Beleidsregels bijzondere bijstand 2026 gemeente Súdwest-Fryslân

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân;

 

gelet op titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht; de Participatiewet: artikelen 17, 18b, 31, tweede lid onderdeel s, 35, 36b, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, 44, vijfde lid, 48 derde lid, en 50, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers: artikelen 13, 15a eerste lid, en 16a vierde lid, paragraaf 5, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen: artikel 13 en paragraaf 5.

 

heeft overwogen dat:

  • het wenselijk is de beleidsregels over bijzondere bijstand te actualiseren door:

    • de wijzigingen voortvloeiend uit de Participatiewet in Balans daarin te verwerken;

    • de beleidsregels op onderdelen inhoudelijk aan te passen, rekening houdend met de gefaseerde invoering van de Participatiewet in Balans;

    • diverse redactionele en tekstuele verbeteringen door te voeren;

  • de beleidsregels daarmee weer actueel en in lijn met de geldende wet- en regelgeving zijn.

 

besluit:

 

vast te stellen de Beleidsregels bijzondere bijstand 2026 gemeente Súdwest-Fryslân.

 

 

 

Inhoudsopgave

 

Hoofdstuk 1 Algemeen

  • 1.1

    Uitgangspunten

  • 1.2

    Begrippen

  • 1.3

    Voorwaarden

  • 1.4

    Geen beroep op een andere voorziening

  • 1.5

    Moment van aanvragen 

  • 1.6

    Noodzakelijke en bijzondere omstandigheden

  • 1.7

    Vier vragen in dwingende volgorde

  • 1.8

    Hardheidsclausule

  • 1.9

    Te weinig draagkracht

  • 1.10

    Kosten niet door eigen schuld

  • 1.11

    Hoogte van de bijstand

  • 1.12

    Vorm van de bijstand

Hoofdstuk 2 B-nummers; Algemeen

  • 2.1

    Moment van aanvragen bijzondere bijstand: B062

  • 2.2

    Drempelbedrag: B066

Hoofdstuk 3 B-nummers; Draagkracht

  • 3.1

    Draagkrachtpercentages: B063

  • 3.2

    Draagkrachtperiode bijzondere bijstand: B064

  • 3.3

    Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode: B065

  • 3.4

    Stappenplan berekening bijzondere bijstand – niet gevuld: B067

  • 3.5

    In aanmerking te nemen middelen voor draagkracht: B137

Hoofdstuk 4 B-nummers; Medische kosten

  • 4.1

    Waar en wanneer medisch advies aanvragen: B069

  • 4.2

    Standaard aanvullende of collectieve zorgverzekering: B070

  • 4.3

    Brillen en contactlenzen: B073

  • 4.4

    Overig beleid inzake medische kosten: B074

  • 4.5

    Verzorging en hulp: B086

  • 4.6

    Communicatie en signalering: B087

  • 4.7

    Extra kosten chronisch zieken, gehandicapten en ouderen: B148

  • 4.8

    Bewassing en kledingslijtage: B096

  • 4.9

    Dieetkosten: B151

  • 4.10

    Stookkosten: B088

  • 4.11

    Zelfzorgmiddelen bij een chronische aandoening: B152

  • 4.12

    Tandheelkundige hulp: B153

  • 4.13

    Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg: B154

  • 4.14

    Fysiotherapie en oefentherapie: B155

Hoofdstuk 5 B-nummers; Rechtsbijstand, bewindvoering, mentorschap en curatele

  • 5.1

    Kosten rechtsbijstand: B078

  • 5.2

    Kosten bewindvoering: B076

  • 5.3

    Kosten curatele: B077

  • 5.4

    Kosten mentorschap: B165

Hoofdstuk 6 B-nummers: Wonen en verhuizen

  • 6.1

    Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten: B101

  • 6.2

    Verhuiskosten: B102

  • 6.3

    Eerste maand huur en administratiekosten: B103

  • 6.4

    Berekening woonkostentoeslag huurders: B145

  • 6.5

    Berekening woonkostentoeslag eigenaren: B146

Hoofdstuk 7 B-nummers: Jongeren en ouders

  • 7.1

    Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen in inrichting: B080

  • 7.2

    Procedure verhaal bijzondere bijstand jongeren: B081

  • 7.3

    Indirecte schoolkosten schoolgaande kinderen: B082

  • 7.4

    Babyuitzet: B084

  • 7.5

    Bijzondere bijstand voormalig alleenstaande ouders: B097

Hoofdstuk 8 B-nummers: Reis-en verwervingskosten

  • 8.1

    Reiskosten woon-werkverkeer (verwervingskosten): B089

  • 8.2

    Reiskosten bezoek Werkplein: B092

  • 8.3

    Reiskosten bezoek zieke familieleden: B091

  • 8.4

    Reiskosten bezoek gedetineerde: B014

  • 8.5

    Verwervingskosten algemeen: B099

  • 8.6

    Kosten kinderopvang (verwervingskosten): B100

Hoofdstuk 9 B-nummers: Overig

  • 9.1

    Uitvaartkosten: B075

  • 9.2

    Maaltijdvoorziening: B085

  • 9.3

    Suppletie GKB-lening: B093

  • 9.4

    Kosten schuldhulpverlening: B094

  • 9.5

    Sociaal culturele en educatieve activiteiten: B095

  • 9.6

    Overbrugging scherpe terugval in inkomsten: B105

  • 9.7

    Legeskosten verblijfsvergunning en naturalisatie: B012

  • 9.8

    Vaste lasten woning gedetineerde: B013

  • 9.9

    Vaste lasten tijdens verblijf in inrichting: B058

  • 9.10

    Overige bijzondere kosten: B106

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

  • 10.1

    Inwerkingtreding

  • 10.2

    Intrekking regelingen

  • 10.3

    Naamgeving

     

Bijlage: Overzicht B-nummers in numerieke volgorde en corresponderende beleidsregel

 

Hoofdstuk 1 Algemeen

 

 

1.1 Uitgangspunten

Deze beleidsregels gaan over wat de gemeente kan doen als inwoners bepaalde noodzakelijke kosten niet kunnen betalen. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf aan zet als er financiële problemen zijn. Als het inwoners niet lukt om zelf hun kosten te betalen, kan de gemeente hulp bieden. Die hulp heet bijzondere bijstand, en is bedoeld om inwoners te helpen onverwachte noodzakelijke kosten te betalen als ze dat zelf niet meer kunnen. Hoe en wanneer die hulp gegeven kan worden, leggen we in deze beleidsregels uit. Het zijn regels op hoofdlijnen. Per situatie onderzoekt de gemeente wat de beste oplossing is voor het probleem van de inwoner. Dat noemen we maatwerk.

 

1.2 Begrippen

Sommige begrippen uit de wet zijn lastig te vertalen. De eerste keer dat we zo’n begrip gebruiken, geven we aan uit welke wet dat begrip komt. Dat begrip heeft in deze beleidsregels dezelfde betekenis als in die wet. Andere begrippen die we in deze beleidsregels gebruiken zijn:

  • a.

    arbeidsperspectief: de mogelijkheid die iemand volgens de gemeente heeft om met werk het inkomen te vergroten;

  • b.

    college: het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân;

  • c.

    draagkracht: wat de inwoner zelf kan bijdragen aan de kosten;

  • d.

    inkomensgrens: 110% van de voor de inwoner geldende bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag, die wordt gehanteerd als grens voor de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand;

  • e.

    inwoner: de persoon die een rechtstreeks belang heeft bij een besluit van de gemeente (de belanghebbende uit artikel 1:2 Awb) en zijn gezin;

  • f.

    meerinkomen: het verschil tussen het inkomen (zonder vakantiegeld) en de toepasselijke inkomensgrens.

     

1.3 Voorwaarden

Een inwoner moet voldoen aan een aantal voorwaarden om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand. Die voorwaarden staan in de Participatiewet, vooral in de artikelen 15 en 35. De belangrijkste voorwaarden benoemen we in het kort.

 

1.4 Geen beroep op een andere voorziening

De inwoner kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand, als géén beroep kan worden gedaan op een andere (voorliggende) voorziening. Het gaat om een voorziening die toereikend (voldoende) en passend in de kosten van de inwoner voorziet en daarom voorgaat op bijzondere bijstand (artikel 15 van de Participatiewet). Die voorziening moet de inwoner dan eerst aanvragen. Als de kosten volgens die voorziening niet noodzakelijk zijn, kan de inwoner voor die kosten ook geen bijzondere bijstand ontvangen.

Voorbeelden van voorliggende voorzieningen zijn (deze lijst is niet compleet):

  • Het basispakket van de zorgverzekering en een aanvullende zorgverzekering;

  • Studiefinanciering of tegemoetkomingen in het onderwijs (WSF en WTOS);

  • Toeslagen van de rijksoverheid, zoals huurtoeslag, zorgtoeslag en kinderopvangtoeslag;

  • De Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning), de Jeugdwet en de Wlz (Wet langdurige zorg);

  • Juridische hulp via het Juridisch Loket of gesubsidieerde rechtsbijstand;

  • Uitkeringen en voorzieningen van het UWV (zoals WW, WIA of re-integratievoorzieningen);

  • Kinderbijslag en kindgebonden budget;

  • Belastingregelingen, zoals aftrekposten voor zorg- of studiekosten;

  • Regelingen van woningcorporaties, zoals betalingsregelingen;

  • Regelingen van energiemaatschappijen, zoals betalingsregelingen of het Tijdelijk Noodfonds Energie;

  • Vergoedingen vanuit een werkgever, bijvoorbeeld voor reiskosten of scholing;

  • Leenmogelijkheden voor duurzame gebruiksgoederen, zoals een sociale lening bij de Kredietbank.

     

1.5 Moment van aanvragen

Op grond van artikel 44, lid 1 van de Participatiewet wordt de bijzondere bijstand meestal toegekend vanaf de datum waarop iemand zich bij de gemeente meldt voor een aanvraag. Dat is de hoofdregel.

 

Alleen in bijzondere situaties kan bijstand met terugwerkende kracht worden toegekend, dus voor kosten die eerder zijn gemaakt. Bijzondere bijstand is bedoeld voor noodzakelijke kosten die ontstaan door een bijzondere situatie. Daarom is het soms sociaal en praktisch wenselijk de kosten alsnog te vergoeden. Een aanvraag voor bijzondere bijstand geldt in ieder geval als deze binnen 3 maanden is gedaan nadat de kosten zijn ontstaan.

 

1.6 Noodzakelijke kosten en bijzondere omstandigheden

De kosten moeten noodzakelijk zijn en het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden (art. 35, lid 1 van de Participatiewet). Of dit zo is bepaalt de gemeente per geval, maar voor sommige kosten nemen we dat altijd aan. Die kosten noemen we hieronder in hoofdstuk 2. We geven dan ook aan welke bijzondere regels daarvoor gelden.

 

1.7 Vier vragen in dwingende volgorde

Er is recht op bijzondere bijstand als iemand geen geld/middelen heeft om noodzakelijke kosten te betalen die zijn ontstaan door een bijzondere situatie. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als gezinnen. De kosten moeten niet kunnen worden betaald uit:

  • de bijstandsnorm,

  • een individuele inkomenstoeslag,

  • een studietoeslag,

  • het vermogen,

  • of het inkomen dat boven de bijstandsnorm ligt.

 

Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand wordt gekeken naar de beschikbare middelen. Voor de berekening van de draagkracht sluit het college aan bij de bepalingen over inkomen en vermogen in de Participatiewet, inclusief de daarin opgenomen vrijlatingen. Het college bepaalt over welke periode het inkomen en vermogen wordt bekeken.

 

Om te beoordelen of er recht is op bijzondere bijstand, moeten vier vragen worden beantwoord (dit volgt uit artikel 35 Participatiewet):

  • 1.

    Zijn er kosten gemaakt?

  • 2.

    Zijn de kosten in dit geval echt nodig?

  • 3.

    Zijn de kosten het gevolg van een bijzondere persoonlijke situatie?

  • 4.

    Is er genoeg eigen geld of inkomen om de kosten zelf te betalen?

De vragen moeten in deze volgorde worden beantwoord. Als één van de eerste drie vragen met “nee” wordt beantwoord, is er geen recht op bijzondere bijstand. Als de vierde vraag met “ja” wordt beantwoord, betekent dit dat de kosten uit eigen middelen kunnen worden betaald en bestaat er eveneens geen recht op bijzondere bijstand.

 

1.8 Hardheidsclausule

Een inwoner die geen recht heeft op bijstand op grond van de artikelen 11 tot en met 15 van de Participatiewet, kan toch in aanmerking komen voor bijzondere bijstand als sprake is van ‘zeer dringende redenen’ (artikel 16 van de Participatiewet). Daarvan is alleen sprake in een acute noodsituatie die niet op een andere manier kan worden opgelost. De inwoner moet aannemelijk maken dat zo’n situatie zich voordoet. Per geval beoordeelt het college of bijstand wordt verleend. Het college past deze bepaling terughoudend toe.

