Verordening fysieke leefomgeving Land van Cuijk 2026

De raad van de gemeente Land van Cuijk;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 9 december 2025;

 

gelet op artikel 149 Gemeentewet en de Omgevingswet;

 

besluit:

 

  • 1.

    in te trekken de Bouwverordening gemeente Land van Cuijk 2022;

  • 2.

    vast te stellen de navolgende verordening overeenkomstig de volgende bepalingen:

Verordening fysieke leefomgeving Land van Cuijk 2026

 

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1:1 Begripsbepalingen (voorheen o.a. artikel 1:1 APV)

  • 1.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • -

      Aanlegplaats: Het vaartuig dat zich al dan niet gekoppeld aan de wal, direct bevindt aan of in het water, dat bedoeld is voor het niet langer dan drie dagen aaneen aanleggen met (recreatie)vaartuigen.

    • -

      Awb: Algemene wet bestuursrecht;

    • -

      College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk;

    • -

      Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

    • -

      Bedrijfsschip: een vaartuig dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van personen en/of goederen dan wel een vaartuig waarop of waarmee een bedrijf of beroep wordt of kan worden uitgeoefend;

    • -

      Beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

    • -

      Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;

    • -

      Bkl: Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • -

      Bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

    • -

      Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

    • -

      Collectieve festiviteit: festiviteit als genoemd in het Aanwijzingsbesluit collectieve festiviteiten gemeente Land van Cuijk 2022;

    • -

      Confetti: kleine snippers van divers materiaal, te gebruiken en/of te verspreiden in openbaar gebied;

    • -

      Evenement: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 2:24 APV Land van Cuijk.

    • -

      Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

    • -

      Geluidgevoelig gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I van het Bkl;

    • -

      Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen, diensten en/of activiteiten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

    • -

      Houder van de inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

    • -

      Inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht;

    • -

      Motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

    • -

      Omgevingsvergunning: omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet;

    • -

      Onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt;

    • -

      Openbaar gebouw: voor het publiek deels of geheel openstaand gebouw;

    • -

      Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

    • -

      Openbare nutsvoorziening: bouwwerken en voorzieningen die een publiek nut hebben;

    • -

      Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;

    • -

      Openbare ruimten: voor publiek toegankelijke ruimten zowel binnen als buiten;

    • -

      Parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

    • -

      Passantenhaven: haven waar plezierboten voor beperkte tijd kunnen aanleggen;

    • -

      Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

    • -

      Serpentines: een dunne, opgerolde strook papier die bij gelegenheden wordt weggegooid om een feestelijke sfeer te creëren;

    • -

      Standplaats: het vanaf een vaste, op een openbare en in de open lucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen.

    • -

      Onder standplaats wordt niet verstaan een vaste plaats op een:

      • -

        jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h van de Gemeentewet;

      • -

        een vaste plaats op een evenement als bedoeld in deze Bijlage

    • -

      Stookplaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

    • -

      Terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van een (horeca)bedrijf waar zitgelegenheid wordt geboden en waar dranken worden geschonken en/of genuttigd en /of spijzen voor directe consumptie worden bereid/verstrekt/genuttigd;

    • -

      Vaartuig: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede glijboten, surfplanken en pontons, met uitzondering van drijvende bouwwerken;

    • -

      Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;

    • -

      Weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

    • -

      Woonboot: een drijvend bouwwerk, ingericht als woning, dat niet (meer) primair bedoeld is om te varen.

  • 2.

    De definities bedoeld in het eerste lid gelden eveneens voor de toepassing van de regels bij of krachtens deze Verordening.

Artikel 1:2 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze verordening gaat over:

    • a.

      De fysieke leefomgeving, en:

    • b.

      Activiteiten die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving.

  • 2.

    De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval:

    • a.

      Bouwwerken;

    • b.

      Infrastructuur;

    • c.

      Watersystemen;

    • d.

      Water;

    • e.

      Bodem;

    • f.

      Lucht;

    • g.

      Landschappen;

    • h.

      Natuur;

    • i.

      Cultureel erfgoed;

  • 3.

    Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in ieder geval aangemerkt gevolgen die kunnen voortvloeien uit:

    • a.

      Het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan;

    • b.

      Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

    • c.

      Activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt;

    • d.

      Het nalaten van activiteiten.

  • 4.

    Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving;

  • 5.

