Gemeenteblad van Heemskerk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Heemskerk | Gemeenteblad 2026, 321783 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Heemskerk | Gemeenteblad 2026, 321783 | beleidsregel |
Beleidsregels algemene bijstand, bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Heemskerk 2026
In deze beleidsregels worden drie soorten inkomensondersteuning uitgewerkt: algemene bijstand, minimaregelingen en bijzondere bijstand. Deze vormen van ondersteuning kunnen naast elkaar bestaan, maar hanteren verschillende wettelijke kaders en toetsingsregels.
Het hoofdstuk algemene bijstand (hoofdstuk 2) bevat de beleidsmatige keuzes die het college maakt bij de beoordeling van bijstandsaanvragen. Hierin is vastgelegd in welke situaties het college gebruikmaakt van zijn bevoegdheden bij:
Naast het hoofdstuk over de algemene bijstand beschrijven deze beleidsregels ook welke kosten kunnen worden vergoed via bijzondere bijstand (hoofdstuk 3) en via de minimaregelingen (hoofdstuk 4).
Voor de minimaregelingen geldt dat inwoners met een inkomen tot 110% (exclusief vakantietoeslag) van de toepasselijke bijstandsnorm toegang hebben tot deze voorzieningen. Voor de Collectieve Ziektekostenverzekering Minima (CZM) geldt een inkomensgrens van 130% van de toepasselijke bijstandsnorm.
Voor bijzondere bijstand geldt een draagkrachtberekening. Dat betekent dat ook inwoners die (enigszins) boven 100% van de bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag) verdienen, op basis van hun draagkracht gedeeltelijk aanspraak kunnen maken op bijzondere bijstand. Hiermee wordt voorkomen dat inwoners in een armoedeval terechtkomen wanneer zij nét iets meer gaan verdienen.
Bijzondere bijstand kan bestaan uit:
De minimaregelingen bestaan uit:
De bedragen in deze beleidsregels en de bijbehorende vergoedingenlijst worden jaarlijks geïndexeerd conform de consumentenprijsindex (CPI), tenzij anders is aangegeven.
Artikel 2. Behandeling bijstandsaanvragen jongeren vóór afloop zoektermijn
Bij de beoordeling betrekt het college in ieder geval (maar niet uitsluitend) de volgende indicatoren:
Het college kan ook in andere, naar aard en ernst vergelijkbare omstandigheden besluiten de zoektermijn niet toe te passen, indien de individuele situatie van de jongere daartoe aanleiding geeft.
Artikel 3: Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
Het college kan gegevens uit eerdere bijstandsverlening (art. 43a PW) hergebruiken indien dit leidt tot een minder belastende aanvraag en voor zover deze gegevens nog actueel, juist en volledig zijn.
Het college past geen hergebruik toe als er aanwijzingen zijn dat de situatie van belanghebbende is gewijzigd en daarom opnieuw volledig moet worden beoordeeld.
Artikel 5 Overbruggingsuitkering
Indien een belanghebbende een aanvraag om algemene bijstand heeft ingediend en aantoonbaar niet beschikt over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien in de periode tot de eerste (reguliere) uitbetaling van de bijstand, kan het college een overbruggingsuitkering verstrekken.
Indien de aanvraag meer dan drie maanden na het ontstaan van de kosten wordt ingediend, verleent het college in beginsel geen bijzondere bijstand, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden of dringende redenen. Daarbij wordt in ieder geval betrokken in hoeverre de noodzaak van de kosten nog kan worden vastgesteld.
Artikel 9. Uitbetaling van de bijzondere bijstand
Na afloop van deze periode wordt opnieuw beoordeeld of de noodzaak voor voortzetting aanwezig is. Het college beoordeelt gedurende de toegekende periode periodiek of de noodzaak nog aanwezig is. Bij belanghebbenden met een uitkering van de gemeente vindt dit plaats binnen het reguliere heronderzoek. Bij belanghebbenden zonder uitkering van de gemeente vindt dit in ieder geval jaarlijks plaats.
Artikel 10. Draagkracht en draagkrachtperiode
Tenzij in deze beleidsregels anders is bepaald, hebben de aanvragers draagkracht:
Als de alleenstaande, de alleenstaande ouder of één van de echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, laat het college bij de bepaling van de draagkracht een deel van alle pensioenuitkeringen buiten beschouwing. Hiervoor hanteert het college de maximumbedragen als genoemd in artikel 33, lid 5, van de Participatiewet, ongeacht of de uitkering afkomstig is uit een particuliere oudedagsvoorziening of een andere vorm van pensioen;
Voor de berekening van de draagkracht wordt het deel van het netto inkomen dat hoger ligt dan 110% van de geldende bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag, aangemerkt als draagkracht. Dit deel wordt in mindering gebracht op de verstrekking, overeenkomstig de percentages zoals opgenomen in tabel 10.4.
Artikel 11. Individuele verstrekkingen
De voorliggende voorzieningen zijn de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Kosten die onder deze regelingen vallen, maar waarvoor geen (volledige) vergoeding wordt gegeven, komen in beginsel niet voor bijzondere bijstand in aanmerking;
Ter bevordering van energiezuinig witgoed wordt het normbedrag verhoogd tot een maximum van € 600,- voor een koelkast met vriesvak (tafelmodel) en voor een wasmachine en koel-vriescombinatie € 800,- per apparaat. Daarmee wordt de inwoner in staat gesteld om een energiezuinig apparaat aan te schaffen.
