Beleidsregels rechtmatigheid algemene bijstand gemeente Súdwest-Fryslân 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân;

 

gelet op titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht; de Participatiewet: artikelen 17, 18b, 31, tweede lid onderdeel s, 35, 36b, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, 44, vijfde lid, 48 derde lid, en 50, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers: artikelen 13, 15a eerste lid, en 16a vierde lid, paragraaf 5, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen: artikel 13 en paragraaf 5.

 

heeft overwogen dat:

  • het wenselijk is de beleidsregels over de algemene en bijzondere bijstand te actualiseren door:

    • -

      de wijzigingen voortvloeiend uit de Participatiewet in Balans daarin te verwerken;

    • -

      de beleidsregels op onderdelen inhoudelijk aan te passen;

    • -

      diverse redactionele en tekstuele verbeteringen door te voeren;

  • de beleidsregels daarmee weer actueel en in lijn met de geldende wet- en regelgeving zijn.

 

Besluit:

 

vast te stellen de

 

Beleidsregels rechtmatigheid algemene bijstand gemeente Súdwest-Fryslân 2026.

 

Inhoudsopgave

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Hoofdstuk 2 Aanvraag

  • 2.1

    Zoektermijn personen jonger dan 27 jaar: B164

  • 2.2

    Verkorte aanvraagprocedure na korte onderbreking bijstand (Garantieknop): B142

  • 2.3.

    erste termijn inleveren gegevens bij aanvraag: B002

  • 2.4

    Verlenen van bijstand met terugwerkende kracht op grond van individuele omstandigheden: B003

  • 2.5

    Afhandeling ingetrokken aanvragen: B004

  • 2.6

    Locatie(s) indienen aanvragen : B006

Hoofdstuk 3 Recht op bijstand

  • 3.1

    Bijstand en het vervullen van alternatieve straffen: B015

  • 3.2

    Meldingsplicht studie: B016

  • 3.3

    Meldingsplicht vakantie/verblijf buitenland: B017

  • 3.4

    Het kunnen volgen van onderwijs : B169

Hoofdstuk 4 Verplichtingen en sancties

  • 4.1

    nschrijving bij uitzendbureaus : B029

  • 4.2

    etekenis ‘onverwijld uit eigen beweging’ in artikel 17 Participatiewet: B031

  • 4.3

    Inwoner beschikt niet meer over bewijsstukken: B032

  • 4.4

    Periode over te leggen bankafschriften: B033

  • 4.5

    Procedure inleveren maandelijks ROF/inkomstenverklaring: B034

  • 4.6

    Meldingsplicht vrijwilligerswerk: B036

  • 4.7

    Duur aanvultermijn bij aanvraag op grond van artikel 4:5 lid 1 Awb: B037

  • 4.8

    Duur hersteltermijn tijdens bijstand: B038

  • 4.9

    Personen zonder (geldig) identiteitsbewijs : B040

Hoofdstuk 5 Boete

  • 5.1

    Waarschuwing in plaats van bestuurlijke boete: B166

  • 5.2

    Verwijtbaarheid en draagkracht bij boete: B167

  • 5.3

    Overgangsrecht : B171

Hoofdstuk 6 Middelen

  • 6.1

    Moment vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating: B020

  • 6.2

    Vaststellen vermogen bij overname inwoner uit een andere gemeente: B021

  • 6.3

    Vaststellen vermogen bij wijzigen leefvorm: B022

  • 6.4

    Beleid inzake korten voorlopige teruggave: B023

  • 6.5

    Vrijlating giften: B024

  • 6.6

    Woonkosten worden door een ander voldaan: B026

  • 6.7

    Waarde auto bij vermogensvaststelling: B027

  • 6.8

    Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling: B028

  • 6.9

    Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating : B147

Hoofdstuk 7 Algemene bijstand

  • 7.1

    Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten: B052

  • 7.2

    Verlaging algemene bijstand schoolverlaters: B053

  • 7.3

    Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in een inrichting : B057

  • 7.4

    Beleid inzake bijstandsverlening aan daklozen: B059

  • 7.5

    Beleid voor gemis aan ALO-kop: B060

  • 7.6

    Vaststelling vermogen bij co-ouderschap: B061

  • 7.7

    Hoogte bijstand 18 t/m 20-jarigen niet in inrichting: B079

  • 7.8

    Verlaging algemene bijstand voor personen van 18, 19 of 20 jaar: B144

  • 7.9

    Commerciële relatie kostendelersnorm: B176

  • 7.10

    Voedingsgeld in inrichting : B180

Hoofdstuk 8 Vormen van bijstand

  • 8.1

    Gevallen waarbij leenbijstand zekerheden als pand of hypotheek worden verlangd: B108

  • 8.2

    Looptijd leenbijstand: B109

  • 8.3

    Hoogte aflossing leenbijstand: B110

  • 8.4

    Matiging en opschorting leenbijstand: B111

  • 8.5

    Aanpassing aflossing leenbijstand: B112

  • 8.6

    Rente over leenbijstand: B113

  • 8.7

    Gevallen waarin bijstand in natura wordt verstrekt: B114

  • 8.8

    Verkoop of vererving van woning ingeval van leenbijstand: B140

  • 8.9

    Herleving geldlening in verband met eigen woning na onderbreking bijstand: B141

Hoofdstuk 9 Betaling bijstand

  • 9.1

    Moment uitbetalen vakantietoeslag: B115

  • 9.2

    Verstrekken voorschotten tijdens aanvraag: B116

  • 9.3

    Hoogte en duur voorschotten tijdens aanvraag: B117

  • 9.4

    Verrekening van bij aanvraag verstrekte voorschotten: B118

  • 9.5

    Moment uitbetalen algemene bijstand exclusief vakantietoeslag: B139

  • 9.6

    Overbruggingsuitkeringen : B159

Hoofdstuk 10 Herziening, intrekking, terug- en invordering

  • 10.1

    Beleidsregels inzake beslag : B120

  • 10.2

    Terugvordering : B122

  • 10.3

    Gevallen waarin wordt afgezien van verhaal : B126

Hoofdstuk 11 Slotbepaling en

  • 11.1

    Intrekking oude regels

  • 11.2

    Inwerkingtreding

  • 11.3

    Citeertitel

Bijlage: Overzicht B-nummers in numerieke volgorde en corresponderende beleidsregel

 

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen

 

 

In deze beleidsregels hebben begrippen die niet nader zijn omschreven dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Ioaw, de Ioaz en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    aanvraag: een verzoek om een besluit te nemen als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, Awb;

  • b.

    aanvrager: degene die een aanvraag indient;

  • c.

    belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (artikel 1:2 Awb);

  • d.

    bijstand: algemene of bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet;

  • e.

    bijstandsgerechtigde: degene aan wie bijstand is toegekend;

  • f.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân;

  • g.

    gezin: het gezin als bedoeld in artikel 4 van de Participatiewet;

  • h.

    gift: een geldelijke of niet-geldelijke verstrekking om niet, die niet voortvloeit uit arbeid of een wettelijke aanspraak;

  • i.

    inkomensvoorziening: een uitkering op grond van de Ioaw of Ioaz;

  • J.

    inwoner: degene die woonachtig is in de gemeente Súdwest-Fryslân;

  • k.

    Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • l.

    Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • m.

    kostenbesparende bijdrage: een bijdrage van een derde waardoor lagere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan ontstaan (artikel 18, achtste lid, Participatiewet);

  • n.

    kwetsbare omstandigheden: individuele omstandigheden waarbij strikte toepassing van wet- of regelgeving leidt tot een onevenredige uitkomst;

  • o.

    maatwerk: een op de individuele situatie afgestemde toepassing van wet- en regelgeving;

  • p.

    probleemschulden: schulden waarvan redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat deze binnen afzienbare tijd volledig kunnen worden afgelost;

  • q.

    schuldregeling: een regeling in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;

  • r.

    terugvordering: het geheel of gedeeltelijk terugvorderen van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand of inkomensvoorziening;

  • s.

    vermogen: de waarde van bezittingen waarover belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met schulden, voor zover niet wettelijk uitgezonderd;

  • t.

    Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • u.

    zoektermijn: de termijn van vier weken als bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Participatiewet.

     

Hoofdstuk 2 Aanvraag

 

 

Beleidsregel 2.1 Zoektermijn personen jonger dan 27 jaar: B164

Zoektermijn van 4 weken

Jongeren tot 27 jaar krijgen na hun melding een zoektermijn van 4 weken. In deze periode moeten zij actief zoeken naar werk of scholing en kunnen aantonen wat ze hebben gedaan. Na 4 weken beoordeelt de gemeente of de jongere genoeg heeft gedaan en of de aanvraag verder wordt behandeld.

 

Uitzonderingen op de zoektermijn

De gemeente kan de aanvraag direct behandelen als er sprake is van een uitzondering of kwetsbare situatie.

Er geldt geen zoektermijn voor jongeren die:

  • PRO- of VSO-onderwijs hebben gevolgd;

  • een medische beperking hebben;

  • onder de doelgroep loonkostensubsidie vallen;

  • nog WW ontvangen die binnen vier weken stopt;

  • bijna vrijkomen uit detentie;

  • statushouder of uitgenodigde vluchteling zijn;

  • al eerder bijstand hadden in een andere gemeente;

  • binnen 12 maanden opnieuw aanvragen na een eerdere zoektermijn.

Daarnaast kan de gemeente ook afzien van de zoektermijn als sprake is van kwetsbare omstandigheden.

 

Wat zijn kwetsbare omstandigheden?

De gemeente kan ook afzien van de zoektermijn als de jongere in een kwetsbare situatie zit, bijvoorbeeld bij:

  • verblijf in opvang of instelling (Wmo 2015);

  • verblijf in pleeggezin of gezinshuis;

  • een kinderbeschermingsmaatregel;

  • geen vaste woonplaats of briefadres;

  • dakloosheid, schulden, geen netwerk of geen startkwalificatie.

De gemeente beoordeelt per geval of de zoektermijn zinvol is. Als dit niet helpt bij het vinden van werk of scholing, wordt de aanvraag meteen behandeld.

 

Voorschot tijdens de zoekperiode

In zeer schrijnende situaties, zoals bij dreigende huisuitzetting, kan de gemeente tijdens de zoekperiode een voorschot op de bijstand geven. Dit gebeurt op grond van artikel 52 van de Participatiewet, omdat het recht op bijstand nog niet vaststaat.

 

Beleidsregel 2.2 Verkorte aanvraagprocedure na korte onderbreking bijstand (Garantieknop): B142

Inleiding

De gemeente Súdwest-Fryslân heeft in september 2025 de Garantieknop ingevoerd: een verkorte aanvraagprocedure voor inwoners die binnen 6 of 12 maanden na beëindiging van hun bijstandsuitkering opnieuw een aanvraag indienen. Doel van deze procedure is om de overgang tussen werk en uitkering sneller, eenvoudiger en minder onzeker te maken. De regeling sluit aan bij het landelijke programma Simpel Switchen in de Participatieketen. De heraanvraag volgt binnen 6 maanden (voor snelle beoordeling) of 12 maanden (met beperkte toetsing voorliggende voorzieningen).

 

Doelstelling:

  • Bevorderen van uitstroom (naar werk) door terugval minder risicovol te maken.

  • Versnellen van het heraanvraagproces bij terugkeer in de bijstand.

  • Versterken van vertrouwen in gemeentelijke dienstverlening.

  • Voorkomen van periodes zonder inkomen bij tijdelijke arbeidskansen.

     

Voorwaarden

Een inwoner komt in aanmerking voor de verkorte aanvraagprocedure als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • Heraanvraag binnen 6 maanden: versnelde beoordeling zonder aanvullende toetsing van voorliggende voorzieningen.

  • Heraanvraag binnen 12 maanden: beperkte beoordeling van gewijzigde omstandigheden en toetsing van voorliggende voorzieningen.

  • De persoonlijke situatie (zoals gezinssamenstelling, woonadres, inkomen en vermogen) is niet wezenlijk gewijzigd sinds de eerdere beëindiging van de uitkering. De inwoner verklaart dit in het aanvraagformulier.

  • De vorige beëindiging van de bijstandsuitkering vond plaats vanwege werk of een andere controleerbare reden.

  • De controle op gegevens vindt plaats via bestaande systemen zoals BRP, SUWI en Suite. Bij geen geconstateerde afwijkingen wordt uitgegaan van de verklaring van de inwoner.

  • Jongeren tot 27 jaar die eerder de vierweekse zoektermijn al hebben doorlopen, hoeven deze bij een heraanvraag via de Garantieknop niet opnieuw te doorlopen.

     

Procedure

  • De aanvraag wordt (digitaal) ingediend via een verkort formulier op de website van de gemeente.

  • De verkorte procedure kan alleen worden gevolgd als aan de gestelde voorwaarden is voldaan én de eerder bekende persoonsgegevens, leefvorm, vermogen en woonsituatie nog actueel zijn.

  • Indien deze gegevens actueel zijn, wordt de aanvraag binnen 5 werkdagen afgehandeld.

  • Blijkt tijdens de beoordeling dat de gegevens niet (meer) actueel zijn, dan wordt de aanvrager hierover tijdig geïnformeerd. In dat geval wordt de aanvraag overgezet naar de reguliere procedure.

  • Onderzoek naar verwijtbare werkloosheid is géén voorwaarde voor het starten van de verkorte aanvraagprocedure. Dit onderzoek vindt pas plaats ná de toekenning van de uitkering en wordt uitgevoerd binnen een redelijke termijn van maximaal 8 weken. Langer dan 8 weken wordt alleen als acceptabel gezien als er duidelijke redenen zijn (b.v. wachten op aanvullende informatie of medewerking van externe partijen). In eenvoudige gevallen wordt gestreefd naar afronding binnen 4 weken.

  • Indien tijdens het onderzoek naar verwijtbare werkloosheid blijkt dat er alsnog gronden zijn voor maatwerk of maatregelen, wordt dit zorgvuldig met de inwoner besproken.

     

Overwegingen

Het bestaande proces voor een reguliere aanvraag wordt door inwoners vaak als belastend ervaren. Door gebruik te maken van bestaande en actuele gegevens wordt onnodige herhaling van administratieve handelingen voorkomen. De Garantieknop verlaagt de drempel om (tijdelijk) werk te accepteren, doordat bij terugval juist meer zekerheid over het inkomen wordt geboden. Het hergebruik van gegevens sluit aan bij artikel 53a van de Participatiewet en artikel 30c van de Wet SUWI, en is in overeenstemming met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

 

Beleidsregel 2.3 Eerste termijn inleveren gegevens bij aanvraag: B002

Aanleveren van informatie

Bij een aanvraag voor algemene of bijzondere bijstand vraagt de gemeente de aanvrager schriftelijk of digitaal om de gegevens en bewijsstukken die nodig zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand. De aanvrager krijgt hiervoor een redelijke termijn van 14 dagen, gerekend vanaf de verzenddatum van het verzoek.

 

Hersteltermijn

Worden de gevraagde gegevens niet, niet volledig of niet tijdig aangeleverd, dan krijgt de aanvrager een hersteltermijn om de informatie alsnog te verstrekken.

