tegemoetkoming kan direct worden verstrekt aan de aanbieder.

  • 15.4

    Kosten van een laptop/tablet/computer kunnen worden vergoed.

    Voorwaarden zijn:

    • a.

      Het ten laste komend kind moet tussen negen en achttien jaar zijn;

    • b.

      Het kind is een ten laste komend kind conform artikel 4 van de Wet en moet op een school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs of op een beroepsopleiding (MBO) zitten;

    • c.

      De voorziening is noodzakelijk en kan niet binnen redelijke termijn worden vernieuwd uit eigen middelen.

    • d.

      Als richtlijn geldt dat een dergelijke voorziening eenmaal per vijf jaar per gezin wordt verstrekt, tenzij de omstandigheden aanleiding geven hiervan af te wijken.;

    • e.

      Er gelden maximum bedragen, zie vergoedingenlijst in de bijlage.

  • 15.5

    Kosten voor een fiets kunnen worden vergoed. De voorwaarden zijn:

    • a.

      Het ten laste komend kind moet tussen zes en achttien jaar zijn;

    • b.

      Geen fiets heeft, of de aanwezige fiets aantoonbaar niet meer bruikbaar is door ernstige gebreken, zodanig dat veilig gebruik niet meer mogelijk is;

    • c.

      Er gelden maximum bedragen en leeftijdscategorieën, zie bijlage.

Artikel 16: Jeugdfonds Sport en Cultuur (JFSC):

Voor sport-, cultuur- en zwemactiviteiten geldt het Jeugdfonds Sport & Cultuur (JFSC) als voorliggende voorziening. Dit betekent dat deze kosten in beginsel via het Jeugdfonds worden aangevraagd en niet via het Kindpakket. Alleen kosten die níét onder de vergoedingsmogelijkheden of spelregels van het Jeugdfonds vallen, kunnen via het Kindpakket worden vergoed.

 

  • 16.1

    In afwijking van artikel 13 komen in aanmerking inwoners met kinderen, met een inkomen tot 120% van de toepasselijke bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag;

  • 16.2

    Een aanvraag wordt gedaan via een intermediair (tussenpersoon);

  • 16.3

    De in dit artikel bedoelde tegemoetkoming wordt in natura verstrekt door rechtstreekse betaling aan de aanbieder door het JFSC;

Artikel 17. Bijdrage aan de Collectieve zorgverzekering Minima (CZM)

Voor inwoners met een inkomen van minder dan 130% exclusief vakantiegeld van de bijstandsnorm bestaat de optie van een collectieve zorgverzekering voor minima (CZM). Dit is een zorgverzekering die bestaat uit een basisverzekering en een aanvullende verzekering. Hiermee wordt het mogelijk gemaakt dat inwoners die deelnemen aan een CZM een uitgebreidere vergoeding kunnen krijgen van medische kosten.

De vereisten (in aanvulling op de algemene voorwaarden) voor deelname zijn:

  • a.

    De aanvrager heeft op de datum van aanvraag een inkomen van maximaal 130% van de toepasselijke bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag;

  • b.

    Het eigen risico is meeverzekerd of wordt gespreid betaald;

  • c.

    De aanvrager draagt zelf zorg voor de betaling van de premie aan de zorgverzekeraar;

  • d.

    Voor het recht op deelname aan de CZM wordt geen vermogensgrens toegepast.

  • e.

    Door deelname komt de aanvrager in aanmerking voor een door de Zorgverzekeraar vast te stellen collectiviteitskorting op de aanvullende premie;

  • f.

    Door deelname komt de aanvrager in aanmerking voor een door het college bepaald bedrag als tegemoetkoming per deelnemer per maand, ongeacht de aanvullende pakketkeuze;

Het college kan de hoogte van de tegemoetkoming aan de CZM jaarlijks wijzigen;

Als (tussentijds) niet (meer) wordt voldaan aan de inkomensvoorwaarden, stopt de deelname aan de CZM.

5. Toeslagen

Artikel 18. Algemene bepaling

Bijzondere bijstand voor de toeslagen zoals bedoeld in dit hoofdstuk, worden verstrekt in aanvulling op de bijstandsnorm of het inkomen als hier de noodzaak voor bestaat. In afwijking van artikel 10.3 eerste lid wordt bij de berekening van deze toeslag het inkomen boven 100% van de bijstandsnorm meegenomen. Het (netto) inkomen boven deze norm en het vermogen boven de in de Wet genoemde vrijlatingsgrenzen wordt volledig meegenomen.

Artikel 19. Jongerentoeslag bij verblijf in inrichting

De bijzondere bijstand voor noodzakelijke bestaanskosten voor jongeren van 18 tot 21 jaar, die in een inrichting verblijven, kan onder onderstaande voorwaarden worden toegekend conform artikel 23 van de Wet:

  • 19.1

    De aanvrager kan voor deze kosten geen beroep doen op de ouders omdat:

    • a.

      de middelen van de ouder(s) niet toereikend zijn, óf

    • b.

      de aanvrager redelijkerwijs het onderhoudsrecht tegenover zijn ouder(s) niet ten gelde kan maken.

  • 19.2

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de individuele noodzakelijke kosten van het bestaan, waarbij:

    • a.

      uitsluitend rekening wordt gehouden met de kosten van levensonderhoud waarvoor de inrichting niet reeds voorziet;

    • b.

      rekening wordt gehouden met de financiële draagkracht en eventuele bijdrage van de ouder(s) en andere middelen van de jongere;

    • c.

      in beginsel niet méér bijzondere bijstand wordt verstrekt dan de toepasselijke norm bij verblijf in een inrichting als bedoeld in artikel 23 van de wet.

  • 19.3

    Van onderdeel c kan in uitzonderlijke individuele gevallen worden afgeweken indien daartoe op grond van de omstandigheden van de jongere aanleiding bestaat

Artikel 20. Toeslag Alleenstaande Ouderkop

  • 20.1

    Aan alleenstaande ouders, die:

    • a.

      Volgens de Belastingdienst een toeslagpartner hebben en daardoor geen alleenstaande ouderkop ontvangen en

    • b.

      Een inkomen hebben dat niet hoger is dan de voor hen geldende bijstandsnorm als bedoeld in artikel 20 tot en met 22 van de wet, inclusief vakantietoeslag.

    kan bijzondere bijstand worden verleend voor het bedrag dat door de Belastingdienst zou worden toegekend als er geen toeslagpartner zou zijn.

  • 20.2

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het bedrag van de alleenstaande ouderkop als bedoeld in de Wet op het kindgebonden budget, zoals deze zou gelden indien geen sprake zou zijn van een toeslagpartner.

  • 20.3

    Het college sluit daarbij aan bij de bedragen zoals vastgesteld door de Belastingdienst in het kalenderjaar waarop de bijstandsverlening betrekking heeft.

Artikel 21. Woonkostentoeslag

De woonkostentoeslag is een vorm van bijzondere bijstand voor noodzakelijke woonkosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden wanneer deze kosten niet kunnen worden voldaan uit het aanwezige inkomen of vermogen en geen voorliggende voorziening toereikend is. Met voorliggend wordt in dit artikel bedoeld de Wet op de huurtoeslag (Wht), zolang de woonkosten binnen de daarvoor geldende grenzen vallen.

 

  • 21.1

    Vorm van de bijstand

    • a.

      De woonkostentoeslag wordt in beginsel verstrekt als een uitkering om niet.

    • b.

      Indien sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid of wanneer de wet dit voorschrijft, kan de woonkostentoeslag worden verstrekt in de vorm van een geldlening of borgtocht, conform artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Wet.

