Beleidsregel beoordeling levensgedrag gemeente Voorschoten 2026

Inleiding

Exploitanten, leidinggevenden, bedrijfsleiders, beheerders van inrichtingen of bedrijven, organisatoren en aanvragers van vergunningen dragen een wezenlijke verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat binnen de gemeente Voorschoten.

 

Voor diverse vergunningaanvragen op grond van de Algemene plaatselijke verordening Voorschoten 2020 (APV) en de Alcoholwet geldt dat van betrokkenen in geen enkel opzicht sprake mag zijn van slecht levensgedrag.

 

De toets op levensgedrag vormt een preventieve integriteitstoets die erop is gericht risico's voor de openbare orde, veiligheid en leefomgeving te beperken. Vastgesteld slecht levensgedrag vormt een zelfstandige grond om een vergunning te weigeren of in te trekken, dan wel om een leidinggevende of beheerder niet op een vergunning te vermelden.

 

In het licht van de Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1493) moeten de beoordelingscriteria duidelijk, objectief, kenbaar en openbaar zijn. De burgemeester past de levensgedragstoets toe binnen de volgende juridisch verankerde randvoorwaarden:

  • Relevantie: uitsluitend feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de aangevraagde activiteit of inrichting worden betrokken;

  • Kenbaarheid: de betrokkene moet vooraf kunnen weten welke gedragingen onverenigbaar zijn met behoorlijk levensgedrag;

  • Evenredigheid: de beoordeling mag niet verder gaan dan noodzakelijk ter bescherming van de openbare orde, veiligheid en het woon- en leefklimaat.

Deze beleidsregel strekt ertoe deze criteria voor Voorschoten expliciet vast te leggen en juridisch te normeren.

 

De burgemeester van Voorschoten,

 

gelet op artikel 2:25, negende lid, artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder b, artikel 2:81, vijfde lid, aanhef en onder b, en artikel 3:7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene plaatselijke verordening Voorschoten 2020, artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 35 van de Alcoholwet en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

overwegende dat het wenselijk is duidelijke, kenbare en openbare beoordelingscriteria vast te stellen voor de beoordeling van het levensgedrag;

 

Besluit vast te stellen de:

“Beleidsregel beoordelingscriteria levensgedrag gemeente Voorschoten 2026”

 

Hoofdstuk 1 – Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt aangesloten bij de begrippen zoals deze zijn gedefinieerd in de Algemene plaatselijke verordening Voorschoten 2020, de Alcoholwet en de daarop gebaseerde regelgeving. Voor zover begrippen per vergunningstelsel verschillen, gelden de begrippen uit het desbetreffende wettelijke of verordeningsrechtelijke kader.

Artikel 1.2 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze beleidsregel is van toepassing op alle vergunningen, wijzigingen, bijschrijvingen, verlengingen, ontheffingen en intrekkingen waarbij de burgemeester bevoegd is het levensgedrag van een betrokkene te beoordelen, voor zover de toepasselijke wettelijke of verordeningsrechtelijke regeling daarvoor een grondslag biedt.

  • 2.

    De beleidsregel is in ieder geval van toepassing op de beoordeling van het levensgedrag bij:

    • a.

      een exploitatievergunning voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28 van de APV;

    • b.

      een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:25, negende lid, van de APV;

    • c.

      een vergunning voor een bedrijfsmatige activiteit in een aangewezen gebouw, gebied of branche als bedoeld in artikel 2:81 van de APV;

    • d.

      een vergunning voor een seksbedrijf als bedoeld in artikel 3:3 van de APV, gelezen in samenhang met de artikelen 3:7 en 3:9 van de APV, voor zover de burgemeester daarbij het bevoegde bestuursorgaan is;

    • e.

      een Alcoholwetvergunning en de bijschrijving van leidinggevenden op grond van de Alcoholwet;

    • f.

      een ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Alcoholwet.

  • 3.

    Indien in de toekomst in een wettelijke regeling, verordening of beleidsregel een vergunningplicht wordt ingevoerd waarbij het criterium slecht levensgedrag geldt, is deze beleidsregel daarop van overeenkomstige toepassing, voor zover dat past binnen de betreffende regeling.

  • 4.

    Deze beleidsregel schept geen zelfstandige vergunningplicht en breidt de wettelijke of verordeningsrechtelijke bevoegdheden van de burgemeester niet uit.