 

1.9 Te weinig draagkracht

De inwoner kan pas in aanmerking komen voor bijzondere bijstand als hij de kosten niet zelf kan betalen. In hoofdstuk 3 wordt uitgelegd wanneer de inwoner de kosten zelf moet betalen.

 

1.10 Kosten niet door eigen schuld

Als de inwoner de kosten zelf heeft veroorzaakt, kan de gemeente besluiten de bijzondere bijstand te verlagen of als lening te verstrekken. Dat wordt per situatie bepaald. In de Afstemmingsverordening is dat geregeld.

 

1.11 Hoogte van de bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand wordt (individueel) bepaald door de hoogte van de noodzakelijke kosten. Soms zijn er meerdere mogelijkheden om in de kosten te voorzien. Uitgangspunt is dan dat de gemeente bijstand verleent voor de goedkoopste mogelijkheid. In de actuele prijzengids van het Nibud staan normbedragen voor die kosten. De gemeente hanteert die normbedragen voor het bepalen van de hoogte van de bijstand.

 

1.12 Vorm van de bijstand

Bijzondere bijstand betaalt de gemeente in principe ‘om niet’ (als gift). Soms kan bijzondere bijstand als lening worden verstrekt. Dat is bijvoorbeeld zo als de bijstand bestemd is voor de aanschaf van huishoudelijke apparaten als een wasmachine of koelkast. Zie artikel 4.10 voor de situaties waarin de bijstand als lening wordt verstrekt. Soms geeft de gemeente ook aan bepaalde groepen vaste of terugkerende hulp. Dit heet categoriale bijzondere bijstand.

Voorbeelden hiervan zijn:

  • 1.

    de collectieve aanvullende zorgverzekering AV Frieso;

  • 2.

    een tegemoetkoming voor mensen die aanvullend verzekerd zijn bij een andere zorgverzekeraar dan De Friesland.

Bijzondere bijstand kan ook een lening zijn, als de inwoner op korte termijn voldoende geld ontvangt om de kosten zelf te betalen, of als de inwoner schuld heeft aan het ontstaan van de kosten of de kosten had kunnen voorkomen. Per situatie bepaalt de gemeente of de bijstand dan als lening wordt verstrekt.

 

Hoofdstuk 2 B-nummers algemeen

 

 

Beleidsregel 2.1 Moment aanvragen bijzondere bijstand: B062

Tijdig aanvragen

Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet op tijd worden ingediend. Een aanvraag is op tijd wanneer deze binnen 3 maanden wordt ingediend nadat de kosten zijn ontstaan.

 

Wanneer zijn kosten ontstaan?

De datum waarop de kosten zijn ontstaan, is niet de datum van de factuur. Het gaat om het moment waarop de kosten werkelijk opkomen. Dit verschilt per soort kosten.

Voorbeelden:

  • Bewindvoering

  • De kosten ontstaan op de datum waarop de Kantonrechter de bewindvoerder heeft benoemd;

  • Kosten die samen met andere bewindvoeringskosten zijn gemaakt en binnen 3 maanden na die datum worden aangevraagd, worden als op tijd ingediend gezien.

  • Rechtsbijstand

  • De kosten ontstaan op de datum waarop de rechtsbijstandsverlener het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) heeft ontvangen waarin de toevoeging wordt toegekend.

  • Zorgkosten

  • De kosten ontstaan op de dag waarop de zorg is geleverd. Dit kan de datum van een behandeling, afspraak of onderzoek zijn. De factuur kan later komen, maar dat verandert het moment van ontstaan niet.

Beleidsregel 2.2 Drempelbedrag: B066

De gemeente gebruikt geen drempelbedrag zoals bedoeld in artikel 35, lid 2, Participatiewet.

 

Hoofdstuk 3 B-nummers: Draagkracht

 

 

Beleidsregel 3.1 Draagkrachtpercentages: B063

Welk inkomen telt mee?

Als een inwoner een inkomen heeft dat niet hoger is dan 110% van de bijstandsnorm die voor hem geldt, dan hoeft de inwoner uit zijn inkomen niets bij te dragen aan de kosten. De inwoner heeft dan geen draagkracht. Bij het bepalen van de bijstandsnorm houdt de gemeente geen rekening met eventuele medebewoners op het adres van de inwoner (kostendelers).

Ligt het inkomen boven de 110% van de bijstandsnorm, dan is het mogelijk dat de inwoner met een deel van zijn meerinkomen moet bijdragen aan de kosten. Dat is de eigen bijdrage van de inwoner en wordt ook wel draagkracht genoemd. Alles boven deze grens telt volledig mee als draagkracht. Dit betekent dat het extra inkomen voor 100% wordt meegenomen bij het beoordelen van de bijzondere bijstand.

 

Vermogen

Het vermogen stelt de gemeente vast op dezelfde manier als voor de algemene bijstandsuitkering. De regels uit de wet voor het vaststellen van het vermogen gelden ook voor bijzondere bijstand. Als de inwoner een vermogen heeft dat niet hoger is dan de bedragen uit artikel 34 lid 3 van de wet, hoeft de inwoner uit zijn vermogen niets bij te dragen aan de kosten, tenzij er in deze beleidsregels iets anders is geregeld. Is het vermogen hoger dan die bedragen uit de wet, dan telt het vermogen boven die grens volledig mee als draagkracht. Ook het gespaarde vermogen in de bijstandsperiode telt mee.

 

Vermogen in de woning

De waarde van een eigen woning telt niet mee, als de inwoner die woning zelf bewoont.

Beleidsregel 3.2 Draagkrachtperiode bijzondere bijstand: B064

Draagkrachtperiode normaal:

  • Wordt voor 1 jaar vastgesteld;

  • Begint op de eerste dag van de maand waarover bijzondere bijstand wordt aangevraagd.

Draagkrachtperiode per kalenderjaar (tot 1 januari):

  • Bewindvoering, mentorschap en curatele (worden doorlopend toegekend, tenzij bij aanvang al een einddatum bekend is);

  • WSNP;

  • Woonkostentoeslag huurders;

  • Woonkostentoeslag eigenaren.

Bijzondere bijstand met peilmaand:

  • Bijzondere bijstand eigen risico chronisch zieken en gehandicapten;

  • Geen draagkrachtjaar;

  • Peilmaand = maand voorafgaand aan de aanvraag.

Berekening draagkracht bij inkomen:

  • Inkomen van de peilmaand × 12 = jaarlijkse draagkracht.

Berekening draagkracht bij sterk wisselende inkomsten:

  • Draagkracht kan worden berekend over de laatste 3, 6 of 12 maanden.

Beleidsregel 3.3 Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode: B065

Wijzigingen in inkomen of vermogen

  • Als bij de aanvraag al duidelijk is dat er binnenkort een grote verandering komt in het inkomen of vermogen, kan daar bij de berekening van de draagkracht al rekening mee worden gehouden.

  • Aanvragers moeten altijd wijzigingen in inkomen of vermogen doorgeven aan de gemeente.

  • De draagkracht of draagkrachtperiode kan in dat geval worden aangepast.

  • Heeft iemand een bijstandsuitkering die stopt, dan wordt het recht op eventuele periodieke bijstand opnieuw bekeken.

  • Alle aanpassingen worden opgenomen in de toekenningsbeschikking.

Beleidsregel 3.4 Stappenplan berekening bijzondere bijstand: B067

Zie overige B-nummers met betrekking tot de draagkracht.

Beleidsregel 3.5 In aanmerking te nemen middelen voor draagkracht: B137

Bij het berekenen van de draagkracht kijken we naar alle middelen waar de alleenstaande of het gezin over beschikt, of redelijkerwijs over kan beschikken. Dit staat in artikel 31, lid 1 van de Participatiewet. Daarbij past het college de menselijke maat toe en beoordeelt het de individuele omstandigheden van de aanvrager.

De vrijlatingen die genoemd zijn in de artikelen 31 tot en met 34 van de Participatiewet gelden ook bij de berekening van de draagkracht. Alleen het gespaarde vermogen boven de vrijgestelde grens telt mee als draagkracht. Bij de toepassing hiervan wordt rekening gehouden met de persoonlijke en financiële situatie van de aanvrager, voor zover de wet die ruimte biedt.

De kostendelersnorm gebruiken we niet bij het berekenen van de draagkracht. Het inkomen dat we meenemen is het netto-inkomen inclusief vakantiegeld.

 

Volgorde bij berekenen draagkracht

Bij het bepalen van de draagkracht gebruiken we deze volgorde:

  • 1.

    Inkomen

  • 2.

    Vermogen

Als iemand zowel periodieke (maandelijkse) als incidentele (eenmalige) kosten vergoed krijgt uit de bijzondere bijstand, dan verrekenen we de draagkracht in deze volgorde:

  • 1.

    Incidentele kosten

  • 2.

    Periodieke kosten

     

Inkomen

Voor het berekenen van het inkomen sluiten we aan bij artikelen 31 tot en met 33 van de Participatiewet. Als er beslag ligt op het inkomen en iemand daardoor feitelijk niet over (een deel van) het inkomen kan beschikken, telt het deel van het inkomen waarover betrokkene niet kan beschikken niet mee bij de draagkracht. Dit geldt niet als het beslag is ontstaan door eigen schuld (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid).

Of sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt niet automatisch aangenomen. Er zijn meerdere situaties denkbaar waarin beslag niet voortkomt uit eigen schuld, maar bijvoorbeeld door onvoorziene omstandigheden of toedoen van derden, zoals fouten van instanties, vertragingen in betalingen of bijzondere persoonlijke omstandigheden.

Het college beoordeelt dit per individueel geval, met oog voor de menselijke maat, redelijkheid en evenredigheid, of sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

Bij mensen die alleen inkomen hebben uit AOW, Anw, Wajong of een inkomen dat aangevuld wordt met een Toeslag uit de Toeslagenwet, gaan we ervan uit dat zij geen draagkracht in het inkomen hebben. Dit inkomen wordt gelijkgesteld aan de bijstandsnorm.

 

Vermogen

Tot het vermogen horen bijvoorbeeld:

  • spaargeld op een bankrekening;

  • andere bezittingen, zoals genoemd in artikel 34, lid 1, van de Participatiewet;

Tot het vermogen behoort niet:

  • vermogen in de eigen (zelf bewoonde) woning (zie ook B063)

Alleen het deel van het vermogen dat boven de vermogensgrens uitkomt (het oververmogen), telt mee als draagkracht. Dit oververmogen wordt voor 100% meegenomen. Dat geldt ook voor vermogen boven de vermogensgrens dat iemand tijdens de bijstandsperiode heeft gespaard. Ook hierbij beoordeelt het college de individuele situatie zorgvuldig, binnen de wettelijke kaders.

 

Hoofdstuk 4 B-nummers; medische kosten

 

 

Beleidsregel 4.1 Waar en wanneer medisch advies opvragen: B069

Voor vergoeding van noodzakelijke medische en paramedische kosten kan de inwoner een beroep doen op de Zorgverzekeringswet (ZVW) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Bovendien kan de inwoner deelnemen aan de collectieve zorgverzekering.

Medische kosten worden meestal volledig vergoed of bewust niet of slechts gedeeltelijk vergoed. Kosten die niet door de basisverzekering worden vergoed, kunnen vaak worden betaald uit een aanvullende verzekering. Daarom is een medisch advies meestal niet nodig bij de aanvraag van bijzondere bijstand.

In uitzonderlijke gevallen kan bijzondere bijstand voor medische kosten toch worden overwogen. Het beoordelen van de noodzaak van deze kosten gebeurt per situatie en kan maatwerk zijn. De gemeente kan hiervoor een onafhankelijk medisch advies opvragen. Als er twijfels zijn over dit advies, kan contact worden opgenomen met de adviseur en de aanvrager, of kan een tweede advies worden gevraagd.

Het is belangrijk om te weten dat het medisch advies door de gemeente wordt opgevraagd. Het is niet de bedoeling dat de aanvrager standaard zelf een advies aanlevert, hoewel dat kan. Het college moet er in elk geval op toezien dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat het advies onafhankelijk is. Zo kan bijvoorbeeld twijfel bestaan over de onafhankelijkheid van een advies van de eigen huisarts.

Beleidsregel 4.2 Standaard aanvullende of collectieve zorgverzekering: B070

Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Frieso

De gemeente heeft een collectieve aanvullende zorgverzekering afgesloten bij De Friesland Zorgverzekering, genaamd AV Frieso. Dit is een basisverzekering met een aanvullende dekking. AV Frieso is bedoeld voor inwoners met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum.

Voor medische kosten die door AV Frieso worden vergoed, geeft de gemeente geen bijzondere bijstand. Als iemand geen aanvullende verzekering heeft, is er ook geen bijzondere bijstand mogelijk voor kosten die onder AV Frieso vallen.

