Besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg tot wijziging van de Subsidieregeling Actief burgerschap Leidschendam-Voorburg 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg,

 

gelezen het bestuurlijk behandelvoorstel met kenmerk 4760,

 

besluit:

De Subsidieregeling Actief burgerschap Leidschendam-Voorburg 2026 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel I  

A

Artikel 2:2 wordt gewijzigd als volgt:

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

  • 1.

    Het college geeft uitvoering dan wel kan uitvoering (laten) geven aan voorzieningen als programma’s, pilots, proeftuinen en overige initiatieven, die inzet (kunnen) vragen van subsidieontvangers.

  • 2.

    Bij het uitvoeren van een activiteit uit hoofde van deze subsidieregeling wordt, mits de activiteit geheel of deels in een buurt, wijk of gebied waarin een voorziening zoals bedoeld in het eerste lid plaatsvindt, wordt uitgevoerd, verwacht dat:

    • a.

      De subsidieontvanger aandacht heeft voor en, voor zover hier een beroep op wordt gedaan, een bijdrage levert aan de uitvoering van de voorziening (of activiteiten die hieruit voorkomen) zoals bedoeld in het eerste lid, tot een maximum van 5% (uitgedrukt in euro’s) van de voor 1 of meerdere activiteiten verleende subsidie zoals bedoeld in artikel 2:1;

    • b.

      De subsidieontvanger een actieve bijdrage levert in het signaleren van kansen en knelpunten die (mogelijk) effect hebben op de realisatie van de doelen en resultaten van de voorziening zoals bedoeld in het eerste lid;

    • c.

      De bijdrage van de subsidieontvanger, zoals bedoeld onder a en onder b, vorm krijgt binnen de voor de voorziening geldende beleidskaders.

  • 3.

    In het geval dat de voor de voorziening benodigde inzet het maximum zoals omschreven in het tweede lid onder a overstijgt, gaat aan verdere inzet eerst overleg tussen de subsidieontvanger en het college vooraf.

  • 1.

    Het college geeft uitvoering dan wel kan uitvoering (laten) geven aan voorzieningen als programma’s, pilots, proeftuinen en overige initiatieven, die inzet (kunnen) vragen van subsidieontvangers.

  • 2.

    Bij het uitvoeren van een activiteit uit hoofde van deze subsidieregeling wordt, mits de activiteit geheel of deels in een buurt, wijk of gebied waarin een voorziening zoals bedoeld in het eerste lid plaatsvindt, wordt uitgevoerd, verwacht dat:

    • a.

      De subsidieontvanger aandacht heeft voor en, voor zover hier een beroep op wordt gedaan, een bijdrage levert aan de uitvoering van de voorziening (of activiteiten die hieruit voorkomen) zoals bedoeld in het eerste lid, tot een maximum van 5% (uitgedrukt in euro’s) van de voor 1 of meerdere activiteiten verleende subsidie zoals bedoeld in artikel 2:1;

    • b.

      De subsidieontvanger een actieve bijdrage levert in het signaleren van kansen en knelpunten die (mogelijk) effect hebben op de realisatie van de doelen en resultaten van de voorziening zoals bedoeld in het eerste lid;

    • c.

      De bijdrage van de subsidieontvanger, zoals bedoeld onder a en onder b, vorm krijgt binnen de voor de voorziening geldende beleidskaders.

  • 3.

    In het geval dat de voor de voorziening benodigde inzet het maximum zoals omschreven in het tweede lid onder a overstijgt, gaat aan verdere inzet eerst overleg tussen de subsidieontvanger en het college vooraf.

     

  • 4.

    Nieuwe activiteiten die niet eerder zijn gesubsidieerd door het college worden, ongeacht de looptijd toegekend onder een thema, geëvalueerd na 24 maanden door het college. Naar aanleiding van deze evaluatie kan de subsidie voor de activiteit (omlaag) worden bijgesteld of worden beëindigd. De evaluatie geschiedt aan de hand van de tussentijdse- en eindverantwoording.

     

  • 5.

    Subsidie voor de in artikel 2:1, tweede lid, genoemde activiteiten kan uitsluitend worden aangevraagd door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid als bedoeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

 

B

Artikel 5:2 wordt gewijzigd als volgt:

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

  • 1.

    In aanvulling op artikel 17 van de Asv, verplicht het college subsidieontvangers die een subsidie van € 50.000 of meer en/of uitvoering geven aan een activiteit met een looptijd van meer dan 12 maanden, een tussentijdse rapportage te overleggen.

     

  • 2.

    De subsidieontvanger doet de tussentijdse rapportage op eigen initiatief en binnen 2 maanden na afloop van de eerste 6 maanden van een kalenderjaar toekomen aan het college. De subsidieontvanger doet dit ieder kalenderjaar gedurende de looptijd van de subsidie.

     

  • 3.

    De tussentijdse rapportage bevat dezelfde informatie als opgenomen in artikel 5:1, eerste lid van deze subsidieregeling.

     

  • 4.

    Van bovenstaande leden kan worden afgeweken wanneer hier naar oordeel van het college dringende redenen voor zijn.

  • 1.

    Het college kan subsidieontvangers die een eenjarige of meerjarige subsidie ontvangen verplichten bij verleningsbeschikking om een tussentijdse rapportage te overleggen.

     

  • 2.

    De subsidieontvanger doet de tussentijdse rapportage binnen 2 maanden na afloop van de eerste 6 maanden van een kalenderjaar toekomen aan het college. De subsidieontvanger doet dit ieder kalenderjaar gedurende de looptijd van de subsidie.

     

  • 3.

    Vervallen

     

  • 4.

    Vervallen

Artikel II  

Dit wijzigingsbesluit treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van de gemeente Leidschendam-Voorburg van 19 mei 2026.

R.J. den Haan

secretaris

M.W. Vroom

burgemeester

Naar boven