Besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg tot wijziging van de Subsidieregeling Ontmoeten en ontwikkelen Leidschendam-Voorburg 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg,

gelezen het bestuurlijk behandelvoorstel met kenmerk 4760,

 

besluit:

 

De Subsidieregeling Ontmoeten en ontwikkelen Leidschendam-Voorburg 2026 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel I  

A

Artikel 2:1, lid 2 onder a wordt gewijzigd als volgt:

Bestaande tekst 

Nieuwe tekst 

a.

Activiteiten in het kader van persoonlijke groei: het beschikbaar stellen van kennis en informatie, het bieden mogelijkheden voor ontwikkeling en educatie, inwoners stimuleren om te lezen, het organiseren van ontmoetingen en debatten, en inwoners kennis laten maken met kunst en cultuur. Activiteiten binnen dit thema kunnen worden gesubsidieerd voor maximaal 12 aaneengesloten maanden, onder aansturing van 1 penvoerder.

a. Vervallen 

 

B

Artikel 2:1 lid 2 onder c wordt gewijzigd als volgt:

Bestaande tekst 

Nieuwe tekst 

  • c.

    Activiteiten in het kader van cultuureducatie: alle inwoners hebben toegang tot cultuur in de gemeente, ongeacht achtergrond of situatie. Om kansengelijkheid onder inwoners te vergroten en ervoor te zorgen dat culturele voorzieningen voor iedereen bereikbaar zijn, ligt daarbij een focus op de 'lichte cultuurgebruiker', jeugdigen, ouderen en (financieel) kwetsbare inwoners, en moet het aanbod (beter) worden afgestemd op deze doelgroepen. Activiteiten binnen dit thema kunnen worden gesubsidieerd voor maximaal 12 aaneengesloten maanden. Activiteiten die in ieder geval in aanmerking kunnen komen voor subsidiëring, zijn: 

    • i.

        Binnenschoolse cultuureducatie in het basisonderwijs 

    • ii.

      Buitenschoolse cultuureducatie voor kinderen tot 12 jaar 

    • iii.

      Jongerenprogramma’s gericht op media, literatuur en/of tekst 

  • c.

    Activiteiten in het kader van cultuureducatie: Ongeacht achtergrond of financiële situatie dienen kinderen en jongeren toegang te hebben tot cultuur in de gemeente. Om kansengelijkheid onder kinderen en jongeren te vergroten en ervoor te zorgen dat culturele voorzieningen voor deze doelgroep bereikbaar zijn, ligt binnen de subsidieregeling een focus op het stimuleren van toegankelijkheid tot culturele activiteiten en voorzieningen onder lichte cultuurgebruikers. De doelgroepen hierbij zijn kinderen en jongeren. Daarnaast dient het aanbod te worden afgestemd op hun leefwereld. 

    Het college kan, overeenkomstig artikel 7, tweede lid van de Asv, binnen deze subsidieregeling een eenjarige of meerjarige subsidie verstrekken voor maximaal 48 aaneengesloten maanden. Activiteiten die in aanmerking kunnen komen voor subsidiëring, zijn:

    • i.

      Binnenschoolse cultuureducatie in het basisonderwijs: activiteiten die zich richten op brede kennismaking met diverse kunstvakken en kunstdisciplines, waarbij de activiteiten aansluiten op één of meerdere van de drie kerndoelen van culturele vorming: Kunst Maken, Kunst en Cultuur Meemaken en Reflectie op Kunst en Cultuur, in lijn met de landelijke kerndoelen kunstzinnige oriëntatie van Stichting Leerplanontwikkeling Nederland of kennismaking met de lokale culturele infrastructuur.  

       

      Indien de activiteit kennismaking met lokale culturele infrastructuur bevat, dient het vervoer van de doelgroep naar de activiteit te worden inbegrepen 

       

      Bij binnenschoolse cultuureducatie dienen de activiteiten door opgeleide en/of ervaren kunstvakdocenten en educatoren te worden uitgevoerd. 

       

    • ii.

      Buitenschoolse cultuureducatie voor kinderen: activiteiten die voor verdieping zorgen in één of meerdere kunstdisciplines en zo ruimte geven voor verdere talentontwikkeling of die gericht zijn op laagdrempelige hobbymatige kunstbeoefening.  