Artikel 12. Overige noodzakelijke kosten
Op grond van artikel 35 van de Participatiewet kunnen ook andere kosten dan die welke in deze beleidsregels zijn genoemd, voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de in de bijlage opgenomen maximale bedragen voor noodzakelijke (meer)kosten en eigen bijdragen. Bij de beoordeling van aanvragen op grond van dit hoofdstuk wordt de draagkracht vastgesteld overeenkomstig artikel 10 van deze beleidsregels.
Bijzondere bijstand wordt verleend aan een nabestaande of erfgenaam die uit hoofde van zijn relatie tot de overledene opdracht heeft gegeven tot de uitvaart en de kosten daarvan draagt, voor zover na aanwending van de nalatenschap, een uitvaartverzekering en andere beschikbare middelen een aantoonbaar tekort resteert in de kosten van de uitvaart. De bijzondere bijstand wordt beperkt tot een sobere uitvaart en bedraagt niet meer dan de maximale bedragen zoals opgenomen in de vergoedingenlijst in de bijlage.
De kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand conform de civiele toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand voor zover deze noodzakelijk zijn. Voor zover van toepassing kan ook de nota van de advocaat, voor zover deze betrekking heeft op de eigen bijdrage of andere noodzakelijke kosten die niet door de toevoeging worden gedekt, voor vergoeding in aanmerking komen.
De kosten van een noodzakelijke verhuizing
De kosten van een noodzakelijke verhuizing kunnen worden vergoed wanneer:
indien de verhuizing voortvloeit uit een opgelegde verhuisplicht, belanghebbende aantoonbaar voldoende inspanningen heeft verricht om hieraan te voldoen. Wanneer de belanghebbende onvoldoende inspanningen heeft geleverd om de noodzakelijke verhuizing tot stand te brengen, kan de bijzondere bijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid worden verstrekt in de vorm van leenbijstand.
4. Minimaregelingen in Heemskerk
Recht op een tegemoetkoming op grond van dit hoofdstuk bestaat voor de alleenstaande, alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin. Het inkomen bedraagt maximaal 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag, tenzij anders in deze beleidsregels is aangegeven. Ook gelden de vermogensregels zoals bedoeld in artikel 34 van de Wet.
Artikel 14. Maatschappelijke activiteiten voor volwassenen
Maatschappelijke activiteiten voor volwassenen is een regeling die bedoeld is voor sociaal culturele activiteiten voor volwassenen.
Het Kindpakket is een regeling voor inwoners van Heemskerk met een laag inkomen en kinderen. Zij kunnen een vergoeding vragen voor de kosten van hun kinderen van maatschappelijke, sportieve en culturele activiteiten.
Artikel 16: Jeugdfonds Sport en Cultuur (JFSC):
Voor sport-, cultuur- en zwemactiviteiten geldt het Jeugdfonds Sport & Cultuur (JFSC) als voorliggende voorziening. Dit betekent dat deze kosten in beginsel via het Jeugdfonds worden aangevraagd en niet via het Kindpakket. Alleen kosten die níét onder de vergoedingsmogelijkheden of spelregels van het Jeugdfonds vallen, kunnen via het Kindpakket worden vergoed.
Artikel 17. Bijdrage aan de Collectieve zorgverzekering Minima (CZM)
Voor inwoners met een inkomen van minder dan 130% exclusief vakantiegeld van de bijstandsnorm bestaat de optie van een collectieve zorgverzekering voor minima (CZM). Dit is een zorgverzekering die bestaat uit een basisverzekering en een aanvullende verzekering. Hiermee wordt het mogelijk gemaakt dat inwoners die deelnemen aan een CZM een uitgebreidere vergoeding kunnen krijgen van medische kosten.
De vereisten (in aanvulling op de algemene voorwaarden) voor deelname zijn:
Het college kan de hoogte van de tegemoetkoming aan de CZM jaarlijks wijzigen;
Als (tussentijds) niet (meer) wordt voldaan aan de inkomensvoorwaarden, stopt de deelname aan de CZM.
Bijzondere bijstand voor de toeslagen zoals bedoeld in dit hoofdstuk, worden verstrekt in aanvulling op de bijstandsnorm of het inkomen als hier de noodzaak voor bestaat. In afwijking van artikel 10.3 eerste lid wordt bij de berekening van deze toeslag het inkomen boven 100% van de bijstandsnorm meegenomen. Het (netto) inkomen boven deze norm en het vermogen boven de in de Wet genoemde vrijlatingsgrenzen wordt volledig meegenomen.
Artikel 19. Jongerentoeslag bij verblijf in inrichting
De bijzondere bijstand voor noodzakelijke bestaanskosten voor jongeren van 18 tot 21 jaar, die in een inrichting verblijven, kan onder onderstaande voorwaarden worden toegekend conform artikel 23 van de Wet:
De woonkostentoeslag is een vorm van bijzondere bijstand voor noodzakelijke woonkosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden wanneer deze kosten niet kunnen worden voldaan uit het aanwezige inkomen of vermogen en geen voorliggende voorziening toereikend is. Met voorliggend wordt in dit artikel bedoeld de Wet op de huurtoeslag (Wht), zolang de woonkosten binnen de daarvoor geldende grenzen vallen.
Artikel 22. Inwerking, intrekking, citeertitel en overgangsbepalingen
De Beleidsregels minimaregelingen en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk 2024 blijven van kracht voor bezwaarschriften die betrekking hebben op de aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze beleidsregels, tenzij toepassing van deze beleidsregels een positieve uitkomst heeft voor belanghebbende.
Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk op 30 juni 2026
L.R. Vos
Gemeentesecretaris
A.H.J.J. Luijten
Burgemeester
7. Toelichting op de beleidsregels minimaregelingen, algemene bijstand en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk 2026
8. Toelichting algemene bijstand (hoofdstuk 2)
Artikel 2. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.
Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, wordt een elfde lid toegevoegd:
‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’
Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat het college de jongere na de melding dan in de gelegenheid stelt om direct zijn aanvraag in te dienen.
Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten.
In artikel 2 worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.
Artikel 3. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a:
‘Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag’. ‘Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.’
Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt. Het college benut dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende.
Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. In het eerste lid zijn enkele situaties beschreven waarbij dat het geval kan zijn. In elk geval mag het hergebruik van gegevens er volgens de Wet niet toe leiden dat er sprake is van een meer belastende aanvraag.
Sommige gegevens kunnen eerder aan verandering onderhevig zijn dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten.
De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de IOAW en de IOAZ. Uit oogpunt van eenduidigheid is in het derde lid opgenomen, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de IOAW en IOAZ op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 4. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid:
‘In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’
Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.
In lijn met de Memorie van Toelichting bij de Wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen twee situaties worden onderscheiden:
De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen.
Omstandigheden die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Het gaat hierbij om omstandigheden van individuele aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname, en onvoldoende ‘doenvermogen’).
Of meer om systeemtechnische omstandigheden (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening.
Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden (of problemen die door financiële omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, of daaraan hebben bijgedragen, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Een ongeluk komt zelden alleen, vaak is er meer aan de hand dan uitsluitend financiële problematiek, daarom is van belang te benadrukken dat het gaat om indicatoren. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht.
De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de Ioaw. De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan het derde lid toegevoegd, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 5: Overbruggingsuitkering
Artikel 5 regelt de mogelijkheid om een overbruggingsuitkering te verstrekken als de belanghebbende de periode tot de eerste (reguliere) betaling van de algemene bijstand niet kan overbruggen. Het gaat om situaties waarin het betaalritme wijzigt en de uitkering (voor het eerst) achteraf wordt betaald, terwijl er geen financiële reserve is. Voorbeelden zijn een vluchteling die zich na verblijf in een opvangcentrum zelfstandig in Heemskerk vestigt of iemand die na een relatiebreuk zelfstandig gaat wonen.
Uitgangspunt is dat de toepasselijke bijstandsnorm toereikend wordt geacht voor de algemene noodzakelijke kosten van bestaan. Daarom wordt in beginsel geen overbruggingsuitkering verstrekt. Alleen wanneer de belanghebbende aantoont dat er geen andere middelen (inkomen, vermogen, reserveringen, hulp van derden) beschikbaar zijn en hij daardoor de noodzakelijke kosten in de overbruggingsperiode niet kan betalen, kan het college een overbruggingsuitkering verlenen.
Als het recht op algemene bijstand nog niet is vastgesteld, ligt het voor de hand om – in plaats van een overbruggingsuitkering – een voorschot te verstrekken op grond van artikel 52 van de Participatiewet.
Omdat de overbruggingsuitkering in deze situaties samenhangt met het betaalritme van de algemene bijstand en dezelfde kosten dekt als de reguliere bijstand, wordt deze verstrekt als algemene bijstand om niet (zonder terugbetalingsverplichting).
Eventuele verwijtbaarheid (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid) wordt niet via de vorm van de overbruggingsuitkering geregeld, maar – voor zover aan de orde – via afstemming op grond van artikel 18 Participatiewet en de Maatregelenverordening
Een overbruggingsuitkering wordt alleen toegekend in verband met de periode tot de eerste betaling van de algemene bijstand bij een gewijzigd betaalritme en niet in plaats van een voorschot op grond van artikel 52 PW. Indien de belanghebbende over voldoende middelen beschikt (bijvoorbeeld door recent ontvangen uitkering of inkomsten) om de periode tot de eerste betaling te overbruggen, bestaat geen recht op een overbruggingsuitkering.
9. Toelichting recht op bijzondere bijstand (hoofdstuk 3)
In artikel 35 van de Wet staat dat bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de extra noodzakelijke kosten van het bestaan die als gevolg van bijzondere individuele omstandigheden niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, het vermogen en inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
Het uitgangspunt is dat alleen de kosten van de goedkoopste en passende voorziening voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Er is geen recht op bijzondere bijstand als er een passende en toereikende voorliggende voorziening is (artikel 15 lid 1 van de Wet).
Uitgangspunt: Bijzondere bijstand wordt verstrekt als de aanvraag is ingediend voordat de kosten zijn gemaakt. In lid 3 van dit artikel staat dat ondanks voorgaande toch bijzondere bijstand kan worden verleend als de kosten al zijn gemaakt voor de aanvraag. Dan geldt het volgende: De aanvraag moet zijn ingediend binnen 3 maanden nadat de kosten zijn ontstaan én de noodzakelijkheid van de kosten alsnog kan worden vastgesteld. Bij de aanvraag wordt dan gekeken naar de datum van de nota/bon/factuur etc. De kosten mogen maximaal 3 maanden na die datum gemaakt zijn.
Bij de kosten voor bewindvoering wordt de startdatum beschikking van de Rechtbank gehanteerd. Bij de eigen bijdrage advocaatkosten wordt de datum van de Civiele toevoeging als startdatum gehanteerd.
Artikel 7. Beoordeling van de aanvraag
De toetsingscriteria voor een aanvraag bijzondere bijstand zijn overgenomen uit artikel 35, lid 1 van de Wet. Uitgangspunt: Alleen kosten van de goedkoopste toereikende voorziening komen voor bijzondere bijstand in aanmerking. De omvang van de gevraagde kosten kan als regel worden getoetst aan de bedragen in de meest recente uitgave van de Nibud-prijzengids en de vergoedingenlijst minimaregelingen en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk (zie bijlage).
