Wijziging van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen 2023

De raad van de gemeente Kampen;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 2 juni, kenmerk 26241-2026,

gelet op de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Participatiewet, de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015,

gelet op de Verordening sociaal domein gemeente Kampen 2023;

besluit vast te stellen de navolgende

Wijziging van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen 2023

 

Artikel I

De Verordening sociaal domein gemeente Kampen 2023 wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

Hoofdstuk 4 Gezond en veilig opgroeien, de aanhef, wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

Gezond en veilig opgroeien

Jeugdigen in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van hun ouders, de jeugdigen zelf en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door de gemeente. Deze hulp wordt zo vroeg mogelijk aangeboden, om het beroep op dure, gespecialiseerde hulp te beperken. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jeugdigen en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop. Met jeugdigen bedoelen we in deze verordening kinderen en tieners tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 waren en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

 

Kernwaarden:

  • De jeugdige moet gezond en veilig kunnen opgroeien.

  • De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is.

  • De eigen mogelijkheden, het probleemoplossend vermogen en het sociale netwerk van de jeugdige en zijn ouders gaan voor.

  • De gemeente stemt de hulp af op de jeugdige en zijn ouders en zorgt voor goede aansluiting met andere hulp.

  • Vrij toegankelijke hulp gaat voor hulp-op-maat.

 

[Jeugdwet]

 

B

Na paragraaf 4.3 Individuele voorzieningen (hulp-op-maat) worden paragrafen 4.4, 4.5 en 4.6 toegevoegd en zij komen als volgt te luiden:

 

4.4 Criteria voor toekenning van een individuele voorziening

[Jeugdwet]

  • 1.

    Een jeugdige of ouder komt in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.

  • 2.

    Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan toch blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:

    • a.

      geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

    • b.

      een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of

    • c.

      overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

  • 3.

    Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze:

    • a.

      daadwerkelijk beschikbaar is; en

    • b.

      passend en toereikend is voor de hulpvraag.

  • 4.

    Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening.

  • 5.

    Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en (waar beschikbaar) er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie.

  • 6.

    Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:

    • a.

      de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;

    • b.

      de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;

    • c.

      de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg)

  • 7.

    In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in dit hoofdstuk, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in dit hoofdstuk.

  • 8.

    Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin.

 

4.5 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

[Jeugdwet]

  • 1.

    Jeugdigen en/of ouder(s) komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders;

    • b.

      bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan;

    • c.

      de ondersteuning vanuit het sociale netwerk;

    • d.

      het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten

  • 2.

    Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.

  • 3.

    Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de leeftijd van de jeugdige;

    • b.

      de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft

    • c.

      de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

    • d.

      de mate van planbaarheid van de hulp;

    • e.

      de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.

  • 4.

    Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 5.

    Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:

    • a.

      Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van drie tot zes maanden in één kalenderjaar.

    • b.

      Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.

  • 6.

    Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden. Uitgangspunt is dat kortdurende inzet van niet langer dan drie / zes maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt.

  • 7.

    Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

    • b.

      de mate van planbaarheid van de hulp;

    • c.

      het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders;

    • d.

      de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige;

    • e.

      vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond);

    • f.

      of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden;

    • g.

      welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen;

    • h.

      het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen;

    • i.

      de woonsituatie;

    • j.

      de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet);

    • k.

      is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen;

    • l.

      overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht.

  • 8.

    Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

  • 9.

    Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:

    • Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.

    • Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.

    • Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.

    • Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht.

    • Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten.

    • Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.

  • 10.

    Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

  • 11.

    Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor, en bijdragen aan, het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s).

  • 12.

    Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.

 

Paragraaf 4.6 Vervoer

[Jeugdwet]

  • 1.

    Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt drie keer brengen en drie keer halen per week in ieder geval beschouwd als behorend tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s).

  • 2.

    Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. Het betreft dus alleen de ritten waarbij de jeugdige zelf in het voertuig aanwezig is.

  • 3.

    Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening.

  • 4.

    Het college beoordeelt, overeenkomstig paragraaf 4.4, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.

  • 5.

    Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.

  • 6.