 

Anders dan AV-Frieso

Als iemand aanvullend verzekerd is bij een andere zorgverzekering, kan er bijzondere bijstand worden gegeven voor de kosten van die aanvullende verzekering. Dit kan in principe tot maximaal € 129 per jaar.

 

Eigen risico zorgverzekering

Voor het wettelijk of vrijwillig eigen risico wordt in principe geen bijzondere bijstand gegeven.

Uitzondering: het verplicht eigen risico voor chronisch zieken en gehandicapten, zie B148.

 

Eigen bijdrage CAK

Voor ondersteuning, zorg of verblijf in een instelling rekent het CAK een eigen bijdrage per maand. De eigen bijdrage wordt berekend op basis van het zorggebruik, leeftijd, huishouden, inkomen en vermogen. Inwoners met een bijstandsuitkering op basis van zak- en kleedgeld hoeven meestal geen eigen bijdrage te betalen.

 

Geen bijzondere bijstand eigen bijdrage Wmo

Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor de eigen bijdrage Wmo-voorzieningen. Deze bijdrage kan wel worden verzacht doordat deze eventueel wordt vergoed via de aanvullende zorgverzekering Frieso (zie ook §4.5).

Beleidsregel 4.3 Brillen en contactlenzen: B073

Uitgangspunt is dat de Zorgverzekeringswet (basisverzekering) een passende en toereikende voorliggende voorziening is. Dit betekent dat er geen recht op bijzondere bijstand bestaat voor medische kosten, zoals de aanschaf van een bril of contactlenzen. Het is de eigen verantwoordelijkheid van iedereen om zich adequaat te verzekeren.

De gemeente biedt ook de aanvullende verzekering AV Frieso aan voor inwoners met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum.

Beleidsregel 4.4 Overig beleid inzake medische kosten: B074

Uitgangspunt is dat de basisverzekering een passende en toereikende voorliggende voorziening is. Het is de eigen verantwoordelijkheid van iedereen om zich adequaat te verzekeren.

De gemeente biedt ook de aanvullende verzekering AV Frieso aan voor inwoners met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum.

De rechter geeft in jurisprudentie consequent aan dat volgens haar de Zorgverzekeringswet (mede gelet op het Besluit Zorgverzekering) en de Wlz toereikende en passende voorzieningen zijn. Dit betekent dat er geen recht bestaat op bijzondere bijstand voor medische kosten. Alle noodzakelijke kosten zijn immers in de voorliggende voorzieningen opgenomen.

Beleidsregel 4.5  Verzorging en hulp: B086

Voor ondersteuning, zorg of verblijf in een (zorg)instelling wordt een eigen bijdrage berekend door het CAK. De eigen bijdrage wordt berekend op basis van het zorggebruik, leeftijd, huishouden, inkomen en vermogen. Inwoners met een bijstandsuitkering op basis van zak- en kleedgeld hoeven meestal geen eigen bijdrage te betalen.

Geen bijzondere bijstand eigen bijdrage Wmo

Er wordt geen bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage Wmo voorzieningen verstrekt. Deze worden eventueel wel vergoed via de aanvullende zorgverzekering van de AV Frieso.

Beleidsregel 4.6 Communicatie en signalering: B087

Bijzondere bijstand kan worden verstrekt ter vergoeding van (noodzakelijke) kosten in het individuele geval die naar het oordeel van het college niet betaald kunnen worden uit de algemene bijstand (of een daarmee in hoogte vergelijkbaar inkomen) of de bij belanghebbende aanwezige draagkracht.

Daarnaast geldt dat geen recht op bijzondere bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 Participatiewet). In het kader van communicatie- en/of alarmeringsvoorzieningen geldt de Regeling zorgverzekering als voorliggende voorziening.

Beleidsregel 4.7 Extra kosten chronisch zieken, gehandicapten en ouderen: B148

Eigen risico zorgverzekering

Voor het wettelijk en vrijwillig eigen risico wordt in principe geen bijzondere bijstand gegeven.

Uitzondering: het verplicht eigen risico voor chronisch zieken en gehandicapten. Chronisch zieken en gehandicapten kunnen een tegemoetkoming van € 265 krijgen als het eigen risico volledig verbruikt is over het kalenderjaar waarvoor de aanvraag wordt gedaan.

 

Voorwaarden

  • Bij de aanvraag moet een bewijs worden overlegd dat het eigen risico volledig is verbruikt. Door bewijs van verbruik op te vragen, wordt voorkomen dat bijzondere bijstand wordt gegeven voor kosten die uiteindelijk niet zijn gemaakt.

  • Als er twijfel bestaat of iemand een chronische ziekte of handicap heeft, kan de gemeente een nader onderzoek doen. Er wordt geen medische verklaring gevraagd; de gemeente gaat uit van de eigen verklaring van de aanvrager.

  • Om voor het recht op deze tegemoetkoming de hoogte van het inkomen en vermogen te bepalen, wordt als peilmaand de maand voorafgaand aan de aanvraag beoordeeld.

  • De draagkracht wordt vastgesteld conform B-nummer B064.

     

Termijn

Let op: de aanvraag kan worden ingediend in het kalenderjaar waarin de zorgkosten zijn gemaakt én tot uiterlijk 1 april van daaropvolgende kalenderjaar. Deze termijn sluit aan bij de gebruikelijke aanvraagtermijnen binnen de bijzondere bijstand en houdt rekening met het feit dat zorgverzekeraars vaak pas na afloop van het kalenderjaar volledig inzicht geven in het verbruik van het eigen risico. Hierdoor krijgt de inwoner voldoende gelegenheid om, zodra de definitieve gegevens beschikbaar zijn, alsnog tijdig een aanvraag in te dienen.

 

Voorbeeld:

Voor het verplicht eigen risico over 2025 kan een aanvraag worden ingediend van 1 januari 2025 tot en met 31 maart 2026.

 

Overgangsregeling

Voor aanvragen die betrekking hebben op het kalenderjaar 2025 geldt een overgangstermijn tot en met 31 december 2026. Aanvragen die in deze periode worden ingediend en die buiten de reguliere termijn vallen, kunnen alsnog worden toegekend. De inwoner wordt daarbij geïnformeerd over de geldende aanvraagtermijn voor toekomstige jaren.

Let op: mensen die een Tegemoetkoming arbeidsongeschikten (UWV) ontvangen, kunnen deze compensatie naast de bijzondere bijstand voor het eigen risico ontvangen. Deze tegemoetkoming wordt niet in mindering gebracht, omdat deze compensatie bedoeld is voor algemene extra kosten door ziekte of handicap en niet specifiek voor het eigen risico.

Beleidsregel 4.8 Bewassing en kledingslijtage: B096

Het is mogelijk dat een inwoner extra kosten moet maken voor het wassen of aanschaffen van kleding, als gevolg van een ziekte of beperking. Die inwoner kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand als aan de voorwaarden is voldaan. De gemeente vraagt medisch advies aan om vast te stellen of de inwoner vaker dan gemiddeld kleding moet aanschaffen of moet wassen. Voor het vaststellen van de extra kosten sluit de gemeente aan bij de normbedragen voor waskosten uit de Nibud-prijzengids.

Beleidsregel 4.9 Dieetkosten: B151

Extra kosten voor een noodzakelijk dieet worden niet vergoed door de zorgverzekering. De gemeente kan bijzondere bijstand voor dieetkosten verstrekken als aan de voorwaarden is voldaan. De gemeente vraagt medisch advies aan om vast te stellen of de inwoner een speciaal dieet moet volgen en daar extra kosten voor moet maken. Voor het vaststellen van de extra kosten sluit de gemeente aan bij de normbedragen voor voeding uit de Nibud-prijzengids.

 

Mensen met een indicatie van de huisarts of diëtist kunnen van de Belastingdienst geld terug vragen voor de meest voorkomende diëten. Het is een bewuste keuze dat terugvragen bij de belastingdienst niet verplicht is; de inwoner kan zelf beoordelen of dit voor hem/haar voordelig is. Door de dieetkosten als specifieke zorgkosten op te voeren kan de drempel die voor teruggave geldt zodanig overschreden worden dat ook andere kosten, waarvoor geen bijzondere bijstand wordt verstrekt, voor aftrek in aanmerking komen. Die overweging kan belanghebbende zelf maken.

Beleidsregel 4.10 Stookkosten: B088

Het kan nodig zijn dat de inwoner zijn woning extra moet verwarmen als gevolg van ziekte of een beperking. De gemeente kan bijzondere bijstand voor die extra kosten verstrekken als aan de voorwaarden is voldaan. De gemeente vraagt medisch advies aan om vast te stellen of de inwoner de woning extra moet verwarmen.

 

Voorbeeld: bij stookkosten wordt alleen het bedrag boven de gemiddelde stookkosten (de meerkosten) vergoed. De gemiddelden staan in de Nibud Prijzengids, waarbij rekening wordt gehouden met het type woning.

Beleidsregel 4.11 Zelfzorgmiddelen bij een chronische aandoening: B152

De Wlz en de Zvw vergoeden in het algemeen alle noodzakelijke kosten die verband houden met medische of paramedische behandelingen. Beide regelingen gelden samen in het kader van de Participatiewet als een voorliggende voorziening die passend en toereikend is. Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom in beginsel uitgesloten.

Beleidsregel 4.12 Tandheelkundige hulp: B153

Uitgangspunt is dat de basisverzekering een passende en toereikende voorliggende voorziening is. Het is de eigen verantwoordelijkheid van iedereen om zich adequaat te verzekeren. De gemeente biedt ook nog de aanvullende verzekering AV Frieso aan. Daarnaast biedt de markt diverse oplossingen om zich te verzekeren voor tandheelkundige kosten. De jurisprudentie bevestigt dat de Zorgverzekeringswet (mede gelet op het Besluit Zorgverzekering) en de Wlz toereikende en passende voorliggende voorzieningen zijn. Dit betekent dat geen recht bestaat op bijzondere bijstand voor medische kosten. Alle noodzakelijke kosten zijn immers in de voorliggende voorzieningen opgenomen.

De enige uitzondering is als sprake is van zeer dringende redenen op grond van artikel 16, lid 1 van de Participatiewet.

Een slecht gebit kan wel reden zijn om minder gemakkelijk aan het werk te komen. Als dat in een concrete situatie aantoonbaar het geval is, kan wellicht een vergoeding uit het re-integratiebudget worden verstrekt.

Beleidsregel 4.13 Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg: B154

Voor de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg kan doorgaans een beroep worden gedaan op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet (bijvoorbeeld: Zorgverzekeringswet, Wmo, Wlz, Jeugdwet). Bijzondere bijstand voor deze kosten is daarom in beginsel niet mogelijk.

Beleidsregel 4.14 Fysiotherapie en oefentherapie: B155

Uitgangspunt is dat de basisverzekering een passende en toereikende voorliggende voorziening is. Het is de eigen verantwoordelijkheid van iedereen om zich adequaat te verzekeren. Het verlenen van bijzondere bijstand voor de kosten van fysiotherapie en oefentherapie is daarom in beginsel niet mogelijk.

De gemeente biedt ook de aanvullende verzekering AV Frieso aan voor inwoners met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum.

De rechter geeft in de jurisprudentie consequent aan dat volgens haar de Zorgverzekeringswet (mede gelet op het Besluit zorgverzekering) en de Wet langdurige zorg (Wlz) toereikende en passende voorzieningen zijn. Dit betekent dat geen recht bestaat op bijzondere bijstand voor medische kosten. Alle noodzakelijke kosten zijn immers in deze voorliggende voorzieningen opgenomen.

 

Hoofdstuk 5 Rechtsbijstand, bewindvoering, mentorschap en curatele

 

 

Beleidsregel 5.1 Kosten rechtsbijstand: B078

De inwoner die op grond van de Wet op de rechtsbijstand een advocaat toegewezen krijgt (toevoeging) is een eigen bijdrage verschuldigd. Voor deze eigen bijdrage kan bijzondere bijstand worden verleend.

Voor andere vormen van rechtsbijstand, zoals het inschakelen van een particuliere advocaat zonder toevoeging of het krijgen van juridisch advies buiten de formele toevoeging, wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verstrekt. Dit komt doordat de kosten in die gevallen door de Raad voor Rechtsbijstand niet als noodzakelijk worden aangemerkt. Evenmin wordt bijzondere bijstand verleend voor:

  • a.

    de proceskosten van de tegenpartij, als de inwoner deze kosten moet betalen;

  • b.

    vertaalkosten;

  • c.

    reiskosten voor het bijwonen van rechtszittingen van bestuursrechters; of voor

  • d.

    de kosten die de inwoner maakt vanwege een ingediend bezwaarschrift, zoals reiskosten voor het bijwonen van een hoorzitting of kosten van ondersteuning door een adviseur.

