Gemeenteblad van Hardenberg
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Hardenberg | Gemeenteblad 2026, 316760 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Hardenberg | Gemeenteblad 2026, 316760 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het Omgevingsplan gemeente Hardenberg wordt gewijzigd zoals beschreven in de motivering bij deze wijziging van het omgevingsplan en deze in Bijlage A bij dit besluit is opgenomen, met als doel het realiseren van de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal met Rollepaal Oost.
Inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan vindt plaats conform het bepaalde in artikel 16.78 lid 1 van de Omgevingswet.
A
Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij in bijlageBijlage I daarvan is afgeweken.
B
Afdeling 2.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
C
Het opschrift van afdeling 2.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
D
Het opschrift van afdeling 2.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
E
Het opschrift van paragraaf 2.9.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
F
Het opschrift van subparagraaf 2.9.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
G
Het opschrift van paragraaf 2.9.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
H
Het opschrift van subparagraaf 2.9.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Het opschrift van subparagraaf 2.9.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
J
Artikel 2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in subparagraaf 2.9.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten2.8.2.1 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:
het opsporen en winnen van delfstoffen en andere bodemschatten;
crossen met motorvoertuigen, met uitzondering van elektrische fietsen;
het voeren van reclame; en,
het opslaan van goederen, voorwerpen, gewassen en afvalproducten; en,
het houden van dieren;
de exploitatie van een verkooppunt voor motorbrandstoffen binnen de locatie ontsluiting.
K
Het opschrift van paragraaf 2.9.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
L
Het opschrift van subparagraaf 2.9.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
M
Het opschrift van subparagraaf 2.9.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
N
Het opschrift van subparagraaf 2.9.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
O
Het opschrift van paragraaf 2.9.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
P
Voor subparagraaf 2.9.4.1 wordt een subparagraaf ingevoegd, luidende:
Ter plaatse van de locatie afschermende beplanting Rollepaal Oost geldt de verplichting dat er een groenstrook wordt aangelegd en onderhouden in de vorm van afschermende beplanting met een minimale breedte van 10 meter.
Ter plaatse van de locatie grondwal Rollepaal Oost geldt de verplichting dat er een grondwal wordt aangelegd en onderhouden met de volgende afmetingen:
Er kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld dat een naar aard en omvang vergelijkbare inrichting voorschrijft.
Q
Het opschrift van subparagraaf 2.9.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
R
Het opschrift van artikel 2.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
S
Het opschrift van afdeling 2.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
T
Na afdeling 2.10 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
De locatie industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost is aangewezen als industrieterrein zoals bedoeld in artikel 5.78e van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De regels in deze afdeling over de functies industrieterrein Rollepaal en industrieterrein Rollepaal Oost zijn gesteld met het oog op het voortdurend blijven beschikken over voldoende goede werklocaties en het zorgdragen voor een aanvaardbaar geluidniveau in de omgeving van het industrieterrein.
Aan Afdeling 2.10 wordt voldaan door de degene die de milieubelastende activiteiten, die in onderlinge samenhang worden uitgeoefend, verricht.
Voor de locatie industrieterrein Rollepaal en industrieterrein Rollepaal Oost gelden de volgende geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zoals bedoeld in artikel 2.11a van de Omgevingswet:
Geluidproductieplafond | x-coördinaat | y-coördinaat | Lden in dB | Lnight in dB |
GPP-IL Rollepaal 01 | 230994,31 | 513574,38 | 46,9 | 36,9 |
GPP-IL Rollepaal 02 | 230706,5 | 513966,1 | 46,7 | 36,7 |
GPP-IL Rollepaal 03 | 230300,09 | 514198,5 | 45,6 | 35,6 |
GPP-IL Rollepaal 04 | 229852,06 | 514354,2 | 43,4 | 33,4 |
GPP-IL Rollepaal 05 | 229373,15 | 514325,8 | 42,7 | 32,7 |
GPP-IL Rollepaal 06 | 228890,54 | 513894,91 | 42,4 | 32,4 |
GPP-IL Rollepaal 07 | 228422,84 | 514209,4 | 41,1 | 31,1 |
GPP-IL Rollepaal 08 | 228197,49 | 513800,5 | 41,3 | 31,3 |
GPP-IL Rollepaal 09 | 228319,26 | 513333,2 | 42,9 | 32,9 |
GPP-IL Rollepaal 10 | 228554,46 | 512915,0 | 44,6 | 34,6 |
GPP-IL Rollepaal 11 | 228868,96 | 512552,7 | 46,5 | 36,5 |
GPP-IL Rollepaal 12 | 229147,21 | 512154,2 | 45,8 | 35,8 |
GPP-IL Rollepaal 13 | 229572,84 | 511963,6 | 45,6 | 35,6 |
GPP-IL Rollepaal 14 | 230000,64 | 512175,8 | 47,9 | 37,9 |
GPP-IL Rollepaal 15 | 230392,78 | 512463,03 | 49,9 | 39,9 |
GPP-IL Rollepaal 16 | 230779,42 | 512757,4 | 49,3 | 39,3 |
GPP-IL Rollepaal 17 | 231088,5 | 513116,8 | 46,9 | 36,9 |
GPP-IL Rollepaal 18 | 228725,77 | 513829,9 | 50,1 | 40,1 |
GPP-IL Rollepaal 19 | 228825,23 | 513842,9 | 51,1 | 41,1 |
GPP-IL Rollepaal 20 | 228924,38 | 513855,9 | 53,0 | 43,0 |
GPP-IL Rollepaal 21 | 229023,54 | 513868,9 | 54,6 | 44,6 |
GPP-IL Rollepaal 22 | 229122,7 | 513881,9 | 54,1 | 44,1 |
GPP-IL Rollepaal 23 | 229221,84 | 513894,9 | 52,4 | 42,4 |
GPP-IL Rollepaal 24 | 229341,5 | 513890,83 | 50,4 | 40,4 |
GPP-IL Rollepaal 25 | 229432,17 | 513871,6 | 52,0 | 42,0 |
GPP-IL Rollepaal 26 | 229512,23 | 513935,85 | 49,6 | 39,6 |
GPP-IL Rollepaal 27 | 229656,04 | 513897,84 | 49,2 | 39,2 |
GPP-IL Rollepaal 28 | 229897,76 | 513869,81 | 50,1 | 40,1 |
GPP-IL Rollepaal 29 | 230681,83 | 513596,43 | 50,6 | 40,6 |
GPP-IL Rollepaal 30 | 229653,93 | 512478,44 | 54,1 | 44,1 |
GPP-IL Rollepaal 31 | 229033,02 | 512912,28 | 50,9 | 40,9 |
GPP-IL Rollepaal 32 | 228872,11 | 513256,83 | 49,8 | 39,8 |
GPP-IL Rollepaal 33 | 228630,12 | 513500,66 | 47,8 | 37,8 |
GPP-IL Rollepaal 34 | 228599,84 | 513595,97 | 47,7 | 37,7 |
GPP-IL Rollepaal 35 | 228569,18 | 513691,09 | 47,0 | 37,0 |
GPP-IL Rollepaal 36 | 229246,48 | 513392,13 | 57,2 | 47,2 |
GPP-IL Rollepaal 37 | 229327,24 | 513410,12 | 57,5 | 47,5 |
GPP-IL Rollepaal 38 | 229392,38 | 513423,48 | 57,1 | 47,1 |
GPP-IL Rollepaal 39 | 229470,38 | 513435,24 | 56,9 | 46,9 |
De omgevingswaarde als bedoeld in Artikel 2.14 is een resultaatsverplichting.
In afwijking van de regels van de in het volgende overzicht genoemde artikelen die betrekking hebben op een geluidzone - industrie en zijn opgenomen in de bestemmingsplannen in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Hardenberg, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, geldt de gebiedsaanwijzing industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost, geluidaandachtsgebied als geluidaandachtsgebied bedoeld in paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving:
Bestemmingsplan | Datum vaststelling | Artikel |
Bestemmingsplan Dedemsvaart | 18‑02‑2014 | Artikel 20, lid 20.1 en 20.2 |
Buitengebied Hardenberg | 02‑12‑2014 | Artikel 58 |
Deze regel is opgenomen als attendering aan de gebruiker van dit omgevingsplan. De exacte ligging van het geluidaandachtsgebied moet worden geraadpleegd in het geluidregister zoals bedoeld in artikel 11.52 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
In aanvulling op de regels uit het bestemmingsplan ‘De Rollepaal’ (uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet) van de gemeente Hardenberg, dat op 18 maart 1999 is vastgesteld, geldt de locatie industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost, geluidaandachtsgebied als geluidaandachtsgebied bedoeld in paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Deze regel is opgenomen als attendering aan de gebruiker van dit omgevingsplan. De exacte ligging van het geluidaandachtsgebied moet worden geraadpleegd in het geluidregister zoals bedoeld in artikel 11.52 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Ter plaatse van de locatie industrieterrein Rollepaal is in aanvulling op het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet de exploitatie van een bedrijf toegestaan als ook wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 2.20.
Ter plaatse van de locatie kantoor Rollepaal is in aanvulling op het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet de exploitatie van een kantoor toegestaan.
Ter plaatse van de locatie kantoor Rollepaal zijn in afwijking van het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet de volgende activiteiten toegestaan:
Ter plaatse van de locatie kantoor Rollepaal geldt voor het gezamenlijke geluid zoals bedoeld in artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving de waarde 59 dB voor het Lden.
Ter plaatse van de locatie industrieterrein Rollepaal Oost is de exploitatie van een bedrijf toegestaan onder de voorwaarden zoals opgenomen in Artikel 2.21 en Artikel 2.22, met dien verstande dat de bedrijvigheid is gericht op productie, de maakindustrie, opslag, logistiek en/of groothandel.
In aanvulling op het gestelde in lid 1 zijn ondergeschikte detailhandel, productiegebonden detailhandel, ondergeschikte horeca en het gebruik van bedrijfsgebonden kantoorruimten ook toegestaan.
Het is toegestaan om per kavel slechts één inrit van maximaal 10 meter breed te gebruiken als de kavel maximaal 5 hectare groot is. Bij grotere kavels zijn twee inritten toegestaan.
Ter plaatse van de locatie hoogspanningsstation Rollepaal Oost is de exploitatie van een hoog- en middenspanningsstation toegestaan.
Ter plaatse van het industrieterrein Rollepaal geldt in afwijking van de regels, zoals opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet, dat het is toegestaan om milieubelastende activiteiten uit te oefenen, als wordt voldaan aan het bepaalde in de volgende leden van dit artikel. Dit betreft de artikelen uit de in het volgende overzicht opgenomen bestemmingsplannen die deel uitmaken van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Hardenberg:
Bestemmingsplan | Datum vaststelling | Artikel |
Uitbreiding Hakvoort Dedemsvaart | 24‑03‑2009 | Artikel 3 |
Dedemsvaart, Rollepaal (uitbreiding Oegema) | 06‑03‑2012 | Artikel 3 |
Dedemsvaart, bedrijventerrein Rollepaal Oost, zuidelijk deel | 02‑07‑2013 | Artikel 3 |
Bestemmingsplan Dedemsvaart | 18‑02‑2014 | Artikel 7 |
Bestemmingsplan Dedemsvaart (herziening) | 17‑03‑2015 | Artikel 7 |
Rollepaal Oost, omgeving Schutwijk Dedemsvaart | 15‑09‑2015 | Artikelen 4 en 5 |
Rollepaal, Langewijk 135, Dedemsvaart | 12‑03‑2024 | Artikel 3 |
De geluidbelasting, uitgedrukt in de dosismaat Lden, die door de milieubelastende activiteiten die in onderlinge samenhang worden uitgeoefend op de referentiepunten GPP-IL Rollepaal 01 tot en met GPP-IL Rollepaal 39, als bedoeld in artikel 2.14 mag niet groter zijn dan de geluidbelasting die hiervoor is vastgesteld zoals opgenomen in bijlage III. De in deze bijlage opgenomen geluidquota gelden voor de met de omgevingsnorm kavels Rollepaal aangeduide kavels.
De geluidbelasting, uitgedrukt in de dosismaat Lnight, die door de milieubelastende activiteiten die in onderlinge samenhang worden uitgeoefend op de referentiepunten GPP-IL Rollepaal 01 tot en met GPP-IL Rollepaal 39, als bedoeld in artikel 2.14, mag niet groter zijn dan de geluidbelasting die hiervoor is vastgesteld zoals opgenomen in bijlage IV. De in deze bijlage opgenomen geluidquota gelden voor de met de omgevingsnorm kavels Rollepaal aangeduide kavels.
Ter plaatse van de locatie industrieterrein Rollepaal Oost is het toegestaan om milieubelastende activiteiten uit te oefenen, als wordt voldaan aan het bepaalde in de volgende leden van dit artikel.
De geluidbelasting, uitgedrukt in de dosismaat Lden, die door de milieubelastende activiteiten die in onderlinge samenhang worden uitgeoefend op de referentiepunten GPP-IL Rollepaal 01 tot en met GPP-IL Rollepaal 39, als bedoeld in artikel 2.14. mag niet groter zijn dan de geluidbelasting die hiervoor is vastgesteld zoals opgenomen in Bijlage V. De in deze bijlage opgenomen geluidquota gelden voor de met de omgevingsnorm kavels Rollepaal Oost aangeduide kavels.
De geluidbelasting, uitgedrukt in de dosismaat Lnight, die door de milieubelastende activiteiten die in onderlinge samenhang worden uitgeoefend op de referentiepunten GPP-IL Rollepaal 01 tot en met GPP-IL Rollepaal 39, als bedoeld in artikel 2.14, mag niet groter zijn dan de geluidbelasting die hiervoor is vastgesteld zoals opgenomen in Bijlage VI De in deze bijlage opgenomen geluidquota gelden voor de met de omgevingsnorm kavels Rollepaal Oost aangeduide kavels.
In aanvulling op de regels opgenomen in Afdeling 22.3 van dit omgevingsplan, geldt voor de milieubelastende activiteiten die op de locatieindustrieterrein Rollepaal Oost in onderlinge samenhang binnen een zekere begrenzing worden uitgeoefend, dat de daarmee samenhangende geurbelasting op de afstand zoals aangeven met ‘kavels Rollepaal Oost’ in meters vanaf de begrenzing waarbinnen deze samenhangende activiteiten worden uitgeoefend en daarbuiten, niet hoger mag zijn dan 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel en 2 ouE/m3 als 99,9 onderschrijdingspercentiel.
In afwijking van het bepaalde in lid 1 mag de geurbelasting door de milieubelastende activiteiten ter hoogte van binnen de in lid 1 genoemde afstand gelegen geurgevoelige gebouwen niet hoger zijn dan 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel en 2 ouE/m3 als 99,9 onderschrijdingspercentiel.
Op het bepalen van de geluidbelasting op een referentiepunt waarvoor een gpp is vastgesteld, bedoeld in deze subparagraaf, is artikel 6.6 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Als bij nieuwvestiging van een bedrijf of wijziging van een bedrijf binnen de functie industrieterrein Rollepaal of industrieterrein Rollepaal Oost de begrenzing van het bedrijf slechts een deel van het kavel in beslag neemt waarvoor het geluidquotum geldt; volgt het quotum voor de bijdrage aan de gpp’s voor dit bedrijf uit de volgende berekening:
Lden = 10xlog10((Adeelx10(Lden/10))/Atot) en Lnight = 10xlog10((Adeelx10(Lnight/10))/Atot) waarin:
Adeel = het oppervlak dat door het bedrijf binnen het totale kavel wordt ingenomen
Atot = het oppervlak van het totale kavel waarvan het bedrijf een deel inneemt.
Als bij nieuwvestiging van een bedrijf of wijziging van een bedrijf binnen de functie industrieterrein Rollepaal of industrieterrein Rollepaal Oost het bedrijf meerdere kavels bestrijkt waarvoor geluidquota gelden, wordt de bijdrage door de milieuactiviteiten op de verschillende kavels getoetst aan de daarvoor vastgestelde quota waarbij - als het bedrijf van het kavel slechts een deel in beslag neemt - aan het volgens lid 2 berekende deel van het quotum wordt getoetst.
Op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost is het toegestaan goederen in de buitenlucht op te slaan, met dien verstande dat deze opslag achter de voorgevelrooilijn en achter bedrijfsgebouwen plaatsvindt. Als de opslag zichtbaar is vanaf de openbare ruimte wordt deze met een haag, bomen of struiken van het zicht onttrokken.
Als op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost op eigen terrein vóór de voorgevelrooilijn wordt geparkeerd, dan moeten deze parkeerplaatsen met een haag van inheemse planten of struiken met een hoogte tussen 0,5 en 1,0 meter hoog worden afgeschermd.
Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op de locatie hoogspanningsstation Rollepaal Oost. Op deze locatie mag een parkeerplaats worden afgeschermd door struweel of andere beplanting op het perceel buiten het hekwerk.
Op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost is het toegestaan om laad- en losactiviteiten op het eigen terrein uit te voeren, mits deze laad- en losactiviteiten niet zichtbaar zijn vanaf de representatieve gevelzijde van de bedrijfsbebouwing.
Degene die ter plaatse van de locatie industrieterrein Rollepaal Oost de openbare ruimte gebruikt, is verplicht ervoor zorg te dragen dat de openbare ruimte voldoende toegankelijk is voor personen met een functiebeperking.
Dit artikel is van toepassing op milieubelastende activiteiten die binnen de functie industrieterrein Rollepaal Oost in onderlinge samenhang worden uitgeoefend.
Dit artikel is niet van toepassing op milieubelastende activiteiten die in onderlinge samenhang worden uitgeoefend, waarbij:
tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;
het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;
in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;
geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;
geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;
geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;
geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en
geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt.
Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in Afdeling 22.3 een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Gebruik dat afwijkt van de op grond van SubParagraaf 2.10.2.1 toegestane gebruiksactiviteiten is verboden. In ieder geval omvat dit verbod ook:
Op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost is het niet toegestaan om op de openbare weg te parkeren.
Op de locatie brandvluchtgebied industrieterrein Rollepaal Oost moet aan de noordzijde van gebouwen een uitgang aanwezig zijn die gebruikers in staat stelt het gebouw noordwaarts te ontvluchten bij een calamiteit.
Ter plaatse van de locatie industrieterrein Rollepaal Oost is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen te (ver)bouwen en bouwwerken te realiseren, in stand te houden en te gebruiken als bedoeld in Artikel 2.18, Artikel 2.28 en Artikel 2.18, anders dan de vergunningvrije bouwactiviteiten bedoeld in Subparagraaf 2.10.3.2.
De omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, als bedoeld in Artikel 2.35 wordt verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
het aantal bedrijfswoningen per bouwperceel bedraagt niet meer dan het bestaande aantal;
ter plaatse van de locatie bouwvlak Rollepaal Oost worden gebouwen en overkappingen binnen dit bouwvlak gebouwd;
de afstand van hoofdgebouwen tot de perceelgrens bedraagt ten minste 5 meter;
gebouwen zijn evenwijdig óf haaks op de voorgevelrooilijn georiënteerd;
hoofdgebouwen zijn voorzien van ten minste twee ingebouwde nestkasten geschikt voor de Zwarte Roodstaart;
hoofdgebouwen met een bouwhoogte van meer dan 5 meter zijn voorzien van ten minste twee niet ingebouwde verblijfsplaatvoorzieningen voor Dwergvleermuizen;
aan hoofdgebouwen met platte daken worden de volgende maatregelen getroffen:
in afwijking van het bepaalde in sub e, f en g mogen de voorzieningen in plaats van in, op of aan een gebouw in, op of aan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gerealiseerd op hetzelfde perceel;
hoofdgebouwen moeten voorzieningen hebben die borgen dat:
de maximale bebouwingshoogte mag niet hoger zijn dan ter plaatse op kaart met maximale bebouwingshoogte Rollepaal Oost is aangegeven.
als het gebouw een schuin dak krijgt, heeft dit dak een maximale dakhelling van 20%;
het bebouwingspercentage bedraagt niet meer dan 70% van het bouwperceel met dien verstande dat er is voorzien in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld in Artikel 5.21;
een reclameuiting of naamsaanduiding mag niet aan de achtergevel van gebouwen worden aangebracht;
boven 4 meter boven het maaiveld mogen geen verlichte reclame-uitingen worden aangebracht en in werking zijn;
de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 8 meter;
de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt niet meer dan de met de omgevingsnorm maximale bouwhoogte vlaggenmasten Rollepaal Oost als maximale bouwhoogte in meters is aangegeven;
de bouwhoogte van op de grond geplaatste zonnepanelen en zonnecollectoren bedraagt niet meer dan 5 meter;
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 3 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) een naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw maximaal 1 meter bedraagt;
het bepaalde in sub r, voor zover het de bouwhoogte van 1 meter betreft, is niet van toepassing ter plaatse van de locatie hoogspanningsstation Rollepaal Oost;
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 12 meter;
in afwijking van het bepaalde in sub t bedraagt de bouwhoogte van bliksemspichten niet meer dan 25 meter ter plaatse van de locatie hoogspanningsstation Rollepaal Oost;
op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost, deelgebied A wordt verlichting die richting de grondwal is georiënteerd op maximaal 4 meter hoogte bevestigd;
op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost moet er bij bouwactiviteiten op kavels groter dan 5.000 m² worden gewaakt voor lange wandvorming aan de openbare weg. Bij wanden langer dan 100 meter, wordt deze onderbroken door de bebouwing fysiek te geleden/op te delen, en/of in de architectuur, aanpassing materiaal, kleur en/of detaillering.
In afwijking van de vaste beoordelingsregels zoals opgenomen in Artikel 2.36 wordt de omgevingsvergunning ook verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden:
het in afwijking van Artikel 2.36 onder o, verhogen van de toegestane bouwhoogte van lichtmasten tot de bestaande bouwhoogte van gebouwen op dat bouwperceel;
het in afwijking van Artikel 2.36 onder r, verhogen van de maximaal toegestane bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) een naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw tot maximaal 3 meter;
het in afwijking van Artikel 2.36 onder t, verhogen van de toegestane bouwhoogte tot 15 meter voor overige bouwwerken;
het in afwijking van Artikel 2.36 onder t, verhogen van de bouwhoogte van schoorstenen, antennes en silo’s tot maximaal 30 meter.
De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing:
het bouwplan leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
het bouwplan is passend in het straat- en bebouwingsbeeld;
het bouwplan doet geen afbreuk aan de verkeers- en brandveiligheid;
het bouwplan doet geen afbreuk aan het woon- en leefklimaat van mens, plant en dier;
het bouwplan voorziet in voldoende parkeervoorzieningen. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld in Paragraaf 5.2.2; en,
het bouwen doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in Artikel 2.1 en Artikel 2.12.
Op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost worden parkeervoorzieningen met grasbetontegels of een andere vorm van halfverharding geplaveid, zodat hemelwater in de bodem kan treden.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door milieubelastende activiteiten die op het industrieterrein Rollepaal en industrieterrein Rollepaal Oost worden uitgeoefend en die in onderlinge samenhang binnen een zekere begrenzing plaats vinden, op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de waarde bedoeld in de onderstaande tabel:
Met het oog op het voorkomen of beperken van geluidhinder is het geluid door milieubelastende activiteiten die op industrieterrein Rollepaal en industrieterrein Rollepaal Oost worden uitgeoefend en die in onderlinge samenhang binnen een zekere begrenzing plaats vinden, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde bedoeld in de onderstaande tabel:
De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07:00 en 19:00 uur.
Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Reclameuitingen die op het industrieterrein Rollepaal Oost worden gebruikt en die zijn voorzien van verlichting moeten tussen 23:00 en 07:00 uur zijn uitgeschakeld.
Reclameuitingen die op het industrieterrein Rollepaal Oost worden gebruikt en die zijn voorzien van verlichting mogen niet flikkeren, bewegen of op een andere manier dynamisch zijn.
Terreinverlichting die op het industrieterrein Rollepaal Oost wordt gebruikt moet zijn voorzien van armaturen en moet zo staan opgesteld dat het hierdoor op de grond geworpen licht zicht tot het bedrijfsterrein in kwestie beperkt.
Binnen de begrenzing van industrieterrein Rollepaal Oost is het niet toegestaan gebruik te maken van voer-, vaar- en werktuigen met een verbrandingsmotor anders dan het gebruik van voer-, vaar- en/of werktuigen voor het vervoer van personen, poststukken en goederen van en naar het industrieterrein. Deze regel is niet van toepassing op verbrandingsmotoren die gebruik maken van waterstof.
U
Afdeling 2.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
V
Het opschrift van afdeling 2.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
W
Het opschrift van afdeling 2.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
X
Het opschrift van afdeling 2.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Y
Het opschrift van afdeling 2.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Z
Het opschrift van afdeling 2.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AA
Het opschrift van paragraaf 2.16.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BB
Artikel 2.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels over de functie woongebied in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
CC
Het opschrift van paragraaf 2.16.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DD
Het opschrift van subparagraaf 2.16.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EE
Artikel 2.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
wonen door één huishouden in een woning;
kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis onder de voorwaarden in Artikel 2.12 Algemene regels kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis2.47; en
het gebruiken van het openbaar gebied.
FF
Het opschrift van artikel 2.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GG
Subparagraaf 2.16.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren:
zorgfuncties bij het wonen: het wonen in één of meerdere woningen door wonen in groepsverband voor speciale doelgroepen, zoals hulpbehoevenden met daarbij behorende speciale woonzorgfuncties;
kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden uit artikel Artikel 2.12 Algemene regels kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis2.47; en
de exploitatie van een kinderopvang.
De omgevingsvergunning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden:
bij de activiteit als bedoeld in Artikel 2.13 Aanwijzing vergunningplichtige afwijkende gebruiksactiviteiten 2.48eerste lid onder c: degene die de activiteit uitoefent, dient tevens de gebruiker te zijn van de woning;
de activiteit mag geen onevenredige hinder opleveren voor de omgeving;
de activiteit mag geen onevenredige afbreuk doen aan het ruimtelijk (woon)karakter van de buurt;
de activiteit mag de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden niet onevenredig aantasten;
de activiteit mag geen onevenredige nadelige invloed hebben op de afwikkeling van het verkeer en er moet sprake zijn van voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd in overeenstemming met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals bedoeld in paragraaf Paragraaf 5.2.2;
de activiteit mag geen publieksgericht karakter hebben; en
de activiteit doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen voor dit deelgebied en de oogmerken zoals bedoeld in artikel Artikel 2.1 en Artikel 2.10 Oogmerk functie woongebied 2.45.
HH
Het opschrift van subparagraaf 2.16.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
II
Artikel 2.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in subparagraaf 2.16.2.12.18.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten en subparagraaf 2.16.2.22.18.2.2 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten is verboden. In ieder geval omvat het verbod:
het gebruik van gronden en bouwwerken in combinatie met bedrijfsdoeleinden - anders dan kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis – voor:
de exploitatie van horeca- of detailhandelsbedrijven, anders dan is bedoeld in Artikel 2.11 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten2.46 onder b;
verblijfsrecreatie, anders dan bed & breakfasts;
groothandel;
reparatiewerkzaamheden voor particulieren van motorvoertuigen, vaartuigen of caravans;
wonen in een zorgwoning door niet hulpbehoevenden of professionele hulpverleners die zorg- of hulp verlenen aan ter plaatse wonende hulpbehoevenden;
opslag voor de voorgevel van het hoofdgebouw.
JJ
Het opschrift van paragraaf 2.16.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KK
Het opschrift van subparagraaf 2.16.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LL
Het opschrift van subparagraaf 2.16.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MM
Het opschrift van artikel 2.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NN
Artikel 2.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk indien deze voldoet aan de beoordelingsregels voor hoofdgebouwen zoals opgenomen in artikel Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw 2.51;
als er op de kaart een bouwvlak woongebied is aangegeven, dan dienen bijbehorende bouwwerken binnen dit bouwvlak te worden gebouwd;
de goothoogte bedraagt niet meer dan 3,5 meter;
de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 6 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw. In afwijking hiervan mag de bouwhoogte van overkappingen niet meer dan 3,5 meter bedragen;
bijbehorende bouwwerken worden minimaal 3 meter achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd. In afwijking hiervan mogen overkappingen achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd;
de gezamenlijke oppervlakte, inclusief de oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, die niet voldoet aan de beoordelingsregels voor hoofdgebouwen, bedraagt niet meer dan 75 m² tot een maximum bebouwd oppervlak van 60% van het bouwperceel. Dit is met inbegrip van de oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken die niet voldoen aan de beoordelingsregels voor hoofdgebouwen.
OO
Het opschrift van artikel 2.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PP
Artikel 2.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van de vaste beoordelingsregels zoals opgenomen in Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw 2.51, Artikel 2.17 Vaste beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken2.52 en Artikel 2.18 Vaste beoordelingsregels overige bouwwerken (geen gebouwen zijnde)2.53 wordt de omgevingsvergunning ook verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden:
het in afwijking van Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw 2.51sub d verkleinen van de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, met dien verstande dat de afstand tot de perceelgrens ten minste 1 m dient te bedragen;
het in afwijking van Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw 2.51sub e verhogen van de toegestane goot- en/of bouwhoogte;
het in afwijking van Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw 2.51sub g verlagen van de dakhelling of het toestaan van een plat dak;
het in afwijking van Artikel 2.17 Vaste beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken2.52 sub c en d verhogen van de toegestane goot- en/of bouwhoogte, met dien verstande dat de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk ondergeschikt dient te blijven aan de bouwhoogte van het hoofdgebouw, dan wel de goothoogte van het bijbehorend bouwwerk ondergeschikt blijft aan de goothoogte van het hoofdgebouw;
het in afwijking van Artikel 2.17 Vaste beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken2.52 sub e bouwen van bijbehorende bouwwerken op een kortere afstand tot de voorgevelrooilijn;
het in afwijking van Artikel 2.17 Vaste beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken2.52 sub f vergroten van het oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken tot 150 m2 en het bebouwen van het bouwperceel met meer dan 60%; en,
het in afwijking van Artikel 2.18 Vaste beoordelingsregels overige bouwwerken (geen gebouwen zijnde)2.53 verhogen van de toegestane bouwhoogte tot 3 meter voor erf- en terreinafscheidingen en 15 meter voor overige bouwwerken.
Ter plaatse van de locatie woongebied Kraneplas wordt in aanvulling op het eerste lid de omgevingsvergunning ook verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
het in afwijking van Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw sub a afwijken van het bouwvlak, indien noodzakelijk ter aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, of uit oogpunt van doelmatig gebruik van gronden en bebouwing, mits die afwijkingen ten opzichte van hetgeen is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen; en,
het in afwijking van Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw sub a en c vergroten van het aantal woningen en hun bebouwingstypologie, met dien verstande dat het in overeenstemming is met het gemeentelijk woonbeleid of er aanleiding is om het aantal woningen te wijzigen vanwege andere marktomstandigheden en/of het voorkomen van leegstand.
De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing:
het bouwplan leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
het bouwplan is passend in het straat- en bebouwingsbeeld;
het bouwplan doet geen afbreuk aan de verkeersveiligheid;
het bouwplan doet geen afbreuk aan het woon- en leefklimaat;
het bouwplan voorziet in voldoende parkeervoorzieningen. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals bedoeld in paragraaf Paragraaf 5.2.2;
het bouwen doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken zoals bedoeld in artikel Artikel 2.1 en artikel Artikel 2.10 Oogmerk functie woongebied 2.45.
Na afdeling 4.3 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning binnen de daarvoor aangewezen beschermingszone kleine windmolens, windturbines respectievelijk zonneparken, met een elektrische veldsterkte (flux) van 20 t/m 30 dBµV/m, gemeten volgens een meetprotocol zoals gespecificeerd in EN55032 (120 kHz bandbreedte op 10 meter afstand) bouwwerken te realiseren en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
De omgevingsvergunning wordt verleend indien het bouwwerk voldoet aan de volgende voorwaarden:
het bouwwerk is voorzien van een AVG-vermogen (RMS-veld) detector;
het bouwwerk mag geen elektrische storing veroorzaken voor de radiotelescopen van het Nederlands Instituut voor Radioastronomie (Astron), waarbij het schriftelijk advies van Astron wordt betrokken zoals bepaald in Artikel 6.3; en
er één type zonnepanelen en één plaatsingssysteem wordt toegepast.
RR
Afdeling 4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SS
Het opschrift van artikel 4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TT
Artikel 4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er kunnen in het kader van de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in artikelArtikel 4.1 en Artikel 4.24.3 in de bodembeheergebieden met maatwerkvoorschriften worden afgeweken van de kwaliteitseisen of worden aangevuld voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem zoals bedoeld in de artikelen 4.1273 en 4.1275 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
De regels met betrekking tot bodembeheergebieden gelden ook voor locaties met gereinigde grond die van oorsprong afkomstig is uit deze bodembeheergebieden.
UU
Het opschrift van artikel 4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VV
Artikel 4.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ter plaatse van de bodembeheergebieden is het - in aanvulling op artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Handelingskader PFAS (december 2021) - toegestaan om grond of baggerspecie toe te passen waarbij voor PFOA een kwaliteitseis geldt van 30 µg/kg d.s. en voor PFOS 29 µg/kg d.s. (voor standaardbodem, uitgedrukt in µg/kg droge stof).
De volgende voorwaarden zijn van toepassing:
voor de andere stoffen voldoet de grond of de baggerspecie aan de hoogste waarden van de volgende twee kwaliteitseisen:
gebruikmakend van de risicogrenswaarde voor de functie Wonen is de risico-index voor PFAS lager dan 1;
de grond of baggerspecie is afkomstig uit (een van) de bodembeheergebieden; en,
de grond of baggerspecie wordt toegepast op een locatie als bedoeld in Artikel 4.24.3, waar de bodem al voor het toepassen aantoonbaar en vergelijkbaar diffuus met de stof was verontreinigd.
WW
Het opschrift van artikel 4.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XX
Artikel 4.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 4.1267 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden ten minste een week voor het toepassen van grond of baggerspecie de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een bewijs waaruit blijkt dat PFAS voldoet aan de eisen ten aanzien van de risico-index volgens Artikel 4.54.6 lid 2 sub b en Artikel 4.64.7 lid 2 sub b.
YY
Na afdeling 4.5 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Het brandvoorschriftengebied is een brandvoorschriftengebied zoals bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
ZZ
Afdeling 4.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAA
Het opschrift van artikel 4.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBB
Subparagraaf 4.7.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarde wordt in de volgende gevallen, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel Artikel 6.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld:
er is sprake van een of meerdere bouwwerken met een (gezamenlijk) oppervlakte gelijk of meer dan de oppervlakte van de bodemverstoring Kraneplasen oppervlakte van de bodemverstoring Rollepaal Oostzoals aangegeven op de kaart; en
er is sprake van een diepte gelijk of meer dan de diepte van de bodemverstoring Kraneplasen diepte van de bodemverstoring Rollepaal Oostzoals aangegeven op de kaart.
Een dergelijke rapportage is niet noodzakelijk als aangetoond kan worden dat die gronden geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is.
Indien uit het in Artikel 4.94.12 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning over:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen; en
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
CCC
Artikel 4.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen een gebied met archeologische (verwachtings)waarde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten, in stand te houden en te gebruiken wanneer de oppervlakte gelijk of meer bedraagt dan de oppervlakte van de bodemverstoring Kraneplasof oppervlakte van de bodemverstoring Rollepaal Oosten de diepte gelijk of meer dan de diepte van de bodemverstoring Kraneplasof diepte van de bodemverstoring Rollepaal Oostzoals aangegeven op de kaart:
het ophogen van de bodem;
het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, waarbij de breedte van deze werken ten minste 1,25 m bedraagt;
het bebossen van gronden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regel niet de functie bos heeft;
het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd;
het aanleggen van bos of boomgaard; en
het verrichten van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen.
Het onder het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die het normale onderhoud of gebruik betreffen;
al in uitvoering zijn, of volgens een verleende vergunning al mogen worden uitgevoerd;
onderdeel zijn van werkzaamheden waarvoor al een omgevingsvergunning is verleend en in werking is;
in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden verricht, mits verricht door een ter zake deskundige; en
uitgevoerd worden op gronden waarvan aangetoond kan worden dat deze geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden wordt, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel Artikel 6.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld.
De vergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in het eerste lid genoemde werken en werkzaamheden, of de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal.
DDD
Na afdeling 4.8 worden twee afdelingen ingevoegd, luidende:
De regels over de hoofdroute (spoor)wegverkeer in deze afdeling zijn gesteld met het oog op
a. het ontwikkelen en beheren van de (spoor)wegverkeersstructuur, waarbij alleen een wijziging van de (spoor)weg mag plaatsvinden indien er geen geluidgevoelige gebouwen zijn gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de (spoor)weg;
b. zich verplaatsen, vervoeren en parkeren; en,
c. het gebruiken van het openbaar gebied.
De regels over de hoofdwaterstructuur in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
Binnen de hoofdwaterstructuur wordt onderscheid gemaakt in:
a. de functie water.
De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan binnen de functie water:
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in Artikel 4.19, mits deze in overeenstemming is met Afdeling 5.1.
EEE
Afdeling 4.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFF
Afdeling 4.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGG
Het opschrift van artikel 4.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHH
Na afdeling 4.12 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
De regels over het leidingnetwerk in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
het beschermen van het leidingnetwerk tegen nadelige gevolgen van activiteiten;
het behouden en creëren van ruimte voor en in de nabijheid van het leidingsnetwerk voor bestaande en toekomstige activiteiten van de landelijk netbeheerder;
het creëren van ruimte voor de energietransitie met aandacht voor de kwaliteit, het gebruik en de waarden in het landelijk gebied; en,
het benutten van duurzaam gas en waterstof.
Ter plaatse van de locatie ondergrondse hoogspanningsverbinding uitsluitend het ontwikkelen, in werking hebben en beheren van ondergrondse hoogspanningsverbindingen met een maximale spanning van 110 kV en bijbehorende voorzieningen toegestaan.
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebruiksactiviteiten te verrichten als bedoeld in Bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving ter plaatse van hetbeperkingengebied van het leidingnetwerk.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door de uitvoering daarvan, of de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen:
geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van het leidingnetwerk, waarbij het schriftelijk advies van de beheerder van de distributieleiding/verbinding wordt betrokken zoals bepaald in Artikel 6.3; en,
de gebruiksactiviteiten geen onevenredige afbreuk doen aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in Artikel 4.1 en Artikel 4.22.
De volgende gebruiksactiviteiten zijn verboden:
kleinschalig kamperen binnen het beperkingengebied van het leidingnetwerk.
Het is toegestaan een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden, mits:
het betreft het vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bouwwerken ten dienste van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in Artikel 4.23, waarbij de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te (ver)bouwen en bouwwerken te realiseren en deze in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in Artikel 4.23, anders dan de vergunningvrije bouwactiviteiten bedoeld in Artikel 4.23.
De omgevingsvergunning wordt verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden:
de oppervlakte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 100 m2 per gebouw;
de goot- en bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan respectievelijk 3 en 6 meter;
de bouwhoogte van hoogspanningsmasten mag niet meer dan 45 meter bedragen; en,
de bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 meter.
Het is verboden om binnen het beperkingengebied van het leidingnetwerk zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te (ver)bouwen en bouwwerken te realiseren en deze in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in Artikel 4.27.
De omgevingsvergunning wordt verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden: het betreft het vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, en wordt voldaan aan de regels van de ter plaatse toegedeelde functie(s), als bedoeld in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4.
In afwijking van de vaste beoordelingsregels zoals opgenomen in Artikel 4.29 wordt de omgevingsvergunning ook verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden:
de bouwwerken voldoen aan de regels van de ter plaatse toegedeelde functie(s), als bedoeld in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4;
het bouwen heeft geen onevenredig negatieve gevolgen voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de ondergrondse distributieverbinding, waarbij het schriftelijk advies van de beheerder van de distributieleiding wordt betrokken zoals bepaald in Artikel 6.3;
het bouwen doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in Artikel 4.1 en Artikel 4.22.
De volgende werken en werkzaamheden zijn toegestaan:
Het is verboden om binnen het beperkingengebied van het leidingnetwerk zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten, in stand te houden en te gebruiken:
het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
het verrichten van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen;
het aanleggen van wegen, paden, parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het aanbrengen van zonnepanelen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen;
het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen; en,
het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, tenzij het gaat om activiteiten die zijn toegestaan in Artikel 4.31.
De vergunningplicht geldt niet voor het verrichten van het volgende:
werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
werken en werkzaamheden, waarmee rechtens is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van deze regels;
activiteiten die door of in opdracht van de beheerder van de distributieleiding worden verricht in verband met de oogmerken genoemd in Artikel 4.22; en
activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door de uitvoering daarvan, of de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen:
de werken en werkzaamheden geen onevenredig negatieve gevolgen hebben voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de ondergrondse distributieverbinding, waarbij het schriftelijk advies van de beheerder van de distributieleiding wordt betrokken zoals bepaald in Artikel 6.3;
de werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk doen aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in Artikel 4.1 en Artikel 4.22.
III
Afdeling 4.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJ
Artikel 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan op grond van deze afdeling danwel hoofdstukHoofdstuk 2, hoofdstukHoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden en in stand gehouden.
In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan op grond van deze titel danwel hoofdstukHoofdstuk 2, hoofdstukHoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden behouden en in stand gehouden.
KKK
Artikel 5.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van het elders in dit omgevingsplan bepaalde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken op en in gronden:
binnen een afstand van 20 meter van de functie ‘hoofdroute (spoor)wegverkeer’ als bedoeld in afdeling Afdeling 4.9, loodrecht gemeten uit de as van de (spoor)weg in verband met de aanvaardbaarheid uit oogpunt van (spoor)wegbeheer en verkeersveiligheid, uitgezonderd andere bouwwerken; en,
binnen een afstand van 5 meter van de functie ‘water’ als bedoeld in afdeling Afdeling 4.10 loodrecht gemeten op de functiegrens van die gronden in verband met de waterstaatkundige aanvaardbaarheid.
In afwijking van het elders in dit omgevingsplan bepaalde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een aanlegsteiger te plaatsen.
LLL
Artikel 5.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning wordt verleend indien de bouwactiviteit:
in overeenstemming is met de toegedeelde functie en daarbij al dan niet met omgevingsvergunning toegestane gebruiksactiviteiten als bedoeld in hoofdstuk 2 t/m hoofdstuk Hoofdstuk 4;
voldoet aan de beoordelingsregels als bedoeld in hoofdstukHoofdstuk 2, hoofdstukHoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4;
voldoet aan de beoordelingsregels als opgenomen in deze subparagraaf.
MMM
Artikel 5.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een aanlegsteiger:
de steiger behoort bij de toegedeelde functie als bedoeld in hoofdstukHoofdstuk 2, hoofdstukHoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 en wordt geplaatst volgens de vaste beoordelingsregels voor bouwwerken die binnen die functie op die locatie van toepassing zijn;
de plaatsing van de steiger doet geen afbreuk aan het behoud en de ontwikkeling van de waterveiligheid van de regionale waterkeringen zoals opgenomen in de omgevingsverordening van provincie of waterschap;
de plaatsing van de steiger doet geen afbreuk aan de instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende of daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden; en
de plaatsing van de steiger doet geen afbreuk aan het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden zoals bepaald in de provinciale omgevingsverordening.
NNN
Artikel 5.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ter plaatse van de locatie woongebied Kraneplas wordt een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten alleen verleend als het bouwplan past binnen de gestelde voorwaarden in het Beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in deze regel.