    Deze verordening is niet van toepassing op bijzondere markten en/of braderieën waarvoor het gebruiken van gemeentegrond op grond van privaatrecht met het college is geregeld en/of waarvoor op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Land van Cuijk een evenementenvergunning is verleend.

Artikel 1:3 Doel van deze verordening

Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu gericht op het in onderlinge samenhang:

  • a.

    Bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit;

  • b.

    Doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen (voorheen artikel 1:4 APV)

  • 1.

    Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Het doel van deze voorschriften en beperkingen is het beschermen van het belang waarvoor de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2.

    Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing en melding (voorheen o.a. artikel 1:5 APV)

  • 1.

    De vergunning, ontheffing en melding zijn persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing (voorheen artikel 1:6 APV)

  • 1.

    De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

    • a.

      Voor het verkrijgen daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • b.

      Door een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing;

    • c.

      Intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

    • d.

      De aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

    • e.

      Van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

    • f.

      De houder van een vergunning of ontheffing dit verzoekt.

  • 2.

    Naast de intrekkings- en wijzigingsgronden zoals bedoeld in lid 1 kunnen voor specifieke vergunningen of ontheffingen nog aanvullende gronden gelden.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:7 Weigeringsgronden (voorheen artikel 1:8 APV)

  • 1.

    Een vergunning of ontheffing kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      De openbare orde;

    • b.

      De openbare veiligheid;

    • c.

      De volksgezondheid;

    • d.

      De bescherming van het milieu.

  • 2.

    Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan acht weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Van deze termijn kan bij of krachtens deze Verordening worden afgeweken.

Artikel 1:8 Geldigheidsduur

  • 1.

    De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  • 2.

    De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

  • 3.

    Het college heeft een beleidsregel intrekken omgevingsvergunningen vastgesteld.

Artikel 1:9 Meest recente versie

Bij het toepassen van artikelen uit deze verordening die verwijzen naar documenten buiten deze verordening, wordt steeds uitgegaan van de meest recente versie van die documenten, tenzij anders is aangegeven.

HOOFDSTUK 2 AANWIJZINGEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

AFDELING 1 Terrassen

Artikel 2:1 Definities

  • 1.

    In deze afdeling wordt verstaan onder openbare inrichting:

    • a.

      De lokaliteit(en), waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte;

    • b.

      Waar bedrijfsmatig, al dan niet door middel van een automaat, etenswaren of alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt;

    • c.

      Waar bedrijfsmatig en hoofdzakelijk, al dan niet door middel van een automaat, etenswaren worden bereid om ergens te worden bezorgd en/of aan of in de inrichting te worden afgehaald.

  • 2.

    In deze afdeling wordt verstaan onder een terras: een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatste kunnen worden bereid of verstrekt.

Artikel 2:2  

  • 1.

    Voor het hebben van een terras is een vergunning vereist.

  • 2.

    De burgemeester stelt een aanvraagformulier vast.

  • 3.

    De burgemeester beslist op een aanvraag binnen 8 weken na de datum van ontvangst van de vergunningaanvraag.

  • 4.

    De burgemeester kan de termijn van 8 weken, met 6 weken verdagen.

  • 5.

    De burgemeester heeft definities en nadere regels vastgesteld in het geldende Terrassenbeleid.

  • 6.

    Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

 

AFDELING 2 Markten

Artikel 2:3  

  • 1.

    Het is verboden om een standplaats op een markt in te nemen zonder vaste-standplaatsvergunning voor het uitoefenen van markthandel.

  • 2.

    Het college stelt de volgende reguliere markten in:

    • a.

      Weekmarkt Boxmeer, donderdag van 13.00 uur tot 16.30 uur, locatie Raadhuisplein;

    • b.

      Weekmarkt Cuijk, woensdag van 11.00 uur tot 16.30 uur, locatie Louis Janssenplein/Korte Molenstraat;

    • c.

      Weekmarkt Grave, vrijdag van 8.30 uur tot 12.30 uur, locatie Hoofschestraat/Hoofdwagt;

    • d.

      Weekmarkt Mill, woensdag van 09.00 uur tot 12.00 uur, locatie Markt.

  • 3.

    Het college stelt voor iedere markt een inrichtingsplan vast;

  • 4.

    Het college heeft definities en nadere regels vastgesteld, deze zijn vastgelegd in de Marktverordening Land van Cuijk (Marktverordening Land van Cuijk 2025);

  • 5.

    Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:4  

  • 1.