    • c.

      In specifieke situaties kan de woonkostentoeslag worden verstrekt in de vorm van een krediethypotheek, overeenkomstig artikel 50 van de Wet.

    • d.

      De woonkostentoeslag is een tijdelijke voorziening en niet bedoeld als structurele oplossing voor te hoge woonlasten.

    • e.

      De woonkostentoeslag wordt in beginsel om niet verstrekt. Indien belanghebbende onvoldoende meewerkt aan een opgelegde verhuisplicht of anderszins sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, kan de woonkostentoeslag worden verstrekt in de vorm van leenbijstand

  • 21.2

    Voorwaarden:

    Een inwoner komt voor woonkostentoeslag in aanmerking indien:

    • a.

      voorliggende voorzieningen volledig zijn benut; en

    • b.

      door onvoorziene omstandigheden, zoals verlies van werk, scheiding, ziekte of een plotselinge inkomensdaling, redelijkerwijs niet langer kan worden voorzien in de woonkosten.

  • 21.3

    Hoogte van de woonkostentoeslag:

    • a.

      De woonkostentoeslag wordt vastgesteld onder aftrek van de draagkracht, zoals bepaald in deze beleidsregels.

    • b.

      Huurwoning – binnen de huurtoeslaggrens:

      De woonkostentoeslag betreft het niet gesubsidieerde deel van de rekenhuur boven het rekenplafond.

    • c.

      Eigen woning – binnen de huurtoeslaggrens:

      De woonkostentoeslag wordt per maand vastgesteld volgens de berekeningsmethodiek van de Wht, waarbij wordt uitgegaan van:

      • -

        de waarde van de woning volgens de waarde van de woning, gebaseerd op de WOZ waarde of een andere vast te stellen marktwaarde;

      • -

        hypotheekrente;

      • -

        eigenaarslasten (OZB, rioolheffing, waterschap);

      • -

        premie opstalverzekering.

    • d.

      Woonkosten boven de maximale huurgrens:

      Indien de woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens:

      • -

        wordt de woonkostentoeslag berekend volgens de Wht tot de maximale huurtoeslagggrensgrens; en

      • -

        kan het verschil tussen de maximale huurtoeslaggrens en de werkelijke woonkosten geheel of gedeeltelijk worden vergoed, voor zover deze kosten noodzakelijk en passend worden geacht.

  • 21.4

    Duur van de woonkostentoeslag

    • a.

      De woonkostentoeslag wordt toegekend voor maximaal 12 maanden vanaf de datum van de aanvraag.

    • b.

      Indien geen verhuisplicht is opgelegd en de woonkosten niet hoger zijn dan de maximale huurtoeslaggrens, kan de woonkostentoeslag telkens voor een periode van 12 maanden worden verlengd, voor zover de noodzaak daartoe blijft bestaan en de omstandigheden daartoe aanleiding geven.

    • c.

      Bij woonkosten boven de maximale huurgrens kan de woonkostentoeslag met maximaal 12 maanden worden verlengd tot een maximumduur van 24 maanden, indien:

      • -

        belanghebbende aantoonbaar voldoende inspanningen heeft geleverd om goedkopere woonruimte te vinden; of

      • -

        belanghebbende zich onvoldoende heeft ingespannen, maar er sprake is van dringende omstandigheden.

  • 21.5

    Verhuisplicht

    • a.

      Aan de woonkostentoeslag kan een verhuisplicht worden verbonden, gericht op het zoeken naar en accepteren van goedkopere passende woonruimte. Belanghebbende moet zijn inspanningen aantoonbaar maken.

    • b.

      Van de verhuisplicht kan worden afgezien wanneer:

      • -

        de hoge woonlasten verband houden met noodzakelijke woningaanpassingen vanwege een handicap;

      • -

        geobjectiveerde sociale of medische problematiek verhuizen onmogelijk maakt;

      • -

        sprake is van een krediethypotheek voor algemene bijstand zolang het kredietplafond niet is bereikt;

      • -

        belanghebbende zelfstandige is en tijdelijke algemene bijstand ontvangt op grond van het Bbz 2004.

    • c.

      Belanghebbende moet actief zoeken naar goedkopere woonruimte en op verzoek bewijs van inspanningen overleggen.

6. Slotbepalingen

Artikel 22. Inwerking, intrekking, citeertitel en overgangsbepalingen

  • 22.1

    Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na datum bekendmaking.

  • 22.2

    De Beleidsregels minimaregelingen en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk 2024 wordt hiermee ingetrokken.

  • 22.3

    Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels algemene bijstand, bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Heemskerk 2026.

  • 22.4

    De Beleidsregels minimaregelingen en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk 2024 blijven van kracht voor bezwaarschriften die betrekking hebben op de aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze beleidsregels, tenzij toepassing van deze beleidsregels een positieve uitkomst heeft voor belanghebbende.

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk op 30 juni 2026

L.R. Vos

Gemeentesecretaris

A.H.J.J. Luijten

Burgemeester

7. Toelichting op de beleidsregels minimaregelingen, algemene bijstand en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk 2026

 

Deze bijlage vormt een onderdeel van de beleidsregels.

 

8. Toelichting algemene bijstand (hoofdstuk 2)

 

Artikel 2. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn

Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.

 

Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, wordt een elfde lid toegevoegd:

In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.

Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat het college de jongere na de melding dan in de gelegenheid stelt om direct zijn aanvraag in te dienen.

 

Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten.

In artikel 2 worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.

 

Artikel 3. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a:

Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag’. ‘Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.’

Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt. Het college benut dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende.

 

Eerste lid

Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. In het eerste lid zijn enkele situaties beschreven waarbij dat het geval kan zijn. In elk geval mag het hergebruik van gegevens er volgens de Wet niet toe leiden dat er sprake is van een meer belastende aanvraag.

 

Tweede lid

Sommige gegevens kunnen eerder aan verandering onderhevig zijn dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten.

 

Derde lid

De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de IOAW en de IOAZ. Uit oogpunt van eenduidigheid is in het derde lid opgenomen, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de IOAW en IOAZ op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.

 

Artikel 4. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid:

In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’

 

Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.

 

In lijn met de Memorie van Toelichting bij de Wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen twee situaties worden onderscheiden:

  • 1.

    De melding is te laat gedaan als gevolg van de individuele omstandigheden.

  • 2.

    De gevolgen van de late melding zijn ernstig voor de bijstandsgerechtigde.

De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen.

 

  • 1.

    Omstandigheden die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Het gaat hierbij om omstandigheden van individuele aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname, en onvoldoende ‘doenvermogen’).

    Of meer om systeemtechnische omstandigheden (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening.

  • 2.

    Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden (of problemen die door financiële omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, of daaraan hebben bijgedragen, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Een ongeluk komt zelden alleen, vaak is er meer aan de hand dan uitsluitend financiële problematiek, daarom is van belang te benadrukken dat het gaat om indicatoren. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht.

Vierde lid

De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de Ioaw. De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan het derde lid toegevoegd, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.

 

Artikel 5: Overbruggingsuitkering

Artikel 5 regelt de mogelijkheid om een overbruggingsuitkering te verstrekken als de belanghebbende de periode tot de eerste (reguliere) betaling van de algemene bijstand niet kan overbruggen. Het gaat om situaties waarin het betaalritme wijzigt en de uitkering (voor het eerst) achteraf wordt betaald, terwijl er geen financiële reserve is. Voorbeelden zijn een vluchteling die zich na verblijf in een opvangcentrum zelfstandig in Heemskerk vestigt of iemand die na een relatiebreuk zelfstandig gaat wonen.