Bijzondere bijstand kan verleend worden in de vorm van:
Voordat de gemeente zelf tot een geldlening overgaat, dient vast te staan dat de aanvrager de benodigde geldlening niet kan krijgen via de normale kredietverlenende instanties (voorliggende voorziening).
Artikel 51 van de Wet biedt de mogelijkheid om bijzondere bijstand te verlenen in de vorm van een borgstelling. Voor het verlenen van een borgstelling kan slechts aanleiding zijn wanneer is komen vast te staan dat zonder tussenkomst van de gemeente als borg, de lening door de kredietverlenende instantie niet zal worden verstrekt.
Onder borgstelling wordt verstaan het sluiten van een overeenkomst tussen de gemeente en de bank, waarbij de gemeente zich verbindt de aflossingen en bijkomende kosten van de Kredietbank van een aanvrager te voldoen. Dit is het geval als de aanvrager zijn aflossingsverplichtingen bij een bank niet of niet meer nakomt. De gemeente moet de geldlening dan terugbetalen aan de bank en heeft vervolgens een vordering op de aanvrager.
Artikel 9. Uitbetaling van de bijzondere bijstand
De bijzondere bijstand wordt betaald nadat de betalingsbewijzen of offertes (proforma nota’s) zijn ingediend. Als uitbetaling plaatsvindt op basis van proforma nota’s wordt de bijstand zoveel mogelijk verstrekt in natura.
Artikel 10. Draagkracht en draagkrachtperiode
Bij de toepassing van dit artikel wordt de draagkracht niet voor alle regelingen op dezelfde wijze vastgesteld. Afhankelijk van het type voorziening wordt gewerkt met een draagkrachtberekening of met vaste inkomensgrenzen. Ter ondersteuning van een eenduidige uitvoering is hieronder een overzicht opgenomen waarin per regeling is aangegeven of draagkracht wordt toegepast en vanaf welk inkomensniveau deze wordt betrokken. Dit overzicht draagt bij aan een consistente toepassing van de beleidsregels en verduidelijkt de samenhang tussen bijzondere bijstand, toeslagen en minimaregelingen.
Bij bijzondere bijstand wordt het inkomen inclusief vakantietoeslag betrokken en vindt een draagkrachtberekening plaats. Bij toeslagen wordt eveneens uitgegaan van het inkomen inclusief vakantietoeslag, waarbij het inkomen en vermogen boven de bijstandsnorm volledig worden betrokken. Bij minimaregelingen wordt uitgegaan van het inkomen exclusief vakantietoeslag en wordt geen draagkracht toegepast.
|
Draagkracht over inkomen boven norm en vermogen; volgens staffel |
|||
|
Volledige inkomens- en vermogenstoets; geen draagkrachtberekening |
|||
|
Volledige inkomens- en vermogenstoets; geen draagkrachtberekening |
|||
Bij de beoordeling of de aanvrager recht heeft op bijzondere bijstand, wordt de draagkracht berekend. Draagkracht is dat deel van het inkomen en vermogen van de aanvrager, dat hij eerst moet gebruiken voordat er bijzondere bijstand wordt toegekend en betaald.
Het uitgangspunt is om de draagkracht in het inkomen en vermogen over een periode van twaalf maanden te bepalen. Mocht de periode waarop de gevraagde kosten betrekking hebben korter zijn dan een jaar, dan kan voor een kortere periode de draagkracht worden vastgesteld.
De hoofdregel is dat de draagkracht in het inkomen en vermogen in een keer met de bijstand wordt verrekend waar de aanvrager recht op heeft.
Als gedurende een langere periode recht op bijstand bestaat, wordt de draagkracht in het inkomen en vermogen per maand verrekend. Hierdoor wordt bereikt dat de aanvrager bij periodieke kosten niet geconfronteerd kan worden met hoge bijzondere kosten die in een maand voor eigen rekening blijven.
In het belang van de rechtszekerheid en de uitvoeringspraktijk geldt als uitgangspunt: Dat de draagkracht binnen de vastgestelde draagkrachtperiode in beginsel definitief is. Eenmaal vastgestelde draagkracht wordt in beginsel niet meer aangepast. Mogelijke uitzonderingen hierop zijn wijzigingen in de gezinssituatie, zoals het verbreken of aangaan van een samenwoning waardoor er een wezenlijke wijziging optreedt in de persoonlijke en/of financiële situatie van de aanvrager.
Het vermogen boven de wettelijke grens wordt geheel verrekend met bijstand waar de aanvrager recht op heeft. Mocht het vermogen hoger zijn dan de gevraagde kosten, dan bestaat er geen recht op de regeling of bijzondere bijstand.
In lid 2 staat dat rekening gehouden kan worden met de overwaarde van de eigen woning. Dit zou kunnen betekenen dat de aanvrager door het aangaan of ophogen van een hypothecaire geldlening geacht wordt zelf in de kosten te kunnen voorzien.
Alle inkomen (op jaarbasis) boven de grens van 110% van de geldende bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag, wordt betrokken bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand. Er wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm. Ook een verstrekte studietoeslag en individuele inkomenstoeslag worden buiten beschouwing gelaten.
Voor de bepaling van aanspraak op bijzondere bijstand en minimaregelingen wordt uitgegaan van hetzelfde inkomen als in artikel 31, 32 en 33 van de Wet.
