Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
- 1.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
- 2.
Degene die op een openbare plaats:
- a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
- b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
- c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie of de door het college of de burgemeester aangewezen ambtenaren zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
- 3.
Het is verboden te gaan naar of te zich bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
- 4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
- 5.
Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Artikel 2:2 (vervallen)
(Vervallen)
Artikel 2:3 Kennisgeving betoging op openbare plaatsen
- 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
- 2.
De kennisgeving bevat:
- a.
naam en adres van degene die de betoging houdt;
- b.
het doel van de betoging;
- c.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
- d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de route;
- e.
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en
- f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
- 3.
Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
- 4.
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
- 5.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:4 (vervallen)
(Vervallen)
Artikel 2:5 (vervallen)
(Vervallen)
Artikel 2:6 (vervallen)
(Vervallen)
Artikel 2:7 (vervallen)
(Vervallen)
Artikel 2:8 (vervallen)
(Vervallen)
Artikel 2:9 Straatartiest en dergelijke
- 1.
Voor het optreden ten behoeve van het publiek als straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids dient aan de volgende regels te worden voldaan:
- a.
Het optreden is toegestaan op werkdagen tussen 09.00 uur en 21.00 uur.
- b.
Regelmatig moet men zich minimaal 50 meter verplaatsen, mag men zich niet langer dan 30 minuten op een en dezelfde plaats ophouden en mag niet opgetreden worden op terrassen van horecabedrijven.
- c.
Het gebruik van een versterker is niet toegestaan.
- d.
Tijdens een evenement mag de straatartiest e.d. in het gebied waar het evenement gehouden wordt uitsluitend na schriftelijke toestemming van de organisator van het evenement optreden.
- e.
Op de weg mag maximaal één voorwerp voor het inzamelen van geld worden geplaatst en het is niet toegestaan om mondeling, schriftelijk of op een andere wijze hierop de aandacht te vestigen.
- f.
Een afstand van minimaal 100 meter van kerken en andere voor de openbare eredienst bestemde gebouwen moet aangehouden worden, gedurende de tijden dat daarin godsdienstbeoefening plaatsvindt. Deze afstand moet ook worden gehanteerd nabij scholen tijdens schooltijden en ook op tijden welke door openbare bekendmaking zijn afgekondigd, waaronder de nationale dodenherdenking op 4 mei.
- g.
De straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids is verplicht de schade die hij door zijn handelen aan gemeentelijke eigendommen of eigendommen van derden toebrengt te vergoeden en voorts dient hij alle mogelijke maatregelen te nemen om te voorkomen dat de gemeente dan wel derden ten gevolge van zijn handelen schade zullen lijden.
- 2.
De burgemeester kan in bijzondere gevallen van het bepaalde in het eerste lid afwijkende regels stellen.
Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Artikel 2:10 Voorwerpen aan, op of boven de weg
- 1.
- a.
Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan en (langdurig) voorwerpen op of aan de weg te plaatsen of te houden.
- b.
Dit verbod geldt niet voor zover er sprake is van een wijziging van de fysieke leefomgeving of zover het omgevingsplan in de materie voorziet.
- 2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning worden geweigerd:
- a.
Als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
- b.
Als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of
- c.
In het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
- 3.
Het verbod, als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:
- a.
- b.
- c.
Voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;
- d.
Door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen;
- e.
Situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement of de geldende verordening wegen Noord-Brabant.
- f.
Vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;
- g.
Zonneschermen, voor zover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voor zover:
- i.
Elk onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt, en
- ii.
Elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op meer dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt, en
- iii.
Elk onderdeel, in wel ke stand het scherm ook staat, minder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;
- h.
De voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan. Degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten draagt er zorg voor dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;
- i.
- j.
Beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
- 4.
De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverkeerswet 1994.
- 5.
De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken.
- 6.
De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Omgevingswet.
- 7.
