Gemeenteblad van Bergeijk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Bergeijk | Gemeenteblad 2026, 319329 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Bergeijk | Gemeenteblad 2026, 319329 | beleidsregel |
Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Bergeijk 2026
Hoofdstuk 2. Doel, uitzonderingen en doelgroep brede ondersteuning
Artikel 4. Doelgroep brede ondersteuning
Het college kan ook toegang tot brede ondersteuning verlenen aan een aanvrager die valt onder de personenkring van artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet, maar geen inwoner is als sprake is van een verhuizing, detentie of andere bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2.21, derde lid, van de wet. De aanvrager wordt in dat geval gelijkgesteld met een inwoner.
Hoofdstuk 3. Aanvraag, eerste gesprek en vaststelling hulpvraag
Artikel 6. Aanmelden brede ondersteuning
Indien een inwoner bij de UHT heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor brede ondersteuning, ontvangt het college de contactgegevens van de inwoner via het gegevensportaal van de UHT. De datum van ontvangst van de gegevens via het gegevensportaal van de UHT wordt gelijkgesteld met het indienen van het verzoek.
Hoofdstuk 4. Besluit op de aanvraag en plan van aanpak
Artikel 8. Besluit op de aanvraag
Hoofdstuk 5. Toekennen en verstrekken van voorzieningen
Artikel 13. Materiële voorzieningen
Een materiële voorziening is een zaak die noodzakelijk is om belemmeringen van de aanvrager bij het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak weg te nemen of te beperken. Alleen goederen of voorzieningen die aantoonbaar noodzakelijk zijn, worden verstrekt. Er wordt geen voorziening toegekend op basis van wenselijkheid, maar uitsluitend op basis van noodzaak in het licht van de doelstellingen uit het plan van aanpak.
Bij de beoordeling en toekenning van materiële voorzieningen wordt uitgegaan van een doelmatige en verantwoorde inzet van middelen. Daarbij wordt gezocht naar een oplossing die aansluit bij de persoonlijke situatie van de aanvrager, waarbij de voorkeur uitgaat naar een uitvoering die passend en toereikend is, zonder dat gekozen wordt voor een luxe of uitgebreide variant, mits de voorziening in redelijkheid bijdraagt aan het behalen van de doelstellingen uit het plan van aanpak.
Materiële voorzieningen worden vastgesteld op basis van de richtbedragen uit de NIBUD-prijzengids voor gebruikelijke huishoudelijke uitgaven, hierna te noemen de NIBUD-normen, zoals deze gelden op het moment van toekenning. Het college hanteert hierbij de NIBUD‑norm vermeerderd met 30%, ter dekking van aanvullende kosten die niet in de standaardnormen zijn opgenomen.
Voor gebruikelijke huishoudelijke of persoonlijke goederen met een aanschafwaarde van minder dan € 1.250,– die niet in de NIBUD-normen voorkomen, maar aantoonbaar noodzakelijk zijn voor het behalen van de doelstellingen uit het plan van aanpak, kan het college een vergoeding verstrekken op basis van de gemiddelde marktprijs van een niet-luxe, standaardmodel.
Voor voorzieningen met een aanschafwaarde van € 1.250,– of hoger die niet in de NIBUD-normen voorkomen, wordt de vergoeding gebaseerd op de laagste prijs van ten minste twee offertes. Indien het college van oordeel is dat deze offertes onvoldoende basis bieden voor een zorgvuldige beoordeling, kan het verzoeken om een derde offerte. Het college beoordeelt vervolgens of de ingediende offertes een gedegen onderbouwing vormen voor de toekenning.
Artikel 15. Medewerking aanvrager
Het college kan, voordat de voorziening wordt toegekend via het plan van aanpak, de aanvrager om medewerking vragen om te kunnen bepalen of een beoogde voorziening aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voldoet.
Hoofdstuk 6. Beëindiging brede ondersteuning en overdracht
Artikel 18. Overdracht van hulpverlening
Als de aanvrager bij de beëindiging van de brede ondersteuning de doelstellingen uit het plan van aanpak niet heeft bereikt en het plan van aanpak niet expliciet in een overdracht naar reguliere ondersteuning voorziet, dan zorgt het college in samenspraak met de aanvrager alsnog voor een warme overdracht vanuit de brede ondersteuning.
Het college van burgemeesters en wethouders,
A.J.M. Ewalds
Gemeentesecretaris
W.J.G. Delissen-van Tongerlo
Burgemeester (wnd.)
