Gemeenteblad van Goirle
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Goirle | Gemeenteblad 2026, 318493 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Goirle | Gemeenteblad 2026, 318493 | beleidsregel |
Beleidsregels huishoudelijke ondersteuning 2026
Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor de ondersteuning van inwoners die 'niet in staat zijn zelfstandig een gestructureerd huishouden te voeren' (artikel 1.1.1 Wmo 2015 en artikel 2.1.1 Wmo 2015). In de Wmo 2015 is geen concrete definitie gegeven van een gestructureerd huishouden. In deze richtlijn wordt beschreven wat we onder een schone en leefbare woning verstaan.
Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen.
Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
De ruimtes die door de inwoner(s) dagelijks in gebruik zijn. Hieronder vallen de volgende basis-ruimtes:
Extra ruimtes die niet dagelijks in gebruik zijn:
De hulp die over het algemeen verwacht wordt van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.
Taken die onder deze vorm van huishoudelijke ondersteuning vallen zijn (voor zover nodig) afnemen nat en droog, stofzuigen en dweilen, gordijnen en binnenzijde ramen wassen, bed verschonen, keuken en sanitair schoonmaken, opruimen.
Dit is de tijd die de hulp per bezoek besteedt aan aankomst en vertrek, administratie bij de inwoner, sociale interactie met de inwoner en het pakken en opruimen van schoonmaakspullen. Deze tijd maakt standaard onderdeel uit van de integrale normtijd bij het onderdeel schoon en leefbaar houden van het huis. Bij indirecte tijd gaat het om de tijd dat de hulp in de woning van de inwoner aanwezig is, het gaat bijvoorbeeld niet om reistijd.
Alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam huishouden te voeren.
Personen waarmee iemand een sociale relatie onderhoudt, zowel binnen als buiten de eigen leefeenheid.
Meldt een inwoner zich met een hulpvraag, dan voert het college een onderzoek uit. Daarbij wordt mede door een ergotherapeut breed gekeken naar de achtergrond van de hulpvraag, de eigen mogelijkheden, het sociaal netwerk en voorliggende oplossingen volgens de onderstaande punten 1 tot en met 3. Is het probleem hiermee nog niet opgelost, dan kan een aanvraag voor huishoudelijke ondersteuning worden ingediend. Het onderzoek van de gemeente omvat de onderstaande punten 1 tot en met 4.
In de Wmo 2015 wordt uitgegaan van de term ‘gebruikelijke hulp’, waar we onder verstaan: de normale, dagelijkse zorg die huisgenoten, partners, ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid gemeenschappelijk een woning bewonen en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden. Gebruikelijke hulp is alleen aan de orde als er een leefeenheid is die gemeenschappelijk een woning bewoont. Uitwonende kinderen vallen hier dus buiten. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter.
3.1 Gezondheidsproblemen of (dreigende) overbelasting
Heeft een huisgenoot of partner binnen de leefeenheid zodanige gezondheidsproblemen dat de betreffende taken niet door diegene uitgevoerd kunnen worden, dan vallen zijn taken niet onder gebruikelijke hulp.
Er zijn situaties waarbij de leden binnen de leefeenheid bepalen hoe er wordt gekeken naar gebruikelijke hulp:
Werk, huishouden en andere activiteiten:
Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding doet niets af aan het verplichtende karakter van gebruikelijke hulp.
Werk, huishouden en verzorging van partner/huisgenoot:
In geval de leden van een leefeenheid dreigen overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot, kan een indicatie worden gesteld op de onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke hulp worden gerekend. In eerste instantie zal die indicatie van korte duur zijn om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.
Werk, huishouden, overlijden van partner/ouder:
Als een partner/ouder ten gevolge van het overlijden van de andere partner/ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen, kan een indicatie worden gesteld op de onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke hulp worden gerekend. In eerste instantie zal die indicatie van korte duur zijn om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.
Gaat het om een terminale situatie, dan is het belangrijk om in overleg met de huisgenoten te bepalen wat draagbaar is. In deze situaties wordt onderzocht in hoeverre ‘gebruikelijke hulp’ haalbaar is.
Er wordt altijd onderzocht of een leefeenheid door de (chronische) uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt. Voor de toepassing van gebruikelijke hulp geldt dat er altijd van afgeweken kan worden met het oog op het bieden van maatwerk.
3.2 Fysieke afwezigheid door werk
Als uitgangspunt geldt dat indien een huisgenoot binnen de leefeenheid vanwege werk fysiek niet aanwezig is, hiermee rekening gehouden wordt wanneer het om aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen gaat. Er wordt geen rekening gehouden met drukke werkzaamheden, lange werkweken of veel reistijd. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk; bijvoorbeeld offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een eenpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke hulp worden geleverd.