       

      Bij buitenschoolse cultuureducatie dienen de activiteiten door opgeleide en/of ervaren kunstvakdocenten en educatoren te worden uitgevoerd. 

       

    • iii.

      Jongerenprogramma’s gericht op media, literatuur en/of tekst 

       

      Bij jongerenprogramma's dienen de activiteiten door opgeleide en/of ervaren kunstvakdocenten en educatoren te worden uitgevoerd.

  

 

 

 

C

Artikel 2:1 lid 2 onder d wordt gewijzigd als volgt:

 

Bestaande tekst 

Nieuwe tekst 

d. 

Activiteiten gericht op ontmoetingsplekken voor senioren: sociale cohesie in de gemeente en uitwisseling tussen inwoners bevorderen door het verspreid door de gemeente faciliteren van ontmoetingen gericht op senioren (al dan niet met beginnende dementie) die nieuwe vaardigheden willen leren of zich verder willen ontwikkelen, het ontlasten van mantelzorgers en het ondersteunen van inwoners met (beginnende) dementie. Activiteiten binnen dit thema kunnen gesubsidieerd voor maximaal 12 aaneengesloten maanden. 

 

d. 

Activiteiten gericht op ontmoetingsplekken voor senioren: sociale cohesie in de gemeente en uitwisseling tussen inwoners bevorderen door het verspreid door de gemeente faciliteren van ontmoetingen gericht op senioren (al dan niet met beginnende dementie) die nieuwe vaardigheden willen leren of zich verder willen ontwikkelen, het ontlasten van mantelzorgers en het ondersteunen van inwoners met (beginnende) dementie. Het college kan, overeenkomstig artikel 7, tweede lid van de Asv, binnen deze subsidieregeling een eenjarige of meerjarige subsidie verstrekken voor maximaal 48 aaneengesloten maanden. 

 

 

D

Artikel 2:2 wordt gewijzigd als volgt:

Bestaande tekst  

Nieuwe tekst 

  • 1.

    Het college geeft uitvoering dan wel kan uitvoering (laten) geven aan voorzieningen als programma’s, pilots, proeftuinen en overige initiatieven, die inzet (kunnen) vragen van subsidieontvangers. 

  • 2.

    Bij het uitvoeren van een activiteit uit hoofde van deze subsidieregeling wordt, mits de activiteit geheel of deels in een buurt, wijk of gebied waarin een voorziening zoals bedoeld in het eerste lid plaatsvindt, wordt uitgevoerd, verwacht dat: 

    • a.

      De subsidieontvanger aandacht heeft voor en, voor zover hier een beroep op wordt gedaan, een bijdrage levert aan de uitvoering van de voorziening (of activiteiten die hieruit voorkomen) zoals bedoeld in het eerste lid, tot een maximum van 5% (uitgedrukt in euro’s) van de voor 1 of meerdere activiteiten verleende subsidie zoals bedoeld in artikel 2:1;

    • b.

      De subsidieontvanger een actieve bijdrage levert in het signaleren van kansen en knelpunten die (mogelijk) effect hebben op de realisatie van de doelen en resultaten van de voorziening zoals bedoeld in het eerste lid; 

    • c.

      De bijdrage van de subsidieontvanger, zoals bedoeld onder a en onder b, vorm krijgt binnen de voor de voorziening geldende beleidskaders. 

  • 3.

    In het geval dat de voor de voorziening benodigde inzet het maximum zoals omschreven in het tweede lid onder a overstijgt, gaat aan verdere inzet eerst overleg tussen de subsidieontvanger en het college vooraf. 

 

  • 1.

    Het college geeft uitvoering dan wel kan uitvoering (laten) geven aan voorzieningen als programma’s, pilots, proeftuinen en overige initiatieven, die inzet (kunnen) vragen van subsidieontvangers. 

  • 2.

    Bij het uitvoeren van een activiteit uit hoofde van deze subsidieregeling wordt, mits de activiteit geheel of deels in een buurt, wijk of gebied waarin een voorziening zoals bedoeld in het eerste lid plaatsvindt, wordt uitgevoerd, verwacht dat: 

    • a.

