Subsidieregeling instandhouding monumenten Harderwijk 2026

Het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk:

 

overwegende dat:

  • -

    de gemeente Harderwijk haar erfgoed wil behouden;

  • -

    de gemeente Harderwijk op grond van de Verordening Fysieke Leefomgeving onroerende zaken heeft aangewezen als gemeentelijk monument;

  • -

    In de gemeente Harderwijk rijksmonumenten aanwezig zijn;

  • -

    dat onderhoud van belang is voor de instandhouding van deze monumenten;

  • -

    het daarom gewenst is om onderhoud van monumenten te stimuleren.

Gelet op titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene Subsidieverordening Harderwijk 2020, artikel 53 van de EU-verordening nr.651/2014 van de commissie van 17 juni 2014 en het Staatssteunkader monumenten

 

Besluiten:

 

Vast te stellen de Subsidieregeling instandhouding monumenten Harderwijk 2026

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze subsidieregels wordt verstaan onder:

  • a.

    Asv: de Algemene Subsidieverordening Harderwijk 2020;

  • b.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • c.

    eigenaar: een natuurlijk of rechtspersoon, die in de kadastrale registers als eigenaar, erfpachter of houder van het recht van opstal staat ingeschreven;

  • d.

    gemeentelijk monument: onroerende zaak die op grond van de Verordening Fysieke Leefomgeving Harderwijk of het omgevingsplan, is aangewezen als gemeentelijk monument;

  • e.

    het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk;

  • f.

    historische molen: een door wind, water of ros aangedreven krachtwerktuig inclusief bouwwerk, geschikt of bedoeld voor een historisch maal- productie- activiteitbedrijf;

  • g.

    inspectierapport: een gebouwinspectie van de Monumentenwacht Gelderland of een vergelijkbaar rapport, conform de URL 2005 (uitvoeringsrichtlijn) van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit (ERM):

  • h.

    monument; een gemeentelijk monument of een rijksmonument;

  • i.

    onderhoud: werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die zich strekken tot het herstel en in goede staat houden van een monument;

  • j.

    rijksmonument: onroerende zaak die is ingeschreven in het rijksmonumentenregister;

  • k.

    splitsingsakte: een notarieel document dat een gebouw of complex splitst in appartementsrechten;

  • l.

    subsidiabele werkzaamheden en kosten: werkzaamheden en kosten die noodzakelijk zijn voor het herstel en/of in goede staat houden van een monument, zoals beschreven in bijlage 1, behorende bij deze subsidieregeling;

  • m.

    zelfstandig bouwkundige eenheid: een bouwwerk dat in zowel constructief als functioneel opzicht één geheel vormt.

Artikel 1.2 Toepasselijkheid ASV

  • 1.

    Op deze regeling is de Asv van toepassing. Indien in deze regeling regels zijn gegeven die afwijken van de Asv, gaan de regels uit deze regeling voor op die uit de Asv, voor zover de Asv afwijking toestaat.

  • 2.

    De subsidies die op grond van deze regeling worden verstrekt, zijn aan te merken als eenmalige subsidies.

Hoofdstuk 2 Doel, doelgroep en te subsidiëren activiteiten, subsidieplafond en verdeelregels

Artikel 2.1 Doel en doelgroep subsidie:

  • 1.

    Het doel van de subsidieregeling is de instandhouding van gemeentelijke monumenten en rijksmonumenten door het onderhoud daarvan te stimuleren.

  • 2.

    Voor subsidie op grond van deze regeling kunnen eigenaren van gemeentelijke monumenten en rijksmonumenten in aanmerking komen.

  • 3.

    Wanneer de werkzaamheden betrekking hebben op de- volgens de splitsingsakte- gemeenschappelijke delen van het monument, wordt de subsidie, in afwijking van lid 2, verleend aan de Vereniging van Eigenaren (VVE).

  • 4.

    In afwijking van lid 2 wordt geen subsidie verleend aan een gemeente, provincie, waterschap of de Staat.

Artikel 2.2 Subsidiabele werkzaamheden en kosten

  • 1.