 

Uitgangspunt is dat de toepasselijke bijstandsnorm toereikend wordt geacht voor de algemene noodzakelijke kosten van bestaan. Daarom wordt in beginsel geen overbruggingsuitkering verstrekt. Alleen wanneer de belanghebbende aantoont dat er geen andere middelen (inkomen, vermogen, reserveringen, hulp van derden) beschikbaar zijn en hij daardoor de noodzakelijke kosten in de overbruggingsperiode niet kan betalen, kan het college een overbruggingsuitkering verlenen.

 

Als het recht op algemene bijstand nog niet is vastgesteld, ligt het voor de hand om – in plaats van een overbruggingsuitkering – een voorschot te verstrekken op grond van artikel 52 van de Participatiewet.

 

Omdat de overbruggingsuitkering in deze situaties samenhangt met het betaalritme van de algemene bijstand en dezelfde kosten dekt als de reguliere bijstand, wordt deze verstrekt als algemene bijstand om niet (zonder terugbetalingsverplichting).

 

Eventuele verwijtbaarheid (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid) wordt niet via de vorm van de overbruggingsuitkering geregeld, maar – voor zover aan de orde – via afstemming op grond van artikel 18 Participatiewet en de Maatregelenverordening

 

Een overbruggingsuitkering wordt alleen toegekend in verband met de periode tot de eerste betaling van de algemene bijstand bij een gewijzigd betaalritme en niet in plaats van een voorschot op grond van artikel 52 PW. Indien de belanghebbende over voldoende middelen beschikt (bijvoorbeeld door recent ontvangen uitkering of inkomsten) om de periode tot de eerste betaling te overbruggen, bestaat geen recht op een overbruggingsuitkering.

 

9. Toelichting recht op bijzondere bijstand (hoofdstuk 3)

 

Algemene bepaling

In artikel 35 van de Wet staat dat bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de extra noodzakelijke kosten van het bestaan die als gevolg van bijzondere individuele omstandigheden niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, het vermogen en inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

 

Het uitgangspunt is dat alleen de kosten van de goedkoopste en passende voorziening voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Er is geen recht op bijzondere bijstand als er een passende en toereikende voorliggende voorziening is (artikel 15 lid 1 van de Wet).

 

Artikel 6. De aanvraag

Uitgangspunt: Bijzondere bijstand wordt verstrekt als de aanvraag is ingediend voordat de kosten zijn gemaakt. In lid 3 van dit artikel staat dat ondanks voorgaande toch bijzondere bijstand kan worden verleend als de kosten al zijn gemaakt voor de aanvraag. Dan geldt het volgende: De aanvraag moet zijn ingediend binnen 3 maanden nadat de kosten zijn ontstaan én de noodzakelijkheid van de kosten alsnog kan worden vastgesteld. Bij de aanvraag wordt dan gekeken naar de datum van de nota/bon/factuur etc. De kosten mogen maximaal 3 maanden na die datum gemaakt zijn.

 

Bij de kosten voor bewindvoering wordt de startdatum beschikking van de Rechtbank gehanteerd. Bij de eigen bijdrage advocaatkosten wordt de datum van de Civiele toevoeging als startdatum gehanteerd.

 

Artikel 7. Beoordeling van de aanvraag

De toetsingscriteria voor een aanvraag bijzondere bijstand zijn overgenomen uit artikel 35, lid 1 van de Wet. Uitgangspunt: Alleen kosten van de goedkoopste toereikende voorziening komen voor bijzondere bijstand in aanmerking. De omvang van de gevraagde kosten kan als regel worden getoetst aan de bedragen in de meest recente uitgave van de Nibud-prijzengids en de vergoedingenlijst minimaregelingen en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk (zie bijlage).

 

Artikel 8. Vorm van bijstand

Bijzondere bijstand kan verleend worden in de vorm van:

  • een geldlening;

  • borgtocht;

  • een bedrag om niet.

Voordat de gemeente zelf tot een geldlening overgaat, dient vast te staan dat de aanvrager de benodigde geldlening niet kan krijgen via de normale kredietverlenende instanties (voorliggende voorziening).

 

Artikel 51 van de Wet biedt de mogelijkheid om bijzondere bijstand te verlenen in de vorm van een borgstelling. Voor het verlenen van een borgstelling kan slechts aanleiding zijn wanneer is komen vast te staan dat zonder tussenkomst van de gemeente als borg, de lening door de kredietverlenende instantie niet zal worden verstrekt.

 

Onder borgstelling wordt verstaan het sluiten van een overeenkomst tussen de gemeente en de bank, waarbij de gemeente zich verbindt de aflossingen en bijkomende kosten van de Kredietbank van een aanvrager te voldoen. Dit is het geval als de aanvrager zijn aflossingsverplichtingen bij een bank niet of niet meer nakomt. De gemeente moet de geldlening dan terugbetalen aan de bank en heeft vervolgens een vordering op de aanvrager.

 

Artikel 9. Uitbetaling van de bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand wordt betaald nadat de betalingsbewijzen of offertes (proforma nota’s) zijn ingediend. Als uitbetaling plaatsvindt op basis van proforma nota’s wordt de bijstand zoveel mogelijk verstrekt in natura.

 

Artikel 10. Draagkracht en draagkrachtperiode

Bij de toepassing van dit artikel wordt de draagkracht niet voor alle regelingen op dezelfde wijze vastgesteld. Afhankelijk van het type voorziening wordt gewerkt met een draagkrachtberekening of met vaste inkomensgrenzen. Ter ondersteuning van een eenduidige uitvoering is hieronder een overzicht opgenomen waarin per regeling is aangegeven of draagkracht wordt toegepast en vanaf welk inkomensniveau deze wordt betrokken. Dit overzicht draagt bij aan een consistente toepassing van de beleidsregels en verduidelijkt de samenhang tussen bijzondere bijstand, toeslagen en minimaregelingen.

 

Bij bijzondere bijstand wordt het inkomen inclusief vakantietoeslag betrokken en vindt een draagkrachtberekening plaats. Bij toeslagen wordt eveneens uitgegaan van het inkomen inclusief vakantietoeslag, waarbij het inkomen en vermogen boven de bijstandsnorm volledig worden betrokken. Bij minimaregelingen wordt uitgegaan van het inkomen exclusief vakantietoeslag en wordt geen draagkracht toegepast.

 

Regeling / product

Draagkracht toepassen?

Inkomensgrens

Toepassing

Algemene bijstand (PW)

Nee

Volledige toets PW

Bijzondere bijstand (alle vormen)

Ja

> 110% bijstandsnorm (incl. VT)

Draagkracht over inkomen boven norm en vermogen; volgens staffel

Toeslagen (hoofdstuk 5)

Ja (afwijkend)

> 100% bijstandsnorm (incl. VT)

Volledige inkomens- en vermogenstoets; geen draagkrachtberekening

Woonkostentoeslag

Ja (afwijkend)

> 100% bijstandsnorm (incl. VT)

Volledige inkomens- en vermogenstoets; geen draagkrachtberekening

Minimaregelingen

Nee

Max. 110% bijstandsnorm (excl. VT)

Geen draagkracht, wel vermogenstoets

Jeugdfonds Sport & Cultuur

Nee

Max. 120% bijstandsnorm (excl. VT)

Geen draagkracht

Collectieve Zorgverzekering Minima

Nee

Max. 130% bijstandsnorm (excl. VT)

Geen draagkracht

Individuele inkomenstoeslag

Nee

Max. 110% bijstandsnorm (incl. VT)

Geen draagkracht, wel vermogenstoets

 

10.1 Draagkracht

Bij de beoordeling of de aanvrager recht heeft op bijzondere bijstand, wordt de draagkracht berekend. Draagkracht is dat deel van het inkomen en vermogen van de aanvrager, dat hij eerst moet gebruiken voordat er bijzondere bijstand wordt toegekend en betaald.