Indien de Raad voor Rechtsbijstand een advocaat toewijst, wordt aangenomen dat de kosten van rechtsbijstand noodzakelijk zijn. Het soort procedure is daarbij niet van belang; dit kan onder meer een strafzaak, een procedure tegen de gemeente of een beroepsprocedure betreffen.

De eigen bijdrage kan door de Raad voor de Rechtsbijstand worden verlaagd. Voorheen moest men hiervoor eerst naar het Juridisch Loket. Sinds maart 2020 past de Raad deze korting automatisch toe, ook als de aanvrager niet bij het Juridisch Loket is geweest.

Indien de eigen bijdrage niet wordt verlaagd, kan bijzondere bijstand voor het resterende bedrag worden aangevraagd, mits aan de overige voorwaarden voor bijzondere bijstand wordt voldaan. Hiermee wordt voorkomen dat een inwoner in een vergelijkbare situatie als bij griffierechten zonder mogelijkheid tot ondersteuning komt.

 

Proceskostenvergoeding (artikel 7:15 Awb)

De inwoner kan in een bezwaarschriftprocedure in aanmerking komen voor een vergoeding van proceskosten op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht. Het niet aanvragen van een proceskostenvergoeding vormt geen afwijzingsgrond voor bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand.

Indien aannemelijk is dat de inwoner redelijkerwijs een proceskostenvergoeding had kunnen verkrijgen, maar deze zonder gegronde reden niet heeft aangevraagd, kan dit aanleiding zijn om de bijzondere bijstand te verlagen. Dit wordt per individueel geval beoordeeld en gemotiveerd.

Wanneer daadwerkelijk een proceskostenvergoeding wordt toegekend, wordt deze vergoeding aangemerkt als middel. De gemeente vordert in dat geval de verleende bijzondere bijstand tot maximaal het bedrag van de ontvangen vergoeding terug.

 

Griffierechten

De inwoner met een toegevoegde advocaat kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor de griffierechten om een procedure te voeren. Heeft de inwoner geen toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand, dan beoordeelt de gemeente per situatie of de procedure noodzakelijk is. Is dat zo, dan is bijzondere bijstand mogelijk voor de griffierechten als ook aan de andere voorwaarden voor bijzondere bijstand is voldaan.

Indien de rechter de tegenpartij veroordeelt in de kosten van de procedure, dan wordt de verleende bijzondere bijstand teruggevorderd tot maximaal het bedrag van de toegekende proceskostenvergoeding.

De kosten van de eigen bijdrage ontstaan op de datum waarop de advocaat het besluit tot verlening van de toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand ontvangt. De aanvraag om bijzondere bijstand dient uiterlijk binnen drie maanden na deze datum te worden ingediend.

Beleidsregel 5.2 Kosten bewindvoering: B076

Wat is bewindvoering?

Bewindvoering wordt ingesteld als iemand zijn of haar financiële zaken niet zelf kan regelen. Een bewindvoerder neemt beslissingen over het geld en de goederen van die persoon. Wie onder bewind staat, blijft zelf handelingsbekwaam. Dat betekent dat die persoon nog steeds bepaalde rechtshandelingen zelfstandig kan doen.

De kantonrechter wijst de bewindvoerder aan. Als een professionele bewindvoerder is benoemd, vraagt deze vaak bijzondere bijstand voor de kosten van de bewindvoering. Bewindvoering wordt ook wel beschermingsbewind genoemd.

 

Hoogte van de bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand wordt gebaseerd op het bedrag dat de kantonrechter in de beschikking als beloning voor de bewindvoerder heeft vastgesteld. Deze bijstand wordt in principe om niet verleend.

 

WSNP-bewind

De Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) is bedoeld voor mensen die buiten hun schuld in ernstige schulden terecht zijn gekomen. Het doel van de WSNP is voorkomen dat iemand jarenlang wordt achtervolgd door schulden.

De schuldenaar vraagt de WSNP zelf aan bij de rechtbank. De rechtbank benoemt een bewindvoerder, die toezicht houdt op het naleven van verplichtingen door de schuldenaar.

 

Voorliggende voorziening

Als de bewindvoering plaatsvindt binnen de WSNP, geldt het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering als voorliggende voorziening.

Voor de voorbereiding van een WSNP-traject kan de schuldenaar worden doorverwezen naar de Kredietbank Nederland (KBN). Voor de kosten van deze voorbereiding wordt geen bijzondere bijstand verleend, omdat de KBN hiervoor al door de gemeente wordt gesubsidieerd.

Beleidsregel 5.3 Kosten curatele: B077

Wat is curatele?

Curatele is bedoeld voor mensen die hun financiële en persoonlijke zaken niet zelf kunnen regelen en voor wie beschermingsbewind of mentorschap niet voldoende is.

Een curator beslist over het geld, de verzorging, verpleging, behandeling of begeleiding van de betrokkene. Iemand onder curatele is handelingsonbekwaam. Dit betekent dat die persoon niet zelfstandig belangrijke beslissingen kan nemen. Dit is anders dan bij bewindvoering, waarbij iemand handelingsbekwaam blijft. Alle lopende curatele- en bewindstellingen staan in het openbare curatele- en bewindregister.

 

Wie benoemt de curator?

De kantonrechter benoemt de curator. Als een professionele curator is aangesteld, kan bijzondere bijstand worden aangevraagd voor de kosten.

 

Hoogte van de bijzondere bijstand

Het bedrag dat de kantonrechter als beloning voor de curator vaststelt, komt in aanmerking voor bijzondere bijstand. Deze bijstand wordt in principe om niet verleend.

Beleidsregel 5.4 Kosten mentorschap: B165

Wat is mentorschap?

Mentorschap is een wettelijke regeling die bedoeld is om volwassenen te beschermen die door hun geestelijke of lichamelijke situatie moeite hebben om hun eigen belangen goed te regelen. Het gaat hierbij om niet-financiële zaken, zoals persoonlijke verzorging, gezondheid of begeleiding.

Het mentorschap wordt bij voorkeur uitgevoerd door een familielid. Als geen familielid beschikbaar is en de betrokkene geen voorkeur heeft, wijst de kantonrechter een vrijwilliger aan om het mentorschap uit te voeren.

 

Noodzaak van een mentor

Als de rechter een mentor heeft benoemd, wordt aangenomen dat het mentorschap noodzakelijk is. Dit betekent dat de kosten die voortkomen uit het mentorschap in principe noodzakelijk zijn en in aanmerking kunnen komen voor bijzondere bijstand.

 

Hoofdstuk 6 Wonen en verhuizen

 

 

Beleidsregel 6.1 Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten: B101

Woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen

Bijzondere bijstand kan worden gegeven voor duurzame gebruiksgoederen. Dit zijn spullen die langer meegaan, zoals meubels, vloerbedekking en gordijnen. De bijstand kan worden verstrekt als geldlening, borgtocht of bedrag om niet, waarbij de voorkeur meestal uitgaat naar een lening of borgtocht.

Als iemand een duurzaam gebruiksartikel moet vervangen, geldt de regel dat tweedehands spullen volstaan. Belanghebbenden worden bijvoorbeeld verwezen naar een kringloopwinkel of Marktplaats. Voor woninginrichting wordt maximaal 40% van de Nibud-normen gehanteerd.

De kosten worden alleen vergoed voor goederen die gebruikelijk zijn in een woninginventaris. Hiervoor moet een offerte vooraf of bonnetjes achteraf worden overlegd.

Voorbeelden van een gebruikelijke woninginventaris (geen volledige lijst):

  • Meubilair voor de woonkamer: bank, salontafel, eettafel en stoelen, buffetkast

  • Bedden en toebehoren voor de bewoner(s) en kinderen

  • Eén hang- of legkast per slaapkamer

  • Wasmachine

  • Koelkast en vriezer of koel-vriescombinatie

  • Kooktoestel

  • Stofzuiger

  • (Gas)kachel als er geen cv-installatie is

  • Televisie

  • Vloerbedekking of laminaat

     

Opknapkosten

Voor inrichtingskosten die niet tot duurzame gebruiksgoederen behoren, zoals verf of behang, kan bijzondere bijstand om niet worden gegeven tot maximaal € 500. De kosten moeten noodzakelijk zijn en niet uit eigen draagkracht kunnen worden betaald. Bonnetjes moeten worden overlegd om de hoogte van de bijstand vast te stellen.

 

Uitzonderingen op de hoofdregel

  • Eerste woninginrichting

Voor de eerste woninginrichting is in principe geen bijzondere bijstand mogelijk, omdat verwacht wordt dat deze kosten voorkomen wanneer iemand voor het eerst op zichzelf gaat wonen. Uitzondering: jongeren uit jeugdzorginstellingen kunnen een lening krijgen voor hun eerste woninginrichting.

  • Echtscheiding

Wanneer de noodzaak voor bijstand voor woninginrichting voortvloeit uit een echtscheiding, wordt de norm voor maximaal te verlenen bijzondere (leen)bijstand gehalveerd. Aangenomen mag worden dat belanghebbende aanspraak kan maken op de helft van de inboedel van de echtelijke woning.

  • Voormalige asielzoekers

Als een voormalige asielzoeker een woning of kamer krijgt, kan bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening worden gegeven voor noodzakelijke woninginrichting. Dit geldt alleen bij de eerste verhuizing vanuit het AZC.

Beleidsregel 6.2 Verhuiskosten: B102

Men wordt geacht zelf geld te reserveren voor verhuiskosten. Dit geldt ook bij verhuizingen om medische of sociale redenen.

Een uitzondering is mogelijk als het gaat om een plotselinge, noodzakelijke verhuizing die niet te voorzien was.

 

Aanvragen

Bijzondere bijstand voor verhuiskosten moet worden aangevraagd bij de gemeente waar iemand woont, voordat de verhuizing plaatsvindt. Als iemand verhuist van een woning boven de huurtoeslaggrens naar een woning die huurtoeslag kan krijgen, kan de bijstand om niet worden verstrekt.

 

Voorliggende voorzieningen

Volgens artikel 15 van de Participatiewet moet eerst worden gekeken of er een andere mogelijkheid (voorliggende voorziening) is om de kosten te vergoeden. Voorbeelden hiervan zijn:

  • De Wmo bij medisch noodzakelijke verhuizingen.

  • De werkgever, op basis van CAO of arbeidsovereenkomst.

  • De verhuurder, bijvoorbeeld bij gedwongen verhuizing door sloop of renovatie.

Beleidsregel 6.3 Eerste maand huur en administratiekosten: B103

Bij verhuizing of eerste huisvesting moet de inwoner vaak extra woonkosten maken, zoals het betalen van een waarborgsom, vooruitbetaling van de eerste huur en administratiekosten. Deze kosten moeten uit het maandelijkse inkomen worden betaald. De inwoner kan (behalve in uitzonderlijke situaties) in principe niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.

 

Daarnaast is de Wet op de huurtoeslag een voorliggende voorziening, zoals beschreven in artikel 15 van de Participatiewet.

Beleidsregel 6.4  Berekening woonkostentoeslag huurders: B145

Per 1 januari 2026 treedt de gewijzigde Wet op de huurtoeslag (Wht) in werking. De maximale huurgrens vervalt als toegangsvoorwaarde voor huurtoeslag; huurders kunnen met een laag inkomen aanspraak maken op huurtoeslag ongeacht de hoogte van de huur.

De maximale huurgrens blijft bestaan als rekenplafond: de huurtoeslag wordt uitsluitend berekend over de huur tot dat bedrag. Het deel van de huur boven de rekenhuurgrens wordt niet door de huurtoeslag gedekt en wordt aangeduid als de niet- gesubsidieerde huurcomponent.

 

Doel van de woonkostentoeslag

De woonkostentoeslag (wkt) is een vorm van bijzondere bijstand voor huishoudens die, ondanks de huurtoeslag, onvoldoende draagkracht hebben om de niet-gesubsidieerde huurcomponent te betalen.

De huurtoeslag geldt hierbij als voorliggende voorziening (artikel 15 Participatiewet). Indien en voor zover de huurtoeslag niet toereikend is om in redelijke en noodzakelijke woonkosten te voorzien, kan de gemeente aanvullende bijstand verlenen in de vorm van woonkostentoeslag.

 

Voorwaarden

De aanvrager:

  • heeft recht op huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag (ook bij hoge huur);

  • heeft onvoldoende draagkracht om de niet-gesubsidieerde huurcomponent te betalen;

  • maakt aantoonbaar noodzakelijke woonkosten;

  • heeft de huurtoeslag aangevraagd;

  • maakt redelijke woonkosten, waarbij woonlasten worden beoordeeld aan de hand van een door het college gehanteerd normenkader.

 

Onder redelijke woonkosten wordt verstaan: woonkosten die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn, gelet op de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende en het lokaal normbedrag. Hogere huur kan als noodzakelijk worden aangemerkt bij:

  • medische of sociale gronden;

  • een aangepaste woning;

  • ouderen in aanleunwoning;

  • tijdelijke en onvermijdbare situaties;

  • aantoonbare schaarste in de woningmarkt.