De volgende beoordelingsregels zijn op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost van toepassing op de omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een gebouw:
de gevels van gebouwen die op ontsluitingswegen zijn gericht, worden als representatieve gevel vormgegeven;
gebouwen worden in onderlinge samenhang uitgevoerd;
de gevels van gebouwen worden uitgevoerd in baksteen, hout, staal, beton, glas of aluminium;
de kleurstelling van gebouwen bestaat uit grijs- of aardetinten;
de kleur van kozijnen, ramen en deuren is terughoudend en past bij de materialen en kleuren van de gevel.
OOO
Artikel 5.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de regels voor bouwactiviteiten in hoofdstukHoofdstuk 2, hoofdstukHoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden:
het afwijken tot niet meer dan 10% van de maten, afmetingen en percentages als opgenomen in hoofdstukHoofdstuk 2, hoofdstukHoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4;
het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van de wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
het afwijken van functie- of bebouwingsgrenzen, indien noodzakelijk ter aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, of uit oogpunt van doelmatig gebruik van gronden en bebouwing, mits die afwijkingen ten opzichte van wat is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen;
het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits niet hoger dan 3 meter en de oppervlakte niet meer dan 50 m² bedraagt;
het bouwen van een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 meter, onder andere onder de specifieke voorwaarden zoals opgenomen in lid 4 en 6; en
voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor:
ecologische voorzieningen, zoals uitkijkpunten en observatiehutten;
eenvoudige dagrecreatieve voorzieningen, zoals schuilgelegenheden, rustpunten en informatieborden,
waarvan de oppervlakte niet meer dan 25 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 12 meter mag bedragen.
De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing:
Er kunnen met het oog op landschappelijke inpassing voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden om de inpassing op het gebouwerf en in het landschap op zorgvuldige wijze plaats te laten vinden en in stand te houden, aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijden van het verrichten van de bouwactiviteit.
In aanvulling op het tweede lid zijn voor het bouwen van een antenne-installatie voor mobiele communicatie de volgende beoordelingsregels van toepassing:
het doel van de antenneplaatsing is verbeterde dekking en/of capaciteit van een mobiel netwerk en kan niet bereikt worden met de plaatsing van vergunningsvrije antenne-installaties op gebouwen, bestaande zendmasten of andere bestaande bouwwerken zoals lichtmasten en verkeersportalen;
de antenne-installatie wordt zoveel mogelijk uit het zicht geplaatst;
de antenne-installatie en bijbehorende apparatuur dienen zoveel mogelijk te worden geïntegreerd in de architectuur of omgeving, ook door zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande bebouwing of (groen)elementen;
de antenne-installatie, de bijbehorende technische installaties en de bedrading moeten door zorgvuldige materiaal- en kleurkeuze in de omgeving ingepast worden;
de antenne-installatie mag geen afbreuk doen aan de visuele kwaliteit van een gebouw en de omgeving en specifieke architectonische kenmerken niet aantasten;
de antenne-installatie mag geen onevenredige of onomkeerbare afbreuk doen aan de waarde van monumentale gebouwen of beschermde dorpsgezichten, waarbij:
blijvende bouwkundige aantasting of (gevolg)schade aan het monument moet worden voorkomen;
de zichtbaarheid van de antenne vanaf de openbare ruimte moet worden geminimaliseerd;
bliksem- en brandbeveiliging moeten worden aangepast op de nieuwe situatie;
restauratie- en onderhoudswerkzaamheden, in aan of op het monument moeten ongehinderd doorgang kunnen vinden; en
bij antenneplaatsing moet gestreefd worden naar een zo klein mogelijke impact op de ondergrond. Aansluitingen op ondergrondse infra moet plaatsvinden door zo weinig mogelijk ruimtebeslag in die ondergrond en zo weinig mogelijk graafwerkzaamheden. Het heeft de voorkeur dat aanbieders zoveel mogelijk opstelpunten delen (site-sharing).
In aanvulling op artikel Artikel 22.35 en Artikel 6.2 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een antenne-installatie voor mobiele communicatie voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een toelichting op de locatiekeuze vanuit de gewenste mobiele connectiviteit en vanuit netwerktechnisch oogpunt voor tenminste één van de netwerken van de mobiele operators;
een toelichting of er is gekeken naar plaatsing op bestaande antenne-opstelpunten; en
het bij een aanvraag van een omgevingsvergunning ter beoordeling voor te leggen materiaal dient een goed beeld te geven van de inpassing van de beoogde installatie in zijn omgeving, compleet met toebehorende infrastructuur.
In aanvulling op het tweede lid zijn voor het bouwen van een antenne-installatie voor radiozendamateurs de volgende beoordelingsregels van toepassing:
het doel van de antenneplaatsing is verbeterde dekking en/of capaciteit van een radiozendnetwerk en kan niet bereikt worden met de plaatsing van een lagere antenne-installatie of vergunningsvrije antenne-installaties;
de antenne-installatie mag niet voor de voorgevelrooilijn staan, bij voorkeur op het achtererf;
de antenne-installatie mag niet op en/of boven gronden van derden komen;
indien er welstandseisen van toepassing zijn, dient er te worden voldaan aan redelijke eisen van welstand. De kleur dient in de meeste gevallen bij voorkeur grijs of vergelijkbaar te zijn;
de antenne-installatie mag niet meer dan 5 meter hoger zijn dan de nok van het hoofdgebouw op het perceel;
er wordt maximaal één antenne-installatie per bouwperceel op grond van dit lid opgericht;
de antenne-installatie bevindt zich niet in beschermd dorpsgezicht;
de antenne-installatie bevindt zich niet bij of in de onmiddellijke nabijheid van een rijks- of gemeentelijk monument; en
de antenne-installatie mag geen onaanzienlijke inbreuk op hun woon- en leefomgeving veroorzaken.
In aanvulling op artikel Artikel 22.35 en Artikel 6.2 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een antenne-installatie voor radiozendamateurs voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
PPP
Artikel 5.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken:
met een andere functie en anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in hoofdstukHoofdstuk 2, hoofdstukHoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4;
anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in subparagraaf SubParagraaf 5.1.1.2SubParagraaf 5.1.1.2 t/m subparagraaf SubParagraaf 5.1.1.3;
bedoeld als overdekte stalling voor pleziervaartuigen.
QQQ
Artikel 5.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is toegestaan mantelzorg te bieden in een (bedrijfs)woning of het huishouden aan te vullen met een huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen.
Voor zover niet vergunningvrij is toegestaan op basis van artikel Artikel 22.36 en Artikel 22.37 mag deze mantelzorg of het extra huishouden niet plaatsvinden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een bedrijfswoning.
RRR
Subparagraaf 5.2.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor kleinschalige duurzame energiewinning ten behoeve van de opwekking van windenergie en zonne-energie op gebouwen in afwijking van de toegedeelde functie in hoofdstukHoofdstuk 2, hoofdstukHoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4.
De omgevingsvergunning wordt verleend voor zover het realiseren van de bouwwerken daarvoor op basis van de bouwregels bij die functie mogelijk is.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren:
voor zover niet vergunningvrij is toegestaan op basis van artikel Artikel 22.36 en Artikel 22.37: het bieden van mantelzorg danwel het huisvesten van een extra huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij de bedrijfswoning;
het tijdelijk bieden van pré-mantelzorg in een (bedrijfs)woning vooruitlopend op de verlening van mantelzorg.
De omgevingsvergunning voor mantelzorg of een extra huishouden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk van een bedrijfswoning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden:
het gebruik leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
het gebruik moet passen binnen de aard, schaal en het beeld van het perceel en de omgeving;
er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en
het gebruik doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken voor het betreffende gebied en de betreffende functie.
De omgevingsvergunning voor pré-mantelzorg wordt verleend als het bieden van pré-mantelzorg plaatsvindt in overeenstemming met de "Beleidsregel pré-mantelzorgwoningen gemeente Hardenberg” (datum vaststelling college 3 oktober 2023) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).
SSS
Subparagraaf 5.2.1.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd zijn met het karakter en het oogmerk van de aan locaties toegedeelde functies in hoofdstukHoofdstuk 2, hoofdstukHoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken.
Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, tenzij er een locatie ‘mer-activiteiten toegestaan’ is opgenomen.
Gebruiksactiviteiten die op grond dit hoofdstuk niet zijn toegestaan - rechtstreeks danwel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden.
Het gebruik als seksinrichting is verboden.
Het wonen in een zorgwoning door niet hulpbehoevenden of professionele hulpverleners die zorg of hulp verlenen aan ter plaatse wonende hulpbehoevenden is verboden.
Het gebruik als hyperscale datacentrum is verboden.
De begrenzing van de bebouwingscontour jacht voor de toepassing van de artikelen 11.71, vierde lid, en 11.76, derde lid, aanhef en onder a het Besluit activiteiten leefomgeving geldt zoals aangegeven op de kaart.
TTT
Na afdeling 5.2 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Deze subparagraaf is van toepassing op het uitvoeren van milieubelastende activiteiten
Bij de beoordeling van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving door milieubelastende activiteiten, wordt de totale invloed beoordeeld van alle activiteiten die op dezelfde locatie worden uitgevoerd én:
Deze regel is van toepassing op de buitenopslag van brandbare, niet milieugevaarlijke stoffen en goederen met een grondoppervlak van afvalstoffen van meer dan 100 m2 en minder dan 625 m2.
Voor de afvalbewerkende bedrijven, afvalverwerkende bedrijven en bedrijven voor de op- en overslag van afvalstoffen gelden de volgende regels:
de afstand van een buitenopslag van brandbare, niet milieugevaarlijke stoffen en goederen van minder dan 625 m2 tot naastgelegen percelen of objecten (waaronder gebouwen, en andere opslagen) is zo groot dat de stralingswarmte ter hoogte van deze naastgelegen percelen of objecten ten hoogste 15 kW/m2 bedraagt;
de afstand tot een primaire bluswatervoorziening is ten hoogste 100 meter;
de activiteit is tot op 10 meter te bereiken door een brandweerwagen. Daarvoor gelden de volgende eisen:
rijstrookbreedte van 3,25 meter verhard en 3,50 meter vrije doorgang
vrije doorgangshoogte van 4,20 meter
geschikt voor voertuigen met een draaicirkel met een binnenstraal van 5,5 meter en een buitenstraal van 10 meter; en
geschikt voor een totale belasting van 16 ton en een as-last van 11,5 ton.
Het college kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat gegevens en bescheiden worden verstrekt, die nodig zijn om te beoordelen of kan worden voldaan aan de regels in het omgevingsplan over het bedrijfsmatig opslaan van stoffen.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt bedrijfsafvalwater dat qua biologische afbreekbaarheid niet overeenkomt met huishoudelijk afvalwater:
Met het oog op de bescherming van de doelmatige werking van het openbare vuilwaterriool en het zuiveringtechnische werk wordt bedrijfsafvalwater, dat qua biologische afbreekbaarheid niet overeenkomt met huishoudelijk afvalwater, in stedelijk gebied alleen geloosd op dat vuilwaterriool:
Met het oog op het beschermen van de doelmatige werking van het openbare vuilwaterriool en het zuiveringtechnische werk kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift, in afwijking van het tweede lid, bepalen dat minder of geen bedrijfsafvalwater in het vuilwaterriool wordt geloosd.
UUU
Afdeling 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVV
Het opschrift van afdeling 5.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWW
Het opschrift van artikel 5.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXX
Het opschrift van artikel 5.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYY
Het opschrift van artikel 5.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZ
Afdeling 5.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van andere activiteiten als opgenomen in de afdelingen 5.1, 5.2, 5.3 en 5.4.
De bebouwingscontour houtkap voor de toepassing van afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt zoals aangegeven op de kaart
AAAA
Artikel 6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Indien op basis van Hoofdstuk 4 op een locatie als gevolg van een stapeling van gebiedsaanwijzingen meerdere locatiegebonden en/of meer specifieke regelingen gelden, dan gaat de regeling voor die het meest bijdraagt aan de doelen van dit omgevingsplan als opgenomen in artikel Artikel 1.3.
Indien in hoofdstuk Hoofdstuk 4 via een locatiegebonden en/of meer specifieke regeling anders is bepaald dan in de hoofdstukken Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 5, dan gaat die regeling voor.
Indien in de hoofdstukHoofdstuk 2, hoofdstukHoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 via een locatiegebonden en/of meer specifieke regeling anders is bepaald dan in hoofdstuk Hoofdstuk 5, dan gaat die regeling voor.
De regels in dit plan gaan voor op het omgevingsplan dat van rechtswege is ontstaan, met uitzondering van de artikelen 1.1 en 1.2 waarbij het tijdelijke omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet van toepassing blijft.
BBBB
Artikel 6.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het bevoegd gezag vraagt schriftelijk advies aan:
de stadsbouwmeester over de welstandsaspecten van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten; en,
de gemeentelijke adviescommissie op het gebied van de monumentenzorg in het geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor monumentenactiviteiten.;
de beheerder van de molen omtrent het aanvaardbaar kunnen functioneren van de molen in relatie tot de veranderende windtoetreding als bedoeld in afdeling 4.2;
het Nederlands Instituut voor Radioastronomie (Astron) omtrent de elektrische storing die kan optreden als gevolg van kleine windmolens, windturbines en zonneparken binnen de daarvoor aangewezen beschermingszone voor de radiotelescopen van Astron als bedoeld in afdeling 4.4;
de Veiligheidsregio over de aanvaardbaarheid van de veiligheidsrisico’s van een vraag om een omgevingsvergunning om een (beperkt) kwetsbare object toe te staan binnen een brand- of explosieaandachtsgebied als bedoeld in afdeling 4.6;
de beheerder van die (spoor)weg omtrent de aanvaardbaarheid uit oogpunt van (spoor)wegbeheer en verkeersveiligheid van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten voor het bouwen binnen een afstand van 20 meter van de functie ‘hoofdroute (spoor)wegeverkeer’ als bedoeld in afdeling 4.9;
de beheerder van die watergang omtrent de waterstaatkundige aanvaardbaarheid van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten voor het bouwen binnen een afstand van 5 meter van de functie ‘water’ als bedoeld in afdeling 4.10;
het ter plaatse bevoegde waterstaatsgezag omtrent de toelaatbaarheid van een activiteit in verband met de invloed op het waterbergend vermogen van een waterbergingsgebied, op de waterveiligheid en op de waterkwaliteit en de aantasting van het bergingsvermogen van extreem hoog oppervlaktewater als bedoeld in afdeling 4.10;
de beheerder van de distributieleiding omtrent het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de distributieverbinding ingeval van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten binnen (het beperkingengebied van) het leidingnetwerk als bedoeld in afdeling 4.13;
Gedeputeerde Staten over het voldoen aan de voorwaarden die in bijlage XI van de provinciale verordening zijn gesteld aan het verrichten van milieubelastende activiteiten binnen een ‘grondwaterbeschermingszone’.
De stadsbouwmeester baseert zijn/haar welstandsadvies op de criteria uit de vastgestelde beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Voorzover de regels aan bouwactiviteiten met betrekking tot de voorgeschreven maximale goothoogte en maximale bouwhoogte en de plaatsing op het bouwperceel ruimte bieden voor verschillende mogelijkheden van het realiseren van gebouwen, is deze ruimte tevens bedoeld voor het kunnen stellen van voorwaarden op basis van deze welstandscriteria (voor zover die binnen het betreffende gebied van toepassing zijn) mits:
Totdat de beleidsregels als bedoeld in lid 2 zijn vastgesteld, baseert de stadsbouwmeester zijn/haar welstandsadvies op de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
CCCC
Artikel 6.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, als bedoeld in hoofdstukHoofdstuk 2, hoofdstukHoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
er zijn geen geschikte alternatieven en het doorgang vinden van de activiteit is noodzakelijk met het oog op een van de daarop toepasselijke doelen en/of oogmerken; en
het met weigering van de omgevingsvergunning of handhaving van de algemene regel, als bedoeld in de aanhef, te dienen belang is onevenredig in verhouding tot het doel en/of oogmerk van de activiteit.
Bij de toepassing van het eerste lid, worden de rechtstreeks bij de activiteit betrokken omgevingsdoelen en/of –oogmerken afgewogen, af voor zover niet uit een instructieregel, dit omgevingsplan of de aard van de betrokken activiteit een beperking voortvloeit.
DDDD
Artikel 6.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit;
het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften;
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en
de gemeentelijke doelstellingen als opgenomen in artikel Artikel 1.3.
EEEE
Artikel 6.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er kunnen met het oog op de belangen zoals genoemd in dit omgevingsplan maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in hoofdstukHoofdstuk 2, hoofdstukHoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze hoofdstukken tenzij anders is bepaald.
Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
FFFF
Artikel 6.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Aan de hoofdstukken Hoofdstuk 1, Hoofdstuk 6 en Hoofdstuk 7 die algemeen geldende bepalingen bevatten, wordt door een ieder – waaronder de gemeente - voldaan.
Aan de hoofdstukHoofdstuk 2, hoofdstukHoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 die gaan over de verschillende gebiedsaanwijzingen wordt voldaan door de eigenaar van de locatie en/of degene die uit anderen hoofde bevoegd is over de locatie te beschikken. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de locatie.
Aan hoofdstuk Hoofdstuk 5 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht en/of laat verrichten. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
GGGG
Artikel 7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) met de daarbij behorende milieugebruiksruimte als bedoeld in hoofdstukHoofdstuk 2,hoofdstukHoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 dat bestond op het tijdstip van het laatste besluit tot wijziging van het omgevingsplan op de betreffende locatie en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
Het is verboden het met dit wijzigingsbesluit strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit wijzigingsbesluit strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende wijzigingsbesluit voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
HHHH
Artikel 7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een ontheffing of vergunning voor een activiteit die op grond van dit omgevingsplan:
Een melding of een informatieplicht voor een activiteit die op grond van dit omgevingsplan meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.
Een voorschrift uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit die op grond van dit omgevingsplan niet vergunningplichtig is, geldt als een maatwerkvoorschrift voor zover het mogelijk is op grond van dit omgevingsplan over die activiteit maatwerkvoorschriften te stellen.
Op activiteiten die op het moment van de inwerkingtreding van een besluit tot wijziging van het omgevingsplan op de betreffende locatie krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van de hoofdstukken Hoofdstuk 1, Hoofdstuk 5, Hoofdstuk 6 en Hoofdstuk 7 van dit omgevingsplan rechtstreeks van toepassing.
IIII
Artikel 22.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van de Artikel 22.28 lid 1 en Artikel 22.28 lid 2, Artikel 22.38, Artikel 22.287, Artikel 22.288, Artikel 22.290tot en met Artikel 22.29522.293en Artikel 22.295wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
Het eerste lid is van toepassing:
als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en
als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
JJJJ
Subparagraaf 22.2.7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De Artikel 22.27 en Artikel 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
Bij de toepassing van de Artikel 22.27 en Artikel 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27, onder a, of Artikel 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in Artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Voor de toepassing van de SubParagraaf 22.2.7.2 en SubParagraaf 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:
afstanden loodrecht;
hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en
maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
KKKK
Artikel 22.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
Artikel 22.303 lid 1, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.
LLLL
Artikel 22.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de Artikel 22.44, Artikel 22.49 en Artikel 22.50 en de Paragraaf 22.3.2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de Artikel 22.49 en Artikel 22.50 en de Paragraaf 22.3.2.
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in Artikel 22.42.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
MMMM
Artikel 22.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de SubParagraaf 22.3.4.3 en SubParagraaf 22.3.4.4.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.
NNNN
Artikel 22.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de Artikel 22.63tot en met Artikel 22.7122.69 en Artikel 22.71, blijft buiten beschouwing:
het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;
het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;
het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;
het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;
het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;
het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;
het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen;
het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen;
het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en
het traditioneel schieten, bedoeld in Paragraaf 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.
Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in de Artikel 22.63tot en met Artikel 22.69, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in deArtikel 22.63 tot en metArtikel 22.6322.69, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als:
OOOO
Artikel 22.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AlsOp de locatievoorlopige regels geldt dat als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LTLAr,LT), bedoeld in de Artikel 22.63 lid 1, en Artikel 22.64 lid 1 ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
PPPP
Artikel 22.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in deArtikel 22.63 tot en metArtikel 22.6322.69, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.
Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op:
QQQQ
Artikel 22.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De waarden, bedoeld in de inArtikel 22.63 tot en metArtikel 22.6322.71, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:
festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en
andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.
Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.
RRRR
Artikel 22.78 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSS
Subparagraaf 22.3.6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.
In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in de SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
In afwijking van Artikel 22.90 lid 2, zijn de waarden, bedoeld in de SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:
In afwijking van Artikel 22.90 lid 1, zijn de waarden, bedoeld in de SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
De waarden, bedoeld in de SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden:
als het gaat om een geurgevoelig object: op of tot de gevel;
als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en
in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.
De waarden, bedoeld in de SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.
Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in SubParagraaf 22.3.6.2, en de afstanden, bedoeld in de SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, niet van toepassing op een geurgevoelig object dat:
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn.
Bij de waarden, bedoeld in de SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, is geen rekening gehouden met de cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.
TTTT
Artikel 22.103 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onverminderd de Artikel 22.98tot en met Artikel 22.102is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.13.
In afwijking van Artikel 22.97 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.
UUUU
Artikel 22.124 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in de Artikel 22.122 lid 2, en Artikel 22.123, is de waarde van de geur op een geurgevoelig object als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig object, voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in Artikel 22.122 lid 1, niet worden overschreden.
VVVV
Artikel 22.294 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag als bedoeld in de Artikel 22.290tot en met Artikel 22.292hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:
Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:
balklagen:
geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;
houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en
bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.
WWWW
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:
het bouwen, herbouwen, verbouwen danwel uitbreiden van een gebouw;
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;
een rapport als bedoeld in artikel 7.199 van de Omgevingsregeling;
de aan een gebied toegekende (verwachtings)waarden in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit in het verleden, ten minste ouder dan 50 jaar;
zorg die zich richt op het optimaal beheer van de bodem als unieke bron van informatie over de geschiedenis van Nederland;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
de bebouwde kom zoals die op basis van artikel 20a van de Wegenverkeerswet door de raad wordt vastgesteld;
een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
het type woning, zoals: vrijstaand, aaneengebouwd, tweekapper, gestapeld of gesplitst;
het tegen betaling aanbieden van toeristisch en kortdurend verblijf en ontbijt. Permanente bewoning van een bed & breakfast in een bijbehorend bouwwerk of bedrijfsgebouw is niet toegestaan;
een onderneming gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen de het bedrijfsmatig verlenen van diensten;
een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, die hoort bij en functioneel gebonden is aan een bedrijf, instelling of voorziening in dat gebouw of op dat terrein;
het gebruik dat op het tijdstip van het laatste besluit tot wijziging van het omgevingsplan op de betreffende locatie rechtens aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip rechtens aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;
het onder a bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder ook begrepen het overgangsrecht van het omgevingsplan, of een andere planologische toestemming;
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, en het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
een voor mensen toegankelijk deel van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen wordt begrensd, met uitzondering van onderbouwen, kelders en kappen; de eerste bouwlaag is de bouwlaag op de begane grond;
een aaneengesloten stuk grond, waarop op grond van de regels van dit plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar op grond van de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegestaan;
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
een geheel of gedeeltelijk overdekte opstelplaats voor een auto welke ten minste aan twee zijden open is;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting niet is toegestaan;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
extensieve, kleinschalige vormen van vrijetijdsbesteding met een maximale duur van een dag, waarbij geen overnachting plaatsvindt;
elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, waaronder mede wordt verstaan een herdenkingsplechtigheid, een braderie, een optocht (niet zijnde een betoging) op de weg, een feest, muziekvoorstelling of wedstijd op of aan de weg, een straatfeest of een buurtbarbecue op één dag (klein evenement). Dit met uitzondering van:
gastouderopvang als bedoeld in de Wet kinderopvang;
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
het gebruiken, doen gebruiken en/of laten gebruiken;
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 4.1274, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat naar constructie en inrichting geschikt is voor de permanente huisvesting van één persoon, een gezin of een hiermee gelijk te stellen groep personen;
persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen;
persoon die zorg of andere specifieke hulp nodig heeft die onder andere ter plaatse van de zorgwoning kan worden verleend en waarvan de behoefte aan deze specifieke zorg of hulp met een verklaring van een arts, een zorgverlenende organisatie die is verbonden aan de zorgwoning of een andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;
specifieke vorm van detailhandel, waarbij de transactie via internet (of postorder) tot stand komt en waarbij afhalen, tonen en afrekenen van goederen niet ter plaatse gebeurt;
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
het bedrijfsmatig verhuren van een kamer in een woonhuis, waarbij de kamer niet als zelfstandige wooneenheid kan worden aangemerkt en zoals dit tot uitdrukking komt in de afwezigheid van een zelfstandige entree, keuken of sanitaire voorzieningen;
een ruimte of bij elkaar behorende ruimten, welke bestemd is of zijn om voornamelijk te worden gebruikt voor administratieve werkzaamheden en naar de aard daarmee gelijk te stellen vormen;
dienstverlening waarbij de bewoner van een woning tegen betaling kap/knipwerkzaamheden ter plaatse verricht, eventueel met aanverwante activiteiten;
het tegen vergoeding aanbieden van verzorging, onderdak en begeleiding aan minderjarigen door anderen dan de eigen ouders, pleeg- of stiefouders bestaande uit de gelijktijdige opvang van meer dan zes kinderen;
het bedrijfs- of beroepsmatig leveren van diensten of producten, waaronder het houden van kantoor aan huis, dat door zijn beperkte omvang en ruimtelijke uitstraling naar de (directe) woonomgeving in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;
energie die gewonnen wordt uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, waarbij weinig tot geen schadelijke milieugevolgen optreden bij winning en omzetting en die in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar is, zoals zon, wind, water, biomassa, aard- en omgevingswarmte;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
voorzieningen ten behoeve van het distributienet, het telecommunicatieverkeer, de afval- en grondstoffeninzameling, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer;
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet;
het gebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het gebouw verleende vergunning, is opgeleverd;
weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, en pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;
archeologische maatregel waarbij een aangetroffen en gewaardeerde vindplaats ex situ wordt behouden;
het opslaan of opgeslagen hebben van goederen en materialen, niet zijnde tijdelijke opslag;
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat dient ter overdekking en niet, of slechts met één wand is omgeven;
parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens;
een plan van aanpak waarin kort en krachtig wordt vastgelegd op welke manier participatie wordt toegepast bij een wijziging van het omgevingsplan;
hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt;
bewoning van een ruimte als hoofdverblijf, waarbij door betrokkene(n) niet aannemelijk is of kan worden gemaakt dat elders daadwerkelijk over een hoofdverblijf wordt beschikt;
een hulpverlener die, al dan niet als werknemer, activiteiten verricht voor een zorgverlenende organisatie of hulpbehoevende die is gericht op het verlenen van zorg of hulp aan hulpbehoevenden;
een persoon die zich als hobbyist bezighoudt met experimenteren op het gebied van het uitzenden en ontvangen van radio- en/of televisiesignalen;
een gebouw, niet zijnde een stacaravan, chalet, trekkershut of plaggenhut, uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief verblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die hun hoofdverblijf elders hebben; onder recreatief verblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;
langs een weg waar bestaande bebouwing is gesitueerd: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn die zoveel mogelijk aansluit aan de ligging van de naar de weg gekeerde gevels van de bestaande bebouwing;
langs een weg waarlangs geen bestaande bebouwing als onder a bedoeld is gesitueerd en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 m, de lijn gelegen op 15 m uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 m, de lijn gelegen op 10 m uit de as van de weg;
het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is;
een plan dat beschrijft op welke wijze het erf landschappelijk gezien is ingepast in zijn omgeving, hoe de sterke gebiedskenmerken worden doorvertaald in de inrichting van het erf en hoe de nieuwe ontwikkeling op het erf en waar nodig compenserende maatregelen elders, in overeenstemming met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving;
een advies van een daartoe aangewezen instelling dat schriftelijk is verstrekt, waaronder in ieder geval wordt verstaan een e-mail, brief of via het samenwerkingsportaal of zaaksysteem van de gemeente Hardenberg;
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan; een seksbioscoop, een seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
een voorziening bestemd voor vermaak of ontspanning waarbij uitsluitend van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt;
door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke deskundige die aan het bevoegd gezag advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van dat bouwwerk is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand;
(binnen)opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven zoals (seizoen)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf;
de netto vloeroppervlakte van een ruimte of gebouw gemeten op vloerniveau tussen de bouwmuren;
voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meerdere zodanige gevels, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;
de lijn die horizontaal loopt door het buitenwerks vlak van de voorgevel van het hoofdgebouw dat het dichtst bij het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied is gelegen, tot aan de perceelsgrenzen;
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit.
een voor de waterbeheersing bestemde geul die meestal permanent water bevat zoals een rivier, kanaal, beek, sloot of gracht.
de hoogte (het niveau) van de waterspiegel gemeten naar NAP op het moment van aanvraag om een vergunning of functiewijziging. Dit kan betrekking hebben op zowel oppervlaktewater als grondwater;
hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan;
een straat, plein, terrein of zone.
openbare wegen voor doorgaand verkeer met bijbehorende parkeerstroken, opstelstroken, fiets- en voetpaden, bermen en bermsloten, bruggen en duikers en andere bijbehorende (verkeers)voorzieningen;
een door de wind aangedreven bouwwerk waarmee energie wordt opgewekt, met inbegrip van de bij dit bouwwerk behorende (infrastructurele) voorzieningen;
activiteit inhoudende de bewoning van een woning;
een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;
complex bestaande uit woonzorgeenheden met zorg- en welzijnsvoorzieningen gericht op 24-uurszorg/begeleiding en waarbij tevens ter ondersteuning daarvan kantoren en kleinschalige, ondergeschikte detailhandel en/of horeca kunnen voorkomen;
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, bijvoorbeeld in de vorm van bank- en verzekeringsdiensten, exploitatie van en handel in onroerende zaken, adviesbureaus, verhuurbedrijven en hulpdiensten;
collectoren voor warmteopwekking of een paneel voor electriciteitsopwekking;
complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één of meerdere personen van een specifieke doelgroep die zorg nodig heeft;
[Vervallen]
XXXX
Bijlage 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
YYYY
Na bijlage 2 worden zes bijlagen ingevoegd, luidende:
Voor de toepassing van dit omgevingsplan wordt verstaan onder:
het bouwen, herbouwen, verbouwen danwel uitbreiden van een gebouw;
een bouwwerk dat is gebouwd aan een bedrijfsgebouw; het bouwwerk onderscheidt zich van een bedrijfsgebouw door de vorm en is architectonisch ondergeschikt;
een bouwwerk dat is gebouwd aan een bedrijfsgebouw; het bouwwerk onderscheidt zich van een bedrijfsgebouw door de vorm en is architectonisch ondergeschikt;
·een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar op grond van de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
een bedrijf, dat geheel of overwegend gericht is op het bedrijfsmatig voortbrengen van agrarische producten door het telen van gewassen waaronder begrepen tuinbouw en/of het houden van dieren, waaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij, met inbegrip van pensionstal en productie van zonne-energie waarvan de geproduceerde elektriciteit in hoofdzaak aangewend wordt voor eigen gebruik. Bewerking en vergisting van mest en biomassa zijn activiteiten die onderdeel uitmaken van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat deze activiteiten plaatsvinden binnen het eigen bouwvlak, met bedrijfseigen producten en/of bedrijfseigen mest waarvan de geproduceerde elektriciteit en/of brandstof in hoofdzaak aangewend wordt voor eigen gebruik;
een bedrijf, dat geheel of overwegend gericht is op het bedrijfsmatig voortbrengen van agrarische producten door het telen van gewassen waaronder begrepen tuinbouw en/of het houden van dieren, waaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij, met inbegrip van pensionstal en productie van zonne-energie waarvan de geproduceerde elektriciteit in hoofdzaak aangewend wordt voor eigen gebruik. Bewerking en vergisting van mest en biomassa zijn activiteiten die onderdeel uitmaken van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat deze activiteiten plaatsvinden binnen het eigen bouwvlak, met bedrijfseigen producten en/of bedrijfseigen mest waarvan de geproduceerde elektriciteit en/of brandstof in hoofdzaak aangewend wordt voor eigen gebruik; CHECK WAAR DIT VOORKOMT
een bedrijf, dat uitsluitend of in overwegende mate is gericht op het verrichten van werkzaamheden voor en/of de levering van diensten aan agrarische bedrijven;
activiteiten uitgevoerd door een agrarisch bedrijf;
grasland en akkerbouwgronden, die hobbymatig in gebruik zijn en niet worden gebruikt ten behoeve van een volwaardige agrarische bedrijfsvoering; CHECK WAAR DIT VOORKOMT
een bedrijf in de land- en tuinbouwsector, dat zich richt op de benutting van braakliggend land door verbouw en het oogsten van gewassen;
een bouwwerk, geen gebouw en geen windturbine zijnde;
installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;
het geheel van bijbehorende vertrekken als afzonderlijk gemeubileerde woongelegenheid in een groter gebouw en dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatief verblijf; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;
een rapport als bedoeld in artikel 7.199 van de Omgevingsregeling;
de aan een gebied toegekende (verwachtings)waarden in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit in het verleden, ten minste ouder dan 50 jaar;
zorg die zich richt op het optimaal beheer van de bodem als unieke bron van informatie over de geschiedenis van Nederland;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
de bebouwde kom zoals die op basis van artikel 20a van de Wegenverkeerswet door de raad wordt vastgesteld;
een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
bebouwing dat door zijn verschijningsvorm als behoudenswaardig aangemerkt wordt;
het type woning, zoals: vrijstaand, aaneengebouwd, tweekapper, gestapeld of gesplitst;
het type woning, zoals: vrijstaand, aaneengebouwd, tweekapper, gestapeld of gesplitst;
het tegen betaling aanbieden van toeristisch en kortdurend verblijf en ontbijt. Permanente bewoning van een bed & breakfast in een bijbehorend bouwwerk of bedrijfsgebouw is niet toegestaan;
een onderneming gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen de het bedrijfsmatig verlenen van diensten;
een niet voor bewoning bestemd gebouw ten dienste van een bedrijf, instelling of voorziening;
het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer of exploitatie, dat in de recreatieverblijven - recreatiewoningen en kampeermiddelen - daadwerkelijk recreatief verblijf plaatsvindt; van bedrijfsmatige exploitatie is sprake als het recreatieverblijf voor ten minste 140 dagen per jaar beschikbaar is voor verhuur;
·een beschrijving van de toekomstplannen van een bedrijf, voor de eerstkomende vijf jaar, met inbegrip van een organisatorische en financiële onderbouwing; CHECK WAAR DIT VOORKOMT
een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, die hoort bij en functioneel gebonden is aan een bedrijf, instelling of voorziening in dat gebouw of op dat terrein;
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk alleen bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, van wie de huisvesting daar, gelet op de functie van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is;
een gebouw dat door bouwvorm, gevelindeling, materiaalgebruik en situering ook bepalend is voor de historische ruimtelijke waarden van het beschermde dorpsgezicht; CHECK WAAR KOMT DIT VOOR
hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet;
een opslagruimte ten dienste van een recreatief nachtverblijf; CHECK OF HET ERGENS ANDERS OOK VOORKOMT
het gebruik dat op het tijdstip van het laatste besluit tot wijziging van het omgevingsplan op de betreffende locatie rechtens aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip rechtens aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;
het onder a bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder ook begrepen het overgangsrecht van het omgevingsplan, of een andere planologische toestemming;
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
bijeenkomsten van persoonlijke aard zoals genoemd in artikel 4 van de Drank- en horecawet; CHECK WAAR KOMT DIT VOOR
een locatie zoals bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
het plegen van ingrepen die het gebruik van de grond veranderen, waardoor het grondwaterpeil verandert en/of het verrichten van grondbewerkingen;
(een deel van) een (voorheen) agrarisch gebruikt gebouw dat blijvend is bestemd voor recreatief nachtverblijf in een kamer, al dan niet in combinatie met een dagverblijf, met keuken en sanitair in een gemeenschappelijke ruimte;
een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering die specifiek is gericht op het telen van laanbomen;
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, en het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
een voor mensen toegankelijk deel van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen wordt begrensd, met uitzondering van onderbouwen, kelders en kappen; de eerste bouwlaag is de bouwlaag op de begane grond;
een aaneengesloten stuk grond, waarop op grond van de regels van dit plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar op grond van de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegestaan;
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
een bouwwerk dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatief nachtverblijf, met een met de grond verbonden constructie van enige omvang en met een plaatsgebonden karakter, zoals een stacaravan, trekkershut of recreatiewoning;
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
complex van recreatiewoningen en/of appartementen die voor recreatief nachtverblijf zijn bestemd; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;
een verblijfsrecreatieterrein, ten behoeve van recreatief verblijf in kampeermiddelen en/of stacaravans, chalets en trekkershutten; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;
een geheel of gedeeltelijk overdekte opstelplaats voor een auto welke ten minste aan twee zijden open is;
bouwwerk voor recreatief nachtverblijf bestaande uit één bouwlaag uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief verblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders hebben. Een chalet heeft geen vaste verankering in de grond;
een bedrijf dat op biologische wijze organische afvalstoffen omzet tot compost;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
voorzieningen ten behoeve van cultuur en ontspanning, waaronder: podiumkunsten/(openlucht)theater, toeristische attracties, creativiteitscentra;
activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting niet is toegestaan;
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling voor de verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
het op het publiek gerichte aanbieden, verkopen en/of leveren van commerciële en/of maatschappelijke diensten, zoals reisbureaus, kapsalons, uitzendbureaus, bankfilialen en makelaarskantoren;
kliniek en/of praktijk voor de zorg en behandeling van gezelschapsdieren, vee, landbouwhuisdieren en paarden;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A); en,
een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.
extensieve, kleinschalige vormen van vrijetijdsbesteding met een maximale duur van een dag, waarbij geen overnachting plaatsvindt;
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;
elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, waaronder mede wordt verstaan een herdenkingsplechtigheid, een braderie, een optocht (niet zijnde een betoging) op de weg, een feest, muziekvoorstelling of wedstijd op of aan de weg, een straatfeest of een buurtbarbecue op één dag (klein evenement). Dit met uitzondering van:
vormen van recreatief medegebruik van het agrarisch of natuurgebied met al dan niet aangelegde en aanwezige voorzieningen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruime, zoals wandel-, ruiter- en fietspaden, vis- en picknickplaatsen;
een mestbassin uitgevoerd als een met folie beklede grondput met of zonder omdijking;
gastouderopvang als bedoeld in de Wet kinderopvang;
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
het gebruiken, doen gebruiken en/of laten gebruiken;
een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
een woning die gesplitst is in overeenstemming met de "Kaderstellende beleidsnotitie woningsplitsing bij inwoning" (datum vaststelling college 23 januari 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s). Daarbij is sprake van één woning (één hoofdgebouw met bijbehorende bouwwerken) die mag worden bewoond door meer dan één huishouden;
een geurgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
een agrarisch bedrijf, dat is gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen met gebruikmaking van kassen;
een (deel van een) gebouw dat blijvend bestemd is voor recreatief nachtverblijf door groepen, waarbij overnacht wordt in slaapzalen en/of slaapkamers, er is een afzonderlijke ruimte voor dagactiviteiten, ook zijn er keuken- en sanitaire voorzieningen die gemeenschappelijk door de groep worden gebruikt;
grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 4.1274, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
detailhandel - niet zijnde detailhandel in de branchegroepen dagelijkse goederen of mode en luxe artikelen - met een zeer groot winkelvloeroppervlak en met een assortiment van goederen die qua aard en omvang op zichzelf passend zijn binnen een kernwinkelgebied, maar die aantoonbaar vanwege de omvang van het assortiment van de winkelformule een zeer groot winkeloppervlak nodig hebben (waaronder detailhandel in auto's, boten, caravans, tuininrichtingsartikelen, grove bouwmaterialen, keukens en sanitair);
het houden van minder landbouwhuisdieren dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren;
gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten voor die activiteit het belangrijkst is;
een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat naar constructie en inrichting geschikt is voor de permanente huisvesting van één persoon, een gezin of een hiermee gelijk te stellen groep personen;
een installatie voor het schakelen van hoogspanningsverbindingen en/of het transformeren van elektrische energie en/of het regelen en meten ten behoeve van het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van het hoogspanningsnet.
een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt;
een horecabedrijf, waar in hoofdzaak maaltijden worden verstrekt en waar doorgaans geen overlast voor het leefklimaat wordt veroorzaakt, zoals restaurants, hotels en pensions en een horecabedrijf dat vooral is gericht op het overdag en 's avonds verstrekken van in hoofdzaak alcoholvrije dranken en eenvoudige etenswaren, zoals ijssalons, croissanterieën, lunchrooms en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen horecabedrijven;
een horecabedrijf, waar meestal in hoofdzaak alcoholische dranken worden verstrekt, en/of waarvan de exploitatie doorgaans overlast voor het leefklimaat kan veroorzaken en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt, zoals cafés, bars, snackbars en cafetaria's;
een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse waarbij het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dansen wezenlijke onderdelen vormen, zoals discotheken, dancings en nachtclubs;
een bedrijf, gericht op de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen en groen, met gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend;
persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen;
persoon die zorg of andere specifieke hulp nodig heeft die onder andere ter plaatse van de zorgwoning kan worden verleend en waarvan de behoefte aan deze specifieke zorg of hulp met een verklaring van een arts, een zorgverlenende organisatie die is verbonden aan de zorgwoning of een andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;
specifieke vorm van detailhandel, waarbij de transactie via internet (of postorder) tot stand komt en waarbij afhalen, tonen en afrekenen van goederen niet ter plaatse gebeurt;
gebieden zoals genoemd in provinciale verordening en op de kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 zijn aangegeven;
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
het bedrijfsmatig verhuren van een kamer in een woonhuis, waarbij de kamer niet als zelfstandige wooneenheid kan worden aangemerkt en zoals dit tot uitdrukking komt in de afwezigheid van een zelfstandige entree, keuken of sanitaire voorzieningen;
voorzieningen binnen al of niet voormalige agrarische bebouwing, bedoeld voor recreatief nachtverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;
een onderkomen dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatief nachtverblijf, maar zonder een met de grond verbonden constructie en zonder een plaatsgebonden karakter, zoals bijvoorbeeld een tent, vouwwagen, toercaravan of camper;
een terrein ingericht voor recreatief verblijf in kampeermiddelen en stacaravans; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;
een ruimte of bij elkaar behorende ruimten, welke bestemd is of zijn om voornamelijk te worden gebruikt voor administratieve werkzaamheden en naar de aard daarmee gelijk te stellen vormen;
dienstverlening waarbij de bewoner van een woning tegen betaling kap/knipwerkzaamheden ter plaatse verricht, eventueel met aanverwante activiteiten;
een gebouw met overwegend transparante, lichtdoorlatende afdekking en wanden, bedoeld voor het kweken en telen van gewassen;
het tegen vergoeding aanbieden van verzorging, onderdak en begeleiding aan minderjarigen door anderen dan de eigen ouders, pleeg- of stiefouders bestaande uit de gelijktijdige opvang van meer dan zes kinderen;
kamperen in de vorm van recreatief medegebruik op een kampeerterrein geschikt voor een beperkt aantal kampeermiddelen;
het bedrijfs- of beroepsmatig leveren van diensten of producten, waaronder het houden van kantoor aan huis, dat door zijn beperkte omvang en ruimtelijke uitstraling naar de (directe) woonomgeving in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;
energie die gewonnen wordt uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, waarbij weinig tot geen schadelijke milieugevolgen optreden bij winning en omzetting en die in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar is, zoals zon, wind, water, biomassa, aard- en omgevingswarmte;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
een aanzienlijk woonhuis van allure, dat één woning omvat;
gebouwen die door de verschijningsvorm zoals blijkend uit goothoogte, nokhoogte, materiaalgebruik, bouwmassa en/of silhouet, visueel storend zijn in het landschapsbeeld; voor het gebied karakteristieke en cultuurhistorisch waardevolle gebouwen vallen hier niet onder;
een bedrijf – geen agrarisch bedrijf zijnde - dat uitsluitend of in overwegende mate is gericht op het verrichten van werkzaamheden voor en/of de levering van diensten aan agrarische bedrijven;
voorzieningen ter zake van religie, verenigingsleven, cultuur, onderwijs, opvoeding, recreatie, gezondheidszorg, ouderenzorg of zorg voor andere doelgroepen en andere openbare en bijzondere voorzieningen en dienstverlening;
een bedrijf gericht op het geven, dan wel faciliteren van paardensportinstructie, en het geven van gelegenheid tot het (recreatief) houden en/of berijden van paarden, al dan niet in combinatie met ondergeschikte horeca-activiteiten en/of andere (hippische) evenementen;
intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;
kamperen in de vorm van recreatief medegebruik op een kampeerterrein geschikt voor een beperkt aantal kampeermiddelen;
voor publiek toegankelijke tuinen, ter bezichtiging of bestudering;
voertuigen voorzien van een motor bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen;
een tuin met bijbehorende voorzieningen die vanuit een educatieve doelstelling toegankelijk is voor publiek en tevens gebruikt kan worden voor activiteiten zoals leer-werkstages en workshops;
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
een activiteit die in ruimtelijk en functioneel opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de volgens de gebruiksregels toegestane hoofdfunctie op het perceel;
voorzieningen ten behoeve van het distributienet, het telecommunicatieverkeer, de afval- en grondstoffeninzameling, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer;
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet;
een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar- of voertuig, ark of caravan, voor zover dat of die niet als een bouwwerk is aan te merken, alsook een tent;
het gebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het gebouw verleende vergunning, is opgeleverd;
weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, en pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;
een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid;
archeologische maatregel waarbij een aangetroffen en gewaardeerde vindplaats ex situ wordt behouden;
het opslaan of opgeslagen hebben van goederen en materialen, niet zijnde tijdelijke opslag;
de locatie waar het ondergrondse deel van een hoogspanningsverbinding boven de grond komt en naar het bovengrondse deel van een hoogspanningsverbinding wordt geleid door een installatie;
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat dient ter overdekking en niet, of slechts met één wand is omgeven;
een onverhard en omheind terrein, niet overdekt en met een andere ondergrond dan gras, ingericht voor het africhten, trainen en berijden van paarden en pony's en het op een andere manier beoefenen van de paardensport;
parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens;
een plan van aanpak waarin kort en krachtig wordt vastgelegd op welke manier participatie wordt toegepast bij een wijziging van het omgevingsplan;
hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt;
bewoning van een ruimte als hoofdverblijf, waarbij door betrokkene(n) niet aannemelijk is of kan worden gemaakt dat elders daadwerkelijk over een hoofdverblijf wordt beschikt;
eenvoudige, uit hout en heideplaggen opgetrokken hut;
een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten en trainen en verhandelen van paarden;
een hulpverlener die, al dan niet als werknemer, activiteiten verricht voor een zorgverlenende organisatie of hulpbehoevende die is gericht op het verlenen van zorg of hulp aan hulpbehoevenden;
een persoon die zich als hobbyist bezighoudt met experimenteren op het gebied van het uitzenden en ontvangen van radio- en/of televisiesignalen;
een gebouw, uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief nachtverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die hun hoofdverblijf elders hebben; onder recreatief verblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;
een gebouw, niet zijnde een stacaravan, chalet, trekkershut of plaggenhut, uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief verblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die hun hoofdverblijf elders hebben; onder recreatief verblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;
een gebouw uitsluitend bestemd voor het africhten van paarden en pony's, ten dienste van en behorende bij een manege of productiegerichte paardenhouderij;
langs een weg waar bestaande bebouwing is gesitueerd: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn die zoveel mogelijk aansluit aan de ligging van de naar de weg gekeerde gevels van de bestaande bebouwing;
langs een weg waarlangs geen bestaande bebouwing als onder a bedoeld is gesitueerd en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 m, de lijn gelegen op 15 m uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 m, de lijn gelegen op 10 m uit de as van de weg;
het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is;
een plan dat beschrijft op welke wijze het erf landschappelijk gezien is ingepast in zijn omgeving, hoe de sterke gebiedskenmerken worden doorvertaald in de inrichting van het erf en hoe de nieuwe ontwikkeling op het erf en waar nodig compenserende maatregelen elders, in overeenstemming met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving;
een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen, waaronder inbegrepen kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang;
een advies van een daartoe aangewezen instelling dat schriftelijk is verstrekt, waaronder in ieder geval wordt verstaan een e-mail, brief of via het samenwerkingsportaal of zaaksysteem van de gemeente Hardenberg;
een gebouw met maximaal drie gesloten wanden, dat dient voor de beschutting van, al dan niet hobbymatig gehouden, dieren tegen weersinvloeden en ook voor de opslag van het voor deze dieren bestemde voer;
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan; een seksbioscoop, een seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
een voorziening bestemd voor vermaak of ontspanning waarbij uitsluitend van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt;
een ontmoetingscentrum met als doel het versterken van het innerlijke geestesleven;
activiteiten gebaseerd op lichamelijke beweging en/of denkvermogen, met inbegrip van voorzieningen ten behoeve van de uitoefening van deze activiteiten;
een bedrijf gericht op het bedrijfsmatig voorzien in sport;
bouwwerk voor recreatief nachtverblijf bestaande uit één bouwlaag uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief verblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders hebben. Een stacaravan heeft geen vaste verankering in de grond en moet over de weg als één deel te verplaatsen zijn;
door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke deskundige die aan het bevoegd gezag advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van dat bouwwerk is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand;
(binnen)opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven zoals (seizoen)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf;
gebouwen voor het houden van landbouwhuisdieren, installaties voor het bewerken of vergisten van mest en/of biomassa, mestplaten en mestsilo's.
producten die zijn voortgebracht op ambachtelijke wijze op agrarische bedrijven;
een detailhandelsbedrijf dat zich in hoofdzaak richt op het verkopen van voedings- en genotmiddelen en dagelijkse levensbenodigdheden in een algemeen assortiment, in de vorm van een zelfbedieningszaak;
een voor de bedrijfsvoering benodigde installatie;
een verplaatsbare constructie, overtrokken met transparant materiaal anders dan glas, voor het kweken of beschermen van gewassen, uitsluitend aanwezig tijdens het teeltseizoen;
een eenvoudige vrijstaande blokhut, bestaande uit één bouwlaag, zonder of met beperkte sanitaire voorzieningen, welke uitsluitend gebruikt wordt voor kortdurend verblijf door wisselende groepen van recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben;
het bedrijfsmatig telen en kweken van groenten, bomen, heesters, struiken, planten en bloemen of tuinbouwzaden, in de volle grond, al dan niet gecombineerd met, als ondergeschikte nevenactiviteit, de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten;
een detailhandelsvestiging met daarbij behorende kwekerij in kwekerijproducten, zoals bomen, kamer- en andere planten, bollen en bloemen, en ook in artikelen voor tuinaanleg, -inrichting en -onderhoud en dierbenodigdheden voor huisdieren;
agrarisch bedrijf dat milieubelastende activiteiten verricht bedoeld in artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving (exploiteren van een IPPC-installatie voor het houden van pluimvee of varkens) of milieubelastende activiteiten bedoeld in artikel 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving (exploiteren van een andere milieubelastende installatie), voor zover die activiteiten worden verricht in een dierenverblijf;
de netto vloeroppervlakte van een ruimte of gebouw gemeten op vloerniveau tussen de bouwmuren;
de netto vloeroppervlakte van een ruimte of gebouw gemeten op vloerniveau tussen de bouwmuren;
voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
een voor het publiek toegankelijk park waar diverse vogelsoorten en enkele andere diersoorten worden gehouden, gehuisvest, verzorgd en getoond met bijbehorende voorzieningen en horeca uitsluitend ten behoeve van het vogelpark;
complex van meer dan één volkstuinkavels;
een niet bij de eigen woning gelegen perceel grond voor het hobbymatig kweken en telen van gewassen, alleen bedoeld voor de eigen consumptie en gebruik;
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meerdere zodanige gevels, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;
de lijn die horizontaal loopt door het buitenwerks vlak van de voorgevel van het hoofdgebouw dat het dichtst bij het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied is gelegen, tot aan de perceelsgrenzen;
een pand dat oorspronkelijk is gebouwd om dienst te doen als woning bij een agrarisch bedrijf, met aangebouwde bedrijfsruimte;
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit.
een voor de waterbeheersing bestemde geul die meestal permanent water bevat zoals een rivier, kanaal, beek, sloot of gracht.
de hoogte (het niveau) van de waterspiegel gemeten naar NAP op het moment van aanvraag om een vergunning of functiewijziging. Dit kan betrekking hebben op zowel oppervlaktewater als grondwater;
hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan;
een straat, plein, terrein of zone.
openbare wegen voor doorgaand verkeer met bijbehorende parkeerstroken, opstelstroken, fiets- en voetpaden, bermen en bermsloten, bruggen en duikers en andere bijbehorende (verkeers)voorzieningen;
een door de wind aangedreven bouwwerk waarmee energie wordt opgewekt, met inbegrip van de bij dit bouwwerk behorende (infrastructurele) voorzieningen;
activiteit inhoudende de bewoning van een woning;
een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;
complex bestaande uit woonzorgeenheden met zorg- en welzijnsvoorzieningen gericht op 24-uurszorg/begeleiding en waarbij tevens ter ondersteuning daarvan kantoren en kleinschalige, ondergeschikte detailhandel en/of horeca kunnen voorkomen;
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, bijvoorbeeld in de vorm van bank- en verzekeringsdiensten, exploitatie van en handel in onroerende zaken, adviesbureaus, verhuurbedrijven en hulpdiensten;
een bedrijfsmatige activiteit die uitsluitend of in overwegende mate is gericht op het winnen, opslaan, overslaan, bewerken, verwerken en handel van zand;
collectoren voor warmteopwekking of een paneel voor electriciteitsopwekking;
een zorgfunctie waarbij de sociaal-medische opvang van personen, al dan niet in de vorm van het ter plaatse woonachtig zijn, en al dan niet gecombineerd wordt met agrarische activiteiten, in dié zin dat de personen behulpzaam zijn bij de agrarische of natuurbeherende activiteiten;
complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één of meerdere personen van een specifieke doelgroep die zorg nodig heeft;
ZZZZ
Het opschrift van toelichting wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAA
Voor artikelgewijzetoelichting wordt een algemenetoelichting ingevoegd, luidende:
De gemeente Hardenberg is in het Omgevingsplan Hardenberg uitgegaan van uitnodigingsplanologie: een omgevingsplan dat richting geeft aan initiatieven met vermindering van het aantal procedures en vergunningen. De gemeente Hardenberg bouwt daarbij flexibiliteit in: zoveel mogelijk globale regels en dereguleren waar dat mogelijk is. Het omgevingsplan biedt daarbij afwegingsruimte (meer beoordelingsruimte) bij de ontwikkeling van initiatieven. Het blijft echter een maatschappelijke taak om het belang van een goede omgevingskwaliteit te waarborgen. Uitnodigingsplanologie behoort ook te zorgen voor een veilige, gezonde en ook duurzame leefomgeving. Bovendien moet het omgevingsplan voldoende rechtszekerheid bieden zodat burgers en bedrijven op de gemeente Hardenberg kunnen bouwen. De gemeente Hardenberg weegt dus per situatie (thema of gebied) af of het stellen van regels noodzakelijk is (afhankelijk van de belangen die met de regels zijn gediend).
Sturingsfilosofie = met een goede balans tussen flexibiliteit en rechtszekerheid door maatwerk zorgdragen voor een goede omgevingskwaliteit
Er is sprake van een actueel tijdelijk omgevingsplan voor het buitengebied en alle kernen. Hierbij is de afgelopen jaren nadrukkelijk gekozen voor een gebiedsgerichte aanpak. Ten grondslag hieraan liggen de Landschap IdentiteitsKaarten (LIK’s) in het buitengebied. Hardenberg kiest waar mogelijk niet voor gedetailleerde regels op perceel niveau, maar voor een gebiedsvisie. In het buitengebied heeft de gemeente Hardenberg het dan over open landschappen (open heide- en veenontginningen), besloten landschappen (besloten heide- en veenontginningen), kwetsbare landschappen (essen- en hoevenlandschap en beekdalen) en landgoederen. De kernen worden gezien als het stedelijke gebied. De gebiedsgerichte benadering past bij de sturingsfilosofie voor het Omgevingsplan Hardenberg, omdat:
dit voor inwoners en bedrijven “gebruiksvriendelijk” is;
dit voor de gemeente “behapbaar” is;
dit aansluit bij de bestaande actuele plannen, die goed ingebed zijn en in de praktijk functioneren;
hiermee de ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied, via de LIK’s gewaarborgd kan worden;
hiermee bestaande rechten kunnen worden beschermd;
hiermee ongewenste situaties gemakkelijk kunnen transformeren naar gewenste situaties.
Deze gebiedsgerichte benadering draagt bij aan het doel van het omgevingsplan om de fysieke kwaliteiten en waarden van de verschillende gebieden in de gemeente te bewaren en te versterken. Binnen deze gebiedsgerichte aanpak is het grondgebied van de gemeente ingedeeld in gebieden met elk hun eigen kenmerken, waarden en doelstellingen. Per gebied is bekeken welke regeling daarvoor het meest passend is. Dit leidt tot lokaal maatwerk en dat is precies het gedachtegoed van de Omgevingswet.
Het Omgevingsplan Hardenberg heeft op basis van de hier boven beschreven gebiedsindeling structuur gekregen; elk gebiedstype vormt als deelgebied van het ambtelijk grondgebied een apart hoofdstuk.
Per gebiedstype zijn vervolgens de daar logischerwijs voorkomende functies als afdelingen in het hoofdstuk opgenomen. Dit zodat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie artikel 4.2 van de Omgevingswet). Een functie is: een gebruiksdoel dat, of de status (in de betekenis van bijzondere eigenschap) die een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft. Het gaat dus om een (meer) continu gebruik (het ‘zijn’). Kenmerkend voor deze functies is dat deze locatiegebonden zijn en daarmee de gebiedsgerichte benadering nader inkleuren. Voor deze functie zijn in de eerste paragraaf algemene bepalingen opgenomen.
Vervolgens zijn per functie regels gesteld aan de activiteiten die passend zijn binnen die functie. Het gaat om activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving conform artikel 4.1 van de Omgevingswet. Een activiteit is: ieder menselijk handelen waarbij, of ieder menselijk nalaten waardoor een verandering of gevolg in de fysieke leefomgeving wordt of kan worden bewerkstelligd. Het gaat dus om een menselijke actie of nalaten daarvan met gevolgen voor de fysieke leefomgeving (het ‘doen’). Daarbij is een onderverdeling gemaakt in paragrafen met de volgende type activiteiten:
PM FIGUUR
Per type activiteit is in subparagrafen bepaald hoe de activiteiten meer in detail zijn geregeld:
of ze rechtstreeks zijn toegestaan en welke algemene regels daarvoor gelden;
of ze meldingsplichtig zijn, onder welke algemene regels en welke indieningsvereisten daarvoor gelden;
of ze vergunningplichtig zijn, welke aanvraagvereisten daarvoor gelden en welke beoordelingsregels; en
of ze verboden zijn.
Daarnaast is er een hoofdstuk (hoofdstuk 7) dat de algemeen voorkomende functies en andere gebiedsaanwijzingen, onafhankelijk van het gebiedstype regelt. Kenmerkend voor deze regels is dat deze veelal niet locatiegebonden zijn maar gemeentebreed gelden (met eventueel een differentiatie naar stedelijk gebied/buitengebied of openbaar gebied/niet openbaar gebied). Ook daar is dezelfde structuur gehanteerd in paragrafen en subparagrafen als in de gebiedstype-hoofdstukken. Ook is er een hoofdstuk (hoofdstuk 8) dat in zijn algemeenheid (en dus niet gebiedsgericht) regels stelt aan activiteiten voor het ambtelijk grondgebied. Daarna volgt een hoofdstuk waarin de algemene procesregels (hoofdstuk 9) zijn of worden opgenomen. Dit kan gaan om onderwerpen als: rangorde, normadressaat, algemene bevoegdheid stellen maatwerk- en vergunningvoorschriften, algemene indienings/aanvraagvereisten, gelijkwaardigheid, algemene weigeringsgronden of beoordelingsregels, ad-vies, kostenverhaal, voorbescherming, participatie, handhaving en monitoring. Vervolgens is er een hoofdstuk met overgangs- en slotbepalingen (hoofdstuk 9) opgenomen. Alle hoofdstukken, afdelingen, paragrafen, artikelen, etc. zijn opgebouwd op basis van een uniforme redactie.
Van rechtswege maakt de bruidsschat als hoofdstuk 22 onderdeel uit van de opbouw van het omgevingsplan. Dit totdat de gemeente deze regels vervolgens naar eigen inzichten heeft laten vervallen of (eventueel aangepast) verplaatst naar andere hoofdstukken. De tussenliggende hoofdstukken staan daarom gereserveerd.
Het bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg en de bestemmingsplannen voor de kernen vormden bij inwerkingtreding van de Omgevingswet het actuele tijdelijke omgevingsplan waarin met standaardisering van regels reeds sprake was van een eenduidige systematiek. Deze plannen hebben als grondlegger gediend voor de regeling van de toekomstige functies in het Omgevingsplan Hardenberg. Daarbij is uitgegaan van onderstaande ‘omkat’-tabel voor het consequent omzetten van de huidige bestemmingen in functies en bijbehorende activiteiten.
Was (bestemmingsplan): structuur bestemmingsplan (o.b.v. SVBP2012) | Wordt (omgevingsplan): structuur functie (o.b.v. pilot Balkbrug) |
- | Oogmerk |
Bestemmingsomschrijving | Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten |
Bouwregels | Vaste beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten |
Nadere eisen | N.v.t. |
Afwijken van de bouwregels | Beoordelingsregels met nadere beoordelingsruimte vergunningplichtige bouwactiviteiten |
Specifieke gebruiksregels | Strijdig gebruik = aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten Overig: algemene regels toegestane gebruiksactiviteiten |
Afwijken van de gebruiksregels | Aanwijzing en beoordelingsregels vergunningplichtige gebruiksactiviteiten |
Aanlegvergunningstelsel | Aanwijzing en beoordelingsregels vergunningverplichtige aanlegactiviteiten |
Wijzigingsbevoegdheid | Delegatiebesluit |
Voor de begrippen is zoveel als mogelijk aansluiting gezocht te worden bij de Stelselcatalogus Omgevingswet. Daarnaast worden er per domein begrippen beschreven.
Om tot een eenduidig consequent Omgevingsplan Hardenberg te komen, is bij de keuze van de toe te passen waardenlijsten de volgende volgorde aangehouden:
Gezien de gebiedsgerichte benadering van het Omgevingsplan Hardenberg is bij het opbouwen van de regels en het annoteren daarvan als eerste aansluiting gezocht bij de waardenlijst voor het Gebiedsaanwijzingtype Ruimtelijkgebruik. Deze waardenlijst bestaat namelijk uit verschillende gebiedstypen en is met name van toepassing op de hoofdstukstructuur op basis van deelgebieden in het Omgevingsplan Hardenberg.
Per deelgebied zijn vervolgens de daar logischerwijs voorkomende functies bepaald (continu gebruik: ‘zijn’). Daarvoor is een keuze gemaakt uit de verschillende Functiegroepen binnen de Gebiedsaanwijzigingtype Functie. Indien bepaalde regels niet passen binnen de Functiegroepen, dan is gebruik worden gemaakt van de overige Gebiedsaanwijzingtypen. De keuze welk type is maatwerk.
Per functie zijn regels gesteld aan de type activiteiten (gebruik, bouwen en overig) die passend zijn bij die functie. Daarvoor is een keuze gemaakt uit de Activiteitengroep. De type activiteiten betreffen de bovenliggende activiteiten in de functionele structuur waarvoor een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan worden ingediend (indien er een vergunningplicht geldt). Daarvoor is de volgende keuze gemaakt uit de Activiteitengroep van de waardenlijst IMOW:
De onderliggende gebruiksactiviteiten zijn vervolgens geannoteerd met de Activiteitengroep van de waardenlijst IMOW die het meest overeenkomt met de functie waarbinnen de activiteit plaatsvindt en de bij die functie behorende locatie. Daarnaast is de activiteitregelkwalificatie van de betreffende subparagraaf van toepassing. Waar nodig in het kader van dienstverlening is deze annotatie bovendien aangevuld met een extra specifieke activiteit (met eventuele specifieke locatie). De annotatie van de onderliggende activiteiten vormt de functionele structuur voor de vragenbomen in de vergunningcheck.
PM FIGUUR
Ook is er een hoofdstuk (hoofdstuk 8) dat in zijn algemeenheid (en dus niet gebiedsgericht) regels stelt aan activiteiten. Daarvoor is ook een keuze gemaakt uit de Activiteitengroep.
Om de meest basale filters in het Omgevingsloket van het DSO te kunnen gebruiken en de functionele structuur te ontwikkelen voor toepasbare regels, is bij elke wijziging van het omgevingsplan voldaan aan een basisniveau van annoteren. Dat behelst in ieder geval het consequent en gestructureerd op artikelniveau annoteren van:
functies (en eventuele andere gebiedsaanwijzingen) met hun locatie;
activiteiten met activiteitregelkwalificatie (toegestaan, meldingsplicht, vergunningplicht, verbod, etc.) en de locatie.
Indien ook andere onderdelen – zoals bijvoorbeeld omgevingsnormen – zijn geannoteerd, is ook dit consequent en gestructureerd gedaan.
BBBBB
Het opschrift van artikelgewijzetoelichting wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCC
Voor sectie 22 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
De doelstellingen onder 1.a t/m 1.k, en 1.o t/m 1.s zijn gebaseerd op de omgevingsvisie van de gemeente Hardenberg. De doelstellingen onder 1.l t/m 1.n zijn gebaseerd op de Bedrijventerreinenvisie gemeente Hardenberg (mei 2010).
Lid 2: De geluidbelasting op een bestaande bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 60 Lden en 50 Lnight en op een nieuw te realiseren bedrijfswoning 55 Lden en 45 Lnight (maximale grenswaarde o.b.v. art. 5.78v en 5.78u van het Bkl).
Lid 3: Op bestaande bedrijventerreinen zijn zonnepanelen op de grond toegestaan. Dit omdat het constructief niet altijd mogelijk is op het dak zonnepanelen te realiseren en de gemeente de energietransitie wil stimuleren. Bij nieuwe bedrijventerrein kunnen bedrijven hier op voorhand op voorsorteren. Vanwege de werkvoorziening wil de gemeente Hardenberg hier geen gronden opofferen aan zonnepanelen en dus alleen op het dak toestaan (m.u.v. bestaande situaties).
Voor de voorheen meldingsplichtige milieuactiviteiten zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit geldt over het algemeen op basis van de bruidsschat in hoofdstuk 22 een informatieplicht. Op basis van artikel 22.48 kan het college verzoeken om nadere gegevens die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan toereikend zijn. Voor de voorheen overige meldingsplichtige en vergunningplichtige milieuactiviteiten zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit geldt over het algemeen op basis van het Besluit activiteiten leefomgeving al een meldings- of vergunningplicht. Op grond van artikel 8.9 Besluit kwaliteit leefomgeving wordt bij de beoordeling van een dergelijke vergunningaanvraag rekening gehouden met het omgevingsplan voor wat betreft o.a. emissies. Ook kan het college op basis van artikel 2.20 Besluit activiteiten leefomgeving verzoeken om nadere gegevens die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan toereikend zijn.
Op basis van artikel 5.51 Besluit kwaliteit leefomgeving moeten in het omgevingsplan alleen eisen gesteld aan de luchtkwaliteit als het gaat om activiteiten binnen bepaalde aandachtsgebieden. De gemeente Hardenberg heeft dergelijke aandachtsgebieden niet. In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden verder al gericht regels gesteld aan milieubelastende activiteiten met het oog op de verontreiniging van lucht. De luchtkwaliteit is daarmee aanvaardbaar.
Onder a en b: Dit betreft een vervanging van milieucategorie 1 t/m 4 in gemengd gebied uit VNG Brochure Bedrijven en milieuzonering op basis van de staalkaart van de VNG voor geluid en geur op bedrijventerreinen. Daarbij wordt ook voldaan aan artikel 5.92 Besluit kwaliteit leefomgeving dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
Er geldt op basis van bijlage VII Bkl (zonder ondergrens) een PR-contour als waterstof wordt aangevoerd via buisleiding of ter plekke geproduceerd van 30 meter. Bij een vulpunt is deze 35 meter als de waterstof wordt aangevoerd met tanks. Het brandaandachtsgebied is 55 meter.
Onder b: Dit is gebaseerd op artikel 5.39 en 5.40 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Onder c: Dit betreft de grenswaarde voor geluid op basis van artikel 5.66 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Onder d: Op basis van artikel 5.92 Besluit kwaliteit leefomgeving moet de geur door een activiteit op een gevoelig gebouw aanvaardbaar zijn.
Onder e: Op basis van artikel 5.83 Besluit kwaliteit leefomgeving moet de trilling door een activiteit op een trillinggevoelige ruimte aanvaardbaar zijn. De grenswaarden zijn opgenomen in artikel 5.87 en 5.87a Besluit kwaliteit leefomgeving.
Deze beoordelingsregels zijn gebaseerd op de bouwregels (inclusief binnenplanse afwijkmogelijkheden) van de voorheen geldende bestemmingsplannen. Er is meer flexibiliteit ingebouwd zodat ruimte ontstaat om meer bouwactiviteiten toe te staan. Dit op basis van de voormalige kruimelgevallenregeling en naar eigen inzichten kijkend naar vergunningaanvragen.
Op grond van artikel 5.78f van het Bkl moeten in het omgevingsplan regels worden opgenomen die borgen dat aan de geluidproductieplafonds wordt voldaan. Dit betekent dat deze planregel(s) ervoor moeten zorgen dat de geluidbelasting door alle milieubelastende activiteiten op het industrieterrein gezamenlijk de waarde van het gpp op het geluidreferentiepunt niet overschrijdt. Om deze regel handhaafbaar te maken, moet deze van toepassing zijn op een duidelijke normadressaat. Deze normadressaat zou voor de milieubelastende activiteiten die op het industrieterrein worden uitgeoefend, idealiter de ‘drijver van de inrichting’ of ‘degene die de activiteiten binnen de inrichting uitoefent’ moeten zijn zoals we deze onder het oude recht kende. Met het in werking treden is het juridische begrip ‘inrichting’ echter komen te vervallen. Daarom wordt in dit omgevingsplan voor deze regel gebruik gemaakt van de definitie ‘degene die de milieubelastende activiteiten, die in onderlinge samenhang worden uitgeoefend, verricht’ gebruikt als definitie van de normadressaat.
Op grond van artikel 5.78f van het Bkl moeten in het omgevingsplan regels worden opgenomen die borgen dat aan de geluidproductieplafonds wordt voldaan. Dit betekent dat deze planregel(s) ervoor moeten zorgen dat de geluidbelasting door alle milieubelastende activiteiten op het industrieterrein gezamenlijk de waarde van het gpp op het geluidreferentiepunt niet overschrijdt. De regel is in lid 1 geformuleerd als voorrangsbepaling, om deze in de plaats te laten treden van de gebruiksregels die zijn opgenomen in de voormalige bestemmingsplannen die gezamenlijk het tijdelijke deel voor het industrieterrein Rollepaal oud vormen. Voor het industrieterrein Rollepaal nieuw wordt het omgevingsplan integraal gewijzigd en hoeft deze regel dus niet als voorrangsbepaling te worden geformuleerd. Op dit deelgebied is lid 2 van toepassing, waarvoor het werkingsgebied is beperkt tot het deel Rollepaal nieuw.
Naast de normadressaat moet het geluidproductieplafond worden uitgewerkt naar een geluidquotum dat binnen het geluidproductieplafond beschikbaar wordt gesteld voor het in werking zijn van de ‘inrichting’ zoals dit onder het oude recht wordt geduid. In deze wijziging van het omgevingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een geluidverkaveling. Het grondgebied van het industrieterrein Rollepaal is verdeeld in kleinere geografisch begrensde gebieden, waaraan een individueel geluidquotum is toegekend. Deze geluidquota zijn opgenomen in de omgevingsnorm ‘geluidgeluidverkaveling industrieterrein Rollepaal (dB(A))’. In bijlage x bij de regels wordt uitgelegd op welke manier de milieubelastende activiteiten van een bedrijf worden uitgedrukt in het aantal decibellen die per vierkante meter worden uitgestoten. Dit is namelijk niet beschreven in de rekenregels die zijn opgenomen in de bijlagen bij de Omgevingsregeling.
Toepassing voorrangsbepaling: Artikel 22.6 lid 1 Omgevingswet maakt het niet mogelijk om per locatie een deel van de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan te laten vervallen. Dat betekent dat het niet mogelijk is een deel van de regels bij besluit uit de regeling te schrappen of in te trekken. Wel kunnen - in de vorm van zogenoemde voorrangsregels - als onderdeel van het nieuwe deel van het omgevingsplan regels worden gesteld waarmee (ook als het gaat om een specifieke locatie) in afwijking van de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan, nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden worden geboden. Ook kunnen bouw- en gebruiksmogelijkheden die op grond van regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn toegestaan, aan nadere regels worden onderworpen of zelfs geheel verboden worden verklaard. Met dergelijke juridische oplossingen kunnen nieuwe of afwijkende bouw- en gebruiksmogelijkheden worden geboden of toegelaten bouw- en gebruiksmogelijkheden worden ingeperkt. De regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan komen in deze constructie niet te vervallen en blijven ook raadpleegbaar. Dit volgt uit de tekst die is opgenomen in de MvT bij de Verzamelwet Omgevingswet 2023.
Dit artikel heeft als doel om de gemeente op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een industrieterrein. De gegevens zijn nodig voor het beoordelen of activiteiten op het industrieterrein voldoen aan de regels in het omgevingsplan. De verplichting om deze gegevens aan te leveren zijn in dit artikel opgenomen. Er is qua formulering grotendeels aangesloten op artikel 22.61a van dit omgevingsplan. Om onduidelijkheden te voorkomen is het verstandig om de locatie van artikel 22.61a aan te passen, zodat dit artikel in de bruidsschat niet meer van toepassing is op de locatie waar de oude zone op grond van de Wet geluidhinder is omgezet naar gpp’s zoal bedoeld in artikel 3.33 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
DDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van artikelArtikel 1.1, eerste lid lid 1, van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in de artikelenArtikel 22.28 lid 122.28en Artikel 22.28 lid 2, eerste en tweede lidArtikel 22.38, 22.38Artikel 22.287, 22.287Artikel 22.288, 22.288, 22.290 totArtikel 22.290 en met 22.293 en 22.295Artikel 22.295.
De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.
Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»).
Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.
Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van de Artikel 22.28, Artikel 22.38, Artikel 22.276, Artikel 22.277, Artikel 22.279 en Artikel 22.284 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 22.2 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in Artikel 22.2 lid 1. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in Artikel 22.2 lid 2), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.
EEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in Artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B «Hinder voor personen» van de Stichting Bouwresearch.
De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van Artikel 22.1 lid 2 van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen «geluidgevoelige ruimten» en «verblijfsruimten», bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen «trillinggevoelige gebouwen» en «trillinggevoelige ruimten». Deze gelden op grond van artikelArtikel 1.1, eerste lidlid 1, van dit omgevingsplan.
Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.
FFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf gaat over beginnen, wijzigen of uitbreiden van het houden in een dierenverblijf van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.
Paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden zijn specifiek benoemd omdat deze niet vallen onder het begrip landbouwhuisdieren in het Bal. Het begrip landbouwhuisdieren in het Bal is op grond van artikelArtikel 1.1 van dit omgevingsplan van toepassing op dit omgevingsplan.
Het gaat in deze paragraaf dus om:
landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Bal, zijnde:
zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken; en
paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.
Bovenstaande komt overeen met het begrip landbouwhuisdier uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten vallen wel onder Paragraaf 22.3.25. Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren of andere vogels of zoogdieren.
GGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.
In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in I BIJ ARTIKEL 1.1 VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGENBijlage I bij dit omgevingsplan.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in Artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.
HHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van I BIJ ARTIKEL 1.1 VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGENBijlage I.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
IIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikelArtikel 22.27922.279 is een beoordelingsregel opgenomen voor in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen verbodsbepalingen om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten. Onder «sloopactiviteit» moet op grond van de bijlage bij de Omgevingswet «het slopen van een bouwwerk» worden verstaan. Deze begripsbepaling is op grond van artikelArtikel 1.1 van dit omgevingsplan ook van toepassing op hoofdstukHoofdstuk 2222 van dit plan. De vergunningenstelsels voor de hier bedoelde sloopactiviteiten konden op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening in onder meer bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen zijn opgenomen. In het nieuwe stelsel zijn deze regelingen onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De beoordelingsregel voor deze in ruimtelijke regelingen opgenomen sloopvergunningenstelsels was opgenomen in artikel 2.16 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Ter vervanging van deze bepaling is in artikelArtikel 22.27922.279 in een gelijkluidende beoordelingsregel voorzien. In de nieuwe redactie is er echter rekening mee gehouden dat naast deze (vanuit artikel 2.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht overgehevelde) beoordelingsregel ook nog andere specifieke beoordelingsregels kunnen zijn gesteld in de vergunningenstelsels voor sloopactiviteiten in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de jurisprudentie is de mogelijkheid om in bijvoorbeeld een bestemmingsplan ook nog specifieke beoordelingsregels voor het slopen te stellen bevestigd (verwezen wordt naar ABRvS 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:898, TBR 2014/61). Als dergelijke beoordelingsregels zijn gesteld, blijven deze onverminderd van toepassing en werkt de beoordelingsregel in artikelArtikel 22.27922.279 hierop aanvullend.
/join/id/pubdata/gm0160/2026/aac67f82840441ff86959856e7932378/nld@2026‑06‑30;2
/join/id/pubdata/gm0160/2026/6d257ba3516d4822ab85e974e25a1a78/nld@2026‑06‑30;3
/join/id/pubdata/gm0160/2026/56e43c20ba86421c9e5cc91be832a4eb/nld@2026‑06‑30;2
/join/id/pubdata/gm0160/2026/c3e47e89108c45498d3cb2ab41b0e944/nld@2026‑06‑30;2
/join/id/pubdata/gm0160/2026/b48de3356133400aac324e10dc79b81c/nld@2026‑06‑30;2
/join/id/pubdata/gm0160/2026/b4667919cf4b4a22b80fabfb6c0ea2b1/nld@2026‑06‑30;4
/join/id/pubdata/gm0160/2026/5af8d7442e03400eb8efeb77e6f2f1b9/nld@2026‑06‑30;4
/join/id/pubdata/gm0160/2026/f1de82320e1946b88215b15b3e80d0aa/nld@2026‑06‑30;2
/join/id/pubdata/gm0160/2026/954200894c4e4e6c891e55a74fc2692c/nld@2026‑06‑30;5
/join/id/pubdata/gm0160/2026/c84a3e3d6f734c9ca49876e1bdfa4e3a/nld@2026‑06‑30;2
/join/id/pubdata/gm0160/2026/899d406b9e994982b90698fb76c07d5d/nld@2026‑06‑30;2
/join/id/pubdata/gm0160/2026/800a5fb2da5f43ecbe68765d08b777ca/nld@2026‑06‑30;2
/join/id/pubdata/gm0160/2026/ba7d08866e75497fba3a25631584fad2/nld@2026‑06‑30;2
/join/id/pubdata/gm0160/2026/b79196c6959c410a99ca39bb587a3e1e/nld@2026‑06‑30;2
/join/id/pubdata/gm0160/2026/d9c775e9d49242e38fba44715d87c66b/nld@2026‑06‑30;2
De gemeente Hardenberg heeft het voornemen om het bestaande bedrijventerrein De Rollepaal te Dedemsvaart met circa 21 hectare netto (29 hectare bruto) uit te breiden ten behoeve van de huisvesting van (zwaardere) bedrijven vergelijkbaar met voormalige milieucategorieën tot en met 4.2.
Voor een groot deel van de beoogde uitbreiding (11 - 13 hectare) is al behoefte bekend bij een aantal bestaande lokale bedrijven. Het is voor de gemeente belangrijk om deze partijen voor Hardenberg, en Dedemsvaart in het bijzonder, te behouden. Het resterende deel van de gronden wordt gereserveerd voor andere gegadigden. Voor de uitbreiding van het bedrijventerrein is een stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan opgesteld die als basis dient voor de ruimtelijke procedure.
De gronden ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zijn oorspronkelijk vastgelegd in het geldende bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg (vastgesteld op 2 december 2014). Sinds 1 januari 2024 maakt dit bestemmingsplan van rechtswege integraal deel uit van het tijdelijk deel van het 'Omgevingsplan gemeente Hardenberg'. De beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein past niet binnen de geldende bestemmingen. Dit betekent dat voor de beoogde uitbreiding een wijziging van het omgevingsplan dient te worden opgesteld. Daarbij wordt aangesloten op de hoofdstructuur en systematiek van het in voorbereiding zijnde omgevingsplan gemeente Hardenberg.
Tegelijkertijd met de uitbreiding van het bedrijventerrein met Rollepaal Oost is ook een uitbreiding van de geluidzone - industrie (productieplafond industrielawaai) aan de orde. Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet verandert onder andere het beoordelingskader ten aanzien van industrielawaai. Dit betekent dat niet alleen de uitbreiding van de geluidzone maar ook de bestaande geluidzone moet worden vastgelegd. Dit gebeurt op basis van de nieuwe systematiek zoals opgenomen in de Omgevingswet, namelijk op basis van zogeheten geluidproductieplafonds (gpp industrieterrein: zie verder paragraaf 5.2).
Om dit mogelijk te maken dient het gezoneerde bedrijventerrein Rollepaal in zijn geheel (dus ook het bestaande deel) te worden vastgelegd in de wijzing van het omgevingsplan en wordt de geluidzone vervangen door het nieuwe systeem van gpp's. In paragraaf 5.2 wordt hier nader op ingegaan.
Voor de benodigde planologische procedure geldt, op basis van bijlage V van het Omgevingsbesluit, een mer-plicht bij de uitbreiding van industrieterreinen waarop mer-beoordelingsplichtige bedrijven mogelijk worden gemaakt. Er is dan ook een Milieueffectrapport (MER) opgesteld voor de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal.
Het bestaande bedrijventerrein Rollepaal is gelegen aan de oostzijde van Dedemsvaart. In de volgende figuur is de ligging en begrenzing van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan aangegeven.