    Voor de afstanden en tarieven gelden de regels zoals deze gelden bij het leerlingenvervoer van de gemeente.

 

C.

Paragraaf 5.2.2 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

 

5.2.2. Een schone en leefbare woning

  • 1.

    De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner huishoudelijke ondersteuning kan krijgen als hij zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden als gevolg van een beperking.

  • 2.

    De gemeente heeft een algemene voorziening voor huishoudelijke ondersteuning voor inwoners die vallen onder het segment ouderen. De algemene voorziening bestaat uit maximaal 52 uren huishoudelijke hulp per jaar.

  • 3.

    Voor hulp-op-maat moet de inwoner voldoen aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 2.3.2 en 5.1 van deze verordening.

  • 4.

    De gemeente maakt gebruik van het ‘Normenkader Huishoudelijke ondersteuning’ van bureau HHM. De toepassing van het normenkader wordt verder toegelicht in de ‘Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Kampen’.

  • 5.

    Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de hulp-op-maat ook bestaan uit het overnemen van de dagelijkse zorg voor deze kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.

 

D.

Artikel 6.3.3 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

 

6.3.3 Hoogte en tarief pgb voor ondersteuning

  • 1.

    De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van de door de gemeente gehanteerde (maximale) tarieven en de toegekende ondersteuning. Het pgb kan lager zijn dan de hoogte van de door de inwoner aangeleverde offerte of het PGB‑plan. De gemeente hanteert daarbij een maximumbedrag, dat met de inwoner is besproken en vastgelegd in het gespreksverslag. Indien de kosten van de ingekochte ondersteuning hoger zijn dan dit maximumbedrag, komt de meerprijs voor rekening van de inwoner.

  • 2.

    Het maximum tarief is afhankelijk van het type overkomst dat wordt afgesloten

    • a.

      Zorgovereenkomst met naast familielid (partner, 1e/2de graad)

      • -

        Als de hulp wordt uitgevoerd door iemand jonger dan 21 jaar: maximaal het wettelijk minimumjeugdloon (inclusief vakantiegeld) per uur.

      • -

        Als de hulp wordt uitgevoerd door iemand ouder dan 21 jaar: maximaal het wettelijk minimumloon (inclusief vakantiegeld) en eventueel compensatie voor vakantie-uren als sprake is van een arbeidsovereenkomst.

      • -

        Voor deeltijd verblijf/ logeeropvang (als er geen sprake is van een dienstbetrekking) kan een inwoner de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand ontvangen voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 2ab lid 1 onder a van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 of artikel 8ab lid 1 onder a van de Regeling Jeugdwet, tenzij op basis van het PGB-plan van de inwoner kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming. Om voor de tegemoetkoming in aanmerking te kunnen komen moet de inwoner een verklaring hebben als bedoeld in artikel 2ab lid 3 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 of artikel 8ab lid 3 van de Regeling Jeugdwet die is goedgekeurd door de gemeente en door de SVB;

    • b.

      Zorgovereenkomst met zorginstelling of zzp’er

      • -

        Voor jeugdhulp: gaat het om een pgb in plaats van hulp in natura die per jaar, per traject of per etmaal door de gemeente betaald wordt, dan gaat de gemeente uit van het bedrag dat de hulp in natura kost, omgerekend naar de periode waarop het pgb betrekking heeft. Dat bedrag is dan het maximumbedrag voor het pgb. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan de gemeente van deze maxima afwijken wanneer anders geen adequate ondersteuning kan worden ingekocht;

      • -

        Bij hulp-op-maat in de vorm van beschermd wonen wordt de hoogte van het pgb voor beschermd wonen, inclusief dagbesteding beschermd wonen, bepaald op basis van een naar aard en omvang oplopend budget en bedraagt het pgb maximaal 100% van de maximale kostprijs van de voorziening in natura. De maximale PGB tarieven zijn neergelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp van de gemeente Kampen. De inwoner mag geen vast maandloon overeenkomen of een andersoortige afspraak maken op basis waarvan uitbetaling door de SVB aan de dienstverlener plaatsvindt zonder voorafgaande verplichting van de inwoner tot overlegging aan de SVB van een door de inwoner goedgekeurde factuur of specificatie van ingezette zorg;