Artikel 11. Toelichting individuele verstrekkingen
In dit artikel worden een aantal kosten beschreven die via de bijzondere bijstand verstrekt kunnen worden. Maar let op: in het individuele geval kunnen noodzakelijke kostensoorten voorkomen die niet in dit hoofdstuk staan, maar waar wel, bijzondere bijstand voor verleend kan worden. Het uitgangspunt hierbij is artikel 35 van de Wet.
In de regel verstrekken we geen bijzondere bijstand voor de medische kosten, omdat de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning een voorliggende voorziening zijn. Deze worden passend en toereikend geacht.
In het individueel geval kan van het bovenstaande worden afgeweken wanneer sprake is van dringende redenen.
Inwoners worden geacht, naast een basisverzekering, een aanvullende zorgverzekering af te sluiten voor medische kosten. Dit houdt ook in dat de inwoners zich verzekeren tegen voorzienbare kosten als brillen, contactlenzen en tandartskosten.
De inwoner kan hierbij gebruik maken van de Collectieve Zorgverzekering Minima (de gemeentepolis). Wanneer een inwoner veel zorgkosten maakt dan kan de Collectieve Zorgverzekering Minima een uitkomst bieden. De gemeente betaalt mee aan de aanvullende ziektekostenverzekering.
Wanneer de aanvrager is geweigerd door zijn zorgverzekeraar voor een aanvullende verzekering en er is sprake van ‘bijzondere omstandigheden in het individuele geval’ dan is bijstand in principe mogelijk.
Als het college van oordeel is dat er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheden en de kosten noodzakelijk zijn dan kan voor de tandartskosten een geldlening worden verstrekt (artikel 48 van de Wet).
De aanvrager is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de medische noodzaak aan te tonen. Deze kan blijken uit een gedeeltelijke vergoeding via de zorgverzekering, vanuit de Wlz of een medische indicatie van een specialist. Het is niet mogelijk om een medisch advies in te dienen van bijvoorbeeld de eigen huisarts. Dit moet altijd door een onafhankelijke arts worden beoordeeld. Als de aanvrager de noodzaak niet kan aantonen dan zal het college in voorkomende noodzakelijke gevallen eerst een medisch advies opvragen om de noodzaak en eventueel de goedkoopst adequate voorziening vast te stellen.
Overige individuele verstrekkingen
In deze beleidsregels zijn geen bepalingen opgenomen ten aanzien van bijzondere bijstand voor de aanschafkosten van kleding, verwarmingskosten en maaltijdvoorzieningen. Voor al deze kostensoorten geldt dat de kosten in principe behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en dat de kosten die voor een ieder gebruikelijk zijn in mindering worden gebracht op de te verstrekken bijzondere bijstand.
Evenmin zijn in deze beleidsregels bepalingen opgenomen over de kosten van pedicure/manicure, aanschafkosten van orthopedisch schoeisel, hoortoestellen en bevallingskosten. Voor deze kosten geldt dat de noodzakelijkheid van de voorzieningen onderzocht moet worden, bijvoorbeeld aan de hand van een medisch advies, en dat de kosten die voor een ieder gebruikelijk zijn in mindering worden gebracht op de te verstrekken bijzondere bijstand
11.2. Brillen en contactlenzen
11.3. Overbruggingslening acute noodsituatie
Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij een acute, kortdurende noodsituatie bijzondere bijstand te verlenen in de vorm van een geldlening. Het gaat om situaties waarin de eerste levensbehoeften in het geding zijn, zoals verlies of diefstal van geldmiddelen, of plotseling wegvallen van inkomen terwijl er (nog) geen recht op algemene bijstand bestaat. De lening is uitsluitend bedoeld om de directe periode tot (herstel van) inkomen te overbruggen en is niet bedoeld voor structurele tekorten of schuldaflossing.
Bij de beoordeling wordt de gebruikelijke toets voor bijzondere bijstand toegepast: de kosten moeten zich daadwerkelijk voordoen, noodzakelijk zijn, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en niet uit aanwezige middelen (inkomen, vermogen, reserveringen of hulp van derden) kunnen worden voldaan.
Indien de noodsituatie het gevolg is van verlies of diefstal van geldmiddelen, kan het college verlangen dat de belanghebbende daarvan aangifte heeft gedaan bij de politie.
De overbruggingsuitkering in dit artikel wordt op grond van artikel 8, lid 2 van deze Beleidsregels verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening.
De in lid b genoemde bedragen (€ 100 per gezin en € 50 voor een alleenstaande) gelden als maxima per afzonderlijke noodsituatie.
De terugbetaling vindt plaats door middel van een aflossingsregeling die wordt afgestemd op de draagkracht van belanghebbende. Het college stemt hoogte en duur van de aflossing af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van belanghebbende, waarbij in ieder geval de beslagvrije voet wordt gerespecteerd.
Indien de belanghebbende algemene bijstand ontvangt, kan de aflossing door verrekening met de uitkering plaatsvinden, met inachtneming van de daarvoor geldende regels.
Duurzame gebruiksgoederen zijn incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan. Voor deze kosten moet in principe gereserveerd worden. Als de aanvrager niet heeft gereserveerd of niet kon reserveren en vervanging van duurzame gebruiksgoederen noodzakelijk is gebleken, kan een beroep worden gedaan op bijzondere bijstand.
In dit geval wordt de bijzondere bijstand voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen met toepassing van artikel 51 Participatiewet in de vorm van een geldlening of borgtocht verstrekt.
