Beleidsregels Rechtmatigheid Participatiewet Zoetermeer 2026

Het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer heeft op 23 juni besloten:

  • De Beleidsregels Rechtmatigheid Participatiewet Zoetermeer 2026 vast te stellen

  • De Beleidsregels Vrijlating Giften Participatiewet Zoetermeer in te trekken

Beleidsregels Rechtmatigheid Participatiewet Zoetermeer 2026

 

HOOFDSTUK 1 BEGRIPPEN

Artikel 1 Begrippen

  • 1.

    De Wet: De Participatiewet (Pw).

  • 2.

    Ioaw: Wet Inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers.

  • 3.

    Het college: Burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer.

  • 4.

    Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

  • 5.

    Gemotoriseerde voertuigen: auto’s en motoren

  • 6.

    Jongere: een belanghebbende in de leeftijd van 18 tot 27 jaar oud.

  • 7.

    Kwetsbare jongere: een persoon jonger dan 27 jaar en;

    • o

      zoals bedoeld in artikel 41 lid 4 van de wet;

    • o

      die bekend is of ondersteund wordt door erkende maatschappelijke (zorg)organisaties;

    • o

      die studietoeslag op grond van artikel 36b Pw heeft ontvangen.

    • o

      die vanwege een andere reden aangemerkt kan worden als kwetsbaar.

  • 8.

    Zoektermijn: de termijn van vier weken, zoals in artikel 41, vierde lid, van de wet.

  • 9.

    Giften

    • a.

      Gift: een (al dan niet periodieke) onverplichte betaling dan wel schenking van geld, goederen of een andere vorm niet zijnde geld, waarvoor niets terug wordt verlangd.

    • b.

      Giften met een specifieke bestemming: giften waarvoor belanghebbende, als deze de gift niet had ontvangen, aanspraak zou kunnen maken op bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet of een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning

HOOFDSTUK 2 IN AANMERKING TE NEMEN MIDDELEN

Artikel 2 Begrafenisverzekering bij vermogensvaststelling

  • 1.

    De waarde van een verzekering die alleen bedoeld is voor begrafeniskosten laat het college vrij bij de vaststelling van het vermogen.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 laat het college de afkoopwaarde niet vrij als de verzekering gedurende de bijstandsverlening wordt stopgezet en uitbetaald (afgekocht).

Artikel 3 Motorvoertuigen bij vermogensvaststelling

  • 1.

    Voor gemotoriseerde voertuigen tot 13 jaar oud hanteert het college voor de vaststelling van de waarde als richtlijn de actuele koerslijst van de ANWB, waarbij de laagste verkoopprijs leidend is.

  • 2.

    Als de waarde van het gemotoriseerde voertuig tot 13 jaar oud hoger is dan €1.000,-, wordt het meerdere meegeteld bij het vermogen.

  • 3.

    Een gemotoriseerd voertuig van 13 jaar of ouder beschouwt het college als algemeen gebruikelijk en wordt vrijgelaten bij de vaststelling van het vermogen.

  • 4.

    Een gemotoriseerd voertuig van 13 jaar of ouder waarvan aannemelijk is dat de waarde aanzienlijk hoger ligt dan €1.000,- wordt bij de vaststelling van het vermogen wel meegenomen. Het college is bevoegd hier een taxatie door een erkende taxateur of een ander document waaruit de waarde blijkt bij belanghebbende op te vragen om de waarde vast te stellen.

  • 5.

    Als belanghebbende meer dan een gemotoriseerd voertuig heeft staan, geldt de vrijlating als bedoeld in artikel 2 enkel voor een gemotoriseerd voertuig. De vrijlating is van toepassing op het gemotoriseerd voertuig dat belanghebbende het langst in bezit heeft.

  • 6.

    In afwijking van lid 2 kan het college de waarde van het gemotoriseerd voertuig in zijn geheel niet meetellen bij het vermogen van belanghebbende, als dit voertuig onmisbaar is in verband met werk en/of invaliditeit en verkoop van de auto hierdoor niet kan worden verlangd.

  • 7.

    Een scooter, brommer of elektrische fiets beschouwt het college altijd als algemeen gebruikelijk en wordt vrijgelaten bij de vaststelling van het vermogen.

Artikel 4 Vrijlating van giften

Giften worden per kalenderjaar vrijgelaten tot een bedrag als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder m Participatiewet.

Artikel 5 Vrijlating van giften met een specifieke bestemming

  • 1.