      De subsidieontvanger aandacht heeft voor en, voor zover hier een beroep op wordt gedaan, een bijdrage levert aan de uitvoering van de voorziening (of activiteiten die hieruit voorkomen) zoals bedoeld in het eerste lid, tot een maximum van 5% (uitgedrukt in euro’s) van de voor 1 of meerdere activiteiten verleende subsidie zoals bedoeld in artikel 2:1; 

    • b.

      De subsidieontvanger een actieve bijdrage levert in het signaleren van kansen en knelpunten die (mogelijk) effect hebben op de realisatie van de doelen en resultaten van de voorziening zoals bedoeld in het eerste lid; 

    • c.

      De bijdrage van de subsidieontvanger, zoals bedoeld onder a en onder b, vorm krijgt binnen de voor de voorziening geldende beleidskaders. 

  • 3.

    In het geval dat de voor de voorziening benodigde inzet het maximum zoals omschreven in het tweede lid onder a overstijgt, gaat aan verdere inzet eerst overleg tussen de subsidieontvanger en het college vooraf. 

  • 4.

    Nieuwe activiteiten die niet eerder zijn gesubsidieerd door het college worden, ongeacht de looptijd toegekend onder een thema, geëvalueerd na 24 maanden door het college. Naar aanleiding van deze evaluatie kan de subsidie voor de activiteit (omlaag) worden bijgesteld of worden beëindigd. De evaluatie geschiedt aan de hand van de tussentijdse- en eindverantwoording.  

  • 5.

    Subsidie voor de in artikel 2:1, tweede lid, genoemde activiteiten kan uitsluitend worden aangevraagd door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid als bedoeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. 

 

E

Artikel 4:1 wordt gewijzigd als volgt

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

  • 1.

    Subsidieaanvragen voor de activiteiten opgenomen in artikel 2:1 van deze subsidieregeling worden beoordeeld op basis van de verdelingsregels zoals opgenomen in artikel 6, vierde lid van de Asv. Daarbij worden aanvragen gescoord, gerangschikt en, mits de aanvraag aan de eisen gesteld in de Asv en in deze subsidieregeling voldoet, toegekend in volgorde van hoogst tot laagst scorend, tot het voor de activiteit(en) beschikbaar bestelde budget zoals opgenomen in artikel 4:2, vierde lid van deze subsidieregeling, besteed is.

  • 2.

    In aanvulling op deze verdelingsregels worden subsidieaanvragen tevens beoordeeld op:

    • a.

      De mate waarin de activiteit bijdraagt aan het realiseren van een beweging van symptoombestrijding naar een versterking van de sociale basis;

    • b.

      De mate waarin de activiteit naar verwachting bijdraagt aan het aanpakken van de oorzaken van de toenemende druk op jeugdhulp, Wmo en de Participatiewet, alsook de termijn waarbinnen dit effect naar verwachting optreedt, of, in het geval van het beleidsthema ‘cultuureducatie’, de mate waarin rekening gehouden is met het creëren van laagdrempelig en toegankelijke activiteiten voor kwetsbare en nieuwe doelgroepen;

    • c.

      De mate waarin de activiteit bijdraagt aan het realiseren van een gezonde generatie in 2040;

    • d.

      Financiële gezondheid:

      • i.

        De mate waarin de begroting naar oordeel van het college realistisch lijkt;

      • ii.

        De mate waarin de subsidieaanvrager naar oordeel van het college aan heeft getoond een solide organisatie te zijn.

    • e.

      De mate waarin aanspraak wordt gemaakt of wordt beoogd aanspraak te maken op andere financieringsbronnen (van toepassing op activiteiten zoals bedoeld in artikel 2:1, tweede lid onder b);

    • f.

      Gebiedsgerichte aanpak (van toepassing op activiteiten zoals bedoeld in artikel 2:1, tweede lid onder c en onder d):

      • i.

        De mate waarin er sprake is of kan zijn van een ketenaanpak van activiteiten in eenzelfde gebied, wijk of buurt;

      • ii.

        De mate van spreiding van activiteiten door de gehele gemeente heen.

  • 3.

