Gemeenteblad van Zoetermeer
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zoetermeer | Gemeenteblad 2026, 314458 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zoetermeer | Gemeenteblad 2026, 314458 | beleidsregel |
Beleidsregels Rechtmatigheid Participatiewet Zoetermeer 2026
HOOFDSTUK 2 IN AANMERKING TE NEMEN MIDDELEN
Artikel 3 Motorvoertuigen bij vermogensvaststelling
Een gemotoriseerd voertuig van 13 jaar of ouder waarvan aannemelijk is dat de waarde aanzienlijk hoger ligt dan €1.000,- wordt bij de vaststelling van het vermogen wel meegenomen. Het college is bevoegd hier een taxatie door een erkende taxateur of een ander document waaruit de waarde blijkt bij belanghebbende op te vragen om de waarde vast te stellen.
Artikel 4 Vrijlating van giften
Giften worden per kalenderjaar vrijgelaten tot een bedrag als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder m Participatiewet.
Artikel 6 Meldingsplicht giften
Zolang het totaalbedrag aan giften met een specifieke bestemming en overige giften in een kalenderjaar onder het bedrag als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels blijft, hoeft de belanghebbende de giften niet bij het college te melden. Zodra het totaalbedrag in een kalenderjaar echter boven het bedrag als in artikel 4 van deze beleidsregels of meer bedraagt, moet de belanghebbende dit aan het college doorgeven.
Artikel 9 Aanvulling levensonderhoud jongeren
Een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op aanvullende bijstand, voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan van belanghebbende uitgaan boven de bijstandsnorm en voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op de ouders, omdat de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn of de belanghebbende redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens de ouders niet te gelde kan maken.
Als belanghebbende, zoals bedoeld onder lid 1, redelijkerwijs niet bij de ouders kan inwonen en geen beroep kan doen op de ouders, dan hoogt het college op grond van artikel 18 lid 1 het bedrag van de aanvullende bijstand zodanig op dat deze samen met de van toepassing zijnde bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 20, gelijk is aan de norm bedoeld in artikel 21, die geldt voor een 21-jarige of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd.
Burgemeester en wethouders van Zoetermeer, 23 juni 2026
de secretaris,
Alexander Meijer
de burgemeester,
Michel Bezuijen
Op 1 januari 2026 is de Participatiewet gewijzigd door de Participatiewet in Balans en de Verzamelwet SZW 2026. Deze beleidsregels zien op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van het college die de wet biedt.
In de beleidsregels is, kort weergegeven, het volgende opgenomen:
Het college zet met deze beleidsregels in op meer eenvoud, vertrouwen en menselijke maat binnen de uitvoering van de Participatiewet.
Naast bovengenoemde treedt tegelijk met deze beleidsregels de Beleidsregels Inkomstenvrijlating voor jongeren tot 27 jaar Participatiewet gemeente Zoetermeer 2026 in werking. Deze beleidsregels zijn in een aparte regeling opgenomen omdat deze per 1 januari 2027 zullen vervallen. Per 1 januari 2027 is de inkomensvrijlating voor jongeren tot 27 jaar opgenomen in de Participatiewet zelf.
Het college ziet een begrafenisverzekering die bedoeld is voor de dekking van begrafeniskosten als algemeen gebruikelijk. De waarde hiervan wordt daarom vrijgelaten bij het vaststellen van het vermogen.
Indien de belanghebbende tijdens de bijstandsperiode een afkoopbare uitvaartverzekering afkoopt, wordt de waarde van het bedrag dat daarmee wordt ontvangen wel beschouwd als vermogen.
Indien een voertuig jonger dan 13 jaar oud is, hanteert het college voor de vaststelling van de waarde als richtlijn de actuele koerslijst van de ANWB. Hierbij is de laagste verkoopprijs leidend. Indien de vastgestelde waarde boven de €1.000,- komt, wordt de meerwaarde boven dit bedrag meegenomen bij de vaststelling van het vermogen.
Het college ziet gemotoriseerde voertuigen van 13 jaar of ouder als algemeen gebruikelijk. De waarde van het voertuig wordt ingeschat op nihil. De waarde van het voertuig wordt in dit geval vrijgelaten bij het vaststellen van het vermogen.