    Giften met een specifieke bestemming worden volledig vrijgelaten en niet met de bijstandsuitkering verrekend.

  • 2.

    De belanghebbende dient desgevraagd voldoende aannemelijk te maken dat de gift is besteed aan de bestemming waarvoor zij is verstrekt.

Artikel 6 Meldingsplicht giften

Zolang het totaalbedrag aan giften met een specifieke bestemming en overige giften in een kalenderjaar onder het bedrag als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels blijft, hoeft de belanghebbende de giften niet bij het college te melden. Zodra het totaalbedrag in een kalenderjaar echter boven het bedrag als in artikel 4 van deze beleidsregels of meer bedraagt, moet de belanghebbende dit aan het college doorgeven.

Artikel 7 Vrijlating van giften van de Voedselbank

  • 1.

    Giften van de Voedselbank worden volledig vrijgelaten en niet met de bijstandsuitkering verrekend. Zij tellen niet mee voor het vrijlatingsbedrag uit artikel 4.

  • 2.

    Giften van de Voedselbank hoeven nimmer aan het college te worden gemeld.

HOOFDSTUK 3 JONGEREN

Artikel 8 Zoektermijn voor jongeren tot 27 jaar oud

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen, als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet.

  • 2.

    Het college maakt geen gebruik van deze bevoegdheid wanneer;

    • a.

      de jongere beschikt over een startkwalificatie en niet als kwetsbaar wordt aangemerkt;

    • b.

      de jongere zich naar het oordeel van het college voorafgaand aan de melding onvoldoende heeft ingespannen om arbeid te verkrijgen of te behouden;

    • c.

      het in de individuele situatie van de jongere effectief is om een zoektermijn op te leggen.

Artikel 9 Aanvulling levensonderhoud jongeren

  • 1.

    Een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op aanvullende bijstand, voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan van belanghebbende uitgaan boven de bijstandsnorm en voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op de ouders, omdat de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn of de belanghebbende redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens de ouders niet te gelde kan maken.

  • 2.

    Als belanghebbende, zoals bedoeld onder lid 1, redelijkerwijs niet bij de ouders kan inwonen en geen beroep kan doen op de ouders, dan hoogt het college op grond van artikel 18 lid 1 het bedrag van de aanvullende bijstand zodanig op dat deze samen met de van toepassing zijnde bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 20, gelijk is aan de norm bedoeld in artikel 21, die geldt voor een 21-jarige of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd.

  • 3.

    Indien de omstandigheden van het geval daartoe noodzaken, kan het college afwijken van de norm, bedoeld in het tweede lid.

HOOFDSTUK 4 SLOTBEPALINGEN

Artikel 10 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking op de dag na de bekendmaking.

  • 2.

    Besluiten die zijn genomen voor de datum waarop deze beleidsregels in werking zijn getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist.

Artikel 11 Intrekking

De beleidsregels Vrijlating Giften Participatiewet Zoetermeer worden ingetrokken bij dit besluit.

Burgemeester en wethouders van Zoetermeer, 23 juni 2026

de secretaris,

Alexander Meijer

de burgemeester,

Michel Bezuijen

Toelichting  

Algemeen

Op 1 januari 2026 is de Participatiewet gewijzigd door de Participatiewet in Balans en de Verzamelwet SZW 2026. Deze beleidsregels zien op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van het college die de wet biedt.

 

In de beleidsregels is, kort weergegeven, het volgende opgenomen:

  • Bij het college bekende gegevens worden hergebruikt en daarmee wordt de aanvraag vereenvoudigd wanneer deze binnen 12 maanden opnieuw wordt ingediend.

  • Een begrafenisverzekering en motorvoertuig worden onder bepaalde voorwaarden als algemeen gebruikelijk gezien en niet meegenomen bij de vaststelling van het vermogen.

  • Het giftenbeleid is verruimd.

  • De zoektermijn voor jongeren tot 27 jaar wordt in principe niet meer toegepast tenzij dit in het individuele geval effectief is.

  • De aanvullende bijstand voor jongeren tussen de 18 en 21 jaar die noodzakelijk uitwonend zijn wordt door de wetswijzigingen niet meer vanuit de bijzondere bijstand toegepast, maar vanuit de algemene bijstand.

Het college zet met deze beleidsregels in op meer eenvoud, vertrouwen en menselijke maat binnen de uitvoering van de Participatiewet.