Tussen 2005 en 2019 is bij veel ouders de kinderopvangtoeslag onterecht stopgezet door de Belastingdienst. Dit heeft grote gevolgen gehad voor deze ouders, hun gezinnen en hun omgeving. Naast financieel herstel hebben zij vaak ook behoefte aan ondersteuning op andere gebieden, zoals werk, gezondheid en schulden. Gemeenten spelen hierin een belangrijke rol, omdat zij dicht bij inwoners staan en ervaring hebben met ondersteuning in het sociaal domein. Daarom is in de wet geregeld dat gemeenten brede ondersteuning bieden aan gedupeerden en hun gezinnen.
De brede ondersteuning kan starten zodra iemand zich aanmeldt bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT). Als later blijkt dat iemand niet als gedupeerde wordt erkend, stopt de ondersteuning. Het doel van de brede ondersteuning is om mensen te helpen een nieuwe start te maken en het vertrouwen in de overheid te herstellen. Hierbij wordt vooruitgekeken: de ondersteuning is tijdelijk en gericht op het krijgen van grip op het leven en het opbouwen van perspectief.
De ondersteuning richt zich op vijf leefgebieden: financiën, gezin, werk, wonen en zorg. Wat nodig is, verschilt per persoon en wordt daarom als maatwerk aangeboden. De gemeente kijkt samen met de aanvrager naar de situatie en bepaalt welke hulp nodig is. Deze hulp wordt vastgelegd in een plan van aanpak, waarin staat welke doelen worden nagestreefd en welke ondersteuning wordt ingezet.
Brede ondersteuning is ruimhartig en bedoeld om passende en duurzame hulp te bieden. Het is geen regeling voor schadevergoeding, maar gericht op herstel en toekomstperspectief. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de reguliere ondersteuning van de gemeente, zodat hulp goed op elkaar aansluit. Het uitgangspunt is dat inwoners zo snel mogelijk weer zelfstandig verder kunnen.
Tot slot geldt dat voorzieningen uit de brede ondersteuning in principe geen invloed hebben op een bijstandsuitkering. Gemeenten kunnen deze middelen buiten beschouwing laten, zodat ondersteuning geen nadelige financiële gevolgen heeft voor de aanvrager.
In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.
In dit artikel staat wat belangrijke begrippen betekenen. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de wet (Wht). Er wordt bijvoorbeeld uitgelegd wat een gezin is en wat een bedreigende situatie betekent. Ook wordt het verschil uitgelegd tussen het toekennen en het verstrekken van ondersteuning. Toekennen is het besluit dat iemand hulp krijgt, verstrekken is het moment waarop die hulp daadwerkelijk start. Dit onderscheid maakt het mogelijk om ondersteuning ook na twee jaar nog te laten doorlopen.
Artikel 2. Doel van de brede ondersteuning
Brede ondersteuning is bedoeld om inwoners te helpen een nieuwe start te maken. Het gaat niet om een vangnet voor inkomen, maar om het bieden van toekomstperspectief en herstel van vertrouwen in de overheid. De ondersteuning is maatwerk en verschilt per persoon. Daarbij wordt gekeken naar vijf belangrijke leefgebieden. Samen met de inwoner wordt bepaald op welke gebieden ondersteuning nodig is en wat daarvoor nodig is.
Artikel 3. Uitzonderingen brede ondersteuning
Dit artikel legt uit wat niet onder de brede ondersteuning valt. Zo is het geen regeling voor algemene inkomenssteun of het vergoeden van oude schade. Alleen hulp die bijdraagt aan de vijf leefgebieden komt in aanmerking. In noodsituaties kan soms een uitzondering worden gemaakt, maar dan gaat het om het voorkomen van acute problemen. Voorwaarde is wel dat er oplossingen komen die herhaling voorkomen.
Artikel 4. Doelgroep brede ondersteuning
De Wht regelt welke inwoners van de gemeente in aanmerking komen voor brede ondersteuning. In het eerste lid wordt daarnaar verwezen. In de wet wordt de inwoner genoemd die:
hun gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, van de Participatiewet en het thuiswonende kind of pleegkind van 18 jaar of ouder van de personen, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van de Wht, of van hun partner. De gemeente biedt deze ondersteuning alleen als iemand nog geen nieuwe start heeft kunnen maken. Ook het gezin kan ondersteuning krijgen, afhankelijk van de situatie op het moment van de aanvraag. Als blijkt dat iemand toch geen recht heeft, stopt de ondersteuning. In bijzondere gevallen kan ook ondersteuning worden geboden aan mensen die niet (meer) in de gemeente wonen.