Het bevoegde bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
(Vervallen, maakt deel uit van Verordening Fysieke Leefomgeving)
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg
(Vervallen, maakt deel uit van Verordening Fysieke Leefomgeving)
Artikel 2:13 (Vervallen)
(Vervallen)
Artikel 2:14 Winkelwagentjes
(Vervallen)
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
(Vervallen, maakt deel uit van Verordening Fysieke Leefomgeving)
Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke
(Vervallen)
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
- 1.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:
- a.
- b.
voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
- 2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.
- 3.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19 (vervallen)
(Vervallen)
Artikel 2:20 (vervallen)
(Vervallen)
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
(Vervallen, maakt deel uit van Verordening Fysieke Leefomgeving)
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn
(Vervallen, maakt deel uit van Verordening Fysieke Leefomgeving)
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
(Vervallen)
Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Definitie
- 1.
In deze afdeling wordt verstaan onder openbare inrichting:
- i.
De lokaliteit(en), waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte;
- ii.
Waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of, al dan niet door middel van een automaat, etenswaren of alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt;
- iii.
Waar bedrijfsmatig en hoofdzakelijk, al dan niet door middel van een automaat, etenswaren worden bereid om ergens te worden bezorgd en/of aan of in de inrichting te worden afgehaald.
- iv.
Campings en recreatie- en vakantieparken
- 2.
Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
- 3.
Onder exploitant wordt in deze afdeling verstaan: degene die een openbare inrichting exploiteert.
- 4.
Onder leidinggevende wordt in deze afdeling verstaan:
- a.
De natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd;
- b.
De natuurlijke persoon, die algemene leidinggeeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt geëxploiteerd;
- c.
De natuurlijke persoon, die onmiddellijke leidinggeeft aan de exploitatie van de openbare inrichting.
- 5.
Deze afdeling verstaat niet onder bezoekers:
- a.
De exploitant en de leidinggevenden van de openbare inrichting;
- b.
De gezinsleden van de exploitant, alsmede zijn elders wonende bloed en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;
- c.
De personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
- d.
personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting
- 1.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder of in afwijking van de vergunning van de burgemeester.
- 2.
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in:
- a.
Horecabedrijven als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
- b.
Rechtspersonen niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richten op de exploitatie in eigen beheer van een openbare inrichting, zoals bedoeld in artikel 2:27;
- c.
Winkels als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
- d.
Musea, crematoria en rouwcentra;
- e.
- f.
Koffiecorners binnen de bestemming detailhandel of maatschappelijke functies;
- g.
- h.
Bedrijfskantines of -restaurant;
- i.
Kinderboerderijen en educatieve tuinen;
- j.
- k.
Accommodaties voor bed & breakfast.
- 3.
De vergunning wordt aangevraagd met het door de burgemeester vastgestelde aanvraagformulier en daarbij behorende bijlagen zoals aangegeven in het aanvraagformulier.
- 4.
De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden.
- 5.
Leidinggevenden van de openbare inrichting voldoen aan de volgende eisen:
- a.
Zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;
- b.
Zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
- c.
Zij mogen niet onder curatele staan.
- 6.
Het is verboden een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 lid 1 voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat ten minste één van de leidinggevenden genoemd op het aanhangsel behorende bij de vergunning in de inrichting aanwezig is.
- 7.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:28a
- 1.
De burgemeester vermeldt in een vergunning, zoals bedoeld in artikel 2:28:
- a.
- b.
Voor welke bedrijfsuitoefening de vergunning geldt;
- c.
De plaats waar de inrichting zich bevindt;
- d.
De situering en de oppervlakten van de horecalokaliteiten en terrassen;
- e.
De voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.
- 2.
Het is verboden een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat ten minste één van de leidinggevenden genoemd op het aanhangsel behorende bij de vergunning in de inrichting aanwezig is.
Artikel 2:28b Weigeringsgronden
De burgemeester weigert de vergunning, zoals bedoeld in artikel 2:28, als:
- a.
De exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan;
- b.
Eén of meer leidinggevenden niet voldoen aan de eisen genoemd onder artikel 2:28 vijfde lid;
- c.
