Gemeenteblad van Súdwest-Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Súdwest-Fryslân | Gemeenteblad 2026, 319689 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Súdwest-Fryslân | Gemeenteblad 2026, 319689 | beleidsregel |
Beleidsregels rechtmatigheid algemene bijstand gemeente Súdwest-Fryslân 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân;
gelet op titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht; de Participatiewet: artikelen 17, 18b, 31, tweede lid onderdeel s, 35, 36b, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, 44, vijfde lid, 48 derde lid, en 50, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers: artikelen 13, 15a eerste lid, en 16a vierde lid, paragraaf 5, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen: artikel 13 en paragraaf 5.
Beleidsregels rechtmatigheid algemene bijstand gemeente Súdwest-Fryslân 2026.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 4 Verplichtingen en sancties
Hoofdstuk 8 Vormen van bijstand
Hoofdstuk 10 Herziening, intrekking, terug- en invordering
Bijlage: Overzicht B-nummers in numerieke volgorde en corresponderende beleidsregel
Hoofdstuk 4 Verplichtingen en sancties
|
Een inwoner moet zich bij diverse uitzendbureaus inschrijven. Een exact aantal is niet voorgeschreven. De term ‘ingeschreven bij een uitzendbureau’ is achterhaald, en moet ruimer worden gelezen als zijnde: ‘reageert via uitzendbureaus op vacatures’. Aan een inwoner kan de verplichting worden opgelegd om via een uitzendbureau te reageren op vacatures. |
|
Beleidsregel 4.2 Betekenis ‘onverwijld uit eigen beweging’ in artikel 17 lid 1 Participatiewet: B031 |
|
Voor het doorgeven van wijzigingen, die gevolgen (kunnen) hebben voor het recht op uitkering of de hoogte daarvan, dienen inwoners gebruik te maken van het wijzigingsformulier. Dit formulier moet naar het team IBSD (Integraal Beheer Sociaal Domein) worden gestuurd binnen een week nadat zich de wijziging heeft voorgedaan. Het werken met een wijzigingsformulier veronderstelt dat inwoners uit eigen beweging wijzigingen doorgeven. Nu het wijzigingsformulier binnen een week na de wijziging moet worden opgestuurd, kan het begrip 'onverwijld' worden vertaald met 'binnen een week'. |
|
Beleidsregel 4.3 Inwoner beschikt niet meer over bewijsstukken: B032 |
|
Als de inwoner gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt, beoordelen we individueel of dit hem of haar te verwijten valt. Behalve als het tegendeel is gebleken, gaan we ervan uit dat de inwoner in beginsel over alle te vorderen bewijsstukken beschikt of kan beschikken door deze, op eigen initiatief en voor eigen rekening, op te vragen. Het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van tijdens een hersteltermijn/aanvultermijn gevraagde bewijsstukken leidt in beginsel dan ook tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag met in achtneming van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht of tot het intrekken van het recht op uitkering op grond van artikel 54 lid 1 juncto lid 4 Participatiewet. |
|
Beleidsregel 4.4 Periode over te leggen bankafschriften: B033 |
|
Bij het beoordelen van het recht op bijstand moet de gemeente inzicht krijgen in de financiële situatie van de aanvrager. Bankafschriften helpen om te controleren of iemand recht heeft op (bijzondere) bijstand.
Wanneer mag worden afgeweken van drie maanden? De standaardperiode van drie maanden kan worden verlengd als daar een goede reden voor is. Dit mag alleen als er concrete aanwijzingen zijn, bijvoorbeeld:
De gemeente moet dit duidelijk motiveren in het dossier: waarom is een langere periode nodig, en hoe ver wordt er teruggekeken? Een kortere of beperktere opvraag is ook mogelijk, bijvoorbeeld als het doel van het onderzoek ook met minder gegevens kan worden bereikt. Dat is in lijn met het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit. Privacy en bescherming van gegevens De aanvrager mag informatie op de bankafschriften die niet relevant is voor het onderzoek onleesbaar maken (weglakken). Voorbeelden van informatie die mag worden afgeschermd:
Wat altijd zichtbaar moet blijven:
Alleen bij gegronde vermoedens van fraude mag de gemeente om toelichting vragen op weggelakte gegevens. |
|
Beleidsregel 4.5 Procedure inleveren maandelijks ROF/inkomstenverklaring: B034 In de gemeente Súdwest-Fryslân wordt gewerkt met een wijzigingsformulier en een inkomstenformulier in plaats van met een ROF. Bij de eerste toekenning van een Participatiewet-, Ioaw-, of Ioaz-uitkering ontvangt de inwoner een wijzigingsformulier. Dit formulier moet gebruikt worden als veranderingen hebben plaatsgevonden die gevolgen kunnen hebben voor het recht op of de hoogte van de uitkering óf die van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling. Indien sprake is van een wijziging, zoals het verkrijgen van inkomsten (uit arbeid), moet het wijzigingsformulier binnen een week nadat de wijziging zich heeft voorgedaan worden ingeleverd samen met een inkomstenspecificatie en eventueel een arbeidsovereenkomst. Na inlevering wordt een nieuw wijzigingsformulier en een inkomstenformulier toegestuurd aan de inwoner. De inkomstenformulieren moeten vervolgens maandelijks worden ingeleverd met een inkomstenspecificatie/salarisstrookjes. Het doorgeven van inkomsten kan ook digitaal middels de door de gemeente digitaal beschikbaar gestelde formulieren. In het geval waarin de inwoner het inkomstenformulier niet (tijdig) inlevert komt de uitkering mogelijk niet tot uitbetaling. In de praktijk komt het vaak voor dat een wijziging eerst digitaal, telefonisch of tijdens een gesprek wordt doorgegeven. Ook in deze situaties, waarin de wijziging reeds telefonisch is doorgegeven, moet de inwoner de wijziging binnen één week schriftelijk (per mail of middels het contactformulier op de website) doorgeven. |
|
Als de uitkeringsgerechtigde vrijwilligerswerk wil gaan doen, ook indien dit binnen een re-integratietraject plaatsvindt, dient deze hiervan van te voren melding te doen middels het wijzigingsformulier. Een overeenkomst van het vrijwilligerswerk moet eveneens worden overgelegd. Bovendien moet toestemming worden gevraagd om het vrijwilligerswerk te verrichten. De uitkeringsgerechtigde krijgt hierover schriftelijk bericht. Ook wanneer een uitkeringsgerechtigde bij een andere organisatie vrijwilligerswerk gaat verrichten dient dit middels een wijzigingsformulier te worden gemeld en moet toestemming worden gevraagd. |
|
Beleidsregel 4.7 Duur aanvultermijn bij aanvraag op grond van artikel 4:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht: B037 |
|
De aanvultermijn krachtens artikel 4:5, lid 1, Awb bedraagt in beginsel 14 dagen gerekend vanaf de dag na het verzenden van het besluit. Indien inwoner redelijkerwijs meer of minder tijd nodig heeft kan deze termijn langer of korter worden vastgesteld. Als maximale aanvultermijn hanteren wij in beginsel 8 weken. |
|
Soms levert een inwoner niet op tijd of niet volledig de gevraagde informatie aan. De gemeente kan dan de uitkering tijdelijk opschorten. Dit betekent dat de uitbetaling (tijdelijk) wordt stopgezet totdat de inwoner de ontbrekende gegevens aanlevert. De gemeente moet hiervoor een hersteltermijn geven, zodat de inwoner de kans krijgt om dit alsnog te doen. De hersteltermijn is afhankelijk van de situatie, maar is in principe 14 dagen. De inwoner kan om verlenging vragen als er goede redenen zijn waarom het niet lukt binnen de gestelde tijd. Bijvoorbeeld omdat een bewijsstuk nog moet worden opgevraagd bij een andere instantie. Gevolgen als gegevens niet worden aangeleverd
|
|
Beleidsregel 4.9 Personen zonder (geldig) identiteitsbewijs: B040 |
|
De gemeente stelt de identiteit van de aanvrager vast aan op grond van artikel 17, lid 3, Participatiewet en de Wet op de identificatieplicht. Dit geldt zowel bij een eerste aanvraag voor algemene bijstand als bij latere contacten, zoals heronderzoeken of aanvragen bijzondere bijstand. De identiteit kan worden vastgesteld aan de hand van één van de volgende geldige documenten:
Hiermee kan de gemeente de identiteit zowel fysiek als digitaal vaststellen. Geen (geldig) identiteitsbewijs bij aanvraag Wanneer een aanvrager geen geldig identiteitsbewijs heeft:
Een verlopen identiteitsbewijs wordt in principe niet geaccepteerd. Zodra de identiteit eenmaal is vastgesteld, kan de gemeente bij latere contacten afzien van de eis dat het identiteitsbewijs nog geldig is, tenzij er reden is tot twijfel over de identiteit, nationaliteit of het verblijfsrecht. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente afwijken van de standaardprocedure. Als de aanvrager geen geld heeft om een identiteitsbewijs aan te schaffen, kan de gemeente:
Voor aanvragen van bijzondere bijstand gelden aanvullende regels:
Tijdens de uitkeringsperiode vraagt de gemeente alleen om een (geldig) identiteitsbewijs als:
Als iemand geen uitkering meer heeft, maar bij de gemeente bekend is van een eerdere aanvraag waarbij de identiteit correct is vastgesteld, hoeft geen nieuw identiteitsbewijs te worden overgelegd. Zo worden onnodige administratieve lasten en kosten voor inwoners voorkomen. Heraanvragen via de Garantieknop Bij heraanvragen via de Garantieknop (zoals bedoeld in B142) hoeft geen nieuw identiteitsbewijs te worden overgelegd, als de gemeente bij de vorige aanvraag de identiteit correct heeft vastgesteld en er geen reden is om te twijfelen aan de identiteit of het verblijfsrecht. |
Alle begrippen die in dit hoofdstuk gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Algemene wet bestuursrecht , de Participatiewet, de Ioaw en Ioaz en het Boetebesluit socialezekerheidswetten.