Voor wat betreft de vorm van de bijzondere bijstand geldt:
een geldlening via de normale kredietverlenende instanties
borgtocht bij een geldlening via de normale kredietverlenende instanties als vaststaat dat, zonder optreden van de bijstand als borg, de lening door de kredietverlenende instelling niet zal worden verstrekt;
Een aanvrager moet dan ook eerst proberen een geldlening bij een kredietverlenende instelling af te sluiten, bijvoorbeeld bij de Gemeentelijke Kredietbank of een commerciële bank. Soms moet de gemeente dan borg staan. De bijzondere bijstand kan dan worden verstrekt in de vorm van die borgtocht. De borgtocht houdt in dat het college aansprakelijk wordt gesteld als de aanvrager zijn aflossingsverplichtingen niet of niet meer nakomt. De gemeente moet de geldlening dan terugbetalen aan de bank en heeft vervolgens een vordering op de aanvrager (artikel 58 lid 2 onderdeel c van de Wet).
Als een dergelijke lening niet kan worden afgesloten dan kent het college bijzondere bijstand toe in de vorm van een geldlening.
Deze volgorde is aangewezen omdat ook de aanschaf, vervanging of reparatie van gebruiksgoederen met een duurzaam karakter tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren. Bij schuldhulpverleningstrajecten kan bijzondere bijstand voor gebruiksgoederen die in de vorm van een geldlening is verstrekt op een later moment worden omgezet in bijstand om niet. Voor de hoogte van de afzonderlijke vergoedingen wordt aangesloten bij het maximum te lenen bedragen via de kredietbank. De Nibud-prijzengids wordt gehanteerd. Voor de richtlijnen van een complete wooninrichting wordt verwezen naar de vergoedingenlijst minimaregelingen en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk, in de bijlage.
De hoogte van de aflossingsbedragen wordt voor inwoners met een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm (ongeacht de samenstelling van dit inkomen) vastgesteld op tenminste 5% van de som van het van toepassing zijnde inkomen inclusief vakantietoeslag. Het totaal door de belanghebbende te betalen bedragen worden zo vastgesteld dat hij tenminste blijft beschikken over de beslagvrije voet.
Eisen aan energiezuinig witgoed
Om voor een vergoeding in aanmerking te komen gelden de volgende verplichtingen:
Het college hanteert het uitgangspunt dat een apparaat wordt aangeschaft met de minimale levensduur van 8 jaar.
De inwoner levert een betalingsbewijs in om voor de extra vergoeding in aanmerking te komen.
Zoals al eerder aangegeven kunnen allerlei kosten voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. In dit artikel worden nog een aantal overige kosten genoemd die verstrekt kunnen worden op grond van artikel 35 van de Wet. Wel moet sprake zijn van noodzakelijke kosten op grond van bijzondere, sociale of financiële omstandigheden.
12.2. Kosten voor begrafenis of crematie
Voor de hoogte van de begrafenis of crematiekosten van een overledene in Nederland wordt aangesloten bij prijzen van de gemeentelijke begraafplaatsen, zie www.grafkostenonderzoek.nl.
in de bijlage, zijn de bedragen die maximaal door de gemeente Heemskerk worden verstrekt.
Wanneer er niemand is die opdracht geeft tot begraven, dan zal de burgemeester deze opdracht geven. Dit gebeurt dan op grond van de Wet op de Lijkbezorging.
Voor bijzondere bijstand van de kosten voor vrijwillig budgetbeheer, moet de inkomensbeheerder aangesloten zijn bij de Branchevereniging voor Professionele Bewindvoerders en Inkomensbeheerders. Algemeen maatschappelijk werk, zoals MET Heemskerk, geeft advies over de inzet van vrijwillig budgetbeheer of schuldhulpverlening. Jaarlijks wordt beoordeeld of vrijwillig budgetbeheer nog noodzakelijk is. Ook maakt de gemeente afspraken met de aanvrager en betreffende instanties, die de zelfredzaamheid van de inwoners bevordert.
12.7. Vervoerskosten van en naar het ziekenhuis
Bij vervoerkosten van en naar het ziekenhuis worden de kosten vergoed door de zorgverzekeraar, voor de eigen bijdrage kan bijzondere bijstand worden verstrekt.
12.8. Kosten van de eigen bijdrage kinderopvang (KOA-kopje)
Onder de Wet Kinderopvang is het verstrekken van een KOA kopje als bijzondere bijstand toegestaan. De kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst dekt ook voor bijstandsgerechtigden niet de volledige kosten van kinderopvang. Zij zouden zonder aanvullende toeslag onder bijstandsniveau komen. Dat wordt ongewenst geacht. Om die reden wordt een aanvullende tegemoetkoming verstrekt in de kosten van kinderopvang. Het KOA-kopje is 4,5% of 3,5% van de kosten kinderopvang, rekening houdend met het maximale uurtarief zoals aangegeven op www.belastingdienst.nl bij ‘Maximaal uurtarief voor de kinderopvang’ en bedraagt:
Voor een gemeentelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang dient de aanvrager te voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
Wanneer sprake is van twee ouders met minderjarige kinderen dan dienen zij de opvang van de kinderen onderling te regelen.
Voor de kinderopvang op grond van sociaal medisch indicatie wordt verwezen naar de Verordening kinderopvang sociaal-medische indicatie Heemskerk 2018.
10. Toelichting minimaregelingen (hoofdstuk 4)
Bij de beoordeling of de aanvrager aan de inkomenseis voldoet, wordt het netto-jaarinkomen gebruikt. Dit jaarinkomen stel je vast door eerst een maandinkomen te berekenen. Dat maandinkomen bestaat uit de inkomsten exclusief vakantietoeslag in de maand van de aanvraag. De netto-inkomsten worden afgezet tegen de door het college vastgestelde norm. Van voorgaande berekening kan worden afgeweken als er sprake is van variabele inkomsten.