      • -

        Bij huishoudelijke ondersteuning bestaat het pgb uit het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij HBH 5 CAO VVT, plus vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. De CAO vindtvindt u hier. Aanpassingen in CAO VVT worden jaarlijks gecontroleerd door de gemeente en indien nodig worden pgb-tarieven aangepast;

      • -

        Bij Wmo begeleiding en Wmo dagbesteding wordt de hoogte van het pgb bepaald met behulp van een kostprijsonderzoek van HHM. Dit bestaat uit de personele kosten en overheadkosten voor opleidings- en reiskosten. Voor Wmo dagbesteding kan er ook vervoer naar de locatie worden toegekend. Er zijn maximaal 40 uren pgb per week mogelijk. De pgb-tarieven voor Wmo begeleiding en Wmo dagbesteding worden gepubliceerd op de website van de gemeente Kampen. Deze tabel is te vinden op de website van de gemeente Kampen onder ‘persoonsgebonden budget’. Indien van toepassing worden de tarieven jaarlijks aangepast overeenkomstig de actuele OVA‑index.

    • c.

      Zorgovereenkomst met een arbeidsovereenkomst

      • -

        Indien er sprake is van een arbeidsovereenkomst met een professional dan worden tarieven zoals omschreven in punt 2 ‘Zorgovereenkomst met zorginstelling of zzp’er’ gebruikt en verhoogt met de werkgeverslasten. Hierbij gaat de gemeente uit van het lage tarief, tenzij niet aan de voorwaarden hiervoor wordt voldaan. Dan verhoogt de gemeente het pgb met het hoge tarief. Beide tarieven worden (mede) gepubliceerd op de website van de SVB. De voorwaarden voor het lage tarief zijn: De overeenkomst is schriftelijk vastgelegd, is van onbepaalde tijd en er is sprake van een vast aantal uur per week/maand.

      • -

        Indien er sprake is van een arbeidsovereenkomst met iemand uit het sociaal netwerk (niet partner, familie 1e of 2de graad) dan worden tarieven zoals omschreven in punt 1 ‘Zorgovereenkomst met naast familielid (partner, 1e/2de graad)’ gebruikt en verhoogt met de werkgeverslasten. Hierbij gaat de gemeente uit van het lage tarief van de werkgeverslasten, tenzij niet aan de voorwaarden hiervoor wordt voldaan. Dan verhoogt de gemeente het pgb met het hoge tarief. Beide tarieven worden (mede) gepubliceerd op de website van de SVB. De voorwaarden voor het lage tarief zijn: De overeenkomst is schriftelijk vastgelegd, is van onbepaalde tijd en er is sprake van een vast aantal uur per week/maand.’

  • 3.

    Voor jeugdhulp kan er pgb worden versterkt voor een vervoervergoeding. De vereisten en de hoogte staan beschreven in paragraaf 4.6 van deze verordening.

 

E.

Paragraaf 6.4 vijfde lid onder d wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

 

  • d.

    voor collectief taxi-vervoer. In het collectief vraagafhankelijk vervoer betaalt de inwoner per rit een reizigersbijdrage. Deze bijdrage bestaat uit een starttarief en een kilometertarief, die samen de totale reizigersbijdrage vormen. De tarieven voor de reizigersbijdrage staan vermeld op de gemeentelijke website.

 

F.

Hoofdstuk 7 ‘Inkomen en schulden’ wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden: ‘Inkomen en schuldhulpverlening’.

 

G.

Paragraaf 7.1: Armoedebeleid, en subparagrafen 7.1.1, tot en met 7.1.3 worden gewijzigd en komen als volgt te luiden:

 

7.1 Financiële bestaanszekerheid

[PW, Gemeentewet]

 

Deze paragraaf beschrijft op welke manier de gemeente inwoners helpt bij het voorkomen van schulden en het versterken van hun financiële bestaanszekerheid.

 

7.1.1 Wat wil de gemeente?

  • 1.