|
Beleidsregel 5.1 Waarschuwing in plaats van bestuurlijke boete: B166 |
|
|
Beleidsregel 5.2 Verwijtbaarheid en draagkracht bij boete: B137 |
Afstemming van de boete op de mate van verwijtbaarheid Het college stemt de hoogte van de boete af op de mate van verwijtbaarheid van de gedraging. Hierbij geldt het volgende:
Afstemming van de boete op de financiële omstandigheden
Afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete Het college kan afzien van een bestuurlijke boete in geval van:
|
|
Beleidsregel 6.1 Moment Vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating: B020 |
|
Het vermogen wordt in beginsel vastgesteld bij aanvang van de bijstandsverlening. Indien een inwoner een aanvraag indient terwijl een echtscheidingsprocedure of boedelscheiding nog niet is afgerond, kan het vermogen nog niet definitief worden vastgesteld. Voorlopige vermogensvaststelling Indien de omvang van het vermogen afhankelijk is van de uitkomst van de boedelscheiding, wordt het vermogen voorlopig vastgesteld op basis van de op dat moment beschikbare gegevens. Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre redelijkerwijs aannemelijk is dat inwoner kan beschikken over vermogen. Zodra de boedelscheiding is afgerond, wordt het vermogen definitief vastgesteld aan de hand van de feitelijke uitkomst. Gevolgen na definitieve vaststelling Indien uit de afwikkeling van de boedelscheiding blijkt dat inwoner over vermogen kan beschikken dat – samen met het reeds aanwezige vermogen – de toepasselijke vermogensgrens overschrijdt, wordt beoordeeld of en in hoeverre dit gevolgen heeft voor het recht op bijstand. Daarbij vindt herziening plaats overeenkomstig de Participatiewet. Indien dit leidt tot ten onrechte verleende bijstand, wordt beoordeeld of terugvordering aan de orde is, met inachtneming van de geldende wettelijke bepalingen en het evenredigheidsbeginsel. In de beschikking wordt opgenomen dat de vermogensvaststelling voorlopig is en dat na afronding van de boedelscheiding een definitieve beoordeling plaatsvindt. |
|
Beleidsregel 6.2 Vaststellen vermogen bij verhuizing vanuit andere gemeente: B021 |
|
Indien een inwoner verhuist naar onze gemeente en in de vorige gemeente bijstand ontving, eindigt het recht op bijstand in die gemeente. In onze gemeente wordt een nieuwe aanvraag ingediend en ontstaat een nieuwe bijstandsperiode. Het recht op bijstand wordt volledig opnieuw beoordeeld. Dit betekent dat ook het vermogen opnieuw wordt vastgesteld aan de hand van de op dat moment geldende vermogensgrens. Bij de nieuwe aanvraag wordt het actuele vermogen vastgesteld. Daarbij worden alle vermogensbestanddelen betrokken waarover inwoner op dat moment beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Vermogen dat tijdens de eerdere bijstandsperiode is opgebouwd, wordt bij de nieuwe aanvraag meegenomen in de vermogensvaststelling. De vermogensvrijlating geldt per bijstandsperiode. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (o.a. CRvB 26-03-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7378 en CRvB 19-01-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:182). Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de individuele omstandigheden van het geval. Indien toepassing van de vermogensregels in een concreet geval tot een onevenredig resultaat leidt, wordt beoordeeld of maatwerk aangewezen is, met inachtneming van de Participatiewet en het evenredigheidsbeginsel. |
|
Beleidsregel 6.3 Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm: B022 |
|
De Participatiewet bevat geen afzonderlijke regeling voor de wijze waarop het vermogen moet worden vastgesteld bij een wijziging in de leefvorm of gezinssamenstelling. Een wijziging van de leefvorm kan echter gevolgen hebben voor de toepasselijke norm en de daarbij behorende vermogensgrens. Daarom dient bij iedere relevante wijziging van de leefsituatie een heronderzoek plaats te vinden waarbij het vermogen opnieuw wordt vastgesteld. Uitgangspunt: actuele vermogensgrens Bij wijziging van de leefvorm wordt het vermogen beoordeeld aan de hand van de op dat moment geldende vermogensgrens. Daarbij wordt vastgesteld:
Eerder rechtmatig vrijgelaten vermogen Indien het vermogen bij een eerdere rechtmatige vaststelling binnen de toen geldende vermogensgrens viel, en uitsluitend door wijziging van de leefvorm boven de nieuwe vermogensgrens uitkomt, wordt beoordeeld of het redelijk en evenredig is om in deze situatie intering op dat vermogen te verlangen. Bij deze beoordeling worden onder meer betrokken:
Indien toepassing van de vermogenseis in het individuele geval onevenredig uitpakt, kan worden afgezien van intering op het eerder rechtmatig vrijgelaten vermogen. Dit betreft maatwerk. Wanneer het minderjarige kind van een alleenstaande ouder 18 jaar wordt, wijzigt de leefvorm. Het vermogen van het meerderjarige kind behoort vanaf dat moment niet langer tot het vermogen van de ouder. Indien door deze wijziging een lagere vermogensgrens voor de ouder gaat gelden, wordt beoordeeld of het vermogen van de ouder de nieuwe grens overschrijdt. Indien dat het geval is, wordt – met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel – beoordeeld of intering op het eerder vrijgelaten vermogen in redelijkheid kan worden verlangd. |
|
Beleidsregel 6.4 Beleid inzake korten voorlopige teruggave: B023 |
|
Ontvangen bedragen aan teruggave en voorlopige teruggave worden gekort, voor zover deze betrekking hebben op een periode waarin bijstand wordt verleend. Indien het aannemelijk is dat inwoner in aanmerking komt voor een voorlopige teruggave in verband met de heffingskorting maar deze niet ontvangt, dan wordt deze toch als inkomen in aanmerking genomen en gekort op de bijstand. Het is dan aan inwoner om dit alsnog aan te vragen via de belastingdienst (eigen verantwoordelijkheid). |
|
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
Vrijlating van giften en kostenbesparende bijdragen (categoriale vrijlating):
Onderzoek bij meldingen tot € 1.200:
Beoordeling bij overschrijding van € 1.200:
Giften die in beginsel verantwoord worden geacht (individuele beoordeling): Het college beschouwt de volgende giften in beginsel uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord en kan deze - ook boven de grens van € 1.200 - individueel vrijlaten:
|
|
Beleidsregel 6.6 Woonkosten worden door een ander voldaan: B026 |
|
Wanneer een derde deels (periodiek) voorziet in de algemene kosten van het bestaan, door bepaalde kosten rechtstreeks te betalen aan de crediteur en er geen mogelijkheid is om de bijstand te verlagen vanwege het ontbreken van woonlasten (artikel 27 Participatiewet), wordt ervoor gekozen de bijstand op grond van artikel 18, lid 1, Participatiewet te verlagen. Met de betalingen wordt namelijk volledig voorzien in bepaalde kosten die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Doordat inwoner deze kosten niet meer zelf hoeft te voldoen uit de bijstandsnorm, levert dit een substantiële besparing op. Er hoeft geen algemene bijstand te worden verleend in de specifieke kosten waarin door de anderen is voorzien. |
|
Beleidsregel 6.7 Waarde auto bij vermogensvaststelling: B027 |
|