De woon- en/of leefomgeving op onaanvaardbare wijze negatief zal worden beïnvloed.
Artikel 2:28c Intrekkingsgronden
- 1.
De vergunning wordt door de burgemeester ingetrokken als:
- a.
Deze is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
- b.
Één of meer leidinggevenden niet langer voldoen aan de eisen genoemd onder artikel 2:28 lid 5;
- c.
Zich in of in de nabijheid van de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die - naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid.
- 2.
De vergunning kan door de burgemeester worden ingetrokken als wordt gehandeld in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen.
- 3.
Ten aanzien van een openbare inrichting waarvan de exploitatievergunning is ingetrokken, kan tevens worden bepaald dat een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd.
Artikel 2:28d Wijziging van de vergunning of aanhangsel
- 1.
Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel.
- 2.
De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de leidinggevende niet voldoet aan de eisen genoemd artikel 2:28 lid 5.
- 3.
Als een inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de exploitant verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt een gewijzigde vergunning, waarin de ingevolge artikel 2:28a lid 1 vereiste omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie.
- 4.
De burgemeester weigert de wijziging van de vergunning indien sprake is van een van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2:28B.
Artikel 2:28e Vervallen van de exploitatievergunning
- 1.
De exploitatievergunning vervalt als:
- a.
De exploitatie van het bedrijf feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) is overgedragen;
- b.
Zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt.
Artikel 2:29 Sluitingstijd
- 1.
Openbare inrichtingen die alcoholhoudende drank verstrekken zijn gesloten op:
- -
maandag tot en met vrijdag tussen 01.30 uur en 07.00 uur, en
- -
op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 07.00 uur.
- 2.
Openbare inrichtingen die geen alcoholhoudende drank verstrekken zijn gesloten op:
- -
maandag tot en met vrijdag tussen 02.30 uur en 07.00 uur, en
- -
op zaterdag en zondag tussen 04.00 uur en 07.00 uur.
- 3.
Terrassen behorende bij openbare inrichtingen zijn gesloten op:
- -
maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 uur en 07.00 uur, en
- -
op zaterdag en zondag tussen 01.00 uur en 07.00 uur.
- -
op collectieve feestdagen vanaf 01:30 uur.
- 4.
Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.
- 5.
De burgemeester kan voor tijdelijke gelegenheden van bijzondere aard ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
- 6.
Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, tweede lid, onder c, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.
- 7.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen (vervallen)
(Vervallen)
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Artikel 2:34 (vervallen)
(Vervallen)
Artikel 2:34a Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
- a.
Alcoholhoudende drank: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Alcoholwet
- b.
Bijeenkomsten van persoonlijke aard: besloten bijeenkomsten die gericht zijn op of waarvan de aanleiding is gelegen in een persoonlijke aangelegenheid, die geen direct verband houdt met de recreatieve, sportieve, sociaal culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige activiteiten van de para commerciële rechtspersoon;
- c.
Bijeenkomsten van commerciële aard: bijeenkomsten van niet-persoonlijke aard, gericht op natuurlijke personen en rechtspersonen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. Deze kunnen georganiseerd worden door personen of organisaties die niet in de kern wonen of geen relatie hebben met de paracommerciële rechtspersoon, met als doel om opbrengst te behalen;
- d.
Horecabedrijf: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Alcoholwet;
- e.
Horecalokaliteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Alcoholwet;
- f.
Inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Alcoholwet;
- g.
Paracommercieel rechtspersoon: hetgeen daaronder wordt bepaald in artikel 1 van de Alcoholwet;
- h.
Samenwerkingsplan: Een schriftelijk vastgelegd plan/afspraak waarbinnen partijen aangeven dat zij overeenstemming hebben bereikt over het schenken van alcohol bij activiteiten van persoonlijke aard;
- i.
Sterke drank: hetgeen daaronder wordt bepaald in artikel 1 van de Alcoholwet;
- j.