 

Naast bovengenoemde treedt tegelijk met deze beleidsregels de Beleidsregels Inkomstenvrijlating voor jongeren tot 27 jaar Participatiewet gemeente Zoetermeer 2026 in werking. Deze beleidsregels zijn in een aparte regeling opgenomen omdat deze per 1 januari 2027 zullen vervallen. Per 1 januari 2027 is de inkomensvrijlating voor jongeren tot 27 jaar opgenomen in de Participatiewet zelf.

 

Artikel 2

Het college ziet een begrafenisverzekering die bedoeld is voor de dekking van begrafeniskosten als algemeen gebruikelijk. De waarde hiervan wordt daarom vrijgelaten bij het vaststellen van het vermogen.

 

Indien de belanghebbende tijdens de bijstandsperiode een afkoopbare uitvaartverzekering afkoopt, wordt de waarde van het bedrag dat daarmee wordt ontvangen wel beschouwd als vermogen.

 

Artikel 3

Indien een voertuig jonger dan 13 jaar oud is, hanteert het college voor de vaststelling van de waarde als richtlijn de actuele koerslijst van de ANWB. Hierbij is de laagste verkoopprijs leidend. Indien de vastgestelde waarde boven de €1.000,- komt, wordt de meerwaarde boven dit bedrag meegenomen bij de vaststelling van het vermogen.

 

Het college ziet gemotoriseerde voertuigen van 13 jaar of ouder als algemeen gebruikelijk. De waarde van het voertuig wordt ingeschat op nihil. De waarde van het voertuig wordt in dit geval vrijgelaten bij het vaststellen van het vermogen.

 

Wanneer het aannemelijk is dat een gemotoriseerd voertuig van 13 jaar of ouder een aanzienlijk hogere waarde heeft dan €1.000,-, is het College bevoegd om de waarde wel mee te nemen in het vaststellen van het vermogen. Dit is van toepassing wanneer het bijvoorbeeld gaat om een voertuig van een luxe merk dat zijn waarde behoudt. Het College vraagt in dit geval een taxatie op door een erkende taxateur of een ander document waaruit de waarde blijkt.

 

Wanneer een voertuig voor een belanghebbende onmisbaar is in verband met werk en/of invaliditeit en verkoop van de auto hierdoor niet kan worden verlangd, neemt het College het voertuig niet mee bij de vaststelling van het vermogen. Dit doet zich in principe enkel voor bij medische noodzaak of wanneer de auto naar het oordeel van de werkregisseur noodzakelijk is voor re-integratie.

 

Giften

Deze beleidsregels zijn in 2025 herzien na bekendmaking van de nieuwe Participatiewet in Balans. De beleidsregels zijn in lijn met de nieuwe wetgeving per 1 januari 2026.

 

Er wordt beoogd te voorkomen dat de Participatiewet een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen of personen. Daarnaast beoogt de beleidsregel om uitkeringsgerechtigden toe te staan om, zonder een onevenredige administratieve last, gebruik te maken van die vrijgevigheid.

 

In deze beleidsregels:

  • wordt geen onderscheid gemaakt tussen uitkeringsgerechtigden van 18 tot 21 jaar die in vergelijking met personen van 21 jaar en ouder een lagere bijstandsnorm ontvangen;

  • wordt geen onderscheid gemaakt in samenstelling van huishoudens;

  • wordt niet bepaald dat wanneer een huishouden in een jaar uitkeringsgerechtigd wordt, dat het vrijgestelde bedrag als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels wordt berekend naar rato van het aantal maanden waarvoor het recht op uitkering bestaat;

  • worden geen ‘normbedragen’ gehanteerd voor giften in natura. Dit betekent dat verwacht wordt van de uitkeringsrechtigde dat deze een redelijke inschatting maakt van de waarde van giften in natura.

Uit deze beleidsregels volgt wanneer giften in de bijstand niet tot de middelen moeten worden gerekend en dus vrijgelaten worden. Ook blijkt eruit wanneer er geen melding van giften hoeft te worden gemaakt.

 

De beleidsregels gaan uit van een verantwoordelijkheid van de bijstandsgerechtigde om zelf bij te houden wat er aan giften binnenkomt, bijvoorbeeld om inzicht te bieden wanneer de gemeente hierom verzoekt, en wanneer melden aan de orde is.