Een auto wordt beschouwd als een algemeen gebruikelijk bezit als de waarde van de auto niet hoger dan € 4.500 is. De meerwaarde (en niet de volledige waarde) wordt meegenomen in de vermogensvaststelling. Het genoemde bedrag is gebaseerd op CRvB 04-11-2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3646. Wanneer iemand meer dan één gemotoriseerd voertuig heeft (auto, motor, brommer, scooter) dan valt dit niet meer aan te merken als algemeen gebruikelijk. Bij één gemotoriseerd voertuig moet dan het bedrag van € 4.500 in mindering worden gebracht op de waarde (dit mag bij het gemotoriseerd voertuig met de hoogste waarde). De overige gemotoriseerde voertuigen dienen volledig voor het vermogen te worden meegerekend. De waardebepaling van een auto vindt plaats via de ANWB koerslijst. Op basis van kenteken, actuele kilometerstand, uitvoering en extra opties. De inruilprijs bij een autobedrijf vormt de dagwaarde. Staat een auto niet opgenomen in de ANWB koerslijst dan dient op een andere objectieve wijze, bijvoorbeeld via een merkdealer, verzekeringsmaatschappij, internet of een onafhankelijke taxateur, een waardebepaling plaats te vinden. Dat geldt ook voor andere gemotoriseerde voertuigen. Wanneer de inwoner met aanvullende gegevens komt waaruit blijkt dat de waarde van de auto aanmerkelijk afwijkt van de waarde die de koerslijst aangeeft, kan niet zondermeer worden uitgegaan van de laatstgenoemde waarde. Deze aanvullende gegevens dienen wel voldoende overtuigend en aannemelijk te zijn. Hierbij kan gedacht worden aan een recente koopovereenkomst of een recent taxatierapport. (CRvB 31-07-2012, LJN BX3215) |
|
Beleidsregel 6.8 Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling: B028 |
|
In de Participatiewet is het strikt genomen niet mogelijk om reserveringen voor kosten van begrafenis of crematie buiten beschouwing te laten bij de vermogensvaststelling. Op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid wordt een reservering voor deze kosten toch buiten beschouwing gelaten bij de vermogensvaststelling. Redelijkerwijs over kunnen beschikken: Als een verzekering of reservering zodanig van vorm is dat gesteld kan worden dat inwoner hier redelijkerwijs niet over kan beschikken, dan kunnen dergelijke gelden niet als middel in aanmerking worden genomen. Dit doet zich met name voor bij uitvaartverzekeringen die in natura uitkeren. Vermogen bestemd voor reservering begrafenis- of crematiekosten geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing laten: Het is toegestaan een bedrag ten behoeve van reserveringen voor begrafenis- of crematiekosten geheel of gedeeltelijk als vermogensbestanddeel buiten beschouwing te laten. Dit onder de volgende voorwaarden:
|
|
Beleidsregel 6.9 Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating (gedoogtoepassing artikel 34a Participatiewet voor jongeren tot 27 jaar): B147 |
|
Met deze beleidsregel maakt de gemeente gebruik van de mogelijkheid om vooruitlopend op de inwerkingtreding van artikel 34a van de Participatiewet per 1 januari 2027, de nieuwe inkomensvrijlating in 2026 toe te passen voor jongeren tot 27 jaar. Deze vooruitlopende toepassing geldt uitsluitend in 2026 en uitsluitend voor jongeren tot 27 jaar, omdat dit voor deze doelgroep een begunstigend effect heeft. Voor bijstandsgerechtigden van 27 jaar en ouder blijven in 2026 de bestaande inkomensvrijlatingen op grond van artikel 31, lid 2, van de Participatiewet van toepassing. Voorwaarden voor toepassing van de inkomensvrijlating De vrijlating van inkomsten uit arbeid geldt als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Hoogte en berekening van de inkomensvrijlating
Duur van de inkomensvrijlating:
Samenloop met andere inkomsten:
Afstemming op grond van artikel 18 Participatiewet Indien toepassing van de inkomensvrijlating onvoldoende recht doet aan de individuele omstandigheden van de belanghebbende, kan het college de bijstand afstemmen op maat op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet. Jongere bereikt de leeftijd van 27 jaar: Indien de belanghebbende tijdens de toepassing van deze beleidsregel de leeftijd van 27 jaar bereikt, maakt het college een individuele afweging of:
Het uitgangspunt daarbij is dat de gekozen optie niet nadelig uitwerkt voor de belanghebbende. Bijstandsgerechtigden van 27 jaar en ouder: Voor bijstandsgerechtigden van 27 jaar en ouder blijven tot 1 januari 2027 de bestaande inkomensvrijlatingsregelingen op grond van artikel 31, tweede lid, van de Participatiewet en de daarbij behorende beleidsregels van toepassing.
|
|
Beleidsregel 7.1 Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten: B052 |
|
In artikel 27 van de Participatiewet is vastgelegd dat de gemeente de normen in artikelen 20 en 21 lager mag vaststellen als de inwoner lagere algemeen noodzakelijke kosten voor het bestaan heeft. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de inwoner geen woning heeft of bepaalde woonkosten niet (zelf) hoeft te betalen. Verlaging bij ontbreken woonkosten De verlaging als bedoeld in artikel 27 Participatiewet bedraagt 20% van de toepasselijke bijstandsnorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor de alleenstaande of gehuwde inwoner geen woonkosten verbonden zijn. Onder woonkosten wordt verstaan:
Energiekosten worden niet als woonkosten aangemerkt. Verlaging bij niet aanhouden woning De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de Participatiewet bedraagt 20% van de toepasselijke bijstandsnorm indien geen woning wordt aangehouden en niet of nauwelijks gebruik wordt gemaakt van een opvangvoorziening. De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de Participatiewet bedraagt 15% van de toepasselijke bijstandsnorm indien weliswaar geen woning wordt aangehouden, maar wel veelvuldig gebruik wordt gemaakt van een opvangvoorziening. |
|
Beleidsregel 7.2 Verlaging algemene bijstand schoolverlaters: B053 |
|
De verlaging als bedoeld in artikel 28 van de Participatiewet vindt geen toepassing. |
|
Beleidsregel 7.3 Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in inrichting: B057 |
|
Wordt een bijstandsgerechtigde opgenomen in een inrichting dan loopt de norm algemene bijstand door gedurende de maand van opname, plus een kalendermaand. De wijziging naar de norm zak en kleedgeld gaat in op de 1e dag na deze periode. Ook is het mogelijk dat een persoon een gedeelte van de week in een inrichting verblijft en een gedeelte van de week thuis (bijvoorbeeld gedurende het weekend). Verblijft iemand het grootste gedeelte van de week in de inrichting dan wordt over die dagen van de week de norm zak- kleedgeld verstrekt en over de dagen dat diegene thuis verblijft wordt de reguliere norm aan bijstand verstrekt. In ons voorbeeld 5/7 dagen in de inrichting volgens de norm zak- kleedgeld, en 2/7 volgens de reguliere norm, eventueel aangevuld met bijzondere bijstand voor vaste lasten. Verblijft iemand de meeste dagen van de week thuis, dan wordt de reguliere norm verstrekt en geen zak- en kleedgeld. |
|
Beleidsregel 7.4 Beleid inzake bijstandsverlening aan daklozen: B059 |
|