Zwak-alcoholhoudende dranken: hetgeen daaronder wordt bepaald in artikel 1 van de Alcoholwet;
- k.
Zwak-alcoholhoudende dranken: hetgeen daaronder wordt bepaald in artikel 1 van de Alcoholwet;
Artikel 2:34b Paracommercieel rechtspersoon van sportieve aard
- 1.
Het is verboden om alcoholhoudende dranken te verstrekken in de paracommerciële inrichting bij:
- a.
bijeenkomsten van persoonlijke aard; of
- b.
bijeenkomsten van commerciële aard.
- 2.
In uitzondering op lid 1 zijn de volgende bijeenkomsten rechtstreeks toegestaan:
- -
Alle activiteiten die verbonden zijn aan de statutaire doelstelling van de sportvereniging;
- -
Afscheidsfeesten van leden van het bestuur van de vereniging en/of stichting, die vergunninghouder is van het pand;
- -
Jaarfeesten, bijvoorbeeld ter afsluiting van het seizoen;
- -
Clubkampioenschap, clubjubilea en clubbijeenkomsten;
- -
Nieuwjaarsbijeenkomsten voor de leden;
- -
- -
Een (1) feestavond per kalenderjaar en per club voor vrijwilligers en sponsoren.
- 3.
Voor paracommerciële rechtspersonen van sportieve aard is het toegestaan alcohol te schenken tot uiterlijk 3 uur na een sportieve activiteit, met een maximale eindtijd van 01.00 uur.
Artikel 2:34c Paracommerciële rechtspersonen van sociaal-culturele aard
- 1.
Het is verboden om alcoholhoudende dranken te verstrekken in de paracommerciële inrichting bij:
- a.
Bijeenkomsten van persoonlijke aard; of
- b.
Bijeenkomsten van commerciële aard.
- 2.
In uitzondering op lid 1 zijn de volgende bijeenkomsten rechtstreeks toegestaan:
- -
Vergaderingen van en voor de leden van verenigingen en stichtingen die structureel gebruik maken van het pand;
- -
Jaarfeesten van en voor de leden van verenigingen en stichtingen die structureel gebruik maken van het pand;
- -
Kerstvieringen van en voor de leden van verenigingen en stichtingen die structureel gebruik maken van het pand;
- -
Nieuwjaarsbijeenkomsten van en voor de leden van verenigingen en stichtingen die structureel gebruik maken van het pand;
- -
Afscheidsfeesten van leden van het bestuur van vereniging en stichtingen, die structureel gebruik maken van het pand;
- -
- -
Koffietafels voor mensen die afkomstig en/of woonachtig zijn in of in de directe omgeving van de kern;
- -
Voor publiek toegankelijke activiteiten en festiviteiten met een charitatief, maatschappelijk of sociaal cultureel karakter. Dit moet blijken uit de statuten.
- 3.
De burgemeester kan een ontheffing verlenen op het verbod in lid 1 onder a. Dit mag alleen als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a.
De organisator van de bijeenkomst woont in het verzorgingsgebied van de kern waar de paracommerciële rechtspersoon is gevestigd; en
- b.
In het verzoek tot ontheffing is het samenwerkingsplan opgenomen waarin is vastgelegd op welke wijze er sprake is van samenwerking met tenminste één commerciële horeca inrichting, die behoort tot het verzorgingsgebied van de kern; en
- c.
Het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en niet door middel van het stellen van voorschriften daaraan tegemoet kan worden gekomen.
- 4.
De burgemeester kan een ontheffing verlenen op het verbod in lid 1 onder b. Dit mag alleen als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a.
Er mogen per kalenderjaar maximaal vijf (5) bijeenkomsten van commerciële aard worden gehouden; en
- b.
Het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en niet door middel van het stellen van voorschriften daaraan tegemoet kan worden gekomen.
- 5.
Voor paracommerciële rechtspersonen van sociaal-culturele aard is het toegestaan om alcohol te verstrekken tot 01.00 uur.
- 6.