Indien ook na afloop van de hersteltermijn de gevraagde gegevens ontbreken, kan het college besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

 

Aanvullende informatie tijdens het onderzoek

Blijkt tijdens de behandeling van de aanvraag dat aanvullende informatie nodig is, dan verzoekt de gemeente de aanvrager hier opnieuw om. Ook voor dit aanvullende verzoek geldt een redelijke termijn van 14 dagen.De aard van de gevraagde informatie kan aanleiding geven een kortere of langere termijn te hanteren. Dit wordt in het verzoek gemotiveerd.

 

Overwegingen

  • Op grond van artikel 53a, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt het college welke gegevens nodig zijn en binnen welke termijn deze moeten worden aangeleverd.

  • Artikel 4:5 Awb vereist dat de aanvrager altijd eerst een hersteltermijn krijgt voordat een aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld.

  • Door standaard een termijn van 14 dagen te hanteren, biedt de gemeente duidelijkheid en redelijkheid aan inwoners en houdt zij rekening met de praktijk van gegevensverzameling en postbezorging.

  • Deze werkwijze waarborgt een zorgvuldige en rechtszekere uitvoering.

 

Beleidsregel 2.4 Verlenen van bijstand met terugwerkende kracht op grond van individuele omstandigheden: B003

Het college is in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een inwoner zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet als:

  • er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat de inwoner zich niet eerder heeft gemeld. Dat kan het geval zijn in de volgende situaties:

    • de inwoner was niet in staat om bijstand aan te vragen;

    • de inwoner was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen;

    • een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;

    • een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen, omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt;

    • de inwoner had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;

    • de inwoner heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen.

  • er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de inwoner heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding. Dat kan het geval zijn in de volgende situaties:

    • de inwoner heeft probleemschulden of betalingsachterstanden;

    • na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van inwoner of is inwoner is failliet verklaard;

    • na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten).

Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de inwoner zich heeft gemeld.

Deze bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw.

 

Beleidsregel 2.5 Afhandeling ingetrokken aanvragen: B004

Intrekking van de aanvraag

Het staat inwoner vrij de aanvraag om een uitkering mondeling (telefonisch) of schriftelijk in te trekken. Een verzoek tot intrekking wordt door het bestuursorgaan schriftelijk bevestigd. Betreft het een mondeling verzoek tot intrekking, dan dient inwoner een beschikking te ontvangen waarmee het verzoek wordt bevestigd (met bezwaarclausule). Betreft het een schriftelijk verzoek, dan dient inwoner een brief te ontvangen waarmee het verzoek wordt bevestigd.

 

Beleidsregel 2.6 Locatie(s) indienen aanvragen: B006

Uitkeringen op grond van de Participatiewet kunnen worden aangevraagd door een digitaal formulier op de website van de gemeente in te vullen. Ook is het nog steeds mogelijk een papieren versie van het formulier in te leveren.

Hoofdstuk 3 Recht op bijstand

Beleidsregel 3.1 Bijstand en het vervullen van alternatieve straffen: B015

Het verrichten van onbetaalde arbeid als alternatieve straf heeft geen gevolgen voor de arbeidsplicht.

Toelichting:

Op grond van artikel 9, lid 1, Participatiewet is de bijstandsontvanger onder meer verplicht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. Indien daartoe een dringende reden is kan het college op grond van artikel 9, lid 2, Participatiewet inwoner tijdelijk ontheffen van deze verplichting. We vinden dat bij het verrichten van een alternatieve straf geen sprake is van een dringende reden.

Beleidsregel 3.2 Meldingsplicht studie: B016

Inwoners dienen op grond van artikel 17 Participatiewet onverwijld te melden wanneer zij een opleiding gaan doen. Het is van belang dat het college op de hoogte is van studieplannen van de inwoner. Een opleiding kan immers betekenen dat de inwoner een beroep kan doen op een voorliggende voorziening. Daarnaast kan een opleiding een belemmering zijn voor de inschakeling in de arbeid, of juist mogelijkheden bieden voor (toekomstige) re-integratie.

Beleidsregels 3.3 Meldingsplicht vakantie/verblijf in het buitenland: B017

Iedereen die jonger is dan de AOW-leeftijd mag maximaal 4 weken per kalenderjaar in het buitenland verblijven. Iedereen die ouder is dan de AOW-leeftijd mag maximaal 13 weken per kalenderjaar in het buitenland verblijven. Hierbij maakt het niet uit wat de reden is van het verblijf in het buitenland. Deze periode van 4 of 13 weken is ook de maximale periode dat iemand aaneengesloten in het buitenland mag verblijven. Het is dus niet toegestaan om over de jaarwisseling heen de vakantiedagen te combineren als daarbij de totale periode in het buitenland meer dan 4 of 13 weken is.

 

De inwoner moet vooraf melden wanneer en hoe lang hij naar het buitenland gaat. Ook verblijf buiten de eigen gemeente van minstens een week moet vooraf worden gemeld. De melding kan via het wijzigingsformulier. Verblijf in het buitenland van minder dan 4 of 13 weken per kalenderjaar en verblijf in Nederland, wordt geregistreerd. Er vindt dan verder geen actie plaats. Als de inwoner langer dan 4 of 13 weken in het buitenland is geweest, wordt bij betrokkene informatie opgevraagd om vast te kunnen stellen over welke periode geen recht op bijstand bestaat. Dat recht wordt dan ingetrokken over die periode.

 

Berekening van vakantiedagen: In de wet wordt gesproken over verblijf buiten Nederland, maar er staat niet op welke dag dit ingaat en op welke dag dit eindigt. Wij merken de dag van vertrek aan als de dag dat de betrokkene (nog) in Nederland verblijft en de dag van aankomst als de dag dat de betrokkene (nog) in het buitenland verblijft.

Beleidsregel 3.4 Het kunnen volgen van onderwijs: B169

Uit artikel 13, lid 2, onder c, Participatiewet volgt dat personen jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen geen recht hebben op algemene bijstand.

Om te beoordelen of deze uitsluitingsgrond van toepassing is kunnen de volgende vragen worden beantwoord, waarna het stappenplan kan worden gevolgd.

  • 1.

    Is de jongere redelijkerwijs in staat om onderwijs te volgen?

Om deze vraag te beantwoorden dient vastgesteld te worden of de jongere fysiek, geestelijk en mentaal in staat is tot het volgen van onderwijs. Indien dit niet het geval is, kan er recht op bijstand bestaan.

  • 2.

    Recht op studiefinanciering en de WSNP

Een jongere die is toegelaten tot een WSNP-traject zal mogelijk geen aanspraak hebben op studiefinanciering, omdat gedurende het WSNP-traject geen nieuwe schulden gemaakt mogen worden. Indien de jongere kan aantonen dat zijn bewindvoerder heeft geweigerd om toestemming te geven om studiefinanciering aan te vragen, kan niet redelijkerwijs van de jongere worden verwacht dat hij onderwijs volgt en kan recht op bijstand bestaan.

 

Let wel: kan de jongere wel een vorm van uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgen waarvoor geen recht op studiefinanciering bestaat (denk aan: BBL-opleiding of voortgezet onderwijs), dan mag dit van de jongere worden verwacht en bestaat geen recht op bijstand.

Rekening houdende met het bovenstaande kan met behulp van onderstaand stappenplan worden vastgesteld of de jongere recht heeft op bijstand.

 

Stappenplan

 

  • Nummer

    Situatie

    Gevolg

    1a

    De jongere heeft geen startkwalificatie (een diploma op HAVO-, VWO- of MBO2-niveau) waardoor in beginsel redelijkerwijs van hem kan worden gevergd dat hij verder studeert (mits hij de capaciteit hiervoor heeft).

    Ga naar stap 2a en 2b.

    1b

    De jongere heeft een diploma op HAVO-, VWO- of MBO2-niveau, maar zijn kansen op de arbeidsmarkt nemen door het volgen van een studie toe, waardoor het in beginsel redelijkerwijs van hem kan worden gevergd dat hij verder studeert (mits hij de capaciteit hiervoor heeft).

    Ga naar stap 2a en 2b.

    1c

    De jongere heeft een diploma op HAVO-, VWO- of MBO2-niveau, maar zijn kansen op de arbeidsmarkt nemen door het volgen van een studie niet toe, waardoor het in beginsel redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd dat hij verder studeert dan wel om een andere reden dit niet van hem kan worden gevergd.

    De jongere komt in beginsel in aanmerking voor algemene bijstand als aan de voorwaarden is voldaan.

    2a

    De jongere heeft aanspraak op studiefinanciering.

    De jongere is uitgesloten van algemene bijstand (artikel 13, lid 2 onderdeel c onder 1 Participatiewet).

    2b

    De jongere heeft geen aanspraak op studiefinanciering.

    Ga naar stap 3a en 3b.

    3a

    De jongere volgt het onderwijs.

    De jongere komt in beginsel in aanmerking voor algemene bijstand als aan de voorwaarden is voldaan. De jongere heeft geen recht op ondersteuning (artikel 7 lid 3 onderdeel a Participatiewet).

    3b

    De jongere volgt het onderwijs niet.

    De jongere is uitgesloten van algemene bijstand (artikel 13, lid 2 onderdeel c onder 2 Participatiewet).

 

Hoofdstuk 4 Verplichtingen en sancties

 

 

Beleidsregel 4.1 Inschrijving bij uitzendbureaus: B029

Een inwoner moet zich bij diverse uitzendbureaus inschrijven. Een exact aantal is niet voorgeschreven. De term ‘ingeschreven bij een uitzendbureau’ is achterhaald, en moet ruimer worden gelezen als zijnde: ‘reageert via uitzendbureaus op vacatures’. Aan een inwoner kan de verplichting worden opgelegd om via een uitzendbureau te reageren op vacatures.

Beleidsregel 4.2 Betekenis ‘onverwijld uit eigen beweging’ in artikel 17 lid 1 Participatiewet: B031

Voor het doorgeven van wijzigingen, die gevolgen (kunnen) hebben voor het recht op uitkering of de hoogte daarvan, dienen inwoners gebruik te maken van het wijzigingsformulier. Dit formulier moet naar het team IBSD (Integraal Beheer Sociaal Domein) worden gestuurd binnen een week nadat zich de wijziging heeft voorgedaan. Het werken met een wijzigingsformulier veronderstelt dat inwoners uit eigen beweging wijzigingen doorgeven. Nu het wijzigingsformulier binnen een week na de wijziging moet worden opgestuurd, kan het begrip 'onverwijld' worden vertaald met 'binnen een week'.

Beleidsregel 4.3 Inwoner beschikt niet meer over bewijsstukken: B032

Als de inwoner gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt, beoordelen we individueel of dit hem of haar te verwijten valt. Behalve als het tegendeel is gebleken, gaan we ervan uit dat de inwoner in beginsel over alle te vorderen bewijsstukken beschikt of kan beschikken door deze, op eigen initiatief en voor eigen rekening, op te vragen.

 

Het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van tijdens een hersteltermijn/aanvultermijn gevraagde bewijsstukken leidt in beginsel dan ook tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag met in achtneming van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht of tot het intrekken van het recht op uitkering op grond van artikel 54 lid 1 juncto lid 4 Participatiewet.

Beleidsregel 4.4 Periode over te leggen bankafschriften: B033

Uitgangspunt

Bij het beoordelen van het recht op bijstand moet de gemeente inzicht krijgen in de financiële situatie van de aanvrager. Bankafschriften helpen om te controleren of iemand recht heeft op (bijzondere) bijstand.

 

Juridisch kader

  • Volgens artikel 17 van de Participatiewet is een aanvrager verplicht om alle gegevens en bewijsstukken te geven die nodig zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand.

  • Het opvragen van bankafschriften moet proportioneel zijn: niet meer gegevens opvragen dan nodig is.

  • Het moet ook passen binnen het recht op privacy (artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens).

  • De gemeente vraagt standaard bankafschriften over de laatste drie maanden, tenzij er een duidelijke reden is om hiervan af te wijken.

  • Langer terugkijken mag alleen als daar concrete en objectieve aanwijzingen voor zijn, bijvoorbeeld twijfel over inkomsten of onduidelijkheid over hoe iemand in het verleden in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

  • Korter of beperkter vragen mag ook, als dat voldoende is voor het onderzoek.

     

Standaardperiode per aanvraag

  • Algemene bijstand: afschriften van alle bankrekeningen over de drie maanden vóór de aanvraagdatum. Doel is inzicht te krijgen in inkomsten, uitgaven en vermogen;

  • Ioaw/Ioaz: afschriften van alle bankrekeningen over de drie maanden vóór de aanvraagdatum;

  • Bijzondere bijstand: afschrift van het saldo op de peildatum of ingangsdatum en van spaarrekeningen het laatste overzicht. Doel is om te beoordelen of iemand de kosten zelf kan betalen;

  • Heronderzoeken: alleen recente gegevens die nodig zijn om het recht te controleren. Waar nodig vraagt de gemeente extra afschriften op;

  • Signaal- of themaonderzoek: de gemeente kan extra afschriften opvragen, maar alleen als dit nodig is binnen het onderzoek.

     

Wanneer mag worden afgeweken van drie maanden?

De standaardperiode van drie maanden kan worden verlengd als daar een goede reden voor is. Dit mag alleen als er concrete aanwijzingen zijn, bijvoorbeeld:

  • Onverklaarde stortingen of hoge saldi op rekeningen;

  • Eerdere bedrijfsactiviteiten zonder duidelijke inkomensgegevens;

  • Twijfel over hoe iemand in het verleden in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

De gemeente moet dit duidelijk motiveren in het dossier: waarom is een langere periode nodig, en hoe ver wordt er teruggekeken? Een kortere of beperktere opvraag is ook mogelijk, bijvoorbeeld als het doel van het onderzoek ook met minder gegevens kan worden bereikt. Dat is in lijn met het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit.

 

Privacy en bescherming van gegevens

De aanvrager mag informatie op de bankafschriften die niet relevant is voor het onderzoek onleesbaar maken (weglakken).

 

Voorbeelden van informatie die mag worden afgeschermd:

  • Aankopen of betalingen die niets te maken hebben met inkomen of vermogen.

     

Wat altijd zichtbaar moet blijven:

  • Het saldo van de rekening;

  • Bijschrijvingen (inkomsten);

  • Overboekingen die relevant kunnen zijn voor het recht op bijstand.

Alleen bij gegronde vermoedens van fraude mag de gemeente om toelichting vragen op weggelakte gegevens.

Beleidsregel 4.5 Procedure inleveren maandelijks ROF/inkomstenverklaring: B034

In de gemeente Súdwest-Fryslân wordt gewerkt met een wijzigingsformulier en een inkomstenformulier in plaats van met een ROF. Bij de eerste toekenning van een Participatiewet-, Ioaw-, of Ioaz-uitkering ontvangt de inwoner een wijzigingsformulier. Dit formulier moet gebruikt worden als veranderingen hebben plaatsgevonden die gevolgen kunnen hebben voor het recht op of de hoogte van de uitkering óf die van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling.

 

Indien sprake is van een wijziging, zoals het verkrijgen van inkomsten (uit arbeid), moet het wijzigingsformulier binnen een week nadat de wijziging zich heeft voorgedaan worden ingeleverd samen met een inkomstenspecificatie en eventueel een arbeidsovereenkomst.