     

Lokale normhuur

De gemeente hanteert een lokale normhuur als richtsnoer voor de beoordeling van redelijke woonkosten. Deze normhuur vormt geen absolute bovengrens, maar een beoordelingskader.

De lokale normhuur wordt bepaald aan de hand van:

  • de huurprijzen van vergelijkbare, passende woningen in de gemeente of regio;

  • de huurtoeslagsystematiek en de geldende rekenhuurgrens;

  • de samenstelling van het huishouden;

  • de actuele situatie op de lokale woningmarkt.

Woonkosten die hoger zijn dan de lokaal gangbare huurprijzen kunnen uitsluitend als noodzakelijk worden aangemerkt indien sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals onder de voorwaarden benoemd.

 

Uitgangspunten

  • De huurtoeslag wordt door het Rijk berekend tot maximaal de rekenhuurgrens.

  • Voor het deel boven de rekenhuurgrens kan de gemeente, indien aan de voorwaarden is voldaan, woonkostentoeslag verstrekken.

  • De woonkostentoeslag wordt vastgesteld op basis van de noodzakelijke woonkosten en de individuele draagkracht.

     

Rekensystematiek

Situatie A – Er wordt volledige huurtoeslag ontvangen

  • Stap 1 – Niet-gesubsidieerde huurcomponent

Bepaal het deel van de rekenhuur dat hoger is dan de maximale subsidiabele huurgrens.

  • Stap 2 – Maximale woonkostentoeslag

De maximale woonkostentoeslag bedraagt het bedrag van de niet-gesubsidieerde huurcomponent.

  • Stap 3 – Draagkracht

Op de maximale woonkostentoeslag wordt 100% van de vastgestelde draagkracht (alles boven de 110% van de toepasselijke norm) in mindering gebracht.

 

Situatie B – Er wordt geen of onvolledige huurtoeslag ontvangen

  • Stap 1 – Rekenhuur

Bepaal de rekenhuur overeenkomstig de Wet op de huurtoeslag.

  • Stap 2 – Maximale woonkostentoeslag (Wht-systematiek)

Bereken de maximale woonkostentoeslag overeenkomstig de systematiek van de huurtoeslag.

  • Stap 3 – Ontvangen huurtoeslag in mindering

De feitelijk ontvangen huurtoeslag wordt in mindering gebracht op de berekende maximale woonkostentoeslag.

  • Stap 4 – Draagkracht

Op het resterende bedrag wordt 100% van de vastgestelde draagkracht (= alles boven 110% van de toepasselijke norm) in mindering gebracht.

 

Duur van de woonkostentoeslag

  • De woonkostentoeslag wordt in beginsel toegekend voor maximaal één jaar.

  • Een verlenging van telkens één jaar is mogelijk zolang de noodzaak voortduurt en aan de (inspannings-)verplichtingen wordt voldaan.

     

Inspanningsverplichting en verhuisverplichting

Op grond van artikel 55 van de Participatiewet wordt aan de toekenning van woonkostentoeslag een inspanningsverplichting verbonden om de woonlasten in overeenstemming te brengen met de financiële draagkracht van belanghebbende. Deze inspanningsverplichting kan bestaan uit een verhuisplicht en/of een inkomensverplichting.

 

Verhuisplicht

De verhuisplicht wordt opgelegd indien de woonkosten hoger zijn dan de maximaal subsidiabele huurgrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag, tenzij sprake is van:

  • handicap gerelateerde woningaanpassingen;

  • door een deskundige vastgestelde sociale of medische belemmeringen;

  • leeftijd jonger dan 21 jaar;

  • algemene bijstand in de vorm van een geldlening met krediethypotheek (tot het kredietplafond);

  • tijdelijke bijstand voor zelfstandigen op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004;

  • situaties waarin verkoop van een koopwoning of verhuizing in redelijkheid niet kan worden verlangd, ter beoordeling van het college.

     

De verhuisverplichting geldt niet voor:

  • minder validen in een aangepaste woning;

  • ouderen in een aanleunwoning;

  • situaties waarin verhuizing niet realistisch is wegens schaarste op de woningmarkt;

  • situaties waarin verhuizing ongewenst is in verband met zorg, veiligheid of de stabiliteit van kinderen.

     

Verplichtingen bij huurwoningen

  • inschrijving bij woningcorporaties met huurwoningen in de provincie Friesland;

  • minimaal twee reacties per maand op passende woningen met een huurprijs onder de huurgrens, via WoningNet/DAK of de particuliere markt.

     

Inkomensverplichting

Van een belanghebbende wordt verwacht dat hij of zij zich inspant om het inkomen zo spoedig mogelijk te verhogen, zodat de noodzaak voor woonkostentoeslag vervalt.

 

Controle en naleving verplichtingen

De naleving van de aan de woonkostentoeslag verbonden verplichtingen worden beoordeeld bij een nieuwe aanvraag of heraanvraag van de woonkostentoeslag.

Bij de (her) aanvraag dient belanghebbende aannemelijk te maken dat hij of zij gedurende de voorafgaande periode heeft voldaan aan de opgelegde verplichtingen. Desgevraagd worden bewijsstukken overgelegd, zoals inschrijfbewijzen bij woningcorporaties en overzichten van woningreacties.

Tussentijdse controle vindt in beginsel niet plaats, tenzij sprake is van concrete signalen die aanleiding geven tot nader onderzoek.

Indien bij de (her) aanvraag blijkt dat belanghebbende onvoldoende inspanningen heeft verricht zonder geldige reden, kan dit gevolgen hebben voor het recht op woonkostentoeslag, waaronder het weigeren van (verlenging) van de woonkostentoeslag.

 

Terugvordering

Wanneer achteraf blijkt dat belanghebbende alsnog (hogere) huurtoeslag ontvangt, wordt de verleende woonkostentoeslag teruggevorderd, voor zover deze leidt tot een dubbele vergoeding van dezelfde kosten.

Indien de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag achteraf verlaagt of (gedeeltelijk) terugvordert over een periode waarin woonkostentoeslag is verstrekt, wordt beoordeeld of en in hoeverre de huurtoeslag over die periode feitelijk ontoereikend is geweest.

In dat geval kan de woonkostentoeslag ambtshalve worden herzien of aangevuld over de betreffende periode, voor zover:

  • de huurtoeslag door de definitieve vaststelling lager is vastgesteld;

  • belanghebbende in die periode voldeed aan de voorwaarden voor woonkostentoeslag; en

  • geen sprake is van verwijtbaar handelen van belanghebbende.

De gemeente vraagt hiertoe na afloop van het toeslagjaar de definitieve beschikking huurtoeslag op, indien dit relevant is voor de vaststelling van het recht op woonkostentoeslag.

Bij inkomenswijzigingen gedurende het jaar geldt dat de woonkostentoeslag en huurtoeslag maandelijks worden beoordeeld op basis van het actuele inkomen. Een latere jaarherrekening door de Belastingdienst leidt niet automatisch tot beëindiging of terugvordering van woonkostentoeslag, maar tot een herbeoordeling op maat.

Beleidsregel 6.5 Berekening woonkostentoeslag eigenaren: B146

Woonkostentoeslag eigen woning (eigenaren/bewoners)

Eigenaren/bewoners van een eigen woning (of woonboot) kunnen in aanmerking komen voor woonkostentoeslag (WKT). Deze toeslag is bedoeld om woningeigenaren, die géén recht hebben op huurtoeslag en onvoldoende draagkracht hebben, in een vergelijkbare positie te brengen met huurders: ook zij moeten een redelijk deel van hun inkomen kunnen aanwenden voor andere noodzakelijke kosten van bestaan dan woonlasten.

 

Doel van de woonkostentoeslag

De woonkostentoeslag voor eigenaren is een aanvullende vorm van bijzondere bijstand voor personen die ondanks inzet van voorliggende voorzieningen zoals hypotheekrenteaftrek, onvoldoende draagkracht hebben om in redelijke en noodzakelijke woonkosten te voorzien. De woonkostentoeslag vult uitsluitend aan tot een woonlastenniveau dat door het college als redelijk en noodzakelijk wordt aangemerkt, vergelijkbaar met het niveau dat bij huurders als redelijk wordt beschouwd.

 

Woonkosten die meetellen

Bij de berekening van de woonkostentoeslag voor eigenaren worden uitsluitend de volgende noodzakelijke woonkosten betrokken:

  • hypotheekrente (exclusief aflossing);

  • eigenaarsdeel onroerendezaakbelasting (OZB);

  • premie opstalverzekering;

  • eigenaarsdeel rioolheffing;

  • waterschapslasten (uitsluitend het eigenaarsdeel);

  • erfpachtcanon.

Kosten voor aflossing van hypotheek, onderhoud of verbetering aan de woning worden niet tot de noodzakelijke woonkosten gerekend.

 

Voorwaarden

De aanvrager:

  • heeft onvoldoende draagkracht voor noodzakelijke woonkosten;

  • maakt aantoonbaar noodzakelijke woonkosten;

  • maakt redelijke woonkosten, waarbij woonlasten worden beoordeeld aan de hand van een door het college gehanteerd normenkader;

  • heeft een voorlopige teruggaaf hypotheekrente aangevraagd bij de Belastingdienst;

  • overlegt de beschikking voorlopige teruggaaf en het daaraan ten grondslag liggende verzoek in;

  • toont aan dat voor de volledige aftrekbare hypotheekrente een voorlopige teruggaaf is aangevraagd.

     

Redelijke woonkosten en lokaal normbedrag

Onder redelijke woonkosten wordt verstaan: woonkosten die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn, gelet op de individuele omstandigheden van belanghebbende. Het college hanteert voor de uitvoering van de woonkostentoeslag een lokaal normkader voor woonkosten, afgestemd op de woningmarkt in Súdwest-Fryslân. Dit normkader fungeert als richtsnoer voor de beoordeling of sprake is van redelijke woonkosten en wordt toegepast met inachtneming van individuele omstandigheden.

Voor eigenaren wordt het lokale normkader afgeleid van het normkader voor huurders (B145), rekening houdend met verschillen in woonlasten tussen huur en eigendom. Het normkader vormt geen absolute bovengrens, maar een hulpmiddel bij de beoordeling van de redelijkheid en noodzakelijkheid van de woonkosten.

Afwijking van het lokale normkader is mogelijk indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, zoals:

  • medische of sociale noodzaak;

  • een aangepaste woning;

  • tijdelijke en onvermijdbare situaties;

  • aantoonbare schaarste op de woningmarkt.

De beoordeling vindt plaats op basis van maatwerk.

 

Uitgangspunten

  • De woonkostentoeslag voor eigenaren wordt systematisch berekend overeenkomstig de woonkostentoeslag voor huurders, met inachtneming van de specifieke kostenstructuur van de eigen woning.

  • Voorliggende voorzieningen, waaronder de hypotheekrenteaftrek, worden volledig benut en betrokken bij de berekening.

  • De voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting/premieheffing wordt aangemerkt als kostprijsverlagende component en in mindering gebracht op de berekende woonkostentoeslag.

  • De vastgestelde draagkracht wordt volledig toegepast.

     

Rekensystematiek

De woonkostentoeslag voor eigenaren wordt maandelijks vastgesteld op basis van het actuele inkomen en volgt onderstaande stappen:

  • Stap 1 – Vaststellen normwoonlast

De normhuur behorend bij de toepasselijke bijstandsnorm wordt in mindering gebracht op de som van de in aanmerking te nemen noodzakelijke woonkosten.

  • Stap 2 – Aftrekken draagkracht

Op de resterende woonlast wordt 100% van de vastgestelde draagkracht (= alles boven 110% van de toepasselijke norm) in mindering gebracht.

  • Stap 3 – Voorlopige teruggaaf hypotheekrente

De maandelijkse voorlopige teruggaaf hypotheekrente wordt in mindering gebracht op het bedrag uit stap 2.

  • Stap 4 – Vaststellen woonkostentoeslag

De uitkomst vormt de maandelijkse woonkostentoeslag.

 

Duur van de woonkostentoeslag

  • De woonkostentoeslag wordt in beginsel toegekend voor maximaal één jaar.

  • Een verlenging van telkens één jaar is mogelijk zolang de noodzaak voortduurt en aan de (inspannings-)verplichtingen wordt voldaan.

     

Inspanningsverplichting en verhuisverplichting

Op grond van artikel 55 van de Participatiewet wordt aan de toekenning van woonkostentoeslag een inspanningsverplichting verbonden om de woonlasten in overeenstemming te brengen met de financiële draagkracht van belanghebbende. Deze inspanningsverplichting kan bestaan uit een verhuisplicht en/of een inkomensverplichting.