Voor paracommerciële rechtspersonen van sociaal-culturele aard is het mogelijk ingevolge artikel 4, lid 4 Alcoholwet een ontheffing van de schenktijd te verkrijgen.
- 7.
Het is voor paracommerciële rechtspersonen verboden om bijeenkomsten van persoonlijke aard openlijk aan te prijzen, hiermee te adverteren of reclame te maken.
Artikel 2:34d Paracommerciële rechtspersonen van educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard
- 1.
Het is verboden om alcoholhoudende dranken te verstrekken in de paracommerciële inrichting bij:
- a.
Bijeenkomsten van persoonlijke aard; of
- b.
Bijeenkomsten van commerciële aard.
- 2.
In uitzondering op lid 1 zijn de volgende bijeenkomsten rechtstreeks toegestaan:
- -
Activiteiten en vieringen die direct verband houden met de levensbeschouwelijke of godsdienstige aard van de instelling;
- -
Afscheidsfeesten van leden van het bestuur van de vereniging en/of stichting, die vergunninghouder is van het pand;
- -
- -
Overig strikt gerelateerde activiteiten voor leden;
- -
Nieuwjaarsbijeenkomsten voor de leden;
- -
Eén (1) feestavond per kalenderjaar voor vrijwilligers en sponsoren;
- -
- -
- -
Afstudeerbijeenkomsten en diploma-uitreikingen.
- 3.
De burgemeester kan een ontheffing verlenen op het verbod in lid 1 onder a. Dit mag alleen als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a.
Als degene die de bijeenkomst organiseert woonachtig is in de kern waarin de paracommerciële rechtspersoon is gelegen; en
- b.
Het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast en niet door middel van het stellen van voorschriften daaraan tegemoet kan worden gekomen.
- 4.
Paracommerciële rechtspersonen van educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard mogen alcohol verstrekken tot 01.00 uur.
- 5.
Voor paracommerciële rechtspersonen van educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard is het mogelijk ingevolge artikel 4, lid 4 Alcoholwet een ontheffing van de schenktijd te verkrijgen.
Artikel 2:34e Verbod verstrekken van sterke drank voor paracommerciële inrichtingen
- 1.
Het is verboden in paracommerciële inrichtingen sterke drank te verstrekken.
- 2.
De burgemeester kan een ontheffing verlenen van het in lid 1 gestelde verbod.
- 3.
Aan een ontheffing, als bedoeld in lid 2, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
Artikel 2:34f Voorschriften en beperkingen
Aan een ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:35 Definitie
In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:37 Nachtregister
(Vervallen)
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:38a Definities
- 1.
In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
- 2.
In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
Artikel 2:39 Speelgelegenheden
- 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.
- 2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of in artikel 2:40A van deze verordening.
- 3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:
- a.
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
- b.
de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.
- 4.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten
- 1.
In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.
- 2.
In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Artikel 2:40a Speelautomatenhallen
- 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal in te richten of te drijven.
- 2.
De burgemeester kan nadere regels vaststellen.
- 3.
De vergunning wordt aangevraagd door middel van een door de burgemeester vastgesteld aanvraagformulier en bij dit aanvraagformulier behorende bijlagen.
- 4.
Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
- 1.
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
- 2.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
- 3.
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden
- 1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
- 2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
- a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
- b.
met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
- 3.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover wordt gehandeld krachtens wettelijk voorschrift.
- 4.
De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering onmiddellijk ter inzage af te geven.
- 5.
Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
- 6.
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
- 7.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke
- 1.
Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
- 2.
Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
- 1.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
- 2.
Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:44a
Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke
(Vervallen)
Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke
(Vervallen)
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
- 1.
Het is verboden op een openbare plaats:
- a.
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
- b.
zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
- 2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
Het college kan nadere regels stellen.
Artikel 2:48a Verbod hinderlijk gebruik lachgas (vervallen)
(vervallen)
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen
- 1.
Het is verboden zonder redelijk doel:
- a.
zich in een portiek of poort op te houden;
- b.
in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
- 2.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, wachtruimten voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen
- 1.