    Het college kan subsidie verlenen voor de volgende werkzaamheden:

    • a.

      onderhoud aan gemeentelijke monumenten;

    • b.

      onderhoud aan rijksmonumenten, indien de eigenaar geen recht of aanspraak heeft op subsidie van het Rijk voor onderhoud van het betreffende rijksmonument;

    • c.

      in afwijking van onderdeel b komt een historische molen wel in aanmerking voor subsidie voor onderhoud, als het betreffende rijksmonument recht of aanspraak heeft op subsidie van het Rijk voor onderhoud.

  • 2.

    Het college kan alleen subsidie verlenen voor de in bijlage 1 genoemde subsiabele werkzaamheden en kosten.

Artikel 2.3 Subsidieplafond en verdeling

  • 1.

    Het college stelt het subsidieplafond, als bedoeld in artikel 4:22 Awb, vast met inachtneming van de gemeentebegroting.

  • 2.

    Aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst tot het vastgestelde subsidieplafond is bereikt.

  • 3.

    Als de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van indiening van de aanvraag de datum waarop de aanvraag volledig is.

  • 4.

    Volledige aanvragen die op dezelfde datum in de volgorde van ontvangst zijn opgenomen, worden geacht tegelijkertijd te zijn ontvangen. Indien deze aanvragen tot overschrijding van het subsidieplafond zouden leiden, wordt het beschikbare bedrag evenredig over de aanvragers verdeeld.

Hoofdstuk 3 Aanvragen subsidie

Artikel 3.1 Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag wordt ingediend op een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier en voldoet aan de eisen genoemd in artikel 4:2 Awb, de Asv en deze regeling.

  • 2.

    De aanvraag is volledig ingevuld en voorzien van alle informatie en bijlagen die op het aanvraagformulier verplicht zijn gesteld.

  • 3.

    De aanvrager legt in aanvulling op artikel 6 van de Asv de volgende gegevens over:

    • a.

      een duidelijke (werk)omschrijving van de onderhoudswerkzaamheden met (detail)foto’s van de gebreken en de onderdelen van het monument waarop de werkzaamheden betrekking hebben;

    • b.

      begroting en/of offerte van de werkzaamheden, die tenminste gespecificeerd is in hoeveelheden en kosten materiaal, uren, uurloon en BTW;

    • c.

      een inspectierapport.

  • 4.

    Het college is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van de in de voorgaande leden genoemde gegevens te verlangen, indien die voor het nemen van beslissing op de aanvraag noodzakelijk respectievelijk voldoende zijn.

  • 5.

    Een aanvraag dient voorafgaand aan de aanvang van de onderhoudswerkzaamheden te worden ingediend.

  • 6.

    In afwijking van lid 5, dient subsidie voor onderhoud aan historische molens binnen 1 jaar, nadat de werkzaamheden zijn uitgevoerd, worden ingediend.

  • 7.

    In afwijking van lid 5 kan een aanvraag voor een noodreparatie uiterlijk worden ingediend binnen 13 weken nadat de werkzaamheden zijn uitgevoerd, indien deze:

    • a.

      noodzakelijk is om vervolgschade te voorkomen en/of voor de veiligheid en bruikbaarheid van het monument;

    • b.

      het gebrek/schade niet het gevolg is van achterstallig onderhoud of nalatigheid;

    • c.

      vooraf of twee werkdagen na uitvoering schriftelijk of per mail is gemeld bij de gemeente;

Artikel 3.2 Beslissing op de aanvraag

  • 1.

    Het college neemt binnen acht weken na de ontvangst van de volledige aanvraag een beslissing.

  • 2.

    Het college kan deze termijn eenmalig met vier weken verlengen.

  • 3.

    Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht inzake subsidieverlening van rechtswege is niet van toepassing.

Hoofdstuk 4 Subsidieverlening

Artikel 4.1 Voorwaarden en verplichtingen

  • 1.

    Het college verleent aan de aanvrager een subsidie onder de volgende algemene voorwaarden en verplichtingen:

    • a.

      De werkzaamheden dienen binnen twee jaar na de verlening van de subsidie te worden uitgevoerd.

  • 2.

    Het college kan bij de subsidieverlening aanvullende verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

Artikel 4.2 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt 25% van de subsidiabele onderhoudskosten met een maximum van € 6.800, - per kalenderjaar, per zelfstandig bouwkundige eenheid van een monument.

  • 2.

    De subsidie bedraagt maximaal € 20.400, - per eigenaar, per kalenderjaar.

  • 3.