 

Verhuisplicht bij eigen woning

Indien de woonkosten hoger zijn dan het niveau dat door het college als redelijk noodzakelijk wordt aangemerkt, wordt van belanghebbende verwacht dat hij of zij zich actief inspant om de woonlasten te verlagen.

Deze inspanningen bestaan in ieder geval uit:

  • het inschakelen van een makelaar;

  • het op marktgerichte wijze te koop aanbieden van de woning;

  • het hanteren van een realistische vraagprijs, waarbij de WOZ-waarde als uitgangspunt geldt;

  • het plaatsen van advertenties op openbaar toegankelijke platforms;

  • het actief zoeken naar passende, goedkopere woonruimte.

     

Vrijstellingen van de verhuisverplichting

Een verhuisverplichting wordt niet opgelegd indien dit, gelet op de individuele omstandigheden, onredelijk is. Dit is onder meer het geval bij:

  • medische of sociale omstandigheden die verhuizing belemmeren;

  • ernstige schaarste op de woningmarkt waardoor verhuizen niet realistisch is;

  • situaties waarin verhuizing ongewenst is in verband met zorg, veiligheid of de stabiliteit van kinderen;

  • situaties waarin verkoop van de woning in redelijkheid niet van belanghebbende kan worden verlangd.

     

Controle en naleving verplichtingen

De naleving van de aan de woonkostentoeslag verbonden verplichtingen wordt door het college beoordeeld bij een nieuwe aanvraag of heraanvraag van woonkostentoeslag.

Bij de (her)aanvraag dient belanghebbende aannemelijk te maken dat hij of zij gedurende de voorafgaande periode heeft voldaan aan de opgelegde verplichtingen, waaronder de verhuis- en/of inkomensverplichting. Desgevraagd worden bewijsstukken overgelegd, zoals documenten waaruit verkoopinspanningen blijken, correspondentie met een makelaar of bewijs van inschrijving en reacties op passende woonruimte.

Tussentijdse controle vindt in beginsel niet plaats, tenzij sprake is van concrete signalen die aanleiding geven tot nader onderzoek.

Indien bij de (her)aanvraag blijkt dat belanghebbende onvoldoende inspanningen heeft verricht zonder geldige reden, kan dit gevolgen hebben voor het recht op woonkostentoeslag, waaronder het weigeren van (verlenging van) de woonkostentoeslag.

 

Terugvordering

Indien achteraf blijkt dat:

  • de voorlopige teruggaaf hypotheekrente hoger is vastgesteld dan eerder aangenomen; of

  • andere inkomsten ontstaan die leiden tot een dubbele vergoeding van dezelfde kosten, wordt de woonkostentoeslag herzien en, voor zover sprake is van dubbele vergoeding, teruggevorderd.

Indien de Belastingdienst de voorlopige teruggaaf of de definitieve aanslag achteraf aanpast, wordt beoordeeld of de woonkostentoeslag over de betreffende periode feitelijk ontoereikend of juist te hoog is geweest. In dat geval kan de woonkostentoeslag ambtshalve worden aangepast, waarbij maatwerk wordt toegepast en verwijtbaarheid wordt meegewogen.

 

Hoofdstuk 7 B-nummers: Jongeren en ouders

 

 

Beleidsregel 7.1  Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen in inrichting: B080

Geen recht op algemene bijstand

Jongeren van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijven (zoals een jeugdzorginstelling, GGZ-instelling of woonvoorziening met 24-uurszorg) hebben geen recht op algemene bijstand. Wel kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Hiervoor geldt dat de gemeente eerst moet beoordelen of de ouders kunnen bijdragen in de kosten (onderhoudsplicht). De wet gaat er namelijk van uit dat de ouders onderhoudsplichtig zijn tot hun kind 21 jaar is.

 

Mogelijkheid voor bijzondere bijstand

Als de ouders niet aan hun onderhoudsplicht kunnen voldoen, of als de jongere redelijkerwijs geen beroep op de ouders kan doen (bijvoorbeeld door een ernstig verstoorde relatie of omdat de ouders onvindbaar zijn), dan kan de gemeente bijzondere bijstand toekennen.

Deze bijzondere bijstand is bedoeld voor de noodzakelijke kosten van het bestaan die niet door de inrichting worden betaald.

Dat gaat meestal om:

  • zakgeld;

  • kledinggeld;

  • persoonlijke uitgaven (zoals toiletartikelen of openbaar vervoer).

     

Hoogte van de bijzondere bijstand

Er wordt aangesloten bij de jongerennorm van artikel 20, lid 1of lid 2, Participatiewet. De hoogte van de bijzondere bijstand is dus beperkt tot de noodzakelijke persoonlijke uitgaven.

Het college kan het bedrag afstemmen op de werkelijke situatie van de jongere.

De hoogte moet worden gemotiveerd in het besluit.

 

Onderhoudsplicht ouders

Ouders zijn onderhoudsplichtig tot het kind 21 jaar is. Dit geldt ook voor uitwonende jongeren. De gemeente onderzoekt bij een aanvraag of de jongere een beroep op de ouders kan doen. De ouder(s) moeten vooraf op de hoogte worden gesteld van de aanvraag om bijzondere bijstand van hun kind en worden gewezen op de onderhoudsplicht. Als dit onderzoek ertoe leidt, dat de ouders aan hun onderhoudsplicht gaan voldoen, dan beperkt dit de (hoogte van de) bijzondere bijstand. Mocht blijken dat de ouders geen draagkracht hebben, dan kan bijzondere bijstand worden verleend zonder dat verhaal nodig is.

Het onderzoek blijft beperkt tot wat nodig is om te beoordelen of:

  • de ouders kunnen bijdragen;

  • de jongere redelijkerwijs geen beroep op de ouders kan doen.

Mocht blijken dat de ouders niet willen meewerken en/of dat de onderhoudsplicht in redelijkheid niet te gelde kan worden gemaakt (zwaar verstoorde relatie), dan kan bijzondere bijstand worden verleend.

 

Besluitvorming over verhaal berust bij de medewerker Invordering, Verhaal en Beëindiging. Het doel is om de jongere niet onnodig te belasten met langdurig of ingrijpend onderzoek.

Beleidsregel 7.2  Procedure verhaal bijzondere bijstand jongeren: B081

Jongerennorm

Voor jongeren van 18, 19 of 20 jaar geldt een lagere bijstandsnorm (de jongerennorm). De wet gaat ervan uit dat de meeste jongeren in deze leeftijd nog thuis wonen en dus weinig kosten hebben voor levensonderhoud. Deze norm wordt bij thuiswonende jongeren geacht toereikend te zijn. Als deze lage norm ontoereikend is, dan kan aanvullende (of bij jongeren in een inrichting bijzondere) bijstand worden toegekend voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Meestal is er dan sprake van een jongere die niet meer thuis woont.

 

Wanneer een aanvulling mogelijk is

Een jongere kan recht hebben op een aanvulling op de jongerennorm (of op bijzondere bijstand als hij in een instelling zit) als hij of zij niet kan terugvallen op de ouders voor onderhoud. Dat kan in de volgende situaties:

  • De ouders hebben onvoldoende financiële middelen om bij te dragen;

  • De jongere kan redelijkerwijs geen beroep doen op de ouders, bijvoorbeeld door een ernstig verstoorde relatie, overlijden of onvindbaarheid van de ouders.

De aanvulling wordt dan gegeven in de vorm van algemene bijstand en voor jongeren in een inrichting in de vorm van bijzondere bijstand. Als de jongere in een inrichting zit, dan kan er bijzondere bijstand worden verstrekt ter hoogte van de inrichtingennorm (artikel 23 Participatiewet).

 

Onderhoudsplicht ouders

Ouders zijn onderhoudsplichtig tot het kind 21 jaar is. Dit geldt zowel voor thuiswonende als uitwonende jongeren. De gemeente onderzoekt bij een aanvraag of de jongere een beroep op de ouders kan doen. De ouder(s) moeten vooraf op de hoogte worden gesteld van de aanvraag om bijzondere bijstand van hun kind en worden gewezen op de onderhoudsplicht. Het onderzoek blijft beperkt tot wat noodzakelijk is om te beoordelen of:

  • de ouders in staat zijn om bij te dragen aan het onderhoud; of

  • de jongere redelijkerwijs geen beroep kan doen op de ouders.

Indien uit het onderzoek blijkt dat de ouders aan hun onderhoudsplicht (gaan) voldoen, wordt hiermee rekening gehouden bij de vaststelling van de (hoogte van de) bijstand. Indien de ouders geen draagkracht hebben, kan bijstand worden verleend zonder dat verhaal aan de orde is.

 

Wanneer de ouders niet willen meewerken en/of wanneer de onderhoudsplicht in redelijkheid niet te gelde kan worden gemaakt, bijvoorbeeld bij een zwaar verstoorde relatie, kan bijstand worden verleend zonder verhaal.

 

De besluitvorming over het toepassen van verhaal berust bij de medewerker Invordering, Verhaal en Beëindiging. Het uitgangspunt is dat de jongere niet onnodig wordt belast met langdurig of ingrijpend onderzoek.

 

Hoogte van de bijstand

De aanvulling op de jongerennorm is vastgelegd in artikel 20, lid 3, Participatiewet. Het college verhoogt de jongerennorm indien aan de voorwaarden is voldaan.

De totale bijstand (jongerennorm inclusief aanvulling):

  • 1.

    bedraagt niet meer dan de bijstandsnorm voor een 21-jarige in een vergelijkbare situatie;

  • 2.

    bedraagt niet meer dan het wettelijk minimumjeugdloon; en

  • 3.

    kan door het college worden afgestemd op de individuele omstandigheden indien de noodzakelijke kosten aantoonbaar hoger of lager zijn.

Voorbeeld hiervan zijn:

  • een hogere bijstand bij zelfstandige woonlasten of hoge vaste lasten;

  • een lagere bijstand bij lage woonlasten, zoals bij inwoning of antikraak.

Elke aanpassing wordt gemotiveerd in de beschikking.

 

Overig

  • Alimentatie: wordt gekort op de algemene en bijzondere bijstand (feitelijk zou er dan minder bijstand verstrekt moeten worden).

  • Andere inkomsten: worden gekort op de algemene en bijzondere bijstand.

Vakantietoeslag (VT): bij de vaststelling van de algemene bijstand wordt uitgegaan van een norm inclusief vakantietoeslag. Over de algemene bijstand wordt vakantietoeslag gereserveerd conform de wettelijke bepalingen. Over bijzondere bijstand wordt geen vakantietoeslag gereserveerd of opgebouwd. Dit betekent dat uitsluitend over de algemene bijstand vakantietoeslag wordt gereserveerd en niet over verstrekte bijzondere bijstand.

Beleidsregel 7.3 Indirecte schoolkosten schoolgaande kinderen: B082

In principe horen reiskosten bij de normale, noodzakelijke kosten van het bestaan. Daarom komen ze meestal niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.

 

Kinderen worden geacht naar de dichtstbijzijnde school te gaan die het onderwijs aanbiedt dat het kind nodig heeft of wil volgen. Dit betekent niet dat alle kinderen naar een VMBO-school in het dorp moeten als dat de dichtstbijzijnde school is. Maar als een kind HAVO-onderwijs in Sneek volgt en er is dichterbij een school waar ook HAVO wordt gegeven, moet worden gekeken of de reiskosten echt noodzakelijk zijn.

 

Mogelijke bijzondere omstandigheden

Als de afstand tussen huis en school meer dan 11 kilometer is, kan er recht zijn op een vergoeding via de nadere regels Reiskosten Voortgezet Onderwijs in de gemeente Súdwest-Fryslân.

 

Hoogte van de vergoeding

De hoogte van de vergoeding is gebaseerd op de kosten van het openbaar vervoer.

Daarnaast biedt de Verordening bijdrageregeling minima gemeente Súdwest-Fryslân mogelijkheden voor een bijdrage in de indirecte schoolkosten, zoals:

  • gebruik van openbaar vervoer;

  • sociaal-culturele en educatieve activiteiten;

  • een laptop.

Beleidsregel 7.4  Babyuitzet: B084

De kosten van een kraampakket/babyuitzet zijn in principe voor eigen rekening. De inwoner kan zich op de bevalling voorbereiden en daarvoor geld opzij leggen of een andere oplossing zoeken.

 

Daarom wordt voor een babyuitzet geen bijzondere bijstand gegeven. Ouders wordt geadviseerd van tevoren geld te reserveren voor deze kosten.

Beleidsregel 7.5 Bijzondere bijstand voormalig alleenstaande ouders: B097

De gemeente heeft niet speciaal beleid ontwikkeld voor dit onderwerp.