    Het college hanteert bij de beoordeling het volgende model:

  • Criterium

    Maximale score

    De mate waarin de aanvrager bij kan dragen aan de te realiseren beleidsdoel(en)

    30 punten

    De mate waarin nog geen aanbod aanwezig is dat voorziet in de realisatie van de beleidsdoel(en)

    15 punten

    De mate waarin de aanvrager aantoonbaar beschikt over de benodigde kennis en expertise om de activiteiten uit te kunnen voeren

    10 punten

    De mate waarin de aanvrager beoogt samen te werken dan wel samenwerkt met andere partijen

    10 punten

    De mate van lokale binding

    3 punten

    De prijs-kwaliteitverhouding

    5 punten

    Innovatie

    3 punten

    De onderdelen zoals benoemd in het tweede lid van dit artikel

    24 punten, als volgt verdeeld:

    a.

    6 punten

    b.

    6 punten

    c.

    3 punten

    d.

    3 punten

    e.

    3 punten

    f.

    3 punten

  • 4.

    Een aanvraag moet beoordeeld worden met een score van minimaal 70 punten om een positieve beoordeling te verkrijgen. Aanvragen die beoordeeld worden met een score van minder dan 70 punten, worden niet toegekend.

  • 5.

    In gevallen waarin 2 of meer aanvragen voor soortgelijke activiteiten met precies hetzelfde aantal punten worden beoordeeld, worden de subsidieaanvragers uitgenodigd voor een gesprek met het college. In dit gesprek lichten zij hun aanvraag toe. Het college beoordeelt dit gesprek met een score van maximaal 10 punten en weegt deze score mee, waarbij geldt dat de subsidieaanvrager met de hoogste score in beginsel de subsidie toegekend krijgt.

  • 1.

    Subsidieaanvragen voor de activiteiten opgenomen in artikel 2:1, met uitzondering van onder c (Activiteiten in het kader van cultuureducatie), van deze subsidieregeling worden beoordeeld op basis van de verdelingsregels zoals opgenomen in artikel 6, vierde lid van de Asv. Daarbij worden aanvragen gescoord, gerangschikt en, mits de aanvraag aan de eisen gesteld in de Asv en in deze subsidieregeling voldoet, toegekend in volgorde van hoogst tot laagst scorend, tot het voor de activiteit(en) beschikbaar bestelde budget zoals opgenomen in artikel 4:2, vierde lid van deze subsidieregeling, besteed is.

  • 2.

    In aanvulling op deze verdelingsregels worden subsidieaanvragen tevens beoordeeld op:

    • a.

      De mate waarin de activiteit bijdraagt aan het realiseren van een beweging van symptoombestrijding naar een versterking van de sociale basis;

    • b.

      De mate waarin de activiteit naar verwachting bijdraagt aan het aanpakken van de oorzaken van de toenemende druk op jeugdhulp, Wmo en de Participatiewet, alsook de termijn waarbinnen dit effect naar verwachting optreedt, of, in het geval van het beleidsthema ‘cultuureducatie’, de mate waarin rekening gehouden is met het creëren van laagdrempelig en toegankelijke activiteiten voor kwetsbare en nieuwe doelgroepen;

    • c.

      De mate waarin de activiteit bijdraagt aan het realiseren van een gezonde generatie in 2040;

    • d.

      Financiële gezondheid:

      • i.

        De mate waarin de begroting naar oordeel van het college realistisch lijkt;

      • ii.

        De mate waarin de subsidieaanvrager naar oordeel van het college aan heeft getoond een solide organisatie te zijn.

    • e.

      De mate waarin aanspraak wordt gemaakt of wordt beoogd aanspraak te maken op andere financieringsbronnen (van toepassing op activiteiten zoals bedoeld in artikel 2:1, tweede lid onder b);

    • f.

      Gebiedsgerichte aanpak (van toepassing op activiteiten zoals bedoeld in artikel 2:1, tweede lid onder c en onder d):

      • i.

        De mate waarin er sprake is of kan zijn van een ketenaanpak van activiteiten in eenzelfde gebied, wijk of buurt;

      • ii.

        De mate van spreiding van activiteiten door de gehele gemeente heen.

  • 3.