Artikel 1.3 – Doel en functie

  • 1.

    Deze beleidsregel geeft aan hoe de burgemeester het criterium slecht levensgedrag toepast.

  • 2.

    De beleidsregel heeft tot doel vooraf kenbaar te maken welke feiten en omstandigheden relevant kunnen zijn, hoe deze feiten en omstandigheden worden gewogen en op welke wijze de burgemeester rekening houdt met relevantie, aannemelijkheid, tijdsverloop, patroonvorming en evenredigheid.

  • 3.

    De beleidsregel laat onverlet dat de burgemeester per individueel geval een zelfstandige beoordeling maakt op basis van alle relevante feiten en omstandigheden.

Artikel 1.4: Verhouding tot de Wet Bibob en andere toetsen

  • 1.

    De levensgedragstoets is een zelfstandige toets naast de toetsing op grond van de Wet Bibob.

  • 2.

    De burgemeester kan informatie uit een Bibob-onderzoek betrekken bij de levensgedragstoets, voor zover de geldende wettelijke grondslag en geheimhoudingsregels dit toestaan.

  • 3.

    De uitkomst van een Bibob-onderzoek is niet beslissend voor de levensgedragstoets. De burgemeester beoordeelt zelfstandig of de feiten en omstandigheden relevant zijn voor het levensgedrag.

  • 4.

    Een Verklaring Omtrent het Gedrag, een Bibob-advies of een strafrechtelijke beslissing kan bij de beoordeling worden betrokken, maar is niet zonder meer doorslaggevend, omdat deze instrumenten ieder een eigen toetsingskader hebben.

Hoofdstuk 2 – Toets levensgedrag

Artikel 2.1 Momenten van toetsing

  • 1.

    De burgemeester beoordeelt het levensgedrag in ieder geval bij een aanvraag om een vergunning of ontheffing waarop deze beleidsregel van toepassing is.

  • 2.

    De burgemeester kan het levensgedrag beoordelen bij een aanvraag tot wijziging, verlenging of bijschrijving van een betrokkene op een vergunning.

  • 3.

    De burgemeester kan het levensgedrag opnieuw beoordelen gedurende de looptijd van een vergunning, indien sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, signalen over de betrokkene, signalen over de onderneming of signalen over een andere onderneming waarbij dezelfde betrokkene betrokken is.

  • 4.

    Bij de beoordeling wordt steeds beoordeeld of de feiten en omstandigheden voldoende verband houden met de vergunning of de activiteit waarvoor de betrokkene verantwoordelijk is.

Artikel 2.2 Informatiebronnen

  • 1.

    De burgemeester kan bij de beoordeling van het levensgedrag gebruikmaken van informatie die redelijkerwijs relevant kan zijn voor de beoordeling.

  • 2.

    De burgemeester kan in ieder geval de volgende bronnen betrekken:

    • a.

      politie-informatie, waaronder processen-verbaal, mutaties en bestuurlijke rapportages;

    • b.

      justitiële gegevens uit het JDS, voor zover daarvoor een wettelijke grondslag bestaat;

    • c.

      gemeentelijke handhavingsgegevens, toezichtrapportages, bestuurlijke waarschuwingen en opgelegde maatregelen;

    • d.

      gegevens uit een Bibob-toets, voor zover gebruik daarvan is toegestaan;

    • e.

      informatie van ketenpartners, waaronder informatie die via het RIEC kan worden gedeeld;

    • f.

      openbare bronnen, waaronder het Handelsregister, openbare registers, openbare bekendmakingen en openbare rechterlijke uitspraken;

    • g.

      het Centraal Insolventieregister;

    • h.

      fiscale of arbeidsgerelateerde informatie, voor zover daarvoor een wettelijke grondslag bestaat.

  • 3.

    De burgemeester gebruikt informatie alleen voor zover deze rechtmatig is verkregen en relevant is voor de beoordeling van het levensgedrag.

  • 4.

    Indien de burgemeester informatie aan de beoordeling ten grondslag legt, wordt in het besluit gemotiveerd welke informatie daarvoor redengevend is.

Hoofdstuk 3: Beoordeling van het levensgedrag

Artikel 3.1: Algemene beoordelingswijze

  • 1.

    De burgemeester beoordeelt per individueel geval of sprake is van slecht levensgedrag.