 

Deze beleidsregels staan het individualiseringsprincipe niet in de weg, om ook in andere gevallen giften niet te rekenen tot middelen die moeten worden verrekend met de uitkering.

 

Ten aanzien van het begrip gift wordt benadrukt dat kenmerkend voor giften is, dat er geen wederdienst tegenover staat én dat er geen verplichting aan ten grondslag ligt.

 

Bijschrijvingen van ex-partners bedoeld voor partner- en/of kinderalimentatie vallen dan ook niet onder giften, maar zijn inkomen en worden dus niet vrijgelaten.

 

In de definitiebepalingen wordt onderscheid gemaakt tussen ‘giften met een specifieke bestemming’ en ‘overige giften’. Dit wordt gedaan, om in de artikelen van de beleidsregels duidelijk te onderscheiden wanneer welke giften wél gemeld moeten worden en wanneer niet.

 

Artikel 4

Het artikel heeft betrekking op de algemene giften. Dit zijn andere giften dan waarover het gaat in artikel 5.

 

Voor deze giften geldt dat zij per kalenderjaar zijn vrijgelaten tot een bedrag als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder m Participatiewet. Het gaat daarbij om het totaal aan giften in natura en giften in geld. Het kan dus gaan om (al dan niet periodieke) geldelijke bedragen, boodschappen, etc.

 

Dit artikel heeft ook betrekking op kostenbesparende maatregelen.

 

Artikel 5

Dit artikel gaat over ‘giften met een specifieke bestemming’, waarmee giften worden bedoeld:

  • waarvoor belanghebbende, als hij de gift niet had ontvangen, aanspraak zou kunnen maken op bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet of een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning

  • die bestemd zijn voor medische kosten

  • die bestemd zijn voor aflossing van probleemschulden

In het artikel wordt bepaald dat dergelijke giften worden vrijgelaten en dus niet met de bijstandsuitkering worden verrekend. Ook wordt bepaald dat de belanghebbende aannemelijk moet kunnen maken dat de gift ook is besteed als ‘gift met een specifieke bestemming’.

 

Artikel 6

Dit artikel bepaalt voor welke giften er een meldingsplicht bestaat. Namelijk als alle giften met uitzondering van giften als bedoeld in artikel 5 en 7 in een kalenderjaar tezamen het bedrag als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels of meer bedragen.

 

De uitkeringsgerechtigde moet dit dan melden bij het college (in de praktijk: de regisseur inkomen) en inzichtelijk kunnen maken welke giften het betreft.

 

Als de totaalwaarde van alle giften, m.u.v. giften als bedoeld in artikel 5 en 7 van deze beleidsregels, onder het bedrag als bedoeld in artikel 4 blijft, dan geldt er géén meldingsplicht.

 

Door de meldingsplicht voor alle giften m.u.v. giften als bedoeld in artikel 5 en 7 van deze beleidsregels te stellen op het bedrag als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels:

  • Wordt gerealiseerd dat er altijd als het drempelbedrag als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels dat geldt voor vrij te laten ‘overige giften’ - wordt bereikt, er een melding bij het college wordt gedaan. Het overige aan ‘giften’ verrekent het college met de bijstand (want het meerdere dan het bedrag bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels is niet vrijgelaten);

  • Wordt gerealiseerd dat het college altijd de mogelijkheid krijgt om in gevallen waarin dit nodig is, te beoordelen of er wel of geen sprake is van een ‘gift met een specifieke bestemming’. Het doel daarvan is om te voorkomen dat iemand onverwacht achteraf te maken krijgt met een terugvordering / verrekening. Dat zou namelijk kunnen gebeuren wanneer ‘giften met een specifieke bestemming’ niet zoals geregeld in artikel 5 onder de meldingsplicht zouden vallen. Het kan dan immers zo zijn dat een belanghebbende zelf veronderstelt dat er wél sprake is van een ‘gift met een specifieke bestemming’ terwijl het college (in de praktijk: de regisseur inkomen) later vaststelt dat er géén sprake is geweest van een ‘gift met een specifieke bestemming’, maar van een ‘overige gift’. Als het bedrag aan ‘overige giften’ dan meer dan het bedrag als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels is, dan volgt er een – eerder niet voorziene – verrekening.

  • Wordt voorkomen dat inwoners te maken krijgen met onnodige administratieve lasten. Zij hoeven niet iedere (kleine) gift te melden bij het college (in de praktijk; de regisseur inkomen).