Artikel 14. Maatschappelijke activiteiten voor volwassenen
Maatschappelijke activiteiten voor volwassenen is een regeling die bedoeld is voor sociaal culturele activiteiten voor volwassenen . Als een volwassen inwoner bijvoorbeeld lid wil worden van een voetbalclub, dan is dat een sociaal culturele activiteit. Hij/zij kan dan een vergoeding voor de kosten vragen via deze vorm van bijstand.
Onder kosten voor maatschappelijke activiteiten voor volwassenen, vallen in ieder geval kosten voor: Theater, concert, museum, bioscoop, dierentuin, lidmaatschap sportvereniging, muziekvereniging, toneelvereniging, bibliotheek, internet en abonnement televisie, abonnement van tijdschriften en kranten.
Deze kosten worden vergoed om te voorkomen dat inwoners met een minimuminkomen in een sociaal isolement terechtkomen. Zo kan deze doelgroep meedoen aan activiteiten op het sportieve, culturele of maatschappelijke vlak.
Voor de maximale vergoedingen per kalenderjaar of anderszins wordt verwezen naar de vergoedingenlijst minimaregelingen en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk, in de bijlage.
De aanvrager kan jaarlijks aanspraak maken op deze vergoeding. De hoogte is afhankelijk van de gezinssituatie. We betalen de vergoeding zonder vooraf een betalingsbewijs te hebben. De reden hiervan is dat ervaring leert dat inwoners deze kosten maken. Wel wordt in de beschikking gevraagd om de betalingsbewijzen 1 jaar te bewaren. Achteraf kan steekproefsgewijs gecontroleerd worden.
Dit artikel regelt ondersteuning voor kinderen die in een gezin wonen met een laag inkomen. Op jaarbasis gaat het om een inkomen van maximaal 110% exclusief vakantiegeld van de toepassing zijnde bijstandsnorm. Ook wanneer de ouders meer dan 110% inkomen hebben, maar tegelijk in een Wgs of WSNP regeling (minnelijke- of wettelijke schuldregeling) zitten, kan ondersteuning vanuit het kindpakket plaatsvinden.
Vergoeding van kosten uit het kindpakket wordt zoveel mogelijk in natura verstrekt. Het aanvraagformulier zal de optie ‘betalen in natura’ bevatten. Zo kunnen kinderen die in armoede opgroeien, meedoen aan sportieve, educatieve en culturele activiteiten binnen de samenleving.
Het gaat bijvoorbeeld om schoolkosten, schoolkamp, een fiets, computer/laptop/tablet, muziekles en overige activiteiten die bijdragen aan participatie van kinderen.
De vergoeding kan als de ouders de kosten al gemaakt hebben verstrekt worden op declaratiebasis en als ouders de kosten niet vooraf kunnen betalen worden deze in natura verstrekt.
Voor de maximale vergoedingen per kalenderjaar of anderszins wordt verwezen naar de vergoedingenlijst minimaregelingen en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk, in de bijlage.
Artikel 16. Jeugdfonds sport- en cultuur
Voor deelname aan activiteiten via het Jeugdfonds Sport & Cultuur gaat het om een inkomen tot 120% van de toepassing zijnde bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag.
De aanmelding bij het Jeugdfonds Sport en Cultuur gaat als volgt:
Stap 1 : Een ouder kan zelf geen aanvraag indienen, maar zoekt naar een intermediair van het JFSC. Een intermediair is een tussenpersoon, die in zijn dagelijkse werkzaamheden in contact komt met inwoners met een laag inkomen. Bijvoorbeeld het Serviceplein van de gemeente.
Stap 2 : In een afspraak met de intermediair, wordt besproken of het kind in aanmerking komt
voor ondersteuning vanuit het fonds en zo ja: welke activiteit diegene graag wil gaan doen.
Stap 3: De intermediair doet vervolgens een aanvraag bij het JFSC. Na maximaal drie weken hoort de intermediair of de aanvraag is goedgekeurd.
Stap 4: Is de aanvraag goedgekeurd? De ouder kan zijn kind dan definitief gaan aanmelden bij de plaatselijke sportvereniging of cultuurinstelling. Het JFSC betaalt de contributie en/of materiaalkosten direct aan de aanbieder.
De spelregels staan op de volgende site:
https://jeugdfondssportencultuur.nl/fondsen/noordholland
De vergoeding van het JFSC wordt in natura verstrekt door rechtstreekse betaling aan de aanbieder door het JFSC.
Artikel 17. Bijdrage aan de Collectieve Zorgverzekering Minima (CZM)
De CZM is een verzekering voor inwoners van de gemeente Heemskerk met een laag inkomen en (veel) zorgkosten. Het bestaat uit een basisverzekering en een aanvullende verzekering. Deelname is vrijwillig. Met een CZM wordt een uitgebreidere vergoeding van medische kosten op een laagdrempelige manier mogelijk gemaakt.
11. Toelichting toeslagen (hoofdstuk 5)
Artikel 18. Algemene bepaling over toeslagen
Bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand voor de toeslagen wordt het volledige inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm (100%) in aanmerking genomen. Deze hoeven niet te worden aangetoond. Bij deze toeslagen wordt ervanuit gegaan dat de kosten worden gemaakt.
Artikel 19. Jongerentoeslag bij verblijf in inrichting
Op grond van artikel 13 van de Wet hebben achttien tot eenentwintigjarigen, die in een inrichting verblijven, geen recht op algemene bijstand (bijv. zak- en kleedgeld). In het algemeen zal van de ouders een bijdrage in de kosten van verblijf in de inrichting worden gevraagd. Bij verstrekking van bijzondere bijstand dienen de mogelijkheden tot verhaal onderzocht te worden.