  • 2.

    De beoordeling vindt plaats aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang.

  • 3.

    Bij de beoordeling betrekt de burgemeester in ieder geval: a. de aard en ernst van de gedraging; b. het aantal gedragingen; c. het tijdsverloop sinds de gedraging; d. de mate waarin sprake is van recidive of patroonvorming; e. de houding van de betrokkene ten opzichte van de gedraging; f. de relatie tussen de gedraging en de aangevraagde of vergunde activiteit; g. de belangen die het betreffende vergunningstelsel beoogt te beschermen.

  • 4.

    De burgemeester motiveert waarom de betrokken feiten en omstandigheden relevant zijn voor de vergunning of activiteit en waarom deze feiten en omstandigheden, ondanks eventueel tijdsverloop, nog iets zeggen over de betrouwbaarheid van de betrokkene.

Artikel 3.2: Relevantie, kenbaarheid en evenredigheid

  • 1.

    De burgemeester betrekt uitsluitend feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de aangevraagde of vergunde activiteit.

  • 2.

    Gedragingen zijn relevant indien zij verband houden met de vraag of de betrokkene de activiteit of inrichting kan exploiteren zonder gevaar voor de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of het woon- en leefklimaat.

  • 3.

    De betrokkene moet vooraf kunnen begrijpen dat bepaalde gedragingen onverenigbaar zijn met het vereiste dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  • 4.

    Geringe feiten en omstandigheden leiden op zichzelf niet tot het oordeel dat sprake is van slecht levensgedrag.

  • 5.

    De beoordeling mag niet verder gaan dan noodzakelijk is ter bescherming van de belangen die met het vergunningstelsel worden beschermd.

Artikel 3.3: Relevante feiten en gedragingen

Bij de beoordeling kunnen in ieder geval de volgende feiten en gedragingen worden betrokken, voor zover zij relevant zijn voor de vergunning of activiteit:

  • geweldsdelicten, bedreiging, intimidatie, stalking, vernieling, brandstichting en openlijke geweldpleging;

  • drugsgerelateerde feiten, waaronder bezit, handel, productie, vervoer of facilitering van middelen als bedoeld in de Opiumwet;

  • wapenbezit, wapengebruik of handel in wapens of munitie;

  • overtredingen van de APV, de Alcoholwet of andere regels die relevant zijn voor de aangevraagde of verleende vergunning;

  • vermogensdelicten, heling, oplichting, afpersing, fraude, witwassen en valsheid in geschrift;

  • mensenhandel, mensensmokkel, arbeidsuitbuiting, ernstige arbeidsrechtelijke overtredingen en sociale zekerheidsfraude;

  • zedendelicten, discriminatie en strafbare belediging;

  • niet opvolgen van bevelen of aanwijzingen van politie, toezichthouders of het bevoegd gezag;

  • ordeverstoringen, structurele overlast, betrokkenheid bij bestuurlijke sluitingen of betrokkenheid bij incidenten rond openbare orde en veiligheid;

  • rijden onder invloed van alcohol, drugs of geneesmiddelen, weigeren van een ademonderzoek of ander onderzoek, of ernstige verkeersdelicten die relevant zijn voor de te beoordelen verantwoordelijkheid;

  • niet-nakoming van fiscale verplichtingen, indien de aard, omvang of herhaling daarvan relevant is voor de betrouwbaarheid van de betrokkene;

  • structurele overtreding van wet- en regelgeving waarvoor bestuursrechtelijke maatregelen kunnen worden opgelegd.

De opsomming in dit artikel is niet-limitatief. Andere feiten en gedragingen kunnen worden betrokken indien zij, gelet op de aard van de vergunning of activiteit, relevant zijn voor de beoordeling van het levensgedrag.

Artikel 3.4: Aannemelijkheid

  • 1.

    Feiten en gedragingen die worden meegewogen moeten voldoende aannemelijk zijn.

  • 2.

    Voor het aannemen van slecht levensgedrag is niet vereist dat sprake is van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling.

  • 3.

    De burgemeester kan onder meer processen-verbaal, politiemutaties, bestuurlijke rapportages, toezichtbevindingen, rechterlijke uitspraken, strafbeschikkingen, transacties, bestuursrechtelijke sancties en andere objectieve gegevensbronnen betrekken.