    Het college hanteert bij de beoordeling het volgende model:

  • Criterium

    Maximale score

    De mate waarin de aanvrager bij kan dragen aan de te realiseren beleidsdoel(en)

    30 punten

    De mate waarin nog geen aanbod aanwezig is dat voorziet in de realisatie van de beleidsdoel(en)

    15 punten

    De mate waarin de aanvrager aantoonbaar beschikt over de benodigde kennis en expertise om de activiteiten uit te kunnen voeren

    10 punten

    De mate waarin de aanvrager beoogt samen te werken dan wel samenwerkt met andere partijen

    10 punten

    De mate van lokale binding

    3 punten

    De prijs-kwaliteitverhouding

    5 punten

    Innovatie

    3 punten

    De onderdelen zoals benoemd in het tweede lid van dit artikel

    24 punten, als volgt verdeeld:

    a.

    6 punten

    b.

    6 punten

    c.

    3 punten

    d.

    3 punten

    e.

    3 punten

    f.

    3 punten

  • 4.

    De ingediende subsidieaanvragen voor het thema cultuureducatie zoals benoemd in artikel 2:1, lid 2 onder c, worden in afwijking van de vorige leden beoordeeld op basis van de mate waarin de subsidie aanvrager op de volgende criteria scoort:

  • Criteria

    Puntenaantal

    Maatschappelijke impact in verhouding tot aangevraagd subsidiebedrag

    10 punten

    Kwaliteit van de aanvraag, begroting en de mate waarin de aanvrager bij kan dragen aan de te realiseren beleidsdoel(en)

    15 punten

    Kennis en expertise uitvoerder(s) Leerkrachten / aanbieder

    15 punten

    De mate van lokale binding

    3 punten

    Beschrijving en het bereik van de beoogde doelgroep

    15 punten

    Toegankelijkheid/

    drempelverlagend

    12 punten

    De mate van aansluiting bij de leefwereld van kinderen of jongeren

    15 punten

    Samenwerking in het culturele veld/ sociaal domein

    5 punten

    Aanbod in lokale context

    10 punten

  • 5.

    Een aanvraag moet beoordeeld worden met een score van minimaal 70 punten om een positieve beoordeling te verkrijgen. Aanvragen die beoordeeld worden met een score van minder dan 70 punten, worden niet toegekend.

  • 6.

    In gevallen waarin 2 of meer aanvragen voor soortgelijke activiteiten met precies hetzelfde aantal punten worden beoordeeld, worden de subsidieaanvragers uitgenodigd voor een gesprek met het college. In dit gesprek lichten zij hun aanvraag toe. Het college beoordeelt dit gesprek met een score van maximaal 10 punten en weegt deze score mee, waarbij geldt dat de subsidieaanvrager met de hoogste score in beginsel de subsidie toegekend krijgt.

 

F

Artikel 5:2 wordt gewijzigd als volgt:

Bestaande tekst  

Nieuwe tekst 

  • 1.

    In aanvulling op artikel 17 van de Asv, verplicht het college subsidieontvangers die een subsidie van € 50.000 of meer en/of uitvoering geven aan een activiteit met een looptijd van meer dan 12 maanden, een tussentijdse rapportage te overleggen. 

  • 2.

    De subsidieontvanger doet de tussentijdse rapportage op eigen initiatief en binnen 2 maanden na afloop van de eerste 6 maanden van een kalenderjaar toekomen aan het college. De subsidieontvanger doet dit ieder kalenderjaar gedurende de looptijd van de subsidie. 

  • 3.

    De tussentijdse rapportage bevat dezelfde informatie als opgenomen in artikel 5:1, eerste lid van deze subsidieregeling. 

  • 4.

    Van bovenstaande leden kan worden afgeweken wanneer hier naar oordeel van het college dringende redenen voor zijn. 

  • 1.

    Het college kan subsidieontvangers die een eenjarige of meerjarige subsidie ontvangen verplichten bij verleningsbeschikking om een tussentijdse rapportage te overleggen. 

  • 2.

    De subsidieontvanger doet de tussentijdse rapportage binnen 2 maanden na afloop van de eerste 6 maanden van een kalenderjaar toekomen aan het college. De subsidieontvanger doet dit ieder kalenderjaar gedurende de looptijd van de subsidie. 

  • 3.

    Vervallen 

  • 4.

    Vervallen 

Artikel II  

Dit wijzigingsbesluit treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van de gemeente Leidschendam-Voorburg van 19 mei 2026.

R.J. den Haan

secretaris

M.W. Vroom

burgemeester

Naar boven