    Het college kan afwijken van artikel 2.3 en bepalen dat om dringende redenen een markt tijdelijk zal plaatsvinden op:

    • a.

      een andere dag;

    • b.

      een andere tijd;

    • c.

      een andere plaats.

  • 2.

    Het college kan een markt geheel of gedeeltelijk afgelasten of opdragen dat een markt geheel of gedeeltelijk anders wordt ingericht, als dit nodig is in het kader van het algemeen belang, ter uitvoering van werken of in het geval van extreme weersomstandigheden.

 

AFDELING 3 Water

Artikel 2:5 Ligplaats woonboten of andere drijvende bouwwerken (voorheen artikel 5:25 APV)

  • 1.

    Het is verboden met een woonboot of een ander drijvend bouwwerk een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

  • 2.

    Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een woonboot of een ander drijvend bouwwerk op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

    • a.

      nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente;

    • b.

      beperkingen stellen naar soort en aantal woonboten/andere drijvende bouwwerken.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet of het Binnenvaartpolitiereglement.

  • 4.

    Het college kan aan de rechthebbende op een woonboot of een ander drijvend bouwwerk aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 5.

    De rechthebbende op een woonboot of een ander drijvend bouwwerk is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Artikel 2:6 Ligplaats vaartuigen (voorheen artikel 5:25 APV)

  • 1.

    Het is verboden met vaartuigen een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor vaartuigen beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

  • 2.

    Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor vaartuigen op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

    • a.

      nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente;

    • b.

      beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet of het Binnenvaartpolitiereglement.

  • 4.

    Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 5.

    De rechthebbende op een overig vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Artikel 2:7 aanwijzing aanlegplaatsen (nieuw artikel)

De gemeenteraad heeft de volgende aanlegplaatsen aangewezen:

  • a.

    Loswal Cuijk, conform kaart in bijlage;

  • b.

    Loswal Grave, conform kaart in bijlage;

  • c.

    Kraaijenbergse Plassen en Heeswijkse Plas;

  • d.

    Linden: watersportcamping ’t Loo

  • e.

    Katwijk: watersportvereniging De Kraaijenbergse Plassen;

  • f.

    Boxmeer: jachthaven watersportvereniging Boxmeer

Artikel 2:8 meldingplicht aanlegplaatsen (nieuw artikel)

  • 1.

    De gemeenteraad heeft definities en nadere regels vastgesteld voor de Kraaijenbergse Plassen en Heeswijkse Plas (Verordening Kraaijenbergse Plassen en Heeswijkse Plas 2024).

  • 2.

    Voor de loswal in Grave en voor de loswal in Cuijk gelden de volgende regels:

    • a.

      een melding is vereist om aan te leggen;

    • b.

      de melding dient ten minste 4 weken voorafgaand te zijn gedaan;

    • c.

      het college stelt een meldingsformulier vast;

    • d.

      een gedeelte van de loswal in Cuijk is aangewezen als passantensteiger, zoals aangegeven op de kaart in de bijlage. Voor de passantensteiger is geen melding benodigd;

    • e.

      het college kan nadere regels vaststellen.

Artikel 2:9 passantensteigers (nieuw artikel)

  • 1.

    Het is verboden met een vaartuig om

    • a.

      tussen 22.00 uur ’s avonds en 07.00 uur ‘s ochtends ligplaats te nemen of te hebben aan een passantensteiger;

    • b.

      tussen 22.00 uur ’s avonds en 09.00 uur ‘s ochtends ligplaats te nemen of te hebben op plaatsen die niet zijn aangewezen als passantenplaats of overnachtingsplaats.

  • 2.

    Het in het eerste lid, onder b., gestelde verbod geldt niet voor de vaartuigen die ligplaats hebben in een jachthaven dan wel aan de campingsteiger, privésteiger bij woning/niet openbare steigers of bij een daartoe aangewezen overnachtingsplaats. Bij de als zodanig aangewezen overnachtingsplaatsen geldt een door burgemeester en wethouders vast te stellen beheerregime en vergoeding.

  • 3.

    Het in het eerste lid, onder b., gestelde verbod geldt niet voor vaartuigen van door het college van burgemeester en wethouders in het algemeen belang aangewezen maatschappelijke, culturele en creatieve instellingen/ondernemers, stichtingen en verenigingen en dergelijke die ten behoeve van recreatie, onderwijs, welzijn en cultuur, toezicht en hulpverlening, ligplaats innemen.

  • 4.

    Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet of het Binnenvaartpolitiereglement.