  • 4.

    Ook informatie over zaken die zijn geseponeerd, waarin niet tot vervolging is overgegaan of waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is verklaard, kan worden betrokken, voor zover het onderliggende feitencomplex voldoende betrouwbaar en relevant is.

  • 5.

    Indien de betrokkene de feiten gemotiveerd betwist, betrekt de burgemeester die betwisting bij de beoordeling en motiveert de burgemeester waarom de feiten al dan niet aannemelijk worden geacht.

Artikel 3.5: Tijdsverloop

  • 1.

    In beginsel worden gedragingen betrokken die hebben plaatsgevonden in de vijf jaar voorafgaand aan het beoordelingsmoment.

  • 2.

    Bij de berekening van deze termijn is de pleegdatum leidend. De peildatum is de datum van het primaire besluit.

  • 3.

    De periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis is ondergaan, telt niet mee bij de berekening van de vijfjaarstermijn.

  • 4.

    Indien binnen de vijfjaarstermijn relevante gedragingen zijn gebleken, kunnen ook oudere gedragingen worden betrokken voor zover deze duiding geven aan een patroon, recidive of de ernst van de actuele gedragingen.

  • 5.

    Indien binnen de vijfjaarstermijn geen relevante gedragingen zijn gebleken, worden oudere gedragingen in beginsel buiten beschouwing gelaten.

  • 6.

    Voor fiscale feiten, langdurige bestuursrechtelijke overtredingen en feiten die naar hun aard pas later aan het licht komen, beoordeelt de burgemeester aan de hand van aard, omvang, duur en patroon of en in hoeverre het tijdsverloop eraan in de weg staat deze feiten te betrekken.

Artikel 3.6: Weging en patroonvorming

  • 1.

    Een enkele gedraging leidt in beginsel niet tot het oordeel dat sprake is van slecht levensgedrag, tenzij het gaat om een ernstige of zeer ernstige gedraging.

  • 2.

    Van een ernstige of zeer ernstige gedraging kan in ieder geval sprake zijn bij ernstige geweldspleging, bedreiging met geweld, brandstichting, mensenhandel, arbeidsuitbuiting, zedendelicten, grootschalige drugscriminaliteit, wapenhandel, witwassen of ernstige fraude.

  • 3.

    Meerdere gedragingen die afzonderlijk niet doorslaggevend zijn, kunnen in samenhang leiden tot het oordeel dat sprake is van slecht levensgedrag.

  • 4.

    Van patroonvorming kan sprake zijn indien gedragingen naar aard, frequentie, duur of context wijzen op structurele normoverschrijding, onvoldoende betrouwbaarheid of onvoldoende bereidheid om aanwijzingen en regels na te leven.

  • 5.

    Bij patroonvorming kan ook betekenis toekomen aan gedragingen die op zichzelf bezien minder zwaar wegen, indien zij het beeld ondersteunen dat de betrokkene niet op verantwoorde wijze met de vergunde activiteit zal omgaan.

Artikel 3.7: Gevolgen van slecht levensgedrag

  • 1.

    Indien de burgemeester tot het oordeel komt dat sprake is van slecht levensgedrag, kan dit leiden tot weigering van de vergunning, weigering van een bijschrijving, weigering van een ontheffing, wijziging of intrekking van de vergunning, voor zover de toepasselijke wettelijke regeling daarin voorziet.

  • 2.

    Indien het toepasselijke wettelijke kader een imperatieve weigerings- of intrekkingsgrond bevat, handelt de burgemeester overeenkomstig dat wettelijke kader.

  • 3.

    Indien het toepasselijke wettelijke kader beoordelingsruimte laat, weegt de burgemeester de ernst van de feiten en omstandigheden, het tijdsverloop en de betrokken belangen in het concrete geval.

  • 4.

    Voordat een belastend besluit wordt genomen, wordt de betrokkene in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen, voor zover de Algemene wet bestuursrecht of de bijzondere regeling daartoe verplicht.

Hoofdstuk 4: Bijzondere bepalingen per vergunning of activiteit

Artikel 4.1: Openbare inrichtingen

  • 1.

    Bij openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:28 van de APV weegt de burgemeester gedragingen mee die relevant zijn voor de vraag of de openbare inrichting kan worden geëxploiteerd zonder ontoelaatbare nadelige invloed op de openbare orde of de woon- en leefsituatie in de omgeving.