Door de meldingsplicht te regelen zoals in artikel 6 wordt gedaan, kan de regisseur inkomen tijdig en wanneer dat nodig is onderzoeken of het inderdaad om giften gaat waarvoor recht op bijzondere bijstand bestaat. Het moet daarbij ‘aannemelijk’ zijn dat er bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden. Bijvoorbeeld kan het gaan om een gift voor een koelkast. Wanneer er op de overschrijving staat ‘voor de koelkast’ en er is een factuur van een nieuwe koelkast, dan kan gesteld worden dat er sprake is van ‘aannemelijk’ dat de gift voor de koelkast was. Het is aan de inkomensregisseur om dit in redelijkheid te bepalen.

 

Als het college oordeelt dat er wél sprake is van een ‘gift met een specifieke bestemming’ dan weet de uitkeringsgerechtigde ook dat de gift niet meetelt in het vrijgestelde bedrag als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels voor overige giften.

 

Artikel 7

Giften van de Voedselbank zijn altijd vrijgelaten en tellen niet mee voor het maximale bedrag als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels voor ‘overige giften’. Deze giften hoeven nooit gemeld te worden.

 

Artikel 8

De zoektermijn van vier weken voor personen jonger dan 27 jaar is geregeld in de Participatiewet onder artikel 41 lid 4. Jongeren kunnen pas na afloop van deze periode een aanvraag om algemene bijstand indienen. Het doel van deze zoektermijn is dat jongeren eerst hun mogelijkheden voor onderwijs en werk onderzoeken. Met de komst van de Participatiewet in Balans geeft de wet in artikel 41 lid 11 het college de mogelijkheid om af te zien van de zoektermijn van vier weken als de omstandigheden hierom vragen.

 

Het college maakt gebruik van deze bevoegdheid om af te wijken van de zoektermijn. Het college gaat ervan uit dat wanneer een jongere zich meldt voor algemene bijstand, deze jongere in een kwetsbare positie verkeert. Voorbeelden van kwetsbare omstandigheden kunnen zijn (niet limitatief):

De jongere;

  • -

    Verblijft in een inrichting of heeft recht op maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wmo;

  • -

    Heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel ondergaan die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling, pleeggezin of gezinshuis als bedoeld in de Jeugdwet;

  • -

    Die eerder studietoeslag heeft ontvangen op grond van artikel 36b van de wet;

  • -

    Van wie de bijstand is beëindigd wegens werkhervatting en die binnen twaalf maanden na uitstroom opnieuw werkloos raakt;

  • -

    Die niet is ingeschreven als ingezetene in de basisregistratie personen en/of is ingeschreven zonder woonadres, maar met een briefadres;

  • -

    Met problematische schulden of die deelneemt aan een schuldregelingstraject;

  • -

    Die bekend is bij of ondersteund wordt door een erkende maatschappelijke (zorg)organisatie;

  • -

    Die niet beschikt over een startkwalificatie en waarbij onderwijs geen reële optie is;

  • -

    Die uit detentie komt en bij wie het opleggen van een zoektermijn niet effectief is;

  • -

    Waarbij andere zwaarwegende persoonlijke of gezinsomstandigheden spelen.

Wanneer een jongere niet in kwetsbare omstandigheden verkeert en het college voldoende aanwijzingen heeft dat de jongere zich kan inspannen voor werk en/of onderwijs, wordt er wél een zoektermijn van vier weken opgelegd. Het college motiveert dit besluit.

 

Artikel 9

Als een feitelijke leefsituatie vergelijkbaar is met die van iemand van 21 of ouder (die ook niet op de financiële steun van ouders kan rekenen), dan hoort er sprake te zijn van een gelijk sociaal minimum. Het is niet redelijk te betogen dat iemand jonger dan 21 minder nodig heeft om te voorzien in financiële bestaanszekerheid dan iemand van 21 of ouder, als er sprake is van een gelijkwaardige leefsituatie.

 

Dit artikel is eerder vastgesteld door het college in de Beleidsregels bijzondere bijstand Participatiewet Zoetermeer 2025 en in werking getreden per 1 april 2025. Door de wijzigingen van de Participatiewet in Balans is artikel 12 van de oude Participatiewet vervallen per 1 januari 2026. Daarom is het beleid nu opgenomen in deze beleidsregels en valt het vanaf 2026 onder de algemene bijstand. Dit beleid heeft zijn grondslag op artikel 18 lid 1 Participatiewet.

Naar boven