 

Na inlevering wordt een nieuw wijzigingsformulier en een inkomstenformulier toegestuurd aan de inwoner. De inkomstenformulieren moeten vervolgens maandelijks worden ingeleverd met een inkomstenspecificatie/salarisstrookjes. Het doorgeven van inkomsten kan ook digitaal middels de door de gemeente digitaal beschikbaar gestelde formulieren. In het geval waarin de inwoner het inkomstenformulier niet (tijdig) inlevert komt de uitkering mogelijk niet tot uitbetaling.

 

In de praktijk komt het vaak voor dat een wijziging eerst digitaal, telefonisch of tijdens een gesprek wordt doorgegeven. Ook in deze situaties, waarin de wijziging reeds telefonisch is doorgegeven, moet de inwoner de wijziging binnen één week schriftelijk (per mail of middels het contactformulier op de website) doorgeven.

Beleidsregel 4.6 Meldingsplicht vrijwilligerswerk: B036

Als de uitkeringsgerechtigde vrijwilligerswerk wil gaan doen, ook indien dit binnen een re-integratietraject plaatsvindt, dient deze hiervan van te voren melding te doen middels het wijzigingsformulier. Een overeenkomst van het vrijwilligerswerk moet eveneens worden overgelegd. Bovendien moet toestemming worden gevraagd om het vrijwilligerswerk te verrichten. De uitkeringsgerechtigde krijgt hierover schriftelijk bericht. Ook wanneer een uitkeringsgerechtigde bij een andere organisatie vrijwilligerswerk gaat verrichten dient dit middels een wijzigingsformulier te worden gemeld en moet toestemming worden gevraagd.

Beleidsregel 4.7 Duur aanvultermijn bij aanvraag op grond van artikel 4:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht: B037

De aanvultermijn krachtens artikel 4:5, lid 1, Awb bedraagt in beginsel 14 dagen gerekend vanaf de dag na het verzenden van het besluit. Indien inwoner redelijkerwijs meer of minder tijd nodig heeft kan deze termijn langer of korter worden vastgesteld. Als maximale aanvultermijn hanteren wij in beginsel 8 weken.

Beleidsregel 4.8 Duur hersteltermijn tijdens bijstand: B038

Inleiding

Soms levert een inwoner niet op tijd of niet volledig de gevraagde informatie aan. De gemeente kan dan de uitkering tijdelijk opschorten. Dit betekent dat de uitbetaling (tijdelijk) wordt stopgezet totdat de inwoner de ontbrekende gegevens aanlevert. De gemeente moet hiervoor een hersteltermijn geven, zodat de inwoner de kans krijgt om dit alsnog te doen.

 

Duur van de hersteltermijn

De hersteltermijn is afhankelijk van de situatie, maar is in principe 14 dagen. De inwoner kan om verlenging vragen als er goede redenen zijn waarom het niet lukt binnen de gestelde tijd. Bijvoorbeeld omdat een bewijsstuk nog moet worden opgevraagd bij een andere instantie.

 

Gevolgen als gegevens niet worden aangeleverd

  • Als de gevraagde informatie niet binnen de hersteltermijn wordt ingeleverd, kan de gemeente het recht op bijstand intrekken vanaf de datum waarop de uitkering is opgeschort (artikel 54, lid 4, Participatiewet).

  • De opschorting mag maximaal 8 weken duren.

  • Is die termijn verstreken en zijn de gegevens nog steeds niet aangeleverd, dan beoordeelt de gemeente het recht op uitkering met de informatie die op dat moment wél beschikbaar is.

  • Als het recht niet meer kan worden vastgesteld, kan dit leiden tot intrekking van de uitkering (artikel 54, lid 3, Participatiewet).

Beleidsregel 4.9 Personen zonder (geldig) identiteitsbewijs: B040

Vaststellen van de identiteit

De gemeente stelt de identiteit van de aanvrager vast aan op grond van artikel 17, lid 3, Participatiewet en de Wet op de identificatieplicht. Dit geldt zowel bij een eerste aanvraag voor algemene bijstand als bij latere contacten, zoals heronderzoeken of aanvragen bijzondere bijstand.

De identiteit kan worden vastgesteld aan de hand van één van de volgende geldige documenten:

  • 1.

    Een Nederlands paspoort of een Nederlandse identiteitskaart;

  • 2.

    Een vreemdelingendocument waarop de identiteit, nationaliteit en verblijfsstatus staan vermeld;

  • 3.

    Een nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort van een inwoner uit een EU- of EER-lidstaat;

  • 4.

    Een geldig Nederlands of Europees rijbewijs (bankkaartmodel);

  • 5.

    DigiD op betrouwbaarheidsniveau substantieel, of een ander erkend Europees digitaal identificatiemiddel (eIDAS).

Hiermee kan de gemeente de identiteit zowel fysiek als digitaal vaststellen.

 

Geen (geldig) identiteitsbewijs bij aanvraag

Wanneer een aanvrager geen geldig identiteitsbewijs heeft:

  • Moet de aanvrager zelf en op eigen kosten een nieuw document aanvragen;

  • Krijgt hij of zij een hersteltermijn (conform artikel 4:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht) om het identiteitsbewijs alsnog te overleggen.

Een verlopen identiteitsbewijs wordt in principe niet geaccepteerd. Zodra de identiteit eenmaal is vastgesteld, kan de gemeente bij latere contacten afzien van de eis dat het identiteitsbewijs nog geldig is, tenzij er reden is tot twijfel over de identiteit, nationaliteit of het verblijfsrecht.

 

Uitzonderlijke situaties

In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente afwijken van de standaardprocedure. Als de aanvrager geen geld heeft om een identiteitsbewijs aan te schaffen, kan de gemeente:

  • tijdelijk genoegen nemen met een verlopen identiteitsbewijs of rijbewijs om de identiteit vast te stellen;

  • een voorschot verstrekken op grond van artikel 52 van de Participatiewet in de vorm van een renteloze geldlening voor de kosten van een nieuw identiteitsbewijs en pasfoto’s;

  • bij een aanvraag de kosten vergoeden via de gemeentelijke minimaregeling.

     

Bijzondere bijstand

Voor aanvragen van bijzondere bijstand gelden aanvullende regels:

  • Ontvangers van een lopende bijstandsuitkering hoeven bij een nieuwe aanvraag voor bijzondere bijstand geen geldig identiteitsbewijs te tonen, tenzij twijfel bestaat over hun identiteit of verblijfsstatus.

  • Aanvragers zonder lopende bijstandsuitkering moeten bij een aanvraag voor bijzondere bijstand altijd een geldig identiteitsbewijs overleggen.

     

Tussentijdse controle

Tijdens de uitkeringsperiode vraagt de gemeente alleen om een (geldig) identiteitsbewijs als:

  • er twijfel is over de identiteit, nationaliteit of het verblijfsrecht, of

  • er aanwijzingen zijn dat het verblijfsrecht van een niet-Nederlandse inwoner is gewijzigd.

Als iemand geen uitkering meer heeft, maar bij de gemeente bekend is van een eerdere aanvraag waarbij de identiteit correct is vastgesteld, hoeft geen nieuw identiteitsbewijs te worden overgelegd. Zo worden onnodige administratieve lasten en kosten voor inwoners voorkomen.

 

Heraanvragen via de Garantieknop

Bij heraanvragen via de Garantieknop (zoals bedoeld in B142) hoeft geen nieuw identiteitsbewijs te worden overgelegd, als de gemeente bij de vorige aanvraag de identiteit correct heeft vastgesteld en er geen reden is om te twijfelen aan de identiteit of het verblijfsrecht.

 

Hoofdstuk 5 Boete

 

Alle begrippen die in dit hoofdstuk gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Algemene wet bestuursrecht , de Participatiewet, de Ioaw en Ioaz en het Boetebesluit socialezekerheidswetten.

 

Beleidsregel 5.1 Waarschuwing in plaats van bestuurlijke boete: B166

  • 1.

    Het college volstaat met een schriftelijke waarschuwing als:

    • a.

      het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag;

    • b.

      het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot een benadelingsbedrag van maximaal € 150;

    • c.

      betrokkene wel inlichtingen heeft verstrekt, maar deze onjuist of onvolledig waren, of anderszins een wijziging van omstandigheden niet direct heeft gemeld, en deze gebreken op eigen initiatief binnen 60 dagen heeft hersteld. Van eigen initiatief is geen sprake als de gemeente informatie heeft opgevraagd. In die situatie kan wel een boete worden opgelegd.

  • 2.

    Een waarschuwing volstaat niet als eerder binnen de voorafgaande periode van 24 maanden een waarschuwing is gegeven voor een overtreding in het eerste lid.

  • 3.

    In het geval sprake is van de situatie in het tweede lid, bedraagt de boete € 150, tenzij een lager bedrag als een evenredige boete is aan te merken.

Beleidsregel 5.2 Verwijtbaarheid en draagkracht bij boete: B137

Geen boetewaardig gedrag

  • 1.

    De volgende gedragingen worden niet beschouwd als boetewaardig gedrag:

    • a.

      het tijdens de aanvraagperiode alsnog volledig nakomen van de inlichtingenplicht tijdens een geboden hersteltermijn;

    • b.

      het alsnog uit eigen beweging volledig nakomen van de inlichtingenplicht voordat de uitkering over desbetreffende periode is uitbetaald, waardoor de relevante informatie nog tijdig verwerkt kon worden;

    • c.

      het niet of niet tijdig doorgeven van informatie aan een medewerker werkzaam bij het Sociaal Domein van de gemeente Súdwest-Fryslân, indien die informatie aantoonbaar wel tijdig is doorgegeven aan iemand die onder verantwoordelijkheid van het college van Súdwest-Fryslân werkt.

  • 2.

    Het gestelde in het eerste lid wordt slechts eenmaal per twee jaar toegepast. Toepassing van het eerste lid onderdeel b en c wordt inwoner schriftelijk meegedeeld in een beschikking.

  • 3.

    Indien wel sprake is van boetewaardig gedrag, wordt beoordeeld of het niet of niet voldoende nakomen van de inlichtingenplicht in het individuele geval betekent dat het opleggen van een boete evenredig is. Hierbij wordt gekeken naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van betrokkenen.

     

Lichte of zware procedure

  • 1.

    Bij een benadelingsbedrag van ten hoogste € 340 wordt de boete afgehandeld volgens de lichte procedure. Het opmaken van een boeterapport en het vragen van een zienswijze van de betrokkene, zijn daarbij niet verplicht.

  • 2.

    Bij een benadelingsbedrag van € 340 of meer wordt altijd de zware procedure gevolgd. Het opmaken van een boeterapport en het vragen van een zienswijze van de betrokkene, zijn daarbij verplicht.

     

Recidive

  • 1.

    Het college stelt in geval van recidive de boete vast op 150% van het benadelingsbedrag.

  • 2.

    Van recidive is sprake indien:

    • a.

      de schending van de inlichtingenplicht heeft geleid tot een benadelingsbedrag; en

    • b.

      binnen een tijdvak van 5 jaar voorafgaand aan de dag van de overtreding, een bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging die onherroepelijk is geworden.

       

Afstemming van de boete op de mate van verwijtbaarheid

Het college stemt de hoogte van de boete af op de mate van verwijtbaarheid van de gedraging. Hierbij geldt het volgende:

  • a.

    bij verminderde verwijtbaarheid bedraagt de boete van 25% van het benadelingsbedrag;

  • b.

    bij normale verwijtbaarheid is geen sprake van opzet en ook niet van grove schuld. De boete bedraagt in dat geval 50% van het benadelingsbedrag;

  • c.

    als geen sprake is van opzet, maar wel van grove schuld waardoor ten onrechte een uitkering is verstrekt, bedraagt de boete van 75% van het benadelingsbedrag;

  • d.

    als sprake is van opzettelijk handelen of opzettelijk nalaten in strijd met de inlichtingenplicht waardoor ten onrechte een uitkering is verstrekt, bedraagt de boete van 100% van het benadelingsbedrag.

     

Afstemming van de boete op de financiële omstandigheden

  • 1.

    Indien de inwoner de op grond van artikel 2 van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten berekende boete wegens financiële omstandigheden niet in één keer kan betalen, bedraagt de boete maximaal:

    • a.

      bij verminderde verwijtbaarheid: 6 maal het voor beslag vatbare deel van het inkomen van inwoner ten tijde van het opleggen van de boete;

    • b.

      bij normale verwijtbaarheid: 12 maal het voor beslag vatbare deel van het inkomen van inwoner ten tijde van het opleggen van de boete;

    • c.

      bij grove schuld: 18 maal het voor beslag vatbare deel van het inkomen van inwoner ten tijde van het opleggen van de boete;

    • d.

      bij opzet: 24 maal het voor beslag vatbare deel van het inkomen van inwoner ten tijde van het opleggen van de boete;

    • e.

      bij recidive: 150% van de uitkomsten van de berekeningen op grond van de onderdelen a tot en met d van dit artikel;

    • f.

      Indien bij een inwoner ten tijde van het opleggen van de boete vermogen is aangetoond, wordt dit vermogen geheel aangewend om de boete zoals vastgesteld op grond van artikel 2 van het Boetebesluit te voldoen. Het deel van de boete dat het totaalbedrag van het vermogen overschrijdt kan op grond van a tot en met e van dit artikel worden afgestemd.

    • g.

      Indien de inwoner ten tijde van het opleggen van de boete andere inkomsten heeft dan een uitkering en géén medewerking verleent om inzicht te bieden in de hoogte van de inkomsten, wordt de boete uitsluitend op grond van artikel 2 van het Boetebesluit vastgesteld.

  • 2.

    Indien de inwoner ten tijde van het opleggen van de boete een uitkering heeft op grond van de IOAW of de IOAZ, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de bijstandsnorm die op inwoner van toepassing zou zijn indien inwoner een uitkering op grond van de Participatiewet zou ontvangen.

     

Afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete

Het college kan afzien van een bestuurlijke boete in geval van:

  • a.

    dringende redenen;

  • b.

    het niet of niet volledig overleggen van gegevens tijdens de aanvraagprocedure;

  • c.

    terugvordering wegens achteraf ontvangen middelen.

Beleidsregel 5.3 Overgangsrecht: B171

Deze beleidsregels zijn ook van toepassing op alle boete-onderzoeken waarbij het college op de datum van inwerkingtreding nog geen besluit heeft genomen, inclusief een besluit op bezwaar of beroep.

 

Hoofdstuk 6 Middelen

 

 

Beleidsregel 6.1 Moment Vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating: B020

Inleiding

Het vermogen wordt in beginsel vastgesteld bij aanvang van de bijstandsverlening. Indien een inwoner een aanvraag indient terwijl een echtscheidingsprocedure of boedelscheiding nog niet is afgerond, kan het vermogen nog niet definitief worden vastgesteld.

 

Voorlopige vermogensvaststelling

Indien de omvang van het vermogen afhankelijk is van de uitkomst van de boedelscheiding, wordt het vermogen voorlopig vastgesteld op basis van de op dat moment beschikbare gegevens. Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre redelijkerwijs aannemelijk is dat inwoner kan beschikken over vermogen. Zodra de boedelscheiding is afgerond, wordt het vermogen definitief vastgesteld aan de hand van de feitelijke uitkomst.

