Gemeenteblad van Leiden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Leiden | Gemeenteblad 2026, 312503 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Leiden | Gemeenteblad 2026, 312503 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Jeugdhulp gemeente Leiden 2026
De raad van de gemeente Leiden;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Leiden;
gelet op de artikelen 2.2, 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, lid 3, artikel 12.4 lid 2 van de Jeugdwet;
overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt;
De regionale visie op jeugdhulp “Samen rondom de jeugd” is vastgesteld op 18 juni 2026;
besluit vast te stellen de Verordening Jeugdhulp gemeente Leiden 2026.
Hoofdstuk 2 – Vormen van jeugdhulp
Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding heeft volbracht.
Vaktherapie kan alleen worden ingezet onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar. Afhankelijk van de zorginstelling en de aard van de behandeling kan een regiebehandelaar een psychiater, klinisch psycholoog, GZ-psycholoog, psychotherapeut of een andere BIG-geregistreerde zorgverlener zijn, die de voortgang en samenhang van de ingezette hulpverlening bewaakt, waar nodig de ingezette hulpverlening bijstelt en de eindverantwoordelijkheid draagt.
Hoofdstuk 3 – Toegang jeugdhulp anders dan via de gemeente
Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via het medisch domein
Jeugdhulp die na een verwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend door een jeugdhulpaanbieder die geen contract- of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt – behoudens verstrekking van een persoonsgebonden budget – niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking, indien het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieder.
Als de jeugdhulpaanbieder na een verwijzing beoordeelt welke specifieke vorm van jeugdhulp nodig is en/of wat de omvang en de duur van de jeugdhulp is, houdt hij zich daarbij aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.
Hoofdstuk 4 – Toegang jeugdhulp via de gemeente
In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s), of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp aan als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dit geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na start van de hulp, vast in een beschikking.
Artikel 4.2 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Na afronding van het onderzoek als bedoeld in dit artikel zal het college de jeugdige of zijn ouder(s) een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekken, in de vorm van een ondersteuningsplan. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd.
Artikel 4.5 Termijnen behandeling aanvraag
Indien het college niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kan beslissen, stelt het de jeugdige en/of zijn ouder(s) daarvan vóór het verstrijken van deze termijn schriftelijk in kennis, onder vermelding van de reden van de vertraging en de termijn waarbinnen de beslissing alsnog wordt genomen.
Artikel 4.6 Deskundigheid en vergewisplicht
Uit hoofde van de deskundigheid van de SKJ-geregistreerde jeugdhulpprofessional wordt bepaald of er een noodzaak is een (andere) deskundige of deskundigen in te schakelen om te adviseren over de benodigde jeugdhulp. Dit met inachtneming van de verantwoordelijkheidstoedeling gesteld in artikel 4.1.1, tweede lid van de wet in samenhang bezien met de benodigde deskundigheid genoemd in artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet.
Het college vergewist zich ervan dat het onderzoek als bedoeld in artikel 4.2 van deze verordening op zorgvuldige wijze is uitgevoerd, door een daartoe gekwalificeerde deskundige en dat de uitkomst daarvan logischerwijs uit het onderzoek volgt alvorens een besluit op de aanvraag voor een individuele voorziening wordt genomen.
Hoofdstuk 5 – Voorwaarden individuele voorzieningen jeugdhulp
Artikel 5.1 Criteria voor het verstrekken van een individuele voorziening
De voorziening moet gericht zijn op:
Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening of interventie wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en [waar beschikbaar] wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. Het college kan hiervoor gebruik maken van de NJI Databank Effectieve jeugdinterventies, Richtlijnen Jeugdhulp en GGZ standaarden.
Artikel 5.2 Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouder(s) en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder, indien aanwezig, de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:
Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de hulpvraag behoort tot de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’ en waarvan het overzicht is opgenomen in bijlage 1 van deze verordening. Indien dit het geval is worden voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen in beginsel geacht aanwezig te zijn, tenzij uit het onderzoek blijkt dat gelet op de individuele omstandigheden ondersteuning noodzakelijk is.
Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouder(s) door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:
Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouder(s), bij de beschikbaarheid van de ouder(s) voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouder(s) en bij de financiële situatie van de ouder(s) wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
Als de jeugdige en/of de ouder(s) een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.
Artikel 5.3 Voorliggende voorzieningen
Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:
naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of
Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen.
Indien de eigen mogelijkheden onvoldoende zijn wordt een vervoersvoorziening alleen verstrekt aan de jeugdige voor zover het naar het oordeel van het college noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt, mits niet vanuit andere regelingen of instanties vergoed.
Hoofdstuk 7 – Persoonsgebonden budget
Artikel 7.2 Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb
Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan in. Het pgb-plan dient ter onderbouwing van de aanvraag. Het college beoordeelt de pgb-vaardigheid en ondersteunt de jeugdige/ouder(s) zo nodig bij het opstellen van het plan.
Het college verstrekt uitsluitend een pgb als:
naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 7.5 (Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb) is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.
Dit in verband met de doelmatigheid van de geboden hulp in combinatie met de complexere problematiek in de andere profielen. Tenzij het college anders besluit in belang van het kind.
Artikel 7.4 Formele en informele hulp
Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
Artikel 7.5 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb
De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp wordt vastgesteld op basis van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura, waarbij maximaal 90% van het tarief in natura geldt voor een professional in dienst van een jeugdhulpaanbieder en maximaal 80% voor een zelfstandige zonder personeel (zzp).
Indien uit het ingediende pgb-plan blijkt dat passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief dan het maximumtarief kan worden ingekocht, stelt het college dit lagere tarief vast. Daarbij houdt het college zo nodig rekening met de aard van de aanbieder en diens kostenstructuur, waaronder die van zelfstandige zorgverleners met beperkte overhead.
Hoofdstuk 8 – Afstemming met andere voorzieningen
Artikel 8.1 Overgang 18- naar 18+
Voor verlengde jeugdhulp geldt dat:
de hulp ingezet moet zijn voor de 18e verjaardag of het moet voor de 18e verjaardag zijn bepaald dat de hulp ingezet moet worden na het uitgevoerde onderzoek, als bedoeld in artikel 4.2 van deze verordening. Daarbij geldt ook dat er sprake kan zijn van verlengde jeugdhulp als er binnen een half jaar na de 18e verjaardag wordt geconstateerd dat hulp die voor de 18e verjaardag is beëindigd, toch nodig blijkt te zijn;
Artikel 8.2 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:
zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.
Artikel 8.3 Gezondheidszorg en langdurige zorg
Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel e van de wet en artikel 3.1 van de verordening plaatsvindt.
Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die in behandeling zijn en de leeftijd van 18 jaar bereiken. Er moet dan sprake zijn van de reële verwachting dat deze zorg na de 18e verjaardag door zal lopen en daarmee onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet langdurige zorg (Wlz) komen te vallen. Ook worden er afspraken gemaakt hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader.
Het college draagt zorg dat de gemeentelijke toegang, de jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren. Waar nodig helpen zij de jeugdige en/of zijn ouder(s) de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen te krijgen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, armoedevoorzieningen, en het kindpakket – om deze belemmeringen weg te nemen.
Hoofdstuk 9 – Opschorten, herziening, intrekking, terugvordering, bestrijding misbruik en toezicht
Artikel 9.2 Herziening, intrekking en terugvordering
Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.
Een besluit kan ingetrokken worden, wanneer de jeugdhulpaanbieder niet binnen drie maanden na het afgeven van het besluit is gestart met de zorg of als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen drie maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
Artikel 9.4 Overige maatregelen ter voorkoming van oneigenlijk gebruik, misbruik
Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.