Wanneer het aannemelijk is dat een gemotoriseerd voertuig van 13 jaar of ouder een aanzienlijk hogere waarde heeft dan €1.000,-, is het College bevoegd om de waarde wel mee te nemen in het vaststellen van het vermogen. Dit is van toepassing wanneer het bijvoorbeeld gaat om een voertuig van een luxe merk dat zijn waarde behoudt. Het College vraagt in dit geval een taxatie op door een erkende taxateur of een ander document waaruit de waarde blijkt.
Wanneer een voertuig voor een belanghebbende onmisbaar is in verband met werk en/of invaliditeit en verkoop van de auto hierdoor niet kan worden verlangd, neemt het College het voertuig niet mee bij de vaststelling van het vermogen. Dit doet zich in principe enkel voor bij medische noodzaak of wanneer de auto naar het oordeel van de werkregisseur noodzakelijk is voor re-integratie.
Deze beleidsregels zijn in 2025 herzien na bekendmaking van de nieuwe Participatiewet in Balans. De beleidsregels zijn in lijn met de nieuwe wetgeving per 1 januari 2026.
Er wordt beoogd te voorkomen dat de Participatiewet een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen of personen. Daarnaast beoogt de beleidsregel om uitkeringsgerechtigden toe te staan om, zonder een onevenredige administratieve last, gebruik te maken van die vrijgevigheid.
Uit deze beleidsregels volgt wanneer giften in de bijstand niet tot de middelen moeten worden gerekend en dus vrijgelaten worden. Ook blijkt eruit wanneer er geen melding van giften hoeft te worden gemaakt.
De beleidsregels gaan uit van een verantwoordelijkheid van de bijstandsgerechtigde om zelf bij te houden wat er aan giften binnenkomt, bijvoorbeeld om inzicht te bieden wanneer de gemeente hierom verzoekt, en wanneer melden aan de orde is.
Deze beleidsregels staan het individualiseringsprincipe niet in de weg, om ook in andere gevallen giften niet te rekenen tot middelen die moeten worden verrekend met de uitkering.
Ten aanzien van het begrip gift wordt benadrukt dat kenmerkend voor giften is, dat er geen wederdienst tegenover staat én dat er geen verplichting aan ten grondslag ligt.
Bijschrijvingen van ex-partners bedoeld voor partner- en/of kinderalimentatie vallen dan ook niet onder giften, maar zijn inkomen en worden dus niet vrijgelaten.
In de definitiebepalingen wordt onderscheid gemaakt tussen ‘giften met een specifieke bestemming’ en ‘overige giften’. Dit wordt gedaan, om in de artikelen van de beleidsregels duidelijk te onderscheiden wanneer welke giften wél gemeld moeten worden en wanneer niet.
Het artikel heeft betrekking op de algemene giften. Dit zijn andere giften dan waarover het gaat in artikel 5.
Voor deze giften geldt dat zij per kalenderjaar zijn vrijgelaten tot een bedrag als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder m Participatiewet. Het gaat daarbij om het totaal aan giften in natura en giften in geld. Het kan dus gaan om (al dan niet periodieke) geldelijke bedragen, boodschappen, etc.
Dit artikel heeft ook betrekking op kostenbesparende maatregelen.
Dit artikel gaat over ‘giften met een specifieke bestemming’, waarmee giften worden bedoeld:
In het artikel wordt bepaald dat dergelijke giften worden vrijgelaten en dus niet met de bijstandsuitkering worden verrekend. Ook wordt bepaald dat de belanghebbende aannemelijk moet kunnen maken dat de gift ook is besteed als ‘gift met een specifieke bestemming’.
Dit artikel bepaalt voor welke giften er een meldingsplicht bestaat. Namelijk als alle giften met uitzondering van giften als bedoeld in artikel 5 en 7 in een kalenderjaar tezamen het bedrag als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels of meer bedragen.
De uitkeringsgerechtigde moet dit dan melden bij het college (in de praktijk: de regisseur inkomen) en inzichtelijk kunnen maken welke giften het betreft.
Als de totaalwaarde van alle giften, m.u.v. giften als bedoeld in artikel 5 en 7 van deze beleidsregels, onder het bedrag als bedoeld in artikel 4 blijft, dan geldt er géén meldingsplicht.