 

Gevolgen na definitieve vaststelling

Indien uit de afwikkeling van de boedelscheiding blijkt dat inwoner over vermogen kan beschikken dat – samen met het reeds aanwezige vermogen – de toepasselijke vermogensgrens overschrijdt, wordt beoordeeld of en in hoeverre dit gevolgen heeft voor het recht op bijstand.

Daarbij vindt herziening plaats overeenkomstig de Participatiewet. Indien dit leidt tot ten onrechte verleende bijstand, wordt beoordeeld of terugvordering aan de orde is, met inachtneming van de geldende wettelijke bepalingen en het evenredigheidsbeginsel.

In de beschikking wordt opgenomen dat de vermogensvaststelling voorlopig is en dat na afronding van de boedelscheiding een definitieve beoordeling plaatsvindt.

Beleidsregel 6.2 Vaststellen vermogen bij verhuizing vanuit andere gemeente: B021

Uitgangspunt

Indien een inwoner verhuist naar onze gemeente en in de vorige gemeente bijstand ontving, eindigt het recht op bijstand in die gemeente. In onze gemeente wordt een nieuwe aanvraag ingediend en ontstaat een nieuwe bijstandsperiode. Het recht op bijstand wordt volledig opnieuw beoordeeld. Dit betekent dat ook het vermogen opnieuw wordt vastgesteld aan de hand van de op dat moment geldende vermogensgrens.

 

Nieuwe vermogensvaststelling

Bij de nieuwe aanvraag wordt het actuele vermogen vastgesteld. Daarbij worden alle vermogensbestanddelen betrokken waarover inwoner op dat moment beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Vermogen dat tijdens de eerdere bijstandsperiode is opgebouwd, wordt bij de nieuwe aanvraag meegenomen in de vermogensvaststelling. De vermogensvrijlating geldt per bijstandsperiode. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (o.a. CRvB 26-03-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7378 en CRvB 19-01-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:182).

 

Individuele beoordeling

Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de individuele omstandigheden van het geval. Indien toepassing van de vermogensregels in een concreet geval tot een onevenredig resultaat leidt, wordt beoordeeld of maatwerk aangewezen is, met inachtneming van de Participatiewet en het evenredigheidsbeginsel.

Beleidsregel 6.3 Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm: B022

De Participatiewet bevat geen afzonderlijke regeling voor de wijze waarop het vermogen moet worden vastgesteld bij een wijziging in de leefvorm of gezinssamenstelling. Een wijziging van de leefvorm kan echter gevolgen hebben voor de toepasselijke norm en de daarbij behorende vermogensgrens. Daarom dient bij iedere relevante wijziging van de leefsituatie een heronderzoek plaats te vinden waarbij het vermogen opnieuw wordt vastgesteld.

 

Uitgangspunt: actuele vermogensgrens

Bij wijziging van de leefvorm wordt het vermogen beoordeeld aan de hand van de op dat moment geldende vermogensgrens. Daarbij wordt vastgesteld:

  • welke vermogensbestanddelen tot het vermogen van inwoner behoren;

  • wat de actuele waarde daarvan is;

  • welke vermogensgrens van toepassing is.

     

Eerder rechtmatig vrijgelaten vermogen

Indien het vermogen bij een eerdere rechtmatige vaststelling binnen de toen geldende vermogensgrens viel, en uitsluitend door wijziging van de leefvorm boven de nieuwe vermogensgrens uitkomt, wordt beoordeeld of het redelijk en evenredig is om in deze situatie intering op dat vermogen te verlangen.

Bij deze beoordeling worden onder meer betrokken:

  • het moment waarop het vermogen is vastgesteld;

  • de oorzaak van de wijziging in leefvorm;

  • de mate waarin inwoner rekening kon houden met de wijziging;

  • de financiële en sociale gevolgen van directe intering.

Indien toepassing van de vermogenseis in het individuele geval onevenredig uitpakt, kan worden afgezien van intering op het eerder rechtmatig vrijgelaten vermogen. Dit betreft maatwerk.

 

Voorbeeld: kind wordt 18 jaar

Wanneer het minderjarige kind van een alleenstaande ouder 18 jaar wordt, wijzigt de leefvorm. Het vermogen van het meerderjarige kind behoort vanaf dat moment niet langer tot het vermogen van de ouder.

Indien door deze wijziging een lagere vermogensgrens voor de ouder gaat gelden, wordt beoordeeld of het vermogen van de ouder de nieuwe grens overschrijdt. Indien dat het geval is, wordt – met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel – beoordeeld of intering op het eerder vrijgelaten vermogen in redelijkheid kan worden verlangd.

Beleidsregel 6.4 Beleid inzake korten voorlopige teruggave: B023

Ontvangen bedragen aan teruggave en voorlopige teruggave worden gekort, voor zover deze betrekking hebben op een periode waarin bijstand wordt verleend.

Indien het aannemelijk is dat inwoner in aanmerking komt voor een voorlopige teruggave in verband met de heffingskorting maar deze niet ontvangt, dan wordt deze toch als inkomen in aanmerking genomen en gekort op de bijstand. Het is dan aan inwoner om dit alsnog aan te vragen via de belastingdienst (eigen verantwoordelijkheid).

Beleidsregel 6.5 Vrijlating giften: B024

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • gift: een geldelijke of niet-geldelijke verstrekking om niet, die niet voortvloeit uit arbeid of een wettelijke aanspraak;

  • kostenbesparende bijdrage: een bijdrage van een derde die leidt tot een vermindering van algemeen noodzakelijke kosten van bestaan, als bedoeld in artikel 18, lid 8, van de Participatiewet.

     

Vrijlating van giften en kostenbesparende bijdragen (categoriale vrijlating):

  • 1.

    Op grond van artikel 31, lid 2, onderdeel m van de Participatiewet worden giften en kostenbesparende bijdragen gezamenlijk vrijgelaten tot een bedrag van € 1.200 per kalenderjaar per uitkering.

  • 2.

    Deze vrijlating geldt ongeacht of de uitkering het hele kalenderjaar of een deel daarvan wordt ontvangen.

  • 3.

    De vrijlating geldt zowel voor:

    • a.

      geldelijke giften;

    • b.

      giften in natura;

    • c.

      kostenbesparende bijdragen als bedoeld in artikel 18, lid 8, Participatiewet.

  • 4.

    De waarde van giften in natura wordt vastgesteld op basis van de waarde in het economisch verkeer of -indien passend- de NIBUD-prijzengids.

  • 5.

    Bijdragen van voedselbanken worden volledig buiten beschouwing gelaten.

  • 6.

    Het vrij te laten bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig artikel 31, tweede lid, onderdeel m, van de Participatiewet.

     

Onderzoek bij meldingen tot € 1.200:

  • 1.

    Na melding van giften of kostenbesparende bijdragen verricht het college een beperkte toetsing naar het totaal van de in het kalenderjaar ontvangen giften en bijdragen.

  • 2.

    Het onderzoek richt zich uitsluitend op:

    • a.

      het totaalbedrag aan giften en kostenbesparende bijdragen;

    • b.

      de herkomst en het doel van de ontvangst voor zover relevant;

    • c.

      de vraag of het totaalbedrag de grens van € 1.200 overschrijdt.

  • 3.

    Het college handelt daarbij in de geest van vertrouwen zoals beoogd met de Participatiewet in Balans.

  • 4.

    Het college kan de bijstandsgerechtigde vragen om een mondelinge of schriftelijke verklaring over de ontvangen bedragen.

  • 5.

    Bankafschriften over langere perioden worden niet standaard opgevraagd, tenzij sprake is van gerede twijfel aan de juistheid of volledigheid van de verstrekte gegevens.

     

Beoordeling bij overschrijding van € 1.200:

  • 1.

    Indien het totaal van giften het bedrag van € 1.200 per kalenderjaar overschrijdt beoordeelt het college of het meerdere:

    • a.

      kan worden aangemerkt als inkomen in de maand van ontvangst, of

    • b.

      als vermogen, indien de gift aan het vermogen is toegevoegd.

  • 2.

    Het college kan op grond van artikel 31, lid 2, onderdeel s van de Participatiewet in individuele gevallen besluiten het meerdere geheel of gedeeltelijk vrij te laten, indien dit uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord wordt geacht.

  • 3.

    Bij deze beoordeling worden onder meer betrokken:

    • a.

      het doel van de gift;

    • b.

      de financiële en sociale omstandigheden van betrokkene;

    • c.

      de mate waarin de gift bijdraagt aan zelfredzaamheid of participatie.

       

Kostenbesparende bijdragen:

  • 1.

    Indien het totaal van kostenbesparende bijdragen, al dan niet in combinatie met giften, het bedrag van € 1.200 per kalenderjaar overschrijdt, wordt beoordeeld of afstemming van de bijstand noodzakelijk is op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet.

  • 2.

    De mogelijkheid tot individuele vrijlating op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Participatiewet is niet van toepassing op kostenbesparende bijdragen.

  • 3.

    Kostenbesparende bijdragen die structureel en substantieel zijn, kunnen aanleiding geven tot verlaging of aanpassing van de bijstand, voor zover deze leiden tot een lagere bestaanskost.

     

Giften die in beginsel verantwoord worden geacht (individuele beoordeling):

Het college beschouwt de volgende giften in beginsel uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord en kan deze - ook boven de grens van € 1.200 - individueel vrijlaten:

  • giften die worden gebruikt voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verleend zou kunnen worden;

  • giften voor medisch noodzakelijke kosten;

    giften die worden gebruikt om probleemschulden af te lossen die zijn ontstaan vóór de bijstandsverlening;

  • giften in natura die geen kostenbesparende bijdrage vormen;

  • giften van charitatieve instellingen, sociale fondsen of hulporganisaties, waaronder de voedselbank, kledingbank en vergelijkbare initiatieven.

     

Meldplicht en onderzoek

  • 1.

    De bijstandsgerechtigde houdt zelf bij hoeveel giften en kostenbesparende bijdragen in een kalenderjaar worden ontvangen.

  • 2.

    Zodra het totaalbedrag van € 1.200 per kalenderjaar wordt bereikt, meldt de bijstandsgerechtigde dit bij het college.

  • 3.

    Het college verricht vervolgens een beperkte toetsing zoals bedoeld in deze beleidsregel, met inachtneming van het vertrouwensbeginsel en de inlichtingenplicht (artikel 17 Participatiewet).

  • 4.

    Bankafschriften over langere perioden worden uitsluitend opgevraagd indien er sprake is van gerede twijfel.

Beleidsregel 6.6 Woonkosten worden door een ander voldaan: B026

Wanneer een derde deels (periodiek) voorziet in de algemene kosten van het bestaan, door bepaalde kosten rechtstreeks te betalen aan de crediteur en er geen mogelijkheid is om de bijstand te verlagen vanwege het ontbreken van woonlasten (artikel 27 Participatiewet), wordt ervoor gekozen de bijstand op grond van artikel 18, lid 1, Participatiewet te verlagen.

Met de betalingen wordt namelijk volledig voorzien in bepaalde kosten die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Doordat inwoner deze kosten niet meer zelf hoeft te voldoen uit de bijstandsnorm, levert dit een substantiële besparing op. Er hoeft geen algemene bijstand te worden verleend in de specifieke kosten waarin door de anderen is voorzien.

Beleidsregel 6.7 Waarde auto bij vermogensvaststelling: B027

Een auto wordt beschouwd als een algemeen gebruikelijk bezit als de waarde van de auto niet hoger dan € 4.500 is. De meerwaarde (en niet de volledige waarde) wordt meegenomen in de vermogensvaststelling. Het genoemde bedrag is gebaseerd op CRvB 04-11-2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3646.

Wanneer iemand meer dan één gemotoriseerd voertuig heeft (auto, motor, brommer, scooter) dan valt dit niet meer aan te merken als algemeen gebruikelijk. Bij één gemotoriseerd voertuig moet dan het bedrag van € 4.500 in mindering worden gebracht op de waarde (dit mag bij het gemotoriseerd voertuig met de hoogste waarde). De overige gemotoriseerde voertuigen dienen volledig voor het vermogen te worden meegerekend.

De waardebepaling van een auto vindt plaats via de ANWB koerslijst. Op basis van kenteken, actuele kilometerstand, uitvoering en extra opties. De inruilprijs bij een autobedrijf vormt de dagwaarde. Staat een auto niet opgenomen in de ANWB koerslijst dan dient op een andere objectieve wijze, bijvoorbeeld via een merkdealer, verzekeringsmaatschappij, internet of een onafhankelijke taxateur, een waardebepaling plaats te vinden. Dat geldt ook voor andere gemotoriseerde voertuigen.

Wanneer de inwoner met aanvullende gegevens komt waaruit blijkt dat de waarde van de auto aanmerkelijk afwijkt van de waarde die de koerslijst aangeeft, kan niet zondermeer worden uitgegaan van de laatstgenoemde waarde. Deze aanvullende gegevens dienen wel voldoende overtuigend en aannemelijk te zijn. Hierbij kan gedacht worden aan een recente koopovereenkomst of een recent taxatierapport. (CRvB 31-07-2012, LJN BX3215)

Beleidsregel 6.8 Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling: B028

In de Participatiewet is het strikt genomen niet mogelijk om reserveringen voor kosten van begrafenis of crematie buiten beschouwing te laten bij de vermogensvaststelling. Op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid wordt een reservering voor deze kosten toch buiten beschouwing gelaten bij de vermogensvaststelling.

 

Redelijkerwijs over kunnen beschikken:

Als een verzekering of reservering zodanig van vorm is dat gesteld kan worden dat inwoner hier redelijkerwijs niet over kan beschikken, dan kunnen dergelijke gelden niet als middel in aanmerking worden genomen. Dit doet zich met name voor bij uitvaartverzekeringen die in natura uitkeren.

 

Vermogen bestemd voor reservering begrafenis- of crematiekosten geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing laten:

Het is toegestaan een bedrag ten behoeve van reserveringen voor begrafenis- of crematiekosten geheel of gedeeltelijk als vermogensbestanddeel buiten beschouwing te laten.

Dit onder de volgende voorwaarden:

  • uitvaartverzekering welke in natura uitkeert. De waarde van de verzekering wordt altijd en volledig vrijgelaten;

  • uitvaartverzekering welke in contanten uitkeert wordt vrijgelaten indien de waarde hiervan niet bovenmatig hoog is en inwoner redelijkerwijs niet kan worden gedwongen om de verzekering af te kopen. Het bedrag dat wordt vrijgelaten is € 7.500 per persoon;

  • vermogen dat is bestemd voor begrafenis- of crematiekosten dat wordt vastgezet op een depositorekening (NB: het moet specifiek gaan om een uitvaartdeposito) wordt vrijgelaten tot een bedrag van € 7.500 per persoon. Dit vermogen is niet opneembaar. Wel is het mogelijk om tussentijds geld bij te storten op een uitvaartdeposito.

Beleidsregel 6.9 Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating (gedoogtoepassing artikel 34a Participatiewet voor jongeren tot 27 jaar): B147

Inleiding

Met deze beleidsregel maakt de gemeente gebruik van de mogelijkheid om vooruitlopend op de inwerkingtreding van artikel 34a van de Participatiewet per 1 januari 2027, de nieuwe inkomensvrijlating in 2026 toe te passen voor jongeren tot 27 jaar.