Verplicht briefadres (artikel 2.23 BRP) Sinds 1 januari 2022 is het college verplicht om een dak- of thuisloze zonder woonadres ambtshalve in te schrijven in de Basisregistratie Personen (BRP) met een briefadres. Indien de inwoner geen briefadres heeft, draagt het college hier zorg voor. Dit kan bijvoorbeeld het adres van het gemeentehuis zijn of een aangewezen instelling (zoals VNN, Kleine Palen 6 in Sneek). Hierdoor is er geen sprake meer van adresloosheid in juridische zin. Doorverwijzen naar een centrumgemeente (zoals de gemeente Leeuwarden) vanwege het ontbreken van een briefadres is niet langer toegestaan. Feitelijke verblijfplaats blijft bepalend De feitelijke verblijfplaats blijft doorslaggevend voor het recht op bijstand. De inwoner moet aannemelijk maken dat hij/zij feitelijk verblijft in de gemeente Súdwest-Fryslân. De inwoner is verplicht wijzigingen in de verblijfsplaats door te geven. Indien mogelijk wordt de inwoner ingeschreven met een (brief) adres binnen de gemeente. Wij hebben hierover afspraken gemaakt met VNN, Kleine Palen 6 in Sneek. Zie hiervoor het Aanwijzingsbesluit briefadresgever Stichting Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) en werkinstructie Dak- en thuislozen (Kleine Palen 6 Sneek). Meer informatie over het briefadres (redenen, voorwaarden, aangifte, weigeringsgronden, termijnen en de controle) is ook te vinden in de Regeling briefadres Súdwest-Fryslân. De hoogte van de bijstand wordt in eerste instantie bepaald door de leeftijd van inwoner. Daarnaast komen dak- en thuislozen in aanmerking voor een verlaging wegens het ontbreken van woonlasten. Afhankelijk van de specifieke leefsituatie van de dak- en thuisloze is dit een verlaging van 15% of 20% van de gehuwdennorm. Zie richtlijn ‘Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten’. De post wordt niet meer (tijdig) opgehaald Het komt voor dat de post niet meer (tijdig) wordt opgehaald bij het ter beschikking gestelde briefadres. Daaraan kleeft de consequentie dat de inwoner niet langer gebruik kan/mag maken van het hem ter beschikking gestelde briefadres en wordt uitgeschreven van dit adres in BRP. In deze situatie is de inwoner niet meer bereikbaar voor het vaststellen van het recht op uitkering. Die persoon wordt schriftelijk verzocht aan te geven waar hij verblijft en zich in te laten schrijven op het adres van verblijf. Wordt hier niet aan voldaan, dan volgt een hersteltermijn. Zie artikel 40 Participatiewet. Inwoner verschijnt niet op afspraak Daarnaast komt het voor dat de inwoner niet komt opdagen voor een afspraak of nalaat te voldoen aan een verzoek om bewijsstukken te verstrekken. In dergelijke gevallen kan de gebruikelijke procedure van artikel 54, eerste, tweede en vierde lid Participatiewet worden doorlopen. |
|
Per 1 januari 2015 is het verschil tussen het normbedrag van een alleenstaande en een alleenstaande ouder vervallen: beide ontvangen hetzelfde normbedrag. Het verschil in het normbedrag bestond uit de toeslag voor alleenstaande ouders, die per 1 januari 2015 is komen te vervallen. Sinds deze datum is een alleenstaande ouder-kop (ALO-kop) ingevoerd in het kindgebonden budget. De ouder die geen echtgenoot heeft, heeft recht op de ALO-kop. Een kleine groep alleenstaande ouders heeft geen recht op de ALO-kop uit het kindgebonden budget, omdat zij volgens de Belastingdienst een toeslagpartner hebben. Dit is bijvoorbeeld het geval in de situaties waarin de toeslagpartner langdurig in het buitenland woont, in een inrichting of in detentie verblijft. Of als er iemand op het adres van de inwoner woont die als toeslagpartner wordt beschouwd. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om degene met een partner die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft niet in aanmerking te laten komen voor huur- of zorgtoeslag (artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen), vanwege het koppelingsbeginsel. Het is echter géén bewuste beslissing geweest om deze groep ook uit te sluiten van de ALO-kop. Artikel 15, lid 1, Participatiewet is dus geen afwijzingsgrond. Voor deze groep wordt de bijstand afgestemd (verhoogd) op grond van artikel 18, lid 1, Participatiewet, omdat het gaat om algemene kosten van levensonderhoud. De toepasselijke bijstandsnorm is niet toereikend om hierin te voorzien. Zij ontvangen een toeslag ter hoogte van de (ontbrekende) ALO-kop van € 3.240 op jaarbasis (over 2021), om te rekenen per maand. Zie ook: CRvB 6-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1600, CRvB 6-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1618, CRvB 4-9-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2841 en CRvB 9-4-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1380. Van co-ouderschap is sprake indien een kind, op grond van een tussen de niet-samenwonende ouders overeengekomen regeling, overwegend in gelijke mate wordt verzorgd en onderhouden door beide ouders, waarbij beide ouders ongeveer de helft van de tijd (50/50) het kind verzorgen en onderhouden. In het geval van co-ouderschap kunnen beide ouders het kindgebonden budget aanvragen. De ALO-kop, bestemd voor alleenstaande ouders zonder toeslagpartner, maakt onderdeel uit van dit kindgebonden budget en kan worden aangevraagd door de ouder die kinderbijslag heeft aangevraagd. De gemeente volgt de gedachtegang van Schulinck dat co-ouders de verdeling van het kindgebonden budget onderling afstemmen. Als we overgaan tot bijstandsverlening voor het gemis aan ALO-kop zouden beide ouders tezamen teveel ondersteund worden. Daarom wordt geen bijstand verstrekt voor gemis ALO-kop bij co-ouderschap. Afstemming op grond van artikel 18, lid 1, Participatiewet kan alleen nog plaatsvinden indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. |
|
Beleidsregel 7.6 Vaststelling vermogen bij co-ouderschap: B061 |
|
Co-ouderschap wordt aanwezig geacht indien de feitelijke verzorging van de kinderen deels door de ene en deels door de andere ouder wordt gedaan en als zodanig is vastgelegd. Logischerwijs zou de vermogensgrens voor een alleenstaande vermeerderd kunnen worden met x/7 maal het verschil tussen de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder - de vermogensgrens voor een alleenstaande, echter de vermogensgrens voor de co-ouder wordt vastgesteld op de vermogensgrens zoals deze voor een alleenstaande ouder geldt. Hiermee wordt voorkomen dat bij een wijziging van het aantal dagen co-ouderschap de vermogensgrens bijgesteld moet worden. |
|
Beleidsregel 7.7 Hoogte bijstand 18 t/m 20-jarigen niet in inrichting: B079 |
|
Jongerennorm Voor jongeren van 18, 19 of 20 jaar geldt een lagere bijstandsnorm (de jongerennorm). Deze norm is afgeleid van de vroegere kinderbijslagbedragen. De wet gaat ervan uit dat de meeste jongeren in deze leeftijd nog thuis wonen en dus weinig kosten hebben voor levensonderhoud. Wanneer een aanvulling mogelijk is Een jongere kan recht hebben op een aanvulling op de jongerennorm als hij of zij niet kan terugvallen op de ouders voor onderhoud. Dat kan in de volgende situaties:
De aanvulling wordt dan gegeven in de vorm van algemene bijstand (per 1 januari 2026) en niet meer als bijzondere bijstand. De aanvulling is vastgelegd in artikel 20, lid 3, Participatiewet. Het college verhoogt de jongerennorm als de jongere aan de voorwaarden voldoet. De totale bijstand (norm + aanvulling) mag:
Vult de gemeente aan met een hoger bedrag dan de aanvulling uit artikel 20, lid 3, van de Participatiewet? Dan is het belangrijk om dit bedrag goed te motiveren in de beschikking. Het college motiveert elke aanpassing in de beschikking. Ouders zijn onderhoudsplichtig tot het kind 21 jaar is. Dit geldt ook voor uitwonende jongeren. De gemeente onderzoekt bij een aanvraag of de jongere een beroep op de ouders kan doen. De ouder(s) moeten vooraf op de hoogte worden gesteld van de aanvraag om bijstand van hun kind en worden gewezen op de onderhoudsplicht. Als dit onderzoek ertoe leidt, dat de ouders aan hun onderhoudsplicht gaan voldoen, dan beperkt dit de (hoogte van de) bijstand. Mocht blijken dat de ouders geen draagkracht hebben, dan kan bijstand worden verleend zonder dat verhaal nodig is. Het onderzoek blijft beperkt tot wat nodig is om te beoordelen of:
Mocht blijken dat de ouders niet willen meewerken en/of dat de onderhoudsplicht in redelijkheid niet te gelde kan worden gemaakt (zwaar verstoorde relatie), dan kan aanvullende bijstand worden verleend. Besluitvorming over verhaal berust bij de medewerker invordering, verhaal en beëindigingen. Het doel is om de jongere niet onnodig te belasten met langdurig of ingrijpend onderzoek.