Door de meldingsplicht voor alle giften m.u.v. giften als bedoeld in artikel 5 en 7 van deze beleidsregels te stellen op het bedrag als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels:
Wordt gerealiseerd dat er altijd als het drempelbedrag als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels dat geldt voor vrij te laten ‘overige giften’ - wordt bereikt, er een melding bij het college wordt gedaan. Het overige aan ‘giften’ verrekent het college met de bijstand (want het meerdere dan het bedrag bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels is niet vrijgelaten);
Wordt gerealiseerd dat het college altijd de mogelijkheid krijgt om in gevallen waarin dit nodig is, te beoordelen of er wel of geen sprake is van een ‘gift met een specifieke bestemming’. Het doel daarvan is om te voorkomen dat iemand onverwacht achteraf te maken krijgt met een terugvordering / verrekening. Dat zou namelijk kunnen gebeuren wanneer ‘giften met een specifieke bestemming’ niet zoals geregeld in artikel 5 onder de meldingsplicht zouden vallen. Het kan dan immers zo zijn dat een belanghebbende zelf veronderstelt dat er wél sprake is van een ‘gift met een specifieke bestemming’ terwijl het college (in de praktijk: de regisseur inkomen) later vaststelt dat er géén sprake is geweest van een ‘gift met een specifieke bestemming’, maar van een ‘overige gift’. Als het bedrag aan ‘overige giften’ dan meer dan het bedrag als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels is, dan volgt er een – eerder niet voorziene – verrekening.
Door de meldingsplicht te regelen zoals in artikel 6 wordt gedaan, kan de regisseur inkomen tijdig en wanneer dat nodig is onderzoeken of het inderdaad om giften gaat waarvoor recht op bijzondere bijstand bestaat. Het moet daarbij ‘aannemelijk’ zijn dat er bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden. Bijvoorbeeld kan het gaan om een gift voor een koelkast. Wanneer er op de overschrijving staat ‘voor de koelkast’ en er is een factuur van een nieuwe koelkast, dan kan gesteld worden dat er sprake is van ‘aannemelijk’ dat de gift voor de koelkast was. Het is aan de inkomensregisseur om dit in redelijkheid te bepalen.
Als het college oordeelt dat er wél sprake is van een ‘gift met een specifieke bestemming’ dan weet de uitkeringsgerechtigde ook dat de gift niet meetelt in het vrijgestelde bedrag als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels voor overige giften.
Giften van de Voedselbank zijn altijd vrijgelaten en tellen niet mee voor het maximale bedrag als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels voor ‘overige giften’. Deze giften hoeven nooit gemeld te worden.
De zoektermijn van vier weken voor personen jonger dan 27 jaar is geregeld in de Participatiewet onder artikel 41 lid 4. Jongeren kunnen pas na afloop van deze periode een aanvraag om algemene bijstand indienen. Het doel van deze zoektermijn is dat jongeren eerst hun mogelijkheden voor onderwijs en werk onderzoeken. Met de komst van de Participatiewet in Balans geeft de wet in artikel 41 lid 11 het college de mogelijkheid om af te zien van de zoektermijn van vier weken als de omstandigheden hierom vragen.
Het college maakt gebruik van deze bevoegdheid om af te wijken van de zoektermijn. Het college gaat ervan uit dat wanneer een jongere zich meldt voor algemene bijstand, deze jongere in een kwetsbare positie verkeert. Voorbeelden van kwetsbare omstandigheden kunnen zijn (niet limitatief):
Wanneer een jongere niet in kwetsbare omstandigheden verkeert en het college voldoende aanwijzingen heeft dat de jongere zich kan inspannen voor werk en/of onderwijs, wordt er wél een zoektermijn van vier weken opgelegd. Het college motiveert dit besluit.
Als een feitelijke leefsituatie vergelijkbaar is met die van iemand van 21 of ouder (die ook niet op de financiële steun van ouders kan rekenen), dan hoort er sprake te zijn van een gelijk sociaal minimum. Het is niet redelijk te betogen dat iemand jonger dan 21 minder nodig heeft om te voorzien in financiële bestaanszekerheid dan iemand van 21 of ouder, als er sprake is van een gelijkwaardige leefsituatie.
Dit artikel is eerder vastgesteld door het college in de Beleidsregels bijzondere bijstand Participatiewet Zoetermeer 2025 en in werking getreden per 1 april 2025. Door de wijzigingen van de Participatiewet in Balans is artikel 12 van de oude Participatiewet vervallen per 1 januari 2026. Daarom is het beleid nu opgenomen in deze beleidsregels en valt het vanaf 2026 onder de algemene bijstand. Dit beleid heeft zijn grondslag op artikel 18 lid 1 Participatiewet.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-314458.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.