Artikel 2:10 Voorwerpen op, in of boven openbaar water (voorheen artikel 5:24 APV)

  • 1.

    Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  • 2.

    Het is verboden een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen zonder een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1 Omgevingswet.

  • 3.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Land van Cuijk, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:11 Beschadigen van waterstaatswerken (voorheen artikel 5:28 APV)

  • 1.

    Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 2:12 Reddingsmiddelen (voorheen artikel 5:29 APV)

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 2:13 Veiligheid op het water (voorheen artikel 5:30 APV)

  • 1.

    Het is aan eenieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:14 Overlast aan vaartuigen (voorheen artikel 5:31 APV)

  • 1.

    Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  • 2.

    Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

 

AFDELING 4 Cultureel erfgoed

Artikel 2:15  

De gemeenteraad heeft nadere definities en regels vastgesteld met betrekking tot het cultureel erfgoed. Deze definities en regels zijn vastgelegd in de geldende Erfgoedverordening Land van Cuijk.

Artikel 2:16  

In de Erfgoedverordening Land van Cuijk wordt ingegaan op:

  • -

    Gemeentelijke monumenten en gemeentelijke archeologische monumenten;

  • -

    Beschermde beeldbepalende panden;

  • -

    Beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten;

  • -

    Beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en beschermde gemeentelijke verzamelingen;

  • -

    Beschermde gemeentelijke cultuurhistorisch waardevolle landschappen en landschapselementen;

  • -

    Algemene bepalingen met betrekking tot termijnen, aanvragen, aanwijzingsbesluiten, erfgoedregister, intrekken en vervallen van de aanwijzing etc.

AFDELING 5 Groen

Artikel 2:17  

De Gemeenteraad heeft nadere definities en regels vastgesteld met betrekking tot bomen en groen. Deze definities en regels zijn vastgelegd in de geldende Bomenverordening Land van Cuijk.

Artikel 2:18  

In de Bomenverordening Land van Cuijk wordt ingegaan op:

  • -

    Groene waarden en functies van bomen;

  • -

    Visie op bomen;

  • -

    Boombescherming;

  • -

    Ruimtelijke inrichting;

  • -

    Boombeheer.

Artikel 2:19  

Een houtwal valt onder de definitie van een houtopstand, zoals bedoeld in de Bomenverordening Land van Cuijk en is in ieder geval onderdeel van een waardevolle boomstructuur als deze vermeld staat als boomstructuur of -laan op de Kaart met Waardevolle boomstructuren.

HOOFDSTUK 3 ACTIVITEITEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

AFDELING 1 Inleidende bepalingen

Artikel 3:1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk gaat over activiteiten met gevolg voor de fysieke leefomgeving.

Artikel 3:2  

Activiteiten waarvoor op grond van deze verordening een vergunning voor nodig is, mogen niet worden uitgevoerd zonder of voordat die vergunning is verleend, of in afwijking van de verleende vergunning.

 

AFDELING 2 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten

Artikel 3:3 Bodemonderzoek (voorheen artikel 2.1.5 Bouwverordening gemeente Land van Cuijk 2022)

  • 1.

    Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.

  • 2.

    Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707.

  • 3.

    Als voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is, dan wel dat de gerezen verdenkingen een volledig onderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen, kan het college toestaan dat gedeeltelijk wordt afgeweken van de verplichting om een onderzoeksrapport in te dienen.

  • 4.

    Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

Artikel 3:4 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen (voorheen artikel 2.4.2 Bouwverordening gemeente Land van Cuijk 2022)

  • 1.

    Het college kan voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbinden, als zij van oordeel is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt;

  • 2.

    Voor het vormen van dit oordeel maakt het college gebruik van een onderzoeksrapport en/of andere bij haar bekende onderzoeksresultaten zoals bedoeld in de Regeling Omgevingswet, dan wel een saneringsplan op grond van het voorheen geldende artikel 39, eerste en tweede lid van de Wet bodemsanering of op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • 3.

    Deze voorwaarden kunnen worden gesteld naast de voorwaarden uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3:5 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem (voorheen artikel 2.4.1 Bouwverordening gemeente Land van Cuijk 2022)

Er mag niet worden gebouwd op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar voor de gezondheid van de gebruikers is te verwachten, voor zover bouwen betrekking heeft op:

  • a.

    Een bouwwerk waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;

  • b.