Artikel 5. Brede ondersteuning voor een minderjarige
Ook kinderen van gedupeerde ouders kunnen brede ondersteuning krijgen. Jongeren vanaf 16 jaar kunnen dit zelf aanvragen bij hun gemeente. Voor jongere kinderen loopt de aanvraag via de ouder of verzorger. Als ouders in verschillende gemeenten wonen, is de woonplaats van het kind bepalend. Zo wordt ervoor gezorgd dat ook minderjarigen passende ondersteuning kunnen krijgen.
Artikel 6. Aanvraag brede ondersteuning
Een inwoner kan zich rechtstreeks bij het college melden voor brede ondersteuning. Dit kan schriftelijk, telefonisch of digitaal en is vormvrij. Ook kan een ouder via de UHT aangeven gebruik te willen maken van gemeentelijke ondersteuning; de gemeente ontvangt deze gegevens automatisch. Het moment waarop deze gegevens binnenkomen, geldt als de aanmelding. Als een inwoner zichzelf meldt, controleert het college bij de UHT of deze in aanmerking komt.
Artikel 7. Eerste gesprek en vaststelling hulpvraag
Binnen acht weken na de aanmelding nodigt het college de inwoner uit voor een eerste gesprek. In dit gesprek wordt de situatie besproken en samen vastgesteld welke ondersteuning nodig is. Daarbij wordt gekeken naar de vijf leefgebieden en wat nodig is om de doelen te bereiken. De datum van dit gesprek geldt als de officiële aanvraagdatum. De inwoner heeft hierbij regie: samen wordt de hulpvraag bepaald en de inwoner kiest waar het gesprek plaatsvindt, bijvoorbeeld thuis of op locatie.
Artikel 8. Besluit op de aanvraag
Het college neemt binnen acht weken na het eerste gesprek een besluit over de aanvraag. Als dat nodig is, kan deze termijn worden verlengd. De inwoner ontvangt hierover een beschikking. Tegen dit besluit kan bezwaar en beroep worden ingesteld.
Artikel 9. Het opstellen van het plan van aanpak
In het plan van aanpak staat welke hulp de inwoner nodig heeft en hoe de doelen worden bereikt. Dit plan is gebaseerd op de persoonlijke situatie op het moment van de aanvraag. Hierin staat stap voor stap welke ondersteuning wordt ingezet en welke voorzieningen worden toegekend. Ook wordt uitgelegd hoe deze ondersteuning bijdraagt aan een nieuwe start. Het plan zorgt ervoor dat de hulp samenhangend en duurzaam wordt ingezet.
Artikel 10. Aanvullende schuldhulpverleningsaanbod jongeren
Binnen de brede ondersteuning is er extra aandacht voor jongeren met problematische schulden. Jongeren van 18 jaar of ouder die recht hebben op de kindregeling en kampen met problematische schulden, kunnen sinds 1 november 2023 via hun gemeente extra schuldhulpverlening krijgen. Voor hen kan een aanvullend aanbod worden ingezet, bestaande uit een plan van aanpak en het oplossen van schulden. Het college beoordeelt of sprake is van problematische schulden, bijvoorbeeld als deze niet binnen 36 maanden kunnen worden afgelost. Als dat niet het geval is, wordt op een andere manier geholpen om inkomsten en uitgaven in balans te brengen. Bij een financiële hulpvraag wordt de situatie in kaart gebracht en wordt aangesloten bij de werkwijze van de reguliere schuldhulpverlening.
Artikel 11. Wijzigen plan van aanpak
Het plan van aanpak kan worden aangepast als dat nodig is om de doelen te bereiken. Dit gebeurt in overleg met de aanvrager, bijvoorbeeld bij veranderingen in de situatie of als extra ondersteuning nodig is. Tot twee jaar na het eerste gesprek kunnen nieuwe of andere voorzieningen worden toegevoegd; voor materiële voorzieningen geldt een termijn van zes maanden. De aanvrager kan ook zelf een verzoek tot wijziging indienen. Het college beslist hierover bij beschikking, waartegen bezwaar en beroep mogelijk is.
De ondersteuning is gericht op een nieuwe start en op meer zelfstandigheid in de toekomst. De doelen in het plan van aanpak staan daarbij centraal. Om deze doelen te bereiken, kan het college verschillende voorzieningen toekennen, zowel materieel als immaterieel. Daarbij wordt gekeken naar onder andere de financiële situatie en het duurzame effect van de voorziening. Het college maakt per geval een afweging en onderbouwt of de voorziening passend, noodzakelijk en evenredig is.