Het beoogde uitbreidingsgebied Rollepaal Oost ligt direct ten oosten van het bestaande industrieterrein Rollepaal. Het gebied wordt aan de westzijde begrensd door het industrieterrein Rollepaal, aan de noordzijde door de bebouwing en erven langs het Rheezerend, aan de oostzijde door een aantal weilanden en de beplanting en bebouwing aan de Spekopswijk en aan de zuidzijde door de Woudbloemweg.
In voorgaande figuur worden de begrenzing van Rollepaal Oost en de bijbehorende kadastrale percelen weergegeven.
Het plangebied van deze wijziging van het omgevingsplan heeft niet alleen betrekking op de oostelijke uitbreiding maar, voor zover het de nieuwe regeling van de bestaande geluidszone van Rollepaal betreft, ook op het bestaande bedrijventerrein Rollepaal.

De locaties waar de geluidreferentiepunten die behoren bij de geluidproductieplafonds industrieterrein, het gebied waarvoor het nieuwe geluidsaandachtsgebied wordt vastgesteld alsmede het beperkingengebied van het leidingnetwerk van 50 meter aan weerszijden langs het op Rollepaal Oost gelegen kabelbed van TenneT/Enexis, maken deel uit van het nieuwe plangebied.
Het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg bevat de regels voor het plangebied. Op dit moment staan de regels nog op verschillende plaatsen, te weten in:
de besluiten genoemd in artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet, waaronder:
een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;
een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet;
een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij;
een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer en een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van die verordening;
de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet;
de bruidsschat (zie artikel 22.1 van de Omgevingswet);
voorbeschermingsregels (als onderdeel van het beoordelingskader).
In het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn ter hoogte van het voorliggende plangebied de bestemmingen van de volgende bestemmingsplannen van toepassing.

type plan | plannaam | datum vaststelling |
bestemmingsplan | Buitengebied Hardenberg | 02‑12‑2014 |
bestemmingsplan | Buitengebied Hardenberg, herziening regels | 26‑09‑2016 |
bestemmingsplan | Dedemsvaart | 18‑12‑2014 |
bestemmingsplan | Dedemsvaart (herziening) | 17‑03‑2015 |
bestemmingsplan | Van Haeringstraat 1998 | 18‑03‑1999 |
bestemmingsplan | De Rollepaal | 18‑03‑1999 |
bestemmingsplan | Uitbreiding Hakvoort Dedemsvaart | 24‑03‑2009 |
bestemmingsplan | Dedemsvaart, Rollepaal (uitbreiding Oegema) | 06‑06‑2012 |
bestemmingsplan | Dedemsvaart, bedrijventerrein Rollepaal Oost, zuidelijk gedeelte | 02‑07‑2013 |
bestemmingsplan | Rollepaal Oost, omgeving Schuttewijk Dedemsvaart | 15‑09‑2015 |
bestemmingsplan | Rollepaal, Langewijk 135 Dedemsvaart | 23‑03‑2021 |
bestemmingsplan | Facet herziening parkeren Hardenberg | 17‑07‑2018 |
bestemmingsplan | Buitengebied Hardenberg, Kleine windturbines bij Agrarische bedrijven | 21‑06‑2022 |
Als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein in oostelijke richting komt een deel van de geldende bestemmingsplannen te vervallen voor zover het betreft het gebied Rollepaal Oost:
'Buitengebied Hardenberg';
'Buitengebied Hardenberg, herziening regels';
'Facet herziening parkeren Hardenberg';
'Buitengebied Hardenberg, Kleine windturbines bij Agrarische bedrijven'.
Voor wat betreft het parkeren op Rollepaal Oost zullen de geldende regels uit het facetbestemmingsplan worden overgenomen in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan.
De andere bestemmingsplannen ter plaatse van het bestaande bedrijventerrein Rollepaal worden, in verband met de nieuwe regeling van de bestaande geluidzone in het omgevingsplan, aangevuld met regels (met bijbehorende werkingsgebieden). Deze plannen blijven dus eerst nog in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Ter plaatse van de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein gelden de bestemmingen en bijbehorende regels die deel uitmaken van het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg', zoals op 2 december 2014 is vastgesteld.
Tegen het bestemmingsplan is beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Op 13 mei 2015 heeft de Afdeling uitspraak gedaan in deze beroepszaken. Als gevolg van deze uitspraak was een aanpassing van de planregels noodzakelijk. Daarnaast bleek in een aantal gevallen een correctie in de planregels nodig te zijn. Deze aanpassingen zijn verwerkt in het bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, herziening regels, zoals vastgesteld op 26 september 2016.

De betreffende gronden hebben de bestemming 'Agrarisch met Waarden - Open veenontginningslandschap'. Ter plaatse zijn de gronden bestemd voor het uitvoeren van een agrarisch bedrijf (uitgezonderd glastuinbouw) en voor de instandhouding van de sterke gebiedskenmerken van het open veenontginningslandschap. Deze gebiedskenmerken staan beschreven in de Landschap Identiteit Kaarten (LIK's).
Daarnaast zijn in de planregels nog diverse ondergeschikte (neven) functies mogelijk gemaakt. Langs de zuidzijde van Rheezerend zijn op de verbeelding twee bouwvlakken aangegeven. Ter plaatse zijn bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen behorende bij de agrarische bedrijven toegestaan.
Rondom het geluidgezoneerde industrieterrein Rollepaal is op de verbeelding de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' aangegeven. Dit houdt in dat op het industrieterrein bedrijven zijn toegestaan die mogelijk veel (industrie)lawaai kunnen maken. Alle bedrijven op het geluidgezoneerde bedrijventerrein mogen samen niet meer geluid maken dan de vastgestelde geluidsnorm van 50 dB(A). In de planregels is vastgelegd dat binnen deze geluidzone geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen gerealiseerd mogen worden.
Een deel van de gronden heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Ter plaatse zijn deze gronden mede bestemd voor het behoud en bescherming van de verwachte archeologische waarden. Binnen deze bestemming is het bouwen van een of meerdere bouwwerken waarbij grond geroerd wordt met een (gezamenlijk) geroerde oppervlakte groter dan 2.500 m2 en een diepte van 50 cm of meer, mogelijk als de archeologische waarden van de gronden die zullen worden verstoord, in voldoende mate zijn vastgesteld in een archeologisch rapport. Een dergelijke rapportage is niet noodzakelijk als aangetoond kan worden dat de betreffende gronden geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is.
Een groot deel van het bestaande bedrijventerrein is geregeld in het bestemmingsplan Dedemsvaart zoals dat is vastgesteld op 18 februari 2014. Er heeft nadien een correctieve herziening plaatsgevonden van de planregels. Dit bestemmingsplan 'Dedemsvaart (herziening)' is op 17 maart 2015 vastgesteld.
De gronden ter plaatse van de waterzuiveringsinstallatie ten zuiden van de Woudbloemweg vallen buiten het voorliggende plangebied.

Op grond van het voorliggende bestemmingsplan hebben de betreffende gronden op het bedrijventerrein Rollepaal de bestemming 'Bedrijventerrein'. Door middel van functie-aanduidingen worden op de verbeelding de maximaal toegestane milieucategorieën van de bedrijven vastgelegd. Deze varieert van maximaal categorie 2 tot en met 4.2.
Met uitzondering van de bestaande bedrijven genoemd zijn risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen en m.e.r.-plichtige en m.e.r.-beoordelingsplichtige inrichtingen niet toegestaan.
De woningen aan de Moerheimstraat zijn bestemd als 'Woongebied'.
Aan de noordwestzijde van het bedrijventerrein, ter hoogte van het gemeentepark, zijn de gronden op basis van het geldende bestemmingsplan 'Van Haeringstraat 1998' (vastgesteld 18 maart 1999) bestemd als 'Rioolwaterzuiveringsinstallatie'.

De gronden worden niet meer als zodanig gebruikt. Op grond van een (tijdelijke) omgevingsvergunning wordt voor de aanwezige panden afgeweken van het toegestane gebruik ten behoeve van sport en recreatie.
Een deel van de gronden achter de bestaande bedrijfsbebouwing aan de Rollepaal is nog opgenomen in het bestemmingsplan 'De Rollepaal'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 18 maart 1999.

Op grond van dit bestemmingsplan hebben de betreffende gronden de bestemming 'Agrarische doeleinden'. Ter plaatse zijn de gronden bestemd voor de uitvoering van een agrarisch bedrijf met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen. Aan de zijde van Rheezerend is op de plankaart een bouwvlak opgenomen met de aanduiding 'beperking intensieve veehouderij'. Daar is op grond van de planregels intensieve veehouderij toegestaan tot een bebouwd oppervlakte van maximaal 250 m2.
Ter hoogte van de Einsteinstraat en de Celsiusstraat zijn de gronden bestemd op basis van het geldende bestemmingsplan 'Uitbreiding Hakvoort Dedemsvaart', zoals dat is vastgesteld op 24 maart 2009.

De betreffende gronden hebben de bestemming 'Bedrijventerrein'. Op basis van de planregels zijn de gronden voornamelijk bestemd voor lichte industrie, groothandel-, reparatie-, verhuur-, bouwnijverheid-, en installatiebedrijven en dienstverlenende bedrijven die wat betreft geur, stof, geluid en gevaar toelaatbaar zijn op een afstand van 30 m van aangrenzende woongebieden. Dit komt overeen met bedrijven uit de milieucategorie 1 en 2, danwel daarmee vergelijkbare bedrijven. Risicovolle inrichtingen en geluidszoneringsplichtige bedrijven zijn niet toegestaan.
Vooruitlopend op een eerder uitbreiding van Rollepaal in oostelijk richting is voor de realisatie van uitbreidingsplannen van het transportbedrijf Oegema het bestemmingsplan 'Dedemsvaart, Rollepaal (uitbreiding Oegema)' op 6 juni 2012 vastgesteld.

De gronden zijn in aansluiting op het naastgelegen bedrijventerrein bestemd als 'Bedrijventerrein'. Door middel van functie-aanduidingen worden op de verbeelding de maximaal toegestane milieucategorieën van de bedrijven vastgelegd, variërend van maximaal 3.2 tot en met 4.2. Bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen en m.e.r.-plichtige en m.e.r.-beoordelingsplichtige inrichtingen zijn niet toegestaan. Evenmin zijn bedrijven toegestaan die gericht zijn op het vervaardigen en/of de opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk en zelfstandige kantoren.
Ten behoeve van de daaropvolgende uitbreiding van Rollepaal is het bestemmingsplan Dedemsvaart, bedrijventerrein Rollepaal Oost, zuidelijk gedeelte' op 2 juli 2013 vastgesteld.

Met de wijze van bestemmen is aangesloten op het aansluitende bestemmingsplan Dedemsvaart. De gronden zijn bestemd als 'Bedrijventerrein'. Door middel van functie-aanduidingen worden op de verbeelding de maximaal toegestane milieucategorieën van de bedrijven vastgelegd, variërend van maximaal 2 tot en met 3.2.
Bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen en m.e.r.-plichtige en m.e.r.-beoordelingsplichtige inrichtingen zijn niet toegestaan. Evenmin zijn bedrijven toegestaan die gericht zijn op het vervaardigen en/of de opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk en zelfstandige kantoren.
Als gevolg van het voorliggende bestemmingsplan is de geluidzone - industrielawaai in oostelijke richting uitgebreid. De uitbreiding van de geluidzone is onder andere vastgelegd in het bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg (zie paragraaf 1.3.2.1).
De gronden ter hoogte van de Schutwijk zijn bestemd in het bestemmingsplan 'Rollepaal Oost, omgeving Schutwijk', zoals dat is vastgesteld op 15 september 2015.

Aan de noordzijde van het bedrijventerrein, ter hoogte van Langewijk 135 zijn de gronden bestemd in het bestemmingsplan 'Rollepaal, Langewijk 135 Dedemsvaart', zoals dat is vastgesteld op 23 maart 2021.

Het bestemmingsplan zag toe op de uitbreiding van de aanwezige pluimveeslachterij. De betreffende gronden zijn bestemd als 'Bedrijventerrein'. Door middel van functie-aanduidingen worden op de verbeelding de maximaal toegestane milieucategorieën van de bedrijven vastgelegd, variërend van maximaal 3.1 tot en met 3.2. De gronden zijn op de verbeelding aangeduid als 'specifieke vorm van bedrijventerrein - pluimveeslachterij'. In de planregels is vastgelegd dat de gronden tevens bestemd zijn voor een pluimveeslachterij, inclusief het verwerken en verpakken van vlees, met een productiecapaciteit van maximaal 190.944 ton vlees per jaar.
Risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen en m.e.r.-plichtige en m.e.r.-beoordelingsplichtige inrichtingen zijn niet toegestaan. Evenmin zijn bedrijven toegestaan die gericht zijn op het vervaardigen en/of de opslag van consumentenvuurwerk.
Bestemmingsplan Facet herziening parkeren Hardenberg
Voor alle geldende bestemmingsplannen binnen het grondgebied van de gemeente Hardenberg is op 17 juli 2018 het bestemmingsplan 'Facetherziening parkeren Hardenberg' vastgesteld. Met het bestemmingsplan zijn de regels op het gebied van parkeren gewijzigd voor alle bestemmingsplannen in de gemeente.
In de planregels is een parkeerregeling opgenomen waardoor de gemeente de mogelijkheid heeft binnen een bestemming te toetsen op parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden. Op deze wijze kunnen problemen in de openbare ruimte worden voorkomen. De regeling biedt ook een afwijkingsmogelijkheid waarmee maatwerk kan worden geleverd.
Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kleine windturbines bij Agrarische bedrijven
Ten behoeve van de agrarische bedrijven in het buitengebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg, Kleine windturbines bij Agrarische Bedrijven' op 21 juni 2022 vastgesteld. Het bestemmingsplan beoogd de bestaande mogelijkheid van kleine windturbines bij agrarische bouwpercelen in het buitengebied te verruimen.
Omgevingsvergunning Tijdelijke uitbreiding Oegema Transport, Dedemsvaart
Vooruitlopend op de voorbereiding van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is voor een van de bestaande bedrijven op het bedrijventerrein Rollepaal Oost tijdelijk vergunning verleend voor het gebruik van aansluiten gronden voor de opslag van kabelhaspels, het plaatsen van lichtmasten en het aanbrengen van een grondwal.

De betreffende initiatiefnemer heeft plannen voor uitbreiding van de bestaande vestiging in Dedemsvaart. De voorliggende plannen voor de tijdelijke opslag van kabelhaspels lopen op deze structurele uitbreiding van het bedrijf en Rollepaal Oost vooruit. Het kan zijn dat onderhavige plannen niet één op één in het toekomstige plan voor Rollepaal Oost past. Met de initiatiefnemer is overeengekomen dat de situatie op dat moment met het definitieve plan en de bijbehorende ruimtelijke kwaliteitskaders in overeenstemming zal worden gebracht. Dit is opgenomen in de voorwaarden.
Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan behoren ook de gemeentelijke archeologieverordening, de geurverordening en de verordening afvoer regen- en grondwater (of een Verordening fysieke leefomgeving, voor zover deze regels over voorgaande onderwerpen bevat), in het geval de gemeente een dergelijke verordening heeft vastgesteld.
Binnen de gemeente Hardenberg zijn een aantal verordeningen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan opgenomen. Het gaat daarbij om de
Daarbij wordt opgemerkt dat zodra de gemeentebrede wijziging van het omgevingsplan in procedure gaat en is vastgesteld deze verordeningen, samen met andere verordeningen zoals de APV, deel uitmaken van het omgevingsplan.
De bodemkwaliteitskaart, bestaande uit een bodemfunctieklassenkaart, ontgravingskaart en toepassingskaart, is een door de gemeente vastgestelde kaart met daarop de bodemkwaliteit per gebied.
De gemeente Hardenberg heeft de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassekaart opgenomen in de Nota bodembeheer Regio IJsselland 2023. Het plangebied Rollepaal Oost valt op de bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart en toepassingskaart) binnen de categorie 'Landbouw/Natuur (AW 2000). Op de bodemfunctieklassekaart liggen zowel het bestaande bedrijventerrein Rollepaal als het nieuwe bedrijventerrein Rollepaal Oost binnen het gebied met de functieklasse 'industrie'.

Dat betekent dat de beoogde kwaliteit van de grond in overeenstemming is met de beoogde functie.
In de bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling. De bruidsschat bevat voorrangsbepalingen en overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen, regels over milieubelastende activiteiten, regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond en regels over gemeentelijke omgevingsvergunningen.
De regels van de bruidschat zijn met de inwerkingtreding van de Omgevingswet automatisch terecht gekomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg, voornamelijk in hoofdstuk 22. Specifiek is de bruidsschat geregeld met de beoordelingsregel in artikel 22.29, eerste lid.
In het kader van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt nagegaan of en in hoeverre de regels uit de bruidsschat aangevuld moeten worden ten behoeve van de voorliggende ontwikkeling
Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan gemeente Hardenberg. Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt onder andere de geldende bestemmingsplannen binnen het gebied rondom Rollepaal, die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (zie paragraaf 1.3).
In het omgevingsplan worden de keuzes die de gemeente heeft gemaakt in de omgevingsvisie uitgewerkt in regels voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan ziet op het gehele gemeentelijk grondgebied en wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Het omgevingsplan bevat alle gemeentelijke regels op het terrein van de fysieke leefomgeving.
Er is geen afgebakende definitie van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet is aangegeven dat de fysieke leefomgeving in ieder geval bestaat uit bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Ook de gevolgen voor de fysieke leefomgeving en voor de mens kunnen deel uitmaken van een omgevingsplan. Daarbij kan worden gedacht aan emissies en hinder of risico, maar ook aan gezondheid en duurzaamheid.
In een omgevingsplan moet sprake zijn van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Dit wordt bereikt door regels aan activiteiten te stellen voor (een gedeelte van) het grondgebied en door functie-aanduidingen met de toegelaten activiteiten (met regels) te koppelen aan locaties. Bij de evenwichtige toedeling dient de gemeente rekening te houden met alle betrokken belangen.
De Omgevingswet gaat voor wat betreft het omgevingsplan in het algemeen uit van een andere filosofie dan het bestemmingsplan. In het kort: minder regels, meer loslaten en deregulering: vertrouwen als uitgangspunt, integratie van aspecten rondom de fysieke leefomgeving in één plan, meer ruimte voor afwegingen op gemeentelijk niveau, meer ruimte en flexibiliteit voor wenselijke ontwikkelingen en het waarborgen van omgevingskwaliteit.
Voor het behoud van cultureel erfgoed zijn er internationaalrechtelijke verplichtingen die veelal nopen tot het vooraf toetsen van activiteiten die cultureel erfgoed kunnen aantasten. De gemeenteraad zal hier met de vaststelling van een omgevingsplan rekening mee moeten houden.
De gemeenteraad heeft hierbij, met inachtneming van de hierna te benoemen algemene rijksregels en regels van de provincie, een zekere beleidsruimte.
De regels van het omgevingsplan zijn voor een ieder juridisch bindend. Wanneer iemand een activiteit wil verrichten die invloed heeft of kan hebben op de fysieke leefomgeving, wordt de aanvraag voor die activiteit getoetst aan de regels van het omgevingsplan.
Het omgevingsplan heeft een ruime reikwijdte. Het beslaat alle aspecten van de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan borgt het beleid ten aanzien van de fysieke leefomgeving in juridische regels, dat in de omgevingsvisie, een programma of in een ander document is vastgesteld.
Activiteiten die getoetst worden aan het omgevingsplan bestaan bijvoorbeeld uit bouwen, slopen, kappen, aanleggen, houden van evenementen, maken van in-/uitritten, het voeren van een bedrijf of de gemeentelijke monumentenactiviteit.
Burgemeester en wethouders houden op basis van de regels van het omgevingsplan toezicht en kunnen handhavend optreden. In het omgevingsplan wordt bepaald of een omgevingsvergunning nodig is voor bepaalde activiteiten. Gemeenten kunnen voor die activiteiten ook een melding verlangen of informatie vragen over de activiteit. Activiteiten kunnen ook worden verboden.
Onder de Omgevingswet is een plan mer-plichtig wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een mer-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarbij een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het planMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende redelijke alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het planMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie.
Uit bijlage V van het Omgevingsbesluit blijkt dat bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van industrieterreinen (categorie J10) een mer-beoordelingsplicht geldt bij het vaststellen van een Omgevingsplan als besluit.
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan voor Rollepaal Oost biedt kaders voor de te vestigen 'zwaardere' bedrijven en geluidzoneringsplichtige inrichtingen. Dergelijke bedrijven kunnen mer-(beoordelings)plichtig zijn bij de aanvraag voor omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op basis van de categorieën onder C t/m H van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er is daarom sprake van een kaderstellend plan voor een mer-beoordelingsplichtige activiteiten. Om deze reden ontstaat er een plan-mer-plicht.
Ook kan een plan-mer-plicht ontstaan indien een Passende Beoordeling in het kader van de Omgevingswet nodig is. Dit is noodzakelijk wanneer significante negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Daarvoor is in een eerste planstadium, bij de NRD een voortoets (met stikstofberekeningen) opgesteld om te beoordelen of een Passende Beoordeling nodig is. Op basis van de eerste globale stikstofberekeningen bleek al dat het project passend beoordeeld moet worden.
De opbouw van de voorliggende motivering is als volgt:
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De huidige situatie wordt beschreven aan de hand van het bestaande gebruik en aanwezige bebouwing in het projectgebied. De toekomstige situatie beschrijft de beoogde uitbreidingplannen voor Rollepaal Oost.
In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst en worden de instructieregels benoemd die relevant zijn voor Rollepaal Oost.
In de hoofdstukken 4, 5, 6, 7, 8 en 9 worden de voorliggende plannen getoetst aan de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving.
Hoofdstuk 10 bevat een beknopte samenvatting van het MER dat tegelijkertijd met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan in procedure wordt gebracht.
In hoofdstuk 11 wordt ingegaan op de financiële en maatschappelijke haalbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
Tot slot wordt in hoofdstuk 12 beoordeeld of sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)'.
Dedemsvaart ligt in het westen van de gemeente Hardenberg. Dedemsvaart is vernoemd naar de Baron van Dedem die begin 1800 een kanaal liet graven voor het vervoer van turf: Dedemsvaart. Ter hoogte van de scherpe knik in het verloop van het kanaal is de kern Dedemsvaart ontstaan. In de loop van de twintigste eeuw heeft de kern Dedemsvaart zich langs de Hoofdvaart (voorheen Dedemsvaart) en de parallel gelegen Langewijk ontwikkeld. Over een tweetal zandruggen liepen de routers tussen de Hoofdvaart en de Langewijk, waarlangs de bebouwing ontstond.

Ten zuiden van Dedemsvaart ligt het bestaande bedrijventerrein Rollepaal. Het bedrijventerrein ontleent zijn naam aan de rol- of draaipaal die sinds een lange tijd ter hoogte van Schutwijk staat. Voor trekschuiten vormde bochten in een kanaal, vaart of sloot een probleem voor de scheepsjager. Een rollepaal zorgde ervoor dat de trekschuit de draai kon maken zonder dat de treklijn het overige verkeer op de wal hinderde of dat de trekschuit in de oever werd getrokken.
Ten zuidoosten van de kern Dedemsvaart is het bedrijventerrein Rollepaal tot ontwikkeling gekomen. Samen met Moerwijk is Rollepaal een van de belangrijke bedrijventerreinen van Dedemsvaart. Het bedrijventerrein Rollepaal heeft zich in de loop van de jaren in zuidelijke richting ontwikkeld. Het oudste gedeelte van het bedrijventerrein Rollepaal ligt tussen de Moerheimstraat en de Langewijk (Rollepaal Noord). Later is Rollepaal Zuid (ten zuiden van de vaart) tot stand gekomen en is ook Rollepaal West ontwikkeld. De afgelopen decennia is Rollepaal in oostelijke richting ontwikkeld.
Op het bedrijventerrein Rollepaal bevinden zich met name lokale bedrijven uit Hardenberg. Het bestaande bedrijventerrein Rollepaal kan worden gekenmerkt als een gemengd bedrijventerrein met een mix van grootschalige en kleinschalige bedrijven. De aanwezige bedrijven zijn met name productiebedrijven, transport en logistiek en groothandel. Op het bedrijventerrein Rollepaal zijn circa 12 woningen aanwezig binnen de daarvoor bestemde woongebieden. Langs de Moerheimstraat bevinden zich naast reguliere burgerwoningen ook enkele woon-/werkkavels.
Het bestaande bedrijventerrein Rollepaal is medio 1993 aangemerkt als een geluidgezoneerd industrieterrein. Op grond van het bestemmingsplan 'Rollepaal Oost, zuidelijke gedeelte' (zie paragraaf 1.3.2.7) is de geluidzone in oostelijke richting uitgebreid (zie verder paragraaf 5.2).
Nabij het plangebied bevindt zich de N377 die bereikbaar is vanaf het bedrijventerrein. Via de N377 en de N48 zijn de A28 en de A37 snel bereikbaar.
Het gebied ten oosten van het bestaande bedrijventerrein bevindt zich in het buitengebied. In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd en wordt het gebruikt als agrarisch landbouwgrond. Op de betreffende percelen wordt afwisselend aardappelen, bieten, winterpeen en haver verbouwd (bron: www.boerenbunder.nl). Zoals uit navolgende figuur blijkt is het een open gebied, gelegen in een open veenontginningslandschap, met een kenmerkende smalle noord-zuidverkaveling (noordwest-zuidoost om precies te zijn).
Inmiddels is aansluitend aan het bedrijfsperceel van het transportbedrijf een deel van de gronden (tijdelijk) in gebruik voor de opslag van kabels.

Ten noorden bevinden zich woningen en lichtere bedrijven aan de Rheezerend. Aan de oost- en zuidkant van het plangebied zijn agrarische gronden met woningen gelegen. Aan de Woudbloemweg 8 ten zuidoosten van het plangebied is een (online) groothandel in agrarische materialen inclusief (bedrijfs)woning gesitueerd.
De nieuwe uitbreiding Rollepaal Oost beslaat drie deelgebieden (zie navolgende figuur):
deelgebied 1a: circa 9 hectare;
deelgebied 1b: circa 10 hectare;
deelgebied 2: circa 10 hectare.

De totale omvang van Rollepaal Oost is daarmee circa 29 hectare bruto, de netto uitgeefbare oppervlakte bedraagt ongeveer 21 hectare. De gronden zijn inmiddels verworven en in eigendom van de gemeente Hardenberg.
Het planvoornemen gaat uit van uitbreiding van het bedrijventerrein met 21 hectare netto en 29 hectare bruto. De uitbreiding is bedoeld voor (zware) bedrijvigheid (vergelijkbaar met milieucategorie 2 tot en met 4.2), waarbij maatregelen worden getroffen om overlast voor de omgeving te voorkomen of te beperken. Lichtere en qua omvang kleinere bedrijven worden in het noordoostelijke deel van Rollepaal Oost geplaatst. Zwaardere en grotere bedrijven in het zuidoostelijke deel verder van de bestaande woningen vandaan.
Naast de normale bedrijvigheid, worden onder andere de uitbreiding van het verdeelstation TenneT/Enexis, een waterstof-tankstation en ondersteunende voorzieningen mogelijk gemaakt. Detailhandel, zelfstandige kantoren en bedrijfswoningen worden op Rollepaal Oost niet toegestaan.
Daarnaast is het van belang dat het terrein zo wordt ingericht dat werknemers en bewoners van Dedemsvaart er goed kunnen verblijven. Aan de noord- en oostzijde wordt een grondwal gerealiseerd.
De bestaande geluidzone industrielawaai rondom Rollepaal wordt verruimd, omdat de huidige zonecontour binnen de uitbreidingslocatie ligt. Vanuit de gemeenteraad is in 2021 bij de aankoop van de gronden een motie aangenomen (zie bijlage 1) waarin het college wordt aangegeven dat het uitgangspunt is 'dat overlast voor omwonenden zoveel als mogelijk voorkomen moet worden'. Daarbij moeten voorzieningen getroffen worden, zoals bijvoorbeeld een geluidswal met beplanting, die de toekomstige uitbreiding aan het zicht zullen onttrekken, veel geluid- en lichthinder kunnen wegnemen maar wel landschappelijk inpasbaar zijn. Per nieuwe bedrijfskavel wordt de ruimte voor geluid en geur vastgesteld; hoe groter de afstand tot gevoelige gebouwen/locaties, hoe meer gebruiksruimte de kavel heeft.
Het perceel Schutwijk 2 is door de gemeente aangekocht. Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt, naast de bedrijfswoonactiviteit, het in werking hebben van een bedrijf en het gebruik als kantoor op deze locatie toegestaan.
De ontwikkeling van een bedrijventerrein voor zwaardere bedrijvigheid is niet mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied. Het voorzien van ruimte op het huidige bedrijventerrein Rollepaal middels herstructurering is geen optie aangezien de bestaande voorraad geen directe oplossing biedt voor de vraag. Het beleid van provincie en gemeente ziet op clustering van bedrijventerreinen, waardoor een uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal voor de hand ligt. Uit de behoefteraming van bedrijventerreinen en de laddertoets (zie paragraaf 7.2) blijkt dat er voldoende vraag is naar de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal. Daarnaast is de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal goedgekeurd in de programmeringsafspraken tussen provincie en gemeenten. Er is derhalve geen ander locatiealternatief voor een nieuw bedrijventerrein onderzocht binnen Dedemsvaart. Wel is de locatie van de uitbreiding nader onderzocht.
De uitbreiding van het bedrijventerrein kan in oostelijke of zuidelijke richting plaatsvinden. Uitbreiding in noordelijke en westelijke richting is niet mogelijk vanwege de aanwezige woonwijk daar en de kleinere afstand tot de kern.
Het is qua landschappelijke structuren en huidig gebruik logisch om het bedrijventerrein Rollepaal richting het oosten uit te breiden, de uitbreidingen de afgelopen jaren hebben ook reeds in oostelijke richting plaatsgevonden. Dit is in lijn met de Structuurvisie Dedemsvaart uit 2006, waar de uitbreiding van Rollepaal in oostelijke richting reeds is voorzien. Deze lijn is bestendigd in de Omgevingsvisie Landstad Hardenberg in 2021. Nadat de raad op 7 december 2021 heeft besloten om de benodigde gronden aan de oostzijde van Rollepaal aan te kopen is er sprake van grondpositie aan de oostzijde.
Een andere reden om het bedrijventerrein richting het oosten uit te breiden is de aanwezigheid en gewenste uitbreiding het verdeelstation van TenneT. De aanwezigheid van een verdeelstation op korte afstand biedt een gunstige positie ten aanzien van het (terug)leveren van (zonne)energie.
Een essentiële randvoorwaarde voor de realisatie van een nieuw hoogspanningsstation is dat dit binnen een straal van 500 meter van het bestaande station wordt gesitueerd. Indien deze afstand wordt overschreden, zou dit de bouw van twee afzonderlijke stations vereisen, wat leidt tot een grotere ruimtelijke claim, hogere kosten en een toename van milieueffecten. Binnen deze 500-meterzone zijn potentiële locaties onderzocht door TenneT, Enexis en de gemeente Hardenberg. De beoordeling van deze locaties is uitgevoerd op basis van drie criteria: de effecten op de omgeving, de technische haalbaarheid en de planologische inpasbaarheid. De mogelijke milieueffecten van een hoogspanningsstation omvatten onder andere magneetveldzones, geluidshinder en lichthinder. In totaal zijn vier locaties in de afweging betrokken, waarvan drie op Rollepaal Oost.
De voor- en nadelen van de verschillende locaties zijn beschreven in de Aanvulling MER, opgenomen als bijlage 7 bij deze motivering. Uit deze afweging blijkt dat de voorliggende locatie op Rollepaal Oost de beste combinatie biedt van technische uitvoerbaarheid, ruimtelijke inpassing en beperkte milieueffecten.
Uitbreiding richting het zuiden (overstap over de Woudbloemweg) is ook globaal verkend. De uitbreiding in zuidelijke richting zorgt voor een grotere afstand tot gehinderden (woningen), waardoor sprake kan zijn van een lagere geur-, licht- en geluidsbelasting. Wel kent de uitbreiding in zuidelijke richting andere belemmeringen.
Een van de belemmeringen is de aanwezigheid van vijf hogedruk gasleidingen, dat bemoeilijkt de uitgifte van (grote) kavels zowel ruimtelijk als financieel. De realisatie van een bedrijventerrein op korte afstand van deze gasleidingen leidt tot een toename van het groepsrisico. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de veiligheidscontouren en veiligheidsvoorschriften, zoals vluchtroutes van de bron af, die de ontwikkelingsmogelijkheden beperken en ook leiden tot de eis dat aan de zuidzijde van het industrieterrein een extra ontsluiting wordt gerealiseerd.
Ook landschappelijk gezien zijn er nadelen aan deze zuidelijke locatie; de Woudbloemweg vormt nu een heldere en harde grens tussen de bebouwing en het landschap ten zuidoosten van Dedemsvaart. Door het benutten van de gronden ten zuiden van de Woudbloemweg is er geen sprake meer van een duidelijke begrenzing. Daarnaast wordt het landschap ten zuidoosten van de Woudbloemweg gekenmerkt door enorme openheid en zullen zichtlijnen verdwijnen of verkort worden. De uitbreiding aan zuidzijde vormt een soort uitstulping waardoor er minder sprake is van compact bouwen.
Bij een zuidelijke uitbreiding is verlegging en opwaardering van de Woudbloemweg als agrarische ontsluitingsweg noodzakelijk.
De gemeente heeft bovendien geen grondposities in zuidelijke richting waardoor de (financiële) haalbaarheid van de ontwikkeling in het geding komt en de uitbreiding in zuidelijke richting geen realistisch uitvoerbaar alternatief is.
Op grond van bovenstaande heeft uitbreiding aan de oostzijde de sterke ruimtelijke voorkeur vanwege de duidelijke functiescheiding tussen bedrijventerrein en landelijk gebied en de benodigde uitbreiding van TenneT/Enexis. Uitbreiding naar de zuidzijde is geen realistisch uitvoerbaar alternatief vanwege de beperkingen door de hogedrukleidingen, de openheid van het landschap en de financiële beperkingen (geen grondpositie).
De uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost heeft de sterke ruimtelijke voorkeur vanwege de duidelijke functiescheiding tussen bedrijventerrein en landelijk gebied. De uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal met Rollepaal Oost wordt in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan mogelijk gemaakt en geborgd.
Zoals in de m.e.r.-rapportage is opgenomen gelden vanuit de gemeente Hardenberg en provincie Overijssel uitgangspunten/randvoorwaarden voor de uitbreiding. Uit de programmeringsafspraken met de provincie (zie paragraaf 3.5.3) volgt dat aan de goedkeuring van de uitbreiding van het bedrijventerrein voorwaarden zijn gekoppeld waaronder het realiseren van een toekomstbestendig bedrijventerrein, waarbij de aspecten water en bodem sturend zijn. Bovendien heeft de provincie kwalitatieve ambities benoemd voor een duurzame en toekomstbestendige ontwikkeling van bedrijventerreinen.
Vanuit de gemeenteraad is in 2021 bij de aankoop van de gronden een motie aangenomen (zie paragraaf 3.6.9) waarin het college wordt gevraagd om na aankoop te onderzoeken welke landschappelijk inpasbare voorzieningen getroffen dienen te worden, waardoor de gehele uitbreiding fase 1 en 2 aan het zicht wordt onttrokken. De uitbreiding van het bedrijventerrein mag voor de omwonenden niet leiden tot nieuwe geluidsoverlast.
Inrichting en ontsluiting
Het plangebied wordt voor gemotoriseerd verkeer in westelijke richting ontsloten via een aansluiting nabij het kruispunt Rollepaal, Schutwijk en Moerheimstraat. Het verkeer wordt voornamelijk in noordelijke richting afgewikkeld op de N377 Coevorderweg.
Het is van belang dat een veilig en aantrekkelijk netwerk voor langzaam verkeer wordt gerealiseerd dat aansluit bij het bestaande netwerk langs Rollepaal.
De infrastructuur wordt klimaatbestendig ingericht waarbij gebruik wordt gemaakt van wadi's en groenstructuren. Door het realiseren van vrijliggende fiets- en/of voetpaden met een klimaatbestendige inrichting wordt het gebied aantrekkelijk gemaakt voor (recreatief) wandelen tijdens de lunch.
De verkaveling van het terrein maakt gebruik van bestaande structuren zoals sloten en beplanting die de landschappelijke structuur benadrukt.
Het is vanuit de motie van de gemeenteraad (zie paragraaf 3.6.9) de wens om het terrein dusdanig in te passen dat Rollepaal Oost vanaf de zichtlijnen noord, oost en zuidoost niet zichtbaar is voor de omgeving.
In het gebied wordt rekening gehouden met een benodigd percentage oppervlaktewater van 10% ten opzichte van het totale gebied. Hierbij wordt rekening gehouden met de benodigde taluds van minimaal 2:3 voor sloten en 1:3 voor waterpartijen. Deze regenwateropvang en retentie sluit aan bij de bestaande waterstructuur van Rollepaal Oost.
Duurzaamheid
Op Rollepaal Oost moet het mogelijk zijn om in de toekomst een waterstof-tankstation te realiseren. De haalbaarheid en de locatie is in dit stadium nog niet exact bekend. Het is in het MER onderzocht, maar nog niet opgenomen in het omgevingsplan.
Het bedrijventerrein moet passen binnen de huidige wettelijke en beleidskaders. Dit betekent ook dat het belangrijk is om zoveel mogelijk energieneutraal te ontwerpen.
Hiervoor wordt in het omgevingsplan uitgegaan van het zoveel mogelijk toepassen van zonnepanelen voor duurzame opwek van energie, maar ook de mogelijkheid voor individuele windmolens en warmtekoude-opslag per bedrijfskavel worden in het planvoornemen verkend.
De gemeente werkt in overleg met ondernemers en omwonenden aan een duurzaamheidsvisie.
Grondwal
Aan de noord- en oostzijde wordt een grondwal gerealiseerd van minimaal 3 meter hoog, voorzien van opgaand groen. De wal zal deels worden gerealiseerd met gebiedseigen grond, waarbij eerst de grond wordt ingezet die vrijkomt bij de aanleg van het openbaar gebied en vervolgens gronden die vrijkomen bij de bouw van bedrijfspanden.
Er wordt voor de realisatie van het totale terrein zoveel mogelijk gestreefd naar een gesloten grondbalans.
Het doel van de grondwal is het zicht vanuit woningen op het bedrijventerrein te minimaliseren en het realiseren van een goede landschappelijke inpassing.
Gebruik
Het planvoornemen gaat uit van uitbreiding van het bedrijventerrein met 21 hectare netto en 29 hectare bruto:
De uitbreiding is bedoeld voor bedrijvigheid vergelijkbaar met milieucategorie 2 tot en met 4.2.
Naast deze bedrijvigheid wordt ruimte geboden voor een mogelijk (waterstof)tankstation en de uitbreiding van verdeelstation Enexis/TenneT met 3,4 hectare.
Horeca, detailhandel, zelfstandige kantoren en bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.
Het uitgangspunt voor uitbreiding blijft net als bij eerdere procedures dat alle nieuwe bedrijven moeten passen binnen de vastgestelde geluidzone (groene contour in navolgende figuur): de gezamenlijke geluidbelasting van alle bedrijven mag hier niet hoger zijn van 50 dB(A) etmaalwaarde op 5 meter hoogte. Uit navolgende figuur blijkt echter dat dit op voorhand niet mogelijk is: de uitbreiding is gedeeltelijk gelegen buiten de zone. Om deze reden zal de geluidzone zodanig aangepast moeten worden dat de gewenste uitbreiding binnen de contour valt.
Daarom wordt dit uitgangspunt genuanceerd naar: de geluidzone mag ter plaatse van de woongebieden aan de noord- en westzijde in principe niet uitbreiden.

De bestaande geluidzone rondom Rollepaal wordt zodanig verruimd dat de hele uitbreiding binnen de zone past, er geluidruimte beschikbaar is voor nieuwe bedrijven maar de geluidzone nergens over nieuwe woningen valt. Hierbij zijn twee aandachtspunten van belang als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
Onder de Omgevingswet wordt de systematiek van geluidzones vervangen door een systeem met geluidproductieplafonds (hierna gpp's): in plaats van een contour worden geluidniveaus op vaste referentiepunten vastgelegd en gehandhaafd. Bij eerste omzetting is dit een beleidsneutrale omzetting, dat betekent dat er geen wijziging is van de toegelaten hoeveelheid geluid. Gemeenten krijgen tot 31 december 2031 de tijd voor deze omzetting. Omdat de huidige zone moet worden aangepast en voor de nieuwe situatie onder de Omgevingswet gebruikgemaakt moet worden van de nieuwe systematiek met gpp's, is ervoor gekozen de huidige zone nu reeds beleidsneutraal om te zetten in gpp's.
De VNG adviseert om onder de Omgevingswet geen gebruik meer te maken van de milieucategorieën die met de publicatie Bedrijven en Milieuzonering zijn geïntroduceerd. In plaats daarvan stimuleert de VNG om gebruik te maken van planregels waarmee een flexibele manier van toelaten van gebruiksactiviteiten op grond van milieugebruiksruimte wordt gebruikt. Deze systematiek sluit goed aan op de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl, op grond waarvan met planregels moet worden geborgd dat aan de gpp's wordt voldaan. Met deze methode kan de totale geluidruimte voor het industrieterrein die met de gpp's wordt begrensd, onder alle bestaande en toekomstige bedrijven op het industrieterrein verdeeld. In de wijziging van het omgevingsplan wordt hierbij de systematiek van de VNG publicatie Activiteiten en Milieuzonering gevolgd en wordt - naast de geluidruimte - ook de geurgebruiksruimte van de bedrijven op het industrieterrein met planregels begrensd.
Ten behoeve van de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan zijn een stedenbouwkundig plan, een inrichtingsplan openbare ruimte (IOR) en een beeldkwaliteitplan (BKP) voor Rollepaal Oost opgesteld. Het stedenbouwkundig ontwerp dient als vertrekpunt voor het beeldkwaliteitplan, het inrichtingsplan voor de openbare ruimte en voor de ruimtelijke procedure. De notitie 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' is, samen met het bijbehorende ‘bijlageboek’, opgenomen in de voorliggende motivering.
Ruimtelijke analyse
Op basis van een analyse van het plangebied en de ruimtelijk relevante context, zijn in het stedenbouwkundig plan de landschappelijke en stedenbouwkundige kaders voor de ontwikkeling in beeld gebracht.
In de analyse worden de volgende onderdelen inzichtelijk gemaakt:
de positionering van het plangebied aan de hand van de historische ontwikkeling. Daarbij zijn de cultuurhistorische elementen in beeld gebracht en is gekeken op welke wijze de planlocatie binnen de landschappelijke en stedenbouwkundige structuur is gepositioneerd;
een landschappelijke analyse van het plangebied in de directe context. Rollepaal Oost ligt binnen het open veenontginningslandschap dat gekenmerkt wordt door een open, grootschalig en rationeel landschap met gestrekte verkaveling. Structuurdragers zijn veelal watergangen als grotendeels gedempte kanalen, vaarten en wijken;
een stedenbouwkundige analyse van het plangebied in de directe context. In dit verband is gekeken naar de opbouw van de bodem, het aanwezige oppervlakte- en grondwater en het hoogteprofiel.
Kernkwaliteiten en ontwerpuitgangspunten Rollepaal Oost
Op basis van de analyse zijn in het stedenbouwkundig plan de karakteristieken van Rollepaal Oost binnen het open veenontginningslandschap en de kenmerken van het bestaande bedrijventerrein Rollepaal geformuleerd.
Op basis hiervan zijn de ontwerpuitgangspunten voor Rollepaal Oost geformuleerd, die het vertrekpunt vormen voor het stedenbouwkundig plan. Hierbij is gekeken naar:
de landschapsstructuur; welke structuurelementen uit het landschap zijn bepalend voor de stedenbouwkundige opzet van Rollepaal Oost;
het (vermijden van) zicht van en naar Rollepaal Oost. Daarbij is het toepassen van een grondwal aan de oost- en noordzijde van belang;
wat wordt de beleving van Rollepaal Oost voor de gebruikers en omwonenden;
op welke manier wordt bestaande en nieuw geplande groen ingepast;
de structurerende rol van water(berging) in het stedenbouwkundig ontwerp;
de interne en externe ontsluiting en bereikbaarheid voor het auto/vrachtverkeer en fietsers en wandelaars;
een goede verlichting, waarbij extra aandacht is voor het voorkomen van lichthinder.
De belangrijkste ontwerpuitgangspunten worden in navolgende figuur samenvattend in beeld gebracht.