Deze vooruitlopende toepassing geldt uitsluitend in 2026 en uitsluitend voor jongeren tot 27 jaar, omdat dit voor deze doelgroep een begunstigend effect heeft.

Voor bijstandsgerechtigden van 27 jaar en ouder blijven in 2026 de bestaande inkomensvrijlatingen op grond van artikel 31, lid 2, van de Participatiewet van toepassing.

 

Voorwaarden voor toepassing van de inkomensvrijlating

De vrijlating van inkomsten uit arbeid geldt als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • 1.

    De belanghebbende ontvangt algemene bijstand.

  • 2.

    Er is sprake van inkomsten uit arbeid (loon, of loon bij ziekte).

  • 3.

    De arbeid draagt naar het oordeel van het college bij aan arbeidsinschakeling. Alle inkomsten uit arbeid, met uitzondering van verzwegen inkomsten, worden geacht bij te dragen aan (verdere) arbeidsinschakeling. Met andere woorden: een ieder die inkomsten uit arbeid ontvangt komt in aanmerking voor de vrijlating.

  • 4.

    Het inkomen uit arbeid is niet hoger dan de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 5.

    Er is geen sprake van verzwegen of niet-opgegeven inkomsten. Verzwegen inkomsten worden (achteraf) niet vrijgelaten.

     

Hoogte en berekening van de inkomensvrijlating

  • De inkomensvrijlating bedraagt 15% van de netto-inkomsten uit arbeid per maand.

  • Er geldt geen afzonderlijk maximumbedrag, met dien verstande dat:

    • eerst wordt beoordeeld of het inkomen onder de bijstandsnorm blijft;

    • vervolgens 15% van de inkomsten niet wordt verrekend en 85% wordt verrekend met de bijstandsuitkering.

  • De vrijlating wordt toegepast vóór de vaststelling van het recht op bijstand.

     

Duur van de inkomensvrijlating:

  • De inkomensvrijlating wordt toegepast voor een periode van maximaal 12 aaneengesloten maanden, te rekenen vanaf de eerste maand waarin aan de voorwaarden wordt voldaan.

  • De vrijlating loopt door gedurende deze periode, ook indien:

    • sprake is van wisselende dienstverbanden;

    • tijdelijke onderbrekingen in het werk optreden.

  • Het college kan de vrijlatingsperiode verlengen, indien uitbreiding van de arbeidsomvang gelet op de individuele omstandigheden redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • Bij beëindiging van het dienstverband kan het college besluiten de vrijlating te beëindigen en bij aanvang van een nieuw dienstverband opnieuw te beoordelen of toepassing van de vrijlating bijdraagt aan arbeidsinschakeling.

     

Samenloop met andere inkomsten:

  • 1.

    De inkomensvrijlating geldt uitsluitend voor inkomsten uit arbeid.

  • 2.

    Andere inkomsten, zoals alimentatie, uitkeringen of PGB-inkomsten, worden volledig verrekend met de bijstandsuitkering.

  • 3.

    Het college bewaakt dat geen sprake is van ongewenste stapeling van inkomsten.

     

Afstemming op grond van artikel 18 Participatiewet

Indien toepassing van de inkomensvrijlating onvoldoende recht doet aan de individuele omstandigheden van de belanghebbende, kan het college de bijstand afstemmen op maat op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet.

 

Jongere bereikt de leeftijd van 27 jaar:

Indien de belanghebbende tijdens de toepassing van deze beleidsregel de leeftijd van 27 jaar bereikt, maakt het college een individuele afweging of:

  • voortzetting van de inkomensvrijlating op grond van deze beleidsregel, of

  • overgang naar de reguliere inkomensvrijlatingsregeling voor 27 jaar en ouder

    het meest in het belang is van de belanghebbende.

Het uitgangspunt daarbij is dat de gekozen optie niet nadelig uitwerkt voor de belanghebbende.

 

Bijstandsgerechtigden van 27 jaar en ouder:

Voor bijstandsgerechtigden van 27 jaar en ouder blijven tot 1 januari 2027 de bestaande inkomensvrijlatingsregelingen op grond van artikel 31, tweede lid, van de Participatiewet en de daarbij behorende beleidsregels van toepassing.

 

Overgangsrecht:

  • 1.

    Voor bestaande gevallen waarbij vóór 1 januari 2027 reeds een inkomensvrijlating is toegekend op grond van artikel 31, tweede lid, Participatiewet, blijft deze vrijlating gelden tot het einde van de toegekende termijn, met inachtneming van het wettelijke overgangsrecht.

  • 2.

    Deze beleidsregel treedt volledig in de plaats van de bestaande beleidsregels inzake inkomensvrijlating per 1 januari 2027.

 

Hoofdstuk 7 Algemene bijstand

 

 

Beleidsregel 7.1 Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten: B052

In artikel 27 van de Participatiewet is vastgelegd dat de gemeente de normen in artikelen 20 en 21 lager mag vaststellen als de inwoner lagere algemeen noodzakelijke kosten voor het bestaan heeft. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de inwoner geen woning heeft of bepaalde woonkosten niet (zelf) hoeft te betalen.

 

Verlaging bij ontbreken woonkosten

De verlaging als bedoeld in artikel 27 Participatiewet bedraagt 20% van de toepasselijke bijstandsnorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor de alleenstaande of gehuwde inwoner geen woonkosten verbonden zijn.

Onder woonkosten wordt verstaan:

  • a.

    indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag;

  • b.

    indien een koopwoning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten (het eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting, het eigenaarsdeel van de waterschapslasten, rioolrechten, de erfpachtcanon, de opstalverzekering) en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.

Energiekosten worden niet als woonkosten aangemerkt.

 

Verlaging bij niet aanhouden woning

De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de Participatiewet bedraagt 20% van de toepasselijke bijstandsnorm indien geen woning wordt aangehouden en niet of nauwelijks gebruik wordt gemaakt van een opvangvoorziening. De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de Participatiewet bedraagt 15% van de toepasselijke bijstandsnorm indien weliswaar geen woning wordt aangehouden, maar wel veelvuldig gebruik wordt gemaakt van een opvangvoorziening.

Zie ook: Woonkosten worden door een ander voldaan (B026)

Beleidsregel 7.2 Verlaging algemene bijstand schoolverlaters: B053

De verlaging als bedoeld in artikel 28 van de Participatiewet vindt geen toepassing.

Beleidsregel 7.3 Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in inrichting: B057

Wordt een bijstandsgerechtigde opgenomen in een inrichting dan loopt de norm algemene bijstand door gedurende de maand van opname, plus een kalendermaand. De wijziging naar de norm zak en kleedgeld gaat in op de 1e dag na deze periode.

Ook is het mogelijk dat een persoon een gedeelte van de week in een inrichting verblijft en een gedeelte van de week thuis (bijvoorbeeld gedurende het weekend). Verblijft iemand het grootste gedeelte van de week in de inrichting dan wordt over die dagen van de week de norm zak- kleedgeld verstrekt en over de dagen dat diegene thuis verblijft wordt de reguliere norm aan bijstand verstrekt.

In ons voorbeeld 5/7 dagen in de inrichting volgens de norm zak- kleedgeld, en 2/7 volgens de reguliere norm, eventueel aangevuld met bijzondere bijstand voor vaste lasten. Verblijft iemand de meeste dagen van de week thuis, dan wordt de reguliere norm verstrekt en geen zak- en kleedgeld.

Beleidsregel 7.4 Beleid inzake bijstandsverlening aan daklozen: B059

Verplicht briefadres (artikel 2.23 BRP)

Sinds 1 januari 2022 is het college verplicht om een dak- of thuisloze zonder woonadres ambtshalve in te schrijven in de Basisregistratie Personen (BRP) met een briefadres. Indien de inwoner geen briefadres heeft, draagt het college hier zorg voor. Dit kan bijvoorbeeld het adres van het gemeentehuis zijn of een aangewezen instelling (zoals VNN, Kleine Palen 6 in Sneek). Hierdoor is er geen sprake meer van adresloosheid in juridische zin. Doorverwijzen naar een centrumgemeente (zoals de gemeente Leeuwarden) vanwege het ontbreken van een briefadres is niet langer toegestaan.

 

Feitelijke verblijfplaats blijft bepalend

De feitelijke verblijfplaats blijft doorslaggevend voor het recht op bijstand. De inwoner moet aannemelijk maken dat hij/zij feitelijk verblijft in de gemeente Súdwest-Fryslân. De inwoner is verplicht wijzigingen in de verblijfsplaats door te geven. Indien mogelijk wordt de inwoner ingeschreven met een (brief) adres binnen de gemeente. Wij hebben hierover afspraken gemaakt met VNN, Kleine Palen 6 in Sneek. Zie hiervoor het Aanwijzingsbesluit briefadresgever Stichting Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) en werkinstructie Dak- en thuislozen (Kleine Palen 6 Sneek).

Meer informatie over het briefadres (redenen, voorwaarden, aangifte, weigeringsgronden, termijnen en de controle) is ook te vinden in de Regeling briefadres Súdwest-Fryslân.

 

Hoogte van de bijstand

De hoogte van de bijstand wordt in eerste instantie bepaald door de leeftijd van inwoner. Daarnaast komen dak- en thuislozen in aanmerking voor een verlaging wegens het ontbreken van woonlasten. Afhankelijk van de specifieke leefsituatie van de dak- en thuisloze is dit een verlaging van 15% of 20% van de gehuwdennorm. Zie richtlijn ‘Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten’.

 

De post wordt niet meer (tijdig) opgehaald

Het komt voor dat de post niet meer (tijdig) wordt opgehaald bij het ter beschikking gestelde briefadres. Daaraan kleeft de consequentie dat de inwoner niet langer gebruik kan/mag maken van het hem ter beschikking gestelde briefadres en wordt uitgeschreven van dit adres in BRP. In deze situatie is de inwoner niet meer bereikbaar voor het vaststellen van het recht op uitkering. Die persoon wordt schriftelijk verzocht aan te geven waar hij verblijft en zich in te laten schrijven op het adres van verblijf. Wordt hier niet aan voldaan, dan volgt een hersteltermijn. Zie artikel 40 Participatiewet.

 

Inwoner verschijnt niet op afspraak

Daarnaast komt het voor dat de inwoner niet komt opdagen voor een afspraak of nalaat te voldoen aan een verzoek om bewijsstukken te verstrekken. In dergelijke gevallen kan de gebruikelijke procedure van artikel 54, eerste, tweede en vierde lid Participatiewet worden doorlopen.

Beleidsregel 7.5 Bijstand voor gemis aan ALO-kop: B060

ALO-kop

Per 1 januari 2015 is het verschil tussen het normbedrag van een alleenstaande en een alleenstaande ouder vervallen: beide ontvangen hetzelfde normbedrag. Het verschil in het normbedrag bestond uit de toeslag voor alleenstaande ouders, die per 1 januari 2015 is komen te vervallen. Sinds deze datum is een alleenstaande ouder-kop (ALO-kop) ingevoerd in het kindgebonden budget. De ouder die geen echtgenoot heeft, heeft recht op de ALO-kop.

 

Geen recht op ALO-kop

Een kleine groep alleenstaande ouders heeft geen recht op de ALO-kop uit het kindgebonden budget, omdat zij volgens de Belastingdienst een toeslagpartner hebben. Dit is bijvoorbeeld het geval in de situaties waarin de toeslagpartner langdurig in het buitenland woont, in een inrichting of in detentie verblijft. Of als er iemand op het adres van de inwoner woont die als toeslagpartner wordt beschouwd.

De wetgever heeft er bewust voor gekozen om degene met een partner die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft niet in aanmerking te laten komen voor huur- of zorgtoeslag (artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen), vanwege het koppelingsbeginsel. Het is echter géén bewuste beslissing geweest om deze groep ook uit te sluiten van de ALO-kop. Artikel 15, lid 1, Participatiewet is dus geen afwijzingsgrond.

Voor deze groep wordt de bijstand afgestemd (verhoogd) op grond van artikel 18, lid 1, Participatiewet, omdat het gaat om algemene kosten van levensonderhoud. De toepasselijke bijstandsnorm is niet toereikend om hierin te voorzien. Zij ontvangen een toeslag ter hoogte van de (ontbrekende) ALO-kop van € 3.240 op jaarbasis (over 2021), om te rekenen per maand.

Zie ook: CRvB 6-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1600, CRvB 6-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1618, CRvB 4-9-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2841 en CRvB 9-4-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1380.

 

Co-ouderschap

Van co-ouderschap is sprake indien een kind, op grond van een tussen de niet-samenwonende ouders overeengekomen regeling, overwegend in gelijke mate wordt verzorgd en onderhouden door beide ouders, waarbij beide ouders ongeveer de helft van de tijd (50/50) het kind verzorgen en onderhouden. In het geval van co-ouderschap kunnen beide ouders het kindgebonden budget aanvragen. De ALO-kop, bestemd voor alleenstaande ouders zonder toeslagpartner, maakt onderdeel uit van dit kindgebonden budget en kan worden aangevraagd door de ouder die kinderbijslag heeft aangevraagd.

De gemeente volgt de gedachtegang van Schulinck dat co-ouders de verdeling van het kindgebonden budget onderling afstemmen. Als we overgaan tot bijstandsverlening voor het gemis aan ALO-kop zouden beide ouders tezamen teveel ondersteund worden. Daarom wordt geen bijstand verstrekt voor gemis ALO-kop bij co-ouderschap. Afstemming op grond van artikel 18, lid 1, Participatiewet kan alleen nog plaatsvinden indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.

Beleidsregel 7.6 Vaststelling vermogen bij co-ouderschap: B061

Co-ouderschap wordt aanwezig geacht indien de feitelijke verzorging van de kinderen deels door de ene en deels door de andere ouder wordt gedaan en als zodanig is vastgelegd.

Logischerwijs zou de vermogensgrens voor een alleenstaande vermeerderd kunnen worden met x/7 maal het verschil tussen de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder - de vermogensgrens voor een alleenstaande, echter de vermogensgrens voor de co-ouder wordt vastgesteld op de vermogensgrens zoals deze voor een alleenstaande ouder geldt. Hiermee wordt voorkomen dat bij een wijziging van het aantal dagen co-ouderschap de vermogensgrens bijgesteld moet worden.

Beleidsregel 7.7 Hoogte bijstand 18 t/m 20-jarigen niet in inrichting: B079

Jongerennorm Voor jongeren van 18, 19 of 20 jaar geldt een lagere bijstandsnorm (de jongerennorm). Deze norm is afgeleid van de vroegere kinderbijslagbedragen. De wet gaat ervan uit dat de meeste jongeren in deze leeftijd nog thuis wonen en dus weinig kosten hebben voor levensonderhoud.

 

Wanneer een aanvulling mogelijk is Een jongere kan recht hebben op een aanvulling op de jongerennorm als hij of zij niet kan terugvallen op de ouders voor onderhoud. Dat kan in de volgende situaties:

  • De ouders hebben onvoldoende financiële middelen om bij te dragen;

  • De jongere kan redelijkerwijs geen beroep doen op de ouders, bijvoorbeeld door een ernstig verstoorde relatie, overlijden of onvindbaarheid van de ouders.