Artikel 12a. Lopende plannen van aanpak en nieuwe voorzieningen
Dit artikel regelt de overgang naar de nieuwe beleidsregels. Bestaande plannen van aanpak en voorzieningen blijven geldig. Nieuwe aanvragen worden beoordeeld volgens de nieuwe regels. Zo blijft de ondersteuning doorlopen en is er duidelijkheid voor zowel bestaande als nieuwe situaties.
Artikel 13. Materiële voorzieningen
Een materiële voorziening kan worden toegekend als deze direct nodig is om een doel uit het plan van aanpak te bereiken. Het gaat om het wegnemen van een belemmering, zodat de ondersteuning kan starten en perspectief ontstaat. Wat nodig is, verschilt per situatie en wordt als maatwerk beoordeeld. Voorbeelden zijn een wasmachine of een laptop, als deze noodzakelijk zijn voor het dagelijks functioneren of ontwikkeling. Materiële voorzieningen kunnen tot zes maanden na het eerste gesprek worden toegekend. De gemeente werkt met objectieve normen (NIBUD) om vergoedingen vast te stellen. Het college hanteert hierbij de NIBUD‑norm vermeerderd met 30%, passend bij het ruimhartige karakter van de brede ondersteuning. Voor duurdere aankopen geldt een offerteverplichting. Dit borgt een verantwoorde en evenwichtige inzet van publieke middelen, terwijl ruimte blijft voor het bieden van passende ondersteuning.
Artikel 14. Immateriële voorzieningen
Immateriële voorzieningen zijn gericht op de ontwikkeling van de aanvrager, zoals begeleiding, hulpverlening of een opleiding. Hierbij wordt gekeken of de voorziening nodig en passend is, ook op de langere termijn. De nadruk ligt op het vergroten van zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Welke ondersteuning wordt ingezet, is maatwerk en hangt af van de persoonlijke situatie en doelen. Deze voorzieningen kunnen tot twee jaar na het eerste gesprek worden toegekend en kunnen daarna nog doorlopen.
Artikel 15. Medewerking aanvrager
Het college kan de aanvrager vragen om mee te werken, zodat een goed beeld ontstaat van de situatie. Dit kan bijvoorbeeld gaan om gesprekken, informatie over de financiële situatie of een huisbezoek. Het doel is om te bepalen welke ondersteuning nodig en passend is. Daarbij staat het gesprek centraal en houdt de aanvrager zoveel mogelijk de regie. Als er onvoldoende informatie beschikbaar is, kan het college besluiten om geen voorziening toe te kennen.
Artikel 16. Weigeren voorzieningen
Het college kan een aangevraagde voorziening weigeren. Dit kan bijvoorbeeld als de voorziening niet aan de voorwaarden voldoet of met terugwerkende kracht wordt gevraagd. De weigering wordt uitgelegd in een beschikking. Tegen dit besluit kan bezwaar en beroep worden ingesteld.
Artikel 17. Beëindiging van de brede ondersteuning
De brede ondersteuning stopt als de aanvrager een nieuwe start heeft kunnen maken of uiterlijk twee jaar na het eerste gesprek. Dit betekent niet dat alle hulp dan direct stopt; toegekende voorzieningen kunnen nog doorlopen. De ondersteuning eindigt ook als een aanvraag voor herstel wordt afgewezen. Daarnaast kan de aanvrager zelf verzoeken om te stoppen. Voordat de ondersteuning wordt beëindigd, kijkt het college samen met de aanvrager naar de situatie en eventuele vervolghulp.
Artikel 18. Overdracht van hulpverlening naar regulier
Als na de brede ondersteuning nog hulp nodig is, zorgt het college voor een goede overdracht. Dit gebeurt naar reguliere ondersteuning, zoals hulp vanuit de gemeente. Hierbij wordt de situatie van de aanvrager duidelijk overgedragen. Zo kan de ondersteuning zonder onderbreking doorgaan. Dit wordt ook wel een warme overdracht genoemd.
Het college kan in uitzonderlijke situaties afwijken van de regels. Dit gebeurt alleen als toepassing van de regels tot een onredelijke uitkomst leidt. De afwijking wordt altijd goed gemotiveerd. Zo blijft maatwerk mogelijk in bijzondere gevallen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-319329.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.