|
|
Beleidsregel 7.8 Verlaging algemene bijstand voor personen van 18, 19 of 20 jaar: B144 |
|
Personen van 18,19 of 20 jaar ontvangen de algemene bijstandsnorm op grond van artikel 20 Participatiewet. Bij de vaststelling van de norm van artikel 20 Participatiewet is al rekening gehouden met het feit dat een jongere van 18, 19 of 20 jaar lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft doordat hij meestal nog een beroep op zijn ouders kan doen. |
|
Commerciële relatie kostendelersnorm Uit de wetsgeschiedenis van artikel 22a Participatiewet is op te maken dat de wetgever volledig zakelijke/commerciële relaties voor de kostendelersnorm buiten toepassing heeft willen laten. In deze situatie worden de kosten namelijk niet op dezelfde wijze gedeeld als met woningdelers die geen onderlinge zakelijke relatie hebben. Van een zakelijke relatie is volgens de wetgever sprake indien de verhuurder een commerciële prijs vraagt voor de huur van de woning en de geleverde diensten en de huurder deze commerciële prijs betaalt. Volgens de wetgever is sprake van een commerciële prijs indien de prijs in verhouding staat met de geleverde prestaties en deze prijs in het commerciële verkeer gebruikelijk is, wat tevens een periodieke aanpassing van de prijs veronderstelt (zie CRvB 17-01-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:243 en CRvB 22-08-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3120). Voor het vaststellen van een commerciële relatie zijn de volgende zaken van belang:
Voor het vaststellen van een commerciële relatie dient de inwoner een schriftelijke huurovereenkomst te overleggen. De huurovereenkomst moet tenminste de volgende elementen bevatten:
Er moet sprake zijn van een individueel contract waarbij de huurder één huurprijs betaalt en die prijs dus niet deelt met andere bewoners. Om aan te kunnen nemen dat sprake is van een commerciële huurprijs zal in ieder geval sprake moeten zijn van een voor de betreffende woonruimte in het economisch verkeer gebruikelijke huurprijs, die in verhouding staat tot de geleverde diensten en die periodiek wordt aangepast. Voor de vaststelling van een commerciële huurprijs hanteert de gemeente Súdwest-Fryslân het systeem waarmee de normhuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag wordt vastgesteld. Er is sprake van een commerciële huurprijs indien de kale huur minimaal het bedrag genoemd in artikel 17, lid 2, van de Wet op de huurtoeslag bedraagt. De commerciële prijs van kostgangerschap is vastgesteld op de normhuur plus € 200. Let op: genoemde bedragen wijken af van de bedragen genoemd onder 7. in de Uitvoeringsregels verlagingen en toepassing kostendelersnorm Participatiewet 2015 (p.11 Uitvoeringsregels Participatiewet). Ontwikkelingen in de jurisprudentie zijn aanleiding voor het wijzigen van deze bedragen en de overweging in de alinea hieronder. NB: er kan ook sprake zijn van een commerciële huurprijs als de kale huur minder dan het bedrag zoals genoemd in artikel 17, lid 2, van de Wet op de huurtoeslag bedraagt. In dat geval kan nader onderzoek naar de feitelijke situatie nodig zijn om vast te stellen of sprake is van een commerciële huurprijs. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van de huurprijscheck van de huurcommissie. Indien noodzakelijk kan daarnaast handhaving worden verzocht om de woonsituatie ter plekke te bekijken. Inwoner moet betalingsbewijzen van de huur kunnen overleggen. Als slechts een bijdrage in de kosten of een tegenprestatie voor het medebewonen wordt geleverd, zoals boodschappen doen of schoonmaken, is geen sprake van een commerciële prijs, en is de kostendelersnorm van toepassing. Vaststellen feitelijke situatie Naast de aanwezigheid van een schriftelijke huurovereenkomst en een commerciële huurprijs, dient bij onderhuurders en kostgangers sprake te zijn van een zuiver zakelijke relatie. Deze relatie reikt in het algemeen niet verder dan de betaling van de huur of het kostgeld en het onderhoud van de gehuurde kamer of de levering van de overeengekomen diensten, zoals de maaltijden of de bewassing. Indien daarvoor aanleiding is, zal er een onderzoek plaatsvinden naar de feitelijke omstandigheden van de betrokkenen. Als uit dit onderzoek blijkt dat sprake is van een mate van financiële verstrengeling die verder reikt dan de betaling van de huur of het kostgeld en/of een wederzijdse verzorging die niet beperkt blijft tot het onderhoud van de gehuurde kamer of de levering van de overeengekomen diensten, zoals de maaltijden of de bewassing, moet worden geconcludeerd dat geen sprake is van een zakelijke relatie tussen betrokkenen. |
|
Voedingsgeld dat door een instelling wordt verstrekt ter vervanging van voeding in natura wordt niet aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 31 van de Participatiewet. De instelling hoort voeding te leveren binnen de inrichtingsnorm. Als de instelling in plaats daarvan een geldbedrag geeft, is dit feitelijk geen extra inkomen, maar een andere vorm van verstrekking, zie ook (Rechtbank Oost-Brabant 25-2-2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:626). |
Hoofdstuk 8 Vormen van bijstand
|
Beleidsregel 8.1 Gevallen waarin bij leenbijstand zekerheden als pand of hypotheek worden verlangd: B108 |
|
Indien voor inwoner, bedoeld in artikel 50, lid 1, Participatiewet, recht op bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek of pandrecht:
Bij verlening van bijstand onder verband van hypotheek of pandrecht dient aan de inwoner telkens de verplichting te worden opgelegd dat hij meewerkt aan de vestiging van hypotheek of pandrecht. Hiertoe dient inwoner een bereidverklaring te ondertekenen. Het niet verlenen van de medewerking heeft tot gevolg dat de in de vorm van een geldlening verleende bijstand wordt teruggevorderd en/of verlaging plaatsvindt op grond van artikel 18 Participatiewet en de Afstemmingsverordening Participatiewet c.a. gemeente Súdwest-Fryslân 2018. De geldlening is ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34 Participatiewet. De waarde van de woning mag worden gerelateerd aan de waarde zoals laatstelijk door de gemeente vastgesteld in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) indien deze taxatie van recente datum is. De kosten verbonden aan de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, het opmaken van de akte van pandrecht, inschrijving van het pandrecht in de registers van de Inspectie der Registratie en Successie van de Belastingdienst, evenals de bijkomende kosten komen ten laste van de inwoner. De eventuele bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als bijzondere bijstand. Opname voorwaarden in hypotheekakte Aan de geldlening worden in elk geval de hieronder genoemde voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden worden samen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte of pandovereenkomst. Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogte tien jaar. De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld. Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 Participatiewet, dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in artikel 19 en 45 Participatiewet, wordt geen aflossing gevergd. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast. Bij de beoordeling van die omstandigheden wordt rekening gehouden met de noodzakelijke, voor eigen rekening van inwoner, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen. Indien door toepassing van het voorgaande na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, kan het college besluiten:
De rente is de wettelijke rente, verminderd met drie procent. Indien inwoner naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, maar niet kan aflossen, wordt een betaling eerst ten hoogte van het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente, die daardoor niet wordt betaald, bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. Indien inwoner naar het oordeel van het college geen rente kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd. Bij verkoop of vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de bijgeschreven rente, terstond afgelost. Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van inwoner dan wel wegens werkaanvaarding elders door inwoner, na toepassing van het voorgaande, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat inwoner het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het hierna bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning. Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering, komt – voor zover de opbrengst daartoe toereikend is – aan inwoner in ieder geval het bedrag toe dat op grond van artikel 34, lid 2 en 3, Participatiewet bij de vaststelling van de geldlening op de waarde van de woning in mindering is gebracht. Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden. Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandsverlening onder verband van hypotheek opnieuw recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek. |
|