    De gemeente wil dat inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving.

  • 2.

    Inwoners zijn in de eerste plaats zelf aan zet als er financiële problemen zijn. Als het inwoners niet lukt om hun problemen zelf op te lossen, kan de gemeente hulp aanbieden. De gemeente wil inwoners graag helpen om zelf een oplossing voor hun problemen te vinden. Als meer hulp nodig is, kan de gemeente meer doen. Dat betekent soms dat de gemeente kosten betaalt, maar het is ook mogelijk dat een inwoner ergens anders terecht kan of de kosten zelf moet betalen.

  • 3.

    De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of die schulden hebben hulp aan bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen.

  • 4.

    De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties, zoals ‘Financiën op Koers’ (FINOK). De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners en organisaties die zijn gericht op het tegengaan van armoede en schulden.

  • 5.

    De gemeente legt in beleidsregels vast op welke manier zij inwoners ondersteunt in hun financiële bestaanszekerheid.

  • 6.

    De gemeente spant zich in om inwoners met een laag inkomen voldoende te ondersteunen en dat betaald werk krijgen niet leidt tot een terugval in inkomsten.

  • 7.

    De gemeente kijkt bij het versterken van de financiële bestaanszekerheid ook naar andere leefdomeinen, zoals onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.

  • 8.

    De gemeente zorgt ervoor dat voorzieningen die per maand of per jaar worden verstrekt, na afloop van die periode op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden.

 

7.1.2 Voor wie zijn minimaregelingen bedoeld?

Minimaregelingen zijn bedoeld voor inwoners met een laag inkomen, zonder financiële buffer. De belangrijkste basisvoorwaarden zijn dat de inwoner:

  • a.

    18 jaar of ouder is, behalve in geval van de in paragraaf 7.5 beschreven kindpakketten;

  • b.

    bij de gemeente Kampen is ingeschreven in de Basisregistratie personen; en

  • c.

    over de Nederlandse nationaliteit of een geldige verblijfstitel als bedoeld in artikel 11, lid 2 en 3 van de Participatiewet.

Vluchtelingen die op basis van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, BRP-code 46, in Kampen verblijven, kunnen wel recht hebben op de kindpakketten en de meedoentegoed-regeling. Voor hen geldt dat de toetsing op inkomen plaatsvindt op een percentage van de leefgeldnorm, in plaats van de bijstandsnorm.

 

Voor sommige regelingen gelden bijzondere voorwaarden. Het kan zijn dat een inwoner gebruik maakt van een minimaregeling, ook al voldoet hij niet aan alle voorwaarden. Indien noodzakelijk kan er maatwerk worden toegepast.

 

7.1.3 Telt het inkomen en het vermogen mee?

Minimaregelingen zijn bedoeld voor inwoners die geen financiële buffer hebben. De gemeente gaat ervan uit dat dit het geval is als het inkomen onder een bepaalde grens blijft. Die inkomensgrenzen verschillen per regeling. De hoogte van die inkomensgrenzen hangt ook af van de leef- en woonsituatie. In deze verordening en op de website van de gemeente Kampen is te vinden welke inkomensgrenzen er gelden voor welke voorzieningen. Als een inwoner een hoger inkomen heeft, beoordeelt de gemeente per situatie of het toch nodig is om de inwoner in aanmerking te laten komen. De gemeente betrekt alle omstandigheden erbij.

 

Met inkomen wordt hier bedoeld: het maandelijkse nettoloon of de netto-uitkering. De gemeente vergelijkt het inkomen met de op dat moment geldende bijstandsnorm, zonder rekening te houden met vakantietoeslag. Voor het bepalen van het inkomen van een zzp’er/zelfstandige gaat de gemeente uit van de winst-verliesrekening of het inkomen dat bij de belastingaangifte is opgegeven.

 

Inkomsten die voor de algemene bijstand worden vrijgelaten, als bedoeld in artikel 31, lid 2 van de Participatiewet, worden ook voor minimaregelingen vrijgelaten. De inwoner blijft altijd onder de inkomensgrens als er loonbeslag op het inkomen ligt, of als er een minnelijke of wettelijke schuldregeling loopt (gericht op afbetalen van een schuld).