    Een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist en dat de grond raakt, of waarvan het ter plaatse toegestane gebruik wordt gewijzigd.

Artikel 3:6 Welstand

De gemeenteraad heeft definities en nadere regels vastgesteld met betrekking tot de welstand. Deze regels zijn vastgelegd in de geldende Welstandsnota.

 

AFDELING 3 Milieubelastende activiteiten met betrekking tot geluid

Artikel 3:7 Aanwijzing collectieve festiviteiten (voorheen artikel 4:2 APV)

  • 1.

    De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Bkl, gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 2.

    In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente.

  • 3.

    Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  • 4.

    Het college kan voorwaarden stellen aan de festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

  • 5.

    Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 80 dB(A) en 95 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 6.

    Het maximale equivalente geluidsniveau LAeq verschil veroorzaakt door de inrichting, mag niet meer bedragen dan 15 dB, gemeten tussen dB(A) en dB(C) op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 7.

    De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie voor buitenevenementen. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 8.

    De meting van het geluid als bedoeld in het vijfde lid vindt plaats overeenkomstig bijlage IVh. van de Omgevingsregeling. Bij de meting van muziekgeluid wordt geen gevelreflectiecorrectie toegepast.

  • 9.

    Op de dagen, als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidnorm, bedoeld in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Bkl, uiterlijk beëindigd om 01:00 uur.

Artikel 3:8 Melding incidentele festiviteiten (voorheen artikel 4:3 APV)

  • 1.

    Het is een inrichting toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Bkl, niet van toepassing zijn. Dit mag echter alleen als de houder van de inrichting dit ten minste vier weken voor het begin van de festiviteit schriftelijk meldt aan het college, via het daartoe door het college vastgestelde meldformulier.

  • 2.

    Het is een inrichting toegestaan om maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met incidentele festiviteiten de verlichting aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten. Dit mag echter alleen als de houder van de inrichting dit ten minste tien werkdagen voor het begin van de festiviteit daarvan schriftelijk meldt aan het college, via het daartoe door het college vastgestelde meldformulier.

  • 3.

    De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd zoals op dat formulier vermeld.

  • 4.

    De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  • 5.

    Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 80 dB(A) en 95 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 6.

    De geluidsnorm, bedoeld in het vijfde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie voor buitenevenementen. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 7.

    Op de dagen, als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidnorm, bedoeld in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Bkl, uiterlijk beëindigd om 01:00 uur.

Artikel 3:9 Onversterkte muziek (voorheen artikel 4:5 APV)

  • 1.

    Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Bkl binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    • a.

      de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze geluidgevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    • b.

      de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij geluidgevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    • c.

      de waarden in in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidgevoelige ruimten als bedoeld in het Bkl;

    • d.

      bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

  • 2.

    Tabel:

    07.00-19.00 uur

    19.00-23.00 uur

    23.00-07.00 uur

    LAr.LT op de gevel van geluidgevoelige gebouwen

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    LAr.LT in in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    LAmax op de gevel van geluidgevoelige gebouwen

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

    LAmax in in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3.

    De in het eerste lid genoemde geluidsniveaus gelden niet voor het oefenen met onversterkte muziek door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode.

  • 4.

    Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing.

  • 5.

    Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 3:7 en 3:8.

Artikel 3:10 Geluid in en rondom stiltegebieden

  • 1.

    In stiltegebieden, zoals bedoeld in de Omgevingsverordening Noord-Brabant, mogen geen nieuwe activiteiten plaatsvinden die het behoud van stilte en rust in het gebied verstoren.

  • 2.

    Ter plaatse van de attentiezone stiltegebied, zoals bedoeld in de Omgevingsverordening Noord-Brabant, geldt een aanvaardbare geluidbelasting vanwege het houden van een evenement tot een grenswaarde van 50 dB(A) LAeq, 24 uur, op 1,5 m hoogte, op de grens van het Stiltegebied.

Artikel 3:11 Overige geluidhinder (voorheen artikel 4:6 APV)

  • 1.

    Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

 

AFDELING 4 Overige milieubelastende activiteiten

Artikel 3:12 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke (voorheen artikel 4:13 APV)

  • 1.

    Het is verboden in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, buiten een inrichting, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    • a.

      onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    • b.

      bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    • c.

      kampeermiddelen of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    • d.

      mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen;

    • e.

      door het college aangewezen andere bepaalde voorwerpen of stoffen.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van genoemd in het eerste lid.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 3:13 Verbod gebruik plastic confetti en serpentines (voorheen artikel 4:9a APV)

  • 1.