De looptijd van de geldlening is in beginsel 36 maanden. In de situatie dat men heeft nagelaten geheel of gedeeltelijk te reserveren of een andere, niet-noodzakelijke lening heeft afgesloten, kan, afhankelijk van de mate van het betoond besef van verantwoordelijkheid, de aflossingstermijn op maximaal 48 maanden worden gesteld. Na drie of in laatstgenoemd geval vier jaar regelmatige en volledige aflossing wordt het restant van de lening buiten invordering gesteld. Hierbij geldt dat achterstallige termijnen eerst moeten worden afgelost, voordat tot buiteninvorderingstelling wordt overgegaan. |
|
Aflossing (artikel 51, lid 2, Participatiewet) De hoogte van de aflossingsbedragen wordt voor personen met een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm (ongeacht de samenstelling van dit inkomen) vastgesteld op ten minste 5% van de som van de van toepassing zijnde theoretische bijstandsnorm (dit is de norm plus de toegekende gemeentelijke toeslag, inclusief de vakantietoeslag). De totaal door de inwoner te betalen bedragen worden zo vastgesteld dat hij ten minste blijft beschikken over de beslagvrije voet. Premies op grond van de beleidsregels Subsidieverlening 2004 worden niet als inkomen aangemerkt en tellen daarom niet mee. De aflossingsbedragen worden hoger vastgesteld wanneer een inkomen boven de norm wordt genoten. Van het deel van het inkomen dat boven de toepasselijke bijstandsnorm ligt, wordt 25% in aanmerking genomen. De aflossingsbedragen en/of de duur van de aflossing kunnen worden gewijzigd bij veranderingen in de omstandigheden of mogelijkheden van inwoner. Aflossing van geldlening wegens vastliggend of niet-direct opeisbaar vermogen Indien de bijstand is verstrekt in de vorm van een geldlening wegens vastliggend of niet direct opeisbaar vermogen, gelden bijzondere aflossingsbepalingen. Uitgangspunt is dan namelijk dat aflossing ineens plaatsvindt op het moment dat het vermogen te gelde gemaakt kan worden. Aflossing van geldlening wegens tekortschietend besef (artikel 48, lid 2, sub b, Participatiewet) Indien de bijstand wegens een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening gedurende bepaalde tijd wordt verstrekt als een geldlening, hoeft geen leenakte/schuldbekentenis te worden ondertekend. In de beschikking dienen te worden vermeld de feiten omtrent het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en de vastgestelde afstemmingsmaatregel. Tevens dient te worden vermeld dat de bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend. De aflossing gaat in op het moment dat de bijstandsverlening eindigt. De lening dient in principe in één keer te worden afgelost. Indien dit niet mogelijk is, vindt aflossing plaats op grond van een naar draagkracht vastgesteld maandbedrag. |
|
Beleidsregel 8.4 Matiging en opschorting aflossing leenbijstand: B111 |
|
In Looptijd leenbijstand (B109), Hoogte aflossing leenbijstand (B110) en Aanpassing aflossing leenbijstand (B112) zijn de looptijd van de leenbijstand en de hoogte van de aflossing beschreven. In B108 is aandacht besteed aan de leenbijstand waarvoor zekerheden (pand of hypotheek) zijn gesteld. Bijzondere, individuele omstandigheden kunnen leiden tot meer op de persoonlijke situatie afgestemde aflossingsbedragen. Hierbij zal de beslagvrije voet gerespecteerd worden. In principe geldt dus dat de betrokkene tenminste over 95% van de toepasselijke norm, inclusief vakantiegeld, moet kunnen beschikken. |
|
De hoogte van de aflossing wordt gewijzigd als een wijziging in de situatie van de inwoner leidt tot een hogere of lagere aflossingscapaciteit. |
|
Over de geldlening wordt geen rente berekend. Alleen bij een lening op grond van artikel 50, lid 2, Participatiewet is berekening van rente mogelijk. |
|
Beleidsregel 8.7 Gevallen waarin bijstand in natura wordt verstrekt: B114 |
|
Artikel 57 Participatiewet luidt: Indien en zolang er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de inwoner zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen, kan het college:
Hierbij moet vooral gedacht worden aan situaties waarin de inwoner dreigt af te glijden in de maatschappij door psychosociale problemen, verslaving of dakloosheid. De bevoegdheid om bijstand in natura te verstrekken geldt voor zowel algemene als bijzondere bijstand. |
|
Beleidsregel 8.8 Verkoop of vererving van woning ingeval van leenbijstand: B140 |
|
Verkoop of vererving van de woning Bij verkoop of (na overlijden van betrokkene) vererving van de woning en indien het een echtpaar betreft bij vererving van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening en de eventueel bijgeschreven rente terstond afgelost. Bij verkoop van de woning zal meestal de financiële afwikkeling pas plaatsvinden bij de overdracht van de woning. In dat geval zal vanaf het moment dat de inwoner over de opbrengst kan beschikken de resterende lening en eventuele rente in één keer moeten worden terugbetaald. Wegens individuele bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van inwoner kan bij verkoop van de woning worden besloten tot het verlenen van een nieuwe krediethypotheek voor de aankoop van een andere woning. De nieuwe krediethypotheek bedraagt ten hoogste het bedrag van het krediet, dat door verkoop van de oude woning werd afgelost. Een voorwaarde is dat inwoner het na aflossing vrijgekomen vermogen volledig gebruikt voor de aankoop van de andere woning. |
|
Beleidsregel 8.9 Herleving geldlening in verband met eigen woning na onderbreking bijstand: B141 |
|
Wanneer binnen twee jaar na beëindiging van de bijstand die is verleend in de vorm van een geldlening in verband met vermogen gebonden in de woning opnieuw recht op bijstand bestaat, hoeft het in de woning gebonden vermogen niet opnieuw vastgesteld te worden. De geldlening herleeft als het ware. Een reeds afgelost deel kan dan opnieuw als lening verstrekt worden. Duurt de onderbreking van de bijstand in de vorm van een geldlening langer dan twee jaar dan zal het in de woning gebonden vermogen opnieuw vastgesteld moeten worden. Daarbij moet worden uitgegaan van de waarde zoals vastgesteld in de meest recente OZB beschikking en mag niet worden uitgegaan van de waarde van de woning in verband met een vorige periode van bijstandsverlening in de vorm van een geldlening. |
|
De gereserveerde vakantietoeslag wordt in beginsel eenmaal per jaar uitbetaald in de maand mei. Bij beëindiging van de bijstand wordt de tot dat moment opgebouwde vakantietoeslag uitbetaald. Op verzoek van de inwoner, of in overleg met de inwoner, kan (een deel van) de vakantietoeslag eerder worden uitbetaald indien sprake is van noodzakelijke kosten. Indien sprake is van beslaglegging of verrekening met een openstaande vordering, kan worden afgeweken van uitbetaling in mei. In dat geval kan de vakantietoeslag maandelijks worden uitbetaald of betrokken worden bij de maandelijkse inkomensvaststelling, teneinde de beslagvrije voet correct toe te passen. Bij beëindiging van de bijstand kan de vakantietoeslag worden verrekend met een openstaande vordering, voor zover dit niet leidt tot overschrijding van de beslagvrije voet. Daarbij wordt beoordeeld of het inkomen in de periode waarin de vakantietoeslag is opgebouwd, al dan niet boven de beslagvrije voet uitkwam. Indien het inkomen beneden de beslagvrije voet bleef, of sprake was van wisselende inkomsten, wordt de vakantietoeslag slechts verrekend voor zover deze, tezamen met het inkomen in die periode, uitkomt boven de beslagvrije voet. |
|
Beleidsregel 9.2 Verstrekken voorschotten tijdens aanvraag: B116 |
|
Het college verstrekt aan een persoon die algemene bijstand heeft aangevraagd een voorschot op grond van artikel 52 van de Participatiewet. Het voorschot wordt zo spoedig mogelijk verstrekt na de aanvraag, en in ieder geval binnen vier weken na de aanvraagdatum. Het voorschot wordt vervolgens, indien het recht op bijstand nog niet is vastgesteld, telkens uiterlijk binnen vier werken opnieuw verstrekt. Het voorschot mag niet worden uitgesteld tot het einde van een periode van vier weken. Het voorschot heeft van rechtswege de vorm van een renteloze geldlening. Het opstellen van een afzonderlijke akte van geldlening is niet vereist. Na toekenning van de algemene bijstand wordt het voorschot verrekend met de nabetaling van de toegekende bijstand. Er wordt geen voorschot verstrekt als:
Voor aanvragen bijzondere bijstand bestaat geen verplichting tot het verstrekken van een voorschot. |
|
Beleidsregel 9.3 Hoogte en duur voorschotten tijdens aanvraag: B117 |
|