De stedenbouwkundige opzet is gebaseerd op de analyse, de kernkwaliteiten en ontwerpuitgangspunten zoals benoemd in het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' en het bijbehorende ‘bijlagenboek’.
De hoofdstructuur, zoals schematisch weergegeven in het overzicht van de ontwerpuitgangspunten (zie figuur 2.5), is in het stedenbouwkundig plan nader uitgewerkt. Deze hoofdstructuur, met de noord(west)-zuid(oost) watergangen, de ontsluitingsweg (i.c. de zwarte doorgetrokken lijn), de fietspaden, de wandelpaden, de groenstructuren en de grondwal, worden in ieder geval uitgevoerd. Voor het overige is het ontwerp flexibel.
Stedenbouwkundig plan
In het stedenbouwkundig plan wordt inzichtelijk gemaakt op welke manier bedrijvigheid in het plangebied gerealiseerd kan worden. Het stedenbouwkundig plan dient als vertrekpunt voor het inrichtingsplan voor de openbare ruimte (zie paragraaf 2.2.1.5), het beeldkwaliteitsplan (zie paragraaf 7.4 en de voorliggende wijziging van het omgevingsplan.

Flexibiliteit en verkaveling
Voor de invulling van de bedrijfskavels is voldoende flexibiliteit nodig. Er moeten kavels van verschillende maat kunnen worden uitgegeven zonder dat dit de uitgeefbaarheid in een volgende stap bemoeilijkt. De gekozen ontsluitingsstructuur biedt de mogelijkheden voor verschillende indelingen.
Voor de noordelijke kavel wordt rekening gehouden met de vestiging van een nieuw verdeelstation van Enexis/TenneT. Aan de westzijde wordt rekening gehouden met grotere kavels tot 5 hectare. Afhankelijk van de vraag van ondernemers kunnen aan de oostzijde van het plan kleinere (0,5 hectare) dan wel grotere kavels (5 hectare) worden uitgegeven.
Voor het gehele bedrijventerrein wordt uitgegaan van een bebouwingspercentage van 70%. Voor de bouwhoogte wordt in eerste instantie aangesloten op de bestaande maatvoering van het aansluitende deel van het bestaande bedrijventerrein Rollepaal.

In de het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' wordt daartoe uitgegaan van drie deelgebieden:
Voor deelgebied A geldt voor bedrijfsgebouwen een maximale bouwhoogte van 10 meter. Op deze wijze stoort deze bebouwing niet in het aanzicht vanuit het landschap.
Voor deelgebied B geldt, in aansluiting op de bestaande maatvoering, een bouwhoogte van 20 meter. Deze hoogte is voor logistieke bedrijven gangbaar. Waarbij geldt dat aan de zuidrand de bebouwing richting de Woudbloemweg wordt afgebouwd; over een breedte van ten minste 50 meter bedraagt de bouwhoogte maximaal 15 meter.
Voor deelgebied C wordt uitgegaan van een maximale bouwhoogte van 10 meter. De bescheiden bouwhoogte zorgt voor minder zicht vanuit het landschap op de bedrijfsbebouwing.
Groen en water

In de openbare ruimte wordt in het stedenbouwkundig plan ruimte gereserveerd voor een aantrekkelijk gebied waardoor mogelijkheden ontstaan voor biodiversiteit/ ecologie. Zoals uit voorgaande figuur blijkt is voor het groen en water de hoofdstructuur in noord(west) - zuid(oost) richting georiënteerd. De nevenstructuur is in (zuid)oost - (noord)west richting. Aan de noord- en oostzijde bevindt zich een grondwal met opgaande beplanting. Aan de zuidzijde (ter hoogte van de Woudbloemweg) komt een brede, afschermende groensingel.
De grasbermen zijn minimaal 2 meter breed. In noord(west) - zuid(oost) richting wordt de hoofdroute begeleid door een bomenrij aan elke zijde van de weg. In (zuid)oost- (noord)west richting door een enkele bomenrij.
De watergangen zijn respectievelijk 10,5 en 6 meter breed, en hebben aan minimaal één zijde een flauw talud. Een uitzondering wordt gevormd door de watergangen rondom het noord(west)elijke perceel, waar de sloten smaller zijn vanwege ruimtegebrek.
Ter hoogte van de locatie voor het nieuwe verdeelstation van Enexis/TenneT wordt vanwege de veiligheid de watergang om de kavel heen gelegd. De bestaande watergang ter hoogte van de Woudbloemweg blijft behouden tussen de Woudbloemweg en de afschermende groensingel.
De uitgaande kabels worden, net als de andere benodigde leidingen, parallel aan de hoofdstructuur op ten minste 2,5 meter afstand van de boomstammen aangelegd onder elementenverharding (of in de teen van de grondwal).
In het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' zijn diverse profielen opgenomen waaruit blijkt hoe de openbare ruimte zich verhoudt tot de hoogte van de bebouwing.
Infrastructuur

Rollepaal Oost wordt ontsloten via één centrale hoofdweg die aan de noordwestzijde aansluit op Rollepaal ter hoogte van Schutwijk. Aan de zijde van de Woudbloemweg is sprake van een calamiteitenontsluiting. Deze calamiteitenontsluiting wordt formeel als een dubbele fietsverbinding uitgevoerd. Aan de oostzijde wordt voorzien in een ontsluitingsweg als extra lus.
De hoofdroute voor auto's en vrachtverkeer is 7 meter breed. Parallel aan deze auto-ontsluiting wordt in het stedenbouwkundig plan voorzien in een vrijliggende langzaamverkeersroute (tweerichtingsverkeer) voor zowel fietsers als wandelaars.
Over de grondwal komt een fiets- en een wandelroute. Aan de noordzijde is tussen de woningen aan het Rheezerend te weinig ruimte aanwezig voor een fietsverbinding. Daarbij sluit deze route niet goed aan op de fietsverbindingen op hoger schaalniveau: het is dan ook wenselijker om een noord-zuid fietsverbinding over het bestaande bedrijventerrein Rollepaal te laten lopen.
De fiets- en wandelroute over de grondwal zal deels aan de buitenzijde (landschapszijde) en deels aan de binnenzijde (zijde van het bedrijventerrein) van de wal worden gesitueerd. Het is daardoor mogelijk om een ommetje over het bedrijventerrein Rollepaal Oost te maken. In de verdere uitwerking van Rollepaal Oost zal deze route nader worden uitgewerkt.
De verwachting is dat de doorstroming en verkeersafwikkeling op het bedrijventerrein goed zal zijn. Door toepassing van gescheiden verkeersstromen is de verkeersveiligheid voldoende.
Representatieve zijde

Rollepaal Oost wordt een representatief bedrijventerrein, met veel groen en aandacht voor ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent dat, naast de aandacht voor de openbare ruimte, er ook veel aandacht is voor de kavels. Het gaat dan met name om de zijden die aan de hoofdroute grenzen; de representatieve zijden.
De voorgevelrooilijn van de bedrijfsbebouwing bevindt zich op minimaal 5 meter afstand van de (voor)erfgrens. Buitenopslag bevindt zich achter de voorgevelrooilijn, bij voorkeur achter het pand.
Parkeren, ook voor bezoekers, bevindt zich op eigen terrein. Indien dit aan de voorzijde plaatsvindt, wordt deze 'ingepakt' in het groen (haag).
Om verstening te voorkomen is er per kavel in principe één inrit die zo smal mogelijk is (maximaal 10 meter breed). Voor grotere kavel (groter dan 3 hectare) zijn meer inritten toegestaan. De afstand tussen de inritten bedraagt ten minste 100 meter.
Om 'wandvorming' te voorkomen wordt er voldoende afstand aangehouden tussen de bebouwing van de verschillende kavels. Bij grote kavels wordt gewaakt voor te lange wandvorming aan de hoofdroute. Dit wordt verder uitgewerkt in de beeldkwaliteitseisen en de bijbehorende kavelpaspoorten (zie bijlage 2).
Zicht vanuit het landschap

Ten zuiden en ten oosten van het plangebied ligt het buitengebied wat voor het grootste deel bestaat uit een open polderlandschap met een aantal woonerven. Om het uitzicht van deze woningen zo min mogelijk te verstoren wordt in het stedenbouwkundig plan ter afscherming voorzien in een grondwal. Lichthinder vanuit het bedrijventerrein dient vermeden te worden.
In het stedenbouwkundig plan wordt uitgegaan van een grondwal van 3 meter hoog. In combinatie met dichte, deels in de winter groenblijvende, bosschages is dit voldoende om lichtoverlast voldoende te beperken voor omwonenden. De wal wordt niet voorzien van een scherm, omdat dit voor een barrièrewerking zorgt voor fietsers, wandelaars en dieren.
De openbare ruimte op Rollepaal Oost wordt bepaald door de aanwezigheid van veel water en groen, door de strakke structuren en de brede groene rand van het bedrijventerrein. De bestaande waterstructuren in het gebied worden behouden.
In het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' wordt in het onderdeel 'Inrichting Openbare Ruimte' de vormgeving en materiaalkeuze van deze openbare ruimte verder toegelicht. Hier zal bij de verdere uitwerking rekening mee moeten worden gehouden.
In het omgevingsplan is de toegankelijkheid van de openbare ruimte geregeld als onderdeel van de bredere fysieke leefomgeving. De openbare ruimten moeten toegankelijk zijn voor mensen met een beperking, zoals rolstoelgebruikers en slechtzienden. Dat betekent dat er gekeken dient te worden naar aspecten als minimale breedte van trottoirs, geleidelijnen voor blinden en slechtzienden, hoogteverschillen en drempels, inrichting van bushaltes en oversteekplaatsen, toegankelijke banken, verlichting en openbare toiletten.
Voor Rollepaal Oost geldt dat de fiets- en voetpaden vrijliggend en gelijkvloers worden uitgevoerd. De kruisingen met de wegen worden helder gemarkeerd. De fietspaden zijn door het materiaal- en kleurgebruik herkenbaar. De fiets- en wandelpaden over de grondwal worden uitgevoerd met een halfverharding, beiden met een eigen materialisering en kleur. De overgangen naar de paden op de grondwal zijn geleidelijk; er wordt niet voorzien in trappen.
In het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' wordt in het onderdeel 'Inrichting Openbare Ruimte' verder ingegaan op de vormgeving en wordt de materiaalkeuze van deze openbare ruimte verder toegelicht.
Voor het duurzaam inrichten van het bedrijventerrein Rollepaal Oost zijn enkele duurzaamheidsprincipes van toepassing. Deze principes hebben te maken met duurzaam bouwen, maar ook met duurzaam ruimtegebruik, terreinbeheer en duurzaam omgaan met energie en fysieke stromen. Voor het bestaande bedrijventerrein Rollepaal zijn, mede aan de hand van de provinciale kwalitatieve ambities en de gemeentelijke duurzaamheidsvisie, duurzaamheidsdoelstellingen opgesteld.
Voor Rollepaal Oost wordt in het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' hierop aangesloten.
In paragraaf 7.5 'Duurzaamheid en klimaatadaptatie' is een en ander verder uitgewerkt en toegelicht.
Duurzame inrichting en klimaatadaptief ontwerp
Bij de inrichting van het bedrijventerrein wordt veel aandacht besteed aan een duurzame en groene omgeving. In het midden en aan de randen van het gebied wordt een groenstructuur gewaarborgd. Deze groenzone krijgt niet alleen een esthetische functie, maar dient ook als ruimte voor een langzaam verkeersroute. Aan de west- en zuidzijde worden twee entrees aangelegd die speciaal bedoeld zijn voor voetgangers en fietsers.
Om de impact van klimaatverandering op het terrein te beperken, wordt een sterke groen-blauwe structuur gerealiseerd door zoveel mogelijk groen toe te voegen en wadi’s aan te leggen. Dit draagt bij aan een klimaatadaptief ontwerp, wat noodzakelijk is in een tijd waarin we te maken hebben met extremere weersomstandigheden. Hevige stormen, intensievere regenval en periodes van droogte vragen om een doordachte inrichting van de leefomgeving.
Naast het opvangen van klimaatveranderingen heeft groen nog tal van andere voordelen. Door de aanplant van bomen, struiken, gevelgroen, bloemen en kruiden wordt niet alleen verkoeling gecreëerd in de stedelijke omgeving, maar wordt ook het energieverbruik teruggedrongen. Bovendien helpt groen bij de opname van CO2 en de productie van zuurstof. De vertraging van regenwaterafvoer draagt bij aan het voorkomen van wateroverlast, terwijl de biodiversiteit wordt bevorderd.
Tot slot heeft een groene omgeving een positief effect op de gezondheid en het welzijn van mensen. Het nodigt uit tot bewegen, vermindert stress en draagt bij aan een prettige werkomgeving. Door deze duurzame en natuurvriendelijke inrichting wordt het bedrijventerrein niet alleen toekomstbestendig, maar ook een aangename plek voor zowel mens als natuur.
Duurzaam beheren
In het BKP wordt parkmanagement als samenwerkingsverband voorgesteld om het beheer op het bedrijvenpark duurzaam te regelen. Hierbij wordt gedacht aan afvalstromen en hergebruik op het terrein, gebruik van grijs water en gezamenlijke inkoop van duurzame grondstoffen en producten.
Water na een hevige regenbui
Door klimaatverandering nemen hevige regenbuien en wateroverlast toe. Bij nieuwbouw ontstaat meer verhard oppervlak, waardoor water moeilijker weg kan. Om overlast te minimaliseren, kan waterberging worden geïntegreerd in openbaar groen en op kavels. Dit biedt tevens de kans om opgeslagen water te hergebruiken tijdens droogte. Zowel maatregelen in de openbare ruimte als op particuliere percelen spelen hierin een rol. De inrichting van terreinen, afwatering en het type dak (zoals grasdaken) beïnvloeden hoe water wordt opgevangen en afgevoerd.
Temperatuur op zomerse dagen
Door de aanleg van verharde wegen en meer bebouwing zal de temperatuur op zomerse dagen stijgen. Door de juiste keuzes te maken in het ontwerp kan dit effect geminimaliseerd worden, zoals het inpassen van groenstroken, bomen en water. Het is daarom belangrijk dat er genoeg groen en voldoende ruimte is voor water(berging). Ook het toepassen van halfverharding in plaats van volledig gesloten bestrating kan een bijdrage leveren.
Ophogen terrein
Het ophogen van een geheel bedrijventerrein is niet wenselijk. Hoewel water hier op zandgrond goed infiltreert, lijkt het voor de waterberging toch noodzakelijk het terrein in zijn geheel enigszins op te hogen. Uitgangspunt is dat er zo min mogelijk opgehoogd wordt.
Bedrijfskavels en duurzaam bouwen
In het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' worden de volgende uitgangspunten ter inspiratie benoemd:
voeg zoveel mogelijk beplanting toe op de kavel;
zet in op (zichtbare) duurzaamheidsmaatregelen, zoals groene gevels;
het toepassen van groene daken levert een bijdrage aan zowel biodiversiteit als aan wateropvang en -afvoer. Het kan ingezet worden voor watercompensatie;
door zoveel mogelijk toepassen van een open verharding op de ondergrond wordt het regenwater snel geabsorbeerd in de ondergrond;
het toepassen van zonnepanelen en andere duurzaamheidsmaatregelen, zoals bijvoorbeeld windwokkels, dragen bij aan een duurzame inrichting.
In de beeldkwaliteitseisen ten aanzien van gebouwen worden suggesties gedaan waar rekening mee gehouden kan worden. In paragraaf 7.4 'Ruimtelijke kwaliteit en welstand' is een en ander verder uitgewerkt en toegelicht.
Het bestaande bedrijventerrein Rollepaal is een industrieterrein in de zin van de Omgevingswet. Het in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg opgenomen bestemmingsplan Dedemsvaart (zie paragraaf 1.3.2) laat activiteiten toe die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken. Het is de bedoeling dat ook op de uitbreiding van dit industrieterrein met het gebiedsdeel Rollepaal Oost zulke activiteiten die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken mogen plaatsvinden. Daarmee zal dus met het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg waarmee de uitbreiding van het industrieterrein met Rollepaal Oost ook de begrenzing van het industrieterrein veranderen.
Rond het bestaande industrieterrein geldt ook na het in werking treden van de Omgevingswet op 1 januari 2024 de geluidzone die op grond van de voormalige Wet geluidhinder is vastgesteld. Op grond van het overgangsrecht van de Omgevingswet blijft deze zone in stand totdat deze met een wijziging van het omgevingsplan wordt opgeheven en vervangen door het systeem van geluidproductieplafonds. Dit systeem van geluidproductieplafonds komt met het in werking treden van de Omgevingswet in de plaats van het systeem van de geluidzone op grond van de voormalige Wet geluidhinder. De 'ouderwetse' geluidzone blijft op grond van het overgangsrecht in stand zolang er sprake is van een 'bestaand' industrieterrein.
De uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal met Rollepaal Oost maakt dat er geen sprake meer is van een 'bestaand industrieterrein'. Dit brengt met zich mee dat met het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg waarmee de uitbreiding mogelijk wordt gemaakt, ook de 'ouderwetse' geluidzone moet worden vervangen door het systeem van geluidproductieplafonds. Ook deze omzetting wordt met deze wijziging van het omgevingsplan geregeld. In paragraaf 5.2 van deze motivering wordt dit nog verder toegelicht.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 door de minister vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten:
ruimte voor klimaatadaptatie en energiestrategie;
duurzaam economisch groeipotentieel;
sterke en gezonde steden en regio's;
toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur.
In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Wind op zee heeft de voorkeur, maar ook op land zijn windmolens nodig. Door deze zoveel mogelijk te clusteren, voorkomen we versnippering over het landschap en benutten we de ruimte zo efficiënt mogelijk. Voorwaarde is steeds dat bewoners echt goed betrokken zijn en invloed hebben op het gebruik en waar dat kan, meeprofiteren in de opbrengsten.
De aanleg van zonneparken in het landschap moeten zoveel mogelijk worden beperkt. Het Rijk plaatst bij voorkeur eerst zoveel mogelijk zonnepanelen op daken en gevels. Het Rijk zet zich in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
Duurzaam economisch groeipotentieel
Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met onze internationale partners, zowel met onze directe buren als met andere landen in Europa en over de wereld, ook op defensieterrein. Ingezet wordt op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen.
Belangrijk is wel dat de economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. Daarbij wordt ingezet op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat we niet langer afhankelijk zijn van eindige, fossiele bronnen.
Sterke en gezonde steden en regio's
Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk willen we de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid, ook voor mensen met een handicap.
Er wordt naar gestreefd dat de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid verder toeneemt. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Dit levert ook een noodzakelijke positieve bijdrage aan het verbeteren van de biodiversiteit.
Bodemdaling moet worden aangepakt. Verhoging van het waterpeil is in bepaalde veenweidegebieden op termijn noodzakelijk. Met de betrokken regio's en gebruikers wordt afgesproken waar en hoe dit zorgvuldig zal gebeuren. In alle gevallen wordt ingezet op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
De voorgenomen ontwikkeling speelt in ieder geval in op het thema 'Duurzaam economisch groeipotentieel'. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen en (groot)winkelbedrijven moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven, en zo de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. In de volgende hoofdstukken van de voorliggende motivering en in het MER wordt hier nader op ingegaan.
De NOVEX is een uitvoeringsprogramma van het Rijk dat gericht is op het versnellen en integreren van ruimtelijke opgaven in 17 aangewezen NOVEX-gebieden. Hoewel Hardenberg geen NOVEX-gebied is, zijn de uitgangspunten van NOVEX ook relevant voor andere regio?s, zeker bij majeure ruimtelijke ingrepen zoals de uitbreiding van bedrijventerreinen.
NOVEX benadrukt voor bedrijventerreinen de volgende uitgangspunten:
ruimtelijke integratie van economische functies met andere maatschappelijke opgaven (zoals energie, klimaat, mobiliteit);
versnelling van planvorming door betere samenwerking tussen overheden;
gebruik van gebiedsgerichte aanpak en programmatische sturing;
ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid als randvoorwaarde voor uitbreiding.
Hoewel Dedemsvaart buiten de NOVEX-gebieden valt, kunnen de volgende NOVEX-principes beleidsmatig onderbouwend zijn:
gebiedsgericht werken: de uitbreiding moet passen binnen de regionale ontwikkelstrategie van Overijssel en de gemeentelijke omgevingsvisie van Hardenberg;
versnelling en afstemming: samenwerking met provincie, waterschap en netbeheerders is cruciaal voor tijdige realisatie;
ruimtelijke kwaliteit: de uitbreiding moet bijdragen aan een toekomstbestendig bedrijventerrein, met aandacht voor klimaatadaptatie, energie-infrastructuur en landschappelijke inpassing.
Hoewel Dedemsvaart niet is aangewezen als een NOVEX-gebied is de uitbreiding van het bedrijventerrein in Dedemsvaart in lijn met NOVEX:
verantwoording van de locatiekeuze (zie paragraaf 2.2.1.2 'Locatiekeuze');
afstemming met bovenlokale belangen (zie paragraaf 11.2 'Maatschappelijke uitvoerbaarheid');
duurzame inrichting en meervoudig ruimtegebruik (zie paragraaf 7.4 'Ruimtelijke kwaliteit en welstand' en 7.5 'Duurzaamheid en klimaatadaptatie').
De ontwerp-Nota Ruimte is de nieuwe Nationale Omgevingsvisie en vervangt de NOVI. Het document biedt richtinggevende kaders voor ruimtelijke ontwikkeling tot 2050 en is bindend voor het Rijk, richtinggevend voor andere overheden. De Nota hanteert een integrale benadering van maatschappelijke opgaven zoals economie, energie, klimaat, water, bodem en leefomgevingskwaliteit.
Relevantie voor bedrijventerreinen
Bedrijventerreinen worden in de Nota Ruimte erkend als essentieel voor:
werkgelegenheid en innovatie;
circulaire economie en energietransitie;
ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat.
Het Rijk zet in op de bescherming van bestaande terreinen, intensiever gebruik en op strategische uitbreiding, mits ruimtelijk zorgvuldig ingepast en afgestemd op regionale behoefte.
Regionale strategie: VISTA - Versterken
Dedemsvaart ligt in een regio met de VISTA-strategie ‘Versterken’. Dit betekent dat uitbreiding beleidsmatig verdedigbaar is indien:
er regionale economische vraag is en een tekort aan uitgeefbare kavels;
de uitbreiding bijdraagt aan circulaire bedrijvigheid, energie-infrastructuur en duurzame inrichting;
de locatie goed ontsloten is via bestaande infrastructuur (weg, spoor, energie);
er rekening wordt gehouden met het water- en bodemsysteem, klimaatadaptatie en milieuzonering.
Ruimtelijke principes
De Nota Ruimte hanteert drie leidende principes:
De uitbreiding van het bedrijventerrein in Dedemsvaart is in lijn met de ontwerp-Nota Ruimte:
er is een duidelijke economische onderbouwing is (zie paragraaf 7.2 'Ladder voor duurzame verstedelijking';
de ontwikkeling wordt duurzaam en klimaatadaptief vormgegeven (zie paragraaf 7.5 'Duurzaamheid en klimaatadaptatie');
er wordt zorgvuldig wordt omgegaan met ruimtelijke kwaliteit, infrastructuur en milieueffecten (zie hoofdstukken 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 van de voorliggende motivering).
In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie staan alle projecten en maatregelen die ervoor gaan zorgen dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Het plan is ingevuld voor de komende zes jaar en voor de zes jaar daarna op hoofdlijnen. Het biedt ook een doorkijk tot 2050.
Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is onderdeel van het jaarlijkse Deltaprogramma. Hierin staat hoe gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk het proces van ruimtelijke adaptatie willen versnellen en intensiveren. Daarvoor zijn zeven ambities in dit deltaplan opgenomen. Het deltaplan geeft aan welke doelen de partijen nastreven, hoe ze daaraan gaan werken en hoe ze de resultaten in beeld brengen. Bij het deltaplan hoort een actieplan met concrete acties en maatregelen. De overheden werken met elkaar samen in 42 werkregio's.
Ten behoeve van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de relevante instructie,- en beoordelingsregels uit het Bkl. Navolgend wordt een aantal van de relevante instructie- en beoordelingsregels beknopt weergegeven.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en de decentrale overheden, waaronder de gemeente in het omgevingsplan. In het Bkl worden in hoofdstuk 5 instructieregels gegeven aan de gemeente voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ten behoeve van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de relevante instructie,- en beoordelingsregels uit het Bkl. Navolgend wordt een aantal van de relevante instructie- en beoordelingsregels beknopt weergegeven.
Een omgevingsplan dient te voldoen aan de Dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl). De Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG) heeft tot doel het vrije verkeer van diensten op de interne markt te vergemakkelijken en stelt daartoe eisen aan de lidstaten. De Dienstenrichtlijn is van toepassing op diensten, hieronder valt bijvoorbeeld de vestiging van detailhandel, dienstverlening, horeca en kantoren.
De Dienstenrichtlijn stelt dat er niet zomaar nadere eisen kunnen worden gesteld aan diensten die zich mogen vestigen. Uit de ontwikkelde jurisprudentie is gebleken dat het stellen van eisen mogelijk is, maar dat deze eisen wel moeten worden onderbouwd volgens de systematiek van de Dienstenrichtlijn.
Dit is neergelegd in artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn. Die bepaling luidt als volgt: 'De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen:
discriminatieverbod:
de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel;
noodzakelijkheid:
de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
evenredigheid:
de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt.
Toetsing aan de instructieregels
In de voorliggende wijziging van het omgevingsplan zijn ten aanzien van diensten op Rollepaal Oost de volgende vestigingsbeperkingen opgenomen:
zakelijke dienstverlening wordt op Rollepaal Oost niet mogelijk gemaakt;
binnen de toegestane bedrijfsactiviteiten worden uitsluitend (ondergeschikte) kantoren toegestaan ten behoeve van de bedrijfsactiviteit;
zelfstandige horeca wordt op Rollepaal Oost niet mogelijk gemaakt;
ondergeschikte horeca ten dienste van een bedrijfsactiviteit wordt uitsluitend toegestaan gericht op het verstrekken van (eenvoudige) etenswaren en dranken aan de reguliere gebruikers van het bedrijf, zoals een kantine;
(grootschalige) detailhandel is op het bedrijventerrein niet mogelijk.
ondergeschikte detailhandel ten dienste van een bedrijfsactiviteit is wel mogelijk.
Ad a. discriminatieverbod
Voor deze vestigingsbeperkingen is het discriminatieverbod niet aan de orde; de maatregel discrimineert niet naar nationaliteit of statutaire vestigingsplaats.
Ad b. noodzakelijkheid
Vanuit het noodzakelijkheidscriterium volgt de eis dat een maatregel noodzakelijk moet zijn vanwege een dwingende reden van algemeen belang om de vestigingsbeperking op te leggen (het doel). Dit volgt doorgaans uit het vastgestelde beleid.
In Hardenberg is in dat opzicht de 'Omgevingsvisie Landstad Hardenberg' richtinggevend:
Door de strategische ligging is Hardenberg een logistieke hotspot in de regio. De sterk ontwikkelde agribusiness en industriesector vormen de kern van de gemeentelijke economie
Hardenberg streeft ernaar om bovenregionale bedrijven met een grote ruimtevraag (vooral in de maakindustrie) te kunnen bedienen om zo uit te kunnen groeien tot een van de werkgelegenheidsmotoren in Oost Nederland. Daarnaast wil Hardenberg ruimte maken voor de uitbreiding van lokale bedrijven en logistieke bedrijven in de regio. In paragraaf 3.6 en 7.2 komt dit aan de orde.
Om ondernemers aan te trekken moet Hardenberg voortdurend aandacht hebben voor het aanbieden van een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Daarbij wordt uitgegaan van de eigen onderscheidende waarden, zoals beschikbare ruimte, speerpuntsectoren, kwalitatief goede maatschappelijke, culturele, commerciële en onderwijsvoorzieningen, een goede bereikbaarheid, aantrekkelijke omgeving en een doenersmentaliteit.
een vitaal centrumgebied in Hardenberg en Dedemsvaart
De omgevingsvisie is verder uitgewerkt in andere documenten, zoals opgenomen in paragraaf 3.6.
De omgevingsvisie en het beleid dat in andere documenten is opgenomen, wordt als volgt naar Rollepaal Oost vertaald:
Het is van belang dat de bestaande voorraad in Hardenberg blijft voldoen aan de eisen van de tijd. Voor nieuwe vraag is nieuwe ruimte nodig. Voor Rollepaal is het van belang om gronden primair beschikbaar te hebben voor bedrijvigheid. De uitbreiding Rollepaal Oost draagt bij als de bedrijvigheid wordt gecombineerd met dienstverlening, horeca en kantoren als ondersteuning hiervan en dus in beperkte omvang.
Uit de Omgevingsvisie en vastgestelde bestemmingsplannen voor de centrumgebieden, de woonwijken en bedrijventerreinen die deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, blijkt dat Hardenberg de vitaliteit van de locaties van groot belang acht en daarin heldere keuzes maakt waar welke functies zijn toegestaan. Het gaat dan om enerzijds de binnenstad bedoeld voor dienstverlening en horeca en anderzijds bijvoorbeeld bedrijventerreinen en percelen langs hoofdroutes voor zelfstandige kantoren. Door deze zorgvuldige toedeling van functies aan gebieden en locaties behoudt Hardenberg een vitale en herkenbare stedelijke structuur. Dit wordt vertaald in het in beperkte mate en als ondergeschikt toestaan van dienstverlening, horeca en kantoren op Rollepaal Oost.
Uit het voorgaande volgt dat het opnemen van de voorgestelde vestigingsbeperkingen in de regeling van het omgevingsplan noodzakelijk is.
Ad c. evenredigheid
Uit het evenredigheidscriterium volgt dat een vestigingsbeperking als maatregel aan het volgende moet voldoen:
1. de maatregel is aantoonbaar geschikt en effectief om het doel te bereiken;
2. de maatregel wordt coherent en systematisch nagestreefd/toegepast;
3. de maatregel gaat niet verder dan nodig om het doel te bereiken;
4. het doel kan niet met andere, minder vergaande maatregelen met betrekking tot het beperken van de mogelijkheden binnen het omgevingsplan, worden bereikt.
Ad 1. De maatregel is aantoonbaar geschikt en effectief om het doel te bereiken
Het opnemen van de vestigingsbeperkingen zoals die deel gaan uitmaken van de regeling in het omgevingsplan, is uitermate geschikt en effectief om het doel van om het concept van het businesspark te bereiken. Primair gaat het om vestiging van grootschalige bedrijvigheid. Dan is het logisch om de vestigingsmogelijkheden voor andere functies te beperken.
De paragrafen 3.6 en 7.2, bevatten hiervoor de onderbouwing met specifieke gegevens, zoals door de jurisprudentie vereist.
Ad 2. De maatregel wordt coherent en systematisch nagestreefd/toegepast
In Hardenberg is het gebruikelijk dat bedrijventerreinen hoofdzakelijk voor bedrijvigheid worden bestemd. Tegelijkertijd wordt dit gecombineerd met het aanwijzen van bijvoorbeeld specifieke dienstverlenings- en kantoorlocaties binnen de bedrijventerreinen met als ruimtelijk motief de inpasbaarheid in de omgeving. Op de aangewezen locaties passen deze functies bij uitstek in de stedelijke structuur. Ook voor dienstverlenings- en kantoorlocaties elders in de stad, zoals in de binnenstad en op Haardijk, zorgt de gemeente voor een heldere stedelijke structuur. Horeca is toegestaan in het centrum van Hardenberg en Dedemsvaart en op enkele specifieke locaties.
In de bestemmingsregelingen voor bedrijventerreinen die deel uitmaken van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan is het binnen de gemeente gebruikelijk dat voor afwijkende functies een specifieke regeling is opgenomen. In het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Bruchterweg - Nieuwe Haven' bijvoorbeeld in artikel 3 Bedrijf, lid 1 voor zelfstandige kantoor- en detailhandelfuncties en maatschappelijke voorzieningen een aparte aanduiding met bijbehorende regeling opgenomen.
Vergelijkbare bepalingen met een aanduiding zijn opgenomen in de bestemming Bedrijventerrein (artikel 7.1) van het bestemmingsplan Dedemsvaart. Zelfstandige kantoren zijn op het bestaande deel van het bedrijventerrein Rollepaal ook niet toegestaan.
Het opnemen van vestigingsbeperkingen voor dienstverlening, kantoren en horeca wordt in het omgevingsplan voor bedrijventerreinen in Hardenberg coherent en systematisch toegepast.
Ad 3. De maatregel gaat niet verder dan nodig om het doel te bereiken
De vestigingsbeperkingen voorkomt dat een belangrijk deel van Rollepaal Oost voor vestiging van andere functies dan bedrijvigheid wordt benut, terwijl juist reservering voor die bedrijvigheid nodig is. Tevens waarborgen de vestigingsbeperkingen dat die andere functies op de daarvoor bestemde locaties elders in Hardenberg of Dedemsvaart worden gesitueerd. De maatregel gaat dan ook niet verder dan nodig is.
Ad 4. Het doel kan niet met andere, minder vergaande maatregelen met betrekking tot het beperken van de mogelijkheden binnen het omgevingsplan, worden bereikt
Er zijn geen flankerende maatregelen denkbaar in de sfeer van het aantrekkelijker maken van het centrumgebied of een kantorenpark als tegelijkertijd de deur wordt opengezet voor zelfstandige horeca- of kantorenvestiging op Rollepaal Oost.
In jurisprudentie is het beginsel aanvaard dat flankerende maatregelen ontoereikend zijn om te voorkomen dat functies zich elders vestigen buiten de aangewezen locaties als die mogelijkheid wordt geboden. Het doel kan dan ook niet met andere, minder vergaande maatregelen met betrekking tot het beperken van de mogelijkheden binnen het omgevingsplan, worden bereikt.
Conclusie
De reservering voor grootschalige bedrijvigheid in combinatie met beperkte toelaatbaarheid van dienstverlening, horeca en kantoren is evenredig. De reservering voor bedrijvigheid in combinatie met beperkte toelaatbaarheid van dienstverlening, horeca en kantoren voldoen aan het discriminatieverbod, het noodzakelijksheidscriterium en evenredigheidscriterium in artikel 15, derde lid onder a, b en c van de Dienstenrichtlijn.
3.2.1.2.2 Waarborgen van veiligheid
Op grond van het Bkl moet in een omgevingsplan rekening worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises, zoals bepaald in de Wet veiligheidsregio's. Bovendien dient er rekening te worden gehouden met brandvoorschriftengebied en explosievoorschriftengebied, aangezien deze aspecten voorkomen in het plangebied.
Toetsing aan de instructieregels
In hoofdstuk 4 'Waarborgen van de veiligheid' wordt beschreven op welke wijze in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan rekening wordt gehouden met de diverse risico's zoals bepaald in de Wet veiligheidsregio's.
Waar nodig wordt in de regels van het omgevingsplan grenswaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico van toegestane activiteiten op het bedrijventerrein. Tevens wordt rekening gehouden met een brandaandachtsgebied vanwege de mogelijke vestiging van een waterstoftankstation op het nieuwe bedrijventerrein.
Een en ander wordt nader toegelicht in hoofdstuk 4 'Waarborgen van de veiligheid' van deze motivering.
Geluidsproductieplafonds
Op grond van het Bkl wordt de begrenzing van een geluidgezoneerd industrieterrein, waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, vastgelegd in het omgevingsplan. Daarnaast bevat het omgevingsplan regels over activiteiten gericht op het voldoen aan de geluidproductieplafonds die als omgevingswaarden zijn vastgesteld voor een geluidgezoneerd industrieterrein.
Toetsing aan de instructieregels
In de regels behorende bij dit omgevingsplan worden de geluidproductieplafonds als omgevingswaarde vastgesteld. Bovendien bevat het plan regels over activiteiten gericht op het voldoen aan de geluidproductieplafonds. In paragraaf 5.2 'Geluid' wordt hier verder op ingegaan.
Verhoging van de verkeersintensiteit
Als de wijziging van een omgevingsplan een verhoging van de verkeersintensiteit op een weg of spoorweg veroorzaakt dan dient op grond van het Bkl ervoor gezorgd te worden dat de geluidstoename op geluidgevoelige gebouwen niet meer bedraagt dan 1,5 dB.
Toetsing aan de instructieregels
In paragraaf 5.2 'Geluid' wordt ingegaan op de toename van het geluid op omliggende woningen en andere geluidgevoelige bebouwing.
3.2.1.2.4 Waarborgen bodemkwaliteit
Op grond van het Bkl worden normen vastgesteld voor de aanvaardbare bodemkwaliteit bij de bouw van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Het omgevingsplan kan verschillende normen bevatten voor de toelaatbare bodemkwaliteit op bodemgevoelige locaties, afhankelijk van het gebied of de gebruiksfunctie.
Toetsing aan de instructieregels
In de regels behorende bij de wijziging van dit omgevingsplan wordt de bodemkwaliteit als omgevingswaarde vastgesteld. In paragraaf 5.4 'Bodemkwaliteit' wordt hier verder op ingegaan.
3.2.1.2.5 Waarborgen cultureel erfgoed
Op grond van het Bkl dient in een omgevingsplan rekening te worden gehouden met het behoud van cultureel erfgoed, inclusief archeologische monumenten. Bovendien bevat het omgevingsplan regels ter bescherming van relevant cultureel erfgoed.
Toetsing aan de instructieregels
In paragraaf 7.1 'Cultureel erfgoed' en paragraaf 7.3 'Landschappelijke waarden' wordt beschreven hoe rekening wordt gehouden met cultuurhistorie en archeologie. In de planregels worden de waarden waar nodig geborgd.
3.2.1.2.6 Waarborgen behoud ruimte voor toekomstige functies
In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden diverse waarborgen benoemd die voor de voorliggende wijziging van het omgevingsplan niet relevant zijn.
Toetsing aan de instructieregels
In paragraaf 9.1 wordt hier nader op ingegaan.
In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Daarbij staat ook of voor die activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is en wie het bevoegde gezag is. Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving.
Het Bal bepaalt niet dat zaken in het omgevingsplan geregeld moeten worden. Het is eerder andersom; indien het Bal een onderwerp uitputtend/volledig regelt, mag daarover in het omgevingsplan niets worden opgenomen. Op grond van het Bal bestaat de mogelijkheid om maatwerkregels te stellen. Het Bal geeft de randvoorwaarden waarbinnen maatwerkregels mogen worden gesteld. Maatwerk is niet mogelijk voor het aanwijzen van de milieubelastende activiteit, dus een milieubelastende activiteit blijft een milieubelastende activiteit op grond van het Bal. Ook mag een vergunningplicht niet worden gewijzigd in een meldplicht of vergunningvrij gemaakt worden (aanvullende vergunningplichten voor omgevingsplanactiviteiten mogen wel).
Ten aanzien van de uitbreiding van het bedrijventerrein is in het kader van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan een toetsing uitgevoerd aan de regels uit het Bal.
Milieubelastende activiteiten
In het Bal is een lijst opgenomen met de beoogde milieubelastende activiteiten waaronder een aantal die op Rollepaal Oost worden voorzien en waarvoor in het Bal inhoudelijke regels zijn opgenomen.
Toetsing aan de instructieregels
Geconcludeerd wordt dat het Bal in eerste instantie geen regels bevat die opgenomen moeten worden in een omgevingsplan. Indien het Bal een onderwerp volledig regelt, mag een omgevingsplan daarover niets regelen. Op dit moment is nog geen keuze gemaakt om maatwerk mogelijk te maken.
Beperkingengebiedactiviteiten
In het Bal zijn regels opgenomen ten aanzien van 'beperkingengebiedactiviteiten' met betrekking tot rijkswegen en hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en bijzondere spoorwegen.
Toetsing aan de instructieregels
Uit de beschrijving van het plangebied blijkt dat deze specifieke vormen van infrastructuur niet in of rond het plangebied aanwezig zijn.
De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt richt zich op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren.
De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.
Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.
Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig.
Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving.
In voorliggende motivering wordt in de volgende hoofdstukken aangetoond op welke wijze invulling wordt gegeven aan de ambities uit de provinciale Omgevingsvisie.
In de nieuwe Omgevingsvisie Overijssel wordt beschreven waar Overijssel, in nauwe samenwerking met medeoverheden, partners, ondernemers en inwoners, naartoe wil op de middellange en lange termijn (2035-2050). Deze Omgevingsvisie biedt doelen, kaders en houvast voor invulling van de uitdagingen waar de provincie voor staat. En voor de wijze waarop de uitvoering in gebiedsprocessen en met beleids- en/of uitvoeringsprogramma’s gaat plaatsvinden. Alle opgaven naast elkaar in de ruimte plaatsen gaat niet passen. De oplossing zit in zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, samenhangende oplossingen en verweving van opgaven.
Omdat niet alles overal (meer) kan, is het nodig om keuzes te maken. Deze Omgevingsvisie biedt houvast bij het maken van keuzes. Daarom wordt gekozen voor de volgende Leidende Principes:
duurzaam omgaan met de beschikbare ruimte en voorraden;
water en bodem sturend maken in de ruimtelijke inrichting;
inzetten op krachtige DUS-regio’s (Daily Urban System);
voortbouwen op bestaande sterke netwerken.
Met de concept Omgevingsvisie als kader worden in nauw overleg met gebiedspartners in de uitvoering oplossingen gezocht in gebiedsprocessen en in beleids- en/of uitvoeringsprogramma?s
In voorliggende motivering wordt in de volgende hoofdstukken aangetoond op welke wijze invulling wordt gegeven aan de ambities uit de provinciale Omgevingsvisie.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van de Europese Unie, het Rijk of de provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater of droge voeten te kunnen garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties.
Ook wordt in deze fase de zogenaamde 'Overijsselse Ladder voor duurzame verstedelijking' gehanteerd. Deze Overijsselse Ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze aan de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse Ladder voor duurzame verstedelijking.
Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen. Gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te waarborgen zien op reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.
Waar- Ontwikkelingsperspectieven
Indien in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toetsing aan de ontwikkelingsperspectieven plaats. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat op welke plek ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, worden ze consistent vertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
Hoe - Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, of hier behoefte aan is, waar deze past in de ontwikkelingsvisie en hoe deze uitgevoerd kan worden. figuur 3.1 geeft dit schematisch weer.

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel, ontstaat globaal het volgende beeld.
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend.
In paragraaf 3.1 en 3.3 wordt het plan getoetst aan het rijks,- en provinciaal beleid. In deze hoofdstukken is geconcludeerd dat het plan sluit aan bij de generieke beleidskeuzes.
Ontwikkelperspectieven
Het plangebied ligt in een gebied aangewezen als 'Bedrijventerreinen in steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken en streekcentra'. Ontwikkelingen op of rond bedrijventerreinen dragen bij aan het versterken van het vitale karakter en de kwaliteit van de terreinen, aan het verbinden van het terrein met de omgeving, en aan het versterken van de profilering met respect voor het verstedelijkingspatroon.
In paragraaf 7.4 'Ruimtelijke kwaliteit en welstand' wordt aangegeven op welke wijze de uitbreiding van het bedrijventerrein bijdraagt aan de versterking van het vitale karakter en de kwaliteit van het terrein met respect voor het verstedelijkingspatroon.
Gebiedskenmerken
De aanwezige gebiedskenmerken in zowel de Groene als de Stedelijke Omgeving zijn onderscheiden in vier lagen;
Natuurlijke laag (in en op de bodem);
Laag van het agrarisch cultuurlandschap (grootschalig gebruik en inrichting van de bodem);
Stedelijke laag (bebouwing en infrastructuur);
Laag van de beleving (beleving, toerisme, cultuurhistorie en landgoederen).
Natuurlijke laag - Hoogveengebied
Vanuit linten werd het omringende hoogveengebied grotendeels ontgonnen voor landbouwdoeleinden. Initieel werden kleine verkavelingen gebruikt zonder diepe afwateringskanalen, wat later resulteerde in grootschalige ontginning en integratie in het veenkoloniale landschap.
Voor de overgebleven hoogveenontginningslandschappen is het doel om ze als herkenbare eenheden te behouden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen bieden de linten met kavelbeplantingen kansen voor een gevarieerde woon- en werkomgeving. Dubbele lintstructuren kunnen de woon- en recreatieve kwaliteiten verder verbeteren.
Ontwikkelingen nabij resterende hoogveengebieden dragen bij aan een betere hydrologie om uitdroging te voorkomen en kunnen de natuurkwaliteit en het levende hoogveengebied vergroten. Deze principes leiden (her)inrichtingsplannen.
Laag van agrarische cultuurgrond - Veenkoloniaal landschap
Hoogveen ontstaat natuurlijk door abiotische processen zoals ijs-, wind- en waterstromen, erosie en sedimentatie, evenals biotische processen zoals de vestiging van plant- en diersoorten op de bodem en geologie. Het ontstaat met name op natte delen waar water moeilijk kan wegstromen. Oorspronkelijk waren dit uitgestrekte natte gebieden met veengroei, beïnvloed door regenwater. In de buurt van het plangebied is het hoogveen ontgonnen, waarbij enkele veenpakketten nog steeds in de bodem zijn achtergebleven.
De bestaande bebouwing en wegenstructuren blijven ongewijzigd.
Stedelijke laag - Bedrijventerreinen
Deze gebieden zijn door de provincie aangewezen voor bedrijventerreinen. De ontwikkeling van de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost wordt mogelijk gemaakt binnen de stedelijke laag 'bedrijventerreinen'.
Laag van beleving - donkerte
De donkere gebieden zijn plekken waar het 's avonds nog echt donker is en waar je de sterren goed kunt waarnemen. Het behouden van deze duisternis wordt als een waardevolle eigenschap beschouwd. De ambitie is om de huidige 'donkere' gebieden minimaal zo donker te houden, met alleen het noodzakelijke gebruik van kunstlicht.
Een deel van het plangebied - met name het uitbreidingsterrein - is gelegen in de laag donkerte. Met de ontwikkeling wordt rekening gehouden door zo min mogelijk kunstlicht toe te passen, hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan.
Het Provinciaal Programma Energiestrategie (PPE) is een instrument van Gedeputeerde Staten om de provinciale ambities uit de Regionale Energiestrategie (RES) te realiseren. Het programma is een uitwerking van de kaders die door Provinciale Staten zijn/worden vastgesteld in de Omgevingsvisie en -verordening.
Instructieregels verplichten gemeenten om bij het aanpassen van hun omgevingsplan rekening te houden met wat de provincie belangrijk vindt. In de verordening zijn de voorkeursgebieden voor wind in de provincie opgenomen.
Het plangebied is gelegen in 'Gebieden met ruimte voor windenergie onder voorwaarden'. Het plan maakt geen nieuwe windmolens mogelijk en is daarom niet in strijd met het Provinciaal Programma Energiestrategie 2024.
Het Regionaal Waterprogramma Overijssel 2020 is bedoeld als een concrete uitwerking van het regionaal waterbeleid binnen de provincie Overijssel. Het Regionaal Waterprogramma is een verplicht programma in het kader van de Omgevingswet.
Het strategische waterbeleid (de beleidshoofdlijnen) is opgenomen in de Omgevingsvisie (actualisatie Omgevingsvisie Overijssel 2019/2020). Het Regionaal Waterprogramma is uitvoeringsgericht en bevat concrete maatregelen. Het provinciale waterbeleid in Omgevingsvisie en Regionaal Waterprogramma vormt tezamen het beleidsmatig kader voor alle regionale oppervlaktewateren en het regionaal grondwater, en daarmee het regionaal waterbeheer.
De inhoud van dit Regionaal Waterprogramma kent de volgende verplichte onderdelen:
Europese waterrichtlijn
De uitvoering van de Europese waterrichtlijn wordt nader toegelicht in het hoofdstuk 6 ‘Bescherming van de waterbelangen’. Het gebied is niet gelegen in een aangewezen KRW-oppervlaktelichaam.
Maatschappelijke functie drinkwateronttrekking
De provincie heeft een wettelijke verantwoordelijkheid voor het beleid voor het beheer van de grondwatervoorraad, waarbij de waterschappen optreden als beheerder. De inzet is om de voorraad grondwater zo groot mogelijk te houden en zo verantwoord mogelijk te gebruiken. Er mag niet meer grondwater worden onttrokken dan wordt aangevuld om een structurele daling van de grondwaterstand te voorkomen.
Naast het beheer van de grondwatervoorraad is ook de kwaliteit van belang en wil de provincie de kwaliteit van grondwater beschermden dat gebruikt wordt voor menselijke consumptie. De meest doelmatige bescherming is, in lijn met de milieubeginselen zoals vastgelegd in de Omgevingswet, preventie via de verbodsbepalingen in de verordening en is gericht op ruimtelijke functies die risico hebben voor grondwaterverontreiniging.
Het plan maakt geen nieuwe activiteiten nodig die grondwater zullen onttrekken. Bovendien is het plangebied niet gelegen in een drinkwaterbescherming of waterwinningsgebied.
In het ontwerp van het Regionaal Waterprogramma Overijssel 2026-2030 wordt ingezet op een klimaatrobuust water- en bodemsysteem, waarbij water en bodem sturend zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen. De grenzen van de maakbaarheid zijn bereikt: niet alles kan overal, en het natuurlijke systeem bepaalt waar functies zoals wonen, werken en bedrijventerreinen mogelijk zijn.
Het provinciaal beleid richt zich op het voorkomen van wateroverlast, het waarborgen van voldoende en schoon (zoet)water voor landbouw, natuur, industrie en drinkwater, en het versterken van gezonde bodems. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals uitbreiding van bedrijventerreinen, is het essentieel om vroegtijdig de waterschappen te betrekken en te toetsen op waterveiligheid, waterbeschikbaarheid en klimaatrobuustheid.
Het programma onderstreept het belang van integrale samenwerking tussen provincie, gemeenten, waterschappen en andere stakeholders. Klimaatadaptatie en het principe “functie volgt peil” zijn leidend: functies moeten zich aanpassen aan de natuurlijke grondwaterstanden en niet andersom. Voor bedrijventerreinen betekent dit dat locatiekeuze, inrichting en bouwwijze moeten bijdragen aan het vasthouden van water, het voorkomen van hittestress en het minimaliseren van negatieve effecten op water- en bodemsysteem. Het RWP biedt een beleidskader dat aansluit bij Europese richtlijnen (KRW, Grondwaterrichtlijn, Drinkwaterrichtlijn) en de Omgevingswet, en stimuleert duurzame, toekomstbestendige keuzes. Alleen op locaties waar het water- en bodemsysteem dit toelaat en waar klimaatrobuuste maatregelen zijn geborgd, kan verantwoorde groei plaatsvinden.
Water en bodem zijn mede sturend geweest bij de locatiekeuze en inrichting van het plangebied. Zoals eerder aangegeven maakt het plan geen nieuwe activiteiten nodig die grondwater zullen onttrekken. Bovendien is het plangebied niet gelegen in een drinkwaterbescherming of waterwinningsgebied. Er worden maatregelen getroffen tegen hittestress, zoals vergroening van het terrein (bomen, struiken, groene daken), het beperken van verharding en het creëren van schaduwrijke plekken.
Waar nodig worden in de regels van het omgevingsplan eisen opgenomen voor waterberging, infiltratie, beperking van verharding en vergroening.
Aantrekkelijke, toekomstbestendige bedrijventerreinen zijn belangrijk voor ondernemers. Investeren in duurzame terreinen is waardevol. Niet alleen voor de maatschappij, maar ook voor ondernemers en werknemers. Veel ondernemers zien verduurzaming van hun bedrijf of bedrijventerrein daarom als een mooi perspectief.
De provincie Overijssel heeft kwalitatieve ambities voor ontwikkeling van duurzame en toekomstbestendige bedrijventerreinen en is samen met MKB Nederland Midden en VNO-NCW Midden betrokken bij een brede aanpak voor toekomstbestendige bedrijventerreinen in Overijssel. Als onderdeel daarvan zijn twee handreikingen opgesteld voor het verder verduurzamen van bedrijventerreinen: één voor bestaande gebouwen en terreinen en één voor nieuwe gebouwen en terreinen.
Ten behoeve van het voorliggende omgevingsplan wordt de uitbreiding voor Rollepaal Oost getoetst aan de 'Handreiking duurzame bedrijventerreinen, nieuwe gebouwen en terreinen'.
In de handreiking wordt een overzicht gegeven van goed toepasbare, fysieke maatregelen op het gebied van duurzame energie, biodiversiteit en klimaatadaptatie. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen maatregelen bedoeld voor de binnenkant van gebouwen, maatregelen voor de buitenkant van gebouwen en maatregelen bedoeld voor de buitenruimte:
Binnenkant gebouw
De maatregelen hebben vooral betrekking op energieverbruik van de nieuwe bedrijven op Rollepaal Oost. Daarbij wordt gedacht aan verlichting, isolatie, het gebruik van warmtepompen, lage temperatuurverwarming, warmte- en koudeopslag (WKO), het gebruik van restwarmte en (her)gebruik van regenwater.
Buitenkant gebouw
De maatregelen in de handreiking gaan vooral over het dak en de gevel van het bedrijfsgebouw. Ze leveren vaak een bijdrage aan zowel de bedrijfsvoering als aan de omgeving. Daarbij wordt gedacht aan zonnepanelen, mini-windturbines op het dak, het gebruik van witte daken, het gebruik van groene daken, groene gevels en ventilatie.
Buitenruimte van gebouwen
In de handreiking wordt gedacht aan het vergroenen van de bedrijfskavel of erfafscheiding of het toevoegen van water en beplanting. De maatregelen in de buitenruimte zijn onderdeel van de totale inrichting van het terrein en bepalen hoe het bedrijventerrein aansluit op de omgeving.
Met de maatregelen wordt ook een bijdrage geleverd aan de Sustainable Development Goals (SDG's) die in het kader van de 'agenda voor duurzame ontwikkeling' in 2015 door de Verenigde Naties zijn vastgesteld. Verder komen in de handreiking de thema's 'circulaire economie' en 'duurzame mobiliteit' aan bod. De provincie geeft algemene principes waar bedrijven rekening mee kunnen houden.
In het ‘Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost’ en het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt ingegaan op de maatregelen ten behoeve van de betreffende thema's.
Het plan voldoet aan de uitgangspunten van het provinciaal beleid.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Daarbij gaat het om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Een van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken, is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor onderwerpen waarvoor de provincie er waarde aan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
Voor de beoogde ontwikkeling zijn diverse instructieregels van toepassing. Navolgend zijn de relevante instructieregels opgenomen. Door middel van verwijzingen wordt per instructieregel aangegeven in welk gedeelte de motivering de toetsing te vinden is.
Artikel 4.4 lid 1 (principe van concentratie)
In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.
In paragraaf 7.2 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt aangetoond dat met de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein wordt voorzien in de lokale behoefte.
Artikel 4.6 (toekomstbestendigheid)
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn. Bovendien dient het plan geen negatieve effecten te hebben op de gezondheid en het milieu van mensen.
In paragraaf 7.2 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt toegelicht dat het bedrijventerrein rekening houdt met de behoefte van de toekomstige generaties en voorziet in economische welvaart. In hoofdstuk 5 'Bescherming van gezondheid en milieu' en in de Milieueffectrapportage (hoofdstuk 10) wordt aangetoond dat het plan geen negatieve effecten heeft op het welzijn van mensen.
Artikel 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijk beleid)
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.
In het hoofdstuk 7 'Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed' wordt aangetoond op welke wijze het voorliggende plan een bijdrage levert aan het versterken van de landschappelijke kwaliteiten.
Artikel 4.9 lid 1 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit)
Omgevingsplannen moeten een onderbouwing bevatten waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin het provinciale uitvoeringsmodel wordt toegepast. Bovendien is een motivatie nodig waarom de ontwikkeling past binnen het provinciale ontwikkelingsperspectief.
In de paragraaf 3.3.3 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel' en paragraaf 7.4 'Ruimtelijke kwaliteit en welstand' wordt de ontwikkeling getoetst aan het uitvoeringsmodel. Aangetoond wordt dat het plan voldoet aan de uitgangspunten.
Artikel 4.10 lid 1 (normerende en richtinggevende uitspraken)
In het omgevingsplan worden de normerende en de richtinggevende uitspraken in acht genomen die de catalogus Gebiedskenmerken doet over het plangebied.
In paragraaf 7.3 'Landschappelijke waarden' wordt nader toegelicht hoe met de voorliggende ontwikkeling rekening wordt gehouden met de richtinggevende en normerende uitspraken over het 'open veenontginningslandschap'.
Artikel 4.11 lid 1 (kwaliteitsimpuls Groene Omgeving)
Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als:
daarvoor sociaal-economische of maatschappelijke redenen voor zijn;
het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; en
in het geval de nieuwvestiging of een grootschalige uitbreiding plaatsvindt op gronden binnen het ontwikkelingsperspectief 'Ondernemen met Natuur en Water' de compensatie bedoeld in onderdeel b gericht is op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.
De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen de 'Groene omgeving'. Zowel in de laddertoets in paragraaf 7.2, in hoofdstuk 8'Natuurbescherming' als in de Milieueffectrapportage (hoofdstuk 10) wordt aangetoond dat er sociaal-economische of maatschappelijke reden zijn voor de beoogde ontwikkeling. Ook wordt aangegeven op welke wijze het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden wordt gecompenseerd.
Artikel 4.12 lid 1 en 2 (cultureel erfgoed)
In omgevingsplannen moet rekening worden gehouden met de cultuurhistorische en archeologische waarden die in het gebied aanwezig zijn.
In paragraaf 7.1 'Cultureel erfgoed' wordt beschreven op welke wijze rekening wordt gehouden met de aanwezige waarden.
Artikel 4.13 lid 1 en 2 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem)
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.
Met ontwikkelingen in het landelijk gebied moet beschreven worden hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal waterperspectief.
Het klimaatrobuust water,- en bodemsysteem wordt onderbouwd in hoofdstuk 6'Bescherming van de waterbelangen'. Met de uitbreiding van het bedrijventerrein wordt voldoende rekening gehouden met de uitgangspunten van klimaatrobuuste inrichting.
Artikelen 4.23 lid 1 en 4.24 lid 1 (afspraken bedrijventerrein, aanleg bedrijventerrein in afwijking van afspraken)
Een nieuw bedrijventerrein wordt gerealiseerd als het past binnen de geldende afspraken bedrijventerreinen die zijn gemaakt op regionaal of gemeentelijk niveau. Als het niet past, dan moet de behoefte worden aangetoond met een actueel onderzoek dat voorzien wordt in maximaal 80% van de behoefte.
In de laddertoets (zie paragraaf 7.2) wordt aangetoond dat de beoogde uitbreiding past binnen de gemeentelijke en regionale afspraken.
Artikelen 4.43 lid 1 en 4.44 lid 1 (verbod glastuinbouw, instructieregel geitenhouderij)
Het omgevingsplan voorziet niet in het mogelijk maken van glastuinbouw en/of geitenhouderijen.
Artikel 4.93 (instructieregel mobiliteit)
Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe grootschalige ontwikkelingen die bovenlokale verkeersbewegingen met zich meebrengen of effecten hebben op de verkeersafwikkeling op de hoofdinfrastructuur, als rekening is gehouden met het uitgangspunt dat ontwikkelingen die mobiliteit oproepen, geprojecteerd worden nabij aansluitingen op de hoofdinfrastructuur bedoeld in artikel 4.93, lid 2.
In hoofdstuk 9 'Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen' en in de Milieueffectrapportage (hoofdstuk 10) wordt gemotiveerd dat de ontwikkeling voldoet aan artikel 4.93, lid 2.
Artikel 4.102 lid 1 (instructieregel provinciaal netwerk transport gevaarlijke stoffen)
Gebieden die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen binnen het 'effectgebied incidenten met brand' of het 'effectgebied incidenten met explosie van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen', houden rekening met de provinciale samenhang en continuïteit van het routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.
In hoofdstuk 4 Waarborgen van de veiligheid en in de Milieueffectrapportage (hoofdstuk 10) wordt nader aangegeven op welke wijze rekening wordt gehouden met de provinciale samenhang en continuïteit van het routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.
Artikel 4.109 (verbod op installaties onconventioneel gas)
Omgevingsplannen mogen niet voorzien in het oprichten en gebruik van installaties voor proefboringen naar en winning van fossiele gassen die opgesloten zitten in de hardere bodemlagen in de diepe ondergrond.
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan maakt de winning naar fossiele brandstoffen niet mogelijk.
Artikelen 4.110 en 4.111 (verbod opslag radioactief afval in de ondergrond en bovengrondse opslag hoogradioactief afval)
Het omgevingsplan voorziet niet een nieuwe ondergrondse of bovengrondse opslagmogelijkheid voor radioactief afval.
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan maakt geen ondergrondse en bovengrondse radioactief afval mogelijk.
Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg).
Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.
Het Waterbeheerprogramma bindt alleen het waterschap zelf bij de uitoefening van bevoegdheden. In de Watervisie 2050 benoemt het waterschap de drie grote wateropgaven voor de komende decennia, te weten;
Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 volgt inhoudelijk de Watervisie 2050. De doorvertaling van de visie op plan/projectniveau vindt plaats via de Waterschapsverordening, die in de volgende paragraaf wordt behandeld.
Op grond van de Omgevingswet moet het waterschap een Waterschapsverordening vaststellen. De Waterschapsverordening heeft de Keur van het waterschap en landelijke regels over het lozen van stoffen vervangen. De waterschapsverordening is gebaseerd op zowel de Waterschapswet als de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving.
De Waterschapsverordening - Waterschap Vechtstromen (in werking vanaf 01‑11‑2024) bevat regels over de fysieke leefomgeving in het beheergebied van het waterschap. Deze regels gaan over de watergangen, waterkeringen, grondwater en het lozen van stoffen op het water of een rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi). Deze regels gelden voor iedereen. De regels bepalen welke activiteiten waar in het beheergebied mogen plaatsvinden, en onder welke voorwaarden.
De regels in de Waterschapsverordening zijn inhoudelijk niet gewijzigd ten opzichte van de Keur van het waterschap Vechtstromen of de landelijke regels over het lozen van stoffen.
De regels over de onderhoudsplichten komen in een aparte verordening: de Onderhoudskeur. Deze mogen niet in de Waterschapsverordening worden opgenomen.
In de waterschapsverordening is het 'oppervlaktewaterlichaam' langs de Woudbloemweg aangemerkt als 'waterstaatswerk'. De overige watergangen binnen Rollepaal Oost zijn aangewezen als 'niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen'.
In hoofdstuk 6'Bescherming van de waterbelangen' en in de Milieueffectrapportage (hoofdstuk 10) wordt aangegeven welke belangen in het voorliggende plangebied aanwezig zijn en op welke wijze deze worden geborgd in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan.
In de programmeringsafspraken worden de afspraken tussen de gemeenten in West Overijssel en de provincie vastgelegd over de programmering van de gemeentelijke plannen die voorzien in de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen. Ook worden afspraken vastgelegd over de kwaliteitsambities die de gemeenten in West Overijssel nastreven bij de ontwikkeling en uitgifte van de bedrijventerreinen.
De programmeringsafspraken richten zich niet alleen op de hoeveelheid te ontwikkelen nieuwe bedrijventerrein maar ook op de kwalitatieve aspecten van het aanbod.
Afspraken over adaptieve programmering
De programmering is opgebouwd uit plannen die de behoefte aan bedrijventerreinen in de regio en de gemeenten op een goede manier invullen. Ofwel, dat het gaat om ontwikkelingen die toekomstbestendig zijn en die bijdragen aan het realiseren van de regionale economische ambities.
De programmering wordt ieder half jaar geactualiseerd en vastgesteld in het regionale bestuurlijke overleg. Op die manier ontstaat een doorlopend en actueel overzicht van plannen die in de pijplijn zitten. De gemeenten zijn hierbij gezamenlijk verantwoordelijk voor het op groen, geel en oranje zetten van nieuwe plannen. Het is aan het regionaal bestuurlijk overleg om daar, aan de hand van deze afspraken, een gedeeld oordeel over te vormen.
In de programmeringsafspraken wordt ingezet op het zoveel mogelijk faseren van ontwikkelingen, zodat er ruimte blijft in de programmering en er flexibel ingespeeld kan worden op veranderende marktomstandigheden, acute principeverzoeken en nieuwe initiatieven. Op die manier wordt zorgvuldig omgegaan met de kostbare ruimte in de regio en wordt voorkomen dat Ladder voor duurzame verstedelijking een obstakel gaat vormen. Als richtlijn voor fasering wordt uitgegaan van een maximale omvang van 10 hectare netto per ontwikkelfase, maar hier kan per plan gemotiveerd van worden afgeweken.
Afspraken over kwaliteitsambities
Er wordt gestreefd naar toekomstbestendige bedrijventerreinen, met een kwaliteitsniveau dat aansluit bij de landelijke en Europese ambities ten aanzien van duurzaamheid en daaruit volgende wet- en regelgeving. Daarmee wordt bijgedragen aan een goed vestigingsklimaat voor de bedrijven in onze regio. In de programmeringsafspraak is een overzicht opgenomen van ambities voor nieuwe bedrijventerreinenontwikkeling.