De aanvulling wordt dan gegeven in de vorm van algemene bijstand (per 1 januari 2026) en niet meer als bijzondere bijstand.

 

Hoogte van de aanvulling

De aanvulling is vastgelegd in artikel 20, lid 3, Participatiewet. Het college verhoogt de jongerennorm als de jongere aan de voorwaarden voldoet.

De totale bijstand (norm + aanvulling) mag:

  • 1.

    Niet hoger zijn dan de norm voor een 21-jarige in een vergelijkbare situatie. Het kan gaan om een alleenstaande of een kostendeler (artikelen 21 en 22a van de Participatiewet);

  • 2.

    Niet hoger zijn dan het voor de jongere geldende wettelijk minimumjeugdloon;

  • 3.

    Het bedrag kan bij noodzakelijke hogere kosten of bij duidelijk lagere kosten voor levensonderhoud worden afgestemd op de situatie van de jongere. Dit blijft mogelijk op grond van artikel 18 van de Participatiewet. De woonsituatie van de jongere kan hierbij bepalend zijn.

    • Bij (tijdelijke) hoge woonkosten kan de aanvulling hoger en tot een toereikend niveau worden vastgesteld.

    • Bij lage woonkosten (zoals bij anti-kraak wonen of inwonend bij een familielid) kan de aanvulling lager worden vastgesteld.

Vult de gemeente aan met een hoger bedrag dan de aanvulling uit artikel 20, lid 3, van de Participatiewet? Dan is het belangrijk om dit bedrag goed te motiveren in de beschikking. Het college motiveert elke aanpassing in de beschikking.

 

Onderhoudsplicht ouders

Ouders zijn onderhoudsplichtig tot het kind 21 jaar is. Dit geldt ook voor uitwonende jongeren. De gemeente onderzoekt bij een aanvraag of de jongere een beroep op de ouders kan doen. De ouder(s) moeten vooraf op de hoogte worden gesteld van de aanvraag om bijstand van hun kind en worden gewezen op de onderhoudsplicht. Als dit onderzoek ertoe leidt, dat de ouders aan hun onderhoudsplicht gaan voldoen, dan beperkt dit de (hoogte van de) bijstand. Mocht blijken dat de ouders geen draagkracht hebben, dan kan bijstand worden verleend zonder dat verhaal nodig is. Het onderzoek blijft beperkt tot wat nodig is om te beoordelen of:

  • de ouders kunnen bijdragen, of

  • de jongere redelijkerwijs geen beroep op de ouders kan doen.

Mocht blijken dat de ouders niet willen meewerken en/of dat de onderhoudsplicht in redelijkheid niet te gelde kan worden gemaakt (zwaar verstoorde relatie), dan kan aanvullende bijstand worden verleend. Besluitvorming over verhaal berust bij de medewerker invordering, verhaal en beëindigingen. Het doel is om de jongere niet onnodig te belasten met langdurig of ingrijpend onderzoek.

 

Overig

  • Alimentatie: wordt gekort op de bijstand (feitelijk zou dan minder bijstand verstrekt moeten worden).

  • Andere inkomsten: wordt eerst gekort op de algemene bijstand. Een eventueel restant wordt gekort op de bijzondere bijstand.

Beleidsregel 7.8 Verlaging algemene bijstand voor personen van 18, 19 of 20 jaar: B144

Personen van 18,19 of 20 jaar ontvangen de algemene bijstandsnorm op grond van artikel 20 Participatiewet. Bij de vaststelling van de norm van artikel 20 Participatiewet is al rekening gehouden met het feit dat een jongere van 18, 19 of 20 jaar lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft doordat hij meestal nog een beroep op zijn ouders kan doen.

Beleidsregel 7.9 Commerciële relatie kostendelersnorm: B176

Commerciële relatie kostendelersnorm

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 22a Participatiewet is op te maken dat de wetgever volledig zakelijke/commerciële relaties voor de kostendelersnorm buiten toepassing heeft willen laten. In deze situatie worden de kosten namelijk niet op dezelfde wijze gedeeld als met woningdelers die geen onderlinge zakelijke relatie hebben. Van een zakelijke relatie is volgens de wetgever sprake indien de verhuurder een commerciële prijs vraagt voor de huur van de woning en de geleverde diensten en de huurder deze commerciële prijs betaalt. Volgens de wetgever is sprake van een commerciële prijs indien de prijs in verhouding staat met de geleverde prestaties en deze prijs in het commerciële verkeer gebruikelijk is, wat tevens een periodieke aanpassing van de prijs veronderstelt (zie CRvB 17-01-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:243 en CRvB 22-08-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3120).

 

Voor het vaststellen van een commerciële relatie zijn de volgende zaken van belang:

  • Schriftelijke overeenkomst;

  • Commerciële huurprijs;

  • Feitelijke situatie.

     

Schriftelijke overeenkomst

Voor het vaststellen van een commerciële relatie dient de inwoner een schriftelijke huurovereenkomst te overleggen. De huurovereenkomst moet tenminste de volgende elementen bevatten:

  • naam van de huurder;

  • naam van de verhuurder;

  • de huurprijs (uitgesplitst in kale huur en servicekosten);

  • het adres en een omschrijving van het gehuurde (zoals hoeveel kamers, woonkamer, badkamer, tuin);

  • de datum van ingang van het huurcontract;

  • de handtekening van de huurder en de verhuurder.

Er moet sprake zijn van een individueel contract waarbij de huurder één huurprijs betaalt en die prijs dus niet deelt met andere bewoners.

 

Commerciële huurprijs

Om aan te kunnen nemen dat sprake is van een commerciële huurprijs zal in ieder geval sprake moeten zijn van een voor de betreffende woonruimte in het economisch verkeer gebruikelijke huurprijs, die in verhouding staat tot de geleverde diensten en die periodiek wordt aangepast.

Voor de vaststelling van een commerciële huurprijs hanteert de gemeente Súdwest-Fryslân het systeem waarmee de normhuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag wordt vastgesteld.

Er is sprake van een commerciële huurprijs indien de kale huur minimaal het bedrag genoemd in artikel 17, lid 2, van de Wet op de huurtoeslag bedraagt.

De commerciële prijs van kostgangerschap is vastgesteld op de normhuur plus € 200. Let op: genoemde bedragen wijken af van de bedragen genoemd onder 7. in de Uitvoeringsregels verlagingen en toepassing kostendelersnorm Participatiewet 2015 (p.11 Uitvoeringsregels Participatiewet). Ontwikkelingen in de jurisprudentie zijn aanleiding voor het wijzigen van deze bedragen en de overweging in de alinea hieronder.

NB: er kan ook sprake zijn van een commerciële huurprijs als de kale huur minder dan het bedrag zoals genoemd in artikel 17, lid 2, van de Wet op de huurtoeslag bedraagt. In dat geval kan nader onderzoek naar de feitelijke situatie nodig zijn om vast te stellen of sprake is van een commerciële huurprijs. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van de huurprijscheck van de huurcommissie.

Indien noodzakelijk kan daarnaast handhaving worden verzocht om de woonsituatie ter plekke te bekijken. Inwoner moet betalingsbewijzen van de huur kunnen overleggen. Als slechts een bijdrage in de kosten of een tegenprestatie voor het medebewonen wordt geleverd, zoals boodschappen doen of schoonmaken, is geen sprake van een commerciële prijs, en is de kostendelersnorm van toepassing.

 

Vaststellen feitelijke situatie

Naast de aanwezigheid van een schriftelijke huurovereenkomst en een commerciële huurprijs, dient bij onderhuurders en kostgangers sprake te zijn van een zuiver zakelijke relatie. Deze relatie reikt in het algemeen niet verder dan de betaling van de huur of het kostgeld en het onderhoud van de gehuurde kamer of de levering van de overeengekomen diensten, zoals de maaltijden of de bewassing.

Indien daarvoor aanleiding is, zal er een onderzoek plaatsvinden naar de feitelijke omstandigheden van de betrokkenen. Als uit dit onderzoek blijkt dat sprake is van een mate van financiële verstrengeling die verder reikt dan de betaling van de huur of het kostgeld en/of een wederzijdse verzorging die niet beperkt blijft tot het onderhoud van de gehuurde kamer of de levering van de overeengekomen diensten, zoals de maaltijden of de bewassing, moet worden geconcludeerd dat geen sprake is van een zakelijke relatie tussen betrokkenen.

Beleidsregel 7.10 Voedingsgeld in inrichting: B180

Voedingsgeld dat door een instelling wordt verstrekt ter vervanging van voeding in natura wordt niet aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 31 van de Participatiewet. De instelling hoort voeding te leveren binnen de inrichtingsnorm. Als de instelling in plaats daarvan een geldbedrag geeft, is dit feitelijk geen extra inkomen, maar een andere vorm van verstrekking, zie ook (Rechtbank Oost-Brabant 25-2-2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:626).

 

Hoofdstuk 8 Vormen van bijstand

 

 

Beleidsregel 8.1 Gevallen waarin bij leenbijstand zekerheden als pand of hypotheek worden verlangd: B108

Vorm van de geldlening

Indien voor inwoner, bedoeld in artikel 50, lid 1, Participatiewet, recht op bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek of pandrecht:

  • a.

    indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, lid 1, Participatiewet; en

  • b.

    voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, lid 2d, Participatiewet.

     

Medewerkingsplicht

Bij verlening van bijstand onder verband van hypotheek of pandrecht dient aan de inwoner telkens de verplichting te worden opgelegd dat hij meewerkt aan de vestiging van hypotheek of pandrecht. Hiertoe dient inwoner een bereidverklaring te ondertekenen.

Het niet verlenen van de medewerking heeft tot gevolg dat de in de vorm van een geldlening verleende bijstand wordt teruggevorderd en/of verlaging plaatsvindt op grond van artikel 18 Participatiewet en de Afstemmingsverordening Participatiewet c.a. gemeente Súdwest-Fryslân 2018.

 

Vaststelling waarde woning

De geldlening is ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34 Participatiewet.

De waarde van de woning mag worden gerelateerd aan de waarde zoals laatstelijk door de gemeente vastgesteld in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) indien deze taxatie van recente datum is.

De kosten verbonden aan de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, het opmaken van de akte van pandrecht, inschrijving van het pandrecht in de registers van de Inspectie der Registratie en Successie van de Belastingdienst, evenals de bijkomende kosten komen ten laste van de inwoner. De eventuele bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als bijzondere bijstand.

 

Opname voorwaarden in hypotheekakte

Aan de geldlening worden in elk geval de hieronder genoemde voorwaarden verbonden.

Deze voorwaarden worden samen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte of pandovereenkomst.

 

Vaststelling hoogte aflossing

Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogte tien jaar. De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats.

Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld.

Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 Participatiewet, dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in artikel 19 en 45 Participatiewet, wordt geen aflossing gevergd.

Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.

Bij de beoordeling van die omstandigheden wordt rekening gehouden met de noodzakelijke, voor eigen rekening van inwoner, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen.

 

Restant vordering

Indien door toepassing van het voorgaande na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, kan het college besluiten:

  • a.

    tot buiten invorderingstelling;

  • b.

    dat rente verschuldigd is vanaf dat moment over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

De rente is de wettelijke rente, verminderd met drie procent.

Indien inwoner naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, maar niet kan aflossen, wordt een betaling eerst ten hoogte van het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente, die daardoor niet wordt betaald, bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

Indien inwoner naar het oordeel van het college geen rente kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd.

 

Verkoop van de woning

Bij verkoop of vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de bijgeschreven rente, terstond afgelost.

Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van inwoner dan wel wegens werkaanvaarding elders door inwoner, na toepassing van het voorgaande, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat inwoner het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het hierna bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.

Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering, komt – voor zover de opbrengst daartoe toereikend is – aan inwoner in ieder geval het bedrag toe dat op grond van artikel 34, lid 2 en 3, Participatiewet bij de vaststelling van de geldlening op de waarde van de woning in mindering is gebracht.

Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.

 

Herleving recht op bijstand

Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandsverlening onder verband van hypotheek opnieuw recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek.

Beleidsregel 8.2 Looptijd leenbijstand: B109

De looptijd van de geldlening is in beginsel 36 maanden. In de situatie dat men heeft nagelaten geheel of gedeeltelijk te reserveren of een andere, niet-noodzakelijke lening heeft afgesloten, kan, afhankelijk van de mate van het betoond besef van verantwoordelijkheid, de aflossingstermijn op maximaal 48 maanden worden gesteld. Na drie of in laatstgenoemd geval vier jaar regelmatige en volledige aflossing wordt het restant van de lening buiten invordering gesteld. Hierbij geldt dat achterstallige termijnen eerst moeten worden afgelost, voordat tot buiteninvorderingstelling wordt overgegaan.

Beleidsregel 8.3 Hoogte aflossing leenbijstand: B110

Aflossing (artikel 51, lid 2, Participatiewet)

De hoogte van de aflossingsbedragen wordt voor personen met een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm (ongeacht de samenstelling van dit inkomen) vastgesteld op ten minste 5% van de som van de van toepassing zijnde theoretische bijstandsnorm (dit is de norm plus de toegekende gemeentelijke toeslag, inclusief de vakantietoeslag). De totaal door de inwoner te betalen bedragen worden zo vastgesteld dat hij ten minste blijft beschikken over de beslagvrije voet.

 

Premies op grond van de beleidsregels Subsidieverlening 2004 worden niet als inkomen aangemerkt en tellen daarom niet mee. De aflossingsbedragen worden hoger vastgesteld wanneer een inkomen boven de norm wordt genoten. Van het deel van het inkomen dat boven de toepasselijke bijstandsnorm ligt, wordt 25% in aanmerking genomen. De aflossingsbedragen en/of de duur van de aflossing kunnen worden gewijzigd bij veranderingen in de omstandigheden of mogelijkheden van inwoner.

 

Aflossing van geldlening wegens vastliggend of niet-direct opeisbaar vermogen

Indien de bijstand is verstrekt in de vorm van een geldlening wegens vastliggend of niet direct opeisbaar vermogen, gelden bijzondere aflossingsbepalingen. Uitgangspunt is dan namelijk dat aflossing ineens plaatsvindt op het moment dat het vermogen te gelde gemaakt kan worden.

 

Aflossing van geldlening wegens tekortschietend besef (artikel 48, lid 2, sub b, Participatiewet)

Indien de bijstand wegens een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening gedurende bepaalde tijd wordt verstrekt als een geldlening, hoeft geen leenakte/schuldbekentenis te worden ondertekend. In de beschikking dienen te worden vermeld de feiten omtrent het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en de vastgestelde afstemmingsmaatregel. Tevens dient te worden vermeld dat de bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend. De aflossing gaat in op het moment dat de bijstandsverlening eindigt. De lening dient in principe in één keer te worden afgelost. Indien dit niet mogelijk is, vindt aflossing plaats op grond van een naar draagkracht vastgesteld maandbedrag.