De hoogte van het voorschot bedraagt in beginsel 90% van de bijstandsnorm die, gelet op de beschikbare gegevens, het meest aannemelijk is. Zolang het recht op algemene bijstand nog niet is vastgesteld, wordt het voorschot telkens per periode van vier weken verstrekt. Geen voorschot tijdens zoekperiode Aan personen jonger dan 27 jaar die zich hebben gemeld voor een bijstandsaanvraag, wordt gedurende de wettelijke zoekperiode geen voorschot verstrekt. Uitzondering bij schrijnende situaties In afwijking van voorgaande kan in zeer schrijnende situaties, waarin sprake is van acute financiële nood, aan jongeren tijdens de zoekperiode toch een voorschot worden verstrekt. Dit voorschot wordt verleend op grond van artikel 52 van de Participatiewet, aangezien het recht op bijstand nog niet is vastgesteld. Indien bij de aanvraag reeds duidelijk is dat recht op bijstand bestaat, maar tevens dat een maatregel (afstemming) zal worden opgelegd wegens een verwijtbare gedraging, wordt hiermee rekening gehouden bij de vaststelling van de hoogte van het voorschot. Inkomsten die naar verwachting op de bijstandsuitkering in mindering worden gebracht, worden bij de vaststelling van het voorschot in aanmerking genomen. Indien sprake is van acute financiële nood (broodnood), kan in afwijking van het voorgaande gedurende de eerste vier weken een lager voorschot worden verstrekt. De hoogte daarvan wordt in overleg met de inwoner vastgesteld, met inachtneming van wat redelijk en noodzakelijk is. vastgesteld. Voorschotten op bijzondere bijstand worden gebaseerd op een zo nauwkeurig mogelijke raming van de noodzakelijke kosten. Verstrekking van dergelijke voorschotten vindt slechts bij uitzondering plaats. De hoogte van een voorschot bedraagt in ieder geval 90% van de bijstandsnorm die het meest waarschijnlijk is. |
|
Beleidsregel 9.4 Verrekening van bij aanvraag verstrekte voorschotten: B118 |
|
In principe worden voorschotten direct verrekend met de te verstrekken bijstand. Alleen in uitzonderlijke situaties kan worden bekeken of gespreide verrekening noodzakelijk is. Als hiervoor wordt gekozen moet een machtiging ondertekend worden. Ingeval geen recht op bijstand bestaat of wanneer het recht op bijstand lager is dan het verstrekte voorschot, kan het college het voorschot terugvorderen op grond van artikel 58, lid 2, onderdeel d Participatiewet respectievelijk artikel 58, lid 2, onderdeel e Participatiewet. |
|
Beleidsregel 9.5 Moment uitbetalen algemene bijstand exclusief vakantietoeslag: B139 |
|
De algemene bijstand exclusief vakantietoeslag wordt achteraf betaalbaar gesteld. Het betaalmoment van de algemene bijstand is zo gekozen dat de bijstand uiterlijk de laatste werkdag van elke maand is bijgeschreven mits het inkomstenformulier tijdig is ingeleverd. |
|
Beleidsregel 9.6 Bijstand in acute financiële noodsituaties (overbrugging): B159 |
|
Indien sprake is van een financiële noodsituatie en de aanvrager onvoldoende middelen heeft om de periode tot de eerstvolgende inkomensbetaling te overbruggen, kan bijzondere bijstand worden verstrekt om de noodzakelijke kosten van levensonderhoud te dekken. Dit geldt uitsluitend indien de aanvrager redelijkerwijs geen andere mogelijkheden heeft om in deze periode te voorzien (zoals een voorschot van werkgever, lening of beschikbare tegoeden), De bijstand wordt in beginsel om niet verstrekt. Indien de noodsituatie (mede) het gevolg is van verwijtbaar handelen of nalaten van de aanvrager, kan de bijstand als geldlening worden verstrekt. Bij ernstige verwijtbaarheid kan de aanvraag worden afgewezen, voor zover dit binnen de kaders van de Participatiewet mogelijk is. De hoogte van de te verstrekken bijstand wordt afgestemd op de noodzakelijke kosten van levensonderhoud gedurende de periode tot de eerstvolgende reguliere inkomensbetaling, met als richtsnoer de toepasselijke bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag voor die periode. Indien de periode korter is dan één maand, wordt niet automatisch naar rato gekort indien dit naar het oordeel van de gemeente leidt tot onvoldoende bestaanszekerheid in de daaropvolgende periode. Eventuele beschikbare middelen, zoals inkomsten of een positief banksaldo, worden op de bijstand in mindering gebracht. |
|
De gemeente kan op twee manieren in aanraking komen met beslag. Aan de ene kant kan namens een schuldeiser beslag worden gelegd op de uitkering die onze gemeente verstrekt. Aan de andere kant kunnen wij beslag leggen op het inkomen van iemand waarop wij een vordering hebben. Als een derde (vaak een deurwaarder) beslag legt op de uitkering die iemand van onze gemeente ontvangt, dan moet de gemeente volledig meewerken aan het beslag en mag de geldigheid en de omvang van het beslag niet worden beoordeeld. Dat geldt ook als de inwoner bezwaar maakt tegen de inhouding vanwege het beslag. Ook dan hoeven wij niet na te gaan of het beslag wel terecht is en of de beslagvrije voet juist is vastgesteld. Om dat te laten toetsen, moet een inwoner dat in een civiele procedure tegen de beslaglegging aankaarten. De bestuursrechter moet ook van de geldigheid en omvang van het beslag uitgaan. De bestuursrechter toetst wel of de inhouding binnen het kader van het beslag blijft (CRvB 21-12-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9009 en CRvB 19-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3667). De laatste uitspraak is interessant. Die betreft een inhouding in maart 2017. De beslagvrije voet is vastgesteld op € 1.263,58 en de inhouding van € 70,20 is volgens de rechter binnen de grenzen van het gelegde beslag gebleven. De norm in maart 2017 was € 1.403,98. Dit was € 1.333,78 aan bijstand en € 70,20 aan reservering vakantietoeslag. Het is duidelijk dat een maandelijkse afdracht van € 70,20 volgens de oude beslagregels (90%) correct is. Aan bijstand wordt dan iedere maand € 1.263,58 uitbetaald (€ 1.333,78 – € 1.263,58) en daarnaast wordt iedere maand € 70,20 aan vakantietoeslag gereserveerd. Eenmaal per jaar wordt dan de totale reservering aan de deurwaarder uitbetaald. Veel gemeenten hielden iedere maand € 140,40 in en betaalden dat door aan de deurwaarder, zodat in mei/juni de gereserveerde vakantietoeslag toch aan de inwoner kon worden uitbetaald. Die lijn werd in de praktijk geaccepteerd. Beslag op uitkering door ons verstrekt Na de vereenvoudiging van de beslagregels is bij het hebben van een bijstandsuitkering de beslagvrije voet gelijk aan de maandelijkse uitkering exclusief vakantietoeslag (5%). Dit betekent dat alleen de vakantietoeslag vatbaar is voor beslag. Maandelijkse reserveringen voor de vakantietoeslag moeten daarom van het inkomen worden afgetrokken voordat wordt vastgesteld wat het bedrag is dat die maand moet worden afgedragen aan de schuldeisers (zie Rechtbank Midden-Nederland 11-3-2020, Rechtbank Midden-Nederland 11-3-2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:931). Het college kan (in de rol van derde-beslagene) op twee manieren de afdracht aan de deurwaarder inrichten (zie TK 2016-2017, 34 628, nr. 3, p. 12):
Jaarlijkse betaling aan beslaglegger In de meeste gevallen wordt de vakantietoeslag van de bijstandsuitkering in juni uitbetaald (artikel 45, lid 1, Participatiewet). De beslagvrije voet bij een bijstandsuitkering is gelijk aan de maandelijkse uitkering exclusief vakantiegeld. Daarom komt, bij jaarlijkse uitkering van het vakantiegeld, alleen in de maand juni het inkomen boven de beslagvrije voet uit. In de maand juni wordt dan het volledige vakantiegeld doorbetaald aan de beslaglegger. Alle overige maanden vindt er geen betaling aan de beslaglegger plaats. Maandelijkse betaling aan beslaglegger De gemeente heeft ook de mogelijkheid om het vakantiegeld maandelijks uit te betalen. Als er beslag ligt, komt daarmee het inkomen iedere maand boven de beslagvrije voet uit. In dat geval wordt iedere maand het uitbetaalde vakantiegeld volledig doorbetaald aan de beslaglegger. Maandelijkse/jaarlijkse betaling aan beslaglegger: gevolgen voor inwoner Welke van de twee bovengenoemde manieren wordt gekozen, maakt voor het maandelijks inkomen wat inwoner ontvangt niet uit. Hij ontvangt maandelijks de beslagvrije voet, welke gelijk is aan de bijstandsuitkering exclusief vakantietoeslag. Toch heeft de keuze die gemaakt wordt wel gevolgen voor zowel de inwoner als zijn schuldeiser. Dit komt omdat de deurwaarder iedere maand dat hij een betaling ontvangt, kosten in rekening brengt. Wanneer wordt gekozen voor maandelijkse uitbetaling van het vakantiegeld, en daarmee voor maandelijkse betaling aan de beslaglegger, zijn de kosten dus twaalfmaal zo hoog als wanneer het vakantiegeld jaarlijks wordt uitbetaald. Beslag gelegd door ons wegens openstaande vordering Als de debiteur geen betalingsregeling wil treffen of als een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer wordt nagekomen, wordt overgegaan tot de mogelijkheden van (pseudo-)verrekening. Als dat niet (meer) mogelijk is, wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van:
Voor zover het college gebruik kan maken van de uitvaardiging van een dwangbevel wordt dat toegezonden per aangetekende post. Als moet worden overgegaan tot beslaglegging dan wordt de vordering slechts verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten als de invordering is overgedragen aan een deurwaarder. |
|
Slachtoffers kinderopvangtoeslagaffaire Zie voor kwijtschelding bestuurlijke vorderingen slachtoffers kinderopvangtoeslagaffaire de Beleidsregels Brede ondersteuning gedupeerden kinderopvangtoeslagaffaire.