 

Het vermogen telt bij de meeste regelingen ook mee, maar soms is dit anders geregeld. Dat staat dan aangegeven. Vermogen wordt in ieder geval vrijgelaten als het onder de grens blijft die voor een bijstandsuitkering geldt. Een eigen huis telt niet mee bij het vermogen, behalve als het gaat om kwijtschelding belastingen.

 

H.

Paragraaf 7.4: Individuele inkomenstoeslag, en de titels van subparagrafen 7.4.2 tot en met 7.4.5 worden gewijzigd, uitsluitend voor wat betreft de opmaak, en komen als volgt te luiden:

 

7.4.2 Ambtshalve toekenning

7.4.3 Aanvraag door de inwoner

7.4.4 Aanvraag op uitnodiging

7.4.5 Redenen voor afwijzing

 

I.

Paragraaf 7.4.6 wordt zowel voor wat betreft de opmaak van de titel als de tekst in het eerste lid gewijzigd, en komt als volgt te luiden:

 

7.4.6 Hoogte van de toeslag (2026)

  • 1.

    De individuele inkomenstoeslag is per kalenderjaar:

    • a.

      € 515,- voor een alleenstaande; of

    • b.

      € 620,- voor een alleenstaande ouder met inwonend kind (ongeacht leeftijd); of

    • c.

      € 685,- voor gehuwden of samenwonenden; of

    • d.

      € 795,- voor gehuwden of samenwonenden met inwonend kind (ongeacht leeftijd).

 

J.

Paragraaf 7.6: Meedoenbonnen wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

 

7.6 Meedoentegoed

[Gemeentewet]

 

Het is belangrijk dat iedereen kan sporten of mee kan doen aan activiteiten, ook als sprake is van een laag inkomen. Met het meedoentegoed kan een inwoner kosten om te sporten, mee te doen aan culturele activiteiten, schoolactiviteiten of maatschappelijke activiteiten betalen.

 

Rechthebbende inwoners ontvangen hun meedoentegoed in de Gemeentepas-app. De hoogte van het meedoentegoed is afhankelijk van de leeftijd.

 

7.6.1 Doelgroep

Het meedoentegoed is bedoeld voor inwoners van 18 jaar of ouder met een laag inkomen. Het inkomen is in ieder geval laag, wanneer het onder 120% van de bijstandsnorm is. Inwoners met recht op studiefinanciering kunnen geen meedoentegoed ontvangen. Er wordt geen vermogenstoets uitgevoerd.

 

7.6.2 Ambtshalve toekenning

Inwoners die periodiek bijstand van de gemeente ontvangen, hoeven het meedoentegoed niet aan te vragen. Aan hen wordt het meedoentegoed ambtshalve toegekend als zij daar recht op hebben.

 

7.6.3 Aanvraag door de inwoner

Inwoners die vermoeden dat zij recht hebben op het meedoentegoed, kunnen onder andere via de website van de gemeente een onlineaanvraag doen.

 

7.6.4 Aanvraag op uitnodiging

De gemeente stuurt inwoners die het meedoentegoed in het voorgaande kalenderjaar hebben ontvangen, maar geen automatisch recht hebben in het nieuwe kalenderjaar, in de loop van het nieuwe kalenderjaar een bericht om hen eraan te herinneren dat zij opnieuw een aanvraag kunnen doen. Inwoners die eerder al opnieuw een aanvraag deden, krijgen geen herinnering.

 

7.6.5 Hoogte van het tegoed

De waarde van het meedoentegoed per kalenderjaar is afhankelijk van de leeftijd van de inwoner:

  • a.

    Volwassenen van 18 jaar of ouder, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt: € 210

  • b.

    Volwassenen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd, of die in het betreffende kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd bereiken: € 315

 

K.