Het uitgangspunt is om de draagkracht in het inkomen en vermogen over een periode van twaalf maanden te bepalen. Mocht de periode waarop de gevraagde kosten betrekking hebben korter zijn dan een jaar, dan kan voor een kortere periode de draagkracht worden vastgesteld.

 

De hoofdregel is dat de draagkracht in het inkomen en vermogen in een keer met de bijstand wordt verrekend waar de aanvrager recht op heeft.

Als gedurende een langere periode recht op bijstand bestaat, wordt de draagkracht in het inkomen en vermogen per maand verrekend. Hierdoor wordt bereikt dat de aanvrager bij periodieke kosten niet geconfronteerd kan worden met hoge bijzondere kosten die in een maand voor eigen rekening blijven.

In het belang van de rechtszekerheid en de uitvoeringspraktijk geldt als uitgangspunt: Dat de draagkracht binnen de vastgestelde draagkrachtperiode in beginsel definitief is. Eenmaal vastgestelde draagkracht wordt in beginsel niet meer aangepast. Mogelijke uitzonderingen hierop zijn wijzigingen in de gezinssituatie, zoals het verbreken of aangaan van een samenwoning waardoor er een wezenlijke wijziging optreedt in de persoonlijke en/of financiële situatie van de aanvrager.

 

10.2. Het vermogen

Het vermogen boven de wettelijke grens wordt geheel verrekend met bijstand waar de aanvrager recht op heeft. Mocht het vermogen hoger zijn dan de gevraagde kosten, dan bestaat er geen recht op de regeling of bijzondere bijstand.

 

In lid 2 staat dat rekening gehouden kan worden met de overwaarde van de eigen woning. Dit zou kunnen betekenen dat de aanvrager door het aangaan of ophogen van een hypothecaire geldlening geacht wordt zelf in de kosten te kunnen voorzien.

 

10.3. Het inkomen

Alle inkomen (op jaarbasis) boven de grens van 110% van de geldende bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag, wordt betrokken bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand. Er wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm. Ook een verstrekte studietoeslag en individuele inkomenstoeslag worden buiten beschouwing gelaten.

Voor de bepaling van aanspraak op bijzondere bijstand en minimaregelingen wordt uitgegaan van hetzelfde inkomen als in artikel 31, 32 en 33 van de Wet.

 

Artikel 11. Toelichting individuele verstrekkingen

In dit artikel worden een aantal kosten beschreven die via de bijzondere bijstand verstrekt kunnen worden. Maar let op: in het individuele geval kunnen noodzakelijke kostensoorten voorkomen die niet in dit hoofdstuk staan, maar waar wel, bijzondere bijstand voor verleend kan worden. Het uitgangspunt hierbij is artikel 35 van de Wet.

 

11.1. Medische kosten

In de regel verstrekken we geen bijzondere bijstand voor de medische kosten, omdat de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning een voorliggende voorziening zijn. Deze worden passend en toereikend geacht.

 

In het individueel geval kan van het bovenstaande worden afgeweken wanneer sprake is van dringende redenen.

 

Aanvullende zorgverkering

Inwoners worden geacht, naast een basisverzekering, een aanvullende zorgverzekering af te sluiten voor medische kosten. Dit houdt ook in dat de inwoners zich verzekeren tegen voorzienbare kosten als brillen, contactlenzen en tandartskosten.

De inwoner kan hierbij gebruik maken van de Collectieve Zorgverzekering Minima (de gemeentepolis). Wanneer een inwoner veel zorgkosten maakt dan kan de Collectieve Zorgverzekering Minima een uitkomst bieden. De gemeente betaalt mee aan de aanvullende ziektekostenverzekering.

 

Wanneer de aanvrager is geweigerd door zijn zorgverzekeraar voor een aanvullende verzekering en er is sprake van ‘bijzondere omstandigheden in het individuele geval’ dan is bijstand in principe mogelijk.

 

Als het college van oordeel is dat er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheden en de kosten noodzakelijk zijn dan kan voor de tandartskosten een geldlening worden verstrekt (artikel 48 van de Wet).

 

Medische noodzaak

De aanvrager is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de medische noodzaak aan te tonen. Deze kan blijken uit een gedeeltelijke vergoeding via de zorgverzekering, vanuit de Wlz of een medische indicatie van een specialist. Het is niet mogelijk om een medisch advies in te dienen van bijvoorbeeld de eigen huisarts. Dit moet altijd door een onafhankelijke arts worden beoordeeld. Als de aanvrager de noodzaak niet kan aantonen dan zal het college in voorkomende noodzakelijke gevallen eerst een medisch advies opvragen om de noodzaak en eventueel de goedkoopst adequate voorziening vast te stellen.

 

Overige individuele verstrekkingen

In deze beleidsregels zijn geen bepalingen opgenomen ten aanzien van bijzondere bijstand voor de aanschafkosten van kleding, verwarmingskosten en maaltijdvoorzieningen. Voor al deze kostensoorten geldt dat de kosten in principe behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en dat de kosten die voor een ieder gebruikelijk zijn in mindering worden gebracht op de te verstrekken bijzondere bijstand.

 

Evenmin zijn in deze beleidsregels bepalingen opgenomen over de kosten van pedicure/manicure, aanschafkosten van orthopedisch schoeisel, hoortoestellen en bevallingskosten. Voor deze kosten geldt dat de noodzakelijkheid van de voorzieningen onderzocht moet worden, bijvoorbeeld aan de hand van een medisch advies, en dat de kosten die voor een ieder gebruikelijk zijn in mindering worden gebracht op de te verstrekken bijzondere bijstand

 

11.2. Brillen en contactlenzen

Geen toelichting.

 

11.3. Overbruggingslening acute noodsituatie

Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij een acute, kortdurende noodsituatie bijzondere bijstand te verlenen in de vorm van een geldlening. Het gaat om situaties waarin de eerste levensbehoeften in het geding zijn, zoals verlies of diefstal van geldmiddelen, of plotseling wegvallen van inkomen terwijl er (nog) geen recht op algemene bijstand bestaat. De lening is uitsluitend bedoeld om de directe periode tot (herstel van) inkomen te overbruggen en is niet bedoeld voor structurele tekorten of schuldaflossing.

Bij de beoordeling wordt de gebruikelijke toets voor bijzondere bijstand toegepast: de kosten moeten zich daadwerkelijk voordoen, noodzakelijk zijn, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en niet uit aanwezige middelen (inkomen, vermogen, reserveringen of hulp van derden) kunnen worden voldaan.

Indien de noodsituatie het gevolg is van verlies of diefstal van geldmiddelen, kan het college verlangen dat de belanghebbende daarvan aangifte heeft gedaan bij de politie.

 

De overbruggingsuitkering in dit artikel wordt op grond van artikel 8, lid 2 van deze Beleidsregels verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening.

De in lid b genoemde bedragen (€ 100 per gezin en € 50 voor een alleenstaande) gelden als maxima per afzonderlijke noodsituatie.

 

De terugbetaling vindt plaats door middel van een aflossingsregeling die wordt afgestemd op de draagkracht van belanghebbende. Het college stemt hoogte en duur van de aflossing af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van belanghebbende, waarbij in ieder geval de beslagvrije voet wordt gerespecteerd.