Voor plannen met een totale netto omvang groter of gelijk aan 3 hectare waar meer dan één bedrijf wordt gehuisvest, is een aanvullende kwaliteitsambitie geformuleerd.

Voor plannen die deels of geheel moeten voorzien in de ruimtevraag van grootschalige bedrijven - hier gedefinieerd als bedrijven met een individuele kavelomvang van gelijk af meer dan 3 hectare netto - zijn nog twee aanvullende kwaliteitsambities geformuleerd.

Een plan dat in het regionaal bestuurlijk overleg wordt voorgelegd om op 'groen' gezet te worden, wordt voorzien van een toelichting op hoofdlijnen over hoe op deze ambities zal worden gestuurd. Wanneer een ambitie om welke reden dan ook niet geheel haalbaar is voor het betreffende plan, motiveert de betreffende gemeente waarom dat het geval is.
Het bodem- en watersysteem is sturend voor de locatie en ruimtelijke invulling van plannen. Hierbij staan in de programmeringsafspraken vijf principes centraal. De toepassing van deze principes vraagt om maatwerk per plan en de afweging hiervoor wordt op zijn minst gemaakt op het schaalniveau van de gemeente die het plan opstelt:
problemen omtrent het bodem- en watersysteem worden bij ontwikkelingen niet afgewenteld in ruimte, tijd en geld, maar opgelost in de gebiedsontwikkeling zelf;
functies volgen het bodem- en watersysteem, zodat wordt voorkomen dat situaties op lange termijn niet houdbaar of aanpasbaar zijn;
er wordt gekozen voor een aanpasbare inrichting, waarin rekening wordt gehouden met de lange termijn (klimaat)omstandigheden in het gebied;
kansen voor herstel van de natuurlijke situatie worden benut, zodat bodemdaling, uitputting van ecosystemen en kwaliteitsverslechtering van de natuur wordt tegengegaan;
verstoor de bodem zo min mogelijk en verwerk grond zoveel mogelijk lokaal en hoogwaardig.
In het verlengde van voorgaande afspraak, vermijden we voor nieuwe plannen zoveel als mogelijk locaties die buitendijks, in het laagste punt van een polder en in de beekdalen liggen.
Afspraken over uitgifte
Er wordt uitgegeven op basis van marktconforme prijzen. Met de ondernemers met een nieuwbouwvraag wordt nagegaan actief in hoeverre de beoogde plannen ook gerealiseerd kunnen worden door middel van het toekomstbestendig maken en/of beter benutten van de bestaande kavel van het betreffende bedrijf, en faciliteren hen hier zoveel als mogelijk in. Daarmee wordt de kwaliteit van de bestaande bedrijventerreinen op peil gehouden.
Op grond van het Didam-arrest voor de verkoop van nieuwe kavels wordt een transparant proces ingericht waarbij in het geval er meerdere geïnteresseerden zijn voor dezelfde kavel, aan de voorkant op basis van heldere toetsingscriteria duidelijk wordt gemaakt hoe gekozen wordt welke potentiële koper de eerste optie tot koop (of huur of erfpacht) krijgt.
Afspraken over kwantiteit
Plannen moeten voorzien van een goede van de Ladder voor duurzame verstedelijking, met inachtneming van de nadere invulling die aan de Ladder wordt gegeven in de provinciale Omgevingsverordening. Daarbij is vastgelegd dat de cijfers uit de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen in beginsel de kaders vormen voor de onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Regionale afstemming
De programmeringsafspraken bevatten de afspraken over de regionale programmering bedrijventerrein als bedoeld in de provinciale Omgevingsverordening Overijssel. Op grond van de Omgevingsverordening wordt de behoefte aan nieuw bedrijventerrein geacht te zijn aangetoond als de ontwikkeling daarvan past binnen de programmeringsafspraken. In dat geval wordt ook voldaan aan de verplichting op grond van de Omgevingsverordening om regionaal af te stemmen. Voor de overige relevante instructieregels van de Omgevingsverordening zal nog wel onderbouwd moeten worden hoe daarmee rekening wordt gehouden.
In de programmeringsafspraken van 1 april 2023 wordt Rollepaal Oost als een nieuw plan aangemerkt. Dat betekent dat het plan 'in de pijplijn' zit:
Rollepaal Oost I, met een oppervlakte van 10 hectare, wordt met een groene status aangemerkt. Dit betekent dat het plan kwantitatief en kwalitatief bestuurlijke instemming heeft verkregen conform de programmeringsafspraken.
Rollepaal Oost II, met een oppervlakte van 11 hectare, wordt met een gele status aangemerkt. Hiervoor geldt dat het plan kwantitatief bestuurlijke instemming heeft verkregen conform de programmeringsafspraken. De invulling van de kwalitatieve afspraken moet echter nog bestuurlijk regionaal afgestemd worden.
Zodra voor Rollepaal Oost sprake is van een vastgestelde wijziging van het omgevingsplan is sprake van harde plancapaciteit.
In de navolgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe voor in het stedenbouwkundig plan en in het omgevingsplan voor Rollepaal Oost invulling is gegeven aan de kwaliteitseisen en -ambities uit de programmeringsafspraken.
In paragraaf 7.2 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt aangetoond dat sprake is van voldoende behoefte voor de ontwikkeling van Rollepaal Oost met een omvang van 25 hectare. Aangegeven wordt dat het vanuit een goede ruimtelijke ordening (en sinds 1 januari 2024 een evenwichtige toedeling van functies aan locaties) van belang dat deze ontwikkeling ook een plek krijgt in de actualisatie van de regionale programmering en dat, mede op die manier, de afstemming met buurgemeenten plaatsvindt.
De Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 van West-Overijssel is tot stand gekomen na een intensief samenwerkingsproces waarbij gemeenten, provincie en waterschappen de bijdrage aan de energietransitie hebben vastgesteld. Hierbij hebben zij zich intensief laten adviseren door de netbedrijven Enexis, Coteq/Cogas en RENDO.
De RES 1.0 heeft een karakter van een beleidsdocument dat richtinggevend is voor de verdere ontwikkeling van de energiestrategie. In de kern bestaat de RES 1.0 uit zes doelstellingen:
Het bod van de RES West-Overijssel voor duurzame opwek van elektriciteit in 2030 bedraagt 1,826TWh waarbij gestreefd wordt naar een verhouding van 60% opwek door windenergie en 40% door zon.
Zoekgebieden en/of uitsluitingsgebieden hebben zijn vastgelegd of worden uiterlijk bestuurlijk vastgelegd bij de RES 2.0 zodat een goede verdeling naar HSMS-stations gecreëerd kan worden.
Op lokaal en subregionaal niveau wordt de ruimtelijke potentie in de regio verder uitgewerkt op basis van de ontwerpprincipes uit de concept-RES. Bij de RES 2.0 wordt de balans opgemaakt.
De maatschappelijke kosten van het netwerk gaan beperkt worden door de ‘knoppen’ te hanteren voor meer wind, grotere clusters en redelijke afstanden tot aansluitpunten.
Voor de realisatie van windmolens en grootschalige zonneparken wordt gestreefd naar een gebiedsgerichte en grensontkennende aanpak.
Er wordt ten doel gesteld om minimaal 50% lokaal eigendom in de opwek door wind en grootschalig zon-op-veld te realiseren.
Om deze doelen te bereiken zijn in het kader van het RES een zestal afspraken gemaakt:
de subregionale samenwerking van gemeenten in de regio wordt verstrekt;
de regionale participatie met maatschappelijke organisaties naar de RES 2.0 wordt gecontinueerd;
de partijen gaan aan de slag met groen gas, geothermie, lokale waterstof, aquathermie en de duurzaamheidsladder in de Regionale Structuur Warmte (RSW). Hierbij monitoren de gemeenten de stappen die zij zetten op energiebesparing;
er wordt een gezamenlijke onderzoeksagenda geformuleerd die op de schaal van de regio inzicht biedt in (cumulatieve) milieu- en gezondheidsaspecten. Op basis van de resultaten wordt een besluit genomen over een MER (er is al een NRD);
de samenwerking wordt verder vormgeven op basis van het ?opgavegericht werken?;
er wordt gezamenlijk ingezet voor een lobby op betaalbaarheid en governance op basis van het organisatiemodel opgavegericht werken.
De RES 1.0 is in de zomer van 2021 vastgesteld door de elf gemeenteraden, Provinciale Staten en algemeen besturen van de waterschappen. Om de energie met windmolens en zonneparken op te kunnen wekken in 2030 moeten uiterlijk begin 2025 de vergunningen hiervoor zijn afgegeven. Dat betekent dat duidelijk moet zijn waar de wind- en zonneparken gerealiseerd kunnen worden en hoe de energie-infrastructuur daarop afgestemd moet worden
In de RES 2.0 wordt vooral gewerkt aan de uitvoering van de RES 1.0. Er wordt gekeken naar wat in 2030 gerealiseerd moet zijn en op basis hiervan wordt bepaald wat gereed moet zijn op 1 juli 2023. Dit is het moment dat de RES 2.0 wordt ingediend bij de NPRES. De RES 2.0 dient op hoofdlijnen twee doelen: monitoring van de voortgang van de ambities enerzijds, anderzijds het verder uitwerken van vraagstukken en opgaven.
De gemeente Hardenberg heeft al wel zoekgebieden tot 2030 voor wind vastgesteld. Binnen het plangebied zijn in de RES geen zoekgebieden voor wind en zonne-energie aangewezen.
Uit de RES ontstaat de noodzaak om bestaande transformatorstations uit te breiden zodat het elektrisch netwerk geschikt kan worden gemaakt voor de op te wekken wind- en zonne-energie in de regio. In de voorliggende plannen wordt rekening gehouden met de uitbreiding van het bestaande transformatiestation van TenneT/Enexis.
Op het bedrijventerrein is een transformatorstation aanwezig van TenneT/Enexis. Zij hebben aangegeven dat zij circa 3,4 hectare terrein nodig hebben voor de uitbreiding van het verdeelstation en de bijbehorende kabels. In de toekomst is nog meer ruimte nodig om aanpassingen aan het hoogspanningsnetwerk te kunnen doorvoeren, om leveringszekerheid van stroom te garanderen.
Sinds 2021 beschikt de gemeente Hardenberg over een eigen Omgevingsvisie, waarin zij haar visie voor de komende twintig jaren heeft uitgewerkt. Deze Omgevingsvisie is samengesteld in samenwerking met vele stakeholders uit diverse sectoren en heet 'Landstad Hardenberg'. In de visie wordt de functie van de hele regio verder uitgebouwd.
De gemeente en samenleving zijn verbonden. De Hardenbergers hebben de blik naar buiten en zien voortdurend kansen. Door een goede samenwerking tussen inwoners, overheid en bedrijfsleven benutten we de kansen die zich voordoen. De gemeente speelt in op toekomstige veranderingen, veert mee, verbindt en investeert waar nodig.
De kernen zijn onderling sterk verbonden. Platteland en stad raken steeds meer verweven. De gemeente combineert de kracht van het platteland met een compleet stedelijk voorzieningenniveau. Voor een grensgemeente is dat een unieke prestatie.
De gemeente zoekt de regionale verbinding. Hardenberg is onderdeel van de regio Zwolle. Daarnaast zijn er sterke verbindingen met Twente en Drenthe.
Ambitie
De gemeente Hardenberg staat voor grote uitdagingen. Een groeiende bevolking en economie zijn voor een grensregio niet vanzelfsprekend. Integendeel, dit vraagt om blijvende inspanningen en investeringen. De gemeente kan niet doorbouwen zoals het groot is geworden. Het gebruik van het platteland verandert. Dit vraagt om ontwikkeling van bebouwing die samengaat met ruimtelijke kwaliteit, landschap en natuur. Stad en land vullen elkaar steeds meer aan en houden elkaar in balans. Samen vertellen zij het verhaal van de functieverandering van het Hardenbergse platteland. 'Of-of-denken' maakt plaats voor 'en-en-denken'.
De gemeente wil de kwaliteiten van het buitengebied versterken door stedelijke elementen aan te brengen. Tegelijkertijd blijft de gemeente werken aan het binnenstedelijk woon- en leefklimaat met vitale en bruisende centra in Hardenberg en Dedemsvaart.
De gemeente Hardenberg staat niet op zichzelf. Sociale, maatschappelijke en economische relaties zijn steeds (boven)regionaler. Hardenberg wordt steeds afhankelijker van de omliggende regio's, omgekeerd geldt hetzelfde. De gemeente speelt hier op in. Per opgave kiest de gemeente het juiste schaalniveau voor de aanpak en samenwerking. De gemeente gaat 'spelen met schalen'. De gemeente staat voor een nieuwe schaalsprong. Om deze schaalsprong te kunnen maken, zijn in de Omgevingsvisie vier uitgangspunten benoemd:
groei vasthouden en doortrekken;
toevoegen van kwaliteiten wordt belangrijker;
ruimte als troefkaart;
bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden.
Deze visie is vertaald in vier thema's voor ontwikkeling:
Hardenberg in balans: over de verscheidenheid van het landelijk gebied;
Hardenberg voor elkaar: over stedelijke ontwikkeling, een vitale samenleving en leefbare kernen;
Hardenberg knooppunt: over een vitale economie en goede bereikbaarheid;
Hardenberg duurzaam: over de energietransitie, klimaatadaptatie en een circulaire economie.
Binnen elk thema heeft de gemeente ambities en staat de gemeente voor opgaven. Samen vormen ze de agenda voor toekomstige samenwerkingen. In dit geval zijn met name het thema 'Hardenberg knooppunt' en 'Hardenberg Duurzaam' relevant.
Hardenberg Knooppunt
Om in de toekomst een vitale gemeente te blijven en de inwoners een brede welvaart te kunnen bieden is een concurrerende economie en een goede bereikbaarheid noodzakelijk. In de Omgevingsvisie is aangegeven dat in de bedrijfssectoren agro-food, innovatieve maakindustrie en toerisme en recreatie de gemeente Hardenberg (boven)regionaal het verschil maakt. Dat wordt onder andere bereikt door ruimte vrij te maken voor nieuwe bedrijven. De gemeente beschikt over ruimte zodat bedrijven met een grote ruimtevraag binnen de gemeente terecht kunnen. Daarbij wordt aangegeven dat het niet alleen maar gaat om hectares; een goed vestigingsklimaat is minstens zo belangrijk. Ook een goede bereikbaarheid is een belangrijke voorwaarde.
Het thema 'Hardenberg knooppunt' is in de Omgevingsvisie verder uitgewerkt in vier verschillende paragrafen:
een vitale economie, nu en in de toekomst;
onze arbeidsmarkt: toekomstgericht en regionaal;
naar een nieuwe economie;
mobiliteit.
Een vitale economie
Door de strategische ligging is Hardenberg een logistieke hotspot; een scharnier- en zwaartepunt voor vervoersstromen in het noordoosten van het land. De gemeente participeert in de Euroterminal Emmen-Coevorden-Hardenberg, een schakel in het vervoer van containers uit Duitsland per spoor naar Rotterdam.
De sterk ontwikkelde agribusiness en de industriesector vormen de kern van de gemeentelijke economie. Mede door het grote aantal familiebedrijven heeft de gemeente een vrij stabiele economie. Deze zijn vooral gericht op de langere termijn en sterk geworteld in de regio.
De bedrijvendynamiek is naar verhouding beperkt. Zowel het aantal faillissementen als het aantal startende ondernemers is lager dan gemiddeld. Het huidige midden- en kleinbedrijf is belangrijk voor een vitale economie, zowel nu als voor de toekomst. Ook het aantrekken van nieuwe ondernemingen is van belang. Hardenberg is vooral een gemeente van agrarische productieruimte en bedrijventerreinen, minder van kantoorlocaties. Groeiende bedrijven hebben daardoor vaak een grote ruimtebehoefte.
De afgelopen jaren zijn er veel hectares aan bedrijventerrein bij gekomen. In de afgelopen twintig jaar gaf de gemeente jaarlijks gemiddeld zes hectare bedrijventerrein uit; in een paar piekjaren was dit veel meer. Gelet op de economische structuur, de bedrijvendynamiek en de gemeentelijke ambitie zal dit de komende jaren zo blijven.
De Nederlandse economie verandert. Trends als de circulaire economie en smart-industry zorgen voor een toenemende ruimtevraag. Externe investeerders overwegen een vestiging in Hardenberg. Hun ruimtevraag is vaak aanzienlijk. Daarom moet ook in de toekomst voldoende uitgeefbaar bedrijventerrein en voldoende zachte plancapaciteit zijn. De gemeente wil daarom tijdig inspelen op de actuele, kwalitatieve vraag vanuit de markt.
De gemeente wil een krachtige en concurrerende economie stimuleren. Deze wordt beïnvloed door allerlei factoren zoals aantrekkelijke woonomgevingen, sterke recreatie, investeringen in cultuur, versnelling van energietransitie en investeringen in verkeer en vervoer.
De gemeente heeft de ambitie om bovenregionale bedrijven met een grote ruimtevraag (vooral in de maakindustrie) te kunnen bedienen. Zo kan de gemeente uitgroeien tot een van de werkgelegenheidsmotoren binnen Oost-Nederland. Daarnaast wil de gemeente ook ruimte maken voor de uitbreiding van lokale bedrijven en logistieke bedrijven in de regio.
De gemeente wil ondernemers aantrekken, vasthouden en ruimte geven om te groeien. Dit vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat.
Een van opgaven zoals opgenomen in de omgevingsvisie luidt als volgt:
'We moeten voortdurend blijven beschikken over voldoende goede werklocaties'.
De bestaande voorraad moet aan de eisen van de tijd blijven voldoen. Voor nieuwe vraag is nieuwe ruimte nodig. Daarbij wordt ook gekeken naar uitbreiding van bedrijventerrein in Dedemsvaart
Onze arbeidsmarkt: toekomstgericht en regionaal
Om economische groei een bijdrage te laten leveren aan een brede welvaart wordt in de Omgevingsvisie aangegeven dat de werkgelegenheid moet groeien. Dat vraagt zowel om kwantitatieve groei (omvang van de activiteiten) als kwalitatieve groei (aard van de activiteiten).
Naar een nieuwe economie
Vanuit economisch oogpunt is klimaatadaptatie en energietransitie zowel een opgave als een kans voor het bedrijfsleven. De gemeente streeft ernaar om samen met de bedrijven invulling te geven aan de opgaven rondom vermindering van de CO2-uitstoot. Een andere belangrijke voorwaarde voor een toekomstbestendige, krachtige en concurrerende economie is om deze zo snel mogelijk circulair te maken.
Een van de opgaven is dan ook om op werklocaties ruimte te bieden voor circulaire activiteiten.
Mobiliteit
Vanwege de ligging van de gemeente aan de grens wordt de rol in het goederenvervoer per spoor van (noord-)Duitsland naar Rotterdam steeds groter. De gemeente participeert in de Euroterminal Emmen-Coevorden-Hardenberg. De gemeente heeft een scharnierfunctie voor vervoersstromen in het noordoosten van het land. De afstand tot het landelijk netwerk van autosnelwegen is groot, maar de gemeente is via N-wegen met de omliggende regio's verbonden.
Voor een goed vestigingsklimaat is een vlotte en veilige bereikbaarheid voor alle soorten vervoer een belangrijke voorwaarde. Er zal ruimte gecreëerd moeten worden op de bestaande infrastructuur door in te zetten op verbetering van het openbaar vervoer, de fiets en verbetering van de ketenmobiliteit.
Hardenberg Duurzaam
Binnen de Omgevingsvisie is duurzaamheid en dan met name energietransitie en klimaatadaptatie een groot thema waar de gemeente Hardenberg het aankomende jaar op inzet.
Energietransitie
In de omgevingsvisie staan meerdere ambities en opgaven beschreven. Hiermee wil gemeente Hardenberg in 2030 voldoen aan de landelijke opgave om de CO2-uitstoot met 49% terug te brengen. Het Klimaatakkoord gaat voor 2050 uit van een afname van de CO2-uitstoot van 95%. Dit betekent dat Hardenberg in 2050 een duurzame en fossielvrije energievoorziening heeft.
Klimaatadaptatie
Bij maatregelen om effecten van klimaatverandering tegen te gaan heeft elke partij zijn eigen rol. Dit verschilt per soort maatregel:
Droogte heeft vooral veel invloed op landbouw en natuur. Het waterschap is hierbij aan zet. Indien de benodigde maatregelen om extra ruimtebeslag vragen, speelt de gemeente een rol bij de afwegingen hierover;
Hittestress wordt vooral op lokaal niveau aangepakt. De gemeente betrekt inwoners bij keuzes rondom de inrichting van de buitenruimte. Inwoners worden aangemoedigd zelf actie te ondernemen, bijvoorbeeld door het vergroenen van de tuin (operatie Steenbreek);
NB: In het geval van Rollepaal Oost zal hierbij gekeken worden naar de betreffende bedrijven op het bedrijventerrein.
Bij het tegengaan van wateroverlast binnen de bebouwde kom onderneemt de gemeente zelf actie, zo nodig samen met het waterschap. In het landelijk gebied neemt het waterschap initiatief;
Bij hoge waterstanden in de Vecht nemen overstromingsrisico's toe. De dijken langs de Vecht zijn nu zo hoog en sterk dat het minder dan eens per 200 jaar tot een overstroming zou mogen leiden. Vanuit het Deltaprogramma (hoogwaterbeschermingsprogramma) houdt het waterschap de sterkte en hoogte van de dijken in de gaten. Elke 12 jaar worden de dijken getoetst en als het nodig is verbeterd. Zo 'groeien' de dijken mee met de klimaatontwikkeling.
Onderhavige ontwikkeling past bij de ambitie om tijdig in te spelen op de actuele, kwalitatieve vraag van de markt naar meer bedrijventerreinen. In het kader van duurzaamheid is besloten het nieuwe bedrijventerrein niet aan te sluiten op gas. Tevens wordt binnen de planregels ruimte geboden voor duurzame energieopwekking en voor de opslag hiervan.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief hiermee naadloos aansluit op de ambities zoals verwoord in de gemeentelijke omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'.
In de economische koers wordt onderstreept dat bedrijventerreinen in belangrijke mate bij aan de brede welvaart van Hardenberg. Voor de uitbreidingswensen van de bestaande bedrijven en de nieuwvestiging van bedrijven die waarde toevoegen aan het gemeentelijk economisch ecosysteem moet er voldoende planvoorraad beschikbaar worden gemaakt, met name voor bedrijven in de sterke sectoren.
Om voldoende plancapaciteit te houden wordt gestuurd op de programmeringsafspraken met provincie en regio (zie paragraaf 3.5.3).
Voor wat betreft werklocaties worden de volgende doelstellingen geformuleerd:
Met de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost wordt aan de geformuleerde doelstellingen en programmeringsafspraken West Overijssel ten aanzien van werklocaties voldaan (zie ook paragraaf 3.5.3).
Met de Strategiebrief 'Bedrijventerreinen in ontwikkeling' beoogt het college invulling te geven aan een adaptief bedrijventerreinenbeleid . De basis hiervoor is gelegd in Omgevingsvisie Landstad Hardenberg en de Nieuwe economische koers.
Aangegeven wordt dat bedrijventerreinen van groot belang zijn voor de Hardenbergse economie. Een aanzienlijk deel (circa 35%) van de gemeentelijke werkgelegenheid is er te vinden. Voldoende toekomstbestendige bedrijfslocaties in de gemeente Hardenberg zijn ook belangrijk voor de economische (streek-)functie in Noordoost-Overijssel en de omliggende regio. De ligging van Hardenberg op het knooppunt van de economische centra Zwolle, Drenthe-Groningen en Twente biedt steeds meer kansen voor de regio overstijgende ontwikkeling van kennis en innovatie. Met name in de hoogwaardige maakindustrie.
Voor de gemeentelijke bedrijvenstrategie zijn in de strategiebrief een aantal uitgangspunten geformuleerd:
bedrijventerreinen zijn essentieel voor de brede welvaart van Hardenberg;
verschillende, veelal onvoorspelbare ontwikkelingen in het ruimtelijk en economisch domein vereisen een effectieve en wendbare aanpak van ontwikkeling en beheer van bedrijventerreinen;
de huidige uitgeefbare planvoorraad is onvoldoende om op langere termijn aan de grote vraag naar bedrijfskavels in het bijzonder bij de eigen ondernemers, te kunnen voldoen;
om de economische doelen ook op middellange en lange termijn te kunnen verwezenlijken moet ook aandacht worden besteed aan de toekomstbestendigheid van de bestaande terreinen.
Aan de hand van deze uitgangspunten zijn vier hoofdopgaven geformuleerd:
evenwicht brengen in vraag en aanbod (kwantitatief en kwalitatief) van werklocaties op bedrijventerreinen;
versterken van de toekomstbestendigheid en efficiënt ruimtegebruik van bestaande bedrijventerreinen;
ontwikkelen van een selectief uitgiftebeleid (en transparant verkoopproces;
stimuleren en faciliteren van de energietransitie op bedrijventerreinen.
Met de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost wordt aan de geformuleerde doelstellingen en opgaven voldaan. Voor de ontwikkeling van Rollepaal Oost zijn met name opgaven 1 en 4 relevant.
In de strategienota wordt voor Rollepaal Oost uitgegaan van in totaal 21 hectare netto bedrijventerrein verdeeld over twee fasen. Daarbij wordt gericht op bedrijven in de zwaardere categorie en met grote kavels (meer dan 3 hectare). Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het streven om de grotere bedrijventerreinen binnen de gemeente te concentreren in de kernen Hardenberg en Dedemsvaart. De definitieve programmering van de 2e fase vindt in het kader van de actualisatie van de regionale programmeringsafspraken West Overijssel (zie paragraaf 3.5.3) plaats.
Bij ontwikkeling van nieuwe bedrijventerrein worden de kwalitatieve ambities uit de regionale programmeringsafspraken West Overijssel (zie paragraaf 3.5.3)
Ten aanzien van het stimuleren en faciliteren van de energietransitie wordt voor Rollepaal Oost uitgegaan van een gasloos bedrijventerrein.
Voor het bestaande bedrijventerrein Rollepaal wordt samen met de aanwezige ondernemers volop gekeken naar de energiehuishouding van de aanwezige bedrijven en naar de mogelijkheden om deze toekomstbestendiger te maken.
Het water in Hardenberg staat niet op zichzelf. Het water (zowel aan het oppervlak als in de grond) is onderdeel van grotere watersystemen, beginnend in Duitsland en eindigend in het Zwarte Water. Het is daarom van belang te weten welke knelpunten en kansen op dit stroomgebiedniveau spelen en welke consequenties dit voor het watersysteem in Hardenberg heeft. De belangrijkste uitgangspunten van het beleid bij deze uitvoering zijn het niet afwentelen op benedenstroomse gebieden (bijvoorbeeld dat het overtollige water in buurgemeenten niet tot extra problemen mag leiden) en het principe van water 'vasthouden - bergen - afvoeren'.
Bij water gaat het niet alleen om de hoeveelheid water, maar ook om schoon water. Ook hiervoor geldt dat gemeente Hardenberg niet alleen in staat is om het water (weer) schoon te krijgen. Veel van de vervuiling in het water komt vanuit Duitsland en vanuit Drenthe naar Hardenberg toe. Dit vraagt om internationale oplossingen. De gemeente Hardenberg draagt ook bij aan de watervervuiling en zal moeten bijdragen aan het verminderen ervan.
In hoofdstuk 6 'Bescherming van de waterbelangen' wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze omgegaan wordt met de waterbelangen in en rond het plangebied.
Met de per 1 september 2007 van kracht geworden Wet op de archeologische monumentenzorg wordt een eigen verantwoordelijkheid van gemeenten ten aanzien van archeologie verwacht. De gemeente Hardenberg wil de besluitvorming zoveel mogelijk zelf ter hand nemen, om zo min mogelijk afhankelijk te zijn van mogelijke interventies van het Rijk of de provincie.
Het gaat de gemeente Hardenberg om een zeer zorgvuldige omgang met het bodemarchief. Die omvang vindt echter niet meer plaats in een isolement van besluitvorming door alleen archeologen, maar in een arena waarbij ook gekeken wordt naar de realisatie van de planvorming, het voorkomen van mogelijke vertraging, de kosten van een opgraving, benuttingsmogelijkheden en andere aspecten. Kortom: besluitvorming over de omgang met het Hardenbergse bodemarchief in maatschappelijke context met een duidelijke bestuurlijke, en dus ook politieke verantwoordelijkheid.
Vanaf 30 juni 2009 geldt het 'Beleidsplan Archeologie' van de gemeente Hardenberg samen met de bijbehorende 'Archeologische Beleidskaart'. Hierin is aangegeven hoe bij ruimtelijke ingrepen met het bodemarchief moet worden omgegaan. Op basis van deze kaart kan bijvoorbeeld worden vastgesteld of belangrijke waarden binnen een bepaald gebied aanwezig zijn en/of archeologisch onderzoek is gewenst.
In paragraaf 7.1 wordt nader ingegaan op deze archeologische waarden met betrekking tot het plangebied en de bescherming daarvan. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan is in lijn met het gemeentelijk archeologiebeleid.
In een welstandsnota staan beleidsregels die de gemeente toepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Ook kunnen bepaalde gebieden worden aangewezen die welstandsvrij zijn.
Binnen de gemeente is het welstandsbeleid vastgelegd in een tweetal welstandsnota's, te weten voor stads-en dorpskernen binnen de gemeente en voor het buitengebied.
Stads- en dorpskernen
Voor de stads- en dorpskernen geldt de welstandsnota 'Visie op beeldkwaliteit'. Deze nota is vastgesteld op 29 november 2011. In navolgende figuur is een uitsnede van de welstandskaart voor de stads- en dorpskernen opgenomen ter hoogte van het voorliggende plangebied.

Uit de kaart blijkt dat voor grote delen van het bestaande bedrijventerrein Rollepaal een welstandniveau 0 (geel = laag) geldt. Het is het beleid gericht op het handhaven van de aanwezige basiskwaliteit. De gebieden zijn welstandsvrij. Er vindt geen welstandsbegeleiding of beoordeling plaats.
Voor het gebied aan weerszijden van Rollepaal geldt een welstandsniveau 1 (oranje = midden). Hier is een zorgvuldige beoordeling van bouwkundige ingrepen nodig. De nadruk ligt hierbij op het handhaven en respecteren van kenmerkende gebiedskwaliteiten.
Ter hoogte van de Moerheimstraat is sprake van welstandsniveau 2 (rood = hoog). Het betreft een gebied dat van grote betekenis is voor de totaalbeeld van Dedemsvaart. Het gebied heeft een bijzondere cultuurhistorische betekenis vanwege de route langs de hoofdvaart. Nieuwe ingrepen zullen daarom met extra aandacht en zorg worden beoordeeld. Het beleid is erop gericht om dit beeld te handhaven en te versterken.
Voor de genummerde deelgebieden (11, 12 en 13) is destijds een beeldkwaliteitsplan (BKP) opgesteld.
Buitengebied
Voor het buitengebied van Hardenberg geldt de 'Welstandsnota Buitengebied'. Deze nota is vastgesteld op 3 december 2013. In navolgende figuur is een uitsnede van de welstandskaart voor het Buitengebied opgenomen ter hoogte van het voorliggende plangebied.

Ter plaatse van de uitbreiding van het bedrijventerrein vallen de gronden binnen de open Veenontginning. Voor buitengebied geldt een welstandsniveau 1 (oranje = midden). Hier is een zorgvuldige beoordeling van bouwkundige ingrepen nodig. De nadruk ligt hierbij op het handhaven en respecteren van kenmerkende gebiedskwaliteiten.
In de Welstandsnota Buitengebied wordt voor het welstandsniveau uitgegaan van agrarisch gebruik van de gronden.
Op grond van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden voor het bestaande bedrijventerrein Rollepaal geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen verwacht. Voor het bestaande bedrijventerrein wordt in de welstandsnota 'Visie op beeldkwaliteit' in voldoende mate toegezien op welstand langs de Rollepaal en Moerheimstraat.
Conclusie
De uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost wordt in beide welstandsnota's niet voorzien. Voor de gewenste ontwikkeling is een nieuw specifiek welstandskader wenselijk. Voor het gebied is in aanvulling op het stedenbouwkundig plan een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan is als bijlage 2 in de motivering opgenomen en wordt in paragraaf 7.4 verder toegelicht.
De relevante welstandsregels (uit het beeldkwaliteitsplan) voor het uiterlijk van bouwwerken worden in de planregels van de wijziging van het omgevingsplan verwerkt. Ze vervangen daarmee voor het plangebied de regels uit de bestaande welstandsnota’s. De welstandsnota wordt voor het gebied Rollepaal Oost ingetrokken.
Hardenberg is al jaren hard aan de slag met het verduurzamen van de gemeente. Een omvangrijke opgave die voortvarend is en wordt opgepakt. Dit geldt zowel voor de eigen gemeentelijke gebouwen en activiteiten als de inrichting van de leef- en werkomgeving. Elke vier jaar staat in een meerjarenplan (MJP) aan hoe de gemeente deze duurzaamheidsopgave wil aanpakken. In totaal zijn er drie relevante kernopgaven:
energietransitie:
terugbrengen van het energieverbruik (energie besparen) en het realiseren van een duurzame energievoorziening voor stroom en warmte. Dit vanuit de ambitie om vier jaar lang minimaal 2% per jaar te besparen op het energieverbruik en daarna 1,5% per jaar tot 2030 en 30% van de energiebehoefte van de gemeente Hardenberg in 2030 duurzaam op te wekken binnen de gemeentegrens;
klimaatadaptatie:
omgaan met effecten van hittestress, droogte en wateroverlast in combinatie met waterveiligheid, gericht op het voorkomen en tegengaan van deze effecten. Dat doet de gemeente samen met diverse partners en doelgroepen;
circulariteit:
faciliteren van een circulaire economie en kringlooplandbouw waarin grondstoffen, onderdelen en producten hun waarde behouden (hergebruik) en afval niet (of nauwelijks) meer ontstaat. Dit betreft een relatief nieuwe opgave voor de gemeente.
In paragraaf 7.5 'Duurzaamheid en klimaatadaptatie' en in het MER (hoofdstuk 10) wordt uitgewerkt op welke wijze op Rollepaal Oost hier invulling aan wordt gegeven.
De Groene en Gezonde Maatlat (GGM) is een beleidsinstrument dat is ontwikkeld door de gemeenteraad van Hardenberg om ruimtelijke ontwikkelingen te sturen richting een groenere, gezondere en klimaatbestendige leefomgeving.
De maatlat als beleid is formeel vastgesteld door de gemeenteraad op 2 december 2024. Het is geen zelfstandig beleidsdocument, maar vormt een inhoudelijke aanvulling op bestaande kaders zoals de omgevingsvisie "Landstad Hardenberg". De maatlat wordt in de toekomst juridisch verankerd via actualisaties van de omgevingsvisie en mogelijk het omgevingsplan.
Voor bedrijventerreinen zoals Rollepaal zijn, in navolging van de Programmeringsafspraken West Overijssel (zie paragraaf 3.5.3) in de maatlat specifieke ambities opgenomen:
Water- en bodemsysteem als sturend principe: functies moeten zich aanpassen aan het natuurlijke systeem.
Natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen: maatregelen zoals waterberging, vergroening, en hittestressreductie zijn gewenst.
Gezonde en aantrekkelijke werkomgeving: aandacht voor biodiversiteit, schaduw, en verblijfsplekken.
Voor bedrijventerreinen >3 ha geldt dat de maatlat toegepast gaat worden in alle fasen van het planproces, van locatiekeuze tot ontwerp en realisatie.
Hoewel de Groene en Gezonde Maatlat (GGM) nog in ontwikkeling was tijdens de eerste fase van de planvorming voor Rollepaal Oost, sluit de uitbreiding van het bedrijventerrein goed aan bij de beleidsdoelen van dit gemeentelijke kader.
Bij het opstellen van het plan is rekening gehouden met het bodem- en watersysteem als leidend uitgangspunt. Daarnaast wordt ingezet op klimaatadaptieve maatregelen, zoals het aanleggen van waterberging en het toevoegen van groen. Ook is er aandacht voor het creëren van een gezonde werkomgeving, waarbij biodiversiteit wordt versterkt en hittestress zoveel mogelijk wordt beperkt, zie paragraaf 7.5.
Op 7 december 2021 heeft de gemeenteraad ingestemd met de aankoop van gronden ten behoeve van de uitbreiding van Rollepaal Oost. Daarbij is in een motie aangenomen dat de uitbreiding van Rollepaal wenselijk wordt bevonden, maar dat overlast voor omwonenden zoveel als mogelijk moet worden voorkomen (zie bijlage 1). Daarbij wordt gedacht aan voorzieningen zoals een 'geluidwal met beplanting', met als doel de bedrijven aan het zicht te onttrekken en zoveel mogelijk geluid- en lichthinder te voorkomen. Het zicht op het bedrijventerrein vanuit de omgeving dient te worden voorkomen door landschappelijke inpassing.
Het college wordt opgedragen te onderzoeken welke landschappelijk inpasbare voorzieningen getroffen kunnen worden, waardoor de gehele uitbreiding aan het zicht onttrokken kan worden, en de raad over dit onderzoek te informeren.
In de voorliggende plannen wordt voorzien in de realisatie van een grondwal met opgaande beplanting (zie paragraaf 2.2.1).
Het waarborgen van de veiligheid is één van de thema's die op grond van artikel 2.1 (lid 3) van de Omgevingswet deel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Met het omgevingsplan gemeente Hardenberg moet worden bijgedragen aan de doelen van de Omgevingswet en moet het omgevingsplan dus ook voldoende waarborgen voor de veiligheid bieden.
In paragraaf 5.1.2 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen met de minimale vereisten voor de uitwerking van dit thema in de motivering van de wijziging en regels van het omgevingsplan. In de artikelen 5.3 tot en met 5.35 van de instructieregels wordt vervolgens ingegaan op de uitwerking die voor het subthema externe veiligheid rond risicobronnen als het basisnet, hogedruk aardgasleidingen, vuurwerkopslagen, ontplofbare stoffen en Seveso-activiteiten in het omgevingsplan moet worden opgenomen. Hiervoor geldt dat op grond van de instructieregel de norm voor het plaatsgebonden risico in acht moet worden genomen en geldt daarnaast een motiveringsplicht voor het mogelijk maken van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen (en locaties) binnen het aandachtsgebieden rond dergelijke bronnen. Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich, bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen, nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.
De aandachtsgebieden zijn onder te verdelen in:
Brandaandachtsgebieden (BAG)
Het BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt.
Explosie-aandachtsgebied (EAG)
Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (een BLEVE: Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, en een explosie, anders dan onder a, waarvan de overdruk ten hoogste 10 kPa is.
Gifwolkaandachtsgebied (GAG)
In een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant.
Voorschriftengebieden
Aandachtsgebieden kunnen leiden tot voorschriftengebieden indien er sprake is van nieuwbouw, voor bestaande gebouwen gelden voorschriftengebieden niet. Indien men zeer kwetsbare gebouwen wil toestaan in een aandachtsgebied wordt dat aandachtsgebied of het gedeelte met nieuwbouw automatisch een voorschriftengebied. Aanvullende bouweisen gelden voor de nieuwbouw zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Om te beginnen moet in de motivering van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan worden betoogd waarom het beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouw of de beperkt kwetsbare of kwetsbare locatie binnen het aandachtsgebied moet worden geprojecteerd. Het projecteren van kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen binnen het gebied waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar is niet toegestaan.
Bij het toestaan van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen kan de gemeente afzien van een voorschriftengebied, mits goed gemotiveerd. Het bepalen van voorschriftengebieden, de motivatie voor de te nemen maatregelen en dergelijke is een verantwoordelijkheid van de gemeente.
Belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen
In paragraaf 5.1.2.3 van het Bkl is bepaald dat het omgevingsplan geen kwetsbare gebouwen en zeer kwetsbare gebouwen mogen worden toegelaten binnen het belemmeringen gebied rond buisleidingen. Daarnaast moet de veiligheid van de buisleiding niet worden geschaad door de activiteiten die met het omgevingsplan worden toegelaten.
Overige veiligheidsthema's
Behalve door het werken met, opslaan van of vervoeren van gevaarlijke stoffen, kunnen ook andere activiteiten binnen of buiten het deelgebied in kwestie aanleiding geven tot branden, rampen of crises. In de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan van Brandweer Nederland zijn hiervoor de volgende thema's aangewezen:
bluswater en bereikbaarheid;
externe veiligheid;
natuurbranden;
windturbines;
overstroming en klimaatadaptatie;
evenementen;
het gebruik van gebouwen;
rookoverlast.
Bij het opstellen van de wijziging van het omgevingsplan wordt aangesloten bij de uitwerking volgens de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan.
In het kader van het MER is aandacht besteed aan omgevingsveiligheid. Uit de Atlas van de leefomgeving blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen sprake is van vervoer van gevaarlijke stoffen over het water of het spoor met een externe werking, zie figuur 4.1. Wel is sprake van risicovolle inrichtingen, diverse buisleidingen en vervoer van gevaarlijke stoffen over de N377, zie figuur 4.2.

Vervoer gevaarlijke stoffen N377
De N377 maakt deel uit van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. Het industrieterrein Rollepaal en de uitbreiding daarvan met Rollepaal Oost ligt niet binnen de invloedssfeer van dit vervoer van gevaarlijke stoffen over deze provinciale weg. Bovendien zijn er in de provinciale omgevingsverordening hierover geen instructieregels opgenomen die in deze wijziging van het omgevingsplan moeten worden uitgewerkt. Daarom is het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N377 bij deze wijziging van het omgevingsplan buiten beschouwing gelaten.

Risicovolle inrichtingen
Aan de Rheezerend 54 bevindt zich een risicovolle inrichting, namelijk een tankstation waarbij er sprake is van de verkoop van LPG. Ter plaatse van een LPG-tankstation zijn drie bronnen relevant voor de risicobeoordeling: het vulpunt, de LPG-afleverinstallatie en het LPG-reservoir. Voor deze bronnen gelden drie verschillende contouren ten aanzien het plaatsgebonden risico. De plaatsgebonden risicocontouren liggen niet over het plangebied heen. Het brandaandachtsgebied van het tankstation is 60 meter, het explosieaandachtsgebied is 150 meter. Het plangebied bevindt zich net buiten het explosieaandachtsgebied.
De Pluimveeslachterij Plukon b.v. is gelegen aan de Langewijk 135, ten noordwesten van het plangebied op het bedrijventerrein Rollepaal. Het bedrijf bevindt zich op een afstand van circa 500 meter van het plangebied. Hier bevindt zich een ammoniak-koelinstallatie van 5.000 liter. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour van deze inrichting ligt buiten de begrenzing van het plangebied.
Aardgasleidingen
Ten zuiden en oosten van het plangebied is een buisleidingenstrook met hogedrukaardgasleidingen gelegen. Een overzicht hiervan is in tabel 4.1 gegeven. De PR-contouren liggen op de leidingen zelf en reiken niet tot het plangebied. Het plangebied bevindt zich op circa 253 meter van de buisleidingenstrook.
De brandaandachtsgebieden zijn berekend door de Gasunie en weergegeven op de kaart Atlas Leefomgeving. Hieruit blijkt dat het zuidelijk deel van het industrieterrein Rollepaal en deelgebied Rollepaal Oost in de brandaandachtsgebieden van de buisleidingen is gelegen, zie figuur 4.2.
Er is geen sprake van explosie- of gifwolkaandachtsgebieden bij een buisleiding die aardgas transporteert.

Gevolgen voor de wijziging van het omgevingsplan
Bluswater en bereikbaarheid
Voor hulpdiensten is het belangrijk om zo snel mogelijk ter plaatse te kunnen zijn om hulp te kunnen bieden bij incidenten, rampen en crises. Adequate bluswatervoorziening en goede bereikbaarheid van zowel de bluswatervoorziening als de incidentlocatie zijn randvoorwaarden voor een effectieve en efficiënte incidentbestrijding door de brandweer.
Op grond van artikel 22.13 van de in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg opgenomen bruidsschat, bedraagt de afstand tussen een bluswatervoorziening en brandweeringangen in de panden op Noord IV niet meer dan 40 meter. Het beeldkwaliteitsplan dat aan deze wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg ten grondslag ligt, borgt de aanleg van verschillende watergangen binnen het deelgebied Rollepaal Oost.
Voor alle kavels op Rollepaal Oost geldt dat de bedrijfsbebouwing binnen 40 meter van een watergang kan worden gerealiseerd, zoals weergegeven in figuur 4.3.