  • 2.

    Daarbij kunnen in ieder geval geweld, bedreiging, drugsfeiten, wapenbezit, heling, overlast, ordeverstoringen, misleiding richting het bevoegd gezag en het niet opvolgen van aanwijzingen van politie of toezichthouders relevant zijn.

Artikel 4.2: Alcoholwetvergunningen en ontheffingen artikel 35 Alcoholwet

  • 1.

    Bij Alcoholwetvergunningen, wijzigingen van het aanhangsel en ontheffingen op grond van de Alcoholwet beoordeelt de burgemeester, voor zover de Alcoholwet daartoe grondslag biedt, of de betrokkene niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  • 2.

    Deze beleidsregel geeft invulling aan de open norm “niet in enig opzicht van slecht levensgedrag”. De overige eisen uit de Alcoholwet en het Alcoholbesluit, waaronder de eisen over zedelijk gedrag van leidinggevenden, blijven zelfstandig van toepassing.

  • 3.

    Bij de beoordeling weegt de burgemeester in ieder geval alcohol- en drugsgerelateerde gedragingen, geweld, ordeverstoringen, overtredingen van de Alcoholwet of APV en het niet naleven van aanwijzingen van toezichthouders of politie mee, voor zover deze gedragingen relevant zijn voor de verantwoordelijkheid die samenhangt met alcoholverstrekking.

Artikel 4.3: Vechtsportevenementen en andere aangewezen evenementen

  • 1.

    Bij evenementen waarbij het levensgedrag van de organisator of aanvrager kan worden beoordeeld, waaronder vechtsportevenementen als bedoeld in artikel 2:25, negende lid, van de APV, weegt de burgemeester gedragingen mee die relevant zijn voor de openbare orde, veiligheid, bezoekersveiligheid en beheersbaarheid van het evenement.

  • 2.

    Relevant kunnen in ieder geval zijn geweldsdelicten, wapengerelateerde feiten, betrokkenheid bij ordeverstoringen, intimidatie, banden met criminele netwerken, niet-naleving van voorschriften bij eerdere evenementen en misleiding bij de aanvraag.

Artikel 4.4: Seksbedrijven

  • 1.

    Bij seksbedrijven betrekt de burgemeester naast algemene openbare-ordeaspecten ook de kwetsbare positie van personen die in de seksbranche werkzaam kunnen zijn. De beoordeling richt zich mede op het voorkomen van mensenhandel, uitbuiting, dwang, geweld, afhankelijkheidsrelaties en misstanden in de inrichting of bij de dienstverlening.

  • 2.

    Relevant kunnen in ieder geval zijn zedendelicten, mensenhandel, arbeidsuitbuiting, geweld in afhankelijkheidsrelaties, drugshandel, ernstige schuldenproblematiek voor zover die relevant is voor misbruikrisico, en het niet naleven van verplichtingen die zijn gericht op de veiligheid en gezondheid van werkenden en klanten.

Artikel 4.5: Aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, gebouwen en gebieden

  • 1.

    Bij vergunningen op grond van artikel 2:81 van de APV betrekt de burgemeester gedragingen die relevant zijn voor het tegengaan van een onveilig, niet leefbaar of malafide ondernemersklimaat. De aard van de aangewezen activiteit, het gebouw of het gebied is daarbij bepalend voor de beoordeling.

  • 2.

    Relevant kunnen in ieder geval zijn arbeidsuitbuiting, illegale tewerkstelling, fraude, witwassen, druggerelateerde feiten, heling, geweld, bedreiging, structurele overtreding van voorschriften en signalen dat de feitelijke situatie afwijkt van de aanvraag.

Hoofdstuk 5: Slotbepalingen

Artikel 5.1: Hardheidsclausule

De burgemeester kan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van deze beleidsregel, indien toepassing daarvan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregel te dienen doelen.

Artikel 5.2: Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking in het Gemeenteblad.

Artikel 5.3: Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: "Beleidsregel beoordeling levensgedrag gemeente Voorschoten 2026".