    Voor zover de gemeente Harderwijk van de provincie Gelderland een subsidie ontvangt ten behoeve van de instandhouding van monumenten, kan het college ten laste van deze subsidie, de subsidie verhogen onder de voorwaarden, zoals genoemd in de subsidiebeschikking en de betreffende subsidieverordening/regeling van de provincie Gelderland.

  • 4.

    De verhoging van de subsidie als bedoeld in lid 3 wordt uitsluitend verleend, indien de uitgekeerde subsidie van de provincie Gelderland daarvoor toereikend is.

Artikel 4.3 Bevoorschotting

Bevoorschotting is niet mogelijk.

Hoofdstuk 5 Verantwoording en vaststelling

Artikel 5.1 Verantwoording en subsidievaststelling

  • 1.

    De vaststelling van de verleende subsidie door het college vindt plaats nadat de werkzaamheden schriftelijk gereed zijn gemeld bij het college. De gereedmelding dient uiterlijk binnen 13 weken na de voltooiing van de activiteiten plaats te vinden. Bij de gereedmelding worden de volgende bewijsstukken aangeleverd:

    • a.

      een kostenopstelling, waarin de uitgevoerde werkzaamheden op dezelfde manier zijn gerangschikt als bedoeld in artikel 3.1 lid 3;

    • b.

      rekeningen en betalingsbewijzen van de uitgevoerde werkzaamheden;

    • c.

      Foto’s van de onderdelen van het monument, waarop de werkzaamheden betrekking hebben.

  • 2.

    Indien bij de controle blijkt dat (op onderdelen) wordt afgeweken van de subsidietoekenning kan het college de in eerste instantie verleende subsidie verlagen of op ‘nihil’ vaststellen.

  • 3.

    Indien uit de verantwoording blijkt dat de in eerste instantie verleende subsidie niet toereikend is doordat er sprake is van meerwerk, kan de subsidie worden herzien onder gelijktijdige vaststelling, indien het meerwerk:

    • a.

      onvoorzienbaar was;

    • b.

      het subsidiabele werkzaamheden en kosten betreft;

    • c.

      tijdens de uitvoering schriftelijk of per mail is gemeld bij de gemeente;

    • d.

      niet meer dan 10% van de in eerste instantie subsidiabele kosten bedraagt;

    • e.

      het subsidieplafond door de toekenning niet wordt overschreden.

  • 4.

    Het college stelt een subsidie vast binnen 13 weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling.

  • 5.

    Het college kan deze termijn eenmalig met ten hoogste 10 weken verdagen.

  • 6.

    Paragraaf 4.1.3.3 Awb inzake subsidievaststelling van rechtswege is niet van toepassing.

  • 7.

    De subsidie wordt uitbetaald na de vaststelling van de subsidie.

Hoofdstuk 6 Weigering, intrekking en terugvordering

Artikel 6.1 Subsidie weigeren, intrekken en/of terugvorderen

  • 1.

    De subsidie wordt in ieder geval geweigerd indien:

    • a.

      er sprake is van een situatie beschreven in artikel 4:35 of afdeling 4.2.6 van de Awb of in artikel 9 van de Asv, met uitzondering van artikel 9, derde lid, onderdeel g, van de Asv;

    • b.

      het bedrag waarvoor subsidie wordt gevraagd het subsidieplafond overschrijdt;

    • c.

      de aanvraag niet voldoet aan het doel van de regeling, zoals genoemd in artikel 2.1 lid 1;

    • d.

      de aanvrager niet behoort tot de doelgroep, zoals genoemd in artikel 2.1 lid 2;

    • e.

      de aanvraag geen betrekking heeft op de subsidiabele activiteiten zoals genoemd in artikel 2.2;

    • f.

      de aanvraag niet tijdig is ingediend;

    • g.

      er anderszins niet wordt voldaan aan de vereisten zoals genoemd in deze regeling;

    • h.

      voor zover de werkzaamheden waarvoor subsidie wordt gevraagd, naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet sober en doelmatig, technisch noodzakelijk en/of niet gericht op maximaal behoud van aanwezige monumentale waarden zijn;

    • i.

      voor de werkzaamheden een omgevingsvergunning is vereist en deze niet is, of kan worden verleend.

  • 2.

    De subsidie wordt in ieder geval ingetrokken, indien achteraf komt vast te staan dat zich een weigeringsgrond als omschreven in het eerste lid heeft voorgedaan.