 

In de Participatiewet is geen sprake meer van een normwijziging, nu de hoogte van de norm alleenstaande ouder en alleenstaande gelijk is. Alleenstaande ouders kunnen wel te maken krijgen met inkomensachteruitgang doordat zij geen recht hebben op de alleenstaande-ouderkop. Voor zover dit al gecompenseerd zou kunnen worden, zijn het juridisch gezien geen kosten die betrekking hebben op de alleenstaande zelf en kan de ouder geen aanspraak maken op bijzondere bijstand (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2382). Het 18-jarige kind kan zo nodig zelf (algemene) bijstand aanvragen. Is de lagere jongerennorm ontoereikend en kunnen zijn ouders niet bijdragen in zijn levensonderhoud, dan kan hij een beroep doen op artikel 12 Participatiewet.

 

Hoofdstuk 8 B-nummers: Reis- en verwervingskosten

 

 

Beleidsregel 8.1 Reiskosten woon-werkverkeer (verwervingskosten): B089

Verwervingskosten

Verwervingskosten zijn kosten die iemand noodzakelijkerwijs moet maken om bepaalde inkomsten te verwerven. Heeft de belanghebbende een re-integratievoorziening (traject), dan kunnen uit het re-integratiebudget de noodzakelijke verwervingskosten betaald worden. Deze kosten maken zoveel als mogelijk integraal deel uit van het ingekochte traject.

 

Woon-werk verkeer

Bijzondere bijstand voor reiskosten woon-werkverkeer wordt alleen verstrekt bij een afstand tussen woning en werkplek van 10 kilometer of meer. De vergoeding geldt in beginsel voor een jaar. Als de afstand enkele reis 90 kilometer of meer is, mag verwacht worden dat men na een jaar is verhuisd. Mocht belanghebbende zich wel voldoende hebben ingespannen om een woning in de buurt van de werkplaats te vinden, maar daar niet in geslaagd zijn, dan kan opnieuw bijzondere bijstand worden verstrekt. Is de afstand enkele reis minder dan 90 kilometer dan kan jaarlijks een nieuwe aanvraag worden ingediend.

 

Hoogte bijzondere bijstand woon-werkverkeer

Voor de hoogte van de bijzondere bijstand woon-werkverkeer wordt uitgegaan van de kosten van het openbaar vervoer.

  • Als het vervoer noodzakelijkerwijs per (eigen) auto moet plaatsvinden, omdat bijvoorbeeld het openbaar vervoer geen optie is, geldt een kilometervergoeding kosten woon-werkverkeer. Voor de hoogte van de kilometervergoeding sluiten we aan bij de belastingvrije vergoeding kosten woon-werkverkeer van de belastingdienst (belastingdienstsystematiek).

  • Voor de bepaling van de reisafstand wordt aangesloten bij de kortste route van de ANWB Routeplanner.

Beleidsregel 8.2 Reiskosten bezoek Werkplein: B092

Reiskosten voor een bezoek aan het UWV of de gemeente worden gerekend tot de algemeen noodzakelijke kosten voor het bestaan en komen daardoor in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.

Beleidsregel 8.3 Reiskosten bezoek zieke familieleden: B092

Algemeen

In principe horen reiskosten bij de normale, noodzakelijke kosten van het bestaan. Daarom komen ze niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Iedereen wordt geacht geld te reserveren voor deze kosten, ook mensen met een minimuminkomen.

 

Bijzondere omstandigheden

In sommige individuele situaties is het mogelijk om bijzondere bijstand voor reiskosten aan te vragen.

 

Voorliggende voorziening

De collectieve zorgverzekering AV Frieso kan in bepaalde gevallen de reiskosten voor het bezoek aan zieke familieleden vergoeden, bijvoorbeeld:

  • Als de verpleging langer dan een maand duurt.

  • Als het gaat om de verpleging van een minderjarige.

     

Bijzondere bijstand

Indien de kosten niet worden vergoed vanuit de AV Frieso, dient voor de vraag of bijzondere bijstand kan worden verstrekt de aannemelijkheid van de kosten te worden vastgesteld:

  • Reiskosten voor bezoek aan zieke familieleden zijn geen medische kosten (maar medisch gerelateerd). Dit betekent dat een beoordeling op grond van artikel 35 plaats dient te vinden en niet zomaar afgewezen kan worden op grond van artikel 15 lid 1 (voorliggende voorziening). Dit kan alleen wanneer de belanghebbende daadwerkelijk een beroep kan doen op een vergoeding vanuit de AV Frieso (of andere aanvullende verzekering). De mogelijkheid om bijzondere bijstand te verstrekken is dus ruimer dan alleen in het geval van dringende redenen als bedoeld in artikel 16 Participatiewet.

  • Indien belanghebbende bij een andere zorgverzekeraar is verzekerd, en deze verzekeraar vergoedt de kosten niet, dan kan bijzondere bijstand worden verstrekt volgens de voorwaarden die de AV Frieso hanteert in deze situatie.

     

Hoogte bijzondere bijstand

Voor de vergoeding van de reiskosten is de stelregel: ‘de goedkoopste wijze van vervoer’. Per openbaar vervoer geldt het tarief 2e klasse trein/tarief bus.

 

Hierbij is het uitgangspunt dat gereisd wordt met de persoonlijke OV-chipkaart, onafhankelijk van de frequentie van vervoer. De reiskosten kunnen worden aangetoond via het overzicht op "mijn OV-chipkaart". Op basis van dit overzicht wordt de vergoeding vastgesteld. De bijstand wordt dus achteraf betaald. Voor losse kaartjes voor trein en/of bus wordt geen vergoeding verstrekt.

 

Voor de aanschafkosten van een OV-chipkaart wordt ook geen bijzondere bijstand verstrekt, omdat deze kosten als algemeen gebruikelijk worden gezien en zodoende worden geacht uit het inkomen ter hoogte van de norm te kunnen worden voldaan.

 

Als het vervoer noodzakelijkerwijs per (eigen) auto moet plaatsvinden, omdat bijvoorbeeld het openbaar vervoer geen optie is, geldt een kilometervergoeding kosten woon-werkverkeer. Voor de hoogte van de kilometervergoeding sluiten we aan bij de hoogte van de belastingvrije vergoeding kosten woon-werkverkeer van de belastingdienst (belastingdienstsystematiek).

Voor de bepaling van de reisafstand wordt aangesloten bij de kortste route van de ANWB Routeplanner.

Beleidsregel 8.4 Reiskosten bezoek gedetineerde: B014

Wanneer bijzondere bijstand mogelijk is

Bijzondere bijstand kan worden gegeven als iemand een gedetineerde partner (met wie wordt samengewoond) of een inwonend kind bezoekt. Ook het meebrengen van nog thuiswonende kinderen onder 18 jaar behoort tot de mogelijkheden. In deze situaties spreken we van bijzondere omstandigheden met extra noodzakelijke kosten.

 

Bezoekfrequentie

  • De frequentie van bezoek wordt per persoon op individuele gronden bepaald.

  • Algemeen wordt één keer per twee weken als normaal gezien.

  • Als de gedetineerde zelf naar huis kan (bijvoorbeeld via weekendverlof), kan de frequentie lager zijn.

  • Vaker bezoek is alleen mogelijk als er een schriftelijke verklaring is van een arts of reclasseringsambtenaar waarin staat dat het nodig is.

     

Hoogte van de vergoeding

  • De vergoeding geldt voor het goedkoopste vervoer: voor het openbaar vervoer geldt dan tweede klasse (trein of bus).

  • Reizen met de persoonlijke OV-chipkaart is uitgangspunt. De kosten worden achteraf vergoed op basis van het overzicht op “mijn OV-chipkaart”. De bijstand wordt dus achteraf betaald.

  • Losse kaartjes of de aanschaf van een OV-chipkaart worden niet vergoed, omdat deze kosten als normaal gebruikelijk gelden.

     

Vervoer met eigen auto

  • Als het vervoer noodzakelijkerwijs per (eigen) auto moet plaatsvinden, omdat bijvoorbeeld het openbaar vervoer geen optie is, geldt een kilometervergoeding kosten woon-werkverkeer. Voor de hoogte van de kilometervergoeding sluiten we aan bij de belastingvrije vergoeding kosten woon-werkverkeer van de belastingdienst (belastingdienstsystematiek).

  • Voor de bepaling van de reisafstand wordt aangesloten bij de kortste route van de ANWB Routeplanner.

     

Reiskosten bij verlof uit detentie

  • Kosten voor reizen naar verlof uit detentie worden niet vergoed.

  • Deze kosten moeten betaald worden uit de verblijfskostenvergoeding van het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Zie ook richtlijn Reiskosten bezoek zieke familieleden (B091).

Beleidsregel 8.5  Verwervingskosten algemeen: B099

Dit zijn kosten die iemand noodzakelijkerwijs moet maken om bepaalde inkomsten te verwerven.

 

Indien nodig kan hiervoor het re-integratiebudget worden ingezet. Deze kosten maken zoveel als mogelijk integraal deel uit van het ingekochte/opgestelde traject. Er wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend.

 

Voor reiskosten woon-werkverkeer wordt verwezen naar B089.

Beleidsregel 8.6 Kosten kinderopvang (verwervingskosten): B100

Zie voor dit onderdeel de Beleidsregels tegemoetkoming in de eigen bijdrage kinderopvang en in de kosten kinderopvang op sociaal-medische indicatie gemeente Súdwest-Fryslân 2019.

 

Hoofdstuk 9 B-nummers: Overige

 

 

Beleidsregel 9.1 Uitvaartkosten: B075

Bijzondere bijstand voor de kosten van een begrafenis of crematie kan worden aangevraagd:

  • Voordat de begrafenis of crematie plaatsvindt;

  • Binnen drie maanden erna.

De kosten van de begrafenis of crematie horen niet bij de kosten van de overledene, maar komen uit de nalatenschap. Als het erfdeel van een erfgenaam niet genoeg is, kan deze erfgenaam apart bijzondere bijstand aanvragen. Er kan nooit meer bijstand worden gegeven dan het verplichte aandeel van de erfgenaam in de totale kosten.

 

Voorliggende voorzieningen

De volgende middelen worden gezien als voorliggende voorziening voor begrafenis- of crematiekosten:

  • Een begrafenis- of crematieverzekering;

  • De nalatenschap van de overledene.

De eenmalige overlijdensuitkering van de Sociale Verzekeringsbank voor personen die de AOW-leeftijd hebben bereikt, wordt niet gezien als een voorliggende voorziening.

 

Bijstand aan nabestaanden

  • Als er een langstlevende partner is, komen de begrafeniskosten volledig voor rekening van deze partner. Zowel de bezittingen als de schulden van de overledene vallen toe aan de langstlevende partner. Alleen de partner kan in dit geval nog bijzondere bijstand aanvragen voor de begrafeniskosten.

  • Als er geen langstlevende partner is, komen de andere erfgenamen in aanmerking voor de nalatenschap, inclusief de kosten van de begrafenis of crematie. Erfgenamen kunnen zijn aangewezen in een testament of moeten worden gezocht in de familielijn.

  • Erfgenamen kunnen de erfenis aanvaarden of verwerpen.

    • Als een erfgenaam de erfenis verwerpt, maar worden de begrafeniskosten wel voldaan, dan wordt voor deze kosten geen bijzondere bijstand betaald. In dat geval heeft de belanghebbende de kosten vrijwillig op zich genomen.

    • Hetzelfde geldt als een niet-erfgenaam de kosten betaalt.

  • Als de begrafeniskosten onder de erfenis vallen, zijn alle erfgenamen voor hun eigen erfdeel aansprakelijk. Elke erfgenaam die hiervoor in aanmerking komt, moet de bijzondere bijstand zelf aanvragen bij de eigen gemeente.

     

Wet op de Lijkbezorging

Als er niet op tijd nabestaanden gevonden kunnen worden die de begrafenis of crematie regelen, moet de gemeente volgens de Wet op de Lijkbezorging zorgen voor de uitvaart.

Als later toch een nabestaande wordt gevonden en de gemeente verhaalt de kosten op deze persoon, kan de nabestaande bijzondere bijstand aanvragen voor deze kosten. Hiervoor moet contact worden opgenomen met de medewerker Uitvoering Wet op de Lijkbezorging.

 

Kosten en maximale bijstand

Voor de totale kosten van een begrafenis of crematie wordt in principe maximaal € 4.750,00 bijzondere bijstand gegeven.

Voordat de bijstand wordt toegekend, worden eerst de volgende opbrengsten van de totale uitvaartkosten afgetrokken:

  • Opbrengst uit eventuele uitvaartverzekeringen en polissen;

  • De nalatenschap van de overledene;

  • Andere beschikbare middelen bestemd voor de uitvaart.

Beleidsregel 9.2 Maaltijdvoorziening: B085

Bijzondere bijstand wordt alleen gegeven voor extra kosten (meerkosten) die ontstaan door bijzondere omstandigheden.

 

Wat wordt vergoed?

Alleen de meerkosten ten opzichte van reguliere maaltijden worden vergoed.