Aldus vastgesteld op 19 juni 2026

de burgemeester van Voorschoten,

mw. drs. N. Stemerdink

Bijlage I: Niet-limitatief overzicht relevante feiten en gedragingen

 

Deze bijlage bevat een niet-limitatief overzicht van feiten en gedragingen die kunnen meewegen bij de beoordeling van het levensgedrag. De burgemeester beoordeelt steeds per geval of de gedraging relevant is voor de vergunning of activiteit en of de gedraging voldoende aannemelijk is.

 

  • 1.

    Geweld, bedreiging en vernieling

    • mishandeling;

    • moord, doodslag of poging daartoe;

    • openlijke geweldpleging;

    • bedreiging, intimidatie en stalking;

    • vernieling, vandalisme en baldadigheid;

    • brandstichting;

    • huiselijk geweld of geweld in afhankelijkheidsrelaties.

  • 2.

    Alcohol- en drugsgerelateerde feiten

    • rijden onder invloed van alcohol, drugs of geneesmiddelen;

    • aanstalten maken tot rijden onder invloed;

    • weigeren van een ademonderzoek, bloedonderzoek of vervangend onderzoek;

    • openbaar dronkenschap of hinderlijk gebruik van alcohol;

    • bezit, handel, productie, vervoer of facilitering van harddrugs of softdrugs;

    • openlijk of hinderlijk gebruik van drugs;

    • drugsafval of betrokkenheid bij locaties waar drugs worden geproduceerd, verhandeld of opgeslagen

  • 3.

    Wapens en munitie

    • bezit of gebruik van wapens of munitie;

    • handel in wapens of munitie;

    • schiet- of steekincidenten;

    • het dragen van voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt in een context die relevant is voor openbare orde of veiligheid.

  • 4.

    Vermogensdelicten, fraude en witwassen

    • diefstal, inbraak, straatroof of overval;

    • verduistering, oplichting, flessentrekkerij, afpersing of chantage;

    • heling;

    • witwassen;

    • fraude, sociale zekerheidsfraude, arbeidsgerelateerde fraude of subsidie-fraude;

    • valsheid in geschrift, gebruik van valse documenten of misleiding van bestuursorganen;

    • cybercrime voor zover relevant voor de vergunning of activiteit.

  • 5.

    Zedendelicten, mensenhandel en uitbuiting

    • zedendelicten;

    • mensenhandel of mensensmokkel;

    • arbeidsuitbuiting;

    • gedragingen die wijzen op dwang, misbruik van afhankelijkheid of uitbuiting;

    • gijzeling of ontvoering.

  • 6.

    Openbare orde, toezicht en medewerking

    • ordeverstoringen, samenscholing of hinderlijk gedrag;

    • niet opvolgen van bevelen of aanwijzingen van politie of toezichthouders;

    • belediging, bedreiging, omkoping of wederspannigheid richting ambtenaren in functie;

    • valse aangifte, opgeven van een valse identiteit of gebruik van valse gegevens;

    • overtreding van een huisverbod, gebiedsverbod of sluitingsbevel;

    • betrokkenheid bij bestuurlijke sluitingen op grond van de Opiumwet, Gemeentewet of APV.

  • 7.

    Verkeer

    • ernstig of agressief verkeersgedrag;

    • veroorzaken van een verkeersongeval met letsel;

    • verlaten plaats ongeval;

    • rijden tijdens een rijverbod, rijontzegging of met ingevorderd rijbewijs;

    • rijden met een vals kenteken, zonder verzekering of met een voertuig dat bewust aan toezicht is onttrokken;

    • joyriding.

  • 8.

    Fiscale en bestuurlijke verplichtingen

    • niet-nakoming van fiscale verplichtingen op grond van de Invorderingswet 1990 of de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

    • structurele overtreding van vergunningvoorschriften;

    • structurele overtreding van arbeids-, vreemdelingen-, milieu-, horeca- of andere voor de vergunning relevante regels;

    • het niet naleven van opgelegde lasten onder dwangsom, lasten onder bestuursdwang of bestuurlijke boetes.

  • 9.

    Overige gedragingen

    • discriminatie;

    • huisvredebreuk;

    • machtsmisbruik;

    • gedragingen waaruit blijkt dat de betrokkene regels of aanwijzingen structureel niet naleeft;

  • andere gedragingen die naar aard, ernst of samenhang relevant zijn voor de vergunning of activiteit.