Paragraaf 7.10: Schuldhulpverlening wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

 

7.10 Schuldhulpverlening

[Wgs]

 

Het is beter financiële problemen te voorkomen, dan op te lossen. Gemeente Kampen probeert inwoners daarom zo goed mogelijk (preventief) te ondersteunen. Bij signalen over betalingsachterstanden, probeert de gemeente in contact te komen met de inwoner om een hulpaanbod te doen.

 

7.10.1 Preventie

 

Om financiële problemen te voorkomen, kan een inwoner hulp vragen bij ‘Financiën op Koers’ (FINOK). Dat is het samenwerkingsverband van De Kern, Humanitas en gemeente Kampen. Dit samenwerkingsverband zorgt ervoor dat de vragen bij de juiste medewerker of instantie terecht komen. Het doel van FINOK is om inwoners van Kampen te helpen bij hun (financiële) thuisadministratie en daarmee hun redzaamheid op dit terrein te vergroten.

 

Inwoners kunnen met vragen over geld en geldproblemen ook terecht bij de balie inkomen en zorg in het gemeentehuis.

 

7.10.2 Hulp bij schulden

 

De gemeente werkt samen met andere instanties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen. Ook zorgt de gemeente ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen, als zij betalingsproblemen hebben. De gemeente sluit geen enkele inwoner met een geldige verblijfstitel bij voorbaat uit van hulp.

 

Voor inwoners met schulden is schuldhulpverlening beschikbaar. Gemeente Kampen heeft hiervoor gemeente Deventer gemandateerd. Gemeente Deventer kan de inwoner helpen bij het oplossen van de schulden. Ook is budgetbeheer mogelijk, als een inwoner zelf moeite heeft om een gezonde financiële huishouding te voeren. Inwoners ontvangen eventuele hulp in Kampen, zij hoeven hiervoor niet naar Deventer.

 

7.10.3 Besluit

 

Wanneer een inwoner zich aanmeldt voor schuldhulpverlening, moet de gemeente een officieel besluit nemen over die aanvraag. Dit gebeurt binnen 8 weken nadat de gemeente de aanvraag heeft ontvangen. Inwoners die geen toekenning krijgen, ontvangen daarop een toelichting. Zij kunnen tegen dit besluit bezwaar aantekenen.

 

L.

Paragraaf 11.3.2 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

 

11.3.2. PGB voor professionele dienstverlening / hulpverlening

De gemeente is van mening dat professionele dienstverlening / hulpverlening kwalitatief goed is als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • de hulpverlener(s) hebben voldoende deskundigheid. Deze deskundigheid blijkt uit de genoten opleiding en de ervaring van de hulpverlener(s);

  • de aanwezigheid van een VOG van de hulpverlener(s) en de bestuurder van een organisatie. De kosten voor de VOG zijn voor de rekening van de inwoner;

  • er is voldaan aan de in de sector geldende kwaliteitseisen, zoals bijvoorbeeld een BIG-registratie;

  • de organisatie / hulpverlener is bekend met de meldcode huiselijk geweld en werkt hier ook actief mee;

  • de organisatie die de hulp verstrekt heeft transparant en meetbaar beleid;

  • de organisatie / hulpverlener is bekend met een klachtenregeling;

  • de aanwezigheid van een adequaat zorgplan / hulpverleningsplan waarin staat hoe er aan de doelen wordt gewerkt;

  • de organisatie / hulpverlener is bekend met een vertrouwenspersoon en werkt daar ook actief mee.

  • de organisatie / hulpverlener draagt er zoveel mogelijk zorg voor dat cliënten niet in een afhankelijkheidspositie, in welke vorm dan ook, van de organisatie / hulpverlener komen te verkeren;

  • de organisatie / hulpverlener zorgt ervoor dat zijn locatie geschikt is voor het soort activiteiten dat de organisatie / hulpverlener verricht ten behoeve van de te leveren ondersteuning en/of zorg;

  • de organisatie / hulpverlener onthoudt zich van zogenaamde upcoding. Dit betekent dat de ondersteuningsbehoefte van de cliënt niet zwaarder voor wordt gedaan dan in werkelijkheid het geval is. De organisatie / hulpverlener vraagt niet onnodig hogere indicaties van de cliënt;