Indien de belanghebbende algemene bijstand ontvangt, kan de aflossing door verrekening met de uitkering plaatsvinden, met inachtneming van de daarvoor geldende regels.

 

11.4. Inrichtingskosten

Duurzame gebruiksgoederen zijn incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan. Voor deze kosten moet in principe gereserveerd worden. Als de aanvrager niet heeft gereserveerd of niet kon reserveren en vervanging van duurzame gebruiksgoederen noodzakelijk is gebleken, kan een beroep worden gedaan op bijzondere bijstand.

In dit geval wordt de bijzondere bijstand voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen met toepassing van artikel 51 Participatiewet in de vorm van een geldlening of borgtocht verstrekt.

Voor wat betreft de vorm van de bijzondere bijstand geldt:

een geldlening via de normale kredietverlenende instanties

borgtocht bij een geldlening via de normale kredietverlenende instanties als vaststaat dat, zonder optreden van de bijstand als borg, de lening door de kredietverlenende instelling niet zal worden verstrekt;

leenbijstand.

 

Een aanvrager moet dan ook eerst proberen een geldlening bij een kredietverlenende instelling af te sluiten, bijvoorbeeld bij de Gemeentelijke Kredietbank of een commerciële bank. Soms moet de gemeente dan borg staan. De bijzondere bijstand kan dan worden verstrekt in de vorm van die borgtocht. De borgtocht houdt in dat het college aansprakelijk wordt gesteld als de aanvrager zijn aflossingsverplichtingen niet of niet meer nakomt. De gemeente moet de geldlening dan terugbetalen aan de bank en heeft vervolgens een vordering op de aanvrager (artikel 58 lid 2 onderdeel c van de Wet).

 

Als een dergelijke lening niet kan worden afgesloten dan kent het college bijzondere bijstand toe in de vorm van een geldlening.

Deze volgorde is aangewezen omdat ook de aanschaf, vervanging of reparatie van gebruiksgoederen met een duurzaam karakter tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren. Bij schuldhulpverleningstrajecten kan bijzondere bijstand voor gebruiksgoederen die in de vorm van een geldlening is verstrekt op een later moment worden omgezet in bijstand om niet. Voor de hoogte van de afzonderlijke vergoedingen wordt aangesloten bij het maximum te lenen bedragen via de kredietbank. De Nibud-prijzengids wordt gehanteerd. Voor de richtlijnen van een complete wooninrichting wordt verwezen naar de vergoedingenlijst minimaregelingen en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk, in de bijlage.

 

De hoogte van de aflossingsbedragen wordt voor inwoners met een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm (ongeacht de samenstelling van dit inkomen) vastgesteld op tenminste 5% van de som van het van toepassing zijnde inkomen inclusief vakantietoeslag. Het totaal door de belanghebbende te betalen bedragen worden zo vastgesteld dat hij tenminste blijft beschikken over de beslagvrije voet.

Eisen aan energiezuinig witgoed

Om voor een vergoeding in aanmerking te komen gelden de volgende verplichtingen:

  • a.

    Tafelkoelkast: energielabel C of zuiniger.

  • b.

    Hogere koelkast: energielabel C of zuiniger en een jaarlijks verbruik van minder dan 120 kWh.

  • c.

    Koel-vriescombinatie: energielabel D of zuiniger en een jaarlijks verbruik van maximaal 240 kWh.

  • d.

    Wasmachine: energielabel A of B en een levensduur van minimaal 2000 wasbeurten.

  • e.

    Bovenlader wasautomaat: energielabel D of zuiniger en een levensduur van minimaal 2000 wasbeurten.

Het college hanteert het uitgangspunt dat een apparaat wordt aangeschaft met de minimale levensduur van 8 jaar.

 

De inwoner levert een betalingsbewijs in om voor de extra vergoeding in aanmerking te komen.

 

Artikel 12. Overige kosten

Zoals al eerder aangegeven kunnen allerlei kosten voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. In dit artikel worden nog een aantal overige kosten genoemd die verstrekt kunnen worden op grond van artikel 35 van de Wet. Wel moet sprake zijn van noodzakelijke kosten op grond van bijzondere, sociale of financiële omstandigheden.

 

12.2. Kosten voor begrafenis of crematie

Voor de hoogte van de begrafenis of crematiekosten van een overledene in Nederland wordt aangesloten bij prijzen van de gemeentelijke begraafplaatsen, zie www.grafkostenonderzoek.nl.

in de bijlage, zijn de bedragen die maximaal door de gemeente Heemskerk worden verstrekt.

 

Wanneer er niemand is die opdracht geeft tot begraven, dan zal de burgemeester deze opdracht geven. Dit gebeurt dan op grond van de Wet op de Lijkbezorging.

 

12.4. Vrijwillig budgetbeheer

Voor bijzondere bijstand van de kosten voor vrijwillig budgetbeheer, moet de inkomensbeheerder aangesloten zijn bij de Branchevereniging voor Professionele Bewindvoerders en Inkomensbeheerders. Algemeen maatschappelijk werk, zoals MET Heemskerk, geeft advies over de inzet van vrijwillig budgetbeheer of schuldhulpverlening. Jaarlijks wordt beoordeeld of vrijwillig budgetbeheer nog noodzakelijk is. Ook maakt de gemeente afspraken met de aanvrager en betreffende instanties, die de zelfredzaamheid van de inwoners bevordert.

 

12.7. Vervoerskosten van en naar het ziekenhuis

Bij vervoerkosten van en naar het ziekenhuis worden de kosten vergoed door de zorgverzekeraar, voor de eigen bijdrage kan bijzondere bijstand worden verstrekt.

 

12.8. Kosten van de eigen bijdrage kinderopvang (KOA-kopje)

Onder de Wet Kinderopvang is het verstrekken van een KOA kopje als bijzondere bijstand toegestaan. De kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst dekt ook voor bijstandsgerechtigden niet de volledige kosten van kinderopvang. Zij zouden zonder aanvullende toeslag onder bijstandsniveau komen. Dat wordt ongewenst geacht. Om die reden wordt een aanvullende tegemoetkoming verstrekt in de kosten van kinderopvang. Het KOA-kopje is 4,5% of 3,5% van de kosten kinderopvang, rekening houdend met het maximale uurtarief zoals aangegeven op www.belastingdienst.nl bij ‘Maximaal uurtarief voor de kinderopvang’ en bedraagt:

  • Voor het 1e kind 4,5% van de kosten. Als 1e kind wordt gezien het kind met de hoogste kosten kinderopvang.

  • Voor elk volgend kind 3,5% van de kosten.

Voor een gemeentelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang dient de aanvrager te voldoen aan een van de volgende voorwaarden:

  • De aanvrager ontvangt een uitkering van de gemeente Heemskerk. Dit kan zijn op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ. Ook volgt de aanvrager een scholings- en/of een bemiddelingstraject om aan het werk te komen. Dit traject wordt betaald door de gemeente.

  • de aanvrager is verplicht om in te burgeren en volgt hiervoor een cursus.

  • De aanvrager werkt, maar het inkomen wordt aangevuld met een uitkering op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ.

  • De aanvrager is een tienermoeder jonger dan 18 jaar die een opleiding volgt of studerende met kinderen.

Wanneer sprake is van twee ouders met minderjarige kinderen dan dienen zij de opvang van de kinderen onderling te regelen.

 

Voor de kinderopvang op grond van sociaal medisch indicatie wordt verwezen naar de Verordening kinderopvang sociaal-medische indicatie Heemskerk 2018.