Gebruik van de bevoegdheden tot verhaal op grond van de Participatiewet. De bevoegdheden hierboven gelden voor het college als algemene verplichtingen, behoudens de in deze beleidsregels beschreven uitzonderingen, behoudens dringende redenen en behoudens de situatie waarin terugvordering van respectievelijk de kosten van bijstand en de kosten van inkomensvoorziening dan wel het opleggen van een verhaalsverplichting in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering van bijstand en de inkomensvoorziening als bedoeld in artikel 58 en 59 Participatiewet, artikel 25 en 26 IOAW en artikel 25 en 26 IOAZ. Deze bevoegdheden gelden voor het college als algemene verplichtingen, behoudens de in de beleidsregels beschreven uitzonderingen, behoudens dringende redenen en behoudens de situatie waarin terugvordering van respectievelijk de kosten van bijstand en de kosten van inkomensvoorziening in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering
Het college besluit om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering indien:
Het vorenstaande is in beginsel niet van toepassing als:
Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering treedt niet in werking voordat tussen het college en/of schuldeisers en inwoner een schuldregeling overeenkomstig het eerste lid tot stand is gekomen. Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de inwoner gewijzigd indien:
Na voldoen aan de betalingsverplichting Het college besluit ook om af te zien van verdere terugvordering indien de inwoner:
In beginsel wordt een dergelijk besluit ambtshalve genomen, tenzij:
Afzien van verdere terugvordering bij vorderingen wegens schending van de inlichtingenplicht Het college besluit om in deze gevallen af te zien van verdere terugvordering als:
Er wordt in deze gevallen niet afgezien van verdere terugvordering als:
In de terugvorderingsbeschikking wordt in beginsel de gehele vordering, berekend naar de teveel/ten onrechte verstrekte uitkering, rekening houdend met de brutering, meegedeeld aan inwoner. De vaststelling van deze vordering geldt dan voor inwoner als de opgelegde betalingsverplichting. Inwoner kan volstaan met een netto betaling van de vordering wanneer:
De minnelijke betalingsregeling Een inwoner kan binnen de betalingstermijn van zes weken een gemotiveerd verzoek indienen om een betalingsregeling te treffen, onder overlegging van bewijsstukken. Binnen acht weken na ontvangst van een verzoek stelt het college de maandelijkse aflossingscapaciteit vast. De aflossingscapaciteit geldt dan voor inwoner als de gedeeltelijke aflossingsverplichting. Dit besluit geldt tevens als besluit tot uitstel als bedoeld in artikel 4:94 Awb en wordt ingetrokken als inwoner de nader vastgestelde aflossing niet nakomt. In dat geval geldt weer dat inwoner de bruto vordering ineens moet voldoen. Het besluit tot intrekking van de minnelijke betalingsregeling wordt in beginsel ambtshalve genomen. Vaststelling hoogte aflossingscapaciteit bij uitkeringsgerechtigden Indien de inwoner een uitkering van de gemeente ontvangt bedraagt de aflossingsverplichting 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (Participatiewet) c.q. grondslag (IOAW/IOAZ) per maand inclusief vakantietoeslag. Aflossing bedraagt nooit meer dan het voor beslag vatbare deel van de uitkering. Als inwoner een betalingsvoorstel doet van € 25 per maand wordt daarmee ingestemd, mits de vordering dan binnen 36 maanden in zijn geheel zal zijn afgelost en de hoogte van dit bedrag niet in strijd is met de bepalingen betreffende de beslagvrije voet. Wijziging bij beslag op de uitkering Als door een schuldeiser beslag is gelegd op de uitkering van inwoner, dan wordt de hoogte van de aflossing bepaald op het volledig voor beslag vatbare deel van deze uitkering. Duur en hoogte aflossing bij uitstroom De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit wordt bij beëindiging of intrekking van de uitkering gedurende zes maanden, gerekend vanaf de datum beëindiging of intrekking, gesteld op het bedrag:
De termijn van zes maanden kan echter ambtshalve of op verzoek eenmalig worden verlengd met zes maanden indien deze verlenging noodzakelijk is voor en ter bevordering is van een duurzame uitstroom uit de uitkering. Als tijdens het nemen van een invorderingsbesluit een ander inkomen wordt ontvangen dan wordt de aflossing bepaald op 5% van de toepasselijke bijstandsnorm, vermeerderd met 25% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de uitkering met dien verstande, dat de beslagvrije voet hierbij in acht wordt genomen. Met een door de niet-uitkeringsgerechtigde ingediend afwijkend betalingsvoorstel wordt ingestemd als daarmee de vordering binnen een periode van 36 maanden in zijn geheel kan worden afgelost en waarbij het betalingsvoorstel van de debiteur ten minste € 25 per maand bedraagt en de beslagvrije voet in acht wordt genomen. Inwoner voldoet niet (meer) aan zijn aflossingsplicht Indien de inwoner niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt dan maakt het college gebruik van haar bevoegdheden tot verrekening als hierboven beschreven. Bij het ontbreken van deze mogelijkheden wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van:
Voor zover het college gebruik kan maken van de uitvaardiging van een dwangbevel wordt dat toegezonden per aangetekende post. |
|
Beleidsregel 10.3 Gevallen waarin wordt afgezien van verhaal: B126 |
|
Gebruikmaken van de bevoegdheid Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om bijstand te verhalen. Deze bevoegdheid geldt voor het college als een verplichting, behoudens de in de beleidsregels beschreven uitzonderingen, als dringende redenen hiertoe aanleiding zijn of als het gebruikmaken van de bevoegdheid in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hoogte van de verhaalsbijdrage bij gebrek aan informatie. Als de onderhoudsplichtige onvoldoende gegevens verstrekt, wordt ambtshalve een verhaalsbijdrage vastgesteld, zo mogelijk met gebruik van de ter beschikking staande gegevens. Deze verhaalsbijdrage is maximaal de aan c.q. mede ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde verstrekte bruto bijstand. Elke 36 maanden wordt een heronderzoek ingepland dan wel eerder bij gewijzigde omstandigheden. De verhaalsbijdrage wordt niet gewijzigd als na een heronderzoek het verschil met de nu betaalde verhaalsbijdrage niet groter is dan € 25 per maand. |
Onderstaande regelingen worden per ingangsdatum van deze beleidsregels vervangen door deze beleidsregels.
Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2026.
De naam van deze beleidsregels is: Beleidsregels rechtmatigheid algemene bijstand gemeente Súdwest-Fryslân 2026.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-319689.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.