    Het is verboden confetti en serpentine, van een ander materiaal dan afbreekbaar papier, op de weg te gebruiken.

  • 2.

    Onder confetti wordt verstaan: kleine snippers van die (deels) gemaakt zijn van plastic, te gebruiken en/of te verspreiden in de open lucht. Onder serpentines wordt verstaan: rollen die (deels) gemaakt zijn van plastic, te gebruiken en/of te verspreiden in de open lucht.

Artikel 3:14 Natuurlijke behoefte doen (voorheen artikel 4:8 APV)

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

 

AFDELING 5 Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente

Artikel 3:15 Voorwerpen op of aan de weg (voorheen artikel 2:10 APV)

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 kan een vergunning worden geweigerd:

    • a.

      Als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    • b.

      Als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

    • c.

      In het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  • 3.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:

    • a.

      evenementen;

    • b.

      standplaatsen;

    • c.

      voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;

    • d.

      door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen;

    • e.

      situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement of de geldende verordening wegen Noord-Brabant.

    • f.

      vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

    • g.

      zonneschermen, voor zover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voor zover:

      • i.

        elk onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt, en

      • ii.

        elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op meer dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt, en

      • iii.

        elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;

    • h.

      de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan. Degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten draagt er zorg voor dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;

    • i.

      voertuigen;

    • j.

      beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

  • 4.

    De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverkeerswet 1994.

  • 5.

    De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken.

  • 6.

    De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Omgevingswet.

  • 7.

    Het bevoegde bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden.

  • 8.

    Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:16 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (voorheen artikel 2:11 APV)

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

  • 3.

    Het verbod, zoals bedoeld in het eerste lid, is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 3:17 Maken, veranderen van een uitweg (voorheen artikel 2:12 APV)

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7 kan de vergunning worden geweigerd:

    • a.

      Ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

    • b.

      Als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    • c.

      Als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

    • d.

      Als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

  • 3.

    In het uitwegenbeleid zijn de definities en nadere regels voor de aanvraag van een uitweg omschreven.

  • 4.

    Het verbod, zoals bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Artikel 3:18 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp (voorheen artikel 2:15 APV)

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 3:19 Straatvegen

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 3:20 Voorzieningen voor verkeer en verlichting (voorheen artikel 2:21 APV)

  • 1.

    De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 3:21 Verbod handelsreclame (voorheen artikel 4:15 APV)

  • 1.

    Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

  • 3.

    Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het eerste lid van artikel 3:21, dan wel aangebracht voor een ander doel dan handelsreclame, de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt veroorzaakt, zijn burgemeester en wethouders bevoegd de rechthebbende onderscheidenlijk de hoofdgebruiker van de onroerende zaak aan te schrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming, ter beperking of ter opheffing van dit gevaar of deze hinder. Degene tot wie de aanschrijving is gericht, of diens rechtsopvolger is verplicht aan deze aanschrijving te voldoen.

  • 4.

    Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 3:22 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke (voorheen artikel 5:2 APV)

  • 1.

    Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    • a.

      het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

    • b.

      het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 2.

    Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

    • b.

      voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

  • 3.

    Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    • a.

      drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  • 4.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 5.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:23 Te koop aanbieden van voertuigen (voorheen artikel 5:3 APV)

  • 1.

    Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:24 Defecte voertuigen (voorheen artikel 5:4 APV)

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 3:25 Voertuigwrakken (voorheen artikel 5:5 APV)

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 3:26 Kampeermiddelen en andere voertuigen (voorheen artikel 5:6 APV)

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    • a.

      in de periode vanaf 1 september tot 1 juni langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen en in de periode vanaf 1 juni tot 1 september langer dan gedurende zeven achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben;

    • b.

      op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

  • 4.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 3:27 Reclamevoertuigen (voorheen artikel 5:7 APV)

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen.

  • 4.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 3:28 Grote voertuigen (voorheen artikel 5:8 APV)

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2.

    Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  • 4.

    Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

  • 5.

    Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.

  • 6.

    Het college kan nadere regels stellen.

  • 7.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 3:29 Uitzichtbelemmerende voertuigen (voorheen artikel 5:9 APV)

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 3:30 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan (voorheen artikel 5:10 APV)

  • 1.

    Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

Artikel 3:31 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen (voorheen artikel 5:11 APV)

  • 1.

    Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

  • 2.

    Dit verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      de weg;

    • b.

      voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;

    • c.

      voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 3:32 Overlast van fietsen of bromfietsen (voorheen artikel 5:12 APV)

  • 1.

    Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

  • 2.

    Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.

 

AFDELING 6 Kampeermiddelen

Artikel 3:33 Definitie kampeermiddel (voorheen artikel 4:17 APV)

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 3:34 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen (voorheen artikel 4:18 APV)

  • 1.

    Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd, of waarvoor een omgevingsvergunning is verleend op grond van artikel 5.1 Omgevingswet.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

 

AFDELING 7 Standplaatsen

Artikel 3:35 Standplaatsenvergunning (voorheen artikel 5:18 APV)

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  • 2.

    Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de vergunning worden geweigerd als:

    • a.

      de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

    • b.

      een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

  • 4.

    Op de aanvraag van een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:36 Toestemming rechthebbende (voorheen artikel 5:19 APV)

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 3:37 Afbakeningsbepalingen (voorheen artikel 5:20 APV)

  • 1.

    Artikel 3:35, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

  • 2.

    De weigeringsgrond van artikel 3:35, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 3:38 Standplaatsenbeleid

Het college heeft beleid vastgesteld “Standplaatsen land van Cuijk”. In het beleid zijn definities en nadere regels gesteld ten aanzien van aanvraag en gebruik.

 

AFDELING 8 | Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 3:39 Crossterreinen (voorheen artikel 5:32 APV)

  • 1.

    Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op door het college of in het omgevingsplan aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    • a.

      Het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      De bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    • c.

      De veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 3:40 Beperking verkeer in natuurgebieden (voorheen artikel 5:33 APV)

  • 1.

    Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op door het college of in het omgevingsplan aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    • a.

      Het voorkomen van overlast;

    • b.

      De bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    • c.

      De veiligheid van het publiek.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:

    • a.

      Ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      Die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • c.

      Die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      Van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • e.

      Voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4.

    Het verbod is voorts niet van toepassing:

    • a.

      Op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

    • b.

      Binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening stiltegebieden aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.

  • 5.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

 

AFDELING 9 Hemelwater

Artikel 3:41  

(Gereserveerd)

Artikel 3:42  

(Gereserveerd)

Artikel 3:43  

(Gereserveerd)

Artikel 3:44  

(Gereserveerd)

 

AFDELING 10 Dieren

Artikel 3:45 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren (voorheen artikel 2:60 APV)

  • 1.

    Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, buiten een inrichting, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    • a.

      aanwezig te hebben;

    • b.

      aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

    • c.

      aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit die aanwijzing is aangegeven.

  • 2.

    Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak, gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van één of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.

 

AFDELING 11 Kabels en Leidingen

Artikel 3:46 Handboek kabels en leidingen

Het college heeft een Handboek kabels en leidingen vastgesteld, waarin definities en nadere regels zijn opgenomen.

 

AFDELING 12 Rioleringen

Artikel 3:47 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen (voorheen artikel 4:9 APV)

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 3:48 water- en rioleringsprogramma 2024-2026

De gemeenteraad heeft een rioleringsprogramma vastgesteld, waarin definities en nadere regels zijn opgenomen.

 

AFDELING 13 Asverstrooiing

Artikel 3:49 Definitie (voorheen artikel 5:35 APV)

In deze afdeling wordt onder incidentele asverstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 3:50 Verboden plaatsen asverstrooiing (voorheen artikel 5:36 APV)

  • 1.

    Incidentele asverstrooiing is verboden op:

    • a.

      verharde delen van de weg;

    • b.

      gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

  • 2.

    Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

  • 3.

    Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a.

  • 4.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 3:51 Hinder of overlast (voorheen artikel 5:37 APV)

Incidentele asverstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

 

AFDELING 14 Traditioneel schieten (APV)

Artikel 3:52 Begripsbepaling (voorheen artikel 4:5a APV)

In dit artikel wordt verstaan onder:

  • a.

    Traditioneel schieten: traditioneel schieten als bedoeld in Omgevingsplan gemeente Land van Cuijk.

  • b.

    Inrichting: inrichtingen waarin het traditioneel schieten wordt beoefend;

  • c.

    Kogelvanger: een opvangvoorziening voor de kogels, zoals bedoeld in de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.

Artikel 3:53 Kogelvangers (voorheen artikel 4:5b APV)

  • 1.