 

10. Toelichting minimaregelingen (hoofdstuk 4)

 

Artikel 13. Algemene bepaling

Bij de beoordeling of de aanvrager aan de inkomenseis voldoet, wordt het netto-jaarinkomen gebruikt. Dit jaarinkomen stel je vast door eerst een maandinkomen te berekenen. Dat maandinkomen bestaat uit de inkomsten exclusief vakantietoeslag in de maand van de aanvraag. De netto-inkomsten worden afgezet tegen de door het college vastgestelde norm. Van voorgaande berekening kan worden afgeweken als er sprake is van variabele inkomsten.

 

Artikel 14. Maatschappelijke activiteiten voor volwassenen

Maatschappelijke activiteiten voor volwassenen is een regeling die bedoeld is voor sociaal culturele activiteiten voor volwassenen . Als een volwassen inwoner bijvoorbeeld lid wil worden van een voetbalclub, dan is dat een sociaal culturele activiteit. Hij/zij kan dan een vergoeding voor de kosten vragen via deze vorm van bijstand.

Onder kosten voor maatschappelijke activiteiten voor volwassenen, vallen in ieder geval kosten voor: Theater, concert, museum, bioscoop, dierentuin, lidmaatschap sportvereniging, muziekvereniging, toneelvereniging, bibliotheek, internet en abonnement televisie, abonnement van tijdschriften en kranten.

 

Deze kosten worden vergoed om te voorkomen dat inwoners met een minimuminkomen in een sociaal isolement terechtkomen. Zo kan deze doelgroep meedoen aan activiteiten op het sportieve, culturele of maatschappelijke vlak.

 

Voor de maximale vergoedingen per kalenderjaar of anderszins wordt verwezen naar de vergoedingenlijst minimaregelingen en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk, in de bijlage.

 

De aanvrager kan jaarlijks aanspraak maken op deze vergoeding. De hoogte is afhankelijk van de gezinssituatie. We betalen de vergoeding zonder vooraf een betalingsbewijs te hebben. De reden hiervan is dat ervaring leert dat inwoners deze kosten maken. Wel wordt in de beschikking gevraagd om de betalingsbewijzen 1 jaar te bewaren. Achteraf kan steekproefsgewijs gecontroleerd worden.

 

Artikel 15. Kindpakket

Dit artikel regelt ondersteuning voor kinderen die in een gezin wonen met een laag inkomen. Op jaarbasis gaat het om een inkomen van maximaal 110% exclusief vakantiegeld van de toepassing zijnde bijstandsnorm. Ook wanneer de ouders meer dan 110% inkomen hebben, maar tegelijk in een Wgs of WSNP regeling (minnelijke- of wettelijke schuldregeling) zitten, kan ondersteuning vanuit het kindpakket plaatsvinden.

Vergoeding van kosten uit het kindpakket wordt zoveel mogelijk in natura verstrekt. Het aanvraagformulier zal de optie ‘betalen in natura’ bevatten. Zo kunnen kinderen die in armoede opgroeien, meedoen aan sportieve, educatieve en culturele activiteiten binnen de samenleving.

 

Het gaat bijvoorbeeld om schoolkosten, schoolkamp, een fiets, computer/laptop/tablet, muziekles en overige activiteiten die bijdragen aan participatie van kinderen.

 

De vergoeding kan als de ouders de kosten al gemaakt hebben verstrekt worden op declaratiebasis en als ouders de kosten niet vooraf kunnen betalen worden deze in natura verstrekt.

Voor de maximale vergoedingen per kalenderjaar of anderszins wordt verwezen naar de vergoedingenlijst minimaregelingen en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk, in de bijlage.

 

Artikel 16. Jeugdfonds sport- en cultuur

Voor deelname aan activiteiten via het Jeugdfonds Sport & Cultuur gaat het om een inkomen tot 120% van de toepassing zijnde bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag.

 

De aanmelding bij het Jeugdfonds Sport en Cultuur gaat als volgt:

Stap 1 : Een ouder kan zelf geen aanvraag indienen, maar zoekt naar een intermediair van het JFSC. Een intermediair is een tussenpersoon, die in zijn dagelijkse werkzaamheden in contact komt met inwoners met een laag inkomen. Bijvoorbeeld het Serviceplein van de gemeente.

Stap 2 : In een afspraak met de intermediair, wordt besproken of het kind in aanmerking komt

voor ondersteuning vanuit het fonds en zo ja: welke activiteit diegene graag wil gaan doen.

Stap 3: De intermediair doet vervolgens een aanvraag bij het JFSC. Na maximaal drie weken hoort de intermediair of de aanvraag is goedgekeurd.

Stap 4: Is de aanvraag goedgekeurd? De ouder kan zijn kind dan definitief gaan aanmelden bij de plaatselijke sportvereniging of cultuurinstelling. Het JFSC betaalt de contributie en/of materiaalkosten direct aan de aanbieder.

 

De spelregels staan op de volgende site:

https://jeugdfondssportencultuur.nl/fondsen/noordholland

 

De vergoeding van het JFSC wordt in natura verstrekt door rechtstreekse betaling aan de aanbieder door het JFSC.

 

Artikel 17. Bijdrage aan de Collectieve Zorgverzekering Minima (CZM)

De CZM is een verzekering voor inwoners van de gemeente Heemskerk met een laag inkomen en (veel) zorgkosten. Het bestaat uit een basisverzekering en een aanvullende verzekering. Deelname is vrijwillig. Met een CZM wordt een uitgebreidere vergoeding van medische kosten op een laagdrempelige manier mogelijk gemaakt.

 

11. Toelichting toeslagen (hoofdstuk 5)

 

Artikel 18. Algemene bepaling over toeslagen

Bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand voor de toeslagen wordt het volledige inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm (100%) in aanmerking genomen. Deze hoeven niet te worden aangetoond. Bij deze toeslagen wordt ervanuit gegaan dat de kosten worden gemaakt.

 

Artikel 19. Jongerentoeslag bij verblijf in inrichting

Op grond van artikel 13 van de Wet hebben achttien tot eenentwintigjarigen, die in een inrichting verblijven, geen recht op algemene bijstand (bijv. zak- en kleedgeld). In het algemeen zal van de ouders een bijdrage in de kosten van verblijf in de inrichting worden gevraagd. Bij verstrekking van bijzondere bijstand dienen de mogelijkheden tot verhaal onderzocht te worden.

 

Artikel 20. Toeslag Alleenstaande Ouderkop (ALO)

De ALO-kop is een extra bedrag bovenop het kindgebonden budget. En is voor de alleenstaande ouder zonder partner volgens de regels voor toeslagen van de Belastingdienst. De alleenstaande ouder krijgt de ALO-kop samen met het kindgebonden budget.

 

In dit artikel staat de mogelijkheid tot het verstrekken van bijzondere bijstand voor alleenstaande ouders die geen aanspraak kunnen maken op de ALO-kop en een inkomen hebben op bijstandsniveau. Voorwaarde is dat de aanvrager alles heeft gedaan om inkomsten ter hoogte van de ALO-kop te krijgen door een beroep te doen op de andere ouder. Als dit niet mogelijk is via een minnelijke regeling, wordt van de aanvrager verwacht dat hij/zij de middelen via een rechtelijke uitspraak probeert te krijgen.

 

Artikel 21. Woonkostentoeslag

De woonkostentoeslag is een vorm van bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet. Deze toeslag is bedoeld om inwoners tijdelijk te ondersteunen wanneer zij te maken krijgen met woonkosten die zij door bijzondere omstandigheden niet meer kunnen betalen. De gemeente Heemskerk volgt hierbij dezelfde systematiek als bij de Wet op de huurtoeslag (Wht), zodat wordt aangesloten op landelijke normen voor redelijke woonlasten.