De gemeente Hardenberg draagt zorg voor de aanleg van de wegenstructuur binnen Rollepaal Oost. Zij zal er daarbij voor zorgen dat wordt voldaan aan artikel 22.14 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan over de bereikbaarheid van de kavels voor hulpdiensten.
Externe veiligheid
Het zuidelijke deel van het industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost ligt binnen het brandaandachtsgebied rond de ten zuiden daarvan gelegen hogedruk aardgasleidingen. Binnen dit brandaandachtsgebied liggen op het industrieterrein Rollepaal verschillende kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen. Met de wijziging van het omgevingsplan waarmee de uitbreiding van het industrieterrein met Rollepaal Oost mogelijk wordt gemaakt, wordt het bouwen van beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen binnen het brandaandachtsgebied mogelijk gemaakt.
Op grond van artikel 5.14 van het Bkl kan de gemeente in dat geval (voor zowel het bestaande industrieterrein als de uitbreiding) een brandvoorschriftengebied aanwijzen. Door het aanwijzen van dit brandvoorschriftengebied, moet bij de bouw van nieuwe beperkt kwetsbare gebouwen op grond van de artikelen 4.91 tot en met 4.95 van het Besluit bouwwerken leefomgeving worden voldaan aan specifieke eisen voor de brandwerendheid van gevels, kozijnen en daken. Daarnaast mogen er zich aan de zuidzijde van deze beperkt kwetsbare gebouwen geen vluchtdeuren bevinden.
Door het vaststellen van een brandvoorschriftengebied en daarmee borgen dat deze beschermende maatregelen worden genomen bij de bouw van deze (beperkt) kwetsbare gebouwen, wordt invulling gegeven aan artikel 5.15, lid 2, onder b sub 1 van het Bkl. Daarnaast zullen er gelet op het weinig personeelsintensieve gebruik van deze gronden relatief weinig personen tegelijkertijd binnen het brandaandachtsgebied aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom afgezien van het uitvoeren van een onderzoek naar het groepsrisico dat met de wijziging van het omgevingsplan samenhangt.
Natuurbranden
In de omgeving van industrieterrein Rollepaal zijn geen natuurgebieden die in verband met het brandgevaar daarvan aanleiding kunnen geven tot een risico voor de veiligheid van de gebruikers van het industrieterrein.
Windturbines
Er zijn geen windturbines op of rond het industrieterrein Rollepaal.
Overstroming en klimaatadaptatie
Het industrieterrein ligt relatief hoog, zodat - ondanks de nabijheid van de Dedemsvaart – er een verwaarloosbaar klein risico op overstroming van het industrieterrein bestaat.
Evenementen
Het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg staat geen evenementen op het industrieterrein toe.
Rookoverlast
In het omgevingsplan worden regels opgenomen om ontwrichtende rookoverlast door brand van opslagen in de buitenlucht te voorkomen.
In het stedenbouwkundige ontwerp zijn de bluswatervoorziening binnen Rollepaal Oost vastgelegd. Het brandaandachtsgebied dat over het industrieterrein Rollepaal en het deelgebied Rollepaal Oost ligt wordt aangewezen als brandvoorschriftengebied zoals bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bovendien worden er regels over het voorkomen van ontwrichtende rookoverlast bij brand van opslagen op het buitenterrein aan het omgevingsplan verbonden.
Daarmee wordt voldoende waarborg voor de veiligheid van de nieuwe gebruikers van het plangebied geboden.
De gemeente Hardenberg is niet aangewezen als een agglomeratie zoals bedoeld in het Bkl. Met de wijziging van het omgevingsplan voor de uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal met Rollepaal Oost wordt evenmin een tunnel voor het wegverkeer mogelijk gemaakt. Daarom is deze instructieregel niet op deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing. Op de milieubelastende activiteiten die op Rollepaal Oost mogelijk worden gemaakt en die emissies naar de lucht zullen veroorzaken, is paragraaf 5.4.4 van het Bal van toepassing. Daarmee wordt de kwaliteit van de buitenlucht voldoende beschermd. Daarom worden in aanvulling hierop het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg geen maatwerkregels op het gebied van luchtkwaliteit opgenomen.
Geluidhinder is één van de thema's die onder de onderdelen gezondheid en het milieu van de fysieke leefomgeving te vatten zijn. Dit betekent dat de gemeente Hardenberg bij het uitoefenen van haar taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg moet dragen voor het voorkomen en beperken van geluidhinder.
In paragraaf 3.2.1.1 van deze motivering is al aangegeven dat in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) rijksregels zijn opgenomen over het voorkomen en beperken van geluidhinder. Het Bkl kent met betrekking tot geluid instructieregels in hoofdstuk 3 en 5.
De instructieregels in hoofdstuk 3 (afdeling 3.5) zijn bedoeld voor het beheersen van de geluidemissie door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (gericht op de bronbeheerder, vaststellen geluidproductieplafonds).
De instructieregels in hoofdstuk 5 zijn specifiek bedoeld voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij het toestaan van milieubelastende activiteiten, de aanleg of wijziging van het gebruik van gemeentewegen, waterschapswegen of lokale spoorwegen (zonder geluidproductieplafonds) en het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied, waarbij rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Daarnaast regelt hoofdstuk 5 het geluid van activiteiten.
Geluidproductieplafonds wegen en spoorwegen
Voor de beheersing van het geluid van rijkswegen, hoofdspoorwegen, provinciale wegen, en sommige lokale spoorwegen wordt het systeem van geluidproductieplafonds (gpp) gehanteerd. Rond geluidbronnen met gpp's ligt een geluidaandachtsgebied; een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg of spoorweg waarbinnen het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger kan zijn dan de van toepassing zijnde standaardwaarde in de dosismaat Lden.
Industrielawaai en gpp's
Onder de Omgevingswet wordt de geluidbelasting door industrieterreinen met geluidproductieplafonds (gpp's) beheerst. Deze gpp's bestaan uit grenswaarden voor het equivalente geluidimmisieniveau op referentiepunten rond het industrieterrein. Voor bestaande industrieterreinen mag op grond van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet tot 1 januari 2032 gebruik worden gemaakt van het stelsel van de voormalige Wet geluidhinder. Voor nieuwe industrieterreinen en bij wijziging van de begrenzing van een bestaand industrieterrein moet met de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze mogelijk worden gemaakt, gebruik worden gemaakt van de systematiek van gpp's. Daarnaast moeten de regels in het omgevingsplan borgen dat de geluidbelasting door de milieubelastende activiteiten op het industrieterrein niet hoger wordt dan de gpp's. De gpp's worden vastgelegd in de dosismaten Lden en Lnight. Dit zijn jaargemiddelde waarden, in tegenstelling tot de huidige beoordeling op basis van langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de representatieve bedrijfssituatie.
Cumulatie
Naast het bestaande begrip cumulatie wordt onder de Omgevingswet het begrip 'gezamenlijk geluid' geïntroduceerd:
Bij cumulatie van geluid wordt rekening gehouden met de verschillen in hinderlijkheid tussen geluidbronsoorten (wegverkeer, industrielawaai, railverkeerslawaai).
Bij het nieuwe begrip 'gezamenlijk geluid' worden de geluidniveaus van verschillende geluidbronsoorten bij elkaar opgeteld zonder correcties. Het gezamenlijke geluid wordt gebruikt bij het bepalen van de geluidwering van nieuwe woningen.
Het gecumuleerde niveau wordt berekend om de aanvaardbaarheid van het totale geluidaanbod te kunnen beoordelen. Deze aanvaardbaarheid kan worden beoordeeld aan de hand van een zogenoemde milieu-kwaliteits-maat waarmee de akoestische kwaliteit van de leefomgeving tot uitdrukking wordt gebracht, zie de navolgende tabel.
geluidbelasting Lcum [dB] | geluidkwaliteit |
<45 | zeer goed |
46-50 | goed |
51-55 | redelijk |
56-60 | matig |
61-65 | tamelijk slecht |
66-70 | slecht |
= 71 | zeer slecht |
Overig wegverkeerslawaai
Voor wegen van gemeenten en waterschappen en de meeste lokale spoorwegen wordt het systeem van de basisgeluidemissie gehanteerd. Het geluid wordt gemonitord door het volgen van de verkeersontwikkeling. Deze monitoring wordt gefaseerd ingevoerd: eerst voor wegen met meer dan 4.500 motorvoertuigen per etmaal en uiterlijk vijf jaar later voor wegen tussen 1.000 en 4.500 motorvoertuigen per etmaal. Voor rustige wegen tot 1.000 motorvoertuigen per etmaal is monitoring niet vereist.
Het monitoringsresultaat wordt vergeleken met de basisgeluidemissie: als het geluid met 1,5 dB is gegroeid ten opzichte van de basisgeluidemissie, moet de wegbeheerder afwegen of er maatregelen getroffen worden om het geluid te beperken. Als die maatregelen niet of onvoldoende helpen en het geluid binnen geluidgevoelige gebouwen boven de grenswaarde komt, moeten maatregelen getroffen worden die het binnengeluid verminderen.
Maximaal geluidniveau
Voor de beoordeling van hinderlijkheid van geluid zijn ook piekgeluiden van belang. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg zijn grenswaarden opgenomen voor het maximale geluidniveau dat door milieubelastende activiteiten op mag treden.
De regeling voor Rollepaal Oost en Rollepaal (industrielawaai)
Op het bestaande industrieterrein Rollepaal is het toegestaan om activiteiten die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken uit te oefenen. Op grond van de bestemmingsplannen 'Dedemsvaart', 'Uitbreiding Hakvoort', 'Dedemsvaart, bedrijventerrein Rollepaal Oost, zuidelijk gedeelte' en 'Buitengebied Hardenberg' geldt rond het industrieterrein een zone zoals bedoeld in hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder. De hiervoor genoemde bestemmingsplannen maken deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg.
Op de uitbreiding van het bestaande industrieterrein met het deelgebied Rollepaal Oost, zullen ook activiteiten die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken worden toegelaten. Dit houdt in dat de begrenzing van het industrieterrein met de wijziging van het omgevingsplan zal moeten worden aangepast, zodat deze begrenzing ook de uitbreiding met Rollepaal Oost omvat. Hierdoor ontstaat een nieuw industrieterrein.
Dit betekent dat het overgangsrecht op grond van artikel 3.6, lid 1 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet niet meer op dit uitgebreide industrieterrein van toepassing is. Door deze uitbreiding moet dus de bestaande zone worden omgezet in de systematiek van gpp's en zal bovendien de geluidruimte die nodig is voor de activiteiten die op Rollepaal Oost zullen worden uitgeoefend, in deze gpp's moeten worden verwerkt.
Op de omzetting van de zone die op grond van hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder naar de systematiek van gpp's, moet op grond van artikel 12.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden uitgegaan van de geluidproductie op het industrieterrein die is toegestaan bij maximale benutting van de grenswaarden die daarop op grond van de voormalige Wet geluidhinder van toepassing zijn. Dit betekent dat met het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan waarmee de uitbreiding Rollepaal Oost mogelijk wordt gemaakt:
eerst de bestaande zone moet worden omgezet in gpp's, waarbij wordt uitgegaan van de maximaal mogelijke invulling die de wettelijke grenswaarden die op grond van hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder gelden
vervolgens op basis van deze maximale invulling de geluidbelasting op referentiepunten rond het bestaande industrieterrein de geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaten Lden en Lnight niet worden berekend, die als gpp's moeten worden vastgesteld.
hierop een nieuwe berekening moet worden uitgevoerd, waarbij daarnaast rekening wordt gehouden met de uitbreiding van het industrieterrein met het deelgebied Rollepaal Oost en daarmee op nieuwe referentiepunten opnieuw de geluidbelasting uitgedrukt in Lden en Lnight moeten worden berekend die uiteindelijk als definitieve gpp's in het omgevingsplan moeten worden vastgesteld
tot slot moeten er regels in het omgevingsplan worden opgenomen die ervoor zullen zorgen dat de milieubelastende activiteiten op het industrieterrein gezamenlijk geen grotere geluidbelasting veroorzaken dan de grenswaarden die op grond van de gpp's gelden.
De berekeningen die hiervoor nodig waren zijn beschreven in het akoestisch onderzoek ‘Akoestisch onderzoek uitbreiding Rollepaal Oost‘ van DGMR dat als bijlage bij deze motivering is gevoegd. Naast de uitwerking in de regels van het omgevingsplan, zijn deze gegevens ook opgenomen in de zogenoemde Centrale Voorziening GeluidGegevens (CVGG) van het Rijk.
In het akoestisch onderzoek zijn de gpp's rond het industrieterrein berekend op basis van:
de voormalige zone op grond van hoofdstuk 5 van de (voormalige) Wet geluidhinder en de vastgestelde hogere grenswaarden, met daarbij opgesteld
de geluidruimte die nodig is voor de bedrijven die zich op Rollepaal Oost zullen vestigen.
Bij het inschatten van de geluidruimte die nodig is voor de toekomstige bedrijven op Rollepaal Oost is uitgegaan van de aard van de bedrijven die de gemeente daar wil laten vestigen. Één van deze nieuwe bedrijven heeft zich al aangemeld: het transformatorstation van Enexis dat op het meest noordelijke kavel van Rollepaal Oost zal worden gerealiseerd. In het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met de geluidruimte die voor dit transformatorstation nodig is. Dit alles heeft uiteindelijk geleid tot het vastleggen van 39 referentiepunten in het omgevingsplan met bijbehorende gpp's.
Zeventien van deze 39 referentiepunten liggen op 470 meter van de grens van het industrieterrein, met een onderlinge afstand van eveneens 470 meter. Binnen deze afstand liggen verschillende woningen rondom het industrieterrein.
Daarnaast liggen er langs de Moerheimstraat (dat geen deel uitmaakt van het industrieterrein) ook verschillende woningen als een enclave omgeven door het industrieterrein. Deze woningen genieten door de op grotere afstand van de grens van het industrieterrein gelegen referentiepunten onvoldoende bescherming tegen geluidhinder. Daarom is ervoor gekozen om ter hoogte van deze woningen eveneens referentiepunten vast te stellen en ook op deze punten gpp's vast te stellen met de wijziging van het omgevingsplan. Het op deze manier ontstane stelsel van gpp's is geïllustreerd in de onderstaande figuur.

De ligging van de hierboven weergegeven 39 referentiepunten én de daarbij behorende gpp's voor de dosismaten Lden en Lnight zijn opgenomen in een planregel die aan het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg is toegevoegd.
Op grond van artikel 5.78f moeten er daarnaast regels aan het omgevingsplan worden toegevoegd die ervoor zorgen dat vanwege de geluidbelasting door de milieubelastende activiteiten die op het industrieterrein worden uitgevoerd. Om dit te borgen is aan elk kavel op het industrieterrein een quotum aan geluidbelasting per individueel referentiepunt toegekend. De som van alle quota op elk referentiepunt is gelijk aan de op dat referentiepunt vastgestelde gpp's voor het Lden en Lnight. In de planregel is bepaald dat de geluidbelasting die door de bedrijven op het industrieterrein op de referentiepunten optreedt niet hoger mag zijn dan dit quotum toelaat.

Deze systematiek sluit aan bij de systematiek van de VNG-publicatie 'Activiteiten en milieuzonering'. Om ervoor te zorgen dat er geen strijdigheid ontstaat met de planregels waarmee de gebruiksactiviteiten voor het bestaande industrieterrein in het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn vastgelegd, is deze regel als voorrangsbepaling in het omgevingsplan opgenomen. Bovendien is artikel 22.63 niet van toepassing verklaard voor de milieubelastende activiteiten op het industrieterrein Rollepaal en het deelgebied Rollepaal Oost. Om ervoor te zorgen dat niettemin ook grenswaarden voor het maximale geluidniveau LAmax ter hoogte van omliggende woningen, is hiervoor een aanvullende planregel aan het omgevingsplan verbonden.
Voor wat betreft de geluidbelasting ter hoogte van de rond het industrieterrein gelegen woningen die binnen het daaromheen liggende geluidaandachtsgebied liggen, blijkt uit het akoestisch onderzoek dat de uitbreiding met het deelgebied Rollepaal Oost niet leidt tot een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde voor industrielawaai en/of dan al was toegestaan voor uitbreiding. Hiermee is de uitbreiding voor het aspect geluid in de omgeving aanvaardbaar.
Uitzondering hierop vormt de woning aan de Schutwijk 2. Op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg is hier de gebruiksactiviteit wonen toegestaan. Deze woning ligt in de toekomstige situatie ingeklemd tussen het bestaande industrieterrein Rollepaal en de uitbreiding van dit industrieterrein met Rollepaal Oost. Dit wordt geïllustreerd met de onderstaande figuur.

In overleg met de eigenaar van deze woning is besloten om naast de woonactiviteit, op deze locatie ook het gebruik als kantoorruimte toe te staan. De woonactiviteit blijft daarbij onverminderd toegestaan op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat door de bijzondere ligging van deze woning ten opzichte van zowel het bestaande industrieterrein als de uitbreiding van het industrieterrein, de geluidbelasting ter hoogte van deze woning wel toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie.
In de bestaande situatie bedraagt de geluidbelasting ter hoogte van deze woning 55 dB voor het Lden en 45 dB voor het Lnight. Na uitbreiding van het industrieterrein met Rollepaal Oost bedraagt de geluidbelasting ter hoogte van deze woning 58 dB voor het Lden en 48 dB voor het Lnight. Dit is weliswaar meer dan de standaardwaarden van 50 en respectievelijk 40 dB voor het Lden en Lnight, maar minder dan de grenswaarden van 60 en respectievelijk 50 dB voor het Lden en Lnight op grond van artikel 3.34 van het Bkl.
In overeenstemming met dit artikel 3.34 is bij het tot stand komen van deze wijziging de geluidbelasting door het uitbreiden van het industrieterrein zoveel als mogelijk beperkt. Ter hoogte van de overige omliggende woningen is immers geen sprake van een toename van de geluidbelasting. Omdat de geluidbronnen op het industrieterrein op relatief grote afstand liggen, kan de geluidbelasting ter hoogte van de woning aan de Schutwijk bovendien niet redelijkerwijs tot op of onder de standaardwaarde worden beperkt. Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek volgt dat het gecumuleerde geluidniveau ter hoogte van deze woning in de bestaande situatie 58 dB bedraagt en in de toekomstige situatie 61 dB zal bedragen. Daarmee neemt de MilieuKwaliteitMaat ter hoogte van deze woning af van tamelijk slecht tot slecht.
Omdat de grenswaarde voor de geluidbelasting door het industrielawaai niet wordt overschreden en het handhaven van de woonfunctie de uitdrukkelijke wens van de eigenaar is, is de gemeente van mening dat sprake is van een aanvaardbare akoestische situatie ter hoogte van deze woning. Met de regels van het gewijzigde omgevingsplan wordt ter hoogte van deze woning de waarde van het gezamenlijke geluid vastgesteld op 59 dB.
Wegverkeerslawaai
Het plan maakt daarnaast een nieuwe weg mogelijk en heeft een verkeersaantrekkende werking die leidt tot een toename van het verkeer op de omliggende wegen. In het kader van de indirecte akoestische effecten hebben we daarom het geluid vanwege het wegverkeer bepaald en vergeleken met de referentiesituatie. Hieruit volgt dat deze bij alle woningen niet meer toeneemt dan 1,5 dB. Hiermee zijn de indirecte effecten aanvaardbaar.
Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg wordt de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal met het deelgebied Rollepaal Oost mogelijk gemaakt. Hiervoor is de rond het industrieterrein op grond van het tijdelijke deel geldende zone volgens hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder omgezet naar de systematiek van geluidproductieplafond op grond van de Omgevingswet.
Deze omzetting leidt er niet toe dat ter hoogte van de omliggende woningen ofwel de standaardwaarden voor het Lden en Lnight worden overschreden óf sprake is van een hogere geluidbelasting dan voor de uitbreiding. Daarnaast neemt door de uitbreiding de geluidbelasting door het wegverkeer in de omgeving van het industrieterrein niet toe met meer dan 1,5 dB. Met beide onderdelen is aangetoond dat er met de uitbreiding van het industrieterrein sprake is van een evenredige toedeling van functies aan locaties voor het milieuaspect geluid.
Op grond van artikel 5.83 van het Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen, activiteiten in de openbare buitenruimte, evenementen buiten een evenementenlocatie en verkeer op wegen, spoorwegen en waterwegen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat aan de instructieregel wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden.
In artikel 22.88 van het omgevingsplan gemeente Hardenberg zijn de bedoelde standaardwaarden voor continue trillingen opgenomen. Met de wijziging van het omgevingsplan zijn daarom aanvullend hierop standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen, in overeenstemming met artikel 5.78a van het Bkl aan het omgevingsplan verbonden.
De regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg bieden voldoende waarborgen voor de bescherming tegen trillingshinder door de milieubelastende activiteiten op de uitbreiding met industrieterrein Rollepaal Oost.
Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl moeten er in het omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan, om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. Een omgevingsplan kan deze bouwactiviteit toestaan als op een locatie deze grenswaarden worden overschreden, als daarbij wordt voorgeschreven dat sanerende of andere beschermende maatregelen getroffen worden. Daarnaast moet in het omgevingsplan op zijn minst een meldingsplicht worden ingesteld voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Ook moeten er regels in het omgevingsplan worden opgenomen die het in stand houden van de sanerings- en andere beschermende maatregelen borgen.
Naast regels over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, moeten er op grond van de instructieregels regels aan het plan worden verbonden over het op of in de grond brengen van grond en baggerspecie. Zo kan er in het omgevingsplan een zogenoemd bodembeheergebied worden aangewezen en moet in het omgevingsplan de landbodem worden ingedeeld in bodemfunctieklassen.
In 2023 heeft de gemeenteraad van de gemeente Hardenberg de Nota Bodembeheer Regio IJsselland 2023 en de bijbehorende bodemkwaliteitskaart vastgesteld. Deze Nota Bodembeheer heeft een geldigheidsduur van 10 jaar. Op grond van het overgangsrecht zijn de bodemfunctiekaart en het gebiedsspecifieke beleid dat in deze Nota Bodembeheer zijn opgenomen, gelijkgesteld aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg, tot dit beleid haar geldigheid verliest.
Op 6 mei 2025 heeft de raad van de gemeente Hardenberg een wijziging van haar omgevingsplan vastgesteld waarmee het gebiedsspecifieke beleid uit de Nota bodembeheer wordt overgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. In de wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg waarmee de uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal met Rollepaal Oost mogelijk wordt gemaakt, worden daarom géén regels over het nuttig toepassen van grond of baggerspecie in het nieuwe deel van het omgevingsplan opgenomen. Wel zijn er regels opgenomen waarmee de bouw van bodemgevoelige gebouwen vergunningplichtig is.
Op grond van de artikelen 22.26 en 22.27 van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw vergunningplichtig gemaakt. Daarmee wordt voldaan aan de instructieregels van het Bkl.
Op grond van de bodemfunctieklassekaart die deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, rust op Rollepaal Oost de bodemfunctieklasse 'Industrie'; wat past bij de gebruiksactiviteiten die daar met de wijziging van het omgevingsplan mogelijk worden gemaakt.
Met het vergunningplichtig maken van het bouwen van bodemgevoelige gebouwen, de bodemfunctieklasse die op grond van de thematische wijziging van het omgevingsplan op gebied van bodembescherming in het plan is opgenomen, wordt voldoende waarborg geboden voor de kwaliteit van de bodem.
De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelgebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelgebied optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn.
De provincie Overijssel heeft de Beleidsregel geur door milieubelastende activiteiten (niet-veehouderijen) 2024 vastgesteld. Hierin zijn aanvaardbaar geurhinderniveau van bestaande en nieuwe mba's opgenomen Verder zijn er streef-, richt- en grenswaarden voor geur opgenomen voor verschillende gebiedstypen en geurtypen, waaraan bij vergunningverlening voor mba's wordt getoetst.
Voor de uitbreiding Rollepaal Oost wordt in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan aangesloten bij het provinciale beleid voor nieuwe situaties (artikel 5 en 8 van de beleidsregel), dit betekent dat wordt uitgegaan van de streefwaarde, beoordeeld voor categorie A voor geurgevoelige gebouwen (gebiedscategorie wonen of buitengebied). In de beleidsregel zijn voor nieuwe activiteiten de onderstaande streefwaarden opgenomen en voor bestaande activiteiten de onderstaande grenswaarden. De getalswaarden zijn opgenomen als ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel.
Voor het bestaande industrieterrein zijn de gebruiksactiviteiten op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan toegestaan door gebruik te maken van de systematiek van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering. Daarbij zijn de afstanden die in deze publicatie voor de verschillende categorieën van bedrijfsmatige activiteiten worden gehanteerd, afgestemd op de afstand waarop de bedrijven in kwestie aan een geurnorm van 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel kunnen voldoen. De provinciale beleidsregel is bedoeld als beoordelingskader aan de hand waarvan de provincie aanvragen voor omgevingsvergunningen zal toetsen. Daarom is er bij het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg voor de uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal voor gekozen om de regels voor de toegelaten geurbelasting door nieuwe bedrijven op Rollepaal Oost te baseren op deze provinciale beleidsregel.
In het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg wordt voor de milieubelastende activiteiten op Rollepaal Oost een regel opgenomen waarin is aangesloten bij de provinciale Beleidsregel geur door milieubelastende activiteiten 2024.
Locaties met kunstmatige verlichting kunnen verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken. Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. Er is ook een leidraad voor overheden. Kunstmatige verlichting kan vier soorten negatieve effecten veroorzaken:
Effectafstanden
De lichthinder die kunstmatige verlichting veroorzaakt hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Over effectafstanden van kunstmatige verlichting is nog weinig bekend. Deze afstanden zijn afhankelijk van verschillende aspecten:
de kenmerken van de verlichting (zoals verlichtingsintensiteit, de golflengtes ofwel spectrale samenstelling van het licht, de vorm van de armatuur, et cetera);
de situatie waarin de verlichting plaatsvindt (de transparantie van het landschap).
In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Het omgevingsplan kan bijvoorbeeld ambities bevatten over lichthinder in de openbare ruimte, eventueel in de vorm van omgevingswaarden, maar ook een zorgplicht met betrekking tot lichthinder, beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen en bevoegdheden tot het stellen van maatwerkvoorschriften over lichthinder.
In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ is aangegeven dat de referentiesituatie lichthinder door omwonenden werd ervaren vanaf het bestaande bedrijventerrein Rollepaal. De lichtreclame zorgde voor een oranje gloed in de avond- en nachtperiode. Ook is de terreinverlichting goed zichtbaar vanaf de bestaande woningen, ondanks een afschermende grondwal. De straatverlichting is over het algemeen 6 meter hoog langs wegen waar vrachtwagens rijden. Door deze gericht en afgeschermd te plaatsen kan lichthinder zoveel mogelijk worden voorkomen. Mogelijke hinder door koplampen wordt voorkomen door de grondwal.
Als gevolg van het toevoegen van bedrijvigheid op Rollepaal Oost kan sprake zijn van lichthinder. Aan de noord- en oostkant van de uitbreiding wordt een grondwal gerealiseerd. Het bedrijventerrein biedt ruimte aan meerdere type bedrijven waaronder het nieuwe station van TenneT. Dit station zal niet structureel worden verlicht.
Bij onderdelen op het terrein zal in de avond- en nachtperiode verlichting aanwezig zijn dat vergelijkbaar is met een buitenlamp aan een woning. Bij calamiteiten en werkzaamheden in de avond- en of nachtperiode is goede verlichting noodzakelijk voor de veiligheid. Dit zal incidenteel plaatsvinden waardoor extreme lichthinder wordt uitgesloten. Met maatregelen zoals armaturen die naar beneden/op de betreffende objecten zijn gericht zal het uitstralingseffect nihil zijn.
De overige kavels worden naar verwachting ingericht met distributiecentra, recyclingbedrijven en overige bedrijvigheid. Het is in dit stadium nog onduidelijk of de geplande activiteiten buiten of inpandig plaats zullen vinden. Naar verwachting wordt het terrein van bedrijven met een transportfunctie verlicht met lichtmasten.
In het stedenbouwkundige plan dat voor het realiseren van het omgevingsplan is opgesteld (zie paragraaf 2.2.1), is ingegaan op de mogelijkheden om lichthinder in de omgeving van Rollepaal Oost te beperken. In uitwerking op het stedenbouwkundig plan over licht is een aantal regels aan het plan verbonden. In de regels is bepaald dat:
verlichting die binnen Rollepaal Oost wordt gebruikt en richting de grondwal is gericht, maximaal 4 meter hoog mag zijn.
verlichte reclame-uitingen niet hoger mogen zijn dan 4 meter boven maaiveld
reclameuitingen voorzien van verlichting tussen 23:00 en 07:00 moeten zijn uitgeschakeld en dat terreinverlichting moet zijn voorzien van armaturen die ervoor zorgen dat er geen licht buiten het bedrijfsterrein wordt geworpen.
De beperking van de hoogte van verlichte reclame-uitingen tot 4 meter en het uitschakelen daarvan tussen 23:00 en 07:00 zorgt er in combinatie met de grondwal van 3 meter voor dat deze in de dag- en avondperiode vanaf de oost- en noordzijde gezien niet zichtbaar zal zijn in de dag- en avondperiode door afscherming en in de nachtperiode door de uitschakeling. In de dag- en avondperiode wordt de lichtreclame aan de westzijde niet afgeschermd richting de overige bedrijven. Aan de zuidzijde zorgt de groensingel tijdens het bladdragende deel van het jaar voor afscherming in de dag- en avondperiode. Daarnaast is in het omgevingsplan bepaald dat lichtreclame niet mag knipperen, bewegen of op een andere manier dynamisch mag zijn.
In het omgevingsplan zijn regels opgenomen over het uitschakelen van verlichte reclameuitingen tussen 23:00 en 07:00 uur en het voorkomen van lichthinder door het gebruik van terreinverlichting.
Daarnaast zijn er in het omgevingsplan regels opgenomen over hoe hoog de lichtmasten mogen zijn, hoe hoog verlichte reclame-uitingen mogen worden opgehangen en dergelijke. Daardoor wordt met de planregels voldoende waarborg tegen het optreden van lichthinder geboden.
Binnen Nederland zijn er geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen, bouwwerken of percelen. Er is geen wet die het recht op bezonning regelt. De gemeente Hardenberg heeft nog geen beleid vastgesteld voor wat betreft bezonning en nadelige schaduwwerking op omliggende woningen.
In het geval een gemeente niet over dergelijk beleid beschikt, dan kunnen de algemeen gehanteerde TNO-richtlijnen worden toegepast voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing. TNO kent een licht en een strenge norm:
de lichte TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari - 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam;
de strenge TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari - 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.
Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen; noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht.
In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ is aangegeven dat het planvoornemen uitgaat van een bedrijventerrein met een maximale bouwhoogte van 15 meter aan de oostzijde. Door de afstand van de bebouwing tot de plangrens (vanwege de tussenliggende grondwal, water, groenstroken, fiets- en wandelpaden en interne wegen, zie ) is schaduwwerking vanwege de gebouwen op de omliggende woningen uitgesloten.
Ten ondersteuning is aanvullend een bezonningsstudie bijgevoegd waarin voor de vier seizoenen op maatgevende dagen en tijdstippen het verloop van schaduwwerking in beeld is gebracht over het verloop van de dag. Het gaat daarbij om:
lente: 21 maart om 9.00, 12:00, 15:00 en 17:30 uur;
zomer: 21 maart om 9.00, 12:00, 15:00, 18:00 en 20:00 uur;
herfst: 21 maart om 9.00, 12:00, 15:00 en 17:30 uur;
winter: 21 maart om 9.30, 12:00 en 15:00 uur.
De bezonningsstudie is als bijlage 11 in de motivering van het voorliggende omgevingsplan opgenomen. Uit de bezonningsstudie wordt bevestigd dat er geen sprake is van schaduwwerking vanwege de bedrijfsgebouwen op de omliggende woningen, met uitzondering van de bestaande woning aan de Rheezerend 17 tijdens het vallen van de schemering in de winterperiode op 21 december. Daarbij geldt als kanttekening dat op het terrein van TenneT/Enexis in de praktijk minder veel minder bebouwing mag worden gerealiseerd dan waar nu rekening mee is gehouden in de bezonningsstudie. Bovendien komt deze verder van de grondwal af. Dit zal gevolgen hebben voor de schaduwwerking ter plaatse.
Rondom het bedrijventerrein wordt een grondwal gerealiseerd van 3 meter hoogte met beplanting. Aan de oostzijde van het bedrijventerrein zijn agrarische gronden aanwezig. Uit de inspraak op het NRD (zie paragraaf 10.1.3) bleek dat de gebruikers van deze gronden zich zorgen maakt over mogelijke schaduwwerking als gevolg van hoge objecten en de grondwal, waardoor de groei van gewassen beperkt kan worden.
Om een beeld te geven van de effecten is in het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ gekeken naar de zonstand (38 graden in maart ten opzichte van de horizon) en de schaduwlengte van nieuwe gebouwen en de grondwal aan de oostzijde. In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt geconcludeerd dat wanneer de begroeiing een hoogte heeft van 10 meter, er geen sprake is van schaduw ter plaatse van de agrarische gronden. Wanneer de begroeiing uitgroeit tot circa 20 meter is er sprake van een schaduwlengte van circa 10 meter ter plaatse van de agrarische gronden.
In tegenstelling tot schaduw van bebouwing is er geen sprake van harde schaduw. Daarnaast krijgen niet alle bomen op de grondwal een hoogte van 20 meter en dient de zone langs de watergang te worden vrijgehouden als bufferzone (3 meter), waardoor de voor gewassen geschikte zone 3 meter naast de watergang ligt.
De effectzone bedraagt hierdoor 0 tot 7 meter in de vroege lenteperiode. Naarmate het seizoen vordert is er geen sprake meer van schaduwwerking. In vergelijking met de referentiesituatie is geen sprake van een noemenswaardige verslechtering van de bezonning.
In de regels en op de kaart zijn regels opgenomen met betrekking tot de situering van bedrijfsgebouwen en de maximale bouwhoogte. Hiermee wordt voldoende waarborg geboden voor de bezonning.
Een van de doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid: het doel van de wet is onder meer het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Een deel van de hiervoor beschreven milieu- en omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming.
Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheid bevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor en uitnodiging tot beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. De gezondheidsbevordering en de gezondheidsbescherming kunnen echter niet tegen elkaar worden afgewogen.
Omgevingsvisie provincie Overijssel
In de omgevingsvisie van de provincie Overijssel zijn kwaliteitsambities opgenomen voor het aspect gezondheid:
Het realiseren van een langer leven in goede gezondheid en verminderde gezondheidsverschillen van de inwoners van Overijssel.
Gezonde leefomgeving, met een goede milieukwaliteit, een groene en klimaatadaptieve leefomgeving en veilig, gezond en schoon kunnen wonen, werken, recreëren en reizen.
Actief in de wereld, waarin de provincie met het mobiliteitsbeleid inzet op actief bewegen (fietsen, rennen, wandelen), in het beleid voor de woon- en werkomgeving meer plek maken voor beweging en ontmoeting en initiatieven faciliteren die inzetten op meer beweging.
Dit wordt gerealiseerd door de leefomgeving zo in te richten dat deze bijdraagt aan de vitaliteit en gezondheid van Overijsselaars. Ook wordt water en natuur meer binnen de bebouwde omgeving gebracht, onder andere door groenblauwe dooradering, om zo te zorgen voor wateropvang, om hittestress tegen te gaan en om de biodiversiteit te vergroten. Dit betekent onder andere dat er ook meer bomen geplant worden in het bebouwde gebied. Bomen zorgen voor meer schaduw en dus koelte in bebouwde gebieden en leveren een bijdrage aan de klimaatopgave. Als het gaat om de werklocaties in Overijssel, moeten die locaties ruimtelijk beter worden gebruikt en toekomstbestendig worden ingericht.
In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ is gezondheid als integraal onderdeel meegenomen: de gecumuleerde effecten van milieuaspecten zoals geluid, luchtkwaliteit, geur en veiligheid als ook sociale aspecten, kwaliteit van de openbare ruimte, aanwezigheid van groen en recreatiemogelijkheden. Deze effecten zijn zowel binnen het plangebied beschreven als de invloed van de planontwikkeling op de gezondheidsaspecten van omwonenden.
Gezondheid wordt in dit ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ betrokken op meetbare aspecten zoals geluid en luchtkwaliteit (gezondheidsbescherming) maar ook op de meer subjectieve aspecten als de aanwezigheid van groen en uitnodiging tot bewegen (gezondheidsbevordering).
Geconcludeerd wordt dat vanwege de toename van zowel industrie- als wegverkeerslawaai, plaatselijke effecten op uitzicht en de mogelijke lichthinder een negatief effect heeft op de gezondheid vanwege de gezondheidsbescherming. Door het aanleggen van de grondwal met beplanting en het vastleggen van een geluidzone met een geluidverkavelingsplan, wordt verwacht dat de effecten te minimaliseren zijn.
In het plan is evenwel veel ruimte gereserveerd voor de aanleg van groen- en waterstructuren. Daarnaast wordt voorzien in ontmoetingsplaatsen en wandel- en fietsroutes. Dit heeft een lokaal positief effect op de gezondheid van de gebruikers van het bedrijventerrein vanwege gezondheidsbevordering.
Met de regels die met deze wijziging van het omgevingsplan zijn opgenomen, wordt geborgd dat de uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal past binnen de geluidruimte die hiervoor met de voormalige zone op grond van de Wet geluidhinder was gereserveerd. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat er ter hoogte van de omliggende woningen geen sprake zal zijn van een toename van de geluidbelasting door industrielawaai of wegverkeerslawaai.
Om verstoring van het uitzicht te voorkomen, wordt Rollepaal Oost afgeschermd van haar omgeving door een grondwal en groenstroken. Bovendien zijn er regels aan het plan verbonden die lichthinder voorkomen.
Daarmee is geborgd dat het wijzigen van het omgevingsplan geen nadelige invloed zal hebben op de gezondheid van omwonenden.
De belangrijkste consequentie van de Omgevingswet voor het (stedelijk) waterbeheer is dat de beleidsvrijheid van gemeenten en waterschappen verder toeneemt. Als gevolg van deregulering zal een deel van de nationale regelgeving via de zogenaamde Bruidsschat Omgevingswet naar gemeenten en waterschappen gaan. Het gaat daarbij onder andere om de regels voor lozingen in de riolering, op of in de bodem en op het oppervlaktewater en het aansluiten op de riolering. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden deze regels van rechtswege onderdeel van het gemeentelijk omgevingsplan (lozingen bodem en riolering en aansluiten riolering) en de Waterschapsverordening (lozingen oppervlaktewater).
De Waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de Waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. Er staan regels in voor verschillende soorten activiteiten. De Waterschapsverordening is te raadplegen via het DSO. Het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet twee verordeningen: de Waterschapsverordening (combinatie van de huidige Keur en Algemene regels, maar zonder bepalingen over onderhoudsplichten) en de Onderhoudsverordening (ontleend aan de Keur).
In de Waterschapsverordening zijn regels opgenomen over beperkingengebied activiteiten, wateronttrekkingsactiviteiten, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuivering technisch werk. De provincie en het waterschap hebben deze uitgangspunten verder doorvertaald in regionaal beleid en verordeningen.
In de POV, de Waterschapsverordening, het Bal en de bruidsschat zijn regels opgenomen om de waterkwaliteit en kwantiteit te borgen. In het omgevingsplan kunnen daarnaast nog regels worden opgenomen om wateroverlast door de gevolgen van de klimaatverandering tegen te gaan.
In het kader van het MER en het omgevingsplan is een watertoets uitgevoerd. Deze is opgenomen in het bijlagenboek 2 bij het MER (zie ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_2 van 2‘).
Waterkwantiteit
Uit de watertoets blijkt dat als gevolg van het voornemen circa 17 hectare verhard wordt. De benodigde waterberging bedraagt 15.540 m3. Voor de berekening van de bergingsopgave is rekening gehouden met een statistische bui van eens in de 100 jaar en een toekomstig klimaatscenario van 10%. Uit de watertoets blijkt dat de bergingsopgave gerealiseerd kan worden binnen de plangrenzen. De totale berging in de voorziene watergangen bedraagt 14.670 m3. De overige 870 m3 wordt geborgen in het groen in de vorm van wadi's. Uitgangspunt is dat waterberging gedeeltelijk op het eigen perceel wordt opgelost, waarna het geleidelijk afgevoerd kan worden op het oppervlaktewater.
Uit het onderzoek blijkt dat infiltratie in de bodem kansrijk is en het plan voldoende ruimte biedt voor de benodigde waterberging. Door de realisatie van een slotenstelsel kan het peil fluctueren en kan water worden vastgehouden en infiltreren in de bodem.
Waterkwaliteit
Uitgangspunt is dat het water wordt gescheiden bij de bron, waarbij vuilwater separaat wordt afgevoerd. Regenwater wordt via een retentiesysteem opgevangen met als doel dit vast te houden binnen het plangebied. De buitenterreinen van bedrijven bestaan over het algemeen uit open ruimte voor aanvoer en overslag van goederen en parkeerplaatsen. Regenwater dat over een bedrijventerrein stroomt kan verontreinigd raken door stoffen/materialen die zich op het terrein bevinden of activiteiten die zijn uitgevoerd. Als gevolg van afstromend hemelwater van verhard oppervlak kan sprake zijn van vervuiling van het hemelwater (PAKS, zware metalen).
Voor afvloeiend hemelwater geldt een zorgplicht. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen is verantwoordelijk voor het voorkomen dat het hemelwater wordt verontreinigd door onder andere schoonhouden van het terrein en het zo omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat er geen verontreiniging met hemelwater kan ontstaan (artikel 2.4 van het Bal). Verontreiniging van het hemelwater is hierdoor als verwaarloosbaar te beschouwen.
In het plangebied wordt ingezet op de realisatie van natuurvriendelijke oevers. De aanleg van natuurvriendelijke oevers wordt gezien als effectieve maatregel om het ecologisch functioneren van wateren te verbeteren waaronder ook de waterkwaliteit. Een goede waterkwaliteit is afhankelijk van de aanwezigheid van verschillende planten en dieren. Door de afname van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en bemesting in de referentiesituatie en de realisatie van natuurinclusieve oevers is sprake van een licht positief effect.
In de bouwregels van het omgevingsplan zijn eisen opgenomen over de waterberging bij het bouwen van nieuwe gebouwen op het industrieterrein Rollepaal Oost.
Cultureel erfgoed (en werelderfgoed) is onderdeel van de fysieke leefomgeving. Voor het behoud van cultureel erfgoed zijn er internationaalrechtelijke verplichtingen die nopen tot toetsing vooraf van activiteiten die cultureel erfgoed kunnen aantasten. Onder cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving wordt verstaan: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet".
Dat andere cultureel erfgoed is roerend cultureel erfgoed (in de Erfgoedwet gedefinieerd als 'cultuurgoederen'), zoals historische schepen in een historische haven, of immaterieel cultureel erfgoed dat aan een specifieke plek gebonden is, zoals het molenaarsambacht.
In het Bkl zijn in paragraaf 5.1.5 instructieregels opgenomen ten behoeve van het 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Hieronder valt ook archeologische monumentenzorg. In artikel 5.130 Bkl is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Hierbij wordt rekening gehouden met bepaalde aspecten van cultureel erfgoed die zien op:
het voorkomen van ontsiering, beschadiging, sloop of verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en het bevorderen van het gebruik hiervan. Dat zijn gemeentelijke monumenten en beeldbepalende of karakteristieke panden;
het voorkomen van aantasting van:
de omgeving van rijksmonumenten en op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten;
het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen;
het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur op de oorspronkelijke plaats (in situ).
Provincie
In de (geconsolideerde) provinciale Omgevingsvisie staan de beleidsambities en doelstellingen die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Hierin zijn ook ambities opgenomen voor landschap(structuren) en het behouden en versterken van cultureel erfgoed.
De provincie zet in op behoud van deze verzorgde, aantrekkelijke en afwisselende vrijetijdslandschappen, waarin drie elementen samenkomen: protectie (behoud van de kwaliteiten), productie (bedrijvigheid) en plezier (beleving, vermaak).
De kwaliteit van het landschap dient behouden te blijven en waar mogelijk verbeterd. Bij nieuwe plannen wordt getoetst hoe deze in het landschap passen.
In de provinciale verordening (artikel 4.12) wordt aangegeven dat in omgevingsplannen rekening dient te worden gehouden met de cultuurhistorische waarden die in het gebied aanwezig zijn, waaronder in ieder geval worden verstaan:
historische landschappen;
historisch geografische elementen en structuren;
cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken; en
archeologische vindplaatsen.
Het omgevingsplan dient een onderbouwing te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met aanwezige cultuurhistorische waarden.
Gemeente Hardenberg
In de Omgevingsvisie Landstad Hardenberg (2021) is beschreven dat de gemeente koerst op een vitaal landelijk gebied met:
een goede wisselwerking en samenhang tussen economische activiteiten zoals de landbouw en de vrijetijdseconomie (de gebruikswaarde);
de waardering van het gebied door inwoners en gasten (de belevingswaarde);
de kwaliteit van natuur, biodiversiteit, landschap en cultuurhistorie (de toekomstwaarde).
In de gemeentelijke erfgoedverordening (Erfgoedverordening Hardenberg 2018) wordt de bescherming van het gemeentelijke beschermd cultuurgoed geregeld. Op grond van de verordening is het verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of onderhoud daaraan te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. De regels uit de erfgoedverordening die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving worden opgenomen in het omgevingsplan. Hiervoor is een wijziging van het omgevingsplan in voorbereiding.
In het gemeentelijke Beleidsplan Archeologie 'Met het verleden stevig verankerd op de toekomst af' (2009) is het archeologiebeleid vastgelegd (zie ook paragraaf 3.6.5). In het beleidsplan zijn alle maatschappelijke en archeologische aspecten opgenomen en tegen elkaar afgewogen. De gemeente Hardenberg heeft duidelijke uitgangspunten voor de omgang met haar bodemarchief vastgesteld.
De gemeente stelt met het beleidsplan onder andere de 'archeologische waarden- en verwachtingenkaart' en een 'archeologische beleidskaart' vast. Op de archeologische beleidskaart staan aangegeven:
de rijksmonumenten: hierop is het Bal van toepassing.
waardering van het gemeentelijk grondgebied op basis van de verwachtingswaarde archeologie: bij een 'Waarde - Archeologie 1 t/m 5' dient de bescherming van de archeologische waarden te worden geborgd in regels in het omgevingsplan (destijds bestemmingsplan).
Op deze wijze wordt aangegeven hoe bij ruimtelijke ingrepen met het bodemarchief moet worden omgegaan. Op basis van deze kaart kan op grond van de archeologische verwachtingswaarde worden vastgesteld of belangrijke waarden binnen een bepaald gebied aanwezig (kunnen) zijn en/of archeologisch onderzoek is gewenst. De bescherming op basis van de archeologische waardenkaart is waar nodig geborgd in de ter plaatse geldende bestemmingsplannen (zie paragraaf 1.3.2) en zijn opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ is een beoordeling uitgevoerd.
In de huidige situatie is voor Rollepaal Oost sprake van een agrarisch gebied dat uit landbouwgronden bestaat. Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (zie paragraaf 1.3.2.1) geldt de bestemming 'Agrarisch met waarden - Open veenontginningslandschap'. Dit is bedoeld om de instandhouding van de sterke gebiedskenmerken van het open veenontginningslandschap te versterken.
De gebouwen aan de Schutwijk 2 en 4 zijn aangewezen als gemeentelijk monument. In het agrarisch gebied zijn geen bouwwerken met cultuurhistorische waarden aanwezig.
In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt geoordeeld dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein leidt tot een verdichting ten opzichte van het huidige open beeld. Door in het stedenbouwkundige plan de bestaande landschapsstructuur met wijken als basis te gebruiken leidt het planvoornemen tot licht negatieve effecten op het landschap en de beleving van het landschap (zie voor de landschappelijke inpassing verder paragraaf 7.3).
Ten aanzien van beide gemeentelijke monumentale woningen Schutwijk 2 en 4 geldt dat hiervoor nu vooralsnog de Erfgoedverordening van toepassing is. Op termijn wordt voor alle gemeentelijke monumenten een integrale thematische wijziging vastgesteld, daarin zijn alle verordeningsregels opgenomen. Hiermee zal de bescherming van de panden en de bijbehorende omgeving in het omgevingsplan wordt geborgd. Zo wordt voorkomen dat de betreffende monumenten worden ontsierd, beschadigd of gesloopt. Aanvullend dient ook de aantasting van de omgeving te worden voorkomen, als die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd.
Voor Schutwijk 2 wordt uitgegaan van een functieverandering waarbij het pand behouden blijft, maar dat het naast een woonfunctie, ook gebruikt zal worden als bijvoorbeeld kantoor, bedrijfs- of vergaderlocatie, waarbij de bestaande waarden van het pand en de omgeving in acht worden genomen.
Volgens de Archeologische waardenkaart van de gemeente Hardenberg geldt er een lage tot middelmatige indicatieve (verwachtings)waarde voor een gedeelte van het plangebied. Van een groot gedeelte van het plangebied is de waarde onbekend.

De waarden uit de archeologische beleidskaart zijn vertaald in de ter plaatse geldende bestemmingsplannen (zie paragraaf 1.3.2). Op grond van het geldende bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg (zie paragraaf 1.3.2.1) hebben delen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk wanneer de werkzaamheden een oppervlakte groter dan 2.500 m2 beslaan en dieper reiken dan 50 cm.
Bij de realisatie van het bedrijventerrein zijn bodemingrepen voorzien. De locaties, dieptes en kenmerken van deze bodemingrepen zijn in dit stadium nog niet bekend. Voor de beoordeling van de effecten op archeologie is in het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ er vooralsnog vanuit gegaan dat er bodemingrepen plaatsvinden in het gehele plangebied.
Hoewel er over het algemeen een lage tot middelmatige indicatieve verwachting aanwezig is, kunnen bodemingrepen een licht negatief effect hebben op mogelijk aanwezige archeologische waarden. Wanneer grondwerkzaamheden binnen de gebieden vallen met middelmatige indicatieve waarde en/of een archeologische dubbelbestemming, dan zal voor die gebieden een archeologisch onderzoek worden verricht. Mocht uit het onderzoek blijken dat maatregelen noodzakelijk zijn, dan zullen deze worden genomen. De effecten worden in het MER als licht negatief beoordeeld.
In de voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden de locaties met de lage tot middelmatige indicatieve (verwachtings)waarde opnieuw vastgelegd als 'gebieden met een archeologische (verwachtings)waarde Rollepaal Oost'. Op de kaart worden de daarbij behorende oppervlakte en diepte van de bodemverstoring aangegeven.
In het geval er tijdens de werkzaamheden ter plaatse van locaties die niet zijn aangemerkt als 'gebieden met archeologische (verwachtings)waarde' toch archeologische vondsten worden aangetroffen, geldt er een meldingsplicht bij de archeologische dienst van de gemeente of van de provincie.
De beoogde ontwikkeling heeft geen onevenredige impact op het aanwezige cultureel erfgoed. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de instructieregels.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. In het Bkl wordt in artikel 5.129g geregeld dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling
Het Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. Echter, in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. De geldende planologische mogelijkheden zijn vertrekpunt bij de beoordeling. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Binnen of buiten bestaand stedelijk gebied
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.
Vestiging van een dienst
Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het voorliggende geval is op grond van de geldende jurisprudentie sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij is de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied. Op grond hiervan dient een laddertoets te worden uitgevoerd.
Ten behoeve van de ontwikkeling van de bedrijventerreinen Broeklanden Zuid 3, Heemserpoort en Rollepaal Oost is een gemeentebrede laddertoets opgesteld. De ‘Laddertoets Broeklanden Zuid 3, Heemserpoort en Rollepaal Oost‘ is als bijlage opgenomen in de voorliggende motivering.
Behoefteraming bedrijventerreinen Overijssel
De provincie Overijssel laat periodiek een raming opstellen van de toekomstige vraag naar bedrijventerreinen. Deze raming vormt de basis voor programmeringsafspraken voor de regio's Twente en West-Overijssel, waarin afspraken worden gemaakt over ontwikkeling en herontwikkeling van bedrijventerreinen in de komende jaren.
Het totale aanbod van bedrijfspanden op bedrijventerreinen in West-Overijssel bedraagt circa 247.560 m2 bvo (peildatum januari 2022). Hiermee komt het percentage aangeboden bedrijfspanden in de regio op circa 2,3%. De leegstand bevindt zich onder het frictieniveau.
De provincie Overijssel heeft Stec groep de opdracht gegeven om de ruimte voor economische groei in Overijssel te onderzoeken. Het onderzoek dat in 2023 is opgesteld, richt zich voornamelijk op de prognose voor bedrijventerreinen in de provincie Overijssel. Het onderzoek geeft inzicht in de uitbreidingsvraag voor drie regio's. Uit onderstaande tabel blijkt dat er tussen 2023 en 2040 een uitbreidingsvraag in West-Overijssel wordt verwacht van 286-511 ha netto areaal bedrijventerreinen. In de periode 2023-2030 ligt de vraag tussen 164 en 292 hectare. Dat betekent in die periode een jaarlijkse vraag van circa 20 à 36 hectare.

Binnen de prognose zijn de aandelen van een tiental sectoren in beeld gebracht. De prognose van de uitbreidingsvraag in West-Overijssel is het grootst naar grootschalige distributie, grootschalige productie en het reguliere segment. De ruimtebehoefte uit de overige sectoren is zeer beperkt. Voor de doelgroep grootschalige distributie is de schaarste het grootst, in het hoge scenario is sprake van een behoefte van 32 hectare.

In de programmeringsafspraken 2023-2026 bedrijventerreinen Regio West-Overijssel (provincie Overijssel, 2023) is een goedkeuring gegeven voor de uitbreiding van Rollepaal Oost met 21 hectare netto uitgeefbaar bedrijventerrein. Hierbij zijn afspraken gemaakt over de kwaliteitsambities, de provincie streeft naar toekomstbestendige bedrijventerreinen waarbij landelijke en Europese ambities ten aanzien van duurzaamheid centraal staan en water en bodem sturend zijn voor de gebiedsontwikkeling.
Rollepaal Oost
De uitbreiding van Rollepaal Oost vindt plaats buiten bestaand stedelijk gebied en moet ruimte bieden aan een breed scala bedrijven uit Dedemsvaart. Concreet hebben meerdere geïnteresseerde bedrijven uit Dedemsvaart, met een gezamenlijke omvang van meer dan 21 hectare netto, de intentie uitgesproken zich op Rollepaal Oost te vestigen. Er wordt verwacht dat Rollepaal Oost een subregionale marktregio gaat bedienen voor gemeenten Hardenberg, Dalfsen, Ommen, Twenterand, De Wolden, Hoogeveen, Coevorden en Emmen, zie navolgende figuur.