In geval de leefeenheid van de zorgvrager mede bestaat uit kinderen, dan wordt ervan uitgegaan dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken.
Kinderen tussen 5 en 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand doen. Bij een 5-jarige kan het er bijvoorbeeld om gaan zelf het kopje op het aanrecht te zetten.
Van een meerderjarige gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze in staat is de huishoudelijke taken (gedeeltelijk) over te nemen wanneer de primaire verzorger uitvalt. Ook wordt verwacht dat zij eventueel jongere gezinsleden opvangen, verzorgen en begeleiden als zij hiertoe in staat worden geacht.
Redenen als 'niet gewend zijn om' of 'geen huishoudelijke taken willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot het toekennen van huishoudelijke ondersteuning. In die situaties kan een tijdelijke indicatie afgegeven worden voor het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. Het gaat dan om een kortdurende indicatie, waarin de noodzakelijke huishoudelijke vaardigheden worden aangeleerd.
Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Bij uitval van één van de ouders dient de andere ouder de zorg voor de kinderen over te nemen. Waarbij van hen wordt verwacht dat zij maximaal zoeken naar eigen oplossingen: zorgverlof, mantelzorg en andere (voorliggende) voorzieningen.
De zorgplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindigen van de relatie. Maar er dient wel rekening gehouden te worden met de eventueel door de rechtbank vastgelegde afspraken.
3.5 Uitzonderingen bij type leefsituaties
Bij een aantal bijzondere typen leefsituaties wordt anders omgegaan met het toepassen van gebruikelijke hulp:
Zelfstandig samenwonen op één adres en gemeenschappelijke ruimten delen 1:
Er is hier geen sprake van een leefeenheid. Het schoonmaken van de eigen woonruimte(n) en slechts een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten worden meegerekend. Tenzij dit geregeld is binnen de service kosten van de huurovereenkomst.
4 Uitgangspunten voor huishoudelijke ondersteuning
4.1 De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk
De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden, met inbegrip van het bevorderen en in stand houden van gezondheid, levensstijl en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd. Huishoudelijke ondersteuning is er als aanvulling op de eigen mogelijkheden.
De eigen verantwoordelijkheid van de leefeenheid houdt ook in dat het huis zodanig is ingericht dat dit in redelijkheid schoongehouden kan worden.
Het principe ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’ staat centraal. Dit betekent dat gestimuleerd wordt dat de inwoner zelf huishoudelijke taken uit blijft voeren, of weer uit gaat voeren. Hiervoor zetten we het programma ‘Huishouden op eigen kracht’ in. Een door de gemeente aangewezen ergotherapeut adviseert hierover voor het indienen van een aanvraag voor huishoudelijke ondersteuning.
Wanneer uit onafhankelijk medisch advies blijkt dat er voor de aanwezige beperking(en) nog behandelmogelijkheden zijn, wordt er in eerste instantie geen huishoudelijke ondersteuning toegekend. Met name als blijkt dat huishoudelijke ondersteuning anti-revaliderend kan werken.
Wel kan huishoudelijke ondersteuning naast een te volgen behandeling of revalidatie worden toegekend. Hierover is, via een medisch advies, afstemming met de behandelaar nodig. Dit indicatieadvies heeft dan in eerste instantie een korte geldigheidsduur, afgeleid van de duur van het behandel- en/of revalidatietraject.
4.3 Criteria om in aanmerking te komen voor huishoudelijke ondersteuning
5 Normenkader huishoudelijke ondersteuning
Het doel van het gebruik van het normenkader huishoudelijke ondersteuning is om uniformiteit in de toekenning van huishoudelijke ondersteuning na te streven. Het gaat hierbij om een richtlijn, waarbij deze is gebaseerd op volledige overname van het huishouden. Iedere individuele situatie wordt separaat onderzocht en er wordt met behulp van de richtlijn ondersteuning op maat toegekend. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Hierbij wordt gemotiveerd aangegeven waarom wordt verhoogd of verlaagd.
5.2.1 Gemiddelde cliëntsituatie
Het resultaat ‘Schone en leefbare woning’ gaat uit van een gemiddelde cliëntsituatie
Schoon staat hierbij voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen.
Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
Door uit te gaan van een gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat er op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. Onder een gemiddelde situatie wordt verstaan:
Een aantal factoren kan ervoor zorgen dat een situatie niet-gemiddeld is. Hier is dan een andere inzet en/of frequentie van activiteiten of een andere tijdbesteding nodig. Op basis van maatwerk mag van de inzet op basis van het normkader zowel naar boven als naar beneden worden afgeweken. De minuten die genoemd zijn bij minder en meer inzet geven een richtlijn. Op basis van individuele situaties wordt bepaald of en zo ja er een andere tijdsbesteding noodzakelijk is.