 

Deze ondersteuning is nadrukkelijk tijdelijk van aard. De woonkostentoeslag is niet bedoeld om hoge woonlasten structureel te financieren, maar om inwoners de gelegenheid te geven hun situatie te stabiliseren en waar nodig een meer passende en betaalbare woonruimte te vinden.

 

Begrip woonkostentoeslag

De woonkostentoeslag wordt verstrekt wanneer een inwoner door onvoorziene omstandigheden niet tijdig kan beschikken over huurtoeslag of wanneer er sprake is van woonkosten die de huurtoeslaggrenzen overschrijden. Hierbij gelden de definities uit artikel 1.1, waaronder rekenhuur, inkomen, vermogen en een voorliggende voorziening. De Wht vormt de eerste route voor tegemoetkoming; pas als deze onvoldoende is of (nog) niet van toepassing, kan de woonkostentoeslag worden ingezet.

 

Vorm van de bijstand

De woonkostentoeslag wordt in principe als gift verstrekt. In situaties waarin een inwoner onvoldoende eigen verantwoordelijkheid heeft genomen, kan de bijstand worden verstrekt in de vorm van een lening of borgtocht. Ook kan verstrekking via een krediethypotheek plaatsvinden wanneer de Wet dit voorschrijft, bijvoorbeeld bij woonkosten die samenhangen met eigen woningbezit.

 

Wanneer is woonkostentoeslag mogelijk?

De woonkostentoeslag kan worden toegekend wanneer:

  • de voorliggende voorzieningen (zoals huurtoeslag) volledig zijn benut;

  • onvoorziene omstandigheden ertoe leiden dat de woonkosten niet meer kunnen worden betaald. Dit kan komen door verlies van werk, een scheiding, ziekte of een plotselinge inkomensdaling;

  • de inwoner, zonder hulp, naar verwachting betalingsproblemen krijgt of dakloosheid dreigt.

Het college beoordeelt of de kosten noodzakelijk en passend zijn. Hierbij wordt gekeken naar de hoogte van de woonkosten in relatie tot wat op grond van de Wht redelijk is.

 

Hoogte van de woonkostentoeslag

De hoogte van de woonkostentoeslag wordt vastgesteld na aftrek van de draagkracht. De vergoeding sluit zoveel mogelijk aan op de berekeningssystematiek van de Wet op de huurtoeslag.

Bij een huurwoning betreft dit het niet gesubsidieerde deel boven de rekenhuur. Bij een eigen woning worden de lasten zoals hypotheekrente, eigenaarslastenen opstalverzekering meegenomen in de berekening.

Wanneer de woonkosten de maximale huurgrens overschrijden, wordt eerst de “huurtoeslag tot de maximale huurgrens” berekend en daarna aangevuld met het bedrag waarmee de werkelijke woonlasten deze grens overstijgen.

 

Duur van de woonkostentoeslag

De woonkostentoeslag wordt in beginsel voor maximaal 12 maanden toegekend. Wanneer er geen verhuisplicht geldt en de omstandigheden onveranderd blijven, kan de toeslag jaarlijks worden verlengd.

Bij woonkosten die boven de maximale huurgrens liggen, geldt een maximale duur van 24 maanden. Alleen in zeer bijzondere situaties kan na onvoldoende inspanningen alsnog worden verlengd, maar dan alleen in de vorm van leenbijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

 

Verhuisplicht

De woonkostentoeslag is nadrukkelijk geen structurele oplossing. Daarom kan het college een verhuisplicht opleggen wanneer de woonkosten structureel te hoog zijn en er goedkopere alternatieven beschikbaar zijn. Deze verplichting betekent dat de inwoner actief moet zoeken naar een passende en betaalbare woning en daarover bewijs moet overleggen.

Van een verhuisplicht kan worden afgezien wanneer verhuizen medisch of sociaal onverantwoord is, wanneer een woning vanwege aanpassingen noodzakelijk is voor een gehandicapte inwoner, of wanneer sprake is van een lopende krediethypotheek of tijdelijke bijstand voor zelfstandigen.

 

Afbakening en verantwoordelijkheid

De woonkostentoeslag moet worden gezien als een laatste redmiddel. Het college beoordeelt steeds de individuele omstandigheden en de redelijkheid van de kosten. Inwoners blijven zelf verantwoordelijk voor het tijdig informeren van de gemeente, het benutten van voorliggende voorzieningen en het leveren van inspanningen om hun woonlasten duurzaam te verlagen.

 

12. Toelichting slotbepalingen (hoofdstuk 6)

 

Artikel 22. Inwerking, intrekking, citeertitel en overgangsbepalingen

Geen toelichting nodig.

 

13. Bijlage vergoedingenlijst minimaregelingen en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk 2026

 

Minimaregelingen en bijzondere bijstand

Soort kosten

Toelichting

Hoogte vergoeding

Maatschappelijke activiteiten voor volwassenen

De vergoeding wordt in ieder geval verstrekt voor de kosten van sociale activiteiten (participatie) als deze kosten betrekking hebben op een lidmaatschap van een vereniging/organisatie en daaraan verbonden extra kosten.

 

  • € 254 voor alleenstaande, per kalenderjaar.

  • € 317 voor alleenstaande ouder of echtpaar, per kalenderjaar

Kindpakket

Maatschappelijke activiteiten voor kinderen

De vergoeding wordt verstrekt voor de kosten van de schoolkosten, abonnementen op kranten en tijdschriften, museumkaart, NS kortingskaart en overige lidmaatschappen dan voor sport en cultuur.

Sport en cultuur, inclusief zwemles loopt via het Jeugdfonds Sport en Cultuur.

  • € 353 voor een kind tot 12 jaar, per kalenderjaar, voor maatschappelijke activiteiten en indirecte schoolkosten.

  • € 588 voor een kind vanaf 12 tot 18 jaar, per kalender jaar, voor maatschappelijke activiteiten en indirecte schoolkosten.

Computer/laptop/tablet

Aanschaf van een computer/laptop/tablet met toebehoren. Voor kinderen van 9 tot 18 jaar, die naar school gaan in het basisonderwijs, voorgezet onderwijs of beroepsonderwijs (MBO).

 

  • Maximaal € 525 per gezin eens in de 5 jaar.

Fiets

Als een kind van zes tot achttien jaar geen fiets heeft, of de fiets is dringend aan vervanging toe, dan kan de ouder daarvoor bijzondere bijstand aanvragen. Er gelden maximum bedragen

 

  • Maximaal € 299 voor 1 keer per kind, per 5 jaar.

Jeugdfonds Sport en Cultuur, inclusief zwemles en afzwemmen diploma A en B.

Voor kinderen van 4 tot 18 jaar om te kunnen sporten, zwemmen en om aan een culturele activiteiten deel te kunnen nemen.

De betaling loopt via het Jeugdfonds Sport en Cultuur aan de aanbieder.

Soort kosten

Toelichting

Hoogte vergoeding

Bril en contactlenzen

Bijstand wordt 1x per 3 jaar verstrekt. Uitzondering hier op is mogelijk als eerdere vervanging om medische redenen noodzakelijk is. De combinatie van een gewone bril en leesbril wordt gezien als een bril met multi-focus glazen. De vergoeding van de zorgverzekeraar wordt op de vergoeding in mindering gebracht.

 

  • De maximale vergoeding voor een bril met enkelfocus glazen bedraagt € 216

  • De maximale vergoeding voor een bril met multi-focus glazen bedraagt € 378

  • De maximale vergoeding voor contactlenzen bedraagt € 216

Pedicure

In het bijzonder bij gehandicapten, ouderen en diabetici kan periodieke behandeling door een pedicure medisch noodzakelijk zijn.