Toelichting Beleidsregel beoordeling levensgedrag gemeente Voorschoten 2026

Doel van de beleidsregel

De levensgedragstoets is een preventieve toets. De toets is erop gericht te voorkomen dat personen die onvoldoende betrouwbaar zijn, verantwoordelijk worden voor activiteiten waarbij openbare orde, veiligheid, volksgezondheid of het woon- en leefklimaat kunnen worden geraakt. De beleidsregel maakt vooraf kenbaar welke uitgangspunten de burgemeester hanteert en beperkt daarmee het risico op willekeur.

 

Juridische randvoorwaarden

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1493, verduidelijkt dat het criterium slecht levensgedrag niet onbeperkt kan worden toegepast. De burgemeester moet motiveren waarom de feiten en omstandigheden relevant zijn voor de betreffende activiteit, hoe de betrokkene vooraf kon weten dat deze gedragingen onverenigbaar zijn met het vereiste levensgedrag en waarom de tegengeworpen gedragingen niet gering zijn of ondanks tijdsverloop nog betekenis hebben.

Deze beleidsregel verwerkt die randvoorwaarden in de artikelen over relevantie, kenbaarheid, aannemelijkheid, tijdsverloop en weging. Daarmee wordt een algemeen toetsingskader gegeven, zonder af te doen aan de verplichting om in ieder individueel besluit concreet te motiveren waarom de feiten in dat geval tot de conclusie slecht levensgedrag leiden.

 

Verhouding tot de Wet Bibob

De Wet Bibob en de levensgedragstoets kunnen naast elkaar worden toegepast. De Wet Bibob richt zich op het gevaar dat een beschikking, transactie of opdracht wordt gebruikt om uit strafbare feiten verkregen voordeel te benutten of strafbare feiten te plegen. De levensgedragstoets richt zich op de betrouwbaarheid van de persoon in relatie tot de verantwoordelijkheid die samenhangt met de vergunning of activiteit.

Het kan voorkomen dat dezelfde feiten relevant zijn voor beide toetsen. Dat betekent niet dat de uitkomst van de ene toets automatisch beslissend is voor de andere toets. De burgemeester maakt bij de levensgedragstoets een zelfstandige beoordeling.

 

Tijdsverloop

Als uitgangspunt geldt een terugkijktermijn van vijf jaar. Deze termijn draagt bij aan rechtszekerheid en voorkomt dat oude feiten onbeperkt worden tegengeworpen. Oudere feiten kunnen alleen een rol spelen wanneer binnen de vijfjaarstermijn relevante actuele feiten bestaan en de oudere feiten nodig zijn om een patroon of de ernst van de actuele feiten te duiden. Voor zover een bijzondere wettelijke of verordeningsrechtelijke bepaling een afwijkende termijn, peildatum of berekeningswijze voorschrijft, gaat die bepaling voor.

 

Aannemelijkheid

De levensgedragstoets is bestuursrechtelijk van aard. De burgemeester hoeft daarom niet te wachten op een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling. Wel moeten de feiten waarop de burgemeester zich baseert voldoende aannemelijk en concreet zijn. De burgemeester moet terughoudend omgaan met niet-geobjectiveerde signalen en moet een gemotiveerde betwisting door de betrokkene betrekken bij de beoordeling.

 

Toelichting per toepassingsgebied

Bij openbare inrichtingen staat centraal of de exploitatie geen ontoelaatbare nadelige invloed heeft op de openbare orde of het woon- en leefklimaat. Bij Alcoholwetvergunningen speelt daarnaast de bijzondere verantwoordelijkheid voor verantwoorde alcoholverstrekking. Bij seksbedrijven is mede van belang dat kwetsbare personen worden beschermd tegen misstanden, uitbuiting en afhankelijkheidsrelaties. Bij aangewezen bedrijfsmatige activiteiten en gebieden ligt het accent op het voorkomen van een malafide ondernemersklimaat.

 

Voor Alcoholwetvergunningen, wijzigingen van het aanhangsel en ontheffingen op grond van de Alcoholwet geldt dat deze beleidsregel uitsluitend invulling geeft aan de open norm “niet in enig opzicht van slecht levensgedrag”. De overige eisen uit de Alcoholwet en het Alcoholbesluit, waaronder de eisen over zedelijk gedrag van leidinggevenden, blijven zelfstandig van toepassing. De beleidsregel vervangt of verruimt deze wettelijke eisen niet.

Naar boven