De fysieke mogelijkheden van de inwoner om bij te dragen aan de uit te voeren huishoudelijke taken. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen en/of het door de inwoner onvoldoende of niet aanwezig zijn van regie om het eigen huishouden te voeren. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de inwoner mee.
Beperkingen en belemmeringen van de inwoner:
Beperkingen en belemmeringen van de inwoner kunnen gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is, niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerigheid, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:
Ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers:
De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de inwoner en eventuele vrijwilligers, waardoor minder professionele inzet vanuit de gemeente noodzakelijk is omdat een deel van de activiteiten door niet-professionals wordt gedaan.
Een extreem bewerkelijke inrichting van de woning zorgt niet voor toekenning van extra ondersteuning. Het gaat in dit geval om de uitzonderlijke situaties waarin deze inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. De inwoner wordt geacht zelf bij te dragen aan het efficiënt kunnen uitvoeren van de huishoudelijke ondersteuning. De inrichting van de woning is namelijk een keuze waar de inwoner invloed op kan uitoefenen. Eventueel kunnen we ondersteunen bij het herinrichten van de woning, bijvoorbeeld door iemand in het netwerk te zoeken of een vrijwilliger om het huis opnieuw in te richten.
Extra inzet is nodig door bouwkundige en externe factoren van de woning. Bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand-of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes. Dit behoort niet vanzelfsprekend tot huishoudelijke ondersteuning. We verwachten dat de cliënt in redelijkheid de woning in goede staat van onderhoud brengt, zodat deze efficiënt kan worden schoongehouden.
Een grote woning kan, maar hoeft niet per se meer inzet te vragen. De extra ruimtes of oppervlakte kunnen eenvoudig schoon te houden zijn en maar weinig extra ondersteuning vragen, of zijn niet altijd in (dagelijks) gebruik. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd (zie hiervoor hoofdstuk 6). Ruimtes als een garage en zolder worden niet tot dit resultaat gerekend.
Waarvoor geen extra ondersteuning wordt ingezet
Het aan de buitenkant wassen van ramen wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de ondersteuning die noodzakelijk is inzake huishoudelijke ondersteuning (CRvB, 29-03-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1302). Voor het aan de buitenkant wassen van de ramen is een adequaat alternatief beschikbaar in de vorm van een glazenwasser. Gezien de lage frequentie van het ramenwassen aan de buitenkant, in combinatie met de beperkte kosten voor het inzetten van een glazenwasser, geeft de Centrale Raad van Beroep aan dat deze kosten ook door inwoners met een minimuminkomen gedragen kunnen worden.
Boodschappen en hand- en spandiensten
Als een cliënt niet in staat is om zelf boodschappen te doen of hand- en spandiensten als bijvoorbeeld een lamp ophangen, wordt er gekeken naar inzet van het sociale netwerk of vrijwillige inzet. Hiernaast kan men gebruik maken van de bezorgdiensten van diverse supermarkten. Deze diensten zijn algemeen gebruikelijk.
Thuis zorgen voor kinderen onder de 6 jaar
In uitzonderlijke situaties waarbij acute ondersteuning nodig is voor kinderen tot en met 5 jaar zoekt de toegang in overleg met de cliënt en zijn netwerk naar een passende oplossing. Dit wordt dan via de Wmo op een andere manier geregeld. In afwachting van een definitieve oplossing kan tijdelijk ondersteuning worden ingezet. De zorg voor de kinderen omvat het wassen, douchen, aankleden, verschonen van luiers en het voeden van baby's. Het passen op kinderen valt hier nadrukkelijk niet onder. In de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning valt daarom niet de ondersteuning voor kinderen.
Het klaarzetten of bereiden van eten en drinken
Voor het in uitzonderlijke situaties bieden van maaltijdondersteuning zoekt de toegang in overleg met de cliënt en zijn netwerk naar een passende oplossing. Zo nodig kan tijdelijk ondersteuning worden ingezet. De wijkverpleegkundige beoordeelt de noodzaak van ondersteuning bij maaltijden en waar nodig zorgt zij voor de inzet van passende ondersteuning. In de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning is daarom geen maaltijdbegeleiding opgenomen.
Toelichting op ‘enige’ of ‘veel’ extra ondersteuning
Deze extra inzet gebeurt op basis van de specifieke situatie van de inwoner en vaak ook in afstemming met de schoonmakende partij.