Beleidsregel 8.4 Matiging en opschorting aflossing leenbijstand: B111

In Looptijd leenbijstand (B109), Hoogte aflossing leenbijstand (B110) en Aanpassing aflossing leenbijstand (B112) zijn de looptijd van de leenbijstand en de hoogte van de aflossing beschreven. In B108 is aandacht besteed aan de leenbijstand waarvoor zekerheden (pand of hypotheek) zijn gesteld.

 

Bijzondere, individuele omstandigheden kunnen leiden tot meer op de persoonlijke situatie afgestemde aflossingsbedragen. Hierbij zal de beslagvrije voet gerespecteerd worden. In principe geldt dus dat de betrokkene tenminste over 95% van de toepasselijke norm, inclusief vakantiegeld, moet kunnen beschikken.

Beleidsregel 8.5 Aanpassing aflossing leenbijstand: B112

De hoogte van de aflossing wordt gewijzigd als een wijziging in de situatie van de inwoner leidt tot een hogere of lagere aflossingscapaciteit.

Beleidsregel 8.6 Rente over leenbijstand: B113

Over de geldlening wordt geen rente berekend. Alleen bij een lening op grond van artikel 50, lid 2, Participatiewet is berekening van rente mogelijk.

Beleidsregel 8.7 Gevallen waarin bijstand in natura wordt verstrekt: B114

Artikel 57 Participatiewet luidt: Indien en zolang er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de inwoner zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen, kan het college:

  • a.

    aan de bijstand de verplichting verbinden dat de inwoner eraan meewerkt dat het college in naam van de inwoner noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand verricht;

  • b.

    de bijstand in natura verstrekken.

Hierbij moet vooral gedacht worden aan situaties waarin de inwoner dreigt af te glijden in de maatschappij door psychosociale problemen, verslaving of dakloosheid.

De bevoegdheid om bijstand in natura te verstrekken geldt voor zowel algemene als bijzondere bijstand.

Beleidsregel 8.8 Verkoop of vererving van woning ingeval van leenbijstand: B140

Verkoop of vererving van de woning

a. Algemeen

Bij verkoop of (na overlijden van betrokkene) vererving van de woning en indien het een echtpaar betreft bij vererving van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening en de eventueel bijgeschreven rente terstond afgelost.

Bij verkoop van de woning zal meestal de financiële afwikkeling pas plaatsvinden bij de overdracht van de woning. In dat geval zal vanaf het moment dat de inwoner over de opbrengst kan beschikken de resterende lening en eventuele rente in één keer moeten worden terugbetaald.

b. Koop andere woning

Wegens individuele bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van inwoner kan bij verkoop van de woning worden besloten tot het verlenen van een nieuwe krediethypotheek voor de aankoop van een andere woning. De nieuwe krediethypotheek bedraagt ten hoogste het bedrag van het krediet, dat door verkoop van de oude woning werd afgelost. Een voorwaarde is dat inwoner het na aflossing vrijgekomen vermogen volledig gebruikt voor de aankoop van de andere woning.

Beleidsregel 8.9 Herleving geldlening in verband met eigen woning na onderbreking bijstand: B141

Wanneer binnen twee jaar na beëindiging van de bijstand die is verleend in de vorm van een geldlening in verband met vermogen gebonden in de woning opnieuw recht op bijstand bestaat, hoeft het in de woning gebonden vermogen niet opnieuw vastgesteld te worden. De geldlening herleeft als het ware. Een reeds afgelost deel kan dan opnieuw als lening verstrekt worden.

 

Duurt de onderbreking van de bijstand in de vorm van een geldlening langer dan twee jaar dan zal het in de woning gebonden vermogen opnieuw vastgesteld moeten worden. Daarbij moet worden uitgegaan van de waarde zoals vastgesteld in de meest recente OZB beschikking en mag niet worden uitgegaan van de waarde van de woning in verband met een vorige periode van bijstandsverlening in de vorm van een geldlening.

Hoofdstuk 9 Betaling bijstand

 

 

Beleidsregel 9.1 Moment uitbetalen vakantietoeslag: B115

De gereserveerde vakantietoeslag wordt in beginsel eenmaal per jaar uitbetaald in de maand mei. Bij beëindiging van de bijstand wordt de tot dat moment opgebouwde vakantietoeslag uitbetaald.

 

Op verzoek van de inwoner, of in overleg met de inwoner, kan (een deel van) de vakantietoeslag eerder worden uitbetaald indien sprake is van noodzakelijke kosten.

 

Indien sprake is van beslaglegging of verrekening met een openstaande vordering, kan worden afgeweken van uitbetaling in mei. In dat geval kan de vakantietoeslag maandelijks worden uitbetaald of betrokken worden bij de maandelijkse inkomensvaststelling, teneinde de beslagvrije voet correct toe te passen.

 

Bij beëindiging van de bijstand kan de vakantietoeslag worden verrekend met een openstaande vordering, voor zover dit niet leidt tot overschrijding van de beslagvrije voet. Daarbij wordt beoordeeld of het inkomen in de periode waarin de vakantietoeslag is opgebouwd, al dan niet boven de beslagvrije voet uitkwam. Indien het inkomen beneden de beslagvrije voet bleef, of sprake was van wisselende inkomsten, wordt de vakantietoeslag slechts verrekend voor zover deze, tezamen met het inkomen in die periode, uitkomt boven de beslagvrije voet.

Beleidsregel 9.2 Verstrekken voorschotten tijdens aanvraag: B116

Het college verstrekt aan een persoon die algemene bijstand heeft aangevraagd een voorschot op grond van artikel 52 van de Participatiewet. Het voorschot wordt zo spoedig mogelijk verstrekt na de aanvraag, en in ieder geval binnen vier weken na de aanvraagdatum. Het voorschot wordt vervolgens, indien het recht op bijstand nog niet is vastgesteld, telkens uiterlijk binnen vier werken opnieuw verstrekt. Het voorschot mag niet worden uitgesteld tot het einde van een periode van vier weken.

 

Het voorschot heeft van rechtswege de vorm van een renteloze geldlening. Het opstellen van een afzonderlijke akte van geldlening is niet vereist. Na toekenning van de algemene bijstand wordt het voorschot verrekend met de nabetaling van de toegekende bijstand.

 

Er wordt geen voorschot verstrekt als:

  • de aanvrager de voor de beoordeling van het recht op bijstand noodzakelijke gegevens niet, niet tijdig of onvolledig verstrekt en dit hem kan worden verweten;

  • de aanvrager onvoldoende medewerking verleent aan de beoordeling van de aanvraag;

  • bij de aanvraag reeds duidelijk is dat geen recht op algemene bijstand bestaat.

Voor aanvragen bijzondere bijstand bestaat geen verplichting tot het verstrekken van een voorschot.

Beleidsregel 9.3 Hoogte en duur voorschotten tijdens aanvraag: B117

Hoogte voorschot

De hoogte van het voorschot bedraagt in beginsel 90% van de bijstandsnorm die, gelet op de beschikbare gegevens, het meest aannemelijk is.

 

Duur van het voorschot

Zolang het recht op algemene bijstand nog niet is vastgesteld, wordt het voorschot telkens per periode van vier weken verstrekt.

 

Geen voorschot tijdens zoekperiode

Aan personen jonger dan 27 jaar die zich hebben gemeld voor een bijstandsaanvraag, wordt gedurende de wettelijke zoekperiode geen voorschot verstrekt.

 

Uitzondering bij schrijnende situaties

In afwijking van voorgaande kan in zeer schrijnende situaties, waarin sprake is van acute financiële nood, aan jongeren tijdens de zoekperiode toch een voorschot worden verstrekt. Dit voorschot wordt verleend op grond van artikel 52 van de Participatiewet, aangezien het recht op bijstand nog niet is vastgesteld.

 

Voorschot bij afstemming

Indien bij de aanvraag reeds duidelijk is dat recht op bijstand bestaat, maar tevens dat een maatregel (afstemming) zal worden opgelegd wegens een verwijtbare gedraging, wordt hiermee rekening gehouden bij de vaststelling van de hoogte van het voorschot.

 

Voorschot en inkomsten

Inkomsten die naar verwachting op de bijstandsuitkering in mindering worden gebracht, worden bij de vaststelling van het voorschot in aanmerking genomen.

 

Broodnood

Indien sprake is van acute financiële nood (broodnood), kan in afwijking van het voorgaande gedurende de eerste vier weken een lager voorschot worden verstrekt. De hoogte daarvan wordt in overleg met de inwoner vastgesteld, met inachtneming van wat redelijk en noodzakelijk is. vastgesteld.

 

Bijzondere bijstand

Voorschotten op bijzondere bijstand worden gebaseerd op een zo nauwkeurig mogelijke raming van de noodzakelijke kosten. Verstrekking van dergelijke voorschotten vindt slechts bij uitzondering plaats.

De hoogte van een voorschot bedraagt in ieder geval 90% van de bijstandsnorm die het meest waarschijnlijk is.

Beleidsregel 9.4 Verrekening van bij aanvraag verstrekte voorschotten: B118

In principe worden voorschotten direct verrekend met de te verstrekken bijstand. Alleen in uitzonderlijke situaties kan worden bekeken of gespreide verrekening noodzakelijk is. Als hiervoor wordt gekozen moet een machtiging ondertekend worden.

Ingeval geen recht op bijstand bestaat of wanneer het recht op bijstand lager is dan het verstrekte voorschot, kan het college het voorschot terugvorderen op grond van artikel 58, lid 2, onderdeel d Participatiewet respectievelijk artikel 58, lid 2, onderdeel e Participatiewet.

Beleidsregel 9.5 Moment uitbetalen algemene bijstand exclusief vakantietoeslag: B139

De algemene bijstand exclusief vakantietoeslag wordt achteraf betaalbaar gesteld. Het betaalmoment van de algemene bijstand is zo gekozen dat de bijstand uiterlijk de laatste werkdag van elke maand is bijgeschreven mits het inkomstenformulier tijdig is ingeleverd.

Beleidsregel 9.6 Bijstand in acute financiële noodsituaties (overbrugging): B159

Algemeen uitgangspunt

Indien sprake is van een financiële noodsituatie en de aanvrager onvoldoende middelen heeft om de periode tot de eerstvolgende inkomensbetaling te overbruggen, kan bijzondere bijstand worden verstrekt om de noodzakelijke kosten van levensonderhoud te dekken. Dit geldt uitsluitend indien de aanvrager redelijkerwijs geen andere mogelijkheden heeft om in deze periode te voorzien (zoals een voorschot van werkgever, lening of beschikbare tegoeden),

 

Vorm van verstrekking

De bijstand wordt in beginsel om niet verstrekt. Indien de noodsituatie (mede) het gevolg is van verwijtbaar handelen of nalaten van de aanvrager, kan de bijstand als geldlening worden verstrekt. Bij ernstige verwijtbaarheid kan de aanvraag worden afgewezen, voor zover dit binnen de kaders van de Participatiewet mogelijk is.

 

Hoogte van de bijstand

De hoogte van de te verstrekken bijstand wordt afgestemd op de noodzakelijke kosten van levensonderhoud gedurende de periode tot de eerstvolgende reguliere inkomensbetaling, met als richtsnoer de toepasselijke bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag voor die periode. Indien de periode korter is dan één maand, wordt niet automatisch naar rato gekort indien dit naar het oordeel van de gemeente leidt tot onvoldoende bestaanszekerheid in de daaropvolgende periode. Eventuele beschikbare middelen, zoals inkomsten of een positief banksaldo, worden op de bijstand in mindering gebracht.

Hoofdstuk 10 Herziening, intrekking, terug- en invordering  

 

Beleidsregel 10.1 Beleidsregels inzake beslag: B120

De gemeente kan op twee manieren in aanraking komen met beslag. Aan de ene kant kan namens een schuldeiser beslag worden gelegd op de uitkering die onze gemeente verstrekt. Aan de andere kant kunnen wij beslag leggen op het inkomen van iemand waarop wij een vordering hebben.

 

Als een derde (vaak een deurwaarder) beslag legt op de uitkering die iemand van onze gemeente ontvangt, dan moet de gemeente volledig meewerken aan het beslag en mag de geldigheid en de omvang van het beslag niet worden beoordeeld. Dat geldt ook als de inwoner bezwaar maakt tegen de inhouding vanwege het beslag. Ook dan hoeven wij niet na te gaan of het beslag wel terecht is en of de beslagvrije voet juist is vastgesteld. Om dat te laten toetsen, moet een inwoner dat in een civiele procedure tegen de beslaglegging aankaarten. De bestuursrechter moet ook van de geldigheid en omvang van het beslag uitgaan. De bestuursrechter toetst wel of de inhouding binnen het kader van het beslag blijft (CRvB 21-12-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9009 en CRvB 19-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3667).

 

De laatste uitspraak is interessant. Die betreft een inhouding in maart 2017. De beslagvrije voet is vastgesteld op € 1.263,58 en de inhouding van € 70,20 is volgens de rechter binnen de grenzen van het gelegde beslag gebleven. De norm in maart 2017 was € 1.403,98. Dit was € 1.333,78 aan bijstand en € 70,20 aan reservering vakantietoeslag. Het is duidelijk dat een maandelijkse afdracht van € 70,20 volgens de oude beslagregels (90%) correct is. Aan bijstand wordt dan iedere maand € 1.263,58 uitbetaald (€ 1.333,78 – € 1.263,58) en daarnaast wordt iedere maand € 70,20 aan vakantietoeslag gereserveerd. Eenmaal per jaar wordt dan de totale reservering aan de deurwaarder uitbetaald. Veel gemeenten hielden iedere maand € 140,40 in en betaalden dat door aan de deurwaarder, zodat in mei/juni de gereserveerde vakantietoeslag toch aan de inwoner kon worden uitbetaald. Die lijn werd in de praktijk geaccepteerd.

 

Beslag op uitkering door ons verstrekt

Na de vereenvoudiging van de beslagregels is bij het hebben van een bijstandsuitkering de beslagvrije voet gelijk aan de maandelijkse uitkering exclusief vakantietoeslag (5%). Dit betekent dat alleen de vakantietoeslag vatbaar is voor beslag. Maandelijkse reserveringen voor de vakantietoeslag moeten daarom van het inkomen worden afgetrokken voordat wordt vastgesteld wat het bedrag is dat die maand moet worden afgedragen aan de schuldeisers (zie Rechtbank Midden-Nederland 11-3-2020, Rechtbank Midden-Nederland 11-3-2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:931).

Het college kan (in de rol van derde-beslagene) op twee manieren de afdracht aan de deurwaarder inrichten (zie TK 2016-2017, 34 628, nr. 3, p. 12):

  • de gemeente kan maandelijks de vakantietoeslag van 5% afdragen aan de deurwaarder; óf

  • de gemeente kan de reservering voor de vakantietoeslag reserveren voor de afdracht aan de deurwaarder en dit bedrag eens per jaar afdragen in de maand juni.

     

Jaarlijkse betaling aan beslaglegger

In de meeste gevallen wordt de vakantietoeslag van de bijstandsuitkering in juni uitbetaald (artikel 45, lid 1, Participatiewet). De beslagvrije voet bij een bijstandsuitkering is gelijk aan de maandelijkse uitkering exclusief vakantiegeld. Daarom komt, bij jaarlijkse uitkering van het vakantiegeld, alleen in de maand juni het inkomen boven de beslagvrije voet uit. In de maand juni wordt dan het volledige vakantiegeld doorbetaald aan de beslaglegger. Alle overige maanden vindt er geen betaling aan de beslaglegger plaats.