 

Normen voor maaltijden

De Nibud-prijzengids geeft een overzicht van de reguliere kosten voor maaltijden. Hierbij wordt rekening gehouden met:

  • geslacht;

  • soort huishouden;

  • leeftijd.

     

Noodzaak van de kosten

Of de extra kosten echt nodig zijn, wordt per situatie bekeken. Hiervoor kan de gemeente een onafhankelijk advies vragen, bijvoorbeeld medisch advies.

Beleidsregel 9.3 Suppletie GKB-lening: B093

Aflossing lening / suppletie

Een lening van de Kredietbank Nederland (KBN) bestaat uit het geleende bedrag plus de verschuldigde rente.

 

Dit totaalbedrag dient in drie jaar te worden afgelost. De KBN berekent de hoogte van de maandelijkse aflossing. Deze aflossing kan hoger zijn dan 5% van de relevante bijstandsnorm = het bedrag waarvan verwacht wordt dat de belanghebbende dit kan aflossen.

 

Voor het verschil tussen het bedrag dat belanghebbende moet aflossen en kan aflossen, wordt bijzondere bijstand verleend. Dit heet suppletie.

 

Wanneer de belanghebbende een hogere lening afsluit, dan zal er ook meer afgelost moeten worden. De extra kosten die de hogere aflossing met zich meebrengen komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

 

Voor jongeren van 18 tot 21 jaar geldt de lage bijstandsnorm. Alleenstaande jongeren met een dergelijk inkomen worden geacht geen aflossingscapaciteit te hebben.

Beleidsregel 9.4 Kosten schuldhulpverlening: B094

Schuldenregeling voor ex-ondernemers

Een ondernemer is wettelijk verplicht om een deugdelijke boekhouding bij te houden. Doet hij dat niet dan getuigt dit van slecht ondernemerschap en is de ondernemer niet te goeder trouw. Negatieve bedrijfsresultaten en schulden kunnen tot gevolg hebben dat de accountant de boekhouding niet afrondt. De onderneming kan dan wel worden uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel, maar de financiën van de onderneming zijn daarmee niet afgerond. In principe horen de kosten voor het afronden van een bedrijfsadministratie tot algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. In uitzonderlijke gevallen heeft het niet afronden van de bedrijfsadministratie wel degelijk gevolgen voor de voorziening in het levensonderhoud en zullen de mogelijkheden voor bijzondere bijstand voor deze kosten worden onderzocht.

 

Schuldenregeling voor Particulieren

Voor particulieren wordt verwezen naar de beleidsregels Schulddienstverlening.

Beleidsregel 9.5 Sociaal culturele en educatieve activiteiten: B095

Zie voor dit onderdeel de Verordening bijdrageregeling minima gemeente Súdwest-Fryslân.

Beleidsregel 9.6 Overbrugging scherpe terugval in inkomsten: B105

Het college verstrekt in beginsel geen overbruggingsuitkeringen voor algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De voor belanghebbende van toepassing zijnde norm wordt geacht toereikend te zijn. Of men dient een terugval op te vangen vanuit het aanwezig inkomen en vermogen.

 

In voorkomende gevallen zijn ook oplossingen zoals bijzondere bijstand incl. woonkostentoeslag een eventuele optie.

Beleidsregel 9.7  Legeskosten verblijfsvergunning en naturalisatie: B012

Kosten eerste aanvraag verblijfsvergunning

Voor de legeskosten bij de eerste aanvraag van een verblijfsvergunning is geen bijzondere bijstand mogelijk. Alleen Nederlanders of personen die aan een Nederlander gelijkgesteld zijn, kunnen bijzondere bijstand krijgen. Dit geldt ook voor minderjarige kinderen.

 

Kosten verlengen of wijzigen verblijfsvergunning

Voor de kosten van het verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning kan wel bijzondere bijstand worden gegeven.

 

Reiskosten voor afhalen verblijfsvergunning

Als iemand de verblijfsvergunning in een andere gemeente moet ophalen, kunnen de reiskosten hiervoor in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.

 

Kosten naturalisatie

De (leges) kosten van naturalisatie (het Nederlander worden) worden niet vergoed. Het is voor iemand met een verblijfsvergunning niet noodzakelijk om de Nederlandse nationaliteit te krijgen om in Nederland te mogen wonen of rond te komen.

Beleidsregel 9.8 Vaste lasten woning gedetineerde: B013

Doorbetalen vaste lasten tijdens kortdurende detentie

Inwoners kunnen voor de betaling van vaste lasten wonen tijdens kortdurende detentie eventueel in aanmerking komen voor bijzondere bijstand in de vorm van een renteloze lening. Onder vaste lasten wordt verstaan de huur (minus eventueel recht op huurtoeslag) of de hypotheekkosten, en de nutsvoorzieningen (gas, licht en water). Ter beoordeling van een aanvraag voor het doorbetalen van de vaste lasten tijdens kortdurende detentie gelden de volgende uitgangspunten en voorwaarden.

 

Voorwaarden

De beleidsregel is alleen van toepassing wanneer er sprake is van een eenpersoonshuishouden en wanneer de persoon uit zijn/haar eigen netwerk een contactpersoon heeft aangedragen die namens de gedetineerde alle verplichtingen jegens de corporatie en de huurovereenkomst nakomt en jegens de gemeente alle verplichtingen die verband houden met het aanvragen en ontvangen van de bijzondere (leen)bijstand.

 

Advies procescoördinator doorzorg

Bij een negatief advies van de procescoördinator doorzorg met betrekking tot het terugkeren van de persoon in de woning zal deze niet in aanmerking komen voor deze voorziening. De procescoördinator zal beoordelen of een terugkeer naar de woning kan leiden tot een verstoring van de lokale openbare orde en veiligheid (bijv. gevoel van onveiligheid bij buurtbewoners).

 

Sociale / economische binding

Er moet sprake zijn van een sociale/economische binding van de persoon met de gemeente en moet voorafgaand aan de detentie ingeschreven hebben gestaan in de gemeente Súdwest-Fryslân, waarbij een briefadres niet in aanmerking wordt genomen.

 

Huur-of hypotheekachterstand

Wanneer er al sprake is van een huur- of hypotheekachterstand, of wanneer de persoon aantoonbaar overlast heeft veroorzaakt komt de persoon niet in aanmerking voor de financiële tegemoetkoming.

 

Financiële reserves

Onderzocht wordt of iemand over financiële reserves beschikt waarmee gedurende de periode van detentie de vaste lasten betaald kunnen worden. Er geldt een draagkrachtpercentage van 100% en tevens een afwijkende vermogensgrens van tweemaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Wanneer iemand over financiële reserves beschikt komt hij of zij niet in aanmerking voor deze voorziening.

 

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Ook wanneer uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid zal de persoon niet in aanmerking komen voor bijstand.

 

Kortdurende detentie

Onder kortdurende detentie wordt verstaan detentie in Nederland met een duur van maximaal 12 maanden. Voor de eerste maand detentie wordt geen bijstand verstrekt. De inwoner zal deze kosten zelf moeten kunnen opvangen. Wanneer de detentieduur vanwege inbewaringneming of gevangenhouding nog niet duidelijk is, zal bijstand verstrekt worden voor maximaal drie maanden.

 

Verlenging

Zodra de detentieduur bekend is wordt er bijzondere bijstand toegekend voor de periode van de detentieduur, tenzij deze de maximale termijn overschrijdt. Wanneer na drie maanden de detentieduur nog niet bekend is kan er verlengd worden met wederom maximaal drie maanden, tot een maximum van 12 maanden.

 

Geen recht

In het geval dat iemand een taakstraf opgelegd heeft gekregen, maar vanwege het niet uitvoeren van de taakstraf in detentie moet, komt deze persoon niet in aanmerking voor deze voorziening.

 

Gebruik van de regeling

Er kan in een periode van vijf jaar maximaal één keer gebruik gemaakt worden van deze regeling.

 

Betaling aan derden

Op grond van artikel 57 sub a van de Participatiewet, maakt de gemeente de huur en vastrecht nutsbedrijven rechtstreeks over op de rekening van de verhuurder en nutsbedrijven. De inwoner zal zelf met de nutsbedrijven afspraken moeten maken over het zo ver mogelijk verlagen van de gas- water en lichttarieven. Correspondentie hierover zal overhandigd moeten worden.

 

Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van deze beleidsregels, indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Beleidsregel 9.9 Vaste lasten tijdens verblijf in inrichting: B058

Vaste lasten tijdens opname

Als iemand in een inrichting verblijft, kan soms bijzondere bijstand worden gegeven voor doorlopende vaste woonlasten.

 

Voorwaarden

  • De kosten moeten zo laag mogelijk zijn en alleen strikt noodzakelijk.

  • Het aanhouden van de woning moet nodig zijn. Dit geldt maximaal 1 jaar.

  • Maandelijkse voorschotten voor gas en elektriciteit moeten meteen worden verlaagd.

  • Als bij het begin van de opname al duidelijk is dat de opname langer dan 1 jaar duurt, wordt het niet noodzakelijk geacht de woning aan te houden.

Daarnaast kan soms bijzondere bijstand worden gegeven voor kosten van opslag van de inboedel.

Beleidsregel 9.10 Overige bijzondere kosten: B106

Bijzondere bijstand inburgeringsplicht – medische ontheffing en bijkomende kosten

Reikwijdte

  • 1.

    Deze beleidsregel ziet op bijzondere bijstand voor noodzakelijke kosten die rechtstreeks samenhangen met de (on)mogelijkheid om aan de inburgeringsplicht te voldoen, voor zover daarvoor geen toereikende en passende voorliggende voorziening bestaat (art. 35 Participatiewet).

Kosten medische ontheffing inburgeringsplicht

  • 2.

    Voor de kosten van de deskundigenverklaring bij een verzoek om (gehele of gedeeltelijke) medische ontheffing van de inburgeringsplicht, als bedoeld in artikel 2.7 Regeling inburgering 2021 (thans € 225), wordt in beginsel bijzondere bijstand verstrekt, mits aan de voorwaarden van artikel 35 Participatiewet is voldaan.

  • 3.

    De kosten worden als noodzakelijk en voortvloeiend uit bijzondere omstandigheden aangemerkt, ongeacht de kans van slagen van het ontheffingsverzoek of de uitkomst daarvan.

  • 4.

    Indien DUO deze kosten (gedeeltelijk) vergoedt, wordt de verstrekte bijzondere bijstand teruggevorderd op grond van artikel 58, lid 2, onderdeel f, sub 2 Participatiewet.

     

Overige inburgeringsgerelateerde kosten

  • 5.

    Voor kosten van inburgeringscursussen en examens wordt geen bijzondere bijstand verstrekt, omdat hiervoor voor gezins- en overige migranten een DUO lening als voorliggende voorziening geldt, en asielstatushouders een gemeentelijk inburgeringsaanbod ontvangen.

  • 6.

    Voor noodzakelijke reiskosten naar de taalschool kan, bij ontbreken van een voorliggende voorziening (zoals COA-vergoeding), bijzondere bijstand worden verleend, mits aan art. 35 Participatiewet is voldaan. De vergoeding betreft de daadwerkelijk noodzakelijke reiskosten en wordt vastgesteld op basis van de kosten van het openbaar vervoer (laagste klasse) of, indien reizen met het openbaar vervoer redelijkerwijs niet mogelijk is, op basis van de door de Belastingdienst vastgestelde kilometervergoeding.

     

Afbakening naar verblijfsstatus (code 98)

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt uitsluitend verstrekt aan personen die tot de kring van rechthebbenden in de zin van art. 11 Participatiewet behoren. Het enkele hebben van code 98 geeft geen recht op bijzondere bijstand voor levensonderhoud of vaste lasten.

     

Conclusie

Met deze beleidsregel is vastgelegd dat bijzondere bijstand wél mogelijk is voor kosten van medische ontheffing en bepaalde bijkomende kosten (zoals vervoer), maar niet voor cursuskosten zelf, en dat de toepassing is begrensd door de Participatiewet en de verblijfsrechtelijke positie.

 

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

10.1 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking de dag na bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2026.

 

10.2 Intrekking regelingen

De volgende beleidsregels worden ingetrokken met terugwerking tot 1 januari 2026:

  • a.

    Beleidsregels bijzondere bijstand 2020 gemeente Súdwest-Fryslân (versie van 1 november 2021, bekend gemaakt in het Gemeenteblad, jaargang 2021, nr. 52425);

  • b.

    Beleidsregel doorbetalen vaste lasten tijdens kortdurende detentie;

  • c.

    Beleidsregels eenmalige energietoeslag 2023 gemeente Súdwest-Fryslân.

     

10.3 Naamgeving

De naam van deze beleidsregels is: ‘Beleidsregels bijzondere bijstand 2026 gemeente Súdwest-Fryslân’.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 16 juni 2026

mrs. drs. J.A. de Vries, burgemeester

drs. C. Smits, gemeentesecretaris

Naar boven