In dit artikel wordt onder een weesfiets verstaan: een ‘weesfiets’ die door de eigenaar in de openbare ruimte zonder wezenlijke tijdsonderbreking langer dan vier weken is achtergelaten en waarvan kennelijk geen gebruik meer wordt gemaakt.
- 2.
Het is verboden op een openbare plaats een fiets, een bromfiets of ander vergelijkbaar vervoermiddel te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.
- 3.
Het is verboden op of aan de weg of op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan indien;
- a.
daarmee hinder of gevaar voor het verkeer ontstaat;
- b.
als daardoor anderszins overlast veroorzaakt kan worden;
- c.
deze langer dan vier weken zonder wezenlijke tijdsonderbreking aanwezig is.
- 4.
Het is verboden een (wees-)fiets, een (brom-)fiets of ander vergelijkbaar vervoermiddel te plaatsen of te laten staan:
- a.
op het terrein van het station Boxmeer;
- b.
op het terrein van station Vierlingsbeek;
- c.
op het terrein van station Cuijk;
- d.
op het terrein van busstation Grave;
- e.
binnen het voetgangersgebied van het centrum van Boxmeer;
- f.
binnen het centrum van Grave
- g.
binnen het centrum van Cuijk
zoals aangegeven op de bijvoegde kaarten (kaart 2 t/m kaart 8), buiten de daarvoor bedoelde rekken dan wel stallingsplaatsen. In de daarvoor bedoelde rekken dan wel stallingsplaatsens tevens niet langer dan vier weken zonder wezenlijke tijdsonderbreking.
- 5.
Het is verboden een voertuig zoals bedoeld in het derde lid dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op een openbare plaats te plaatsen of te hebben.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke (vervallen)
(Vervallen)
Artikel 2:53 Bespieden van personen
- 1.
Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.
- 2.
Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.
Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats
- 1.
Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden:
- 2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
- 3.
Het verbod geldt niet:
- a.
voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van de VFL, het omgevingsplan of een omgevingsvergunning is toegestaan;
- b.
voor woonwagens met een woonbestemming;
- c.
op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd;
- d.
op kampeerplaatsen die op grond van het omgevingsplan zijn aangewezen of waarvoor een omgevingsvergunning is verleend.
Artikel 2:55 (vervallen)
(Vervallen)
Artikel 2:56 (vervallen)
(Vervallen)
Artikel 2:57 Loslopende honden
- 1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
- a.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
- b.
binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
- c.
buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;
- d.
op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
- 2.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
- 3.
Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
- 1.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
- 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
- 3.
Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
- 4.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats bevindt, is verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen van de hond. De eigenaar of houder van de hond is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering van een toezichthoudend ambtenaar te laten zien. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2:59 Gevaarlijke en/of hinderlijke honden
- 1.
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
- 2.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
- 3.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
- a.
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
- b.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
- c.
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
- 4.
De burgemeester kan nadere regels vaststellen.
- 5.
Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein
- 1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid en/of heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
- 2.
Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
- a.
op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
- b.
het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en
- c.
het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Artikel 2:59b Bijtincidenten
De burgemeester kan nadere regels vaststellen.
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
(Vervallen, maakt deel uit van Verordening Fysieke Leefomgeving)
Artikel 2:61 Wilde dieren (vervallen)
(Vervallen)
Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Definitie
In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
- 1.
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:
- a.
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
- b.
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
- c.
een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;
- d.
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en
- e.
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
- 2.
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
- 3.
Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
- a.
de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
- 1°.
dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
- 2°.
van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen;
- 3°.
dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
- 4°.
dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.
- b.
de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
- c.
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
- d.
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:69 (vervallen)
(Vervallen)
Artikel 2:70 (vervallen)
(Vervallen)
Afdeling 10. Consumentenvuurwerk
Artikel 2:71 Definitie
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
- 1.
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk, met uitzondering van categorie F1-vuurwerk, ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.
- 2.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
- 1.
Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
- 2.