Artikel 20. Toeslag Alleenstaande Ouderkop (ALO)
De ALO-kop is een extra bedrag bovenop het kindgebonden budget. En is voor de alleenstaande ouder zonder partner volgens de regels voor toeslagen van de Belastingdienst. De alleenstaande ouder krijgt de ALO-kop samen met het kindgebonden budget.
In dit artikel staat de mogelijkheid tot het verstrekken van bijzondere bijstand voor alleenstaande ouders die geen aanspraak kunnen maken op de ALO-kop en een inkomen hebben op bijstandsniveau. Voorwaarde is dat de aanvrager alles heeft gedaan om inkomsten ter hoogte van de ALO-kop te krijgen door een beroep te doen op de andere ouder. Als dit niet mogelijk is via een minnelijke regeling, wordt van de aanvrager verwacht dat hij/zij de middelen via een rechtelijke uitspraak probeert te krijgen.
De woonkostentoeslag is een vorm van bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet. Deze toeslag is bedoeld om inwoners tijdelijk te ondersteunen wanneer zij te maken krijgen met woonkosten die zij door bijzondere omstandigheden niet meer kunnen betalen. De gemeente Heemskerk volgt hierbij dezelfde systematiek als bij de Wet op de huurtoeslag (Wht), zodat wordt aangesloten op landelijke normen voor redelijke woonlasten.
Deze ondersteuning is nadrukkelijk tijdelijk van aard. De woonkostentoeslag is niet bedoeld om hoge woonlasten structureel te financieren, maar om inwoners de gelegenheid te geven hun situatie te stabiliseren en waar nodig een meer passende en betaalbare woonruimte te vinden.
De woonkostentoeslag wordt verstrekt wanneer een inwoner door onvoorziene omstandigheden niet tijdig kan beschikken over huurtoeslag of wanneer er sprake is van woonkosten die de huurtoeslaggrenzen overschrijden. Hierbij gelden de definities uit artikel 1.1, waaronder rekenhuur, inkomen, vermogen en een voorliggende voorziening. De Wht vormt de eerste route voor tegemoetkoming; pas als deze onvoldoende is of (nog) niet van toepassing, kan de woonkostentoeslag worden ingezet.
De woonkostentoeslag wordt in principe als gift verstrekt. In situaties waarin een inwoner onvoldoende eigen verantwoordelijkheid heeft genomen, kan de bijstand worden verstrekt in de vorm van een lening of borgtocht. Ook kan verstrekking via een krediethypotheek plaatsvinden wanneer de Wet dit voorschrijft, bijvoorbeeld bij woonkosten die samenhangen met eigen woningbezit.
Wanneer is woonkostentoeslag mogelijk?
De woonkostentoeslag kan worden toegekend wanneer:
Het college beoordeelt of de kosten noodzakelijk en passend zijn. Hierbij wordt gekeken naar de hoogte van de woonkosten in relatie tot wat op grond van de Wht redelijk is.
Hoogte van de woonkostentoeslag
De hoogte van de woonkostentoeslag wordt vastgesteld na aftrek van de draagkracht. De vergoeding sluit zoveel mogelijk aan op de berekeningssystematiek van de Wet op de huurtoeslag.
Bij een huurwoning betreft dit het niet gesubsidieerde deel boven de rekenhuur. Bij een eigen woning worden de lasten zoals hypotheekrente, eigenaarslastenen opstalverzekering meegenomen in de berekening.
Wanneer de woonkosten de maximale huurgrens overschrijden, wordt eerst de “huurtoeslag tot de maximale huurgrens” berekend en daarna aangevuld met het bedrag waarmee de werkelijke woonlasten deze grens overstijgen.
De woonkostentoeslag wordt in beginsel voor maximaal 12 maanden toegekend. Wanneer er geen verhuisplicht geldt en de omstandigheden onveranderd blijven, kan de toeslag jaarlijks worden verlengd.
Bij woonkosten die boven de maximale huurgrens liggen, geldt een maximale duur van 24 maanden. Alleen in zeer bijzondere situaties kan na onvoldoende inspanningen alsnog worden verlengd, maar dan alleen in de vorm van leenbijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
De woonkostentoeslag is nadrukkelijk geen structurele oplossing. Daarom kan het college een verhuisplicht opleggen wanneer de woonkosten structureel te hoog zijn en er goedkopere alternatieven beschikbaar zijn. Deze verplichting betekent dat de inwoner actief moet zoeken naar een passende en betaalbare woning en daarover bewijs moet overleggen.
Van een verhuisplicht kan worden afgezien wanneer verhuizen medisch of sociaal onverantwoord is, wanneer een woning vanwege aanpassingen noodzakelijk is voor een gehandicapte inwoner, of wanneer sprake is van een lopende krediethypotheek of tijdelijke bijstand voor zelfstandigen.
Afbakening en verantwoordelijkheid
De woonkostentoeslag moet worden gezien als een laatste redmiddel. Het college beoordeelt steeds de individuele omstandigheden en de redelijkheid van de kosten. Inwoners blijven zelf verantwoordelijk voor het tijdig informeren van de gemeente, het benutten van voorliggende voorzieningen en het leveren van inspanningen om hun woonlasten duurzaam te verlagen.
12. Toelichting slotbepalingen (hoofdstuk 6)
Artikel 22. Inwerking, intrekking, citeertitel en overgangsbepalingen
13. Bijlage vergoedingenlijst minimaregelingen en bijzondere bijstand gemeente Heemskerk 2026
Minimaregelingen en bijzondere bijstand
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-321783.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.