De vraag naar bedrijventerreinen kan niet worden opgelost binnen bestaand stedelijk gebied. Aangegeven wordt dat de bestaande voorraad geen directe oplossing biedt voor het invullen van (een deel van) de ruimtevraag, aangezien het aanbodpercentage op bedrijventerreinen (graadmeter voor leegstandspercentage) op 2,3% ligt en daarmee ruim onder het gezonde frictieniveau van 5% ligt. Er wordt geconstateerd dat er voldoende behoefte is voor de ontwikkeling van Rollepaal Oost en dat Rollepaal Oost de meeste waarde kan toevoegen voor voornamelijk bedrijven uit het grootschalige segment (kavels groter dan 3 ha).
Uit de Regionale Energiestrategie (RES), waarin regionale afspraken zijn gemaakt over de bijdrage per gemeente aan de energietransitie, ontstaat onder andere de noodzaak om bestaande transformatorstations uit te breiden zodat het elektrisch netwerk geschikt kan worden gemaakt voor de op te wekken wind- en zonne-energie in de regio.
Op het bestaande bedrijventerrein Rollepaal is een transformatorstation aanwezig van TenneT/Enexis. Zij hebben aangegeven dat zij circa 3,4 hectare extra terrein nodig hebben voor de uitbreiding van het verdeelstation en de bijbehorende kabels om nu en in de toekomst leveringszekerheid van stroom te garanderen. De netverzwaring is onderdeel van het project Drents Overijsselse netversterking Oost (DON Oost). Door de ontwikkeling van Rollepaal Oost kan in deze benodigde uitbreidingsruimte worden voorzien.
De uitbreidingsbehoefte van de gevestigde lokale bedrijven wordt bevestigd door de prognose economische groei uit de ‘Laddertoets Broeklanden Zuid 3, Heemserpoort en Rollepaal Oost‘. De uitbreidingsbehoefte vanuit de doelen van de RES komt daar nog bij.
De uitbreiding Rollepaal Oost met 29 hectare bruto (21 hectare netto) kan voorzien in (een gedeelte van) deze uitbreidingbehoefte.
De ontwikkeling van een bedrijventerrein voor zwaardere bedrijvigheid is niet mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied. Het voorzien van ruimte op het huidige bedrijventerrein Rollepaal middels herstructurering is geen optie aangezien de bestaande voorraad geen directe oplossing biedt voor de vraag. Het beleid van provincie en gemeente ziet op clustering van bedrijventerreinen, waardoor een uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal voor de hand ligt. Uit de behoefteraming van bedrijventerreinen en de ‘Laddertoets Broeklanden Zuid 3, Heemserpoort en Rollepaal Oost‘ blijkt dat er voldoende vraag is naar de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal. Daarnaast is de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal goedgekeurd in de programmeringsafspraken tussen provincie en gemeenten. Er is derhalve geen ander locatiealternatief voor een nieuw bedrijventerrein onderzocht binnen Dedemsvaart. Wel is de locatie van de uitbreiding nader onderzocht.
De uitbreiding van het bedrijventerrein kan in oostelijke of zuidelijke richting plaatsvinden. Uitbreiding in noordelijk en westelijke richting is niet mogelijk vanwege de aanwezige woonwijk daar en de kleinere afstand tot de kern. Het is qua landschappelijke structuren en huidig gebruik logisch om het bedrijventerrein Rollepaal richting het oosten uit te breiden, de uitbreidingen de afgelopen jaren hebben ook reeds in oostelijke richting plaatsgevonden. Dit is in lijn met de Structuurvisie Dedemsvaart uit 2006, waar de uitbreiding van Rollepaal in oostelijke richting reeds is voorzien. Nadat de raad op 7 december 2021 heeft besloten om de benodigde gronden aan de oostzijde van Rollepaal aan te kopen, zijn de gronden door de gemeente Hardenberg verworven en is er sprake van grondpositie aan de oostzijde. Een andere reden om het bedrijventerrein richting het oosten uit te breiden is de aanwezigheid en gewenste uitbreiding het verdeelstation van TenneT. De aanwezigheid van een verdeelstation op korte afstand biedt een gunstige positie ten aanzien van het (terug)leveren van (zonne)energie.
Uitbreiding richting het zuiden (overstap over de Woudbloemweg) is ook globaal verkend. De uitbreiding in zuidelijke richting zorgt voor een grotere afstand tot gehinderden (woningen), waardoor sprake kan zijn van een lagere geur-, licht- en geluidsbelasting. Wel kent de uitbreiding in zuidelijke richting andere belemmeringen. Een van de belemmeringen is de aanwezigheid van vijf hogedruk gasleidingen, dat bemoeilijkt de uitgifte van (grote) kavels zowel ruimtelijk als financieel. De realisatie van een bedrijventerrein op korte afstand van deze gasleidingen leidt tot een toename van het groepsrisico. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de veiligheidscontouren en veiligheidsvoorschriften, zoals vluchtroutes van de bron af, die de ontwikkelingsmogelijkheden beperken en ook leiden tot de eis dat aan de zuidzijde van het industrieterrein een extra ontsluiting wordt gerealiseerd. Ook landschappelijk gezien zijn er nadelen aan deze zuidelijke locatie; de Woudbloemweg vormt nu een heldere en harde grens tussen de bebouwing en het landschap ten zuidoosten van Dedemsvaart. Door het benutten van de gronden ten zuiden van de Woudbloemweg is er geen sprake meer van een duidelijke begrenzing. Daarnaast wordt het landschap ten zuidoosten van de Woudbloemweg gekenmerkt door enorme openheid en zullen zichtlijnen verdwijnen of verkort worden. De uitbreiding aan zuidzijde vormt een soort uitstulping waardoor er minder sprake is van compact bouwen. Bij een zuidelijke uitbreiding is verlegging en opwaardering van de Woudbloemweg als agrarische ontsluitingsweg noodzakelijk. De gemeente heeft daarnaast geen grondposities in zuidelijke richting waardoor de (financiële) haalbaarheid van de ontwikkeling in het geding komt en de uitbreiding in zuidelijke richting geen realistisch uitvoerbaar alternatief is.
Op grond van bovenstaande heeft uitbreiding aan de oostzijde de sterke ruimtelijke voorkeur vanwege de duidelijke functiescheiding tussen bedrijventerrein en landelijk gebied en de benodigde uitbreiding van TenneT/Enexis. Uitbreiding naar de zuidzijde is geen realistisch uitvoerbaar alternatief vanwege de beperkingen door de hogedrukleidingen, de openheid van het landschap en de financiële beperkingen (geen grondpositie).
Ten aanzien van de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost wordt geconcludeerd dat de vraag naar vergelijkbare bedrijventerreinen in het verzorgingsgebied groter is dan het aanbod. De beoogde ontwikkeling van Rollepaal Oost voorziet naar verwachting in een behoefte. Verder blijkt dat geen alternatieve locaties geschikt of beschikbaar zijn binnen het bestaand stedelijk gebied. Rollepaal Oost vormt de afronding van het succesvol uitgegeven bedrijventerrein Rollepaal.
De instructieregels die in paragraaf 5.1.5 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed' van het Bkl zijn opgenomen zien niet specifiek toe op de bescherming van de landschappelijke in Rollepaal Oost.
Voor landschap is geen wettelijk kader van toepassing, maar zijn wel beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke plannen en visies.
Provincie
In de (geconsolideerde) provinciale Omgevingsvisie zijn de beleidsambities en doelstellingen opgenomen die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Hierin zijn ook ambities opgenomen voor landschap(structuren).
De provincie zet in op behoud van deze verzorgde, aantrekkelijke en afwisselende vrijetijdslandschappen, waarin drie elementen samenkomen: protectie (behoud van de kwaliteiten), productie (bedrijvigheid) en plezier (beleving, vermaak). De kwaliteit van het landschap dient behouden te blijven en waar mogelijk verbeterd. Bij nieuwe plannen wordt getoetst hoe deze in het landschap passen.
Gemeente Hardenberg
In de Omgevingsvisie Landstad Hardenberg (2021) is beschreven dat de gemeente koerst op een vitaal landelijk gebied met:
een goede wisselwerking en samenhang tussen economische activiteiten zoals de landbouw en de vrijetijdseconomie (de gebruikswaarde);
de waardering van het gebied door inwoners en gasten (de belevingswaarde);
de kwaliteit van natuur, biodiversiteit, landschap en cultuurhistorie (de toekomstwaarde).
Ook heeft de gemeente een Landschap Identiteit Kaart (LIK), 2013, waarin vier landschapstypen worden onderscheiden:
In het kader van het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ is een beoordeling uitgevoerd van de landschappelijke inpassing. Uit de Landschap Identiteit Kaart (LIK) blijkt dat Rollepaal Oost in het open veenontginningslandschap ligt: een open, grootschalig en rationeel landschap met gestrekte verkaveling. Structuurdragers zijn veelal watergangen zoals grotendeels gedempte kanalen, vaarten en wijken.
Om het veen af te wateren en de turf af te voeren werden kanalen gegraven. Dwars op de kanalen werden hoofdwijken gegraven en daar weer dwars daarop ter ontwatering van het veen werden wijken gegraven. Langs de ontginningsassen ontstonden de (verdichte) lintbebouwingen en langs het kanaal de kanaaldorpen als Dedemsvaart en de Krim. Vanuit de ontginningsassen werden loodrecht op deze assen de gronden ontgonnen; er ontstaat een strakke, smalle noordwest- zuidoost verkavelingsstructuur.
Door de openheid van het landschap zijn er veel vergezichten. De beplanting is schaars. Deze is vooral aanwezig op en nabij de bebouwingslinten, als wegbeplanting, op erven, en soms als bomenrij of -singel op perceelsranden (elzen/ eiken). In een aantal gebieden zijn meer verspreid liggende bosjes te vinden zodat deze een meer besloten karakter kennen (besloten veenontginningslandschap). Het Colenbranderbos, ten oosten van het plangebied, is een langgerekt bos. Het wegenpatroon in het veenontginningsgebied is gebaseerd op de rechtlijnige ontginningsstructuur. Daardoor is er sprake van een strak en rechthoekig patroon van wegen.
Als de kernkwaliteiten van een open veenontginningslandschap wordt in het MER de volgende kwaliteiten benoemd:
grootschalig;
open landschap met dichte bebouwingslinten (als ontginningsas) ('wegdorpen');
vergezichten;
kanalen/vaarten, hoofdwijken en wijken;
strak, rechthoekig;
smalle NO-ZW slagenverkaveling;
beplanting: schaars. wegbeplanting, bomenrij/ singel, op erven. Nabij de linten bosstroken en perceels-beplanting (eiken/ elzen).
Invulling met bedrijventerrein
In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt geconstateerd dat de landschappelijke waarden van het gebied door invulling met bedrijventerrein worden aangetast. De ontwikkeling van het bedrijventerrein leidt tot een verdichting ten opzichte van het huidige open beeld. Hoewel in het (concept) stedenbouwkundig plan de landschapsstructuur met wijken als basis is gebruikt leidt de realisatie van Rollepaal Oost tot licht negatieve effecten op het landschap en de beleving van het landschap. In die zin is ruimte voor een goede landschappelijke overgang en een goede inpassing van de waardevolle structuren landschappelijk gezien zeer gewenst.
Grondwal
De realisatie van een 3 meter hoge grondwal, die grotendeels de landschapsstructuren volgt, zorgt voor een onderbreking van de slagenverkaveling. Wat betreft landschapsbeleving vanuit de omgeving zorgt de grondwal met gebiedseigen en deels wintergroene beplanting (bomen en struiken) voor een afscherming van het bedrijventerrein. Dit leidt tot een verbetering ten aanzien van het zicht en aanzicht op het bedrijventerrein vanuit de omgeving. Door deels wintergroene beplanting aan te planten wordt voorkomen dat tijdens de winterperiode (na bladval) alsnog zicht op de bovenste lagen van bedrijfsgebouwen ontstaat.
In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt aangegeven dat bij een grondwal van 3 meter met een (geluids)scherm van 3 meter een groter deel van de bedrijfspanden wordt afgeschermd. Zonder verzachtende maatregelen scoort een geluidsscherm landschappelijk gezien negatief. Het is belangrijk dat het scherm een natuurlijke afscheiding wordt en opgaat in het groen.
Een belangrijk nadeel van een geluidsscherm is de barrièrewerking voor het medegebruik door soorten (ecologie) en mensen. Het wordt dan moeilijker om de grondwal te gebruiken als wandel- of fietsroute.
Windturbines
In het MER wordt ingegaan op de (negatieve) landschappelijke effecten van windturbines. De gemeente heeft op grond daarvan de afweging gemaakt om de plaatsing van windturbines in het plangebied niet mee te nemen in de wijziging van het omgevingsplan voor Rollepaal Oost.
Dit betekent echter niet dat windturbines ook in de toekomst worden uitgesloten. De provincie is bevoegd gezag voor het toelaten van windturbines vanaf 5 MW.
Uit het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ blijkt dat het aspect landschap licht negatief is beoordeeld door aantasting van de landschapsstructuren en beleving en de bodemingrepen. De grondwal is in het open landschap weliswaar een gebiedsvreemd object en onderbreekt de landschapsstructuren. Echter, wanneer er geen grondwal wordt aangelegd is er vanuit de omgeving en woningen direct zicht op het bedrijventerrein. Ook wanneer de zone wordt voorzien van beplanting is er sprake van zicht in de winterperiode (na bladval). Geconcludeerd wordt dat een optie zonder grondwal een groter negatief effect zou hebben op de landschapsbeleving vanuit de omgeving.
In de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is de realisatie van een 3 meter hoge grondwal met beplanting geborgd.
Bestaande en nieuwe bouwwerken moeten voldoen aan redelijke eisen van welstand. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan blijven de huidige welstandsregels van toepassing. De regels voor een welstandstoets zijn vanuit de bruidschat opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van het omgevingsplan. Met de welstandstoets beoordeelt de gemeente of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
Onder de Omgevingswet loopt het welstandstoezicht via het omgevingsplan. In het omgevingsplan kan de gemeente regels opnemen over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken. Als de regels over het uiterlijk van de bouwwerken uitleg nodig hebben, moet de gemeenteraad beleidsregels vaststellen voor de beoordeling of een bouwwerk aan de regels voldoet. Dit volgt uit artikel 4.19 van de Omgevingswet.
De gemeente Hardenberg heeft haar welstandsbeleid vastgelegd in een tweetal welstandsnota's (zie paragraaf 3.6.6). De ontwikkeling van het plangebied naar een bedrijventerrein is hierin niet voorzien. Voor de gewenste ontwikkeling is een nieuw specifiek welstandskader wenselijk. Ten behoeve van de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan is het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' opgesteld. Het ‘Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost‘ is, samen met het bijbehorende bijlagenboek, opgenomen in deze motivering.
In het onderdeel 'beeldkwaliteit' wordt niet alleen aandacht besteed aan de bebouwde omgeving, maar ook aan de beeldkwaliteit van de openbare ruimte en de kavels. In de notitie wordt ingegaan op de openbare ruimte, de kavels, de aarden grondwal en op de bebouwing. Vervolgens worden de aanvullende criteria voor de deelgebieden benoemd. Tot slot worden als voorbeeld een tweetal kavelpaspoorten uitgewerkt, één voor een kavel tot en met 5.000 m2 en één voor een kavel groter dan 5.000 m2.
De aspecten uit het beeldkwaliteitplan worden als regels in het omgevingsplan opgenomen, de bouwplannen moeten hieraan voldoen. Hiermee wordt afgeweken van de werkwijze onder de Woningwet waarin een beeldkwaliteitplan als aanvulling op de welstandsnota werd vastgesteld. Onder de Omgevingswet is beeldkwaliteit c.q. welstand onderdeel van de fysieke leefomgeving en kunnen dergelijke regels in het omgevingsplan worden opgenomen. Er kan ook voor worden gekozen om een beleidsregel zoals bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet vast te stellen. Dat is dus niet de werkwijze van de gemeente Hardenberg.
In aanvulling op de welstandsnota is voor de onderdelen uit het beeldkwaliteitsplan een onderscheid gemaakt of sprake is van een harde eis of dat er sprake is van een ambitie of suggestie. In het geval dat sprake is van een harde eis dient dit geregeld te worden in de regels voor Rollepaal Oost. Dat is voor bijna alle onderdelen het geval. Indien sprake is van een ambitie of suggestie staat dit in het beeldkwaliteitsplan en is een richtlijn voor de uitvoering.
Door het borgen van de beeldkwaliteitseisen in de planregels bij de voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt ervoor zorggedragen dat:
er voldoende waterberging bij nieuwbouw wordt gerealiseerd;
de stedenbouwkundige uitgangspunten als bebouwingshoogte, afstand tussen bebouwing en perceelgrenzen, dakhellingen, oriëntatie, materialisatie, kleurgebruik en representativiteit van gebouwen is geborgd;
eisen aan verlichting en reclame-uitingen worden gesteld;
de hoogte van vlaggenmasten is beperkt.
Er is geen wettelijk kader voor ruimtelijke plannen op het gebied van energie, klimaatadaptatie en circulariteit, maar er zijn wel nationale, regionale en lokale doelstellingen waar rekening mee gehouden kan worden. De gemeente Hardenberg heeft de aanpak op deze thema's vastgelegd in het 'Meerjarenprogramma Duurzaam Hardenberg'.
In het meerjarenprogramma staan drie kernopgaven centraal:
de energietransitie: minder energie gebruiken en meer energie duurzaam opwekken;
aan de slag met klimaatadaptatie;
werken aan circulariteit.
Klimaatadaptatie
Klimaatverandering kan leiden tot schade en slachtoffers, met als uiteindelijk gevolg verslechtering van de economische concurrentiepositie. Voorbeelden hiervan zijn overstromingen en wateroverlast door extreme buien, hittestress, droogte en andere weersomstandigheden (bijvoorbeeld harde wind, toename blikseminslag). Het is daarom van belang dat de effecten die door klimaatverandering kunnen optreden bij een ruimtelijke ontwikkeling in het proces worden meegewogen, zodat in een vroeg stadium maatregelen kunnen worden getroffen om veiligheid te borgen en eventuele schade te beperken.
Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA: 2018) is een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk om Nederland voor 2050 klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. Het Deltaplan versnelt en intensiveert de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen. Een van de onderdelen is het benutten van meekoppelkansen bij andere grote ruimtelijke opgaven, zoals nieuwbouw, de energietransitie en de transitie naar een circulaire economie. De inzet van dit Deltaplan is om bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de kansen voor een klimaatbestendige inrichting te gebruiken.
Op basis van de methodiek van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie is in 2018 en 2019 in het Samenwerkingsverband Noordelijk Vechtstromen een stresstest uitgevoerd waarmee kwetsbaarheden als gevolg van wateroverlast, overstroming, hitte en droogte in kaart zijn gebracht. Hieruit blijkt dat droogte een bovenregionaal probleem is binnen de gemeente Hardenberg, waarvoor bovenregionale maatregelen moeten worden genomen. Hitte speelt vooral in de grotere kernen en op bedrijventerreinen met weinig beplanting. Ook kale akkers en kort gemaaid gras worden erg warm.
De gemeente heeft hier invloed op door meer groen, meer schaduw, minder verharding en lichtere kleuren in de openbare ruimte toe te passen om de gevolgen van de hitte beperken. Ondernemers kunnen hieraan bijdragen door de inrichting van hun erf of tuin.
Ook het gemeentelijke beleidsdocument 'Programma Klimaat, Water en Biodiversiteit' is bepalend voor het toetsingskader. In het programma zijn verschillende doelen gesteld voor het thema leefbaarheid en bewustwording. In onderstaande tabel zijn de doelen weergegeven.

In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt in het kader van onderzoek naar de gevolgen van klimaatverandering in ingegaan op de beschikbaarheid en het gebruik van drinkwater.
Energietransitie
De energietransitie, waarbij wordt overgegaan van gebruik van fossiele energie op het gebruik van duurzame energiebronnen, vraagt om ruimte. Het is daarom belangrijk om te onderzoeken wat de (toekomstige) energiebehoefte van het plangebied is, welke mogelijkheden voor energiebesparing er zijn, welke energiebronnen kunnen worden ingezet, wat daarvan de mogelijke ruimtelijke effecten zijn.
De plannen voor de gemeente Hardenberg staan in het meerjarenprogramma Duurzaam Hardenberg voor de periode 2020 tot en met 2024. Dit meerjarenprogramma vormt het kader voor de inbreng van de gemeente Hardenberg in de Regionale Energiestrategie (RES) voor West-Overijssel.
In het meerjarenprogramma van de gemeente Hardenberg staat voor het opwekken van duurzame energie het volgende doel: de gemeente wil in 2030 minimaal 30% van alle energie die in Hardenberg gebruikt wordt binnen de gemeentegrenzen duurzaam opwekken. In 2050 wil de gemeente alle energie duurzaam en fossielvrij opwekken om zo de CO2-uitstoot terug te brengen.
Om dit doel te halen is ook in Hardenberg het grootschalig opwekken van windenergie, zonne-energie en energie uit biomassa noodzakelijk. De gemeente Hardenberg heeft geen specifieke doelstellingen voor nieuwe ontwikkelingen.
Groene en gezonde maatlat
De "Groene en Gezonde maatlat Hardenberg" is een methode die de gemeente Hardenberg gaat gebruiken om biodiversiteit, klimaat en gezondheid te meten en te verbeteren in nieuwe en bestaande woonwijken en bedrijventerreinen. Het doel is om een positieve impact op de omgeving en de volksgezondheid te bereiken.
De maatlat streeft naar meer natuurlijke grasvelden, meer soorten bomen en struiken en meer bloeiende planten om meer voedsel en schuilplaatsen voor dieren te bieden. De maatlat richt zich op maatregelen die de gemeente klimaatbestendig maken, zoals het vergroenen van de omgeving. De maatlat streeft naar een gezondere omgeving die uitnodigt tot bewegen en ontspannen, wat een positieve invloed heeft op de lichamelijke en geestelijke gezondheid.
De maatlat wordt ontwikkeld aan de hand van praktijkervaringen en concrete projecten in Hardenberg.
Provinciale Handreiking duurzame bedrijventerreinen
Aantrekkelijke, toekomstbestendige bedrijventerreinen zijn belangrijk voor ondernemers. Investeren in duurzame terreinen is waardevol. Niet alleen voor de maatschappij, maar ook voor ondernemers en werknemers. Veel ondernemers zien verduurzaming van hun bedrijf of bedrijventerrein daarom als een mooi perspectief.
De provincie Overijssel heeft kwalitatieve ambities voor ontwikkeling van duurzame en toekomstbestendige bedrijventerreinen en is samen met MKB Nederland Midden en VNO-NCW Midden betrokken bij een brede aanpak voor toekomstbestendige bedrijventerreinen in Overijssel. Als onderdeel daarvan zijn twee handreikingen opgesteld voor het verder verduurzamen van bedrijventerreinen: één voor bestaande gebouwen en terreinen en één voor nieuwe gebouwen en terreinen.
Nationaal programma circulaire economie 2023-2030
Nederland circulair in 2050 is het eerste Rijksbrede Programma Circulaire Economie, waarin de ambitie is uitgesproken om in 2050 in Nederland een volledig circulaire economie te hebben en als tussendoel in 2030 het gebruik van primaire abiotische grondstoffen te hebben gehalveerd.
In een circulaire economie zijn vrijwel alleen herbruikbare primaire, secundaire en duurzame biogrondstoffen in omloop. Producten worden binnen gesloten kringlopen geproduceerd, gedistribueerd en geconsumeerd. Zodoende wordt de waarde van grondstoffen, materialen en producten zo lang mogelijk behouden, waardoor er bijna geen afval meer is.
Voor een circulaire samenleving moet worden omgeschakeld naar een benadering waarin grondstoffen en producten zo lang mogelijk meegaan en steeds worden hergebruikt, zowel ten behoeve van leveringszekerheid als om het milieu zoveel mogelijk te sparen. Op het schaalniveau van een bedrijventerrein heeft dit vooral betrekking op het optimaal (her)gebruiken en behouden van reeds beschikbare materialen en producten, zowel in aanleg- als in gebruiksfase, verminderen van grondstoffenverbruik en het voorkomen van afval.
In het kader van het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ zijn de aspecten die van belang zijn met betrekking tot klimaat, energie en circulariteit beoordeeld voor het planvoornemen en de bijbehorende varianten en alternatieven.
Klimaat
Uit de beoordeling blijkt dat op het bedrijventerrein Rollepaal Oost voldoende ruimte is gereserveerd voor het opvangen van water en het voorkomen van hitte en droogte. De robuuste groenstructuur en ruime opzet kunnen hittestress voorkomen.
Aanbevolen wordt om ook op gebouwniveau voorwaarden te stellen om oververhitting van gebouwen te voorkomen en hergebruik van overtollig hemelwater te stimuleren.
Om het hergebruik van hemelwater te stimuleren wordt in het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ voorgesteld (mitigerende maatregel) om voorwaarden te stellen voor het hergebruik van hemelwater. Door zuinig om te gaan met waterverbruik is tijdens drogere perioden voldoende water beschikbaar. Zo kan overtollig regenwater worden opgevangen en hergebruikt voor bewatering van beplanting (groen dak, groene gevel) en/of voor verminderen drinkwaterverbruik door het regenwater te gebruiken voor het doorspoelen van toilet/bedrijfsprocessen.
Om oververhitting van gebouwen tegen te gaan wordt in het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ de mogelijkheid van zomernachtventilatie (passieve energiearme vorm van koeling) aanbevolen. Door 's nachts te ventileren kan een gebouw worden gekoeld met koude buitenlucht. Bij invulling van de bedrijfskavels is het van belang dat ingezet wordt op groene gevels/daken en buitenruimten zodat er geen hitte-eilanden ontstaan. De groene gevels en daken kunnen ervoor zorgen dat ook de binnentemperatuur in gebouwen daalt. Pas halfverharding/open verharding toe waar mogelijk.
Energie
Uit de analyse ten aanzien van energie blijkt dat er voldoende mogelijkheden zijn voor het opwekken van zonne-energie op dak maar dat dit mogelijk niet voldoende is om jaarrond te voorzien in voldoende energie. De mogelijkheden voor windenergie zijn beperkt door onder andere de aanwezige woningen in de omgeving. Een locatie voor windturbines is gebonden aan veiligheidscontouren en afstanden ten aanzien van geluid- en slagschaduw.
Er zijn mogelijkheden voor het inkopen van duurzame elektriciteit wanneer het verdeelstation van TenneT gereed is. De mogelijkheden voor energiepotentie zijn op dit moment onzeker en scoort hierdoor licht negatief.
In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ worden mogelijkheden benoemd om aan de energievraag te kunnen voldoen (mitigerende maatregelen). Zo wordt voorgesteld om de mogelijkheden voor alternatieve energiebronnen en de realisatie van een energiehub te onderzoeken. Op basis van gebruikscijfers kan worden nagegaan wat nodig is om een passend energiesysteem te ontwikkelen. Onderzocht kan worden wat de mogelijkheden zijn om het bedrijventerrein aan te sluiten op windpark Veenwieken, zonneparken in de omgeving en de mogelijkheden voor gebruik van restwarmte van de RWZI. Een andere optie is om na te gaan of windturbines op grotere afstand van het plangebied kunnen worden geplaatst die het bedrijventerrein voorzien van energie. Met de vestigende partijen kunnen de mogelijkheden voor een energiehub worden bekeken waar lokaal opgewekte duurzame energie in de vorm van elektriciteit, warmte en waterstof weer lokaal afgezet kan worden.
Circulariteit
Op het gebied van circulariteit biedt het planvoornemen voldoende flexibiliteit en (milieu)ruimte voor circulaire bedrijvigheid. Op kavelniveau kan de bijdrage aan de circulariteitsopgave worden vergroot.
In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt aanbevolen om voorwaarden te stellen aan de circulariteit van bedrijfspanden. Vraag een materialenpaspoort per ontwikkeling gekoppeld aan BIM-modellen zodat bij toekomstig slopen bekend is welke materialen vrijkomen. Dit bevordert het hergebruik. Daarmee kan de toepassing van cradle-to-cradle gecertificeerde materialen worden gestimuleerd. Aanbevolen wordt om voor te sorteren op aanscherping van de milieuprestatie-eis (MPG) voor kantoren van maximaal 0,85. Ook wordt aanbevolen voorwaarden te stellen voor de losmaakbaarheid van materialen/onderdelen (minimaal 25%) en het materiaalgebruik minimaal 25% biobased (lokaal geteeld) of hergebruikte materialen toegepast in kg gewicht.
Voor het duurzaam inrichten van het bedrijventerrein Rollepaal Oost zijn duurzaamheidsprincipes van toepassing. Deze principes hebben te maken met duurzaam bouwen, maar ook met duurzaam ruimtegebruik, terreinbeheer en duurzaam omgaan met energie en fysieke stromen.
Voor het bestaande bedrijventerrein Rollepaal zijn, mede aan de hand van de provinciale kwalitatieve ambities en de gemeentelijke duurzaamheidsvisie, duurzaamheidsdoelstellingen opgesteld. Voor Rollepaal Oost wordt in het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' hierop aangesloten.
De natuurbescherming is geregeld in de Omgevingswet (hierna: Ow), waarin ook de Europese regelgeving is vertaald naar de Nederlandse praktijk. De natuurbescherming heeft zowel betrekking op de bescherming van gebieden (zoals Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland) als op de soortenbescherming.
Natura 2000-gebieden
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen.
De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlakte van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit.
Passende beoordeling
Een passende beoordeling is verplicht als een plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor de betrokken Natura 2000-gebieden. Voor de inschatting van de effecten die een plan kan hebben, moet de significantie worden beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, die voor kwalificerende soorten en habitats zijn geformuleerd.
Als niet op grond van objectieve gegevens op voorhand significante gevolgen op een Natura 2000-gebied zijn uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt. In de passende beoordeling worden de effecten op Natura 2000-gebieden nader onderzocht. Vervolgens kan een omgevingsplan slechts worden vastgesteld indien is verzekerd dat ook bij een maximale invulling van het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast.
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Deze gebieden zijn opgenomen in de provinciale verordeningen. Onder de Omgevingswet staan ook de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen in de omgevingsverordening. Initiatiefnemers van ingrepen binnen (of in de directe nabijheid van) het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels nader onderzoek/toetsing inzichtelijk gemaakt moeten worden.
Voor de soortenbescherming wordt onderscheid gemaakt tussen:
soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
overige soorten.
De Omgevingswet bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Omgevingswet en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Omgevingswet en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, legt de provincie nieuwe natuur aan. Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor planten en dieren zijn nodig om soorten van uitsterven te behoeden. Maar het netwerk is er ook voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur, om te recreëren en tot rust komen. Omgevingsplannen moeten voldoen aan de regels die hiervoor in de Provinciale Omgevingsverordening zijn opgenomen.
Stiltegebieden
In de Omgevingsvisie zijn geen stiltegebieden aangewezen. Voor (potentiële) stiltegebieden gaat de provincie ervan uit dat deze voldoende bescherming krijgen door de ligging binnen het Natuurnetwerk Nederland.
In onderstaande figuur staan de omliggende Natura 2000-gebieden aangegeven. Het Natura 2000-gebied Vecht en Beneden-Reggegebied ligt op een afstand van circa 6,7 kilometer van het plangebied. Dit is tevens het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied.
Ten zuidoosten ligt op een afstand van circa 16 kilometer Engbertsdijkvenen. Op grotere afstand liggen de stikstofgevoelige gebieden Olde Maten & Veerslootslanden, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, De Wieden, Holtingerveld, Dwingelderveld en Mantingerzand.

Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden en de groene inpassing van het bedrijventerrein inclusief grondwal worden overige effecten als verstoring door licht en geluid uitgesloten.
Zoals uit navolgende figuur blijkt, ligt het plangebied op circa 700 meter van Natuurnetwerkgebied. Het betreft productiebos beheertype N16.03 droog bos met productie en N16.04 Vochtig bos met productie. Langs de Spekopswijk ligt een bossingel (buiten NNN).

Gezien de afstand tot het natuurnetwerk en de groene inpassing van het bedrijventerrein inclusief grondwal worden overige effecten als verstoring door licht en geluid uitgesloten.
Als gevolg van het toevoegen van een bedrijventerrein is sprake van een toename van stikstofemissies. In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ zijn de effecten van stikstofdepositie in beeld gebracht. Het oorspronkelijke onderzoek naar stikstofdepositie en de berekeningen zijn opgenomen in de bijlagenboeken bij het MER (zie ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_1‘ en ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_2’).
Als gevolg van een nieuwe versie van de AERIUS-rekenmethode (versie 2025) zijn ten behoeve van het voorliggende omgevingsplan de berekeningen geactualiseerd. Daarbij is rekening gehouden met een hogere afroming vanwege intern salderen, namelijk 35 procent in plaats van 30 procent. Hoewel op dit moment nog geen beleid is opgesteld voor intern salderen in Overijssel is uit voorzorg rekening gehouden met de afromingspercentage die nu geldt in provincie Gelderland. De nieuwe berekening is als bijlage opgenomen in de passende beoordeling. De ‘Passende beoordeling Stikstof‘ is als bijlage opgenomen in deze motivering.
Om de emissies te kunnen bepalen is gekeken naar een realistische invulling van het bedrijventerrein. Aangezien het toekomstige bedrijventerrein niet wordt aangesloten op het gas en de invulling van het bedrijventerrein gedeeltelijk bekend is, is afgeweken van de kengetallen per milieucategorie. Een andere reden om afwijken van deze kengetallen is de hoge ambitie ten aanzien van verduurzaming van bedrijventerreinen vanuit het Rijk en provincie. Het nieuwe bedrijventerrein is een toekomstbestendig duurzaam bedrijventerrein. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruikgemaakt van het verkeersmodel van Goudappel Coffeng.
Uit de berekening voor de beoogde situatie en de bouwfase volgt een toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. op het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied. Uit de verschilberekening voor referentie - gebruiksfase blijkt dat er geen sprake meer is van depositietoenamen op Natura 2000. Omdat de mitigerende maatregel 'intern salderen' wordt meegenomen in de beoordeling van effecten op Natura 2000 is een passende beoordeling opgesteld in het kader van het MER. Door de actualisatie van AERIUS is een nieuwe versie van de passende beoordeling opgenomen als bijlage 8 in de motivering.
Uit de passende beoordeling blijkt dat het planvoornemen niet leidt tot aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen.
Voor de voorgestelde wijziging van het omgevingsplan geldt geen directe vergunningplicht, omdat voor een plan zelf geen vergunning kan worden aangevraagd. Op projectniveau moeten de afzonderlijke bedrijven nagaan of er sprake is van een vergunningplicht.
Quickscan Ecologie
Het plangebied bestaat uit percelen met agrarische bestemming. Langs de percelen zijn watergangen/greppels aanwezig. Ter plaatse van de nieuwe ontsluiting is een bosschage aanwezig. Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door de Woudbloemweg met twee bomenrijen. De potenties voor zowel beschermde als Rode lijstsoorten zijn beoordeeld aan de hand van een ecologische quickscan. De quickscan is opgenomen in het bijlagenboek 1 bij het MER (zie ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_1‘).
Uit de quickscan blijkt het volgende:
Algemene broedvogels
Binnen of vlak buiten kunnen vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten. Een deel van deze soorten betreft soorten die in de provincie zijn aangewezen als zogenaamde 'categorie 5' soorten, waaronder de grutto. Geadviseerd wordt om de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Daarbij wordt opgemerkt dat afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden kunnen komen. Wat voor deze soorten van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd.
Algemene broedvogels (rode lijst-soorten)
Naast bovengenoemde algemenere broedvogelsoorten kunnen binnen het plangebied ook diverse rode lijst-soorten tot broeden komen, zoals graspieper, grauwe klauwier, grote lijster, kneu, patrijs, watersnip en mogelijk ook grote karekiet. Net zoals de hiervoor benoemde vogelsoorten zijn de nesten van deze soorten alleen beschermd tijdens het broedproces. Het kan echter niet op voorhand worden uitgesloten dat bepaalde rode lijst-soorten ook buiten deze periode tot broeden komen.
In geval van twijfel over de aanwezigheid van broedgevallen binnen het plangebied kan vlak voor de uitvoering van de werkzaamheden een broedvogelcheck worden uitgevoerd door een ecologisch deskundige. Indien broedgevallen worden aangetroffen kan hiermee rekening worden gehouden door deze specifieke plekken te ontzien totdat de betreffende soort is uitgebroed, waarna de werkzaamheden kunnen worden hervat.
Jaarrond beschermde nesten (boomnesten)
In het kader van de quickscan werd in het plangebied een enkel boomnest aangetroffen waarvan niet op voorhand kan worden uitgesloten dat dit een jaarrond beschermd nest van soorten als ransuil of boomvalk betreft. Geadviseerd wordt om nader onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van een jaarrond beschermd boomnest vast te stellen, dan wel uit te sluiten.
Het plangebied en omgeving is verder in gebruik als foerageergebied door een kolonie roeken. In de bomen direct rond het plangebied werden geen roekennesten aangetroffen. Deze werden wel waargenomen in een bosschage op circa 250 meter afstand van het plangebied, buiten de invloedsfeer van het plangebied. Hoewel het plangebied onderdeel is van het foerageergebied van deze soort, biedt de omgeving van het plangebied dusdanig veel alternatief foerageergebied in de vorm van vergelijkbaar agrarisch landschap dat het verdwijnen hiervan volgens het onderzoek niet gepaard zal gaan met significant negatieve effecten op deze kolonie.
Vleermuizen
In het plangebied zijn geen potentiële verblijfplaatsen aangetroffen voor vleermuizen, noch in bomen noch in bebouwing. De Woudbloemweg ten zuiden van het plangebied is mogelijk wel in gebruik als vliegroute. De bomenrijen bieden de benodigde beschutting en geleiding. Daarnaast staat de weg in verbinding met de bebouwde omgeving van Dedemsvaart en een bosgebied ten oosten van het plangebied.
Bunzing, wezel en egel
In de quickscan wordt aangegeven dat de bosschage rond de nieuwe ontsluiting op Rollepaal biedt potentie voor de zoogdiersoorten egel en kleine marterachtigen. Van deze soorten zijn recente (<5 jaar) waarnemingen bekend uit de ruime omgeving van Dedemsvaart. De aanwezigheid van functioneel leefgebied van de soorten bunzing, wezel en egel binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten.
Haas en konijn (rode lijst-soorten)
De aanwezigheid van de rode lijst-soorten haas en konijn binnen het plangebied kan eveneens niet op voorhand worden uitgesloten. Deze soorten zijn in de provincie Overijssel weliswaar vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, toch geldt voor ruimtelijke ingrepen de specifieke zorgplicht. Met deze soorten kan rekening worden gehouden door de werkzaamheden buiten de meest kwetsbare voortplantingsperiode uit te voeren. Daarnaast dienen de dieren tijdens de uitvoering de kans te krijgen om te vluchten. Bij twijfel kan voorafgaand aan de werkzaamheden een check worden uitgevoerd voor het in kaart brengen van eventuele konijnengangen.
Grote modderkruiper
De aanwezigheid van (leefgebied van) grote modderkruiper in de sloten binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. We adviseren de aanwezigheid hiervan vast te stellen, dan wel uit te sluiten aan de hand van gericht nader onderzoek.
Ongewervelden (rode lijst-soorten)
Tijdens de uitvoering kunnen binnen het plangebied soorten ongewervelden aanwezig zijn die zijn opgenomen op de rode lijst, zoals de grote vos. Met deze soorten kan rekening worden gehouden door de werkzaamheden, met name degene die effect hebben op houtige vegetaties waarop dergelijke soorten vaak rusten langzaam uit te voeren, zodat eventueel aanwezige soorten de kans krijgen te vluchten.
Tot slot wordt in de quickscan aangegeven dat er in het plangebied soorten kunnen voorkomen waarvoor een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Voor deze en andere soorten geldt op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (art. 11.27 Bal) een specifieke zorgplicht die bijvoorbeeld voorschrijft dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zoveel mogelijk te voorkomen.
Nader onderzoek
Naar aanleiding van de quickscan is een nader onderzoek uitgevoerd. Dit nader onderzoek is opgenomen in het bijlagenboek 2 bij het MER (zie ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_2‘). Uit dit nader onderzoek blijkt dat er binnen de invloedssfeer van Rollepaal Oost geen jaarrond beschermde nesten zijn aangetoond. Uit het nader onderzoek blijkt verder dat Rollepaal Oost ook geen deel uitmaakt van het leefgebied van bunzingen of wezels. Tot slot is aangetoond dat de grote modderkruiper niet binnen het plangebied aanwezig is. Voor wat betreft deze soorten zijn derhalve geen vervolgstappen nodig voor de voortgang van het project.
Wel zijn er in het kader van het nader onderzoek beelden verzameld van de egel. Deze soort is in de provincie Overijssel niet vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen. Conform de verbodsbepaling onder artikel 11.54 Bal in de Omgevingswet is het verboden vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van deze soort te beschadigen of te vernielen. Het plangebied biedt zowel geschikte voortplantingsplaatsen als rustplaatsen voor deze soort. Voor wat betreft de egel wordt geadviseerd om vergunning aan te vragen bij het bevoegd gezag (in dit geval de provincie Overijssel). Deze vergunning wordt aangevraagd aan de hand van een activiteitenplan met daarin een ecologische functiekaart, waarin de functies van het plangebied voor deze soort nader worden omschreven.
MER-beoordeling
In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt geconcludeerd dat het plangebied leefgebied biedt voor beschermde soorten egel en kleine marterachtigen. Hoewel de ontwikkeling op den duur een positieve bijdrage kan leveren door ontwikkeling van een robuuste groen- en waterstructuur, leidt de ontwikkeling bij aanvang tot licht negatieve effecten op de aanwezige soorten.
De effecten moeten worden gemitigeerd. Het gaat daarbij om:
het opstellen van een inrichtingsplan en ecologisch werkprotocol voor de beschermde soorten (kleine marterachtigen en egel). Aanleg en beheer van compensatielocaties voor de soorten. Aanvraag van benodigde vergunningen flora-fauna activiteit;
het aanbrengen van extra beschutting zoals takkenrillen, steenhopen in het bosschage op de grondwal;
aanplanten van inheemse biodiverse en droogte bestendige beplanting op de grondwal met circa 10 procent groenblijvende soorten als hulst, wilde liguster, grove den, laurierwilg;
realisatie van natuurvriendelijke oevers in de brede watergangen met ondiepe zones geschikt voor grote modderkruiper.
Daarnaast wordt aanbevolen om in het omgevingsplan een voorschrift natuurinclusief bouwen op te nemen. Hiermee kan het plan een extra bijdrage leveren aan soorten die zijn gebonden aan gebouwen (gevels, daken en tuinen). Soorten die aangetrokken kunnen worden zijn onder andere zwarte roodstaart, scholekster en gewone dwergvleermuis.
Als er een (deel van een) houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1.000 m2) of een (deel van een) bomenrij van meer dan 20 bomen buiten de bebouwingscontour houtkap kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht.
Binnen het plangebied worden mogelijk bomen aangetast. Deze bomen bevinden zich echter voor zover bekend binnen de bebouwde kom van Dedemsvaart en derhalve de bebouwingscontour houtkap. Er is derhalve geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.
De beperkingengebieden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn gebieden waar vanuit bepaalde functies of activiteiten beperkingen gelden voor het gebruik of de inrichting van de fysieke leefomgeving. Deze gebieden zijn bedoeld om veiligheid, gezondheid, milieukwaliteit of andere belangen te waarborgen.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn verschillende beperkingengebieden opgenomen die verband houden met infrastructuur en voorzieningen. Beperkingengebieden zijn zones rond bepaalde functies of objecten waarin regels gelden ter bescherming van veiligheid, gezondheid, milieu of andere belangen.
Het gaat daarbij vooral om:
Er liggen geen beperkingengebieden van nabijgelegen grote rivieren, hoofdspoorwegen, rijkswegen danwel lokale spoorwegen binnen het plangebied. Het plangebied bevindt zich niet in de nabijheid van een luchtvaartterrein, een grote rivier, een hoofdwaterkering of bovengrondse hoogspanningsverbinding. Er bevindt zich ook geen militairoefenterrein of radarinstallaties in de nabijheid met een beperkingengebied die reikt tot in het plangebied.
Zoals in paragraaf 4.2 is aangegeven bevindt zich ten zuiden en oosten van het plangebied op een afstand van circa 253 meter een buisleidingenstrook met hogedrukaardgasleidingen. Het zuidelijk deel van het bedrijventerrein Rollepaal en Rollepaal Oost liggen binnen het brandaandachtsgebied van de buisleidingen.
In paragraaf 4.2 is aangegeven dat de betreffende gronden worden aangewezen als een brandvoorschriftengebied. Daarmee wordt in het omgevingsplan geborgd dat beschermende maatregelen moeten worden genomen bij de bouw van (beperkt) kwetsbare gebouwen.
Voor zover er een beperkingengebied over het plangebied is gelegen is deze in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan vastgelegd. Het gaat daarbij om het brandvoorschriftengebied vanwege de bestaande buisleidingstrook ten oosten en zuiden van het plangebied. Daarmee wordt voldoende waarborg voor de veiligheid van de nieuwe gebruikers van het plangebied geboden.
Op het bestaande bedrijventerrein is een transformatorstation aanwezig van TenneT/Enexis. In het omgevingsplan wordt ruimte gereserveerd voor de uitbreiding van het verdeelstation en de benodigde ruimte voor ondergrondse kabels en leidingen voor het hoogspanningsnetwerk om nu en in de toekomst leveringszekerheid van stroom te garanderen. De netverzwaring is onderdeel van het project Drents Overijsselse netversterking Oost (DON Oost).
Tussen het bestaande hoogspanningsstation Dedemsvaart Rollepaal en de bestaande lijnen 'combilijn Zwolle - Meeden' en '110 kV leiding Dedemsvaart - Hardenberg' worden nieuwe ondergrondse 110 kV verbindingen gerealiseerd. In beide gevallen wordt deze ondergrondse 110 kV verbinding ter hoogte van mast 54 verbonden met de bestaande verbindingen die de stroom verder transporteert. Het betreft een tracé van circa 3 km lang en de verbindingen komen circa 2 tot 2,5 meter beneden maaiveld te liggen. Deze verbindingen zorgen ervoor dat het station Dedemsvaart Rollepaal wordt aangesloten op het bovenliggende hoogspanningsnet.
Het tracé van de ondergrondse hoogspanningslijn 110kV loopt grotendeels buiten het plangebied ten oosten van de grondwal. Naar verwachting vinden deze werkzaamheden gelijktijdig of kort na de aanleg van de grondwal plaats. Na het realiseren van de infrastructuur (waaronder ook de hoogspanningslijnen) worden de kavels bouwrijp gemaakt en kunnen de kavels worden uitgegeven.
De aanleg van de ondergrondse hoogspanningsverbindingen is onderdeel van de werkzaamheden binnen het plangebied, maar wordt niet uitgevoerd in opdracht van de gemeente. Het tracé van het kabelbed ten behoeve van de ondergrondse hoogspanningsleiding is niet opgenomen in het omgevingsplan, maar wordt later met een projectbesluit opgenomen in het plan. Hiervoor wordt door Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe een projectbesluit vastgesteld.
Het tracé van de nieuwe ondergrondse laagspanningsleidingen die aangelegd zullen moeten worden ligt grotendeels ook buiten het plangebied. Een deel van de leidingen zal worden aangesloten op de bestaande leidingen langs Rollepaal. Daarvoor wordt ruimte gereserveerd in de nieuwe groenstrook ten noorden van de nieuwe verkeersaansluiting van Rollepaal Oost op Rollepaal.
Een groot deel van de nieuwe laagspanningsleidingen zal buiten het plangebied om worden in een kabelbed worden aangelegd, eveneens ten zuiden en oosten van de grondwal. De werkzaamheden zullen gelijktijdig of kort na de aanleg van de grondwal plaatsvinden.
Onder de Omgevingswet is een wijziging van het omgevingsplan een planmer-plichtig besluit, wanneer dit besluit het kader schept voor een mer-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarbij een passende beoordeling is vereist. Hiervan kan ontheffing worden verkregen wanneer het een klein plangebied of een kleine wijziging betreft. In dat geval is een planmer-beoordeling nodig.
Een wijziging van een omgevingsplan kan projectmer-plichtig zijn als de voorgenomen planontwikkeling is genoemd in kolom 1, 2 en 4 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Indien de planontwikkeling voldoet wordt genoemd in kolom 1, 3 en 4 is er sprake van een projectmer-beoordelingsplicht.
Wanneer uit een plan- of projectmer-beoordeling blijkt dat er sprake is van belangrijke milieugevolgen, geldt er alsnog een mer-plicht.
De aanleg van Rollepaal Oost wordt genoemd in kolom 1 en 3 van de bijlage V van het Omgevingsbesluit (de aanleg, wijziging of uitbreiding van industrieterreinen (categorie J10)), hierdoor is de wijziging van het omgevingsplan projectmer-beoordelingsplichtig. Op voorhand wordt verwacht dat er sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen vanwege deze uitbreiding, waardoor op voorhand al meteen een projectMER zal worden opgesteld.
De voorgenomen wijziging van het omgevingsplan voor Rollepaal Oost biedt daarnaast kaders voor de te vestigen 'zwaardere' bedrijven en geluidzoneringsplichtige inrichtingen. Dergelijke bedrijven kunnen mer-(beoordelings)plichtig zijn bij de aanvraag voor omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op basis van de categorieën onder C t/m H van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er is daarom sprake van een kaderstellend plan voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten. Om deze reden ontstaat er een planmer-plicht.
In een eerste planstadium, bij de NRD, is een voortoets (met stikstofberekeningen) opgesteld om te beoordelen of een Passende Beoordeling nodig is. Op basis van de eerste globale stikstofberekeningen blijkt dat het project passend beoordeeld moet worden. Dit leidt tevens tot een planmer-plicht.
Op grond van bovenstaande is de wijziging van het omgevingsplan voor Rollepaal Oost zowel projectmer- als planmer-plichtig. Hiervoor wordt een gecombineerde plan- en projectMER opgesteld.
Het plan- en projectMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende redelijke alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het plan- en projectMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie.
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)
Een eerste stap in de mer-procedure is het opstellen van een notitie reikwijdte en detailniveau (NRD), waarin het doel, de scope en de aanpak voor het MER worden beschreven. De reikwijdte staat voor de onderwerpen die in het MER staan, zoals welke alternatieven onderzocht worden en welke milieuaspecten relevant zijn. Bij het detailniveau draait het om hoe uitgebreid en hoe gedetailleerd en hoe de verschillende milieuaspecten in het MER worden onderzocht.
De ‘Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)’ is als bijlage opgenomen in deze motivering.
Het bevoegd gezag moet de wettelijk adviseurs om advies vragen over de reikwijdte en detailniveau. Eventueel kan het bevoegd gezag ook de Commissie voor de milieueffectrapportage om advies vragen op de NRD, dit is niet verplicht.
Participatie is bij de NRD ook niet verplicht, maar wordt wel aanbevolen omdat het bevoegd gezag aan moet geven hoe belanghebbenden betrokken zijn. Dit kan o.a. met een zienswijzeprocedure.
In dit geval is ervoor gekozen de Commissie m.e.r. in dit stadium niet te betrekken en wel een zienswijzeprocedure te volgen. De NRD is opgesteld en in procedure gebracht. De binnengekomen adviezen en inspraak zijn beschreven in het MER en direct verwerkt in het MER.
Het MER is vervolgens opgesteld en wordt gelijktijdig met het ontwerp Omgevingsplan ter inzage gelegd. Het MER vormt vervolgens een bijlage bij de vast te stellen wijziging van het Omgevingsplan. Er wordt gemotiveerd op welke wijze in het Omgevingsplan is omgegaan met de resultaten en conclusies uit het MER. Het MER wordt voor toetsing aangeboden aan de Commissie voor de m.e.r. bij de eerste ter inzageperiode van dit Omgevingsplan.
Publicatie NRD
De NRD heeft vanaf 15 februari 2023 voor zes weken ter inzage gelegen, gedurende deze termijn kon worden gereageerd. Hiervan is gebruikgemaakt door acht personen/organisaties, ook is van drie partijen een overlegreactie ontvangen. Op 23 februari 2023 is een inloopbijeenkomst gehouden. De inspraakreacties en adviezen zijn in de Reactienota, bijgevoegd als bijlage 1 in het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_1‘, samengevat en beantwoord.
Sinds het opstellen van de ‘Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)‘ (2022) heeft zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan, die hebben geleid tot een iets andere aanpak voor het MER:
De Omgevingswet is van kracht geworden en de gemeente heeft daardoor gekozen voor een andere aanpak voor de milieuzonering, waarbij de milieucategorisering wordt losgelaten. Het beschermingsniveau voor woningen wijzigt daardoor niet.
De programmeringsafspraken met de provincie zijn gewijzigd en een uitbreiding tot netto 21 hectare is goedgekeurd onder voorwaarden (in plaats van de eerder begrote 10 ha). De voornaamste reden dat het alternatief 10 hectare in de NRD was opgenomen was dat er nog geen formele toestemming vanuit de provincie was voor de gewenste 21 hectare.
Door de gewijzigde programmeringsafspraken en de grote behoefteraming is het alternatief 10 ha geen realistisch uitvoerbaar alternatief gebleken. Daarnaast blijkt uit de grondexploitatie dat de uitbreiding met 10 hectare financieel niet haalbaar (negatief saldo). Dit alternatief is komen te vervallen.
Op basis van deze actualiteiten zijn de in de NRD beschouwde alternatieven opnieuw tegen het licht gehouden en is gekozen voor het onderzoeken van één alternatief waarbij de invulling van het bedrijventerrein met lichtere bedrijvigheid wordt onderzocht.
Het MER is door de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.) getoetst en van advies voorzien. Het ‘Toetsingsadvies Commissie voor de Mer‘ is als bijlage opgenomen in de voorliggende motivering.
In het ‘Toetsingsadvies Commissie voor de Mer‘ wordt aangegeven dat het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ omvangrijk is en uitgebreid ingaat op alle milieuaspecten die belangrijk zijn voor de besluitvorming. De onderzoeken in de bijlagenboeken bij het MER (zie ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_1‘ en ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_2’) bevatten verdiepende informatie over deze aspecten. Zo is veel aandacht besteed aan de geluidsituatie en het beperken van hinder, de verkeersafwikkeling en de effecten op natuur (beschermde soorten, stikstof).
Het MER gaat ook in op onderdelen die gedurende het planproces zijn gewijzigd of vervallen, zoals de omvang van het plangebied, de realisatie van windturbines en een nieuwe verbinding met de N36. Tijdens het gehele proces is er meer duidelijkheid gekomen over de invulling van het bedrijventerrein, inclusief de uitbreiding van een hoogspanningsstation en van een transportbedrijf. Echter wordt opgemerkt dat de wijze waarop dit in het MER is verwerkt het lastig maakt om de belangrijkste conclusies ervan terug te vinden.
De commissie signaleert bij de toetsing van het MER dat nog belangrijke informatie ontbreekt. Het aanvullen van die informatie is essentieel om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over het omgevingsplan. Het gaat om de volgende punten:
De commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voordat wordt besloten over het omgevingsplan, een beschouwing op te nemen van varianten voor de locatie en/of de capaciteit van het hoogspanningsstation en ligging en fasering van de kabels en leidingen. Besteed daarbij aandacht aan laagfrequent geluid en tonaal geluid, in de dag-, avond- en nachtperiode en geef inzicht in de aanwezigheid van gevoelige bestemmingen binnen de magneetveldzone.
De samenvatting van het MER is erg beknopt. De lezer krijgt met deze samenvatting geen goed beeld van het plan, de effecten daarvan en gemaakte keuzes, zoals hiervoor ook aangegeven. Zo ontbreekt hier een overzicht van de referentiesituatie en de effecten van het planvoornemen, de alternatieven en varianten en het voorkeursalternatief.
De commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voordat wordt besloten over het omgevingsplan een actuele en volledige samenvatting van het MER op te nemen, zodat besluitvormers en belanghebbenden een goed beeld krijgen van het voornemen, alternatieven en varianten, de effecten daarvan en het vervolgtraject. Besteed daarbij ook aandacht aan de gemaakte keuzes in verschillende stadia van planvorming.
Tevens wordt voor de navolgbaarheid van de conclusies geadviseerd een leeswijzer op te stellen, die helder maakt waar in het MER en de bijlagen welke informatie terug te vinden is.
Tot slot wordt door de Commissie m.e.r. nog een aantal aanbevelingen gedaan ten aanzien van de verdere besluitvorming van het bedrijventerrein:
Strategie bedrijventerrein
Ontwikkel een langetermijnstrategie voor het bedrijventerrein Rollepaal, gericht op kwaliteitsverbetering en optimaal ruimtegebruik.
Bufferzone / grondwal
Werk een variant uit waarbij de grondwal dichter bij de bedrijven ligt, voor betere effectiviteit tegen hinder en een betere landschappelijke inpassing.
Energievoorziening
Start tijdig met onderzoek naar alternatieve energiebronnen en de realisatie van een energiehub.
Gezondheid
Geef in de vergunningfase nadere invulling aan de beoordeling van cumulatief geluid en aanvaardbaarheid voor nabijgelegen woningen.
Monitoring geluid
Werk een nalevingsstrategie voor geluidproductieplafonds uit en neem deze op in het omgevingsplan.
Verkeer
Actualiseer verkeersprognoses op basis van de bekende invulling van het terrein en beoordeel of aanvullende maatregelen nodig zijn.
Naar aanleiding van het toetsingsadvies is, in aanvulling op het MER, een ‘Aanvulling MER’ opgesteld (zie paragraaf 10.2.3). Deze notitie vormt de aanvulling van de tekortkomingen op het gebied van de locatie-onderbouwing en effecten van het hoogspanningsstation van TenneT/Enexis en de navolgbaarheid van het proces en genomen keuzes en de volledigheid van de samenvatting met leeswijzer. Aanvullend wordt ingegaan op hoe wordt omgegaan met de aanbevelingen van de Commissie m.e.r.
Planvoornemen
In het planvoornemen moet Rollepaal Oost een plek bieden voor zwaardere bedrijvigheid vergelijkbaar met milieucategorie 4.2, waarbij maatregelen worden getroffen om overlast voor de omgeving te voorkomen of te beperken. Naast de normale bedrijvigheid, worden onder andere een waterstoftankstation, ondersteunende voorzieningen en de uitbreiding van het verdeelstation TenneT/Enexis mogelijk gemaakt. Detailhandel, zelfstandige kantoren en bedrijfswoningen worden niet toegestaan. Aan de noord- en oostzijde zal een grondwal worden gerealiseerd.
De bestaande geluidzone rondom Rollepaal wordt zodanig verruimd dat de hele uitbreiding binnen de zone past, er geluidruimte beschikbaar is voor nieuwe bedrijven maar de geluidzone nergens over nieuwe woningen valt. Het plangebied wordt voor gemotoriseerd verkeer in westelijke richting ontsloten via een aansluiting nabij het kruispunt Rollepaal, Schutwijk en Moerheimstraat. De infrastructuur wordt klimaatbestendig ingericht waarbij gebruik wordt gemaakt van wadi's en groenstructuren.
Aan de noord- en oostzijde zal een grondwal worden gerealiseerd van minimaal 3 meter hoog, voorzien van opgaand groen. Het doel van de grondwal is het zicht vanuit woningen op het bedrijventerrein te minimaliseren en het realiseren van een goede landschappelijke inpassing. Door het realiseren van vrijliggende fiets- en/of voetpaden met een klimaatbestendige inrichting wordt het gebied aantrekkelijk gemaakt voor (recreatief) wandelen tijdens de lunch. De verkaveling van het terrein maakt gebruik van bestaande structuren zoals sloten en beplanting die de landschappelijke structuur benadrukt. Verder wordt ingezet op zoveel mogelijk energieneutraal ontwerpen en een toekomstbestendig bedrijventerrein.
Varianten binnen het planvoornemen
Binnen het planvoornemen zijn twee varianten uitgewerkt:
Variant grondwal
In het MER wordt onderzoek uitgevoerd naar andere mogelijke afscherming, de minimaal benodigde afmetingen om te zorgen voor voldoende afscherming voor de huidige woningen en de keuzes voor de (landschappelijk goed ingepaste) afscherming in relatie tot de ligging van de aangepaste geluidzone. Hiertoe zal zowel worden gekeken naar de effecten van een lagere grondwal (1,5 meter) als een hogere afscherming tot maximaal 6 meter, door het toepassen van een (geluid)scherm op de grondwal.
Variant bedrijfswoning
De woning aan de Schutwijk 2 is door de gemeente aangekocht. In deze variant wordt rekening gehouden met de omzetting van Schutwijk 2 naar een bedrijfswoning of naar een bedrijfsbestemming waarmee mogelijk meer milieuruimte voor het bedrijventerrein ontstaat.
Alternatief lichtere bedrijvigheid
In dit alternatief wordt de invulling van het bedrijventerrein met lichtere bedrijvigheid (vergelijkbaar met max. milieucategorie 3.2) voorgesteld. Verder is het alternatief gelijkwaardig aan het planvoornemen. Onderzocht wordt of dit alternatief leidt tot minder grote milieubelasting op de omgeving.
Scenario verkeersontsluiting op de N36
De toekomstige gewenste zuidelijke ontsluiting richting de provinciale weg de N36 is opgenomen als scenario. Er is gekozen voor een scenario omdat de ontsluiting nog onzeker is en niet op korte termijn wordt gerealiseerd, maar wel invloed kan hebben op de milieueffecten van de ontwikkeling. Het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ geeft een algemeen beeld van hoe de situatie eruit zou zien als deze aansluiting er komt.
In de diverse hoofdstukken in het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ zijn voor de milieuaspecten het planvoornemen en varianten en de alternatieven beschouwd en beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. In navolgende tabel is een overzicht opgenomen van deze beoordelingen.