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
- 3.
De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:73a Carbidschieten
- 1.
Onder carbid schieten wordt verstaan: het in een bus/container/opslagvat op explosieve wijze verbranden van acethyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gas(mengsels) met vergelijkbare eigenschappen.
- 2.
Het is verboden in de openlucht met carbid te schieten.
- 3.
Het verbod in het tweede lid geldt niet indien het carbid schieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 uur – 18.00 uur, mits:
- a.
bij het carbid schieten wordt gebruik gemaakt van bussen met een maximale inhoud van 40 liter;
- b.
het carbid schieten plaats vindt buiten de bebouwde kom op een afstand van ten minste 100 meter van woningen en 300 meter van gebouwen, bouwwerken of andere werken waarbinnen dieren verblijven;
- c.
het vrijschootsveld tenminste 100 meter bedraagt en zich binnen dit schootsveld geen personen en/of openbare wegen of paden bevinden;
- d.
degene die met carbid schiet redelijkerwijs alle maatregelen heeft genomen ter voorkoming van gevaar voor mens en dier.
- 4.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het tweede lid opgenomen verbod.
- 5.
Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 11. Drugsoverlast
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in artikelen 2:1, 2:1a, 2:10, 2:11, 2:16, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:74a, of artikel 2:74b van deze verordening groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
- 1.
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
- 2.
De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere openbare plaatsen.
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
- 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste twee weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
- 2.
Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
- 3.
Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven indien het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
- 4.
De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
- 5.
Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.
- 6.
Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
Afdeling 14. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Artikel 2:81 Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning
- 1.
In dit artikel wordt verstaan onder:
- a.
Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
- b.
Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;
- c.
Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
- 2.
De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijf jaar en kan – indien dat met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is – eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar.
- 3.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:
- a.
in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied, of
- b.
in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of
- c.
in door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteiten.
- 4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
- a.
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
- b.
indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
- c.
indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
- d.
indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;
- e.
indien niet voldaan is aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;
- f.
indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
- g.
indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend omgevingsplan en/of
- h.
indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.
- 5.
Naast en in aanvulling op artikel 1:4 lid 1 APV kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden aan een exploitatievergunning die wordt verleend krachtens het derde lid van deze bepaling, die strekken ter bescherming van de belangen, zoals opgenomen in het vierde lid van deze bepaling.
- 6.
De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
- a.
de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;
- b.
het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
- c.
het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
- d.
indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;
- e.
een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;
- f.
een verklaring omtrent gedrag (VOG);
- g.
een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.
- h.
naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens en bescheiden worden verlangd van de aanvrager die verband houden met registraties van het specifieke gebouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagd exploitatievergunning betrekking heeft.
- i.
indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.
- 7.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen:
- a.
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
- b.
indien het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
- c.
indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
- d.
indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is;
- e.
indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
- f.
indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend omgevingsplan;
- g.
indien de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
- h.
indien er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;
- i.
indien door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;
- j.
indien de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd en/of
- k.
indien de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd.
- 8.
Een vergunning kan ingevolge artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur voorts door de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken, indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de voornoemde wet. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
- 9.
De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met k, van toepassing is.
- 10.
Het is eenieder verboden een overeenkomstig het negende lid van deze bepaling gesloten bedrijf of gebouw te betreden of daarin te verblijven.
- 11.
De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien uit later bekend geworden feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de bescherming van de belangen in verband waarmee deze regeling van kracht is, geen langere sluiting vergen.
- 12.
De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Indien niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden een aanvraag wordt ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een bestaande vergunning vervalt, zodra de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, in werking treedt.
- 13.
Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.
- 14.
Het aanwijzingsbesluit geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezighielden met de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, dient in het aanwijzingsbesluit een redelijke overgangstermijn geboden te worden, na het verstrijken waarvan het verbod uit het derde lid van toepassing wordt. De overgangstermijn bedraagt minimaal 6 maanden en maximaal 1 jaar.
- 15.
Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.