  • 3.

    De subsidie wordt teruggevorderd, indien de subsidie is ingetrokken.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 7.1 Onvoorziene gevallen en hardheidsclausule

  • 1.

    In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college.

  • 2.

    Het college kan in bijzondere omstandigheden afwijken van het bepaalde in deze regeling indien onverkorte toepassing zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 7.2 Overgangsbepaling

Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze regeling, worden afgehandeld op grond van de “Nadere regels subsidie monumenten Harderwijk 2020”.

Artikel 7.3 Citeerartikel en inwerkingtreding

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking op de dag na die van bekendmaking, onder gelijktijdige intrekking van de ‘Nadere regels subsidie monumenten Harderwijk 2020’.

  • 2.

    Deze regeling wordt aangehaald als “Subsidieregeling instandhouding monumenten Harderwijk 2026”.

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders d.d. 23 juni 2026

de heer C. Klaassen

loco-secretaris

de heer J. Joon

burgemeester

Bijlage 1 Subsidiabele werkzaamheden en kosten

 

1. Werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die:

  • a.

    Zich strekken tot het onderhoud en herstel van de buitenschil (gevels, ramen, deuren, kozijnen, dak), of zich strekken tot het herstel van de draagconstructie (fundering, dragende muren, vloeren en dakconstructie) van het monument:

  • b.

    gericht zijn op het voorkomen van verval of het voorkomen van vervolgschade;

  • c.

    in bepaalde gevallen gericht zijn op het onderhoud en herstel van bijzondere monumentale interieur onderdelen;

  • d.

    gericht op maximaal behoud van aanwezige monumentale waarden, in het bijzonder historische materialen, constructies en detaillering;

  • e.

    sober en doelmatig zijn;

  • f.

    technisch noodzakelijk zijn.

2. Niet subsidiabele werkzaamheden:

  • a.

    Reconstructie, tenzij deze in uitzonderlijke gevallen naar het oordeel van het college en op advies van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit, ter versterking van de monumentale waarden gewenst is;

  • b.

    werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen voor veranderd gebruik, comfortverbetering, verbetering exploitatie/verhuurbaarheid, verduurzaming of verfraaiing.

3. subsidiabele kosten:

3.1. Directe kosten

  • a.

    uurloon (exclusief algemene bouwplaatskosten, algemene bedrijfskosten, winst, risico en BTW);

  • b.

    materieel en materiaalkosten;

  • c.

    bouwplaatsvoorzieningen.

3.2. Indirecte kosten:

  • a.

    algemene bouwplaatskosten, ten hoogte 9 % van de subsidiabele directe kosten;

  • b.

    algemene bedrijfskosten, ten hoogste 7% van de subsidiabele directe kosten;

  • c.

    winst en risico, maximaal 3% van de subsidiabele directe kosten;

  • d.

    inspectierapport ter onderbouwing van de werkzaamheden;

  • e.

    het niet terugvorderbare gedeelte van de BTW, ten hoogste het wettelijke percentage niet-verrekenbare BTW;

  • f.

    leges en precariokosten over de noodzakelijke vergunningen.

4. Niet subsidiabele kosten:

  • a.

    uren zelfwerkzaamheid;

  • b.

    overige belastingen, kosten voor onderzoek, advies, architect/tekenaar, bouwbegeleiding/toezicht/directiekosten en overige vergelijkbare kosten (m.u.v. inspectierapport);

  • c.

    stelposten, posten onvoorzien of vergelijkbare posten in een begroting of aanneemsom.

Toelichting  

1. Subsidiabele werkzaamheden:

De werkzaamheden moeten strekken tot instandhouding van het monument of het zelfstandig onderdeel daarvan, ze moeten sober, doelmatig en technisch noodzakelijk zijn en gericht op maximaal behoud van monumentale waarden.

 

Instandhouding kan door het uitvoeren van regulier onderhoud om verval te voorkomen en/of de levensduur te verlengen. Denk hierbij aan het schilderen van houtwerk. Ook het vervangen van materialen/onderdelen, die aan het eind van hun gangbare levensduur zijn, valt onder regulier onderhoud. Denk hierbij aan rieten of bitumendakbedekking. Daarnaast valt het herstel van gebreken ook onder instandhouding. Gebreken zijn bijvoorbeeld, houtrot, loszittend voegwerk, lekkende daken en goten, scheuren in gevels.