  • de organisatie / hulpverlener beschikt over een ondernemingsplan en een deugdelijke administratie. Op verzoek van de gemeente overlegt de organisatie / hulpverlener het ondernemingsplan en kan de organisatie / hulpverlener aantonen dat hij een deugdelijke administratie bijhoudt. Uit deze administratie moet bijvoorbeeld blijken op welke tijdstippen / dagdelen de cliënt ondersteuning heeft ontvangen en wat de duur van deze ondersteuning is geweest;

  • de organisatie kan voldoende gekwalificeerd personeel inzetten zodat er aangesloten wordt bij de ondersteuningsbehoefte die nodig is;

  • de bestuurder van de organisatie stuurt de organisatie zodanig aan dat de benodigde kwaliteit van de te leveren ondersteuning en/of zorg wordt gegarandeerd;

  • de organisatie / hulpverlener declareert rechtmatig. De organisatie declareert uitsluitend ondersteuning en/of zorg die daadwerkelijk door de organisatie is geleverd;

  • de organisatie / hulpverlener is financieel gezond en is verzekerd voor beroepsaansprakelijkheid.

 

M.

Paragraaf 11.3.3 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

 

11.3.3 PGB voor informele hulp / ondersteuning uit het sociaal netwerk

In het geval van de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening door een informele hulp (hieronder valt niet mantelzorg) bekijkt de gemeente onder meer de volgende factoren:

  • of de hulp minimaal gelijkwaardig of aantoonbaar beter is dan een professionele hulpverlener;

  • de deskundigheid van de hulpverlener die blijkt uit de genoten opleiding en de ervaring van de hulpverlener is voldoende. Als dit voor het verlenen van de ondersteuning niet relevant is, hoeft de informele ondersteuner niet te beschikken over een zogenaamde BIG-registratie;

  • de aanwezigheid van een VOG van de hulpverlener. Deze moet digitaal beschikbaar zijn, een foto van de VOG is niet toereikend. De kosten voor de VOG zijn voor de rekening van de inwoner;

  • dat er is voldaan aan de in de sector geldende kwaliteitseisen;

  • de aanwezigheid van een adequaat zorgplan / hulpverleningsplan waarin staat hoe er aan de doelen wordt gewerkt;

  • dat de hulpverlener ervoor zorgt dat zijn locatie geschikt is voor het soort activiteiten dat hij verricht ten behoeve van de te leveren ondersteuning en/of zorg;

  • dat de hulpverlener er zorg voor draagt dat een cliënt niet in een afhankelijkheidspositie, in welke vorm dan ook, van de hulpverlener komt te verkeren;

  • dat er geen sprake is van overbelasting bij de hulpverlener;

  • dat er geen druk is uitgeoefend op de inwoner om de informele hulp in te schakelen.

  • dat de hulpverlener zich onthoudt van zogenaamd upcoding. Dit betekent dat de ondersteuningsbehoefte van de inwoner niet zwaarder voor wordt gedaan dan in werkelijkheid het geval is. De hulpverlener vraagt niet onnodig hogere indicaties van de inwoner;

  • dat de hulpverlener beschikt over een ondernemingsplan en een deugdelijke administratie. Op verzoek van de gemeente overlegt de hulpverlener het ondernemingsplan en kan de hulpverlener aantonen dat hij een deugdelijke administratie bijhoudt. Uit deze administratie moet bijvoorbeeld blijken op welke tijdstippen / dagdelen de cliënt ondersteuning heeft ontvangen en wat de duur van deze ondersteuning is geweest;

  • dat de hulpverlener rechtmatig declareert. De hulpverlener declareert uitsluitend ondersteuning en/of zorg die daadwerkelijk is geleverd;

 

Deze eisen hebben betrekking op pgb overeenkomsten: Zorgovereenkomst met naast familielid en Zorgovereenkomst met een arbeidsovereenkomst waarbij er sprake is van iemand uit het sociaal netwerk.

 

Artikel II Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 2 juli 2026.

De raad van de gemeente Kampen,

M.E. Veldhoen,

griffier

S. de Rouwe,

voorzitter

Naar boven