    Een kogelvanger moet voorzien zijn van een geluiddempende voorziening.

  • 2.

    De in eerste lid vermelde kogelvanger moet zodanig zijn uitgevoerd dat het bronniveau hiervan niet meer bedraagt dan 115 dB(A).

  • 3.

    Jaarlijks moet de houder van de inrichting een visuele inspectie uitvoeren naar de kwaliteit van de aangebrachte geluidsvoorziening van de in de inrichting aanwezige kogelvanger(s).

  • 4.

    Indien de aangebrachte geluiddempende voorziening niet meer van deugdelijk kwaliteit is, moet de voorziening direct gerepareerd of vervangen worden.

  • 5.

    Bevindingen van een inspectie of onderhoud aan een kogelvanger, alsmede acties genomen naar aanleiding van een inspectie, worden opgenomen in een logboek.

  • 6.

    Het in het vorige lid bedoeld logboek ligt ter inzage van degenen die belast zijn met het toezicht op de naleving van deze verordening.

Artikel 3:54 Tijden (voorheen artikel 4:5c APV)

Het schieten mag uitsluitend plaatsvinden tussen 07.00 uur en 23.00 uur.

Artikel 3:55 Aantal schoten en registratie (voorheen artikel 4:5d APV)

  • 1.

    Er mogen maximaal 120 schoten per uur worden gelost binnen de inrichting.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mogen tijdens een evenement maximaal 300 schoten per uur worden gelost binnen de inrichting.

  • 3.

    In een logboek moeten de volgende gegevens worden bijgehouden:

    • a.

      Naam van de schutter;

    • b.

      Het tijdstip van starten en eindigen van het schieten;

    • c.

      Het aantal kogels dat is afgevoerd door de schutter.

Artikel 3:56 Geluidsniveau (voorheen artikel 4:5e APV)

  • 1.

    Het geluidsniveau van een enkelvoudige knal (Lknal) mag bij een woning van derden en andere geluidsgevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 70 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur en 67,5 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur op een hoogte van 1,5 meter.

  • 2.

    Het meten en beoordelen van het geluidsniveau van een enkelvoudige knal (Lknal) moet plaatsvinden overeenkomstig de geldende Circulaire Schietlawaai.

  • 3.

    Geluidsoverdrachtsberekeningen moeten plaatsvinden overeenkomstig methode II.8 uit de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.

 

AFDELING 15 Venten

Artikel 3:57 Definitie (voorheen artikel 5:14 APV)

  • 1.

    In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  • 2.

    Onder venten wordt niet verstaan:

    • a.

      het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    • b.

      het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    • c.

      het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 3:35;

    • d.

      het te koop aanbieden, verkoop of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een evenement als bedoeld in artikel 2:25 APV Land van Cuijk.

Artikel 3:58 Ventverbod (voorheen artikel 5:15 APV)

  • 1.

    Het is verboden te venten op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen, dagen of uren.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  • 4.

    Het verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

    • b.

      het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

HOOFDSTUK 4 HANDHAVING, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 4:1 Sanctiebepaling

  • 1.

    Overtreding van het bij of krachtens de artikelen van deze verordening bepaalde of de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van tweede categorie.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3:15 en 3:16 als sprake is van een omgevingsvergunningsplichtige activiteit en [artikel 3:17, eerste lid.]

  • 3.

    In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

Artikel 4:2 Toezichthouders

  • 1.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten worden belast en personen die bij verordening zijn belast met het toezicht op de naleving van die verordening, een en ander voor zover het die feiten betreft en die personen zijn beëdigd.

  • 2.

    Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

  • 3.

    Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.

  • 4.

    Onverminderd het eerste, tweede en derde lid zijn belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften, de medewerkers van de Omgevingsdienst Brabant-Noord en de buitengewone opsporingsambtenaren in dienst van Staatsbosbeheer.

Artikel 4:3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 4:4 Overgangsbepaling

Besluiten genomen krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening Land van Cuijk 2024, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 4:5 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2026.

Artikel 4:6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening fysieke leefomgeving Land van Cuijk 2026’.

Aldus besloten door de raad van de gemeente Land van Cuijk in zijn openbare vergadering van 25 juni 2026.

De griffier,

Olof Mudde

De voorzitter,

Marieke Moorman

Bijlage 1: Kaart van de loswal Cuijk

 

Bijlage 2: Kaart van de loswal Grave

 

Naar boven