*Aangepaste kavelemissies zijn noodzakelijk. Zonder deze aanpassing scoort het planvoornemen een “- “omdat de grenswaarden worden overschreden, met de aanpassing scoort het planvoornemen neutraal “0”. De effecten van de grondwal zijn vergeleken met de situatie met aangepaste kavelemissies.
Het planvoornemen scoort ten opzichte van de referentiesituatie negatief op de aspecten geluid, licht en gezondheidsbescherming. Uit de beoordelingen voor geluid volgt dat het planvoornemen mogelijk is, onder voorwaarde dat er een aangepaste kavelemissie voor de bedrijfskavels wordt toegepast. Hiermee kan nog steeds worden voldaan aan de doelstellingen voor het vestigen van TenneT en zwaardere bedrijven. Mogelijk moeten bedrijven wel meer aandacht aan geluidaspecten besteden bij ontwerp van kavel (afscherming) en keuze materialen en bronnen (geluidsarm ontwerpen). Bij deze uitgangspunten zal bij alle woningen het geluidniveau lager zijn dan de standaardwaarden van of de ter plaatse vastgestelde MTG. Naast geluid is ook lichthinder ter plaatse van de omwonenden een belangrijk aspect: er moeten voldoende maatregelen worden getroffen om lichthinder vanwege de infrastructuur, terreinverlichting en reclame-uitingen te voorkomen.
De aspecten waar het planvoornemen licht negatief scoort ten opzichte van de referentiesituatie hebben betrekking op de aspecten verkeer, landschap/archeologie, bodem, beschermde soorten en veiligheid. De effecten zijn gedeeltelijk een logisch gevolg van de keuze van het realiseren van de uitbreiding van het bedrijventerrein. Een deel van deze effecten kan worden gemitigeerd door het treffen van maatregelen of het stellen van randvoorwaarden (zie paragraaf 10.3.1).
Verder blijkt dat de energiepotentie van het bedrijventerrein onzeker is. Het toepassen van windturbines is vanuit de milieuaspecten geluid, slagschaduw en veiligheid lastig. Om voldoende windenergie op te wekken voor alle bedrijven is het plaatse van één grote windturbine aan de zuidzijde van het plangebied de meest kansrijke optie. Overwogen moet worden of windmolens vanuit landschap en beleving mogelijk zijn. Door in te zetten op een goede inpassing en een ruime kavel voor TenneT, is het wellicht eenvoudiger om groene stroom via TenneT in te kopen.
De variant bedrijfswoning scoort alleen op het aspect industrielawaai positiever dan het planvoornemen, vooral doordat met het vervallen van de woonfunctie de geluidruimte voor het bedrijventerrein aan deze zijde groter wordt. Voor de overige aspecten scoort deze variant gelijk aan het planvoornemen. Mocht de woning aanwezig blijven, is dit wel een locatie die invloed heeft op de direct omliggende kavels ten aanzien van geur, risico's en geluid (piekgeluiden).
De variant grondwal is onderverdeeld in twee subvarianten:
een lagere grondwal van 1,5 meter hoog (of zelfs het weglaten van de grondwal) of
het toepassen van een goed ingepast (begroeid) topscherm van 3 meter op de wal, waarmee de totale afscherming hoogte 6 meter wordt.
Indien de grondwal lager wordt uitgevoerd hoeft er minder grond te worden aangevoerd en is sprake van een betere aansluiting op de landschapskenmerken, er is echter meer kans op lichthinder en zicht op het bedrijventerrein maar niet in zodanige mate dat dit in de tabel tot heel andere scores leidt.
Wanneer de grondwal hoger wordt (6 meter) kan de grondwal een bijdrage leveren aan het verminderen van geluidsbelasting op de woningen, dit effect is op de begane grond hoger dan op de bovenste verdieping van woningen in de nachtperiode. Ook wordt lichthinder beter gereduceerd met deze hogere wal, met name de overlast van directe lichthinder. Voor de gezondheidsbescherming is dit daarmee de beste variant.
Een hogere grondwal betekent echter dat er extra grond moet worden aangevoerd. De variant scoort derhalve licht negatiever op het gebied van circulariteit. Nadelige gevolgen van een geluidsscherm zijn de barrière bewerking voor het medegebruik door soorten (ecologie) en mensen.
Het alternatief lichtere bedrijvigheid scoort op de aspecten industrielawaai en de energievraag positiever dan het planvoornemen. De lichtere bedrijvigheid heeft minder geluidsruimte (industrie) nodig waardoor de geluidsbelasting bij woningen lager zal zijn. Ook de energievraag van dit type bedrijvigheid is lager en scoort hierdoor positiever.
Ten aanzien van circulariteit is dit alternatief iets minder positief omdat geen ruimte wordt geboden voor ruimte-intensieve recyclingbedrijven. Voor de overige aspecten is dit alternatief vergelijkbaar met het planvoornemen.
Uit de globale analyse van het scenario verkeersontsluiting volgt dat de verkeersontsluiting een positief effect kan hebben op de circulaire opgave van het bedrijventerrein doordat dat de bereikbaarheid verbetert. Ook op het gebied van geluid als gevolg van verkeersweglawaai en verkeersveiligheid kan sprake zijn van positieve effecten doordat het sluipverkeer over de Stegerensallee zal afnemen. Onbekend is echter wat de effecten zijn van de nieuwe ontsluiting voor het overige verkeer (niet gerelateerd aan Rollepaal): naar verwachting ontstaan verschuivingen in de verkeersverdeling en kan de nieuwe ontsluiting extra verkeer aantrekken vanwege de nieuwe verbinding tussen de N36 en de N377. Hierdoor kan mogelijk een toename van verkeer op de weg Rollepaal ontstaan waardoor ook de geluidsbelasting bij woningen kan toenemen. Ook de verkeersveiligheid is een aandachtspunt aangezien de capaciteit van de N36 in de huidige situatie een knelpunt is.
Naar aanleiding van het toetsingsadvies van de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r., zie paragraaf 10.1.5) is een ‘Aanvulling MER’ opgesteld. Het document betreft een aanvulling op het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ voor de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost in Dedemsvaart, gemeente Hardenberg. De ‘Aanvulling MER‘ is als bijlage opgenomen in de voorliggende motivering.
De ‘Aanvulling MER ‘geeft inzicht in de milieueffecten van de uitbreiding, met bijzondere aandacht voor het hoogspanningsstation van TenneT/Enexis, de navolgbaarheid van het proces en een uitgebreide publieksvriendelijke samenvatting. Tevens worden aanbevelingen van de Commissie m.e.r. besproken en verwerkt.
Ten aanzien van de 'locatieonderbouwing' en de 'navolgbaarheid van het planproces' wordt het volgende opgemerkt:
Locatieonderbouwing TenneT/Enexis
Het document betreft een aanvulling op het milieueffectrapport (MER) voor de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost in Dedemsvaart, waarin de noodzaak, locatiekeuze en milieueffecten van onder andere het hoogspanningsstation van TenneT/Enexis worden toegelicht, inclusief een uitgebreide beoordeling van varianten, effecten op geluid, natuur, verkeer, energievoorziening en landschap, met aanbevelingen voor mitigatie en duurzame inrichting, waarbij locatie 1 als voorkeurslocatie is gekozen en het plan voorziet in een duurzame, toekomstbestendige uitbreiding met aandacht voor gezondheid, milieukwaliteit en monitoring.
Navolgbaarheid proces en keuzes
In de ‘Aanvulling MER’ is ten behoeve van het vergroten van de navolgbaarheid ingegaan op proces en de gemaakte keuzes. Aangegeven is dat planvoornemen tijdens het proces is gewijzigd en uitgebreid van ongeveer 10 naar 21 hectare, onder meer vanwege de benodigde ruimte voor het hoogspanningsstation en regionale bedrijvigheid. Vanwege de Omgevingswet is een nieuwe aanpak voor milieuzonering toegepast, met geluidproductieplafonds en kavelemissies. Om de geluidruimte optimaal te benutten, is daarbij een alternatief met geoptimaliseerde kavelemissies ontwikkeld. Daarnaast is onderzocht of windturbines mogelijk zijn; vanwege landschappelijke en veiligheidsaspecten zijn deze niet opgenomen in het voorkeursalternatief. Ook een zuidelijke ontsluiting via de N36 is onderzocht, maar maakt geen deel uit van het planvoornemen.
Deze toelichting op de gemaakte keuzes vergroot de transparantie van het planproces.
Voor de publieksvriendelijke samenvatting en de beantwoording van de aanbevelingen wordt verwezen naar de ‘Aanvulling MER’.
Op basis van de bevindingen in het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ zijn het planvoornemen en alternatief lichtere bedrijvigheid vrijwel gelijkwaardig. Alleen op aspecten gezondheidsbescherming scoort het alternatief lichtere bedrijvigheid iets positiever. Het alternatief lichtere bedrijvigheid is onderzocht om na te gaan of dit alternatief de belasting op de omgeving kan beperken. Uit de bevindingen van het MER blijkt dat de invulling met lichtere bedrijvigheid een gering effect heeft op de geluidbelasting op de omgeving (industrielawaai). Dit geringe effect is te verklaren doordat de geluidruimte per kavel is bepaald en hierdoor rekening wordt gehouden met de aanwezige woningen. Op grotere afstand van woningen is meer geluidruimte waardoor invulling met zwaardere of lichtere bedrijvigheid op deze afstand geen invloed heeft op de geluidsbelasting van de woningen. Aangezien het verschil in milieueffecten beperkt is en de vraag naar kavels met geluidruimte hoog is, is gekozen voor het planvoornemen met 'zwaardere bedrijvigheid' als voorkeursalternatief.
Er wordt in het voorkeursalternatief geen geluidreservering aangehouden voor het bestaande gedeelte van Rollepaal van 0,5 DB. De keuze hiervoor is afhankelijk van meerdere factoren waaronder het feit dat het huidige terrein van Rollepaal op dit moment fysiek grotendeels is opgevuld. De bestaande bedrijven dienen te opereren binnen de nu aanwezige geluidruimte dat op grond van Bbt (Best beschikbare technieken) niet onmogelijk is en geen beperking hoeft te zijn. Daarnaast zorgt de nieuwe systematiek met gpp's ervoor dat uit mag worden gegaan van de jaargemiddelde bedrijfssituatie, hierdoor blijft enige geluidruimte bestaan voor de huidige bedrijvigheid. Een andere factor die meespeelt is dat het bedrijventerrein ruimte moet bieden aan het hoogspanningsstation van Enexis/TenneT, wanneer de geluidsreservering wordt toegekend aan het huidige bedrijventerrein is de geluidruimte per kavel mogelijk te krap voor de beoogde bedrijvigheid. De keuze leidt daarnaast niet tot een toename van het aantal woningen waarbij de geluidsbelasting hoger is dan de standaardwaarde van 50 dB(A).
Op basis van de bevindingen van de vergelijkingen tussen de varianten 'een lagere <1,5 meter grondwal' en 'een hogere 3 meter grondwal' blijkt dat een grondwal van 1,5 of 3 meter de voorkeur heeft. Er is gekozen voor een grondwal van 3 meter omdat een lagere grondwal geen akoestisch effect heeft. Een grondwal van 3 meter (planvoornemen) kan de geluidbelasting als gevolg van laag gesitueerde bronnen in geringe mate beperken, met name op de begane grond.
Op het gebied van energiepotentie is onzeker of het bedrijventerrein zelfvoorzienend kan zijn in energie en warmte. Uit het MER blijkt dat zonne-energie niet voldoende energiezekerheid biedt jaarrond. Door een combinatie van wind- en zonne-energie kan aan de energievraag worden voldaan. Uit het MER blijkt dat de mogelijkheden voor plaatsing van windturbines gering zijn door de aanwezigheid van woningen, bedrijvigheid en buisleidingen/hoogspanningslijnen. Hoewel uit het onderzoek van DGMR blijkt dat de plaatsing van een windturbine op het bedrijventerrein mogelijk is door onder andere een stand-still voorziening bij schaduwwerking te realiseren, zijn landschappelijke effecten niet te voorkomen. De gemeente heeft derhalve de afweging gemaakt om in het VKA de plaatsing van windturbines in het plangebied niet mee te nemen in het omgevingsplan. Dit betekent echter niet dat windturbines ook in de toekomst worden uitgesloten. De provincie is sinds bevoegd gezag voor het toelaten van windturbines vanaf 5 MW met een projectbesluit. Windturbines maken hierdoor geen deel uit van het VKA.
Uit het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ blijkt verder dat de ontwikkeling mogelijk leidt tot licht negatieve effecten op beschermde soorten. Belangrijke aandachtspunten zijn verder het sluipverkeer over de Stegerensallee, lichthinder op de omgeving en de ligging in het brandaandachtsgebied van de buisleidingen. In de volgende alinea's worden de te nemen mitigerende maatregelen en aanbevelingen om de effecten te beperken. Ook worden aanbevelingen gedaan om het bedrijventerrein toekomstbestendig en natuurvriendelijk in te richten.
Uit de beoordeling van de milieueffecten van het planvoornemen blijken verder negatieve effecten, zoals effecten op beschermde soorten, sluipverkeer over de Stegerensallee, lichthinder en risico's door de ligging in een brandaandachtsgebied van buisleidingen. Er zijn mitigerende maatregelen nodig om deze effecten te beperken.
Verminderen van sluipverkeer over de Stegerensallee
Uit de bevindingen van de verkeersanalyse blijkt dat een deel van het verkeer zich in de huidige situatie via de Stegerensallee verdeelt. Om te voorkomen dat in de beoogde situatie vrachtverkeer via de Stegerensallee gaat rijden dienen maatregelen te worden genomen. Hierbij kan worden gedacht aan bewegwijzering en door te sturen op de noordelijke ontsluitingsroute binnen de inrichting van de aansluiting van het plangebied op de Rollepaal.
Beperk geluidhinder bij omwonenden als gevolg van piekgeluiden
Voor de piekgeluiden wordt verwacht dat deze mogelijk tot hinder leiden bij de woningen rondom de uitbreiding, ondanks dat kan worden voldaan aan de geluidwaarden uit het Bkl. Overwogen kan worden om hier aanvullende eisen te stellen om een aanvaardbaar piekgeluidniveau bij de woningen te realiseren.
Beperken externe veiligheidsrisico's
Het plangebied ligt in het brandaandachtsgebied van diverse leidingen. Binnen het aandachtsgebied van de hogedruk aardgasleidingen wordt aanbevolen aanvullende maatregelen te nemen zodat aanwezige personen veilig kunnen schuilen of vluchten ingeval van brand. Het is van belang dat bij invulling van de bedrijfskavels de bedrijfsgebouwen met hoge personendichtheid zoals kantoren, zo ver mogelijk aan de noordzijde worden geplaatst en de bedrijfsactiviteiten met lage personendichtheid aan de zuidzijde (zoals opslag). Van belang is dat er een vluchtroute aan de noordzijde wordt gerealiseerd (van de bron af). De toekomstige inrichtingen moeten worden voorzien van mechanisch afsluitbare ventilatie. Verder dient bij de indeling van het gebied rekening te worden gehouden met de maatvoering van de waterwagens van de brandweer, de aanwezigheid van een grootschalige bluswatervoorziening en dient het bedrijventerrein aan twee zijden te worden ontsloten. Om de kwetsbare infrastructuur te beschermen, moet de afstand tussen de locatie(s) van TenneT en de hoogspanningsverbindingen en een potentieel waterstoftankstation (of ander bedrijf met gevaarlijke stoffen) voldoende groot zijn. Hiertoe zal bij vestiging van een risicovol bedrijf vooraf een nader onderzoek gedaan moeten worden om de haalbaarheid van een locatie en/of mogelijke maatregelen te bepalen.
Realiseer compensatielocaties voor egel en kleine marterachtigen
In het gebied zijn potenties voor beschermde soorten egel en kleine marterachtigen. In 12.3 zijn de eisen van deze soorten aan de leefgebieden opgenomen. Er dient rekening te worden gehouden met deze inrichtingseisen voor de groengebieden (grondwal) en waterpartijen.
Beperk (stikstof)emissies
Het plangebied wordt niet aangesloten op het gasnetwerk. Het voornemen biedt kansen voor zonne-energieopwekking op daken. Uitgangspunt in het planvoornemen is dat de daken constructief geschikt zijn voor zonnepanelen. Maatregelen om de emissies te beperken zijn inzet van elektrische mobiele werktuigen.
Onderzoek de mogelijkheden voor inzet alternatieve energiebronnen en realisatie van een energiehub
De inzet op zonne-energie op daken is niet voldoende om te voorzien in een stabiele energieopbrengst jaarrond. Een combinatie met een andere energiebron is hierdoor noodzakelijk om zelfvoorzienend te zijn. Andere mogelijke energiedragers zijn windenergie en WKO-installaties. Uit het MER blijkt dat de mogelijkheden voor windturbines op het bedrijventerrein gering zijn door de aan te houden afstanden tot woningen in verband met geluid en slagschaduw en vanwege aan te houden veiligheidsafstanden tot hoogspanningsleidingen, buisleidingen, kantoren e.d. Ga op basis van gebruikscijfers na wat nodig is om een passend energiesysteem te ontwikkelen. Onderzoek de mogelijkheden om het bedrijventerrein aan te sluiten op windpark Veenwieken, zonneparken in de omgeving en de mogelijkheden voor gebruik van restwarmte van de RWZI. Ga na of op grotere afstand van het plangebied windturbines kunnen worden geplaatst die het bedrijventerrein kunnen voorzien van energie. Bekijk samen met de vestigende partijen de mogelijkheden voor een energiehub waar lokaal opgewerkte duurzame energie in de vorm van elektriciteit, warmte en waterstof weer lokaal afgezet kan worden.
Beperken van lichthinder
Uit informatie van omwonenden (zienswijzen) blijkt dat er zorgen zijn met betrekking tot lichthinder vanuit het bedrijventerrein. Voor het voorkomen van lichthinder moeten de volgende maatregelen worden getroffen:
In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ wordt een aantal aanbevelingen gedaan:
Beperk de effecten op de bodem
Beperk verdichting van de bodem door gebruik te maken van vaste bouwwegen en/of rijplaten. Hanteer extensief beheer, een ruigere begroeiing zorgt voor een diepere beworteling en droogtebestendigere vegetatie, ook is extensief beheer minder belastend voor de bodem.
Vergroot de circulariteit van beoogde bedrijvigheid
De circulariteit van de beoogde bedrijvigheid is onzeker wanneer er geen voorwaarden worden gesteld. Deze kunnen privaatrechtelijk worden geregeld via een koopovereenkomst. Mogelijke maatregelen zijn het opstellen van een materialenpaspoort, gebruik van cradle-to-cradle gecertificeerde materialen en in te zetten op losmaakbaarheid.
Beperken drinkwaterverbruik
Zet in op hergebruik van overtollig hemelwater. Hergebruik van overtollig hemelwater kan het drinkwaterverbruik verminderen. Het overtollige regenwater kan worden opgevangen en gebruikt worden voor bewatering van groene gevels/groene daken en/of het doorspoelen van toilet en dergelijke.
Beperken van oververhitting gebouwen
In het planvoornemen wordt veel aandacht besteed aan openbaar groen en water. Ook op de kavels zelf is een zone opgenomen voor groen. Naast hitte-eilanden buiten kan sprake zijn van oververhitting van gebouwen. Oververhitting van gebouwen kan worden beperkt door in te zetten op groene gevels/groene daken en half verharding/open verharding toe te passen waar mogelijk. Ook zomer-nachtventilatie kan oververhitting van gebouwen mogelijk tegengaan.
Stimuleren duurzaam vervoer
De verkeersgeneratie van het bedrijventerrein kan worden beperkt door in te zetten op langzaam en openbaar vervoer (lopen, fiets en OV). Bijvoorbeeld door het bedrijventerrein aan te sluiten op het hoofdfietsnetwerk van Hardenberg.
Bij de verdere uitwerking van de beoogde ontwikkeling zijn meerdere mogelijkheden voor het integreren van vormen van duurzame mobiliteit. Zo kunnen afspraken worden gemaakt met de te vestigen bedrijven voor het inzetten van deelmobiliteit, zijnde deelauto's of deelfietsen.
Natuurinclusief bouwen
Door in het omgevingsplan een voorschrift natuurinclusief bouwen op te nemen kan het plan een extra bijdrage leveren aan soorten die zijn gebonden aan gebouwen (gevels, daken en tuinen). Soorten die aangetrokken kunnen worden zijn o.a. zwarte roodstaart, scholekster, gewone dwergvleermuis.
Draag zorg voor goede landschappelijke inrichting
Een goede landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein is noodzakelijk ter verbetering van het zicht en aanzicht op het bedrijventerrein vanuit de omgeving en goede inpassing van waardevolle landschappelijke structuren. Maak visualisaties van het bedrijventerrein zodat voor de omwonenden duidelijk is hoe het bedrijventerrein eruit komt te zien. Door duidelijke beeldkwaliteitscriteria op te nemen kan worden gestuurd op de vormgeving van de bebouwing zodat het ontstaan van 'grijze dozen' kan worden voorkomen.
Verhoog de levensduur van de aan te planten bomen
Bomen in stedelijke/verharde omgeving hebben over het algemeen een lage overlevingskans en bereiken over het algemeen een leeftijd van 30 jaar. Draag zorg voor voldoende groeiruimte en verbeter de kwaliteit van de bodem. Kies locaties op ruime afstand van kabels en leidingen. Zorg voor circa 100 m3 ondergrondse ruimte (1 m3 per groei-jaar).
Plant soorten die klimaatbestendig zijn en tegen langdurige droogte bestand zijn. Bij voorkeur streekeigen soorten.
In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ wordt het voorkeursalternatief getoetst aan het doelbereik. Vanuit de gemeente en provincie geldt een aantal uitgangspunten en randvoorwaarden voor de uitbreiding:
Uit de programmeringsafspraken met de provincie volgt dat aan de goedkeuring van de uitbreiding van het bedrijventerrein voorwaarden zijn gekoppeld waaronder het realiseren van een toekomstbestendig bedrijventerrein, waarbij water en bodem sturend zijn.
De gemeenteraad heeft als voorwaarde meegegeven dat voorzieningen moeten worden getroffen die de toekomstige uitbreiding aan het zicht zullen onttrekken, geluid/lichthinder kan wegnemen maar wel landschappelijk inpasbaar zijn.
Het bedrijventerrein moet zoveel mogelijk energieneutraal worden ontworpen en moet de mogelijkheid bieden om in de toekomst een waterstof-tankstation te realiseren.
Naast bedrijvigheid moet ruimte worden geboden aan de uitbreiding van verdeelstation Enexis/TenneT met 3,4 hectare.
Uit het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ blijkt dat met het voorkeursalternatief, met aanvullende mitigerende maatregelen, het doelbereik wordt gehaald.
De kwaliteitsambities van de provincie zijn opgenomen in de Programmeringsafspraken Bedrijventerrein Regio West-Overijssel' (zie ook paragraaf 3.5.3). De ambities hebben betrekking op het beperken van gebruik van drinkwater, het stimuleren van circulair bouwen (MPG), duurzaam gebruik van grondstoffen, het realiseren van een gezonde en groene leefomgeving, inzet op groene energie en zorgvuldig ruimtegebruik.
Bodem en water
Er is geen doelstelling opgenomen om het drinkwaterverbruik te verminderen. Bij aanbevelingen worden de mogelijke maatregelen benoemd.
Circulariteit
Er zijn geen gemeentelijke doelstellingen ten aanzien van circulariteit gespecificeerd voor bedrijventerreinen. Bij aanbevelingen is een voorzet gedaan om een positieve bijdrage te leveren aan circulariteit.
Gezonde en groene leefomgeving
In het planvoornemen wordt in het openbare gebied ingezet op de realisatie van een groene en gezonde leefomgeving voor mens en dier. Door ook natuurinclusief te bouwen (zie aanbevelingen) kan ook op gebouwniveau een bijdrage worden geleverd.
Inzet groene energie
Het nieuwe bedrijventerrein wordt niet aangesloten op het aardgasnetwerk en de daken van bedrijfsgebouwen dienen geschikt te zijn voor zonnepanelen, daarnaast is groene energie het uitgangspunt. Er wordt voldaan aan de gestelde ambitie van de gemeente.
Zorgvuldig ruimtegebruik
Er wordt voldaan aan de eis dat de gronden worden verkocht aan eindgebruikers en een minimaal bebouwingspercentage van 50%.
Het bedrijventerrein wordt landschappelijk ingepast met een grondwal en opgaande beplanting bestaande uit bomen en struiken. Hiermee wordt het zicht op het bedrijventerrein vanuit omwonenden zoveel als mogelijk beperkt. Aangezien de bouwhoogte van de bedrijven hoger is dan de beplanting (zeker in de eerste periode) en in de winterperiode het bosschage na bladval geen zicht beperkt, blijft altijd sprake van enig zicht op het bedrijventerrein.
Het bedrijventerrein wordt niet aangesloten op het gasnetwerk en de daken dienen geschikt te zijn voor zonnepanelen. Uit het MER blijkt dat de kansen voor windturbines op het bedrijventerrein gering zijn. De gemeente heeft besloten om wind geen deel uit te laten maken van het VKA. Er dient te worden gezocht naar mogelijkheden voor andere energiebronnen en de realisatie van een smart energy hub.
Op het bedrijventerrein wordt ruimte voorzien voor het nieuwe verdeelstation van Enexis/TenneT.
Het voorkeursalternatief wordt doorvertaald in het omgevingsplan. In het omgevingsplan worden milieuregels opgenomen met betrekking tot geur, geluid, licht, stikstof en natuurinclusief bouwen:
Geur
Er wordt aangesloten bij het geurbeleid van de provincie Overijssel (Beleidsregel geur door milieubelastende activiteiten (niet-veehouderijen, 2024) voor gebouwen uit categorie A.
Geluid kavelemissies
In het omgevingsplan worden aangepaste kavelemissies opgenomen, namelijk 58 dB(A)/m2 in het noordelijk deel en 62 dB(A)/m2 in het zuidelijk deel.
Lichthinder
In het omgevingsplan wordt lichthinder op omgeving beperkt door het opnemen van voorschriften.
Stikstof
In de berekeningen ten behoeve van het MER is uitgegaan van een aardgasvrij bedrijventerrein. In de berekeningen is rekening gehouden met emissies als gevolg van een toename van het verkeer. Er is geen rekening gehouden met overige bedrijfsemissies. In het omgevingsplan wordt het gebruik van brandstof aangedreven materieel en machinerieën (met uitzondering van vrachtwagens, bestelwagens en personenvoertuigen) in de gebruiksfase verboden.
Natuurinclusief bouwen
Er worden regels opgenomen die het natuurinclusief bouwen van gebouwen zal bevorderen.
In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ wordt een aanzet gedaan voor het monitoringsprogramma. Het programma heeft als doel om de voorspelde milieueffecten en de effectiviteit van de voorgestelde mitigerende maatregelen te monitoren. Daarnaast draagt monitoring bij aan het kunnen sturen wanneer blijkt dat effecten negatiever uitvallen dan beoordeeld in het MER.
Uit het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ blijkt dat voor de volgende aspecten monitoring noodzakelijk is:
Verkeer: de effecten van verkeer zijn gebaseerd op kencijfers en het verkeersmodel. Het is van belang om de intensiteiten en afwikkeling op de hoofdwegen en kruispunten te monitoren. Ook de mitigerende maatregelen om sluipverkeer over de Stegerensallee te beperken dienen te worden gemonitord.
Geluid: ook de effecten van geluid zijn gebaseerd op modelberekeningen. De meldingen bij de omgevingsdienst/gemeente met betrekking tot geluidhinder worden gemonitord.
Energie: de energiepotentie en vraag is gebaseerd op kencijfers. Bij nadere uitwerking worden de mogelijkheden voor windturbines (en overige energiedragers) en een energiehub onderzocht. Van belang is dat de energievraag en -aanbod wordt gemonitord zodat hierop in kan worden gespeeld.
Lichthinder; uit de referentiesituatie blijkt dat sprake is van lichthinder. In het MER zijn mitigerende maatregelen opgesteld om lichthinder te beperken. De effecten van lichthinder zijn afhankelijk van de daadwerkelijke invulling van het bedrijventerrein, het is hierdoor van belang dat de effecten worden gemonitord zodat eventueel extra mitigerende maatregelen kunnen worden genomen. De meldingen bij de omgevingsdienst/gemeente met betrekking tot lichthinder worden gemonitord.
Door monitoring kunnen de effecten beter inzichtelijk worden gemaakt en gebruik worden gemaakt van nieuwe gegevens die mogelijk in toekomst beschikbaar komen. Mogelijk kan als gevolg van monitoring het treffen van aanvullende mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn.
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, moet het kostenverhaal verzekerd zijn.
In het geval van de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost is de gemeente eigenaar van de gronden die nodig zijn voor de uitbreiding. Daarmee is de gemeente initiatiefnemer en realiseert de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost voor eigen rekening en risico. De gemeente heeft daarvoor vanuit de begroting middelen gereserveerd om de uitbreiding van het bedrijventerrein te realiseren.
Daarmee is aangetoond dat de ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is.
Bij wijzigingen van het omgevingsplan waarbij kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt is de gemeente verplicht de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen voor het aanleggen van openbare voorzieningen naar evenredigheid te verhalen op initiatiefnemers van kostenverhaalplichtige activiteiten die profijt hebben hiervan.
In artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit is een overzicht opgenomen van de kostenverhaalplichtige activiteiten. Aangewezen bouwactiviteiten zijn bijvoorbeeld het bouwen van woningen, bedrijfspanden, kantoren en winkels. Er zijn nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
Zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald, is het verboden om de bouwwerkzaamheden uit te voeren. Het kostenverhaal kan via een van onderstaande opties verzekerd worden:
via regels kostenverhaal in het omgevingsplan;
via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer van de kostenverhaalplichtige activiteit;
via de gronduitgifte-overeenkomst tussen gemeente en een toekomstige eigenaar/eigenaren, indien de gemeente het volledige kostenverhaalsgebied in eigendom heeft.
Rollepaal Oost
In het geval van de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost is sprake van een kostenverhaalplichtige activiteit. In het voorliggende geval is de gemeente Hardenberg eigenaar van de gronden waarop deze kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt. De gemaakte kosten worden bij grondverkoop via de grondprijs verhaald.
Hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico dat iemand onevenredig zwaar treft. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving.
De gemeente kan de kosten van nadeelcompensatie geheel of gedeeltelijk verhalen op de initiatiefnemer. De gemeente kan een overeenkomst sluiten met een initiatiefnemer over kostenverhaal waarin de kosten voor nadeelcompensatie worden meegenomen. Bij publiekrechtelijk kostenverhaal worden ook de geraamde kosten van nadeelcompensatie op de aanvrager verhaald. De kosten voor nadeelcompensatie staan op de kostensoortenlijst (bijlage IV Omgevingsbesluit). Het is verboden kostenverhaalsplichtige activiteiten uit te voeren als de kosten nog niet zijn betaald. Dit regelt artikel 13.12 van de Omgevingswet.
Rollepaal Oost
In het voorliggend geval is de gemeente eigenaar van de gronden en zelf initiatiefnemer. Dit betekent dat eventuele kosten voor nadeelcompensatie ten laste van de gemeente komen.
Een initiatiefnemer moet in alle gevallen bij de aanvraag aangeven of participatie heeft plaatsgevonden (artikel 7.4, lid 2 Omgevingswet). Goede participatie maakt een plan of initiatief beter. Deze samenwerking tussen belanghebbenden, gemeente en initiatiefnemers kan het plan inhoudelijk verbeteren en verrijken, bijvoorbeeld door lokale kennis te benutten. Daarbij draagt het bij aan de besluitvorming, door alle belangen in beeld te brengen en hierdoor beter rekening kan worden gehouden met deze belangen. Dit kan bijdragen aan het draagvlak van het plan.
Naast het formele instrumentarium, is onder de Omgevingswet ook informeel vooroverleg over plannen mogelijk. Het vooroverleg is vormvrij. Door bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium met elkaar op te trekken kunnen knelpunten in een vroeg stadium worden gesignaleerd. De gemeente Hardenberg heeft tijdens het ontwikkeltraject meerdere keren met provincie, het Waterschap en de Veiligheidsregio (afstemmings)overleg gehad over de ontwikkeling.
In het kader van vooroverleg heeft de gemeente Hardenberg de overlegpartners :
op de hoogte gebracht dat het voorontwerp van de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Hardenberg voor 'Rollepaal Oost' en het MER vanaf maandag 28 augustus 2025 ter inzage heeft gelegen. De gemeente heeft de overlegpartners verzocht aan te geven of er specifieke aandachtspunten aan de orde zijn waarmee rekening dient te worden gehouden bij de planontwikkeling.
De reacties van de overlegpartners zijn in de 'Notitie over de reacties op het voorontwerp van het besluit tot wijziging van het Omgevingsplan gemeente Hardenberg en het MER voor de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal in Dedemsvaart: Rollepaal Oost' samengevat en van antwoord voorzien. De ‘Notitie over de reacties op het voorontwerp‘ is als bijlage opgenomen in deze motivering.
Gedurende het voorbereidingstraject van het nieuwe bedrijventerrein Rollepaal Oost zijn omwonenden op verschillende momenten geïnformeerd over de ontwikkelingen. Deze communicatie verliep voornamelijk via informatiebrieven en diverse bijeenkomsten gericht op participatie en transparantie.
Er hebben regelmatig informele gesprekken plaatsgevonden met de bewonerscommissie. Tijdens deze bijeenkomsten werden de commissieleden geïnformeerd over de voortgang en kregen zij de gelegenheid om vragen te stellen.
Overzicht van informatiebrieven
Omwonenden zijn via de volgende informatiebrieven op de hoogte gesteld van de voortgang en plannen rondom Rollepaal Oost:
Bijeenkomsten en spreekuren
Inloopbijeenkomst aankoop landbouwgrond – 15 november 2021
Voorafgaand aan het besluit van de gemeenteraad om ten oosten van Rollepaal grond aan te kopen voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein, zijn omwonenden geïnformeerd. Dit gebeurde via een inloopbijeenkomst, waarin het voorstel werd toegelicht en men vragen kon stellen.
Spreekuur in De Baron – 13 juli 2022
In de informatiebrief van 20 april is ingegaan op de proefverkaveling en de stappen richting het omgevingsplan. Omwonenden kregen de mogelijkheid zich in te schrijven voor een gesprek over de stand van zaken en om vragen te stellen.
Inloopbijeenkomst over Notitie Reikwijdte en Detailniveau – 23 februari 2023
Het bedrijventerrein Rollepaal wordt uitgebreid richting het oosten. Om dit mogelijk te maken, start een ruimtelijke procedure waarbij de gevolgen voor het milieu onderzocht worden. De onderwerpen die onderzocht worden, zijn vastgelegd in de 'Notitie reikwijdte en detailniveau'. Tijdens de bijeenkomst konden omwonenden deze notitie inzien en hun reactie geven.
Duurzaamheidssessie – 19 april 2023
In deze interactieve duurzaamheidssessie is samen met ondernemers gesproken over duurzame ambities en kansen voor Rollepaal Oost. Het doel en programma van de sessie werden vooraf uitgelegd.
Duurzaamheidssessie – 7 juni 2023
In deze interactieve duurzaamheidssessie is samen met omwonenden gesproken over duurzame ambities en kansen voor Rollepaal Oost. Het doel en programma van de sessie werden vooraf uitgelegd.
Spreekuur in De Baron – 6 december 2023
Omwonenden konden opnieuw in gesprek met de gemeente over de stand van zaken. Hierbij werden de bewoners bijgepraat over de duurzaamheidsvisie en het stedenbouwkundig plan voor Rollepaal Oost. Ook werden de lopende milieuonderzoeken toegelicht.
Inloopbijeenkomst over onderzoeken – 8 juli 2024
Tijdens de bijeenkomst op 8 juli 2024 zijn omwonenden geïnformeerd over de uitkomsten van diverse onderzoeken en de actuele stand van zaken rondom de ontwikkeling van bedrijventerrein Rollepaal Oost.
Informatieavond over Stedenbouwkundig plan en kwaliteit van de grond in de grondwal – 19 maart 2025
Tijdens deze bijeenkomt is het concept van het stedenbouwkundig plan gepresenteerd. Ook zijn omwonenden bijgepraat over de voortgang van het project, waaronder de uitbreiding van het bedrijventerrein, de wijziging van het omgevingsplan en de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken.
Informatiebijeenkomst stedenbouwkundig plan, MER en omgevingsplan - 4 juni 2025.
Tijdens deze bijeenkomst is ingegaan op de stand van zaken met betrekking tot het stedenbouwkundig plan. Daarnaast is nader ingegaan op de omgevingsaspecten 'zicht', 'geluid' en 'licht'.
Informatiebijeenkomst Voorontwerp wijziging Omgevingsplan - 3 september 2025.
Gelijktijdig met de terinzagelegging van het voorontwerp voor de wijziging van het Omgevingsplan en het milieueffectrapport (MER) (zie paragraaf 11.2.5), is op 3 september 2025 een informatiebijeenkomst georganiseerd. Tijdens deze avond zijn de plannen toegelicht en waren er meerdere experts aanwezig vanuit de gemeente, het betrokken adviesbureau en TenneT/Enexis om vragen van bezoekers te beantwoorden.
Naast mondelinge vragen zijn er ook diverse schriftelijke vragen ingediend. Deze zijn zorgvuldig beantwoord. De ingebrachte vragen hebben echter niet geleid tot aanpassingen in het stedenbouwkundig plan, noch in de vertaling daarvan naar de wijziging van het Omgevingsplan.
Op 19 februari 2024 en 8 april 2024 hebben overleggen plaatsgevonden tussen de Provincie, de gemeente en het betrokken adviesbureau. Deze gesprekken waren gericht op het afstemmen van de duurzaamheidsambities van zowel de Provincie als de gemeente.
Om inzicht te krijgen in de belangen die spelen bij de gebiedsontwikkeling zijn in 2024 in voorbereiding van het project op het gebied van een aantal thema's gesprekken gevoerd met diverse ketenpartners. Het ging daarbij met name over de thema's gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. Van de betreffende besprekingen zijn ‘Verslagen ketenpartners‘ gemaakt die als bijlage bij de motivering van het voorliggende omgevingsplan zijn gevoegd.
Het voorontwerp van de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Hardenberg voor 'Rollepaal Oost' heeft vanaf maandag 28 augustus 2025 samen met het MER gedurende zes weken ter inzage gelegen. Dit is gepubliceerd in het huis-aan-huis-blad De Toren en in het Gemeenteblad. Het voorontwerp van het omgevingsplan is in digitale vorm via de website van de gemeente Hardenberg ontsloten.
Naar aanleiding van de publicatie zijn drie schriftelijke inspraakreacties ontvangen. De reacties zijn in de 'Notitie over de reacties op het voorontwerp van het besluit tot wijziging van het Omgevingsplan gemeente Hardenberg en het MER voor de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal in Dedemsvaart: Rollepaal Oost' samengevat en van antwoord voorzien. De ‘Notitie over de reacties op het voorontwerp‘ is als bijlage opgenomen in deze motivering.
Het ontwerp-wijzigingsbesluit heeft vanaf 12 maart 2026 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode kon iedereen zienswijzen indienen bij de gemeenteraad. Er zijn in deze periode geen zienswijzen ingediend. Ter verbetering van het omgevingsplan en afstemming op de rest van het plan zijn ambtelijke aanpassingen doorgevoerd in de planregels en in de bijbehorende werkingsgebieden. De aanpassingen betreffen voornamelijk structurele aanpassingen en enkele ondergeschikte aanpassingen op basis van actuele inzichten en afstemming van het gebied Rollepaal Oost op de rest van het Omgevingsplan gemeente Hardenberg. Het wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Hardenberg voor Rollepaal Oost wordt gewijzigd vastgesteld door de raad van de gemeente Hardenberg. Na vaststelling ligt het wijzigingsbesluit gedurende zes weken opnieuw ter inzage. In deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Op grond van de artikelen 4.1 en 4.2 van de Omgevingswet moet de gemeente bij het wijzigen van het omgevingsplan díe regels aan het plan verbinden die nodig zijn om de evenwichtige toedeling van functies aan locaties te borgen. Uit paragraaf 4.4.3 van de memorie van toelichting op de Omgevingswet blijkt dat de evenwichtige toedeling van functies aan locaties een ruimer afwegingskader heeft dan het begrip 'een goede ruimtelijke ordening' onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Dit hangt samen met de verruimde reikwijdte van de Omgevingswet ten opzichte van de Wet ruimtelijke ordening. Daarnaast vraagt de evenwichtige toedeling van functies aan locaties om een integrale afweging tussen de verschillende thema's die gezamenlijk de kwaliteit van de fysieke leefomgeving bepalen. Dit vraagt om een afweging op het gebied van veiligheid, gezondheid, het milieu, water, landschappelijke waarden, stedenbouwkundige waarden, cultureel erfgoed, werelderfgoed, natuurbescherming, klimaatverandering, kwaliteit van bouwwerken, infrastructuur, ecosystemen, natuurlijke hulpbronnen en de toegankelijkheid van de openbare ruimte.
In het navolgende wordt op deze thema's ingegaan.
Veiligheid
In hoofdstuk 4 van deze motivering is ingegaan op het thema veiligheid. Hierin is aangegeven dat met deze wijziging van het omgevingsplan binnen het deelgebied Rollepaal Oost een zogenoemd brandvoorschriftengebied wordt aangewezen, dat het omgevingsplan de aanwezigheid van bluswater borgt en dat er regels zijn opgenomen die het ontstaan van ontwrichtende rook bij brand van opslag op buitenterreinen tegengaat. Daarmee biedt het plan voldoende waarborgen voor de veiligheid.
Gezondheid
In het MER is geconstateerd dat de gezondheid van omwonenden negatief kan worden beïnvloed door toename van het industrielawaai, wegverkeerslawaai, verstoring van het uitzicht en lichthinder.
Met de regels die met deze wijziging van het omgevingsplan zijn opgenomen, wordt geborgd dat de uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal past binnen de geluidruimte die hiervoor met de voormalige zone op grond van de Wet geluidhinder was gereserveerd. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat er ter hoogte van de omliggende woningen geen sprake zal zijn van een toename van de geluidbelasting door industrielawaai of wegverkeerslawaai. Om verstoring van het uitzicht te voorkomen, wordt Rollepaal Oost afgeschermd van haar omgeving door een aarden wal en groenstroken. Bovendien zijn er regels aan het plan verbonden die lichthinder voorkomen. Daarmee is geborgd dat het wijzigen van het omgevingsplan geen nadelige invloed zal hebben op de gezondheid van omwonenden.
Het milieu
In hoofdstuk 5 van deze motivering wordt ingegaan op de gevolgen voor het milieu die samenhangen met deze wijziging van het omgevingsplan. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema's luchtkwaliteit, geluid, trillingen, bodemkwaliteit, geur, licht, bezonning en gezondheid. Uit gegevens van de atlas van de leefomgeving kan worden opgemaakt dat de luchtkwaliteit op en rond industrieterrein Rollepaal bijzonder goed is. Gelet op de beperkte omvang van de ontwikkeling zal deze nauwelijks van invloed zijn op de lokale luchtkwaliteit.
Met het omgevingsplan wordt geborgd dat geen sprake is van een toename van de geluidbelasting ten opzichte van de geluidruimte die het industrieterrein Rollepaal in de bestaande situatie was toegekend. Evenmin zal de geluidbelasting door het wegverkeer toenemen. De bedrijfsmatige activiteiten die op Rollepaal Oost worden toegestaan, zullen geen aanleiding geven tot merkbare trillingen in de omgeving van het bedrijventerrein. De bodemkwaliteit op de uitbreidinglocatie is ruimschoots voldoende voor het gebruik als bedrijventerrein.
Door de bedrijfsactiviteiten die op Rollepaal Oost worden toegelaten, zal mede door de planregels geen sprake zijn van geurhinder. Daarnaast worden er regels aan het omgevingsplan verbonden die hinder in de omgeving door terreinverlichting en reclame-uitingen zullen voorkomen.
De bouwregels die aan het omgevingsplan voor Rollepaal Oost worden verbonden, zullen tegengaan dat sprake zal zijn van hinderlijke schaduw door nieuwe gebouwen op het industrieterrein. Tot slot bieden de planregels voldoende waarborgen voor de bescherming van de gezondheid van omwonenden en gebruikers van het deelgebied Rollepaal Oost.
Water
Voor het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ is een watertoets uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de waterbergingsopgave binnen het deelgebied Rollepaal Oost kan worden gerealiseerd. De in het Bal opgenomen regels bieden voldoende waarborgen voor de waterkwaliteit. De waterpartijen die op Rollepaal Oost worden aangelegd, zullen worden voorzien van natuurvriendelijke oevers. Daarmee vormen de Rijksregels en de regels die met deze wijziging van het omgevingsplan daaraan worden verbonden, voldoende waarborgen voor de waterkwaliteit en de waterkwantiteit.
Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden
Uit het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ blijkt dat het aspect landschap licht negatief beoordeeld door aantasting van de landschapsstructuren en beleving en de bodemingrepen. De grondwal is in het open landschap weliswaar een gebiedsvreemd object en onderbreekt de landschapsstructuren. Echter, wanneer er geen grondwal wordt aangelegd is er vanuit de omgeving en woningen direct zicht op het bedrijventerrein. Ook wanneer de zone wordt voorzien van beplanting is er sprake van zicht in de winterperiode (na bladval). Daarom wordt om het landschappelijke karakter van het buitengebied te bewaren, het oprichten van een 3 meter hoge grondwal in de planregels als verplichting opgenomen. Om de stedenbouwkundige inpassing van het bedrijventerrein te borgen, is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Dit stedenbouwkundige plan is op grond van het omgevingsplan opgelegd aan de ontwikkelaars binnen het deelgebied om de stedenbouwkundige kwaliteit te borgen.
Cultureel erfgoed
De gronden waarop de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal is beoogd, zijn aangemerkt als 'open veenontginningslandschap'. De gebouwen aan de Schutwijk 2 en 4 zijn aangewezen als gemeentelijk monument. De gronden waarop Rollepaal Oost gerealiseerd zal worden, hebben een lage tot middelmatige archeologische verwachtingswaarde. De ontwikkeling van Rollepaal Oost zal afbreuk doen aan het open veenontginningslandschap dat dit deelgebied kent.
De beide gemeentelijke monumenten aan de Schutwijk 2 en 4 blijven behouden en de lage tot middelmatige archeologische verwachtingswaarde staat de ontwikkeling van Rollepaal Oost niet in de weg. Ondanks de beperkte aantasting van het open veenontginningsgebied is geen sprake van onaanvaardbare aantasting van cultuurhistorische waarden.
Natuurbescherming en ecosystemen
In de directe omgeving van de uitbreidingslocatie Rollepaal Oost liggen geen Natura 2000 gebieden of Natuurnetwerkgebieden. Uit de ‘Passende beoordeling Stikstof‘ blijkt dat de realisatie van de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal niet leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000 gebieden. Uit een uitgevoerd onderzoek binnen het gebied naar aanwezige soorten blijkt dat Rollepaal Oost een leefgebied biedt voor beschermde soorten egel en kleine marterachtigen. Hoewel de ontwikkeling op den duur een positieve bijdrage kan leveren door ontwikkeling van een robuuste groen- en waterstructuur, leidt de ontwikkeling bij aanvang tot licht negatieve effecten op de aanwezige soorten.
De effecten moeten worden gemitigeerd. Het gaat daarbij om:
het opstellen van een inrichtingsplan en ecologisch werkprotocol voor de beschermde soorten (kleine marterachtigen en egel). Aanleg en beheer van compensatielocaties voor de soorten. Aanvraag van benodigde vergunningen flora-fauna activiteit;
het aanbrengen van extra beschutting zoals takkenrillen, steenhopen in het bosschage op de grondwal;
aanplanten van inheemse biodiverse en droogte bestendige beplanting op de grondwal met circa 10 procent groenblijvende soorten als hulst, wilde liguster, grove den, laurierwilg;
realisatie van natuurvriendelijke oevers in de brede watergangen met ondiepe zones geschikt voor grote modderkruiper.
Daarnaast wordt aanbevolen om in het omgevingsplan een voorschrift natuurinclusief bouwen op te nemen. Hiermee kan het plan een extra bijdrage leveren aan soorten die zijn gebonden aan gebouwen (gevels, daken en tuinen). Soorten die aangetrokken kunnen worden zijn onder ander zwarte roodstaart, scholekster en gewone dwergvleermuis. Onder deze voorwaarden leidt de ontwikkeling van Rollepaal Oost niet tot een onaanvaardbare aantasting van natuurwaarden.
Klimaatverandering
Het voor de ontwikkeling van Rollepaal Oost beoogde gebied is niet overstromingsgevoelig. Bij de ontwikkeling kan ruimschoots worden voorzien in de voor het gebruik als industrieterrein benodigde waterbergingscapaciteit.
Infrastructuur
Voor zover er een beperkingengebied over het plangebied is gelegen is deze in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan vastgelegd. Het gaat daarbij om het brandvoorschriftengebied vanwege de bestaande buisleidingstrook ten oosten en zuiden van het plangebied. Daarmee wordt voldoende waarborg voor de veiligheid van de nieuwe gebruikers van het plangebied geboden. In het stedenbouwkundige plan is beschreven hoe de infrastructuur binnen Rollepaal Oost moet worden vormgegeven uit het oogpunt van zowel de verkeersveiligheid als de landschappelijke- en stedenbouwkundige kwaliteit.
Natuurlijke hulpbronnen
Voor het duurzaam inrichten van het bedrijventerrein Rollepaal Oost zijn duurzaamheidsprincipes van toepassing. Deze principes hebben te maken met duurzaam bouwen, maar ook met duurzaam ruimtegebruik, terreinbeheer en duurzaam omgaan met energie en fysieke stromen. Voor Rollepaal Oost wordt in het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' hierop aangesloten.
Toegankelijkheid openbare ruimte
De openbare ruimte van het industrieterrein Rollepaal Oost krijgt een functionele inrichting, gericht op de bedrijvigheid die op het industrieterrein zal gaan plaatsvinden. Niettemin is in het stedenbouwkundige plan opgenomen dat deze openbare ruimte wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van veel water en grond, strakke structuren en een brede, groene omlijsting. De openbare ruimte krijgt ook een verblijfsfunctie.
De grondwal zal ook grotendeels als openbare ruimte worden ingericht met een fietspad en een voetpad. De helling van deze paden zal zodanig zijn dat veilig het talud op en afgereden en gelopen kan worden. Deze uitgangspunten zijn neergelegd in het stedenbouwkundige plan annex inrichtingsplan voor de openbare ruimte, dat aan de wijziging van het omgevingsplan ten grondslag heeft gelegen.
Onderlinge samenhang thema's fysieke leefomgeving
Uit de laddertoets (zie paragraaf 7.2) blijkt dat de prognose van de uitbreidingsvraag in West-Overijssel het grootst is naar grootschalige distributie, grootschalige productie en het reguliere segment. Met de beoogde uitbreiding van Rollepaal Oost kan aan deze behoefte tegemoet worden gekomen. Concreet hebben meerdere geïnteresseerde bedrijven uit Dedemsvaart de intentie uitgesproken zich op Rollepaal Oost te willen vestigen.
De vraag naar bedrijventerreinen voor zwaardere bedrijvigheid kan niet worden opgelost binnen bestaand stedelijk gebied. In de laddertoets wordt aangegeven dat de bestaande voorraad geen directe oplossing biedt voor het invullen van (een deel van) de ruimtevraag. Het voorzien van ruimte op het huidige bedrijventerrein Rollepaal middels herstructurering is geen optie, omdat de bestaande voorraad geen directe oplossing biedt voor de vraag. Het beleid van provincie en gemeente ziet toe op clustering van bedrijventerreinen, waardoor een uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal voor de hand ligt.
Er is geen alternatieve locatie voor een nieuw bedrijventerrein binnen Dedemsvaart onderzocht. Wel is de locatie van de uitbreiding nader onderzocht. Uitbreiding naar de zuidzijde is geen realistisch uitvoerbaar alternatief vanwege de beperkingen door de hogedrukleidingen, de openheid van het landschap en de financiële beperkingen (geen grondpositie). Uit de laddertoets blijkt dat uitbreiding aan de oostzijde de sterke ruimtelijke voorkeur heeft vanwege de duidelijke functiescheiding tussen bedrijventerrein en landelijk gebied en de benodigde uitbreiding van TenneT/Enexis.
Bij de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan zijn de hiervoor genoemde thema's met betrekking tot de fysieke leefomgeving in onderlinge samenhang beschouwd. Bij de ontwikkeling van het stedenbouwkundige plan is bijvoorbeeld zowel aandacht besteed aan de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maar daarnaast ook aan de verkeersveiligheid en de functionaliteit van het gebied voor de daarbinnen mogelijk te maken gebruiksactiviteiten. De waterberging die binnen het plangebied moet worden gerealiseerd is zo vormgegeven dat deze de belevingswaarde van het industrieterrein bevordert maar ook aansluit bij de historische verkaveling van het gebied. Door de afweging van deze verschillende thema's in onderlinge samenhang wordt geborgd dat met het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg voor de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal, met het plan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties is geborgd.
In de voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden regels gesteld aan de activiteiten op locaties. De wijze waarop de regels onderling worden afgewogen vloeit voort uit de instructieregels die zijn gesteld met het oog op een evenredige toedeling van functies aan locaties . Op welke wijze dat is vormgegeven op de kaart en in de regels volgt uit het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ en de voorliggende motivering.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-316760.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.