 

Alleen de werkzaamheden die direct verband houden met de instandhouding van de monumentale waarden van het monument kunnen worden gesubsidieerd. De werkzaamheden moeten ook noodzakelijk zijn voor de instandhouding. Zo zal bijvoorbeeld herstel van voegwerk, dat technisch gezien nog goed is, niet subsidiabel zijn. Het onderhoud of vervanging van niet-monumentale onderdelen in het interieur (bijvoorbeeld keuken, badkamer e.d.) is niet subsidiabel, want niet noodzakelijk voor de instandhouding van de monumentale waarden. Vervanging van niet-monumentale onderdelen van de bouwkundige schil van het monument kan daarentegen wel subsidiabel zijn, als dit technisch noodzakelijk is om het bouwwerk wind en waterdicht te houden. Hierbij kan vervanging door beter op de monumentale waarden afgestemde materialen subsidiabel zijn, als dit naar het oordeel van B&W gewenst.

 

Bij (materiaal)technisch noodzakelijk gebleken vervanging, dienen de nieuwe onderdelen in materiaal, vorm, detaillering, uitvoering, afwerking én kwaliteit zoveel mogelijk overeen te komen met de afkomende, te vervangen onderdelen. In gevallen waar in het verleden onderdelen zijn vervangen met gebruikmaking van niet-passende materialen of afwijkende detaillering, kan hiervan worden afgeweken. Zie hiervoor ook de paragraaf over reconstructie.

 

Sober en doelmatig houdt in dit verband in dat de werkzaamheden gericht moeten zijn op maximaal behoud van monumentale waarden, dat ze op een vakkundige wijze worden uitgevoerd en dat met de werkzaamheden verval en vervolgschade wordt voorkomen. Behoud gaat hierbij vóór herstel, herstel vóór vervanging en vervanging vóór reconstructie. Een plan wordt op deze punten getoetst aan de hand van de bevindingen in een inspectierapport en/of detailfoto’s van de gebreken en de in het plan opgenomen werkzaamheden. De (blijkens het inspectierapport) meest urgente werkzaamheden zullen normaal gesproken in het plan moeten zijn opgenomen. Is dat niet het geval en wordt subsidie gevraagd voor andere werkzaamheden, dan zal dit in de aanvraag moeten worden onderbouwd om het onderhoud als doelmatig te kunnen aanmerken. De kosten voor een dergelijk inspectierapport zijn subsidiabel.

 

Interieur

Uitgangspunt is dat kosten die betrekking hebben op werkzaamheden aan de binnenkant van een monument, slechts subsidiabel zijn indien die werkzaamheden om constructieve reden noodzakelijk zijn en/of strekken tot behoud van de monumentale waarde van het monument. Zo zal het ‘witten’ van binnenmuren in de meeste gevallen niet subsidiabel zijn, omdat dit niet noodzakelijk is voor de bescherming van de monumentale waarde of een constructieve noodzaak heeft.

 

Of interieuronderdelen daadwerkelijk monumentale waarde bezitten, dient in eerste instantie- voor zover mogelijk- beoordeeld te worden aan de hand van hetgeen vermeld is in het besluit tot aanwijzing en/of de redengevende omschrijving van het monument. Biedt dit onvoldoende uitsluitsel, dan zullen de monumentale waarden nader bepaald kunnen worden aan de hand van een cultuurhistorisch of bouwhistorisch onderzoek/rapport. Er kan ook advies worden gevraagd aan de adviescommissie Omgevingskwaliteit of een onderdeel monumentale waarde bezit.

 

Het interieur van een monument bestaat uit vaste (onroerende) en losse (roerende) onderdelen. Alleen onderhoud en herstel van vaste monumentale onderdelen kan subsidiabel zijn. Het Burgerlijk wetboek is bepalend voor de vraag of iets kan worden aangemerkt als vast interieuronderdeel van een gebouw. De vuistregels zijn in dit verband grofweg: iets is hecht verbonden met het gebouw of iets maakt het gebouw als gebouw compleet.

 

Losse interieurelementen en de werkzaamheden daaraan, zijn niet subsidiabel. Bij losse interieurelementen (veelal de inrichting) kan gedacht worden aan gebruiksvoorwerpen, gordijnen, kandelaars, los meubilair, kerkschatten, schilderijen, vloerbedekking en tapijten.