Artikel 9.5 Toezicht op recht- en doelmatigheid bij individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s
Het college wijst één of meer toezichthouders aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van deze verordening, de toekenningsbeschikking, beleidsregels en – voor zover van toepassing – contractuele afspraken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van de rechtmatige en doelmatige inzet en besteding van individuele voorzieningen en pgb’s, waaronder de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik.
Het college onderzoekt met inachtneming van de Jeugdwet en de daarop gebaseerde regelgeving, de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen en de naleving van de door de gemeente gestelde kwaliteitseisen. Onder ‘kwaliteitseisen’ wordt in dit artikel verstaan: eisen die door of namens de gemeente zijn gesteld in of krachtens deze verordening, beleidsregels, de toekenningsbeschikking en/of contractuele afspraken, voor zover deze zien op rechtmatigheid, doelmatigheid en controleerbaarheid (zoals administratie- en verantwoordingsverplichtingen, VOG-eisen, meldplichten en planmatige vastlegging/evaluatie), en niet op de professionele standaard of zorginhoudelijke kwaliteit.
Het toezicht door het college en de toezichthouder ziet uitsluitend op de naleving van deze verordening, de toekenningsbeschikking, beleidsregels, contractuele afspraken en de rechtmatige en doelmatige inzet van voorzieningen en persoonsgebonden budgetten en omvat geen toezicht op de professionele of zorginhoudelijke kwaliteit (professionele standaard).
Hoofdstuk 10 – Kwaliteit en meldplichten jeugdhulpaanbieders
Artikel 10.1 Voorwaarden aan jeugdhulpaanbieders
Er wordt geen individuele voorziening ingezet bij jeugdhulpaanbieders indien:
er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de integriteit van de jeugdhulpaanbieder. Hiervan is in ieder geval sprake indien de jeugdhulpaanbieder in de vier jaar voorafgaand aan het moment van beoordeling door het college:
de jeugdhulpaanbieder zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de jeugdhulpaanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn/haar functie. Een jeugdhulpaanbieder dient financieel gezond te zijn en er dient aan de financiële verplichtingen voldaan te worden, zodat de continuïteit van de zorg voor de jeugdige voldoende gewaarborgd is. De jeugdhulpaanbieder kan worden gevraagd de meest recente jaarrekening te overleggen. In het geval van een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid kan om een balans of resultatenrekening gevraagd
Het college kan afzien van inzet van een individuele voorziening bij een jeugdhulpaanbieder indien ten aanzien van die aanbieder, een actieve aanwijzing of herstelopdracht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd loopt, voor zover dit relevant is voor de veiligheid, kwaliteit of continuïteit van de in te zetten jeugdhulp.
Er wordt geen pgb verstrekt ten behoeve van inzet van een jeugdhulpaanbieder van wie in de vijf jaar voorafgaand aan het moment van beoordeling het contract met de jeugdhulpregio is ontbonden wegens het niet voldoen aan contractuele voorwaarden, voor zover dit relevant is voor kwaliteit, veiligheid of rechtmatigheid.
Voordat het college toepassing geeft aan dit artikel, baseert het college zich op verifieerbare feiten en omstandigheden, stelt het de jeugdhulpaanbieder in de gelegenheid te reageren (hoor en wederhoor) en motiveert het college waarom inzet van jeugdhulp via deze aanbieder niet verantwoord is gelet op de belangen van de jeugdige en de vereiste proportionaliteit.
Hoofdstuk 11 – Cliëntondersteuning, vertrouwenspersoon, klachten, privacy, inspraak en medezeggenschap
Artikel 11.5 Inspraak en medezeggenschap
Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Bijlage 1 Samenvattend overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen
Onderstaand overzicht is niet uitputtend maar geeft voorbeelden van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven die kenmerkend zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar staat het in het schema in de fase waarin dit het meeste speelt.
Bron: NJI Uitgave ‘Opgroeien en opvoeden. Normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en hun ouders’
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-312503.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.