  • De hoogte van de vergoeding is maximaal € 26 per behandeling tot maximaal € 156 per persoon per kalenderjaar.

Hoortoestel

Batterijen voor eigen rekening. Goedkoopste adequate oplossing. Dan kan een beroep worden gedaan op de bijzondere bijstand. Hierop wordt een vergoeding vanuit de aanvullende ziektekostenverzekering in mindering gebracht

 

  • Eigen bijdrage tot maximaal € 324 per hoortoestel

Extra verwarmingskosten

Extra kosten die noodzakelijk zijn om medische redenen. De noodzaak zal worden vastgesteld met een medisch advies. De vergoeding van de zorgverzekering wordt hierop in mindering gebracht.

  • Meerkosten gemiddeld gebruik (Nibudgids).

Maaltijdvoorzieningen

Het feit dat men aan de voorziening kan deelnemen, wordt als voldoende indicatie ten aanzien van de noodzaak beschouwd.

  • Als het noodzakelijk is dat men gebruik maakt van de diensten van maaltijdverstrekkers komen 50% van de kosten ter hoogte van de gehele kosten voor bijzondere bijstand in aanmerking.

Soort kosten

Toelichting

Hoogte vergoeding

Tandheelkundige voorzieningen

orthodontische behandeling vergoeden voor kinderen tot 18 jaar na overlegging behandelingsplan en (positief) besluit van zorgverzekeraar.

 

Overige tandheelkundige voorzieningen worden in de regel niet vergoed. Een aanvullende verzekering via de zorgverzekering wordt toereikend geacht. In het individueel geval kan er sprake zijn van bijzondere omstandigheden of van dringende redenen om wel voor bijzondere bijstand in aanmerking te komen. De gemeente kan beslissen om de vergoeding in de vorm van een lening te verstrekken.

  • Eigen bijdrage orthodontische behandeling voor kinderen tot 18 jaar.

De overige kosten (niet zijnde de eigen bijdrage) dienen betaald te worden door de zorgverzekering (Collectieve Zorgverzekering Minima of overige aanvullende zorgverzekering)

Kleding/Schoeisel bij calamiteiten

Extra kleding kan noodzakelijk zijn bij plotseling ernstige gewichtstoename of afname, bijvoorbeeld door ziekte, of extra slijtage door incontinentie of handicap. Hierbij kan ook sprake zijn van extra was kosten. De noodzaak zal worden vastgesteld met een medisch advies. Kleding Blijf-van-mijn-lijfhuis worden achteraf terugbetaald.

  • De vergoedingen zijn gelijk aan die van de meest actuele Nibud-prijzengids.

  • Bij Orthopedisch schoeisel kan als de ziektekostenverzekeraar de noodzaak heeft vastgesteld en de kosten vergoedt. De eigen bijdrage wordt vergoed.

Vaste lasten bij dwangopname

Hieronder valt in elk geval de huur. Maximaal zes maanden. Verlenging met zes maanden individueel mogelijk. Zo nodig kan gedurende deze periode ook zakgeld naar de bijstandsnorm en kosten premie zorgverzekering worden verstrekt.

  • Alleen noodzakelijke kosten

Vaste lasten tijdens detentie

Alleen bij zeer dringende redenen de huur gedurende maximaal zes maanden vergoeden. Advies van het noodteam kan aan de afweging bijdragen.

 

In beginsel moet de aanvrager dit zelf oplossen (lenen, verhuren).

  • Alleen noodzakelijke kosten

Soort kosten

Toelichting

Hoogte vergoeding

Vervoerskosten

Van en naar ziekenhuis. Vergoeding ziektekostenverzekering is voorliggend. Bezoek gezinslid in inrichting/detentie (maximaal 2x per maand). Wegens het volgen van noodzakelijk onderwijs buiten de regio omdat het volgen van opleiding in eigen regio niet mogelijk is voor schoolgaande kinderen.

Voor vergoeding komen de kosten van de goedkoopste Openbaar Vervoer in aanmerking als de noodzaak aanwezig is.

Rechtsbijstand

Op basis van de Civiele toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand

Eigen bijdrage en, voor zover van toepassing, de nota van de advocaat voor zover deze betrekking heeft op de eigen bijdrage of andere noodzakelijke kosten die niet door de toevoeging worden gedekt.

Bewindvoeringskosten, kosten Curatele en Mentorschap

Het bedrag is maximaal de regeling beloning dan wel uitspraak van de rechter. Jaarlijks kan dit bedrag als het is gewijzigd aangepast worden.

  • Wordt jaarlijks toegekend en anders langer als de aanvrager een uitkering van de gemeente ontvangt. Intakekosten eenmalige vergoeding. Voor bewindvoering WSNP geen bijzondere bijstand (CRvB 29-6-2010).

Vrijwillig inkomensbeheer

Inkomensbeheer, budgetbeheer en budgettering zijn termen die vaak door elkaar worden gebruikt en een en dezelfde betekenis hebben. Uitgangspunt is dat de kosten van inkomensbeheer door de aanvrager zelf worden bekostigd. Als men onvoldoende inkomsten of vermogen heeft om de kosten te betalen, kan er bijzondere bijstand worden aangevraagd.

Conform tarieven gecontracteerde partij.

Een complete sobere woninginrichting

Voor jongeren tot 27 jaar die vanuit het ouderlijk huis zelfstandig gaan wonen, zijn dit, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, geen noodzakelijke kosten

Het maximale bedrag voor een complete sobere inrichting is ten hoogste voor een:

  • alleenstaande(kamerbewoning) € 2.388

  • alleenstaande (zelfstandig gehuisvest) € 4.369

  • gezin van twee personen van achttien jaar en ouder € 6.483

  • plus voor elk volgend gezinslid € 675

  • Bij een gedeeltelijke inrichting kunnen de bedragen van de Nibud-prijzengids gehanteerd worden.

Soort kosten

Toelichting

Hoogte vergoeding

Begrafenis/crematie

De kosten van een begrafenis of crematie in het buitenland worden niet vergoed.

 

Indien de overledene onvoldoende middelen nalaat om de kosten van de uitvaart te voldoen, komen deze kosten in beginsel voor rekening van de erfgenamen.

 

Indien sprake is van meerdere erfgenamen, wordt het tekort in beginsel naar rato over hen verdeeld. Indien een erfgenaam zijn aandeel niet kan voldoen, kan voor dat deel bijzondere bijstand worden aangevraagd.

 

Bijzondere bijstand wordt uitsluitend verstrekt aan de nabestaande of erfgenaam die opdracht heeft gegeven tot de uitvaart en die de kosten daarvan draagt.De tarieven verschillen per gemeente, de hiernaast genoemde bedragen zijn de bedragen die maximaal door de gemeente Heemskerk worden verstrekt.

 

Voor de gemeentelijke begraafplaatsen vindt u de tarieven op www.grafkostenonderzoek.nl.

Algemene kosten:

  • Akte van overlijden maximaal€ 18

  • Basistarief uitvaartverzorger maximaal € 1.597

  • Verzorging van overledene maximaal € 160

  • rouwauto met één volgauto maximaal € 383

  • kist maximaal € 453

  • drukwerk rouwkaarten maximaal € 160

Begrafeniskosten:

  • Begraafkosten begraafplaats maximaal € 798

  • Grafrechten en onderhoud algemeen graf maximaal € 745

Crematiekosten:

  • Crematorium (crematie, aula, bijzetting asbus) maximaal € 1.277

 

Naar boven