 

Hiermee is uiteraard niet gezegd dat losse voorwerpen en objecten niet van waarde kunnen zijn in relatie tot het monument. Subsidiëring van dergelijke roerende zaken is echter niet mogelijk.

 

Reconstructie

Het reconstrueren van monumenten of onderdelen van monumenten is in beginsel niet subsidiabel. In gevallen waar in het verleden onderdelen zijn vervangen met gebruikmaking van niet-passende materialen of bijvoorbeeld een afwijkende detaillering, is het aan de gemeente om te beoordelen of bij vervanging van deze onderdelen een beter passende uitvoering gewenst is> ter versterking van de monumentale waarden en op die grond subsidiabel kan worden gesteld. Voorbeelden van dergelijke uitzonderlijke gevallen zijn het vervangen van een kunststof hemelwaterafvoer door een zinken uitvoering, het vervangen van een golfplaten dakbedekking door riet of dakpannen, het vervangen van kunststof kozijnen door houten of het terugbrengen van een oude raamindeling. Er is hiervoor ook een positief advies van de adviescommissie Omgevingskwaliteit noodzakelijk en dergelijke wijzigingen zijn vergunningplichtig. In beginsel komt de vraag of reconstructie subsidiabel is alleen aan de orde, indien is gebleken dat het noodzakelijk is dat het betreffende onderdeel/materiaal vervangen moet worden. Het reconstrueren/terugbrengen van onderdelen van een monument die niet meer aanwezig zijn (bijvoorbeeld een luifel, ornamenten, schouw e.d.), zijn per definitie niet subsidiabel.

 

2. Subsidiabele kosten

 

Directe kosten

De meeste onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd door (gespecialiseerde) aannemers, schilders, loodgieters, dakdekkers en dergelijk. Zij werken over het algemeen op basis van een offerte/aanneemsom of op basis van regiewerk.

 

Bij de directe kosten, zoals uurloon en materiaalkosten, moet worden uitgegaan van de gangbare marktprijzen. Indien de opgegeven prijzen in een begroting of offerte niet aannemelijk zijn, kan er bij de aanvraag voor subsidie worden gevraagd om een tegenofferte/begroting van een andere aannemer of vakspecialist.

 

Bouwplaatvoorzieningen zijn bijvoorbeeld een bouwkeet, bouwhek, steigers, tijdelijke stroom. Ze zijn tijdgebonden en kunnen direct gekoppeld worden aan het project. Soms vinden onderhoudswerkzaamheden plaats in combinatie met andere niet-subsidiabele werkzaamheden, zoals een verbouwing, renovatie of nieuwe aanbouw. In die gevallen moeten de bouwplaatvoorzieningen worden gerekend naar rato van de subsidiabele kosten via de post algemene bouwplaatsvoorzieningen.

 

Indirecte kosten

Algemene bedrijfskosten zijn kosten van het aannemersbedrijf die niet direct aan één project toegerekend kunnen worden, bijvoorbeeld kantoorhuur en administratie. Omdat een aannemer met een aanneemsom een zeker risico neemt, is het gebruikelijk om in de aanneemsom een percentage winst/risico post op te nemen.

 

Bij onderhoud aan bedrijfspanden en dergelijk kan de verschuldigde BTW door de eigenaar vaak worden verrekend. Deze is dan niet subsidiabel.

 

Niet subsidiabele kosten

Eenvoudige klussen, zoals schilderwerk kunnen soms zelf worden uitgevoerd. De eigen uren kunnen dan niet worden gerekend. Ook uren van vrijwilligers en dergelijke, kunnen niet worden gerekend. Wanneer een bedrijf onderhoud uitvoert aan een monument wat in niet in eigendom is van dat bedrijf (bijvoorbeeld privéwoning), is dat geen zelfwerkzaamheid. In de verantwoording op de subsidie moet dan wel duidelijk worden gemaakt, dat de onderhoudskosten van het betreffende pand vanuit de privé rekening worden betaald.

 

De subsidie is gericht op normaal onderhoud en herstelwerkzaamheden en niet op groot onderhoud en restauraties. Bij normaal onderhoud is over het algemeen geen sprake van advies en architectkosten en dergelijke.

Naar boven