Toelichting op slaapkamer (ruimte) wel/niet in gebruik:
Extra kamers in de woning, naast de hoofdslaapkamer van de cliënt, worden schoongemaakt:
Het uitgangspunt is dat de gevolgen van huisdieren op de omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken van oplossingen tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner behoort. Dit kan anders zijn als er een bijzondere reden is waarom een huisdier aanwezig is, zoals een hulphond of blindengeleidehond. De verzorging van het dier valt buiten de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning.
Advies, instructie en voorlichting
Huishoudelijke ondersteuning kan ook gedurende een korte periode ingezet worden voor advies, instructie en voorlichting. Het gaat hier om het aanleren van activiteiten in relatie tot het huishouden, bij ontregelde huishouding in verband met bijvoorbeeld psychische stoornissen:
Het organiseren van huishoudelijke taken
Als een cliënt niet in staat is de huishoudelijke hulp aan te sturen, wordt er gekeken of er een mantelzorger of iemand anders uit zijn netwerk hem daarbij kan ondersteunen. In de meeste gevallen kan een hulp zelf ook bepalen welke taken uitgevoerd moeten worden.
Wanneer blijkt dat de cliënt in onvoldoende mate regie kan voeren over zijn eigen huishouden, bestaat de mogelijkheid tot het inzetten van individuele begeleiding. Het betreft dan meestal een groter vraagstuk dan uitsluitend het aansturen van de huishoudelijke hulp.
Iedere inwoner dient te kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding evenals schoon en gedroogd textiel (handdoeken en beddengoed). Ondersteuning bestaat uit wassen, drogen en opvouwen van de was. Strijken wordt niet standaard gedaan. De algemene was-service geldt in de meeste gevallen als een passende en bruikbare voorliggende voorziening.
Wasverzorging binnen de maatwerkvoorziening wordt alléén geïndiceerd als de algemene was-service niet passend kan worden geacht in een individuele situatie. Bijvoorbeeld een gezin met kinderen of bij structureel veel extra was door een langdurige medische oorzaak.
5.3.1 Gemiddelde Clientsituatie
Bij wasverzorging binnen de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning wordt uitgegaan van een gemiddelde clientsituatie. Door uit te gaan van een gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat er op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld.
Ook bij de wasverzorging kan een aantal factoren ervoor zorgen dat een situatie niet-gemiddeld is. Er is dan een andere inzet en/of frequentie van activiteiten of een andere tijdbesteding nodig. Op basis van maatwerk mag de inzet, op basis van het normkader, zowel naar boven als naar beneden afwijken. De minuten die genoemd zijn bij minder en meer inzet geven een richtlijn. Op basis van individuele situaties wordt bepaald of en zo ja er een andere tijdsbesteding noodzakelijk is.
Uitgangspunt is dat de cliënt zorgt voor voldoende en strijkvrije kleding en huishoudtextiel, zodat er geen extra was noodzakelijk is om over voldoende kleding en huishoudtextiel te beschikken.
Het strijken van kleding wordt alleen gedaan bij een medische noodzaak, betreft alleen bovenkleding en alleen het aantal stuks dat redelijkerwijs verwacht mag worden en maatschappelijk aanvaardbaar is.
De was-service is een algemene voorziening die tegen een gereduceerd tarief toegankelijk en bruikbaar is voor cliënten die zelf of binnen de leefeenheid niet meer in staat zijn om de was te (laten) doen. De gemeente stelt vast of de cliënt tot de Wmo doelgroep behoort.
De was wordt bij de cliënt thuis opgehaald en weer afgeleverd. De was wordt door een professionele wasserij gewassen, gedroogd en opgevouwen. Het uitgangspunt hierbij is dat de cliënt zorgt voor voldoende en strijkvrije kleding en huishoudtextiel om tenminste een week te kunnen overbruggen.
Een cliënt die kleding of beddengoed wil laten strijken kan dit tegen betaling van de kostprijs van de voorziening afnemen.
De Wmo-cliënt die binnen zijn leefeenheid niet in staat is de was te (laten) verzorgen, betaalt een vergoeding voor de algemene was-service die is vastgesteld op het niveau van de NIBUD-normen van all-in waskosten wanneer men zelf wast. In de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Goirle is de eigen betaling voor de was-service opgenomen. Het actuele tarief staat in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Goirle. Het Wmo-tarief is gebaseerd op een vastgestelde hoeveelheid was per persoon per week voor kleding, huishoudtextiel en beddengoed.
In het Plan van aanpak algemene was-service staat beschreven hoe deze voorziening wordt uitgevoerd.
Een persoon die naar het oordeel van de gemeente niet tot de hierboven omschreven Wmo doelgroep behoort, kan gebruik maken van de was-en strijkservice tegen betaling van de kostprijs van deze voorziening.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-318493.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.