 

Maandelijkse betaling aan beslaglegger

De gemeente heeft ook de mogelijkheid om het vakantiegeld maandelijks uit te betalen. Als er beslag ligt, komt daarmee het inkomen iedere maand boven de beslagvrije voet uit. In dat geval wordt iedere maand het uitbetaalde vakantiegeld volledig doorbetaald aan de beslaglegger.

 

Maandelijkse/jaarlijkse betaling aan beslaglegger: gevolgen voor inwoner

Welke van de twee bovengenoemde manieren wordt gekozen, maakt voor het maandelijks inkomen wat inwoner ontvangt niet uit. Hij ontvangt maandelijks de beslagvrije voet, welke gelijk is aan de bijstandsuitkering exclusief vakantietoeslag. Toch heeft de keuze die gemaakt wordt wel gevolgen voor zowel de inwoner als zijn schuldeiser. Dit komt omdat de deurwaarder iedere maand dat hij een betaling ontvangt, kosten in rekening brengt. Wanneer wordt gekozen voor maandelijkse uitbetaling van het vakantiegeld, en daarmee voor maandelijkse betaling aan de beslaglegger, zijn de kosten dus twaalfmaal zo hoog als wanneer het vakantiegeld jaarlijks wordt uitbetaald.

 

Beslag gelegd door ons wegens openstaande vordering

Als de debiteur geen betalingsregeling wil treffen of als een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer wordt nagekomen, wordt overgegaan tot de mogelijkheden van (pseudo-)verrekening. Als dat niet (meer) mogelijk is, wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van:

  • a.

    een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479d tot en met 479g, behoudens artikel 479e, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; of

  • b.

    beslag in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op basis van executoriale titel die is verbonden aan een dwangbevel, als bedoeld in artikel 4:114 Awb, nadat de betalings- en aanmaningsprocedure is doorlopen als bedoeld in artikel 4:117 Awb; of

  • c.

    een conservatoir beslag in de zin van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

     

Uitvoering beslag

Voor zover het college gebruik kan maken van de uitvaardiging van een dwangbevel wordt dat toegezonden per aangetekende post.

 

Rente en kosten

Als moet worden overgegaan tot beslaglegging dan wordt de vordering slechts verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten als de invordering is overgedragen aan een deurwaarder.

Beleidsregel 10.2 Terugvordering: B122

Slachtoffers kinderopvangtoeslagaffaire

Zie voor kwijtschelding bestuurlijke vorderingen slachtoffers kinderopvangtoeslagaffaire de Beleidsregels Brede ondersteuning gedupeerden kinderopvangtoeslagaffaire.

 

Bevoegdheden college

Het college is bevoegd:

  • a.

    een besluit tot toekenning van bijstand te herzien of in te trekken op grond van artikel 54, derde en vierde lid, van de Participatiewet;

  • b.

    een besluit tot toekenning van een uitkering te herzien of in te trekken op grond van artikel 17, derde en vierde lid, van de wet IOAW;

  • c.

    een besluit tot toekenning van een uitkering te herzien of in te trekken op grond van artikel 17, derde en vierde lid, van de wet IOAZ;

  • d.

    bijstand terug te vorderen op grond van het bepaalde in de artikelen 58 en 59 van de Participatiewet;

  • e.

    een uitkering terug te vorderen op grond van het bepaalde in de artikelen 25 en 26 van de IOAW en de IOAZ;

  • f.

    tot invordering via verrekening zoals bedoeld in de artikelen 48, vierde lid, artikel 60, derde lid, en artikel 60 A Participatiewet en de artikelen 28, tweede en derde lid van de IOAW en IOAZ;

  • g.

    tot invordering bij dwangbevel zoals bedoeld in artikel 60, tweede lid, Participatiewet en de artikelen 28, eerste lid, IOAW en IOAZ.

     

Gebruik van de bevoegdheden tot verhaal op grond van de Participatiewet.

De bevoegdheden hierboven gelden voor het college als algemene verplichtingen, behoudens de in deze beleidsregels beschreven uitzonderingen, behoudens dringende redenen en behoudens de situatie waarin terugvordering van respectievelijk de kosten van bijstand en de kosten van inkomensvoorziening dan wel het opleggen van een verhaalsverplichting in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering van bijstand en de inkomensvoorziening als bedoeld in artikel 58 en 59 Participatiewet, artikel 25 en 26 IOAW en artikel 25 en 26 IOAZ. Deze bevoegdheden gelden voor het college als algemene verplichtingen, behoudens de in de beleidsregels beschreven uitzonderingen, behoudens dringende redenen en behoudens de situatie waarin terugvordering van respectievelijk de kosten van bijstand en de kosten van inkomensvoorziening in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

 

Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering

Afzien van terugvordering

  • In afwijking van hetgeen hierboven beschreven beperkt het college de terug te vorderen uitkering tot een periode van zes maanden, indien bij het college gegevens bekend zijn geworden die hadden moeten leiden tot wijziging of beëindiging van de uitkering, gerekend vanaf de datum waarop gegevens bekend zijn geworden die hadden moeten leiden tot wijziging of beëindiging van de uitkering.

  • Het college kan bepalen een bedrag tot maximaal € 150 netto niet terug te vorderen (kruimelbedragen).

  • Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de uitkering ten onrechte is verstrekt omdat de inwoner de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen.

     

Bij schuldsituaties

Het college besluit om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering indien:

  • a.

    redelijkerwijs te voorzien is dat de inwoner zijn schulden niet meer kan betalen, en

  • b.

    redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en

  • c.

    de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.

     

Het vorenstaande is in beginsel niet van toepassing als:

  • a.

    de terugvordering van uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de inwoner of het terugvorderen van uitkering betreft die is verstrekt in de vorm van een geldlening op grond van het bepaalde in artikel 48, lid 2 sub a, b, en c, Participatiewet;

  • b.

    de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden.

     

Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering treedt niet in werking voordat tussen het college en/of schuldeisers en inwoner een schuldregeling overeenkomstig het eerste lid tot stand is gekomen.

 

Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de inwoner gewijzigd indien:

  • a.

    niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekend gemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen;

  • b.

    de inwoner zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet;

  • c.

    onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

     

Na voldoen aan de betalingsverplichting

Het college besluit ook om af te zien van verdere terugvordering indien de inwoner:

  • a.

    gedurende drie jaar vrijwillig en volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of

  • b.

    gedurende drie jaar vrijwillig, maar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft voldaan en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of

  • c.

    gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

  • d.

    een bedrag van ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.

     

In beginsel wordt een dergelijk besluit ambtshalve genomen, tenzij:

  • a.

    de terugvordering van een uitkering is ontstaan wegens schending van de inlichtingenplicht;

  • b.

    het de terugvordering is van een uitkering die is verstrekt in de vorm van een geldlening;

  • c.

    de vordering door pand of hypotheek op een goed of goederen is gedekt, behoudens voor zover hij niet op die goederen verhaald kan worden;

  • d.

    terugvordering geschiedt in verband met naderhand beschikbaar gekomen middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid onder f, van de Participatiewet en er door verwijtbaar handelen van de inwoner een betalingsregeling moet worden overeengekomen.

     

Afzien van verdere terugvordering bij vorderingen wegens schending van de inlichtingenplicht

Het college besluit om in deze gevallen af te zien van verdere terugvordering als:

  • a.

    door of namens inwoner een verzoek om kwijtschelding is ingediend; en

  • b.

    aan de voorwaarden van kwijtschelding zoals genoemd in artikel 58, lid 7, Participatiewet is voldaan, met uitzondering van het daarin (onder d) genoemde percentage van 50. Dit geldt voor fraudevorderingen die zijn ontstaan voor 1 januari 2013 en fraudevorderingen die zijn ontstaan na 1 januari 2013;

  • c.

    het college stelt als aanvullende voorwaarde voor kwijtschelding dat de inwoner ten minste 75% van de vordering heeft afgelost;

     

Er wordt in deze gevallen niet afgezien van verdere terugvordering als:

  • a.

    het de terugvordering is van een uitkering die is verstrekt in de vorm van een geldlening;

  • b.

    de vordering door pand of hypotheek op een goed of goederen is gedekt, behoudens voor zover hij niet op die goederen verhaald kan worden;

     

Betalingsverplichting

Bruto of netto

In de terugvorderingsbeschikking wordt in beginsel de gehele vordering, berekend naar de teveel/ten onrechte verstrekte uitkering, rekening houdend met de brutering, meegedeeld aan inwoner. De vaststelling van deze vordering geldt dan voor inwoner als de opgelegde betalingsverplichting.

Inwoner kan volstaan met een netto betaling van de vordering wanneer:

  • a.

    de vordering betrekking heeft op het lopende boekjaar, en inwoner de vordering voldoet voor het einde van het boekjaar; of

  • b.

    de vordering niet is voldaan voor het einde van het boekjaar waarop deze betrekking heeft, maar inwoner niet kan worden verweten dat een vordering is ontstaan en evenmin kan worden verweten dat de vordering niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Hieronder valt ook de situatie dat voor desbetreffende vordering een betalingsregeling is getroffen waaraan de inwoner zich houdt.

     

De minnelijke betalingsregeling

Een inwoner kan binnen de betalingstermijn van zes weken een gemotiveerd verzoek indienen om een betalingsregeling te treffen, onder overlegging van bewijsstukken.

Binnen acht weken na ontvangst van een verzoek stelt het college de maandelijkse aflossingscapaciteit vast. De aflossingscapaciteit geldt dan voor inwoner als de gedeeltelijke aflossingsverplichting.

Dit besluit geldt tevens als besluit tot uitstel als bedoeld in artikel 4:94 Awb en wordt ingetrokken als inwoner de nader vastgestelde aflossing niet nakomt. In dat geval geldt weer dat inwoner de bruto vordering ineens moet voldoen. Het besluit tot intrekking van de minnelijke betalingsregeling wordt in beginsel ambtshalve genomen.

 

Vaststelling hoogte aflossingscapaciteit bij uitkeringsgerechtigden

Indien de inwoner een uitkering van de gemeente ontvangt bedraagt de aflossingsverplichting 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (Participatiewet) c.q. grondslag (IOAW/IOAZ) per maand inclusief vakantietoeslag.

Aflossing bedraagt nooit meer dan het voor beslag vatbare deel van de uitkering. Als inwoner een betalingsvoorstel doet van € 25 per maand wordt daarmee ingestemd, mits de vordering dan binnen 36 maanden in zijn geheel zal zijn afgelost en de hoogte van dit bedrag niet in strijd is met de bepalingen betreffende de beslagvrije voet.

 

Wijziging bij beslag op de uitkering

Als door een schuldeiser beslag is gelegd op de uitkering van inwoner, dan wordt de hoogte van de aflossing bepaald op het volledig voor beslag vatbare deel van deze uitkering.

 

Duur en hoogte aflossing bij uitstroom

De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit wordt bij beëindiging of intrekking van de uitkering gedurende zes maanden, gerekend vanaf de datum beëindiging of intrekking, gesteld op het bedrag:

  • a.

    dat inwoner maandelijks reeds afloste tijdens de uitkeringsperiode dan wel diende te betalen;

  • b.

    na afloop van de termijn van zes maanden wordt bij alle vorderingen de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op 5% van de toepasselijke bijstandsnorm, vermeerderd met 25% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de uitkering met dien verstande, dat de beslagvrije voet hierbij in acht wordt genomen.

De termijn van zes maanden kan echter ambtshalve of op verzoek eenmalig worden verlengd met zes maanden indien deze verlenging noodzakelijk is voor en ter bevordering is van een duurzame uitstroom uit de uitkering.

Als tijdens het nemen van een invorderingsbesluit een ander inkomen wordt ontvangen dan wordt de aflossing bepaald op 5% van de toepasselijke bijstandsnorm, vermeerderd met 25% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de uitkering met dien verstande, dat de beslagvrije voet hierbij in acht wordt genomen. Met een door de niet-uitkeringsgerechtigde ingediend afwijkend betalingsvoorstel wordt ingestemd als daarmee de vordering binnen een periode van 36 maanden in zijn geheel kan worden afgelost en waarbij het betalingsvoorstel van de debiteur ten minste € 25 per maand bedraagt en de beslagvrije voet in acht wordt genomen.

Inwoner voldoet niet (meer) aan zijn aflossingsplicht

Indien de inwoner niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt dan maakt het college gebruik van haar bevoegdheden tot verrekening als hierboven beschreven.

Bij het ontbreken van deze mogelijkheden wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van:

  • a.

    een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479d tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; of

  • b.

    beslag in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op basis van executoriale titel die is verbonden aan een dwangbevel, als bedoeld in artikel 4:114 Awb, nadat de betalings- en aanmaningsprocedure is doorlopen als bedoeld in artikel 4:117 Awb; of

  • c.

    een conservatoir beslag in de zin van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Voor zover het college gebruik kan maken van de uitvaardiging van een dwangbevel wordt dat toegezonden per aangetekende post.

Beleidsregel 10.3 Gevallen waarin wordt afgezien van verhaal: B126

Gebruikmaken van de bevoegdheid

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om bijstand te verhalen. Deze bevoegdheid geldt voor het college als een verplichting, behoudens de in de beleidsregels beschreven uitzonderingen, als dringende redenen hiertoe aanleiding zijn of als het gebruikmaken van de bevoegdheid in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

 

Hoogte van de verhaalsbijdrage bij gebrek aan informatie.

Als de onderhoudsplichtige onvoldoende gegevens verstrekt, wordt ambtshalve een verhaalsbijdrage vastgesteld, zo mogelijk met gebruik van de ter beschikking staande gegevens. Deze verhaalsbijdrage is maximaal de aan c.q. mede ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde verstrekte bruto bijstand.

 

Periodiek heronderzoek

Elke 36 maanden wordt een heronderzoek ingepland dan wel eerder bij gewijzigde omstandigheden. De verhaalsbijdrage wordt niet gewijzigd als na een heronderzoek het verschil met de nu betaalde verhaalsbijdrage niet groter is dan € 25 per maand.

 

Verhaal in rechte

Het college besluit indien nodig tot verhaal in rechte.

 

Afzien van verhaal

Het college kan om dringende redenen afzien van verhaal.

 

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen

 

11.1 Intrekking oude regels

Onderstaande regelingen worden per ingangsdatum van deze beleidsregels vervangen door deze beleidsregels.

 

  • Beleidsregels Terugvordering en Verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ Súdwest-Fryslân 2019

  • Beleidsregels vrijlating giften Participatiewet 2023 gemeente Súdwest-Fryslân

  • Beleidsregels boete sociale zekerheidswetten gemeente Súdwest-Fryslân 2022

  • Uitvoeringsregels Participatiewet 2015

  • Verificatieplan 2020

     

11.2 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2026.

 

11.3 Citeertitel

De naam van deze beleidsregels is: Beleidsregels rechtmatigheid algemene bijstand gemeente Súdwest-Fryslân 2026.

 

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 16 juni 2026,

mr. drs. J.A. de Vries, burgemeester

drs. C. Smits, gemeentesecretaris

Naar boven